Sociale zekerheid gered, maar de rekening schuift door.

 Het kabinet zet een waardevolle stap door voorgenomen ingrepen in de sociale zekerheid terug te nemen. Ook het belasten van werkelijk rendement en het beperken van lenen bij de eigen bv verdienen steun. Maar wie betaalt uiteindelijk voor bestaanszekerheid en veiligheid? Een lagere vrijstelling voor spaarders, een vrijheidsbijdrage op arbeid en nog onvoldoende uitgewerkte overheidsbesparingen maken die vraag dringend. Vanuit fiscale rechtvaardigheid ligt een andere richting voor de hand: bescherm normale buffers en productieve activiteit, laat zeer grote vermogens herkenbaar bijdragen en toets iedere besparing op haar gevolgen voor burgers.

Het goede nieuws verdient erkenning

Een werkloosheidsuitkering of arbeidsongeschiktheidsvoorziening geeft mensen tijd en ruimte om hun leven opnieuw in te richten. Wie door ziekte of baanverlies onmiddellijk in geldnood belandt, kan moeilijker herstellen, leren of passend werk zoeken. Sociale zekerheid beschermt daarmee ook het vermogen om zelfstandig keuzes te maken. In mijn onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat staat precies deze verbinding centraal: bestaanszekerheid ondersteunt autonomie, gelijkwaardigheid en maatschappelijke deelname. [1]

Het schrappen van aangekondigde versoberingen is vanuit dat perspectief positief. Het kabinet biedt sociale partners bovendien ruimte om preventie en begeleiding naar ander werk te bespreken. Hervorming kan nuttig zijn wanneer zij ziekte voorkomt, mensen beter ondersteunt en voorzieningen toegankelijk houdt. Alleen lagere uitgaven zijn daarvoor een te beperkte maatstaf.

Het voorbehoud is dat een geschrapte maatregel nog geen verdwenen besparingsopgave is. De brief van 29 september haalt de WW-ingrepen, het afschaffen van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten en de voorgenomen afschaffing van de IVA van de SZW-begroting. De financiële opgave wordt voorlopig naar de prijsbijstelling verschoven. In 2029 gaat het om €305 miljoen, oplopend tot €2,414 miljard in 2031. Een sociaal akkoord moet uitwijzen hoe de opgave verder wordt ingevuld. [2]

Daarom is de uitspraak dat het kabinet helemaal niet meer op sociale zekerheid bespaart te ruim. Concrete ingrepen worden teruggenomen; de noodzaak tot dekking blijft. Het politieke succes is reëel, maar de uiteindelijke bescherming hangt ook af van de maatregelen die ervoor terugkomen.

Box 3 bevat vooruitgang en een nieuwe verdelingsvraag

Belasting heffen over werkelijk behaalde opbrengsten is een belangrijke verbetering. Een belasting die uitgaat van rendement dat iemand niet heeft verdiend, kan de werkelijkheid en de draagkracht uit het oog verliezen. De Hoge Raad oordeelde in 2024 dat het forfaitaire stelsel verdragsrechten schendt wanneer het berekende rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Tegenbewijs blijft daarom een wezenlijke bescherming. Een verhoging van het forfait maakt die bescherming niet overbodig. [3]

Ook heffing bij het realiseren van een waardestijging kan gerechtvaardigd zijn. Bij moeilijk verkoopbare aandelen of vastgoed kan jaarlijkse belasting over een papieren winst een liquiditeitsprobleem veroorzaken. Iemand beschikt dan wel over een waardevoller bezit, maar niet over het geld om belasting te betalen. De keuze voor heffing bij verkoop vermindert dit probleem.

Het nieuwe voorstel breidt deze vermogenswinstbelasting vanaf 2028 uit naar alle financiële instrumenten en beoogt in 2030 een volledige overgang. Daartegenover staan in 2027 een heffingsvrij vermogen van €30.846 per persoon en een 1,5 procentpunt hoger forfait voor overige bezittingen. Vanaf 2028 daalt het heffingsvrije resultaat van €1.800 naar €1.000. De grens voor excessief lenen bij de eigen bv gaat stapsgewijs van €500.000 naar €100.000; eigenwoningleningen zijn uitgezonderd. Het hoge box 2-tarief daalt tijdelijk naar 29,2%. Dit zijn voorstellen, nog geen vaststaande nieuwe regels. [2, 4]

De beperking van lenen bij de eigen bv is een goed element. Een aandeelhouder kan via een lening privé over geld beschikken zonder op dat moment inkomstenbelasting over dividend in box 2 te betalen. Strakkere grenzen verminderen deze mogelijkheid om belasting uit te stellen. Wel moet de wet zorgvuldig omgaan met bestaande, zakelijke leningen en dubbele heffing voorkomen.

