Zonder onafhankelijke kennis verliest de democratie haar vermogen zichzelf te corrigeren

 

Als de waarheid niet meer vrij onderzocht kan worden, verliest de democratie haar ogen en oren

Waarom onafhankelijke journalistiek, vrije wetenschap en toegang tot overheidsinformatie steviger in onze Grondwet moeten worden beschermd.

Stel je voor.

Een journalist ontdekt aanwijzingen dat een gemeente jarenlang waarschuwingen over ernstige misstanden heeft genegeerd.

Hij wil onderzoeken wat er is gebeurd.

Hij vraagt documenten op. Maar de overheid weigert een deel openbaar te maken. Andere stukken komen pas maanden later beschikbaar.

Een ambtenaar is bereid informatie te delen, maar vreest dat zijn identiteit bekend wordt en dat hij zijn baan verliest.

De journalist zet zijn onderzoek voort.

Dan ontvangt hij een brief van een advocaat. Een organisatie die in zijn onderzoek voorkomt, dreigt met een kostbare rechtszaak.

Zijn redactie heeft nauwelijks geld voor juridische ondersteuning.

De journalist moet kiezen.

Doorgaan en misschien zijn financiële toekomst riskeren?

Of het onderzoek laten rusten?

Stel je nu een wetenschapper voor.

Zij onderzoekt de gevolgen van een bepaald overheidsbeleid voor de gezondheid van burgers.

De eerste resultaten zijn ongunstig voor de opdrachtgever.

De financier vraagt om een andere formulering. Het bestuur vreest reputatieschade. Een vervolgsubsidie staat op het spel.

Niemand verbiedt haar expliciet om te publiceren.

Maar de boodschap is duidelijk.

En stel je ten slotte een burger voor.

Hij wil weten waarom de overheid een bepaald besluit heeft genomen.

Hij zoekt informatie, maar vindt vooral persberichten, politieke verklaringen en sociale-mediaberichten die elkaar tegenspreken.

De oorspronkelijke documenten zijn moeilijk toegankelijk. Wetenschappelijke onderzoeken zitten achter betaalmuren. En algoritmen bepalen mede welke informatie hij te zien krijgt.

Formeel is iedereen vrij.

De journalist mag publiceren.

De wetenschapper mag onderzoeken.

De burger mag zijn mening vormen.

Maar hoe vrij is een samenleving wanneer de voorwaarden om informatie te verzamelen, kennis te ontwikkelen en macht kritisch te onderzoeken steeds kwetsbaarder worden?

Dit is de centrale vraag van mijn nieuwe grondwetsvoorstel De vrijheid om te weten.

Mijn conclusie is dat onze Grondwet belangrijke vrijheden beschermt, maar onvoldoende expliciet waarborgt dat onafhankelijke journalistiek, vrije wetenschap en democratische kennisvorming ook daadwerkelijk kunnen functioneren.

En dat raakt aan iets fundamenteels.

Een democratie kan blijven bestaan als formeel politiek systeem, terwijl zij langzaam het vermogen verliest om de werkelijkheid kritisch te onderzoeken.

Vrijheid van meningsuiting is niet genoeg

We beschouwen de vrijheid van meningsuiting terecht als een van de belangrijkste fundamenten van onze democratische rechtsstaat.

Iedereen moet zijn gedachten kunnen uiten.

Iedereen moet politieke opvattingen kunnen verdedigen.

Iedereen moet kritiek kunnen leveren op machthebbers.

Maar er zit een probleem in deze traditionele benadering.

Wij beschermen vooral de vrijheid om te spreken.

Veel minder zichtbaar beschermen wij de maatschappelijke voorwaarden om iets te kunnen weten.

Want wat betekent de vrijheid van meningsuiting wanneer informatie wordt achtergehouden?

Wanneer journalistiek onderzoek financieel onmogelijk wordt gemaakt?

Wanneer wetenschappers onder politieke druk komen te staan?

Wanneer grote technologiebedrijven bepalen welke informatie zichtbaar wordt?

Of wanneer mensen niet meer kunnen onderscheiden welke informatie onafhankelijk is onderzocht en welke boodschap onderdeel is van een commerciële of politieke beïnvloedingscampagne?

Dan blijft de vrijheid om te spreken misschien formeel bestaan.

Maar het vermogen om zelfstandig een oordeel te vormen wordt aangetast.

Dat verschil is essentieel.

Democratie vereist niet alleen dat burgers hun mening mogen geven. Zij vereist ook dat burgers over voldoende informatie kunnen beschikken om die mening zelfstandig en kritisch te vormen.

Daarom moeten wij verder kijken dan het klassieke verbod op censuur.

We moeten ons afvragen wie informatie bezit, wie onderzoek financiert, wie publicatie mogelijk maakt, wie informatie verspreidt en wie bepaalt wat zichtbaar wordt.

Want ook daarin schuilt macht.

De macht om informatie onzichtbaar te maken

Macht wordt vaak geassocieerd met politici, ministers, politie, rechters en grote ondernemingen.

Maar er bestaat nog een andere vorm van macht.

De macht om te bepalen welke werkelijkheid mensen te zien krijgen.

Een overheid die belastende documenten achterhoudt, oefent macht uit.

Een media-eigenaar die bepaalde onderwerpen structureel buiten beeld houdt, kan macht uitoefenen.

Een onderzoeksfinancier die onwelgevallige resultaten probeert tegen te houden, oefent macht uit.

