Wanneer een oorlogspresident een weldoener wordt genoemd
Over moreel verval, de betekenis van woorden en een wereld waarin beloften hun waarde verliezen
Er zijn momenten waarop één uitspraak meer onthult over de toestand van onze wereld dan honderden politieke verklaringen.
Op 21 oktober 2026 vond zo'n moment plaats in Sint-Petersburg.
Steve Witkoff, de speciale gezant van de Amerikaanse president Donald Trump, ontmoette Vladimir Poetin. Aanleiding was onder meer de vrijlating van Stephen Hubbard, een Amerikaan die ruim vier jaar in Russische gevangenschap had doorgebracht.
Witkoff bedankte Poetin daarvoor. Begrijpelijk. Een gevangene die naar huis mag, is reden voor opluchting.
Maar vervolgens gebeurde iets merkwaardigs. Witkoff noemde Poetin een humanitarian en prees hem daarvoor.
Een humanitair. Een weldoener. Iemand die zich inzet voor het welzijn van anderen en het verminderen van menselijk leed.
Een president die een verwoestende oorlog voert, werd geprezen om zijn menslievendheid.
De Republikeinse senator John Cornyn reageerde met de woorden: "No. Putin is a stone cold killer."
Daarmee raakte hij aan een fundamenteel probleem. Niet dat diplomaten met Poetin spreken. Diplomatie vereist soms onderhandelingen met degenen wier handelen men het sterkst afwijst.
Het probleem ontstaat wanneer diplomatie verandert in morele vrijspraak.
De werkelijkheid achter het woord 'humanitarian'
Volgens de Verenigde Naties werden alleen al in september 2026 minstens 328 burgers gedood en 2.105 gewond in Oekraïne. De Russische oorlog heeft steden verwoest, miljoenen mensen verdreven en ontelbare levens ontwricht.
Het Internationaal Strafhof vaardigde in maart 2023 een arrestatiebevel tegen Poetin uit wegens verdenking van oorlogsmisdrijven rond de onrechtmatige deportatie en overbrenging van Oekraïense kinderen. Een arrestatiebevel is nog geen veroordeling, maar de ernst van de beschuldigingen is onmiskenbaar.
En de geschiedenis begint niet in 2022.
Onder Poetins bewind werden onafhankelijke media onderdrukt, politieke tegenstanders vervolgd en burgerlijke vrijheden steeds verder beperkt. Oppositieleider Aleksej Navalny overleed in 2024 in Russische gevangenschap. Rusland speelde bovendien een militaire rol in Syrië, waar ernstige schendingen van het oorlogsrecht zijn gedocumenteerd.
Tegen deze achtergrond roept het woord humanitarian een ongemakkelijke vraag op.
Wanneer wordt het vrijlaten van één gevangene voldoende om de verantwoordelijkheid voor het leed van duizenden anderen naar de achtergrond te verdringen?
Natuurlijk verdient iedere vrijlating erkenning. Maar een concrete humane beslissing maakt iemand nog niet tot een humanitair leider.
Dat onderscheid is wezenlijk. Wie het uitwist, verandert woorden van betekenis.
Maar hoe humanitair is het Amerikaanse beleid zelf?
Witkoff prees Poetin niet in een vacuüm. Hij verwees ook naar Trump als humanitair.
Ook die kwalificatie verdient een kritische toets.
Neem het Amerikaanse migratiebeleid.
Tijdens Trumps eerste presidentschap werden duizenden kinderen aan de grens van hun ouders gescheiden. Onder zijn tweede regering is het aantal mensen in immigratiedetentie sterk gestegen. Human Rights Watch documenteerde 52 sterfgevallen in ICE-detentie gedurende de eerste 500 dagen van die regering en constateerde een sterk gestegen sterftecijfer.
Migratiebeleid mag streng zijn. Staten mogen grenzen bewaken en verblijfsregels handhaven. Maar het morele criterium blijft hoe zij omgaan met mensen die volledig van hun macht afhankelijk zijn.
Hetzelfde geldt voor de bescherming van fundamentele rechten.
De afschaffing van de federale constitutionele bescherming van abortus door het Amerikaanse Hooggerechtshof in 2022 werd mede mogelijk gemaakt door rechters die Trump had benoemd. In zijn tweede ambtstermijn trok hij bovendien eerdere federale maatregelen ter bescherming van reproductieve gezondheidszorg in.