Tijdelijk goedkoper dividend uitkeren kan geld beschikbaar maken buiten de onderneming en de belastingontvangsten naar voren halen. Dat maakt een tariefverlaging echter nog geen structurele inkomstenbron. Een betaling die nu binnenkomt, kan later ontbreken. Ook is uitgekeerd geld niet automatisch een nieuwe productieve investering. De uiteindelijke bestemming en de situatie van de onderneming zijn bepalend. Wie de belasting op aandeelhoudersinkomen met die op loon vergelijkt, moet ook de eerder betaalde vennootschapsbelasting meetellen; alleen het box 2-tarief vergelijken geeft een vertekend beeld.

Een belangrijk onderscheid verdwijnt gemakkelijk uit het nieuws: de box 3-verzwaring dekt in de kabinetsbrief vooral de overgang naar heffing bij verkoop. Voor die overgang raamt het kabinet in 2028 ongeveer €3 miljard minder ontvangsten. De teruggenomen sociale ingrepen krijgen afzonderlijke dekking aan de uitgavenkant. Het zou onjuist zijn iedere extra euro van een spaarder rechtstreeks als financiering van de geredde sociale zekerheid voor te stellen. De gezamenlijke lastenverdeling blijft wel degelijk onderwerp van dezelfde politieke afweging.

Een buffer is nog geen vermogensmacht

Een vrijstelling bepaalt waar belasting begint. Zij beschermt niet alleen iemand met weinig geld, maar ook het vermogen om te sparen voor een woning, onderhoud, een periode zonder opdrachten of onverwachte zorgkosten. €40.000 op een bankrekening kan voor een zelfstandige een inkomensbuffer zijn. Het bedrag zegt zonder informatie over inkomen, schulden, woningbezit en pensioen weinig over diens volledige draagkracht.

In 2026 bedraagt de heffingsvrije box 3-grens €59.357 per persoon, voor fiscale partners samen €118.714. Het voorstel voor 2027 verlaagt die grens dus aanzienlijk. [5] Het woord kleine spaarder verdient daarbij precisie: iemand zonder vermogen wordt niet door box 3 geraakt, en veel spaarders blijven onder de grens. De kritiek gaat over de groep die een bescheiden of middelgrote vrij beschikbare reserve opbouwt en daardoor eerder belastingplichtig wordt.

Vanaf 2028 geldt een ander soort vrijstelling: een bedrag aan jaarlijks resultaat. €1.000 rente kan bij 2% rente overeenkomen met €50.000 spaargeld, maar bij 3% rente met ongeveer €33.333. Dat is geen vaste bescherming van een bepaald kapitaal. Rentewijzigingen veranderen welk spaarbedrag buiten de heffing blijft.

De volgende voorbeelden isoleren het effect van de voorgestelde verlaging van het vrije resultaat. Het gaat om één persoon, uitsluitend banktegoeden, een heel jaar gelijkblijvend saldo, ontvangen rente en 36% belasting over het resultaat boven de vrijstelling. Schulden, andere opbrengsten en persoonlijke omstandigheden ontbreken. De uitkomsten zijn rekenvoorbeelden voor het beoogde stelsel vanaf 2028, geen voorspelling van een individuele aanslag. [2, 4]

Spaargeld en rente

Jaarlijkse rente

Bij €1.800 vrij

Bij €1.000 vrij

Verschil

€40.000 bij 3%

€1.200

€0

€72

+€72

€60.000 bij 3%

€1.800

€0

€288

+€288

€100.000 bij 2%

€2.000

€72

€360

+€288

Voor een huishouden met weinig maandelijkse ruimte zijn zulke bedragen niet verwaarloosbaar. Tegelijk moet het verschil juist worden gelezen: bij een gelijk tarief is de maximale extra belasting door alleen deze vrijstellingsverlaging €288 per persoon per jaar. Een grotere portefeuille betaalt daarnaast over meer rendement belasting. Deze afzonderlijke maatregel belast de grootste vermogens dus niet extra progressief.

Inflatie maakt de beoordeling ingewikkelder. Bij €100.000 spaargeld, 2% rente en €360 belasting resteert na een jaar €101.640. Bij een veronderstelde inflatie van 3% vertegenwoordigt dat ongeveer €98.680 in koopkracht van het beginjaar. De reële waarde is dan circa €1.320 gedaald. Zonder belasting zou zij door de lage rente tegenover inflatie ook zijn gedaald, met ongeveer €971. De belasting vergroot in dit voorbeeld een verlies dat al door inflatie ontstaat. De percentages zijn illustratief.

Een algehele vrijstelling van alle inflatoire opbrengst klinkt aantrekkelijk, maar vraagt een consistente behandeling van andere opbrengsten en schulden. Anders ontstaan nieuwe verschillen en ontwijkingsmogelijkheden. Voor normale buffers zijn een voldoende hoge, geïndexeerde vrijstelling en voorspelbare regels eenvoudiger bescherming.

Grote vermogens worden wel geraakt maar niet op dezelfde manier

De bewering dat grote vermogens helemaal buiten het pakket blijven, is onjuist. Grote box 3-portefeuilles betalen mee en de beperking van bv-leningen raakt vermogende aandeelhouders. De scherpere kritiek is dat het pakket geen aanvullende progressieve heffing invoert op zeer grote totale nettovermogens. Bovendien behandelt het belastingstelsel verschillende vormen van vermogen verschillend.