En een digitaal platform dat via algoritmen bepaalt welke berichten miljoenen mensen bereiken, beschikt eveneens over aanzienlijke maatschappelijke macht.

Dat is wat in de wetenschap ook wel epistemische macht wordt genoemd: invloed op de productie, verspreiding, erkenning en toegankelijkheid van kennis.

Deze macht is niet per definitie onrechtmatig.

Een krant moet onderwerpen selecteren.

Een universiteit moet onderzoek beoordelen.

Een platform moet informatie ordenen.

En de overheid mag vertrouwelijke informatie beschermen wanneer daarvoor goede redenen bestaan.

Maar wanneer die selecties ondoorzichtig worden, wanneer financiële belangen verborgen blijven of wanneer onafhankelijke kritiek structureel wordt onderdrukt, ontstaat een democratisch probleem.

Dan gaat het niet meer uitsluitend om de vrijheid van afzonderlijke journalisten of wetenschappers.

Dan gaat het om de vrijheid van de gehele samenleving om zichzelf te begrijpen.

Wie controleert de macht wanneer de journalistiek verdwijnt?

Denk aan een gemeenteraad.

Raadsleden besluiten over woningbouw, zorg, subsidies, grondtransacties, ruimtelijke ordening en de besteding van gemeenschapsgeld.

De bedragen kunnen enorm zijn.

De gevolgen voor inwoners ingrijpend.

Maar wie onderzoekt wat er werkelijk gebeurt?

Wie vergelijkt toezeggingen met uitvoering?

Wie ontdekt mogelijke belangenverstrengeling?

Wie spreekt bewoners die niet worden gehoord?

En wie controleert de informatie die bestuurders zelf openbaar maken?

Een kritische lokale journalist kan daarbij van grote betekenis zijn.

Maar lokale en regionale journalistiek staat economisch onder druk.

Nieuwsorganisaties hebben te maken met veranderende inkomsten, concurrentie van digitale platforms en hoge kosten voor onderzoeksjournalistiek.

Sommige redacties verdwijnen of worden samengevoegd.

Het risico is dat steeds minder journalisten beschikbaar zijn om de dagelijkse uitoefening van lokale en regionale macht te volgen.

En dat heeft gevolgen.

Want waar niemand meer systematisch onderzoekt wat bestuurders doen, kan democratische controle verschralen.

Hetzelfde geldt op nationaal niveau.

Journalisten kunnen machtsmisbruik aan het licht brengen voordat een parlementaire enquête wordt ingesteld.

Zij kunnen documenten vinden die anders onopgemerkt blijven.

Zij kunnen patronen herkennen die in afzonderlijke juridische procedures niet zichtbaar worden.

Zij kunnen mensen een stem geven die binnen de bestuurlijke werkelijkheid nauwelijks worden gehoord.

Daarom is onafhankelijke journalistiek niet zomaar een commerciële activiteit.

Zij vormt een maatschappelijke controle-infrastructuur van de democratische rechtsstaat.

Niet omdat journalisten altijd gelijk hebben.

Niet omdat zij boven kritiek verheven zijn.

Maar omdat een samenleving onafhankelijke onderzoekers nodig heeft die machthebbers ongemakkelijke vragen kunnen stellen.

Een journalist moet zijn bronnen kunnen beschermen

Stel dat een medewerker van een uitvoeringsorganisatie ontdekt dat een computersysteem burgers structureel ten onrechte als frauderisico aanmerkt.

Hij meldt dit intern.

Er gebeurt niets.

Hij probeert het opnieuw.

Opnieuw zonder resultaat.

Uiteindelijk overweegt hij een journalist te benaderen.

Maar wat gebeurt er wanneer zijn identiteit wordt onthuld?

Misschien verliest hij zijn baan.

Misschien wordt zijn loopbaan beschadigd.

Misschien krijgt hij te maken met juridische procedures.

Wanneer zulke risico's te groot worden, blijft belangrijke informatie verborgen.

Daarom is journalistieke bronbescherming geen privilege van een beroepsgroep.

Zij dient het publieke belang.

Zonder bescherming van bronnen worden misstanden moeilijker zichtbaar.

Mijn voorstel erkent journalistieke bronbescherming daarom uitdrukkelijk in artikel 7 van de Grondwet.

Dat betekent geen absolute immuniteit.

Bij uitzonderlijke en zwaarwegende belangen kan doorbreking van bronbescherming gerechtvaardigd zijn.

Maar daarvoor moeten strenge wettelijke voorwaarden gelden, met noodzakelijkheid, evenredigheid en onafhankelijke toetsing.

Hetzelfde geldt voor intimidatie via juridische procedures.

Steeds vaker wordt in het publieke debat gesproken over zogenaamde SLAPP-procedures: rechtszaken die vooral bedoeld zijn om kritische journalisten of maatschappelijke organisaties af te schrikken.

Natuurlijk moet iemand zich tegen onrechtmatige publicaties kunnen verdedigen.

Ook journalisten kunnen fouten maken en rechten schenden.

Maar het recht om naar de rechter te stappen mag niet worden misbruikt om maatschappelijk relevant onderzoek financieel onmogelijk te maken.

Een journalist die uiteindelijk gelijk krijgt, maar daarvoor financieel is geruïneerd, heeft onvoldoende effectieve bescherming genoten.

Wie bezit onze media?

Er bestaat nog een andere bedreiging voor onafhankelijke journalistiek.