Daarnaast heeft zijn regering maatregelen genomen die de rechtspositie en toegang tot zorg van transgenderpersonen beperken. Niet alle maatregelen hielden juridisch stand, maar de beleidsrichting is duidelijk.
Ook buiten de Verenigde Staten zijn de gevolgen van Amerikaans beleid voelbaar. De ontmanteling van USAID en het stopzetten van omvangrijke buitenlandse hulpprogramma's hebben ernstige zorgen opgeroepen over de gevolgen voor kwetsbare bevolkingen.
En dan de buitenlandse politiek.
Op 3 januari 2026 voerden Amerikaanse strijdkrachten een operatie uit in Venezuela waarbij Nicolás Maduro werd gevangengenomen en naar de Verenigde Staten werd overgebracht. Maduro wordt zelf beschuldigd van ernstige mensenrechtenschendingen. Dat neemt niet weg dat een militaire operatie op het grondgebied van een andere staat afzonderlijk aan het internationale recht moet worden getoetst. Juristen hebben ernstige twijfels geuit over de rechtmatigheid ervan.
Op 28 februari begonnen de Verenigde Staten en Israël bovendien militaire aanvallen op Iran, gevolgd door een langdurig regionaal conflict met grote menselijke en economische gevolgen.
De Iraanse regering draagt zelf verantwoordelijkheid voor ernstige repressie en geweld. Maar ook tegenover een repressief regime blijven het verbod op onrechtmatig geweld en de bescherming van burgers van kracht.
De Verenigde Staten zijn niet hetzelfde politieke systeem als Rusland. Amerikaanse rechters, journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers kunnen hun regering nog altijd openlijk bestrijden. Dat verschil is fundamenteel.
Maar juist een democratische rechtsstaat moet zichzelf dezelfde morele en juridische maatstaven opleggen die hij tegenover anderen verdedigt.
Humaniteit wordt niet bewezen door het aantal keren dat een leider vrede zegt na te streven. Zij blijkt uit de gevolgen van zijn handelen voor mensen die kwetsbaar zijn, geen macht hebben of als tegenstander worden beschouwd.
Wanneer ontmenselijking politiek normaal wordt
Het probleem beperkt zich niet tot Washington of Moskou.
Ook in de retoriek van leden van de Israëlische regering en andere Israëlische politici zien we hoe gevaarlijk het wordt wanneer menselijke gelijkwaardigheid plaatsmaakt voor collectieve vijandbeelden.
De terreuraanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 waren ernstige misdrijven. Israël heeft het recht zijn bevolking te beschermen. Maar dat recht geeft geen vrijbrief om Palestijnse burgers collectief verantwoordelijk te stellen of hun menselijke waardigheid te ontkennen.
Associated Press berichtte op 20 oktober 2026 over een onderzoek waarin 227 extreme uitlatingen van Israëlische functionarissen in dat jaar werden geregistreerd. Daaronder uitspraken die het bestaan van een Palestijnse identiteit ontkennen, burgers collectief verdacht maken of hun verdrijving bepleiten.
Een onafhankelijke VN-onderzoekscommissie concludeerde in 2025 dat Israël genocide had gepleegd in Gaza. Israël betwist die conclusie; een definitieve uitspraak van het Internationaal Gerechtshof over de genocidebeschuldiging was daarmee niet gegeven.
Los van die juridische eindbeoordeling is één grens duidelijk: de fundamentele waardigheid van mensen mag niet afhankelijk worden gemaakt van hun afkomst, religie of de misdrijven van hun politieke leiders.
Wanneer politieke leiders bevolkingsgroepen niet langer als gelijkwaardige mensen beschrijven, wordt het gemakkelijker hun leed te bagatelliseren.
Woorden zijn dan niet langer uitsluitend beschrijvingen. Zij bereiden maatschappelijke verhoudingen en politieke keuzes voor.
Het verraad aan een gegeven woord
Misschien nog ingrijpender is wat momenteel gebeurt met internationale betrouwbaarheid.
In 1994 stemde Oekraïne ermee in de kernwapens op zijn grondgebied op te geven. In het Boedapester Memorandum bevestigden Rusland, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk onder meer hun toezegging de onafhankelijkheid, soevereiniteit en bestaande grenzen van Oekraïne te respecteren.