Box 3 is geen inventaris van alles wat iemand bezit. De eigen woning, pensioenrechten en een aanmerkelijk belang in een bv vallen doorgaans in andere fiscale regimes. Een particuliere aandelenportefeuille en een groot belang in een eigen vennootschap zijn daardoor niet zonder meer vergelijkbaar. Het OECD-onderzoek naar Nederland wijst op de mogelijkheden om belasting op aandeelhoudersniveau uit te stellen door winst in de vennootschap te houden. [6]

Het CPB onderzocht voor 2011–2019 de inkomens en belastingdruk aan de top. Wanneer ook ingehouden bedrijfswinsten worden meegerekend, betaalden de hoogste inkomens relatief minder belasting dan de groep daaronder. Dit historische onderzoek bewijst niet wat iedere vermogende in 2026 betaalt. Het laat wel zien waarom alleen naar uitgekeerd inkomen of het zichtbare spaarsaldo kijken een onvolledig beeld geeft. [7]

Ook heffing bij verkoop heeft een verdelingskant. Wie genoeg ander geld heeft, kan verkoop gemakkelijker uitstellen. Over rente op een bankrekening wordt jaarlijks afgerekend, terwijl belasting op een waardestijging langer kan wachten. Dat uitstel heeft een financiële waarde. Bovendien kan het beleggers ertoe brengen een bezit langer aan te houden om afrekening te vermijden: het zogenoemde lock-in-effect. De OECD beschrijft deze nadelen en vindt geen algemene basis voor de stelling dat gunstige behandeling van vermogenswinsten vanzelf sterkere groei oplevert. [8]

Dat pleit voor onderscheid naar de echte problemen. Voor illiquide ondernemingen kan uitstel nodig zijn. Voor gemakkelijk verhandelbare beleggingen is de rechtvaardiging minder sterk. Verliesverrekening, betrouwbare waardering en een goed vormgegeven regeling voor betalingsproblemen zijn dan belangrijker dan een onbegrensd voordeel van langdurig uitstel.

De gevolgen reiken verder dan de belastingaanslag

Financieel vermindert een hogere belasting de netto-opbrengst van sparen en beleggen. Mensen kunnen hun gedrag aanpassen: minder sparen, eerder schulden aflossen, geld in de eigen woning steken of gebruikmaken van toegestane pensioenopbouw. Vermogenden kunnen soms een andere rechtsvorm kiezen. Dat is niet kosteloos en levert niet altijd voordeel op, maar verschillen tussen fiscale regimes kunnen de keuze van een belegging sterker beïnvloeden dan haar maatschappelijke nut.

Economisch is het totaalbeeld afhankelijk van de besteding van de opbrengst. Minder besteedbaar inkomen kan consumptie drukken. Bescherming van uitkeringen kan consumptie juist stabiliseren wanneer mensen hun baan verliezen. Lagere belasting op arbeid kan participatie ondersteunen. De omvang van deze effecten hangt af van wie betaalt, wie ontvangt, de arbeidsmarkt en de overige begrotingskeuzes. Er is geen grond voor de stellige conclusie dat deze box 3-maatregelen Nederland een vast aantal banen kosten of opleveren.

Ook een daling van particulier beleggen betekent niet rechtstreeks dat een Nederlandse onderneming hetzelfde bedrag aan investeringsgeld verliest. Veel beursbeleggingen zijn internationale transacties in bestaande aandelen. Ondernemingen kunnen daarnaast andere beleggers, banken of ingehouden winst inzetten. Bij jonge bedrijven en illiquide belangen kunnen financieringsproblemen wel zwaarder wegen. Een serieuze effectentoets moet die verschillen zichtbaar maken.

Maatschappelijk telt de ervaring van wederkerigheid. Mensen accepteren een gezamenlijke bijdrage gemakkelijker wanneer de verdeelsleutel begrijpelijk is en vergelijkbare draagkracht vergelijkbaar wordt belast. Een kleiner spaarpotje dat snel zichtbaar wordt belast, naast omvangrijk vermogen waarvan afrekening langdurig kan worden uitgesteld, kan dat vertrouwen onder druk zetten. Dit is een aannemelijk mechanisme, geen gemeten effect van het nog niet ingevoerde pakket.

De uitvoering hoort bij die rechtvaardigheid. Burgers moeten hun belasting kunnen begrijpen en corrigeren. De kabinetsbrief waarschuwt dat banken in het eerste invoeringsjaar van de gewijzigde systematiek niet de benodigde gegevens voor de vooraf ingevulde aangifte kunnen aanleveren. [2] Wanneer meer mensen zelf ingewikkelde gegevens moeten verzamelen, worden tijd, kennis en toegang tot advies mede bepalend voor een juiste aanslag. Extra uitvoeringscapaciteit en toegankelijke hulp zijn dan voorwaarden voor de hervorming.