Concentratie van mediamacht.

Stel dat een groot deel van de kranten, regionale nieuwssites en andere nieuwsorganisaties uiteindelijk in handen is van een klein aantal ondernemingen.

Op papier bestaan er veel verschillende nieuwsmerken.

Maar achter die merken kunnen dezelfde eigenaren, financiële belangen en strategische beslissingen schuilgaan.

Dat betekent niet automatisch dat journalisten hun onafhankelijkheid verliezen.

Schaalvergroting kan investeringen in journalistiek juist mogelijk maken.

Maar concentratie kan ook leiden tot gezamenlijke redacties, minder onafhankelijke onderzoeksruimte en grotere afhankelijkheid van enkele commerciële partijen.

Daarom is het niet voldoende om te tellen hoeveel kranten of websites er bestaan.

We moeten onderzoeken hoeveel onafhankelijke journalistieke besluitvormingsmacht overblijft.

Daar komt de invloed van adverteerders, investeerders en digitale distributeurs bij.

Een eigenaar hoeft een publicatie niet expliciet te verbieden om invloed uit te oefenen.

Het kan voldoende zijn dat een redactie weet dat bepaald onderzoek een belangrijke financier zou kunnen kosten.

Juist daarom moet redactionele onafhankelijkheid institutioneel worden beschermd.

Mijn voorstel verplicht de overheid voorwaarden te scheppen voor een pluriform, toegankelijk en onafhankelijk medialandschap.

Daarbij horen transparantie van media-eigendom en financiering, bescherming tegen ongeoorloofde machtsconcentraties en ruimte voor nieuwe en lokale journalistiek.

Maar er geldt ook een belangrijke grens.

De overheid moet de onafhankelijkheid van media beschermen, niet bepalen welke journalistieke opvattingen zij moeten uitdragen.

Een publiek gefinancierde omroep mag geen verlengstuk van de regering worden.

En een particuliere redactie mag niet via subsidies, vergunningen of andere financiële afhankelijkheden worden gedwongen om politiek gewenste conclusies te publiceren.

Het gevaar van een overheid die de waarheid wil bepalen

Wanneer desinformatie, propaganda en manipulatie toenemen, klinkt de roep om krachtiger overheidsingrijpen.

Dat is begrijpelijk.

Valse berichten kunnen verkiezingen beïnvloeden.

Onjuiste gezondheidsinformatie kan mensen schade berokkenen.

En georganiseerde beïnvloedingscampagnes kunnen maatschappelijke tegenstellingen versterken.

Maar hier schuilt een gevaar.

Wie bepaalt welke informatie waar is?

De regering?

Een minister?

Een toezichthouder?

Een door de overheid aangewezen commissie?

Dat zou een fundamentele verschuiving betekenen.

Want zodra de overheid algemene bevoegdheden krijgt om vast te stellen welke journalistieke of wetenschappelijke opvattingen juist zijn, ontstaat het risico dat politieke macht zichzelf tegen kritiek gaat beschermen.

Daarom wijs ik het idee van een algemeen overheidswaarheidsmonopolie af.

Dat betekent niet dat de overheid machteloos moet blijven tegenover desinformatie.

Zij kan optreden tegen fraude, bedreiging, onrechtmatige manipulatie en andere wettelijk omschreven schadelijke praktijken.

Zij kan transparantie verlangen over financiering en politieke advertenties.

Zij kan onafhankelijke journalistiek en wetenschappelijk onderzoek mogelijk maken.

En zij kan aantoonbaar onjuiste informatie over haar eigen procedures corrigeren.

Maar dat is iets anders dan bepalen welke politieke opvatting burgers behoren te hebben.

De overheid mag de voorwaarden beschermen waaronder waarheid kan worden onderzocht. Zij mag de uitkomst van dat onderzoek niet politiek voorschrijven.

Dat geldt overigens ook voor haar eigen communicatie.

Een overheid die transparantie verlangt van anderen, moet zelf open zijn over haar informatie, belangen en fouten.

Zij mag geen heimelijke propagandatechnieken gebruiken.

En wanneer zij aantoonbaar onjuiste informatie verspreidt, moet zij deze zichtbaar corrigeren.

Geloofwaardige bestrijding van desinformatie begint bij controleerbaarheid van de overheid zelf.

De digitale wereld heeft nieuwe informatiepoortwachters gecreëerd

Veel mensen ontvangen tegenwoordig nieuws via zoekmachines, sociale media, videoplatforms en andere digitale diensten.

Dat biedt enorme mogelijkheden.

Informatie kan sneller en toegankelijker worden verspreid dan ooit tevoren.

Kleine organisaties kunnen een groot publiek bereiken.

Burgers kunnen zelf onderzoek publiceren.

En minderheden kunnen maatschappelijke ervaringen zichtbaar maken die traditionele media soms onvoldoende belichten.

Maar er is ook een keerzijde.

Digitale platforms bepalen via aanbevelingssystemen, zoekresultaten, advertenties en moderatie mede wat mensen te zien krijgen.

Die systemen zijn niet noodzakelijk ingericht om maatschappelijke kennisvorming te bevorderen.

Zij kunnen worden geoptimaliseerd voor betrokkenheid, kijktijd en advertentie-inkomsten.

Daardoor kan emotioneel, polariserend of sensationeel materiaal meer zichtbaarheid krijgen dan zorgvuldig onderzochte informatie.