Het ging niet om een militaire verdedigingsgarantie zoals artikel 5 van het NAVO-verdrag. Dat onderscheid moet juridisch zuiver blijven.
Maar het was wel degelijk een belangrijke politieke veiligheidstoezegging.
Rusland schond de daarin bevestigde uitgangspunten door Oekraïens grondgebied binnen te vallen en te annexeren.
En nu zien we dat Washington onder Trump sancties tegen Russische diesel versoepelt, economische afspraken met Moskou maakt en toenemende druk op Kyiv uitoefent.
Voor Oekraïne roept dit een existentiële vraag op.
Wat is een internationale toezegging nog waard wanneer de politieke belangen van een machtige partner veranderen?
Strikt juridisch kan niet iedere beleidswijziging van Washington als schending van het Memorandum worden aangemerkt. Maar politiek en moreel is er wel degelijk een vraag naar betrouwbaarheid.
Een toezegging die alleen betekenis heeft zolang zij geen offers vraagt, is een bijzonder zwakke basis voor internationale veiligheid.
En dat heeft gevolgen die veel verder reiken dan Oekraïne.
Waarom zou een land nog vertrouwen op internationale veiligheidstoezeggingen wanneer het afstand doet van kernwapens? Waarom zou een kleine staat overeenkomsten sluiten als machtige staten de betekenis ervan naar politieke behoefte kunnen herinterpreteren?
Zo ontstaat een wereld waarin bewapening aantrekkelijker wordt dan vertrouwen.
Niet omdat internationale afspraken overbodig zijn, maar omdat hun geloofwaardigheid wordt uitgehold.
Een samenleving kan niet bestaan zonder een moreel fundament
Hier ligt uiteindelijk het diepste probleem.
Mensen leven niet als geïsoleerde individuen. Wij zijn voortdurend afhankelijk van elkaar. Van familie, buren, werkgevers, publieke voorzieningen, instituties en internationale samenwerking.
Dat samenleven vereist meer dan wetten en economische transacties.
Het vereist een minimum aan wederzijds vertrouwen.
We moeten erop kunnen rekenen dat beloften betekenis hebben, dat feiten niet willekeurig worden verdraaid, dat macht aan grenzen is gebonden en dat mensen niet uitsluitend worden beoordeeld op hun bruikbaarheid voor anderen.
Zonder zulke uitgangspunten verandert vrijheid in de vrijheid van de sterkste. Wordt gelijkheid een gunst. En verliest rechtvaardigheid haar betekenis zodra zij machtige belangen raakt.
Daarom is de politieke omgang met morele begrippen zo belangrijk.
Wanneer wreedheid als noodzakelijke daadkracht wordt gepresenteerd, zorg voor kwetsbaren als zwakte en politieke loyaliteit als bewijs van deugdzaamheid, verschuift het referentiekader van de samenleving.
Het gevaar is niet dat burgers onmiddellijk het gedrag van hun leiders overnemen. Het gevaar is geleidelijke gewenning.
Als politieke leiders voortdurend beledigen, ontmenselijken en afspraken relativeren, kunnen dergelijke gedragingen ook buiten de politiek normaler worden.
Waarom zou een werkgever zijn woord houden als machtige leiders afspraken als onderhandelbare instrumenten behandelen?
Waarom zou een burger vertrouwen hebben in eerlijke regels wanneer hij ziet dat invloedrijke personen op een andere manier worden beoordeeld?
Waarom zou iemand solidariteit tonen wanneer hem voortdurend wordt verteld dat anderen vooral bedreigingen, kostenposten of tegenstanders zijn?
Morele erosie begint niet pas wanneer wetten verdwijnen. Zij begint wanneer mensen ophouden te verwachten dat macht zich aan beginselen moet houden.
Kan de burger nog tegenmacht organiseren?
Daarmee komen we bij de vraag wat burgers zelf kunnen doen.
Is het tijd om niet alleen Russische, maar ook Amerikaanse producten en diensten te boycotten? Om bewust Europese alternatieven te kiezen en zo economische druk uit te oefenen?
De vergelijking met Zuid-Afrika is interessant.
De internationale antiapartheidsbeweging begon in 1959 met een oproep tot een consumentenboycot. In de daaropvolgende decennia groeide die uit tot een brede beweging van burgers, kerken, universiteiten, vakbonden, bedrijven en overheden.
Boycots, desinvesteringen en sancties droegen bij aan de druk op het apartheidsregime.
Maar het einde van apartheid was niet uitsluitend het resultaat van buitenlandse economische druk. Het kwam vooral ook voort uit langdurige binnenlandse strijd, maatschappelijke mobilisatie, economische crisis en politieke onderhandelingen.
De geschiedenis laat dus zien dat georganiseerde economische druk kan bijdragen aan verandering. Zij bewijst niet dat iedere boycot automatisch werkt.
Bovendien bestaat een belangrijk verschil tussen de Amerikaanse samenleving en haar regering.
Miljoenen Amerikanen verzetten zich tegen het beleid van Trump. Amerikaanse rechters, journalisten, wetenschappers en maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol bij het verdedigen van democratische beginselen.
Een algemene boycot van alles wat Amerikaans is, kan daarom ook mensen treffen die juist tegen autoritair bestuur en aantasting van rechten opkomen.
Maar consumenten hebben wel degelijk mogelijkheden om hun economische keuzes te verbinden aan hun waarden.
Zij kunnen onderzoeken welke ondernemingen betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen, welke bedrijven politieke machtsconcentratie ondersteunen en welke alternatieven bestaan.
Voor Europa komt daar een tweede belang bij: vermindering van strategische afhankelijkheid.
Technologie, energie, betalingsverkeer, digitale infrastructuur en grondstoffen zijn niet uitsluitend economische producten. Zij bepalen ook hoeveel vrijheid samenlevingen behouden om zelfstandig politieke keuzes te maken.
Europese alternatieven kunnen die afhankelijkheden verminderen. Maar Europese herkomst is op zichzelf geen garantie voor ethisch handelen, net zoals Amerikaanse herkomst geen bewijs van medeplichtigheid is.
De wezenlijke vraag is daarom niet of we een complete bevolking economisch moeten afstraffen.
De vraag is hoe burgers hun economische, maatschappelijke en democratische invloed kunnen gebruiken om macht daadwerkelijk aan mensenrechten, betrouwbaarheid en verantwoording te binden.
Wat blijft er over als alles onderhandelbaar wordt?
De uitspraak van Witkoff lijkt misschien een diplomatieke onhandigheid. Eén ongelukkig gekozen woord in een wereld vol grotere problemen.
Maar juist daarom verdient zij aandacht.
Want woorden als menselijkheid, rechtvaardigheid, vrijheid en vrede hebben alleen betekenis wanneer zij verbonden blijven met herkenbare normen en werkelijk handelen.
Als een oorlogspresident humanitair wordt genoemd vanwege één gevangenenruil, terwijl zijn oorlog duizenden nieuwe slachtoffers veroorzaakt, ontstaat een gevaarlijke verwarring tussen een concrete goede daad en het morele karakter van het gevoerde beleid.
Als internationale toezeggingen steeds afhankelijker worden van onmiddellijk politiek voordeel, verdwijnt de voorspelbaarheid waarop vreedzame samenwerking berust.
En als machthebbers zelf bepalen wat goed en kwaad betekenen, zonder dat hun handelen aan algemene normen kan worden getoetst, verliest de samenleving een essentieel vermogen: het vermogen om onrecht als onrecht te blijven herkennen.
Een vrije samenleving kan verschillen van mening verdragen. Zij kan botsende belangen, waarden en wereldbeelden verwerken. Zij hoeft geen volledige morele consensus te kennen.
Maar zij kan niet zonder een gemeenschappelijke ondergrens van menselijke waardigheid, eerlijkheid, wederkerigheid en begrensde macht.
Want wanneer woorden hun betekenis verliezen, beloften hun waarde en mensen hun gelijkwaardigheid, blijft uiteindelijk alleen macht over.
En een wereld waarin uitsluitend macht bepaalt wat rechtvaardig is, is geen wereld waarin mensen vrij kunnen samenleven.
Dat is de werkelijke waarschuwing die achter één woord van Steve Witkoff schuilgaat.
Humanitarian.
Misschien is het tijd dat we politieke leiders niet langer beoordelen op de woorden waarmee zij zichzelf en hun bondgenoten beschrijven, maar op wat hun handelen betekent voor degenen die de gevolgen ervan moeten dragen.

Reacties
Een reactie posten