Besparen op de overheid kan maar is geen gratis dekking

Iedere overheid kent verspilling, verouderde regelingen en processen die eenvoudiger kunnen. Minder dubbele rapportages, betere inkoop en het schrappen van aantoonbaar ondoeltreffende subsidies kunnen middelen vrijmaken. Een kritisch oordeel over bezuinigingen hoeft zulke verbeteringen niet af te wijzen. Vanuit mijn beoordelingskader is een eenvoudiger overheid juist wenselijk wanneer zij de handelingsruimte van burgers vergroot.

Maar een vooraf ingeboekt lager budget bewijst nog geen efficiencywinst. De Algemene Rekenkamer constateerde op 22 september dat de voorgenomen apparaatsbezuinigingen ten opzichte van 2024 uiteindelijk circa €3,4 miljard bedragen, zonder voldoende duidelijke keuzes over de invulling. De opbouw loopt tot 2035; dit is geen gerealiseerde besparing van €3,4 miljard in 2027. Volgens de Rekenkamer worden ook uitvoeringsorganisaties geraakt en kan de publieke dienstverlening gevolgen ondervinden. [9]

Daarnaast staat de tijdelijke dekking van de teruggenomen sociale maatregelen op de prijsbijstelling. Dat is een andere ingreep dan minder ambtenaren. Prijsbijstelling compenseert begrotingen voor prijsstijgingen. Minder compensatie betekent bij stijgende prijzen dat hetzelfde budget minder diensten, materieel of subsidies kan betalen. Welke begrotingsartikelen uiteindelijk hoeveel verliezen, ligt nog niet vast. Het is daarom te vroeg om een definitieve lijst getroffen organisaties te geven.

De mogelijke gevolgen zijn wel te benoemen. Minder personeel kan aanvragen, belastingzaken of bezwaren vertragen. Minder materieel of onderhoud kan kwaliteit verminderen. Subsidieverlagingen kunnen bij culturele, maatschappelijke of onderzoeksinstellingen terechtkomen. Wanneer gemeenten of andere uitvoerders taken moeten blijven verrichten zonder voldoende middelen, kan de druk worden doorgeschoven naar lokale voorzieningen, eigen bijdragen of werkdruk. Dit zijn risico’s bij de verdere uitwerking, geen reeds vastgestelde besluiten voor iedere sector.

Wie op een uitkering, een toegankelijke helpdesk of tijdige beoordeling is aangewezen, kan zulke gevolgen moeilijker opvangen. Een ondernemer kan hinder ondervinden van tragere vergunningverlening. Mensen met geld en juridische kennis kunnen vaker hulp inkopen. Ook ambtenaren en medewerkers van uitvoeringsorganisaties dragen de gevolgen via baanonzekerheid en hogere werkdruk. Een besparing die administratief bij de overheid staat, kan economisch en maatschappelijk dus bij burgers en bedrijven landen.

Een zichtbaar voorbeeld van schijnbesparing is een kleiner intern team dat vervolgens duur extern personeel moet inhuren. Een ander risico is minder belastingcontrole, waardoor inkomsten wegvallen. Achterstallig onderhoud of onvoldoende preventie kan later meer kosten. De relevante berekening is daarom de nettobesparing: vermeden uitgaven minus overgangskosten, inhuur, gemiste inkomsten en aantoonbare vervolgkosten.

Een realistische besparing begint bij de taak. Welke verplichting verdwijnt, welke procedure wordt eenvoudiger en welke investering maakt dat mogelijk? Publiceer vervolgens een uitvoeringstoets en de gevolgen voor wachttijden, bereikbaarheid en foutpercentages. Boek een verwachte opbrengst behoedzaam in en controleer of zij wordt gehaald. Personeel schrappen terwijl taken, regels en dienstverlening gelijk moeten blijven is zonder productiviteitsbewijs geen overtuigend plan.

De Rekenkamer wijst ook op 53 geëvalueerde fiscale regelingen die niet doelmatig of doeltreffend blijken. Het genoemde potentiële budgettaire belang tot €35 miljard is geen direct incasseerbare kas en geen aanbeveling om alles zonder onderscheid te schrappen. [9] Het onderstreept wel dat belastinguitzonderingen dezelfde kritische beoordeling verdienen als uitvoeringsbudgetten. Hun begunstigden verliezen een voordeel bij hervorming, maar dat kan beter te verdedigen zijn dan generieke vermindering van essentiële dienstverlening.

De vrijheidsbijdrage legt veiligheid vooral bij arbeid neer

Veiligheid is een legitieme publieke opdracht. Bescherming tegen militaire dreiging en ontwrichting ondersteunt vrijheid, bezit en het functioneren van de samenleving. Daarvoor collectief betalen is verdedigbaar. De naam vrijheidsbijdrage bepaalt echter nog niet of de manier van innen rechtvaardig is.