Dat hoeft geen bewuste politieke manipulatie te zijn.

Het kan eenvoudig voortkomen uit de economische logica van het platform.

Maar de maatschappelijke gevolgen kunnen aanzienlijk zijn.

Daarbij komt de opkomst van generatieve kunstmatige intelligentie.

Met AI kunnen grote hoeveelheden teksten, afbeeldingen, video's en stemmen worden geproduceerd.

Dat kan kennis toegankelijker maken en journalistiek onderzoek ondersteunen.

Maar dezelfde technologie maakt het eenvoudiger om overtuigend ogende onjuiste informatie te verspreiden.

Bovendien kunnen AI-systemen journalistieke publicaties samenvatten zonder dat gebruikers nog naar de oorspronkelijke bron gaan.

Daardoor ontstaat ook een economisch probleem.

De organisaties die investeren in onderzoek en verificatie kunnen inkomsten verliezen, terwijl andere partijen profiteren van de informatie die zij hebben geproduceerd.

Een democratische samenleving moet daarom niet alleen nadenken over de inhoud van digitale informatie.

Zij moet ook kijken naar de infrastructuur waarlangs informatie wordt verspreid.

Wie beheert die infrastructuur?

Wie bepaalt de rangschikkingscriteria?

Welke financiële belangen spelen een rol?

En welke mogelijkheden hebben burgers, journalisten en maatschappelijke organisaties om beslissingen van platforms aan te vechten?

Mijn voorstel biedt constitutionele ruimte voor wettelijke bescherming tegen ongeoorloofde concentratie van mediamacht en voor transparantie van essentiële digitale informatie-infrastructuren.

Dat betekent niet dat iedere gebruiker recht heeft op onbeperkt bereik of een plaats op ieder platform.

Maar wel dat de maatschappelijke macht van digitale informatiepoortwachters niet buiten democratische en rechtsstatelijke controle mag blijven.

Ook de wetenschap moet vrij kunnen onderzoeken

Stel dat een universiteit onderzoek doet naar de schadelijke gevolgen van een economisch product.

Het onderzoek wordt mede gefinancierd door ondernemingen die dat product verkopen.

Dat hoeft geen probleem te zijn.

Samenwerking tussen wetenschap, overheid en bedrijfsleven kan waardevolle kennis opleveren.

Maar wat wanneer de financier contractueel invloed krijgt op publicatie?

Wat wanneer negatieve resultaten worden vertraagd?

Of wanneer onderzoekers weten dat hun toekomstige financiering afhankelijk is van gunstige conclusies?

Dan ontstaat een fundamenteel probleem.

Wetenschap kan haar maatschappelijke functie alleen vervullen wanneer onderzoeksvragen, methoden en resultaten niet worden bepaald door degene die het meest belang heeft bij de uitkomst.

Daarom is wetenschappelijke vrijheid meer dan de vrijheid om een mening te publiceren.

Zij omvat ook de vrijheid om onderzoeksvragen te formuleren.

Om methoden te kiezen.

Om gegevens te verzamelen.

Om resultaten te beoordelen.

Om wetenschappelijke opvattingen te onderwijzen.

En om conclusies openbaar te maken, ook wanneer die politiek of economisch onwelgevallig zijn.

De Nederlandse Grondwet beschermt bepaalde aspecten daarvan via de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van onderwijs.

Maar academische vrijheid is niet zelfstandig en uitdrukkelijk als grondrecht verankerd.

Dat vind ik onvoldoende.

Daarom stel ik een nieuw artikel 7a voor.

Daarin wordt bepaald dat wetenschappelijk onderzoek, wetenschappelijke publicatie en academisch onderwijs vrij zijn.

Ook de institutionele autonomie van universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen wordt beschermd.

Niet alleen tegenover de overheid.

Maar ook tegenover oneigenlijke economische beïnvloeding.

Wetenschappelijke vrijheid is geen vrijbrief voor onzorgvuldigheid

Academische vrijheid wordt soms verkeerd begrepen.

Alsof iedere onderzoeker zonder enige beperking mag doen wat hij wil.

Of alsof iedere uitspraak die als wetenschappelijk wordt gepresenteerd dezelfde waarde heeft.

Dat is niet zo.

Wetenschap kent professionele normen.

Onderzoek moet zorgvuldig worden uitgevoerd.

Methoden moeten verantwoord kunnen worden.

Belangenconflicten moeten zichtbaar zijn.

Gegevens mogen niet worden verzonnen of gemanipuleerd.

Proefpersonen moeten worden beschermd.

En resultaten moeten onderworpen kunnen worden aan wetenschappelijke kritiek.

Vrijheid van wetenschap betekent dus niet dat wetenschappelijke integriteit vrijblijvend is.

Het betekent dat beoordeling moet plaatsvinden volgens deskundige, controleerbare en onafhankelijke procedures.

Niet op basis van politieke wenselijkheid.

Ook universiteitsbesturen mogen academische autonomie niet gebruiken om individuele onderzoekers het zwijgen op te leggen.

Institutionele onafhankelijkheid is geen onafhankelijkheid uitsluitend voor bestuurders.

Zij moet ook de vrijheid van docenten, promovendi, tijdelijke onderzoekers en andere wetenschappers beschermen.

Juist mensen met onzekere contracten kunnen kwetsbaar zijn voor druk.

Wie afhankelijk is van één hoogleraar, één onderzoeksproject of één financier, beschikt niet altijd over dezelfde feitelijke vrijheid om tegen te spreken.