De bijdrage staat in de begrotingsplannen vanaf 2027. Voor burgers is €1,5 miljard geraamd in 2027 en structureel €3,4 miljard vanaf 2028. Voor bedrijven gaat het om €1,5 miljard en vervolgens €1,7 miljard. Het burgerdeel loopt via beperking van de inflatiecorrectie in de inkomstenbelasting; het bedrijfsdeel via een verhoging van de Aof-premie, de werkgeverspremie voor arbeidsongeschiktheid. Het zijn geen twee afzonderlijke nieuwe heffingen met de namen vrijheid en veiligheid. [10]

Normaal groeien schijfgrenzen en heffingskortingen mee met prijzen. Als dat gedeeltelijk gebeurt, kunnen mensen bij een loonstijging die uitsluitend inflatie compenseert toch meer belasting betalen dan bij volledige correctie. Ook kortingen groeien minder mee. Een gelijk gebleven belastingtarief betekent dan niet dat de druk gelijk blijft.

In antwoorden op Kamervragen raamde het kabinet het afzonderlijke mediane inkomenseffect van deze beperkte correctie in het eindjaar 2028 op –0,7% voor alle huishoudens. Voor uitkeringsgerechtigden was dat –0,5%; voor werkenden en gepensioneerden –0,7%. Dit zijn effecten van deze maatregel tegenover een situatie zonder die beperking, geen totale koopkrachtvoorspelling en geen bedrag dat voor ieder huishouden gelijk is. Andere wijzigingen kunnen compenseren of versterken. [11]

Het bedrijfsdeel is evenmin een rechtstreekse bijdrage naar omvang van vermogen of winst. Een loonsompremie treft werkgevers met personeel. Daardoor kan een arbeidsintensief bedrijf met kleine marges relatief zwaarder worden geraakt dan een onderneming met weinig personeel en veel kapitaalinkomen. Economisch kan een deel van de last later in lagere loonruimte, hogere prijzen, minder winst of minder aanstellingen terechtkomen. Wie uiteindelijk betaalt, hangt af van concurrentie en onderhandelingsmacht.

De Miljoenennota noemt zelf dat de lastenstijging door het kabinetsbeleid vooral samenhangt met de vrijheidsbijdrage en dat de lasten op arbeid toenemen. [12] Dat staat op gespannen voet met de ambitie om werken meer te laten lonen. Het is niet logisch om een lastenverlichting voor werk los te beoordelen van een bijdrage die via dezelfde inkomens en via werkgeverskosten terugkomt.

Een brede bijdrage is op zichzelf niet onrechtvaardig. Mensen met hogere belastbare inkomens betalen doorgaans meer euro’s. Maar een vergelijkbaar procentueel inkomensverlies is nog geen gelijke opoffering wanneer de één weinig noodzakelijke uitgaven kan missen en de ander een omvangrijke reserve bezit. Bovendien is een laag uitgekeerd inkomen bij groot vermogen niet hetzelfde als geringe draagkracht.

Een bijdrage voor veiligheid moet daarom worden beoordeeld op de volledige draagkracht, bescherming van een bestaansminimum en de bestemming van de uitgaven. Ook Defensie moet controleerbare doelen, doelmatige inkoop en realistische uitvoeringsplannen hebben. Een dringende veiligheidsopgave rechtvaardigt niet automatisch iedere uitgave of verdeelsleutel. Over meerdere generaties spreiden kan bij langjarige investeringen verdedigbaar zijn, maar structurele exploitatielasten blijven structurele dekking vragen.

Waarom de politieke tegenstelling niet zo eenvoudig is

Waarom verzetten rechts-populistische of rechts-conservatieve partijen zich tegen zwaardere belasting op grote vermogens, terwijl ook lagere en middeninkomens tot hun achterban behoren? Die vraag verdient onderzoek, maar de partijen en hun kiezers mogen niet op één hoop worden gegooid. Ook verzet tegen belasting op papieren winst is iets anders dan verzet tegen bescherming van sociale zekerheid.

JA21 is hiervan een goed voorbeeld. De partij beschreef op 6 september haar inzet voor lagere lasten, meer veiligheid en het voorkomen van vermogensaanwasbelasting. Een deel van die inzet keert terug in de kabinetsvoorstellen. [13] Het klopt dus niet om JA21 zonder onderscheid als tegenstander van dit hele pakket te presenteren. De liquiditeitskritiek van de partij verdient inhoudelijke behandeling, ook wanneer haar bredere fiscale voorkeuren ter discussie staan.

Evenmin is JA21 eenvoudig een partij van lage inkomens. In een Ipsos I&O-peiling van september 2025 had 31% van haar potentiële kiezers een huishoudinkomen van minstens twee keer modaal, tegenover 21% onder alle huishoudens. Migratie, veiligheid en wonen waren belangrijke thema’s voor deze achterban. Een peiling is een momentopname en inkomen is niet hetzelfde als vermogen, maar dit profiel nuanceert de veronderstelling. [14]

De fiscale keuze is wel helder: in het verkiezingsprogramma van 2025 wil JA21 de erf- en schenkbelasting afschaffen en rendement uiteindelijk bij consumptie belasten. De partij verbindt dit aan eigendom, eigen verantwoordelijkheid, eenvoud en ondernemerschap. [15] Dat is een andere normatieve keuze dan een belastingmix die ook concentratie van vermogen en ongelijke startkansen wil begrenzen.

Deze standpunten kunnen op verschillende manieren aansluiten bij kiezers met bescheiden middelen. Zij kunnen bescherming van hun eigen huis, spaargeld of een toekomstige erfenis belangrijk vinden. Zij kunnen geloven dat lagere lasten investeringen en banen bevorderen, of weinig vertrouwen hebben in de besteding door de overheid. Daarnaast kiezen mensen een partij vanwege migratie of veiligheid, ook wanneer zij haar economische programma niet volledig delen. Ipsos vond bijvoorbeeld in het verkiezingsonderzoek van 2023 dat immigratie en asiel voor PVV-kiezers het belangrijkste thema waren. [16] Deze verklaringen zijn mogelijke mechanismen; zij bewijzen geen persoonlijk motief van iedere kiezer.

De verdelingsvraag blijft daarmee overeind. Afschaffing van een belasting op grote erfenissen levert rechtstreeks vooral voordeel op aan wie zo’n erfenis ontvangt. Dat banen en gewone inkomens via economische doorwerking voldoende profiteren, moet afzonderlijk worden onderbouwd. Het IMF-onderzoek ziet juist ruimte om via zorgvuldig ingerichte erfbelasting ongelijke kansen te beperken met relatief beperkte efficiencykosten. [17]

Het productieve antwoord is daarom kiezers niet als irrationeel te behandelen, maar concreet te laten zien wie bij een voorstel betaalt, wie voordeel krijgt en welke voorzieningen daarmee worden gefinancierd. Een hoge vrijstelling voor gewone buffers, bescherming van echte bedrijfscontinuïteit en een aanvullende bijdrage van de absolute vermogentop maken dat gesprek preciezer.

Een alternatief dat de samenhang herstelt

Mijn onderzoek beoordeelt belastingen op zeven criteria: autonomie, gelijkwaardigheid, bestaanszekerheid, participatie, ecologische duurzaamheid, rechtvaardigheid tussen generaties en democratische corrigeerbaarheid. Die samenhang vraagt om bescherming van normale vermogensopbouw, lagere lasten op lage en middeninkomens en een steviger bijdrage van zeer grote vermogens, omvangrijke erfenissen en maatschappelijke schade. [1, pp. 246–251] De volgende uitwerking behoudt de goede onderdelen van het kabinetsvoorstel.

Bescherm de buffer en verbeter de belasting op rendement

Neem de verlaagde box 3-vrijstellingen niet als vanzelfsprekende dekking. Behoud voor de overgang ten minste de bestaande vermogensvrijstelling, met normale indexatie, en handhaaf in het nieuwe stelsel minimaal het voorziene vrije resultaat van €1.800. Deze concrete bedragen zijn een beleidsmatige vertaling van het bufferbeginsel; het onderzoek schrijft ze niet als universele norm voor. Laat het Nibud en het CPB toetsen welke bescherming past bij huishoudtypen en inkomensrisico’s.

Voer belasting op werkelijk rendement in met evenwichtige verliesverrekening. Maak voor liquide beleggingen een expliciete keuze tussen jaarlijkse heffing en heffing bij verkoop, op basis van uitvoerbaarheid en de waarde van uitstel. Voor illiquide bezittingen past uitstel met voorwaarden en waar nodig een zorgvuldig berekende rentecomponent. Overdracht, emigratie en overlijden mogen geen onbeperkte route naar het verdwijnen van opgebouwde belastingclaims worden; de regeling moet passen binnen Europees recht en belastingverdragen. Behoud de aanpak van excessief lenen en pak fiscaal kunstmatige omzetting van arbeidsinkomen in kapitaalinkomen aan.

Laat zeer grote nettovermogens aanvullend bijdragen

Het onderzoek bevat een concreet model voor een jaarlijkse aanvullende heffing op werkelijk nettovermogen. De eerste €2 miljoen per persoon blijft vrij, voor partners samen €4 miljoen. Daarna gelden lage, oplopende marginale tarieven. Een hoger tarief geldt alleen over het deel in de betreffende schijf, niet over het hele vermogen. [1, pp. 117–122]

Nettovermogen per persoon

Jaarlijks tarief over deze schijf

Tot €2 miljoen

0%

€2 miljoen tot €10 miljoen

0,25%

€10 miljoen tot €50 miljoen

0,50%

€50 miljoen tot €250 miljoen

0,75%

Boven €250 miljoen

1,00%

Bij €5 miljoen bedraagt deze aanvullende heffing €7.500 per jaar, bij €20 miljoen €70.000 en bij €300 miljoen €2,22 miljoen. De voorbeelden gelden voor één persoon, vóór eventuele bijzondere faciliteiten. De heffing komt naast andere belastingen; deze bedragen zijn dus niet de totale belastingrekening.

De grondslag volgt de uiteindelijke eigenaar en omvat ook bv-belangen, vastgoed en buitenlands vermogen, na aftrek van reële samenhangende schulden. Anders beloont het stelsel een andere juridische verpakking. Reguliere, begrensde pensioenopbouw blijft beschermd. De eigen woning kan een beperkte extra vrijstelling krijgen, maar een villa van vele miljoenen is niet onbeperkt vrij. Bij echte liquiditeitsproblemen past gespreide betaling.