Daarom moet academische vrijheid worden verbonden met de institutionele en materiële voorwaarden waaronder onderzoek plaatsvindt.

Een universiteit is niet vrij wanneer haar bestuur onafhankelijk is, maar haar onderzoekers niet vrij kunnen denken, onderzoeken en publiceren.

Wetenschappelijke kennis mag de democratie niet vervangen

Er is nog een belangrijk onderscheid.

Wetenschap kan vaststellen welke gevolgen bepaald beleid waarschijnlijk heeft.

Zij kan risico's onderzoeken.

Zij kan aantonen dat bepaalde aannames onjuist zijn.

Maar wetenschap kan niet zelfstandig bepalen welke maatschappelijke waarden voorrang moeten krijgen.

Denk aan klimaatbeleid.

Wetenschappelijk onderzoek kan inzicht geven in de oorzaken van klimaatverandering, de verwachte gevolgen en mogelijke maatregelen.

Maar de vraag hoe kosten worden verdeeld, welke verplichtingen rechtvaardig zijn en welke belangen prioriteit moeten krijgen, vereist ook democratische en normatieve afwegingen.

Hetzelfde geldt voor migratie, gezondheidszorg, woningbouw en technologische ontwikkeling.

Wetenschappelijke deskundigheid is onmisbaar.

Maar deskundigheid verleent niet automatisch politieke beslissingsmacht.

Daarom moet wetenschap onafhankelijk zijn én democratische besluitvorming blijven respecteren.

Dat is geen tegenstelling.

Het is een noodzakelijke taakverdeling.

Wetenschap helpt ons begrijpen wat waarschijnlijk waar is en welke gevolgen keuzes hebben. Democratie bepaalt, binnen de grenzen van grondrechten, welke keuzes maatschappelijk gerechtvaardigd zijn.

Een samenleving heeft beide nodig.

Kennis die met publiek geld wordt ontwikkeld, moet ook toegankelijk kunnen zijn

Er bestaat nog een andere vorm van ongelijkheid.

Toegang tot wetenschappelijke kennis.

Veel onderzoek wordt geheel of gedeeltelijk met publieke middelen gefinancierd.

Toch zijn publicaties soms alleen toegankelijk via dure abonnementen of afzonderlijke betalingen.

Voor universiteiten en grote organisaties kan dat al kostbaar zijn.

Voor journalisten, kleine maatschappelijke organisaties en individuele burgers kunnen dergelijke kosten een wezenlijke belemmering vormen.

Dat roept een principiële vraag op.

Waarom zouden burgers die bijdragen aan de financiering van onderzoek vervolgens niet zonder grote financiële drempels kennis kunnen nemen van de resultaten?

Natuurlijk bestaan gerechtvaardigde beperkingen.

Persoonsgegevens, intellectuele eigendom, onderzoeksveiligheid en vertrouwelijke informatie moeten worden beschermd.

Ook kost wetenschappelijke publicatie geld.

Maar het uitgangspunt moet zijn dat publiek gefinancierde kennis waar mogelijk toegankelijk wordt gemaakt.

Daarom bevat mijn voorstel een positieve overheidsopdracht om voorwaarden te scheppen voor onafhankelijk, integer, pluriform en toegankelijk wetenschappelijk onderzoek.

Open access, begrijpelijke samenvattingen, toegankelijke onderzoeksgegevens en publieke kennisdeling kunnen daaraan bijdragen.

Want wetenschap die uitsluitend binnen een kleine kring van deskundigen toegankelijk is, kan haar maatschappelijke betekenis niet volledig vervullen.

De overheid moet haar informatie niet als eigendom behandelen

Laten we teruggaan naar de burger die wil weten waarom een bepaald besluit is genomen.

Hij vraagt documenten op.

De overheid reageert dat het verzoek ingewikkeld is.

Er moeten stukken worden gezocht.

Persoonsgegevens moeten worden afgeschermd.

Verschillende afdelingen moeten worden geraadpleegd.

Dat kan allemaal legitiem zijn.

Maar ondertussen verstrijken de maanden.

Misschien verandert het beleid.

Misschien is de politieke discussie al voorbij.

Misschien zijn betrokken bestuurders inmiddels vertrokken.

Uiteindelijk ontvangt de burger een aantal documenten.

Maar wat heeft hij nog aan informatie die pas beschikbaar komt wanneer het moment voor democratische beïnvloeding voorbij is?

Nederland beschikt met de Wet open overheid over een belangrijk wettelijk instrument voor toegang tot publieke informatie.

Ook artikel 110 van de Grondwet bepaalt dat de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid betracht.

Maar dat grondwetsartikel formuleert vooral een opdracht aan de overheid.

Het bevat geen volledig uitgewerkt individueel grondrecht op toegang tot overheidsinformatie.

Daarom stel ik voor artikel 110 te versterken.

Iedereen moet, volgens bij wet te stellen regels, een constitutioneel recht op toegang tot overheidsinformatie krijgen.

Dat recht is niet onbeperkt.

Nationale veiligheid, privacy, opsporing en andere gerechtvaardigde belangen kunnen bescherming vereisen.

Ook hoeft de overheid niet ieder denkbaar nieuw onderzoek uit te voeren wanneer iemand informatie vraagt.

Maar zij moet bestaande informatie behoorlijk beheren en toegankelijk kunnen maken.

En wettelijke beperkingen moeten noodzakelijk en evenredig zijn.

Openbaarheid moet bovendien niet uitsluitend afhankelijk zijn van verzoeken.

Belangrijke informatie behoort zoveel mogelijk actief, tijdig en in bruikbare vorm beschikbaar te worden gesteld.

Want democratische controle veronderstelt dat burgers kunnen zien wat de overheid doet.

Niet alleen wanneer de overheid daar zelf behoefte aan heeft.

De vrijheid om te weten raakt iedereen

Soms lijkt informatievrijheid een onderwerp voor journalisten, wetenschappers, juristen en beleidsmakers.

Maar de gevolgen raken iedereen.

Een patiënt moet kunnen vertrouwen op onafhankelijk onderzoek naar medicijnen.

Een werknemer heeft belang bij betrouwbare kennis over arbeidsrisico's.

Een huurder moet informatie kunnen vinden over zijn rechten en de werking van de woningmarkt.

Ouders moeten kennis kunnen nemen van wetenschappelijke inzichten over onderwijs en de ontwikkeling van kinderen.

Burgers moeten de milieugevolgen van publieke besluiten kunnen begrijpen.

En kiezers moeten politieke beweringen kunnen vergelijken met controleerbare informatie.

Wanneer zulke kennis wordt achtergehouden, gemanipuleerd of ontoegankelijk wordt gemaakt, raakt dat rechtstreeks aan menselijke autonomie.

Mensen kunnen hun leven niet vrij vormgeven wanneer zij onvoldoende kunnen weten welke omstandigheden hun bestaan beïnvloeden.

Daarbij gaat het ook om gelijkwaardigheid.

Niet iedereen beschikt over dezelfde opleiding, financiële middelen, digitale vaardigheden of professionele netwerken.

Sommige mensen kunnen dure onderzoeken kopen, gespecialiseerde adviseurs inschakelen of rechtstreeks toegang krijgen tot belangrijke informatie.

Anderen zijn afhankelijk van openbare bronnen en gratis nieuwsvoorziening.

Een democratische rechtsstaat hoeft die verschillen niet volledig op te heffen.

Maar zij mag evenmin accepteren dat essentiële kennis feitelijk een privilege wordt van degenen die haar kunnen betalen.

De vrijheid om te weten is daarom niet alleen een individuele vrijheid. Zij is ook een voorwaarde voor maatschappelijke gelijkwaardigheid.

Waarom dit past binnen mijn mens- en samenlevingswordingsmodel

Achter mijn grondwetsvoorstel ligt een bredere visie op mensen en hun samenleving.

In mijn mens- en samenlevingswordingsmodel vertrek ik niet vanuit de mens als een volledig zelfstandig, geïsoleerd en voltooid individu.

Mensen ontwikkelen zich voortdurend.

Zij worden gevormd door relaties, opvoeding, onderwijs, cultuur, geschiedenis, maatschappelijke instituties en ecologische omstandigheden.

Ook hun opvattingen ontstaan niet in een vacuüm.

Wat wij denken, wat wij weten en welke mogelijkheden wij zien, wordt mede bepaald door de informatie die wij ontvangen en de maatschappelijke omstandigheden waarin wij leven.

Dat betekent niet dat mensen willoze producten van hun omgeving zijn.

Integendeel.

Mensen kunnen leren, kritisch oordelen, bestaande overtuigingen herzien en hun samenleving veranderen.

Maar daarvoor moeten de voorwaarden aanwezig zijn.

Autonomie vereist toegang tot informatie.

Gelijkwaardigheid vereist dat kennis niet structureel wordt gemonopoliseerd.

Democratische participatie vereist dat burgers machtsaanspraken kunnen onderzoeken.

En menselijke ontwikkeling veronderstelt dat onderwijs en wetenschap nieuwe inzichten mogelijk blijven maken.

Vanuit dit mensbeeld is kennisvorming dus niet slechts een instrument om economische productiviteit te verhogen of bestuurlijke beslissingen efficiënter te maken.

Zij behoort tot de voorwaarden waaronder mensen zich als vrije, verantwoordelijke en gelijkwaardige personen kunnen ontwikkelen.

Daarom heeft de manier waarop wij journalistiek, wetenschap, media en informatievoorziening organiseren rechtstreeks betekenis voor het mens-zijn.

Een democratie moet kunnen ontdekken dat zij ongelijk heeft

In mijn bredere constitutionele voorstellen staat het idee van een polycentrisch corrigeerbare democratie centraal.

Dat uitgangspunt is eenvoudig.

Geen enkele persoon beschikt over alle kennis.

Geen enkele politieke meerderheid is onfeilbaar.

Geen enkele instelling kan zichzelf volledig controleren.

En geen enkele wetenschappelijke theorie is principieel gevrijwaard van nieuwe kritiek.

Daarom moeten verschillende bronnen van kennis, macht en tegenmacht naast elkaar kunnen functioneren.

Journalisten onderzoeken misstanden.

Wetenschappers toetsen verklaringen en ontwikkelen nieuwe inzichten.

Burgers brengen ervaringen in.

Maatschappelijke organisaties signaleren problemen.

Toezichthouders onderzoeken institutionele tekortkomingen.

Rechters beschermen rechten.

En parlementen en bestuurders moeten hun beslissingen kunnen heroverwegen.

Deze functies zijn verschillend.

Een wetenschapper is geen gekozen volksvertegenwoordiger.

Een journalist is geen rechter.

Een toezichthouder is geen regering.

Maar juist hun onderlinge verschillen maken correctie mogelijk.

Wanneer één instelling een probleem niet ziet, kan een andere instelling het zichtbaar maken.

Wanneer een politieke meerderheid onvoldoende rekening houdt met nieuwe kennis, kan onafhankelijke wetenschap haar aannames ter discussie stellen.

Wanneer bestuurders informatie achterhouden, kan journalistiek onderzoek die informatie aan het licht brengen.

En wanneer ook journalisten of wetenschappers fouten maken, moeten andere onderzoekers, burgers en onafhankelijke instanties hen kunnen bekritiseren.

Dat is geen teken van institutionele zwakte.

Het is de kracht van een open samenleving.

Een sterke democratie is niet een samenleving waarin iedereen dezelfde waarheid aanvaardt. Het is een samenleving waarin beweringen vrij kunnen worden onderzocht en fouten kunnen worden gecorrigeerd.

Maar leidt meer bescherming niet tot meer overheidsbemoeienis?

Dat is een belangrijke tegenwerping.

Wanneer de Grondwet de overheid opdraagt journalistiek en wetenschap te beschermen, bestaat het risico dat zij daarvoor steeds meer regels, toezicht en financieringsvoorwaarden ontwikkelt.

En daarmee zou nieuwe afhankelijkheid kunnen ontstaan.

Wie bepaalt bijvoorbeeld wat als journalistiek geldt?

Welke wetenschap verdient ondersteuning?

Welke media dragen voldoende bij aan pluriformiteit?

En welke digitale informatie moet worden beschermd?

Daarom mag constitutionele bescherming nooit worden verward met onbeperkte overheidssturing.

Mijn voorstel kent duidelijke grenzen.

De overheid mag geen algemene journalistieke waarheid vaststellen.

Zij mag wetenschappelijke conclusies niet voorschrijven.

Zij mag publieke financiering niet gebruiken om politieke loyaliteit af te dwingen.

En zij mag niet op grond van politieke voorkeur bepalen welke media of wetenschappers bescherming verdienen.

Ook publieke en private instellingen moeten verantwoording afleggen.

Media blijven gehouden aan zorgvuldigheid en geldend recht.

Wetenschappers blijven gebonden aan wetenschappelijke integriteit.

Universiteiten blijven verantwoordelijk voor behoorlijk bestuur en de besteding van publieke middelen.

Digitale platforms mogen wettelijke grenzen stellen aan onrechtmatige inhoud.

Maar zulke verantwoordelijkheden moeten transparant, evenredig en controleerbaar worden vormgegeven.

Onafhankelijkheid is geen onaantastbaarheid.

En regulering mag geen verkapte inhoudelijke censuur worden.

De werkelijke vraag is dus niet eenvoudigweg of de overheid meer of minder invloed moet krijgen.

De vraag is welke publieke verantwoordelijkheid noodzakelijk is om vrijheid daadwerkelijk mogelijk te maken, en hoe wordt voorkomen dat diezelfde overheid de vrijheid vervolgens naar zich toetrekt.

Daarom moet de Grondwet worden gewijzigd

Mijn voorstel De vrijheid om te weten bevat drie samenhangende grondwetswijzigingen.

Een gemoderniseerd artikel 7: vrijheid van meningsuiting, informatie en journalistiek.

Het huidige, grotendeels mediumgebonden systeem wordt vervangen door een technologieneutrale bescherming van het recht om gedachten, gevoelens, informatie en denkbeelden te ontvangen, te verzamelen, te uiten en te verspreiden.

De vrijheid geldt ongeacht het gebruikte communicatiemiddel.

Het verbod op voorafgaand inhoudelijk toezicht blijft een centraal uitgangspunt.

Daarnaast worden persvrijheid, journalistieke bronbescherming en redactionele onafhankelijkheid uitdrukkelijk erkend.

De overheid krijgt de opdracht voorwaarden te scheppen voor een pluriform, toegankelijk en onafhankelijk medialandschap.

Een nieuw artikel 7a: wetenschappelijke en academische vrijheid.

Wetenschappelijk onderzoek, publicatie en academisch onderwijs worden zelfstandig constitutioneel beschermd.

Onderzoekers krijgen expliciete bescherming van hun vrijheid om vragen te formuleren, methoden te kiezen en bevindingen te publiceren.

Universiteiten en andere wetenschappelijke instellingen worden beschermd tegen oneigenlijke politieke en economische beïnvloeding.

Tegelijkertijd blijven wetenschappelijke integriteit, de rechten van anderen en publieke verantwoording noodzakelijk.

Een versterkt artikel 110: toegang tot overheidsinformatie.

Naast de bestaande opdracht aan de overheid om openbaarheid te betrachten, wordt een individueel recht op toegang tot overheidsinformatie erkend.

Daardoor krijgt openbaarheid een duidelijker grondrechtelijke betekenis.

De wetgever moet dit recht nader uitwerken, met noodzakelijke en evenredige uitzonderingen.

Deze drie wijzigingen versterken elkaar.

Want persvrijheid is onvoldoende wanneer informatie ontoegankelijk blijft.

Wetenschappelijke vrijheid heeft beperkte betekenis wanneer onderzoekers hun bevindingen niet kunnen publiceren.

En openbaarheid van bestuur verliest een deel van haar waarde wanneer onafhankelijke journalisten en onderzoekers ontbreken om de informatie kritisch te beoordelen.

Het gaat dus om meer dan drie afzonderlijke juridische bepalingen.

Het gaat om de bescherming van de kennisinfrastructuur van onze democratische rechtsstaat.

De Grondwet moet vrijheid beschermen voordat zij verdwijnt

Soms wordt gedacht dat grondwettelijke bescherming pas noodzakelijk is wanneer een recht daadwerkelijk wordt geschonden.

Maar dan kan het al te laat zijn.

De gevolgen van aantasting van informatievrijheid zijn vaak sluipend.

Een journalist ziet af van een onderzoek.

Een wetenschapper kiest een minder controversieel onderwerp.

Een lokale redactie verdwijnt.

Een belangrijke bron zwijgt.

Een digitaal platform maakt bepaalde informatie vrijwel onzichtbaar.

Een overheid stelt openbaarmaking steeds opnieuw uit.

Geen van deze gebeurtenissen hoeft op zichzelf het einde van de democratie te betekenen.

Maar samen kunnen zij ertoe leiden dat steeds minder onafhankelijke informatie beschikbaar is over de manier waarop macht wordt uitgeoefend.

En wanneer dat gebeurt, wordt correctie moeilijker.

Want hoe kunnen burgers de regering ter verantwoording roepen wanneer zij niet weten wat er werkelijk is gebeurd?

Hoe kan het parlement behoorlijk controleren wanneer belangrijke informatie wordt achtergehouden?

Hoe kan de rechter effectief rechtsbescherming bieden wanneer relevante feiten onzichtbaar blijven?

En hoe kan de samenleving leren van fouten wanneer onafhankelijk onderzoek wordt ontmoedigd?

Een Grondwet moet niet alleen reageren op zichtbaar machtsmisbruik.

Zij moet ook de voorwaarden beschermen die voorkomen dat machtsmisbruik langdurig onzichtbaar blijft.

De kern is eenvoudig

Een democratische rechtsstaat is niet sterk omdat iedereen zijn mening mag uiten.

Zij is sterk wanneer mensen ook vrij kunnen onderzoeken waarop die mening berust.

Wanneer journalisten machthebbers zonder intimidatie kunnen controleren.

Wanneer bronnen veilig ernstige misstanden kunnen onthullen.

Wanneer lokale redacties de macht dichtbij burgers kritisch kunnen volgen.

Wanneer media-eigenaren, financiers en digitale platforms niet onzichtbaar kunnen bepalen welke informatie de samenleving bereikt.

Wanneer universiteiten onafhankelijk zijn van politieke en economische druk.

Wanneer wetenschappers ook onwelgevallige conclusies kunnen publiceren.

Wanneer publiek gefinancierde kennis zoveel mogelijk toegankelijk is.

Wanneer de overheid haar eigen handelen controleerbaar maakt.

En wanneer burgers de informatie kunnen verkrijgen die zij nodig hebben om zelfstandig te oordelen, hun rechten uit te oefenen en aan de democratie deel te nemen.

Daarom moeten persvrijheid, academische vrijheid en toegang tot overheidsinformatie steviger in de Grondwet worden beschermd.

Niet omdat journalisten en wetenschappers altijd gelijk hebben.

Niet omdat alle informatie openbaar moet zijn.

Niet omdat de overheid moet bepalen wat waar is.

Maar juist omdat niemand het alleenrecht op waarheid mag bezitten.

Een vrije samenleving moet kunnen twijfelen.

Zij moet kunnen onderzoeken.

Zij moet bestaande overtuigingen ter discussie kunnen stellen.

En zij moet de mogelijkheid behouden om zichzelf te corrigeren.

Dat is niet alleen een intellectueel ideaal.

Het is een noodzakelijke voorwaarde voor menselijke vrijheid, gelijkwaardigheid en democratische zelfbeschikking.

Daarom gaat De vrijheid om te weten uiteindelijk over een fundamentele keuze.

Willen wij een samenleving waarin politieke en economische machthebbers steeds meer bepalen welke informatie zichtbaar wordt, welke vragen onderzocht mogen worden en welke kennis toegankelijk is?

Of willen wij een democratische rechtsstaat waarin iedere vorm van macht onderzocht, tegengesproken en gecorrigeerd kan worden, juist omdat kennis en informatie vrij blijven?

Voor mij is het antwoord duidelijk.

Wie de vrijheid om te weten verliest, verliest uiteindelijk ook de vrijheid om werkelijk te kiezen.

En een democratie die niet meer kan onderzoeken of zij ongelijk heeft, verliest het vermogen om zichzelf te verbeteren.

Daarom moeten wij die vrijheid beschermen.

Niet pas wanneer zij verdwenen is.

Maar juist nu, zolang wij haar constitutionele voorwaarden nog kunnen versterken.

 

De vrijheid om te weten: Een voorstel tot wijziging van de Grondwet ter bescherming van onafhankelijke journalistiek, vrije wetenschap en democratische kennisvorming. Lees hier het volledige vporstel:

https://www.researchgate.net/publication/416922038_De_vrijheid_om_te_weten_Een_voorstel_tot_wijziging_van_de_Grondwet_ter_bescherming_van_onafhankelijke_journalistiek_vrije_wetenschap_en_democratische_kennisvorming




Reacties

Populaire posts van deze blog

Power Without Accountability Is Not Peace. It Is Domination.

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is