Ook een actief familiebedrijf is niet automatisch vrijgesteld. Het onderzoek kiest voor voorwaardelijk betalingsuitstel en hoogstens een beperkte, aflopende waarderingskorting voor echte bedrijfsactiviteiten. Passieve beleggingen en overtollige kasmiddelen krijgen die bescherming niet. Onafhankelijke waardering, bezwaar en toetsing van de gezamenlijke belastingdruk moeten buitensporige individuele lasten voorkomen.

Zo’n heffing is geen economisch wondermiddel. De OECD waarschuwt voor cumulatie met andere belastingen, waarderingsproblemen en ontwijking. Het IMF geeft prioriteit aan goede kapitaalinkomens- en erfbelastingen, maar ziet ook een mogelijke aanvullende rol voor een heffing op zeer grote vermogens. [17, 18] Onderzoek naar Scandinavië vindt daadwerkelijke migratiereacties bij vermogenden en in die onderzochte context relatief beperkte macro-economische gevolgen. Dat is geen Nederlandse opbrengstgarantie. [19] Internationale informatie-uitwisseling, behoedzame tarieven en monitoring blijven noodzakelijk.

Beperk geërfde voorsprong en belast maatschappelijke schade

Volg voor schenkingen en erfenissen het model van cumulatieve ontvangsten tijdens het leven. De eerste €100.000 per ontvanger blijft vrij; daarboven gelden marginale tarieven van 10% tot €500.000, 20% tot €1 miljoen, 30% tot €5 miljoen en 40% boven €5 miljoen. Bescherm partners afzonderlijk ruim en laat actieve bedrijven waar nodig gespreid betalen. Deze combinatie ondersteunt gewone overdracht en voorkomt dat steeds opnieuw schenken grote erfenissen aan progressie onttrekt. [1, pp. 216–217]

Pak daarnaast economische rente aan: inkomsten uit schaarste, marktmacht of publieke privileges die niet eenvoudig de beloning voor productieve inspanning zijn. Toets fiscale uitzonderingen op hun aantoonbare nut. Beprijs vervuiling en ecologische schade, met automatische compensatie voor lage inkomens en investeringen in isolatie en bereikbare alternatieven. De opbrengst mag niet als eeuwig groeiende dekking worden behandeld: succesvolle milieubelastingen verkleinen hun eigen grondslag.

Financier veiligheid zonder arbeid als sluitpost

Gebruik een onafhankelijk doorgerekend deel van deze bredere opbrengsten om de vrijheidsbijdrage via beperkte indexatie en hogere loonsompremies te vervangen. Dat sluit aan bij de richting van het onderzoek: arbeid ontlasten, zeer grote vermogens en schade zwaarder laten bijdragen. Volledige inflatiecorrectie voorkomt dat gewone looncompensatie ongemerkt extra belasting oplevert. Maak de financiering van veiligheid in de begroting zichtbaar, met jaarlijkse verantwoording over opbrengst, lastenverdeling en prestaties.

Dit is geen voorstel voor een extra veiligheidsbelasting boven op de aanvullende vermogensheffing. Het gaat om een andere verdeling binnen de totale financiering. Gebruik dezelfde euro niet tegelijk voor het afschaffen van de vrijheidsbijdrage, het beschermen van spaarders, meer sociale uitgaven en lagere belasting op arbeid. Geef eerst bescherming van het bestaansminimum en essentiële dienstverlening prioriteit en bepaal daarna de ruimte voor verdere lastenverlichting.

Maak de begroting controleerbaar en het beleid corrigeerbaar

Het scenario in mijn onderzoek veronderstelt €12,5 miljard aanvullende jaarlijkse opbrengst na aangenomen gedragseffecten. Daartegenover staan €11,84 miljard nettokosten, inclusief lastenverlichting op arbeid, extra bestaanszekerheid, uitvoering en overgang. Het berekende saldo is €660 miljoen positief. Dit is een illustratief ontwerp met expliciete aannames, geen CPB-doorrekening. [1, pp. 215–230]

Een eenvoudige gevoeligheidsanalyse toont de kwetsbaarheid: wanneer de veronderstelde €1,5 miljard terugverdieneffecten van lagere belasting op arbeid niet worden meegerekend, wordt dat saldo €840 miljoen negatief. Ook lagere vermogensopbrengsten, overlap met al bestaand kabinetsbeleid en een afnemende milieugrondslag kunnen de ruimte verkleinen. Bovendien bevat dit scenario niet automatisch dekking voor het vervangen van de volledige structurele vrijheidsbijdrage van €5,1 miljard. Dat vraagt een nieuwe, actuele doorrekening.

Voer de hervorming daarom gefaseerd in. Laat het CPB de effecten per inkomens- én vermogensgroep berekenen, met afzonderlijke aandacht voor huurders, huiseigenaren, zelfstandigen, gepensioneerden en actieve ondernemingen. Publiceer de uitvoeringstoets van de Belastingdienst vóór definitieve tariefkeuzes. Gebruik voor structurele uitgaven behoedzame structurele opbrengsten; incidentele ontvangsten en onzekere terugverdieneffecten vormen een reserve.

Pas dezelfde discipline toe op overheidsbesparingen. Behoud capaciteit voor uitvoering, toezicht, bezwaar en rechtsbescherming totdat aantoonbare vereenvoudiging de taak vermindert. Maak verantwoordelijkheden, evaluatiedata en indicatoren wettelijk of budgettair expliciet. Beoordeel na twee jaar de verdeling en uitvoering en na vier jaar de hele belastingmix. Bijsturen hoort te gebeuren op basis van gepubliceerde resultaten, met bescherming van rechtszekerheid.

Het kabinet verdient erkenning voor het terugnemen van concrete sociale ingrepen en voor maatregelen die belasting dichter bij werkelijk rendement brengen. De resterende opdracht is de rekening zichtbaar en naar draagkracht te verdelen. Bestaanszekerheid wordt pas overtuigend beschermd wanneer zij overeind blijft in de belastingaanslag, aan het uitvoeringsloket en in de publieke voorzieningen waarop mensen vertrouwen. Een democratische rechtsstaat kan vrijheid en veiligheid gezamenlijk financieren zonder de gewone buffer en de beloning van arbeid tot de gemakkelijkste sluitpost te maken.

Bronnen en verantwoording

Peildatum 30 september 2026. De actuele kabinetsmaatregelen zijn voorstellen; parlementaire behandeling kan de uitwerking wijzigen. Getallen in de rekenvoorbeelden zijn eigen berekeningen onder vermelde aannames. Economische mechanismen zijn onderscheiden van gemeten effecten. Het alternatief volgt het normatieve en institutionele model van het onderzoek; de vertaling naar de actuele begroting vraagt een afzonderlijke doorrekening.

[1] Vital E. H. Moors, Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat, aangeleverde PDF. Met name pp. 78–85, 115–122, 215–230 en 246–251.

[2] Kabinet, Voorstellen op box 3, koopkracht werkenden en sociale zekerheid, Kamerbrief van 29 september 2026. Tabellen 1–4 en toelichting.

[3] Hoge Raad, Box 3-heffing nog steeds discriminerend, 6 juni 2024. Onder meer ECLI:NL:HR:2024:704 en 705.

[4] Ministerie van Financiën, Ramingstoelichting Wet werkelijk rendement box 3, 16 mei 2025. Tarief 36% en oorspronkelijk vrij resultaat €1.800.

[5] Belastingdienst, Heffingsvrij vermogen. Bedragen 2026.

[6] OECD, OECD Economic Surveys Netherlands 2025, hoofdstuk Supporting growth while preserving strong public finances.

[7] Céline van Essen, Toon Vanheukelom, René Schulenberg en Arjan Lejour, Inkomens en belastingen aan de top, CPB, mei 2024. Onderzoeksperiode 2011–2019.

[8] Diana Hourani en Sarah Perret, Taxing capital gains: Country experiences and challenges, OECD Taxation Working Papers 72, 2025.

[9] Algemene Rekenkamer, Begrotingen ministers geven nog geen duidelijk pad naar toekomstige resultaten, 22 september 2026.

[10] Ministerie van Financiën, Voorjaarsnota 2026, tabel 7 en toelichting op vrijheidsbijdrage burgers en bedrijven.

[11] Kabinet, Antwoorden op feitelijke vragen over de Voorjaarsnota 2026, Kamerstuk 36 915, nr. 3, antwoord op vraag 234. Mediane inkomenseffecten in 2028.

[12] Ministerie van Financiën, Miljoenennota 2027, paragraaf 2.6 en toelichting beleidsmatige lastenontwikkeling.

[13] JA21, Dit was de inzet van JA21 aan de onderhandelingstafel, 6 september 2026. Partijbron voor de eigen inzet; geen onafhankelijke effectbeoordeling.

[14] Ipsos I&O, Politieke peiling van 15 september 2025, hoofdstuk 4, pp. 26–27. Potentiële kiezers, momentopname vóór de verkiezingen.

[15] JA21, Verkiezingsprogramma 2025, pp. 28–29 over particulier vermogen en sociaal vangnet.

[16] Ipsos, Verkiezingsonderzoek Tweede Kamerverkiezingen 2023, gepubliceerd 5 december 2023. Bron openen

[17] Shafik Hebous, Alexander Klemm, Geerten Michielse en Carolina Osorio-Buitron, How to Tax Wealth, IMF How to Note 2024/001, vooral conclusie, p. 32.

[18] OECD, The Role and Design of Net Wealth Taxes in the OECD, OECD Tax Policy Studies 26, 2018. Conclusies en ontwerpaanbevelingen.

[19] Katrine Jakobsen, Henrik Kleven, Jonas Kolsrud, Camille Landais en Mathilde Muñoz, Taxing Top Wealth: Migration Responses and their Aggregate Economic Implications, NBER Working Paper 32153, 2024, herzien januari 2026




Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties