Wie de kennis beheerst, beïnvloedt de democratie

Van verboden boeken tot politieke druk op universiteiten en media: de strijd om intellectuele vrijheid in de Verenigde Staten onder Trump

Inleiding – De paradox van het land van de vrijheid

De Verenigde Staten beschouwen de vrijheid van meningsuiting als een van hun belangrijkste constitutionele verworvenheden. Het First Amendment van de Amerikaanse Grondwet beschermt burgers tegen overheidsinmenging in hun vrijheid om te spreken, te publiceren, te geloven en politieke opvattingen uit te dragen. Die bescherming behoort tot de fundamenten van de Amerikaanse democratische rechtsstaat.

Juist daarom is een ontwikkeling die zich momenteel in de Verenigde Staten voltrekt zo opmerkelijk.

Op Amerikaanse scholen worden op ongekende schaal boeken uit bibliotheken verwijderd. Openbare bibliotheken worden geconfronteerd met politieke campagnes tegen bepaalde publicaties. Universiteiten krijgen te maken met beperkingen op onderwijsprogramma's, politieke inmenging in personeelsbeleid en de dreiging van het intrekken van onderzoeksfinanciering. Tegelijkertijd ontstaan conflicten tussen de federale regering en onafhankelijke media over toegang tot overheidsinformatie, zendvergunningen en redactionele onafhankelijkheid.

Deze ontwikkelingen lijken op het eerste gezicht verschillende maatschappelijke conflicten. Boekenverboden worden doorgaans verdedigd met verwijzingen naar kinderbescherming en ouderrechten. Maatregelen tegen universiteiten worden gelegitimeerd met argumenten over onderwijskwaliteit, non-discriminatie, intellectuele diversiteit en een doelmatige besteding van belastinggeld. Overheidsoptreden tegen media wordt onder meer verdedigd met verwijzingen naar betrouwbaarheid, vergunningvoorwaarden en veiligheid.

Toch ontstaat bij een gezamenlijke beschouwing een dieper constitutioneel vraagstuk.

Hoeveel invloed mag een democratisch gekozen overheid uitoefenen op de instituties die kennis produceren, verspreiden en kritisch beoordelen? En wanneer verandert legitieme democratische sturing in politieke controle over de voorwaarden voor vrije meningsvorming?

Deze vragen raken aan de kern van de democratische rechtsstaat. Democratie veronderstelt immers niet alleen dat burgers periodiek vertegenwoordigers kiezen. Zij veronderstelt ook dat burgers toegang hebben tot verschillende informatiebronnen, dat wetenschap onafhankelijk kan functioneren, dat journalisten de macht kunnen controleren en dat maatschappelijke minderheden hun ervaringen en perspectieven zichtbaar kunnen maken.

Wanneer die voorwaarden verzwakken, blijft de formele vrijheid van meningsuiting misschien bestaan, maar kunnen de feitelijke mogelijkheden om die vrijheid te gebruiken kleiner worden.

De recente Amerikaanse ontwikkelingen verdienen daarom een samenhangende analyse. Niet omdat iedere boekenverwijdering automatisch censuur is, iedere onderwijsmaatregel ongrondwettig is of iedere botsing met de pers een aanval op de democratie vormt. Wel omdat de combinatie van politieke mobilisatie, wettelijke beperkingen, financiële afhankelijkheden en bestuurlijke druk een structurele spanning zichtbaar maakt tussen publieke macht en intellectuele vrijheid.

1. De boekenverboden: van lokale bezwaren tot massale verwijdering

Op 5 oktober 2026 publiceerde PEN America nieuwe cijfers over boekenverboden in het Amerikaanse openbare schoolonderwijs. De organisatie registreerde gedurende het schooljaar 2025–2026 in totaal 11.982 gevallen van boekverboden, betrekking hebbend op 7.370 verschillende titels. Daarmee werd het hoogste jaarcijfer bereikt sinds de organisatie in 2021 met haar systematische registratie begon.

Inmiddels zijn over die vijf jaar ongeveer 34.000 afzonderlijke gevallen geregistreerd.

Bij deze cijfers is een belangrijke methodologische kanttekening noodzakelijk. Het gaat niet om 11.982 verschillende boeken die in de gehele Verenigde Staten niet meer gepubliceerd, verkocht of gelezen mogen worden. PEN America registreert afzonderlijke gevallen waarin boeken binnen schooldistricten worden verwijderd of de toegang ertoe wordt beperkt. Een boek dat door verschillende schooldistricten wordt geweerd, kan meerdere keren meetellen. Ook tijdelijke verwijderingen gedurende onderzoek kunnen onder de gehanteerde definitie vallen.

De ontwikkeling is niettemin opmerkelijk, omdat de verwijderingen steeds vaker het gevolg zijn van algemene wetgeving en gecoördineerde bestuurlijke processen in plaats van afzonderlijke beslissingen over één specifiek boek.

Vooral Texas en Florida springen eruit. Texas registreerde meer dan 8.100 gevallen, Florida meer dan 3.200. Samen waren deze twee staten verantwoordelijk voor ongeveer 95 procent van alle door PEN America geregistreerde gevallen in 2025–2026.

Beide staten hebben een Republikeinse gouverneur en Republikeinse parlementaire meerderheden. In beide staten is bovendien wetgeving aangenomen die schoolbesturen verplicht of stimuleert bibliotheekcollecties intensiever te beoordelen.

In Texas speelt vooral Senate Bill 13 uit 2025 een belangrijke rol. Deze wet verscherpt de regels voor de selectie van schoolbibliotheekmateriaal, versterkt de invloed van schoolbesturen en ouders en beperkt onder meer materiaal dat als schadelijk, onzedelijk, grof of educatief ongeschikt wordt gekwalificeerd.

Florida kent eveneens uitgebreide procedures waarmee ouders en inwoners bezwaar kunnen maken tegen boeken. Bepaalde klachten over pornografische of seksueel expliciete inhoud leiden tot tijdelijke verwijdering totdat de klacht inhoudelijk is beoordeeld.

Ook Iowa, Utah, Tennessee, South Carolina en andere staten hebben beperkingen ingevoerd voor schoolbibliotheken of onderwijsmateriaal.

Het belangrijkste juridische onderscheid is dat deze wetten meestal betrekking hebben op openbare scholen voor minderjarigen. Zij vormen geen algemeen verbod op de publicatie of verkoop van de betreffende boeken.

Maar daarmee is hun maatschappelijke betekenis niet gering.

Voor veel leerlingen vormt een schoolbibliotheek een belangrijke, soms zelfs de voornaamste, toegang tot literatuur. Wanneer een boek daar verdwijnt, is de mogelijkheid om het elders te kopen of digitaal te vinden niet voor iedereen een reëel alternatief.

De gevolgen kunnen daardoor ongelijk verdeeld zijn. Leerlingen uit financieel kwetsbare gezinnen zijn sterker afhankelijk van publieke voorzieningen dan leerlingen van ouders die zonder problemen boeken kunnen aanschaffen.

De formele mogelijkheid om een boek ergens in het land te kopen, is dus niet hetzelfde als daadwerkelijke toegang tot dat boek.

De inhoud van de verboden boeken: bescherming of ideologische selectie?

Een bijzonder belangrijke vraag is welke boeken worden getroffen.

Uit een inhoudelijk onderzoek van PEN America naar 3.743 verschillende titels die in het schooljaar 2024–2025 werden verboden, blijkt dat 44 procent personen of personages van kleur vertegenwoordigde. Bij 39 procent kwamen lhbti-personen voor. In 19 procent kwamen transgender of genderqueer personen voor, tegenover ongeveer 7 procent in het voorgaande onderzochte schooljaar.

De categorieën overlappen. Deze percentages kunnen dus niet worden opgeteld.

Ook blijkt uit deze analyse dat slechts 10 procent van de getroffen titels daadwerkelijk beschrijvingen bevatte van consensuele seksuele ervaringen die expliciet op de pagina worden weergegeven. Dat betekent overigens niet dat alle overige boeken volledig vrij waren van andere seksuele inhoud, zoals verwijzingen naar seksueel misbruik of geweld.

De cijfers tonen een belangrijk verschil tussen de aanwezigheid van seksualiteit als maatschappelijk onderwerp en de aanwezigheid van expliciete seksuele scènes.

Het beeld dat verwijderingen uitsluitend betrekking hebben op pornografisch materiaal, wordt daardoor niet ondersteund.

Dat blijkt ook uit de boeken zelf.

In The Bluest Eye beschrijft Nobelprijswinnaar Toni Morrison hoe een jong zwart meisje opgroeit in een samenleving waarin witte uiterlijke kenmerken als schoonheidsideaal gelden. De roman behandelt racisme, armoede, seksueel geweld en geïnternaliseerde minderwaardigheid. De ingrijpende passages vormen geen losstaande seksuele prikkeling, maar maken onderdeel uit van een literaire analyse van maatschappelijke vernedering.

In The Hate U Give beschrijft Angie Thomas de ervaringen van een zwarte tiener die getuige is van het doodschieten van haar ongewapende jeugdvriend door een politieagent. Het verhaal behandelt politiegeweld, institutioneel racisme en de verhouding tussen persoonlijke ervaringen en publieke beeldvorming.

In Gender Queer onderzoekt Maia Kobabe de eigen genderidentiteit, lichamelijke ontwikkeling en zoektocht naar zelfbegrip. Het geïllustreerde autobiografische werk bevat ook expliciete passages. Die inhoud kan aanleiding geven tot een serieus gesprek over leeftijdsgeschiktheid, maar het werk uitsluitend als pornografie beschrijven doet geen recht aan zijn bredere autobiografische betekenis.

Last Night at the Telegraph Club van Malinda Lo beschrijft de verliefdheid van een Chinees-Amerikaans meisje op een ander meisje in het San Francisco van de jaren vijftig. Het verhaal verbindt lesbische identiteit met racisme, immigratie, familieverwachtingen en politieke vervolging tijdens de Koude Oorlog.

Een bijzonder sprekend voorbeeld is Sold van Patricia McCormick, volgens PEN America het meest getroffen boek van het afgelopen schooljaar. De roman beschrijft een dertienjarig meisje uit Nepal dat slachtoffer wordt van mensenhandel en seksuele uitbuiting.

De bedoeling van de roman is juist om inzicht te geven in het leven en de kwetsbaarheid van slachtoffers van dergelijke misdrijven.

Wanneer een boek over seksueel geweld wordt verwijderd omdat het seksueel geweld beschrijft, kan de maatschappelijke betekenis van die beschrijving verloren gaan.

De aanwezigheid van dergelijke thema's bewijst overigens niet dat elke verwijdering uitsluitend door racisme, homofobie of een andere vorm van discriminatie wordt ingegeven. Sommige boeken bevatten daadwerkelijk expliciete passages, en niet ieder boek is geschikt voor iedere leeftijd.

Maar de inhoudelijke patronen maken duidelijk dat de discussie verder reikt dan de bescherming tegen pornografie.

Er is een fundamenteel verschil tussen het beschermen van kinderen tegen schadelijke inhoud en het beschermen van kinderen tegen de kennis dat bepaalde maatschappelijke ervaringen, conflicten of identiteiten bestaan.

Dat onderscheid is pedagogisch, sociologisch en constitutioneel van betekenis.

De rol van kunstmatige intelligentie

Aan deze ontwikkeling is inmiddels een technologische dimensie toegevoegd.

Uit documenten die via openbaarheidsverzoeken van het Texas Freedom to Read Project beschikbaar kwamen, blijkt dat sommige schooldistricten generatieve AI gebruiken om boeken te beoordelen op verenigbaarheid met de toepasselijke wetgeving.

In McAllen, Texas, werden bijvoorbeeld prompts gebruikt waarbij een chatbot moest beoordelen of boeken voldeden aan de Texaanse regelgeving en de juridische criteria voor obsceniteit.

PEN America beschrijft hoe AI-systemen bij hun beoordelingen soms verwijzen naar eerdere verboden in andere schooldistricten. Een boek kan daardoor als problematisch worden aangemerkt omdat andere instellingen het eerder hebben verwijderd, zonder dat de inhoud opnieuw zorgvuldig wordt beoordeeld.

Zo ontstaat een mogelijk zelfversterkend mechanisme. Een eerste verwijderingsbesluit wordt opgenomen in de informatie waarop volgende beoordelingen steunen. Nieuwe instellingen nemen die eerdere beoordeling over, waarna het aantal verwijderingen verder groeit en dezelfde classificatie steeds vanzelfsprekender lijkt.

Dit mechanisme is vooral problematisch wanneer algoritmen geen onderscheid maken tussen een expliciete seksuele beschrijving, een kritische beschrijving van seksueel geweld en de enkele aanwezigheid van homoseksuele of transgender personages.

Ook commerciële beoordelingsdiensten spelen inmiddels een rol bij het screenen van schoolcollecties.

Kunstmatige intelligentie kan helpen grote hoeveelheden gegevens te analyseren, maar zij behoort niet zelfstandig te bepalen welke literatuur voor leerlingen toegankelijk is.

Daarvoor is een inhoudelijke en juridische beoordeling noodzakelijk waarin rekening wordt gehouden met context, literaire betekenis, leeftijdsgeschiktheid en mogelijke grondrechtelijke gevolgen.

2. Openbare bibliotheken: wanneer lokale boekenselectie een grondrechtenvraag wordt

De problematiek blijft niet beperkt tot schoolbibliotheken.

De American Library Association registreerde over kalenderjaar 2025 in totaal 713 censuurincidenten rond bibliotheekmateriaal en bibliotheekdiensten. Daarbij werden 4.235 verschillende titels aangevochten. Van de afzonderlijke incidenten vond 51 procent plaats bij openbare bibliotheken, 37 procent bij schoolbibliotheken en ongeveer 3 procent binnen het hoger onderwijs.

Deze cijfers meten andere verschijnselen dan de registraties van PEN America en kunnen daarom niet rechtstreeks met de 11.982 schoolboekverboden worden vergeleken.

Zij laten wel zien dat ook bibliotheken voor volwassenen betrokken raken bij het conflict.

Dat verschil is belangrijk. Een school heeft een bijzondere pedagogische verantwoordelijkheid voor minderjarigen. Een algemene openbare bibliotheek vervult daarentegen een bredere publieke functie: zij biedt inwoners toegang tot kennis, literatuur en informatie, ongeacht hun leeftijd, religie of politieke overtuiging.

In Idaho werd in 2024 wetgeving ingevoerd die ook openbare bibliotheken raakt en de toegang van minderjarigen tot wettelijk omschreven schadelijk materiaal reguleert. Louisiana kent eveneens maatregelen die betrekking hebben op de toegang van minderjarigen tot bepaalde materialen in openbare bibliotheken.

De constitutionele grenzen van zulke maatregelen zijn onderwerp van discussie.

Een sprekend voorbeeld is Little v. Llano County. In deze zaak hadden inwoners van Texas geprocedeerd tegen het verwijderen van boeken uit openbare bibliotheken. Onder de betrokken titels bevonden zich boeken over racisme, de Ku Klux Klan en transgenderidentiteit.

Het federale hof van beroep voor het Fifth Circuit oordeelde in mei 2025 dat de betrokken verwijderingsbesluiten binnen de ruime bevoegdheid van het lokale bestuur vielen. Het Supreme Court besloot op 8 december 2025 het beroep tegen deze uitspraak niet te behandelen.

Dat betekent niet dat het Supreme Court de inhoudelijke redenering heeft onderschreven. Het liet de uitspraak van het hof van beroep in stand zonder zelf een nieuwe algemene rechtsregel vast te stellen.

De zaak illustreert hoe omstreden de vraag is of en in hoeverre burgers een constitutioneel beschermd recht hebben om informatie via een openbare bibliotheek te ontvangen.

Dit is meer dan een technisch juridisch probleem. Wanneer de overheid zelf beslist welke ideeën nog deel mogen uitmaken van openbare collecties, ontstaat een mogelijke spanning tussen democratisch bestuur en intellectuele autonomie.

Een bibliotheek hoeft vanzelfsprekend niet ieder denkbaar boek aan te schaffen. Zij beschikt over beperkte middelen en moet professionele selectiecriteria hanteren.

Maar het niet aanschaffen van een boek, het verwijderen van een bestaand boek en het weren van een boek omdat de overheid de daarin vervatte politieke ideeën onwenselijk vindt, zijn juridisch en normatief verschillende beslissingen.

Juist dat onderscheid moet in een democratische rechtsstaat herkenbaar blijven.

3. De politieke en maatschappelijke oorzaken: MAGA, ouderrechten en religieus conservatisme

De golf van boekenverwijderingen is niet uitsluitend te begrijpen vanuit afzonderlijke klachten over specifieke publicaties.

Uit de gegevens van de American Library Association blijkt dat in 2025 ongeveer 92 procent van de geregistreerde boekaanvechtingen voortkwam uit georganiseerde pressiegroepen, overheidsfunctionarissen, bestuurders of andere besluitvormers. Slechts ongeveer 3 procent was rechtstreeks afkomstig van individuele ouders.

Daaruit blijkt dat een belangrijk deel van de boekenstrijd institutioneel en georganiseerd is.

De ontwikkeling valt samen met bredere Amerikaanse conflicten over racisme, immigratie, genderidentiteit, seksuele voorlichting, religieuze waarden en de maatschappelijke betekenis van diversiteit.

Vanaf ongeveer 2021 groeide binnen conservatieve politieke bewegingen het verzet tegen wat werd aangeduid als critical race theory, gender ideology en woke indoctrination.

Daarbij werden uiteenlopende maatschappelijke onderwerpen steeds vaker met elkaar verbonden. Onderwijs over slavernij en structureel racisme werd onderdeel van een debat over de nationale identiteit. Het behandelen van homoseksualiteit en transgenderidentiteit werd verbonden aan opvattingen over traditionele gezinsvorming. Diversiteitsbeleid werd gepresenteerd als een mogelijke aantasting van gelijke behandeling of als ideologische beïnvloeding.

Voorstanders van beperkingen benadrukken dat ouders zeggenschap moeten hebben over de opvoeding van hun kinderen en dat scholen niet de taak hebben hun leerlingen een bepaalde politieke of morele wereldbeschouwing op te leggen.

Dat zijn op zichzelf legitieme aandachtspunten.

De spanning ontstaat wanneer deze argumenten worden gebruikt om de persoonlijke overtuigingen van een deel van de ouders om te zetten in algemene beperkingen voor alle leerlingen.

Moms for Liberty als voorbeeld van georganiseerde politieke mobilisatie

Een van de bekendste organisaties binnen deze beweging is Moms for Liberty.

De organisatie werd in januari 2021 in Florida opgericht door Tina Descovich en Tiffany Justice, twee voormalige leden van lokale schoolbesturen. Aanvankelijk richtte zij zich sterk op coronamaatregelen, mondkapjesverplichtingen en ouderlijke invloed op schoolbeleid.

Vervolgens verbreedde de organisatie haar activiteiten naar lesprogramma's over racisme, genderidentiteit, seksuele oriëntatie en diversiteitsbeleid.

Moms for Liberty beschikt inmiddels over een omvangrijk netwerk van lokale afdelingen. Zij organiseert bijeenkomsten, ondersteunt politieke kandidaten en probeert via schoolbesturen en wetgeving invloed uit te oefenen op onderwijsbeleid.

De organisatie presenteert haar activiteiten als bescherming van ouderrechten en strijd tegen ideologische indoctrinatie.

Critici wijzen erop dat haar campagnes regelmatig betrekking hebben op literatuur waarin zwarte, homoseksuele en transgender personen zichtbaar zijn, en dat het gebruik van brede criteria voor seksuele inhoud kan leiden tot het weren van boeken die niet primair seksueel van aard zijn.

De band met de Republikeinse politiek is inmiddels goed gedocumenteerd. De organisatie organiseerde nationale bijeenkomsten met prominente Republikeinse politici en onderhoudt contacten met de regering-Trump.

Een concreet voorbeeld is de lancering van het federale meldpunt End DEI op 27 februari 2025. Het Amerikaanse ministerie van Onderwijs maakte het mogelijk om vermeende discriminatie op grond van ras of geslacht in publiek gefinancierde scholen te melden. In de officiële aankondiging werd medeoprichter Tiffany Justice uitdrukkelijk als voorstander van het initiatief geciteerd.

Daarmee wordt een belangrijk institutioneel mechanisme zichtbaar: opvattingen die aanvankelijk binnen een maatschappelijke beweging worden uitgedragen, kunnen via politieke invloed doorwerken in officiële overheidsprocedures.

De rol van evangelische christenen en christelijk nationalisme

Ook religieus conservatisme speelt een rol bij het politieke klimaat waarin deze maatregelen ontstaan.

Binnen delen van de evangelisch-christelijke beweging bestaan traditionele opvattingen over huwelijk, seksuele moraal en gezinsvorming. Dat betekent niet dat evangelisch christendom als geheel voorstander is van boekenverboden, en evenmin dat iedere voorstander van beperkingen door religieuze motieven wordt gedreven.

Een relevante afzonderlijke stroming is het christelijk nationalisme, waarin de Amerikaanse nationale identiteit nadrukkelijk wordt verbonden met een bepaalde opvatting over het christelijke karakter van de staat en samenleving.

Onderzoek van het Public Religion Research Institute, gepubliceerd in februari 2026 en gebaseerd op ruim 22.000 interviews uit 2025, toont dat 56 procent van de Republikeinse respondenten volgens de onderzoeksmethode sympathie had voor of instemde met christelijk-nationalistische uitgangspunten. Onder witte evangelische protestanten bedroeg dat aandeel 67 procent.

Het onderzoek laat bovendien een duidelijke samenhang zien tussen dergelijke opvattingen, Republikeinse partijvoorkeur en een positieve houding tegenover Trump.

Deze gegevens bewijzen niet dat christelijk nationalisme de zelfstandige oorzaak van boekenverboden is. Daarvoor zou een afzonderlijke causale analyse nodig zijn.

Wel tonen zij dat bepaalde maatschappelijke en religieuze overtuigingen sterk vertegenwoordigd zijn binnen de politieke omgeving waarin beperkende onderwijsmaatregelen ontstaan.

De verbinding met de MAGA-beweging ligt vooral in de gezamenlijke kritiek op progressieve instituties en de wens meer politieke en ouderlijke invloed op onderwijs en cultuur uit te oefenen.

De regering-Trump heeft deze ontwikkeling versterkt. Op 24 januari 2025 beëindigde het federale ministerie van Onderwijs eerdere onderzoeken naar vermeende discriminatoire boekenverboden en trok het richtlijnen in die onder de regering-Biden waren ontwikkeld. De regering stelde dat lokale schoolbesturen en ouders meer vrijheid moesten krijgen om leeftijdsongeschikt materiaal uit schoolbibliotheken te weren.

Daarmee veranderde de federale overheid haar positie: minder nadruk op onderzoek naar mogelijke discriminatie door boekenverwijderingen en meer nadruk op ouderrechten en lokale selectiebevoegdheden.

Het geheel kan worden begrepen als onderdeel van een bredere Amerikaanse cultuurstrijd over de vraag welke maatschappelijke waarden publieke instituties behoren uit te dragen.

Maar politieke overeenkomsten mogen niet worden verward met één centraal aangestuurd programma. De betrokken staten, schoolbesturen, pressiegroepen en federale overheidsdiensten beschikken over verschillende bevoegdheden en handelen niet altijd op dezelfde wijze.

4. Universiteiten en hogescholen: andere instrumenten, vergelijkbare spanningen

De belangrijkste schoolboekenwetten gelden niet rechtstreeks voor universiteiten.

Maar het Amerikaanse hoger onderwijs wordt geconfronteerd met andere vormen van politieke beïnvloeding.

Daarbij gaat het niet alleen om traditionele onderzoeksuniversiteiten. Ook openbare colleges en andere instellingen voor hoger onderwijs worden geraakt wanneer staatswetten beperkingen opleggen aan opleidingen, diversiteitsbeleid, personeelsselectie of wetenschappelijk onderwijs.

Vanaf 2023 namen verschillende Republikeins bestuurde staten wetten aan die de organisatie van het hoger onderwijs ingrijpend veranderden.

Florida beperkte via Senate Bill 266 onder andere de financiering van bepaalde DEI-activiteiten en voerde aanvullende regels in voor universitair bestuur en de beoordeling van wetenschappelijk personeel.

Texas nam Senate Bill 17 aan, waarmee openbare universiteiten werden beperkt in het aanbieden en financieren van afzonderlijke DEI-programma's. Senate Bill 37 uit 2025 versterkte vervolgens de invloed van bestuursorganen op curricula en academisch beleid.

Ook Alabama, Utah, Ohio en Indiana voerden wetgeving in die de positie van diversiteitsprogramma's, academische bestuursorganen of de beoordeling van docenten veranderde.

Deze wetten zijn niet identiek. Sommige beperken voornamelijk administratieve DEI-functies, terwijl zij uitdrukkelijk ruimte laten voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs over controversiële onderwerpen. Andere hebben directere gevolgen voor opleidingen, personeelsbeleid en inhoudelijke onderwijskeuzes.

Het is daarom onjuist om iedere hervorming van diversiteitsbeleid automatisch als een verbod op wetenschap te beschouwen.

Maar het wordt constitutioneel problematisch wanneer de staat niet alleen bepaalt hoe een universiteit wordt georganiseerd, maar ook welke legitieme wetenschappelijke perspectieven nog behandeld mogen worden.

Dat probleem werd in Texas bijzonder zichtbaar.

Texas A&M en Texas Tech: wanneer politiek onderwijsinhoud bepaalt

In september 2025 ontstond bij Texas A&M University een conflict over een college kinderliteratuur waarin genderidentiteit werd behandeld. Nadat een opname van het college politiek werd verspreid, eiste gouverneur Greg Abbott het ontslag van de betrokken docent.

De docent werd uiteindelijk ontslagen. De kwestie had eveneens gevolgen voor de universitaire leiding.

Het bijzondere van deze zaak is dat politieke druk gevolgen kreeg voor de positie van een docent zonder dat een algemeen wettelijk verbod op het bespreken van genderidentiteit in dat college rechtstreeks was vastgesteld.

Bij Texas Tech University volgden in april 2026 maatregelen die de inhoud van opleidingen over seksuele oriëntatie en genderidentiteit beperkten.

De universiteit onderzocht meer dan 14.000 vakken op mogelijke strijdigheid met toepasselijke regels en bestuurlijke richtlijnen. Volgens haar eigen bekendmaking waren 299 vakken al vooraf aangepast en werden uiteindelijk minder dan zestig vakken formeel voor aanvullende wijziging aanbevolen.

Een afzonderlijk onderzoek onder docenten liet zien dat ook buiten de formele ingrepen aanpassingen werden gedaan.

Hier verschijnt een verschijnsel dat voor de vrijheid van onderwijs bijzonder relevant is: het chilling effect.

Wanneer docenten vrezen dat bepaalde onderwerpen kunnen leiden tot politieke klachten, sancties of gevolgen voor hun carrière, kunnen zij besluiten die onderwerpen niet meer te behandelen.

Daarvoor is geen expliciet wettelijk verbod noodzakelijk.

Een soortgelijk mechanisme kan ontstaan bij wetenschappers die vermijden onderzoek te doen naar maatschappelijk gevoelige thema's omdat zij vrezen hun financiering of aanstelling te verliezen.

De vrijheid van wetenschap kan daardoor feitelijk worden beperkt terwijl het formele recht om te onderzoeken en te publiceren blijft bestaan.

Harvard en Columbia: federale financiering als onderhandelingsmacht

Op federaal niveau gebruikt de regering-Trump vooral haar bevoegdheden rond onderzoeksfinanciering, burgerrechtenhandhaving en toezicht.

De conflicten met Harvard University en Columbia University zijn daarvan de bekendste voorbeelden.

In april 2025 schortte de regering-Trump miljarden dollars aan federale financiering voor Harvard op. De regering stelde onder meer dat de universiteit onvoldoende optrad tegen antisemitisme.

Tegelijkertijd werden eisen gesteld over universitair bestuur, diversiteitsbeleid, toelating en de inrichting van academische programma's.

Harvard weigerde deze eisen in de voorgelegde vorm te accepteren en stapte naar de rechter.

In september 2025 oordeelde een federale rechter dat de subsidiebeëindigingen onrechtmatig waren en in belangrijke mate verband hielden met ideologisch gemotiveerde druk op de universiteit. De regering ging in hoger beroep. Op 5 oktober 2026 werd de zaak behandeld door het federale hof van beroep in Boston. Een definitieve uitspraak was op 12 oktober 2026 nog niet beschikbaar.

Bij Columbia University volgde in juli 2025 een overeenkomst met de federale overheid, nadat eveneens aanzienlijke onderzoeksmiddelen waren geblokkeerd.

Columbia stemde in met een betaling van 200 miljoen dollar aan de federale overheid en een afzonderlijke schikking van 21 miljoen dollar over arbeidsrechtelijke discriminatieklachten. Daarnaast werden afspraken gemaakt over naleving, toezicht en organisatorische maatregelen.

De universiteit benadrukte dat zij haar autonomie over onderwijs, onderzoek, personeelsbeleid en academische beslissingen behield.

Deze twee zaken laten zien dat de overheid zowel via rechtszaken als via onderhandelingen een grote invloed kan uitoefenen op universiteiten die afhankelijk zijn van federale middelen.

Het bestrijden van antisemitisme en andere vormen van discriminatie is een legitieme en belangrijke overheidstaak. Universiteiten zijn geen rechtsvrije ruimten en moeten hun wettelijke verplichtingen naleven.

De constitutionele grens ligt echter bij het gebruik van die taak als middel om instellingen te dwingen politieke voorkeuren van de regering over te nemen.

De wetenschappelijke gevolgen

Ook buiten deze afzonderlijke universiteitsconflicten werden federale onderzoeksprogramma's beëindigd of aangepast.

Daarbij werden onder meer projecten getroffen die betrekking hadden op DEI, maatschappelijke gezondheidsverschillen en gendergerelateerde onderwerpen.

Een democratische regering mag onderzoeksprioriteiten vaststellen en publieke middelen herverdelen. Maar wanneer inhoudelijke politieke gevoeligheid zwaarder gaat wegen dan wetenschappelijke kwaliteit, kan dit de onafhankelijkheid van kennisproductie aantasten.

De gevolgen reiken verder dan de getroffen onderzoekers.

Wanneer onderzoeksprojecten worden onderbroken, kunnen gegevens verloren gaan, onderzoeksteams uiteenvallen en wetenschappelijke loopbanen worden beschadigd. Wanneer bepaalde thema's structureel minder financiering krijgen, kan ook de toekomstige kennisontwikkeling verschuiven.

Daarmee beïnvloedt de overheid niet alleen welke antwoorden wetenschappers kunnen vinden, maar indirect ook welke vragen nog worden gesteld.

Juist dat is de bijzondere maatschappelijke functie van academische vrijheid: zij moet wetenschap in staat stellen vragen te onderzoeken waarvan de antwoorden voor bestaande politieke of economische machtsverhoudingen ongemakkelijk kunnen zijn.

5. Pers en media: van redactionele onafhankelijkheid naar bestuurlijke druk

De derde dimensie betreft de onafhankelijkheid van journalistiek en media.

Ook hier gaat het doorgaans niet om een algemeen wettelijk verbod op kritische berichtgeving. De belangrijkste conflicten hebben betrekking op toegang tot overheidsinformatie, vergunningen en het gebruik van bestuurlijke bevoegdheden.

Een vroeg voorbeeld ontstond in februari 2025, toen het Witte Huis de toegang van Associated Press tot bepaalde presidentiële evenementen beperkte.

Aanleiding was de weigering van het persbureau om de Golf van Mexico uitsluitend aan te duiden met de door Trump ingevoerde naam Gulf of America.

Associated Press beschouwde de maatregel als vergelding voor een onafhankelijke redactionele keuze.

Een federale rechter oordeelde aanvankelijk dat de uitsluiting in strijd was met het First Amendment. De uitvoering van die beslissing werd vervolgens in hoger beroep geschorst, waardoor de juridische strijd voortduurde.

Hier gaat het om een belangrijke constitutionele grens. Een president heeft bestuurlijke bevoegdheden om toegang tot beperkte ruimtes te organiseren en veiligheidsregels vast te stellen. Daaruit volgt echter niet zonder meer dat hij nieuwsorganisaties mag bestraffen vanwege hun redactionele standpunten.

In september 2026 ontstond een nieuw conflict toen het Witte Huis de toegang van CNN, MS NOW en Politico beperkte.

De betrokken media stapten naar de rechter en voerden aan dat hun uitsluiting verband hield met kritische berichtgeving. De regering stelde daartegenover dat de maatregelen gerechtvaardigd waren door problemen met betrouwbaarheid, berichtgeving en veiligheid.

Een federale rechter blokkeerde de uitsluiting voorlopig. Begin oktober werd opnieuw geprocedeerd over voortzetting van die bescherming.

Daarmee was de definitieve constitutionele beoordeling nog niet afgerond.

De FCC en de macht over zendvergunningen

Daarnaast ontstond een conflict tussen de federale regering en televisienetwerk ABC.

De Federal Communications Commission (FCC), die onder andere toezicht houdt op zendvergunningen, begon onder leiding van Brendan Carr een ongebruikelijk vroegtijdig onderzoek naar vergunningen van ABC-zenders.

Disney, het moederbedrijf van ABC, stelde dat dit onderzoek mede verband hield met redactionele beslissingen die de regering-Trump onwelgevallig waren, waaronder de weigering een presidentiële toespraak uit te zenden.

De FCC verwees naar haar bevoegdheden en naar vragen over onder meer de naleving van informatieverzoeken en diversiteitsbeleid.

In oktober 2026 lag het geschil bij de rechter.

Ook hier is het constitutionele probleem niet dat toezichthouders geen bevoegdheden zouden mogen uitoefenen. Zendvergunningen mogen aan wettelijke voorwaarden worden verbonden, en een toezichthouder moet overtredingen kunnen onderzoeken.

De vraag is of toezicht kan worden ingezet als indirect middel om de redactionele onafhankelijkheid van een omroep te beïnvloeden.

Wanneer media vrezen dat kritische berichtgeving gevolgen kan hebben voor vergunningen of andere bestuurlijke relaties, kan dat hun journalistieke besluitvorming beïnvloeden.

Daarmee ontstaat dezelfde spanning als bij universiteiten: formele onafhankelijkheid kan onder druk komen te staan door de afhankelijkheid van overheidsbesluiten.

In oktober 2026 kwam daar nog een ontwikkeling bij. Het Amerikaanse ministerie van Justitie begon een mededingingsonderzoek naar grote televisienetwerken die tijdelijk hadden geweigerd deel te nemen aan gezamenlijke verslaggeving vanuit het Witte Huis, als reactie op de uitsluiting van bepaalde media.

De regering onderzocht of deze gezamenlijke actie mededingingsrechtelijk ontoelaatbaar was. De betrokken media en verschillende juristen betwistten die benadering.

Ook deze zaak illustreert dat bestuurlijke en wettelijke instrumenten gevolgen kunnen hebben voor journalistieke activiteiten zonder dat vooraf een expliciet publicatieverbod wordt ingesteld.

6. De constitutionele kwestie: hoe vrij is het First Amendment werkelijk?

De Amerikaanse Grondwet biedt een omvangrijke bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de pers.

Maar de juridische positie verschilt naar gelang de betrokken instelling en de aard van de overheidsmaatregel.

Binnen scholen mag de overheid rekening houden met pedagogische doelen, leeftijdsgeschiktheid en de bescherming van minderjarigen.

Bij universiteiten speelt academische vrijheid een bijzondere rol. In Keyishian v. Board of Regents uit 1967 benadrukte het Supreme Court dat academische vrijheid onder het First Amendment bijzondere bescherming verdient. De overheid mag niet zonder meer de aanstelling of het behoud van docenten afhankelijk maken van ideologische conformiteit.

Voor schoolbibliotheken is vooral Board of Education v. Pico uit 1982 belangrijk. Het Supreme Court behandelde daarin de verwijdering van boeken door een schoolbestuur. De zaak leverde echter geen volledig eenduidige meerderheidsregel op waarmee alle latere boekenverwijderingen kunnen worden beoordeeld.

In Little v. Llano County uit 2025 oordeelde het Fifth Circuit vervolgens dat lokale overheden een zeer ruime bevoegdheid hebben bij de samenstelling van openbare bibliotheekcollecties. Het Supreme Court weigerde deze uitspraak in december 2025 te herzien.

In april 2026 oordeelde het Eighth Circuit in Penguin Random House v. Robbins dat een beperking van boeken in schoolbibliotheken in Iowa binnen een toets aan legitieme pedagogische belangen kon vallen. De uitspraak betrof een voorlopige procedure en beëindigde niet alle verdere juridische geschillen.

De rechtspraak laat daardoor geen eenvoudig landelijk verbod op politiek omstreden boekenselectie zien.

Bij universiteiten geldt eveneens dat academische vrijheid niet betekent dat de overheid iedere opleiding verplicht moet financieren. Maar het First Amendment kan zich wel verzetten tegen vergelding vanwege beschermde uitingen of het afdwingen van ideologische conformiteit.

Voor de pers geldt dat journalisten geen onbeperkt recht hebben op toegang tot iedere besloten overheidsbijeenkomst. Maar wanneer de overheid toegang verleent volgens bepaalde procedures, kan het uitsluiten van specifieke media vanwege hun politieke perspectief grondrechtelijke problemen opleveren.

Deze verschillen zijn wezenlijk.

Toch kan een algemene constitutionele lijn worden onderscheiden.

De overheid beschikt over bevoegdheden om publieke instituties te organiseren, maar die bevoegdheden worden begrensd wanneer zij worden gebruikt om beschermde meningen, legitieme kritiek of onafhankelijke kennisproductie te bestraffen.

Een tweede belangrijk beginsel is dat constitutionele bescherming niet uitsluitend betrekking heeft op formele verboden.

Ook indirecte overheidsdruk kan grondrechtelijk relevant zijn. Een dreiging met ontslag, subsidie-intrekking, verlies van toegang of nadelige vergunningbesluiten kan onder omstandigheden een ontoelaatbare vergelding of ongeoorloofde beïnvloeding vormen.

De praktische rechtsbescherming blijft echter afhankelijk van de aard van de maatregel, de betrokken rechten, de geldende wettelijke bevoegdheden en de mogelijkheid om een causaal verband tussen overheidsoptreden en beschermde meningsuiting aan te tonen.

Dat verklaart ook waarom rechterlijke procedures over deze onderwerpen uiteenlopende uitkomsten kennen.

7. De internationale en historische vergelijking

De Amerikaanse ontwikkelingen vertonen op bepaalde punten overeenkomsten met beperkingen op kennis en lhbti-inhoud in Hongarije en Rusland.

Onder de regering van Viktor Orbán nam Hongarije in 2021 wetgeving aan die de beschikbaarheid van bepaalde inhoud over homoseksualiteit en genderidentiteit beperkte, onder meer binnen onderwijs, media en commerciële verspreiding.

De Hongaarse wetgeving gebruikte deze identiteiten veel explicieter als reguleringscategorie dan de meeste Amerikaanse schoolboekenwetten, die doorgaans verwijzen naar obsceniteit, seksuele explicietheid en leeftijdsgeschiktheid.

Op 21 april 2026 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-769/22 dat Hongarije hiermee op verschillende punten het Unierecht schond, waaronder fundamentele rechten en de waarden van artikel 2 VEU.

Het Hof benadrukte daarmee dat bescherming van kinderen niet zonder voldoende rechtvaardiging mag worden gebruikt om lhbti-personen te marginaliseren of te stigmatiseren.

In Rusland zijn de beperkingen aanzienlijk verdergaand.

Sinds 2013 bestaat wetgeving tegen zogenoemde propaganda van niet-traditionele seksuele relaties, die in 2022 aanzienlijk werd uitgebreid. In november 2023 verklaarde het Russische Supreme Court de zogenoemde internationale lhbti-beweging extremistisch.

Daarmee ontstonden ingrijpende strafrechtelijke risico's voor personen, organisaties, uitgevers en boekverkopers die door de autoriteiten met deze vermeende beweging in verband worden gebracht.

In april 2026 werd bekend dat medewerkers van de Russische uitgever Eksmo door de autoriteiten werden ondervraagd wegens vermeende verspreiding van lhbti-propaganda. De uitgever gebruikte inmiddels kunstmatige intelligentie om omvangrijke boekencollecties op mogelijk verboden inhoud te controleren.

De overeenkomst met sommige Amerikaanse ontwikkelingen ligt vooral in de beschermingsretoriek, de regulering van bepaalde maatschappelijke identiteiten en het risico van preventieve zelfcensuur.

Het fundamentele verschil is dat Rusland beschikt over een veel verdergaand repressief systeem, waarin publicatie en verspreiding daadwerkelijk tot ernstige strafrechtelijke gevolgen kunnen leiden.

De Verenigde Staten kennen daarentegen nog steeds onafhankelijke rechters, vrije uitgeverijen, kritische media, concurrerende politieke partijen en maatschappelijke organisaties die beperkingen publiekelijk en juridisch bestrijden.

Ook historische vergelijkingen vereisen precisie.

De nationaalsocialistische boekverbrandingen van mei 1933 laten zien hoe een autoritaire beweging ideologisch onwelgevallige literatuur uit de publieke ruimte kan verwijderen. De Sovjet-Unie ontwikkelde na de Russische Revolutie een uitgebreid systeem van publicatiecontrole, dat onder Stalin sterk werd uitgebreid. Tijdens de Chinese Culturele Revolutie werden boeken en andere culturele objecten vernietigd binnen een bredere campagne tegen traditionele en ideologisch onwelgevallige kennis.

Deze historische voorbeelden kunnen helpen om mechanismen van ideologische selectie en kenniscontrole te begrijpen.

Zij bewijzen niet dat de Verenigde Staten zich reeds in een vergelijkbare politieke toestand bevinden.

De Kristallnacht van november 1938 is bovendien geen geschikte rechtstreekse vergelijking met hedendaagse boekenverboden. Die pogrom betrof georganiseerd antisemitisch geweld, verwoesting, moord en massale arrestaties, en moet historisch worden onderscheiden van de boekverbrandingen van 1933.

De waarde van de historische vergelijking ligt daarom niet in het gelijkstellen van gebeurtenissen, maar in het herkennen van een terugkerend bestuurlijk probleem: politieke machthebbers kunnen proberen de publieke werkelijkheid te beïnvloeden door de toegang tot bepaalde kennis en ervaringen te beperken.

8. De grotere maatschappelijke gevolgen: wat gebeurt er met de democratische kennisorde?

De drie onderzochte terreinen hebben één belangrijk kenmerk gemeen.

Bij scholen gaat het om de toegang tot bestaande kennis. Bij universiteiten gaat het om de ontwikkeling van nieuwe kennis. Bij journalistiek gaat het om de verspreiding en kritische toetsing van informatie over maatschappelijke gebeurtenissen en machtsuitoefening.

Samen vormen deze instituties een essentieel onderdeel van wat men de democratische kennisorde kan noemen.

Een democratie functioneert niet uitsluitend door regels over verkiezingen en politieke vertegenwoordiging. Zij is ook afhankelijk van de kwaliteit, toegankelijkheid en pluriformiteit van de informatie waarop burgers hun oordelen baseren.

Wanneer leerlingen bepaalde maatschappelijke ervaringen niet meer via boeken kunnen leren kennen, wanneer wetenschappers terughoudend worden om politiek gevoelige onderwerpen te onderzoeken en wanneer journalisten vrezen voor bestuurlijke repercussies vanwege kritische berichtgeving, kunnen drie verschillende vormen van beperking elkaar versterken.

Een eerste gevolg is verschraling van perspectieven. Burgers komen minder gemakkelijk in aanraking met ervaringen en argumenten die afwijken van hun eigen sociale omgeving.

Een tweede mogelijk gevolg is institutionele zelfcensuur. Leraren, bibliothecarissen, wetenschappers en journalisten kunnen onderwerpen vermijden die wettelijke of bestuurlijke risico's opleveren.

Een derde gevolg is vermindering van maatschappelijke tegenmacht. Wanneer kennisinstellingen sterker afhankelijk worden van politieke goedkeuring, kan hun vermogen om het optreden van diezelfde politieke machthebbers kritisch te beoordelen afnemen.

Een vierde gevolg is mogelijke versterking van ongelijkheid. Leerlingen en studenten met weinig financiële mogelijkheden zijn sterker afhankelijk van publieke bibliotheken, onderwijsinstellingen en gefinancierde kennisvoorzieningen.

Daarbij moet worden benadrukt dat de mate waarin deze gevolgen daadwerkelijk optreden empirisch kan verschillen. Niet iedere bestuurlijke beperking leidt aantoonbaar tot zelfcensuur, en niet iedere verandering van onderwijsprogramma's leidt tot slechtere kennisvorming.

Maar de onderzochte voorbeelden tonen wel dat zulke risico's reëel zijn en niet uitsluitend theoretisch.

De betekenis van het mens- en samenlevingswordingsmodel

Binnen het relationele mens- en samenlevingswordingsmodel is menselijke ontwikkeling afhankelijk van de wisselwerking tussen individuen, sociale relaties, maatschappelijke instituties en de historische en ecologische omstandigheden waarin mensen leven.

Autonomie ontstaat niet in een maatschappelijk vacuüm. Mensen ontwikkelen hun vermogen om zelfstandig te denken doordat zij onderwijs ontvangen, toegang hebben tot informatie, andere perspectieven leren begrijpen en ruimte krijgen om bestaande overtuigingen kritisch te onderzoeken.

Vrijheid vereist daarom meer dan de afwezigheid van een direct verbod.

Zij vraagt ook om institutionele voorwaarden die daadwerkelijke ontwikkeling mogelijk maken.

Vanuit dit perspectief zijn bibliotheken, universiteiten, wetenschap en journalistiek geen neutrale technische voorzieningen. Zij dragen bij aan het vermogen van mensen om kennis te verwerven, verantwoordelijk te handelen en invloed uit te oefenen op hun samenleving.

Ook gelijkwaardigheid speelt daarbij een rol.

Wanneer literatuur over bepaalde bevolkingsgroepen systematisch minder toegankelijk wordt, kan dat gevolgen hebben voor hun maatschappelijke zichtbaarheid en erkenning. Wanneer bepaalde onderwerpen minder wetenschappelijk worden onderzocht, kunnen ook de ervaringen van de betrokken groepen minder aandacht krijgen in publieke kennis en beleid.

Dat betekent niet dat iedere vorm van beperking ongerechtvaardigd is. Er kunnen legitieme redenen bestaan voor leeftijdsgrenzen, professionele selectie, wetenschappelijke prioriteiten en publieke verantwoording.

Maar binnen een relationeel mensbeeld moeten zulke beperkingen steeds worden beoordeeld vanuit hun gevolgen voor autonomie, gelijkwaardigheid, participatie en menselijke ontwikkeling.

Polycentrisch corrigeerbare democratie

De verbinding met het model van polycentrisch corrigeerbare democratie gaat nog een stap verder.

Een democratische rechtsstaat is niet alleen afhankelijk van formele machtenscheiding tussen wetgever, bestuur en rechter.

Zij heeft ook maatschappelijke instituties nodig die kennis, kritiek en tegenmacht organiseren.

Universiteiten kunnen wetenschappelijke claims van regeringen onderzoeken. Journalisten kunnen bestuurlijke fouten zichtbaar maken. Bibliotheken kunnen burgers toegang geven tot uiteenlopende maatschappelijke perspectieven. Leraren kunnen leerlingen leren zelfstandig argumenten te beoordelen.

Juist deze meervoudigheid maakt democratische zelfcorrectie mogelijk.

Wanneer een regering verkeerde aannames hanteert, moet er ruimte bestaan om die aannames onafhankelijk te onderzoeken. Wanneer officiële informatie onvolledig is, moet journalistiek andere bronnen kunnen raadplegen. Wanneer maatschappelijke groepen onvoldoende worden gehoord, moeten literatuur, wetenschap en publieke discussie hun ervaringen zichtbaar kunnen maken.

Daarom is de onafhankelijkheid van kennisinstellingen niet uitsluitend een belang van onderzoekers, journalisten of bibliothecarissen zelf.

Zij is een voorwaarde voor het vermogen van de samenleving om fouten te herkennen en machtsuitoefening ter discussie te stellen.

Vanuit rechtsfilosofisch perspectief sluit dit aan bij John Stuart Mill, die vrije gedachtewisseling beschouwde als voorwaarde voor intellectuele ontwikkeling en het toetsen van overtuigingen. Ook Hannah Arendts analyses van pluraliteit en politieke werkelijkheid onderstrepen het belang van een publieke ruimte waarin uiteenlopende perspectieven kunnen verschijnen.

Ronald Dworkins denken over gelijke zorg en respect biedt daarnaast een normatief aanknopingspunt om te onderzoeken of politieke meerderheden de vrijheid en waardigheid van minderheden voldoende erkennen.

Het institutionele inzicht is dat democratische legitimiteit niet uitsluitend voortvloeit uit verkiezingen, maar ook uit de wijze waarop overheidsmacht wordt begrensd en gecontroleerd.

Een gekozen meerderheid mag regeren. Maar haar democratische legitimiteit geeft haar niet automatisch het recht alle maatschappelijke instituties naar haar eigen wereldbeeld in te richten.

Daarom behoort een democratische rechtsstaat onderscheid te maken tussen legitieme publieke sturing en de politieke onderwerping van instituties die juist zelfstandig moeten kunnen functioneren.

9. Hoe kan de democratische rechtsstaat zich beschermen?

Uit de analyse volgt niet dat de overheid iedere invloed op onderwijs, wetenschap en media moet verliezen.

Integendeel. Ook onafhankelijke instituties hebben behoefte aan wettelijke kaders, transparantie, publieke verantwoording en toezicht.

De kern ligt in de kwaliteit van die institutionele waarborgen.

Bij schoolboeken vraagt dat om duidelijke en voldoende begrensde selectiecriteria, professionele beoordeling van de volledige inhoud en betekenis van boeken, passende leeftijdsdifferentiatie en zorgvuldige procedures voor klachten.

Daarbij moet het mogelijk blijven dat ouders invloed uitoefenen op de toegang van hun eigen kinderen tot bepaald materiaal, zonder dat de overtuigingen van een beperkte groep automatisch voor alle andere kinderen gaan gelden.

Bij openbare bibliotheken verdienen professionele selectie, transparantie en bescherming tegen politiek gemotiveerde verwijdering bijzondere aandacht.

Bij universiteiten moeten de inhoudelijke onafhankelijkheid van onderzoek en onderwijs, de vrijheid van wetenschappelijke discussie en de rechtspositie van academisch personeel worden beschermd. Tegelijk moeten instellingen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor discriminatie, wetenschappelijke integriteit en zorgvuldig gebruik van publieke middelen.

Federale onderzoeksfinanciering behoort daarom te worden toegekend en beëindigd op basis van transparante, wettelijk houdbare en controleerbare criteria.

Bij media moeten vergunningverlening, toezicht en toegang tot overheidsinformatie worden beschermd tegen ongerechtvaardigde discriminatie op grond van redactionele standpunten.

De inzet van kunstmatige intelligentie vraagt bovendien om aanvullende garanties. Geautomatiseerde systemen mogen behulpzaam zijn bij het ordenen van gegevens, maar hun classificaties moeten uitlegbaar, controleerbaar en corrigeerbaar blijven.

Voor ingrijpende beslissingen over toegang tot literatuur, academische programma's of media-instellingen moet de verantwoordelijkheid bij herkenbare menselijke en democratisch controleerbare besluitvormers liggen.

Ten slotte blijft onafhankelijke rechterlijke toetsing onmisbaar.

Het First Amendment biedt belangrijke bescherming, maar de recente Amerikaanse jurisprudentie laat zien dat die bescherming afhankelijk is van interpretatie, feiten en de specifieke bevoegdheden die in het geding zijn.

Een robuuste rechtsstaat vraagt daarom niet alleen om grondrechten op papier, maar ook om toegankelijke rechtsmiddelen, onafhankelijke rechtspraak en instituties die rechterlijke uitspraken daadwerkelijk naleven.

Conclusie – De strijd gaat niet alleen over boeken, maar over de voorwaarden voor vrij denken

De Amerikaanse ontwikkelingen in onderwijs, wetenschap en media vormen geen volledig uniform politiek programma en kunnen juridisch niet over één kam worden geschoren.

De boekenverwijderingen spelen zich vooral af binnen het openbare schoolonderwijs, met een sterke concentratie in Republikeins bestuurde staten als Texas en Florida. De getroffen titels laten een opvallende vertegenwoordiging zien van literatuur over racisme, lhbti-identiteiten, maatschappelijke uitsluiting en andere gevoelige onderwerpen.

Organisaties zoals Moms for Liberty hebben bijgedragen aan de politieke mobilisatie rond ouderrechten en de inhoud van openbaar onderwijs. De regering-Trump heeft daarbij beleidsmatig gekozen voor een grotere nadruk op lokale zeggenschap, het bestrijden van vermeende ideologische indoctrinatie en het beperken van bepaalde diversiteitsprogramma's.

Binnen universiteiten verloopt de ontwikkeling anders. Daar worden met name financiering, bestuurlijke zeggenschap, personeelsbeleid en inhoudelijke onderwijsprogramma's onderwerp van politieke conflicten.

Bij onafhankelijke media ligt de spanning vooral bij bestuurlijke bevoegdheden over toegang, toezicht en vergunningverlening.

In al deze gevallen bestaan legitieme overheidsbelangen. De bescherming van minderjarigen, het tegengaan van discriminatie, het bewaken van onderwijskwaliteit en het verantwoord besteden van publieke middelen behoren tot de normale taken van een democratische overheid.

De constitutionele grens wordt echter bereikt wanneer dergelijke bevoegdheden worden gebruikt om beschermde meningsuiting te bestraffen, legitieme maatschappelijke perspectieven ongerechtvaardigd uit te sluiten of onafhankelijke kennisinstellingen tot politieke conformiteit te dwingen.

De internationale vergelijking laat zien waarom die grens belangrijk is. Hongarije heeft onder verwijzing naar kinderbescherming beperkingen ingevoerd die het Hof van Justitie inmiddels op belangrijke punten in strijd met het Unierecht heeft verklaard. Rusland is aanzienlijk verder gegaan en gebruikt strafrechtelijke repressie tegen bepaalde publicaties en maatschappelijke uitingen.

De Verenigde Staten zijn daarmee niet gelijk te stellen. Het land beschikt nog steeds over krachtige onafhankelijke instituties en effectieve vormen van juridische en maatschappelijke tegenmacht.

Juist het bestaan van die tegenmacht maakt het mogelijk de huidige ontwikkelingen kritisch te onderzoeken en waar nodig te corrigeren.

De grotere rechtsstatelijke les is dat democratische vrijheid niet alleen wordt bedreigd wanneer boeken officieel verboden worden, universiteiten worden gesloten of kranten niet langer mogen verschijnen.

Vrijheid kan ook onder druk komen te staan wanneer de toegang tot kennis steeds afhankelijker wordt van bestuurlijke goedkeuring, wanneer wetenschappers hun onderzoeksvragen aanpassen uit vrees voor sancties en wanneer journalisten hun redactionele keuzes mede moeten afwegen tegen mogelijke gevolgen van overheidsoptreden.

Het gevaar ligt dan niet uitsluitend in wat formeel verboden wordt, maar ook in wat steeds minder onderzocht, onderwezen, gepubliceerd of besproken wordt.

Daarmee raakt deze ontwikkeling aan een fundamenteel inzicht uit het mens- en samenlevingswordingsmodel: menselijke vrijheid ontstaat en bestaat binnen maatschappelijke verhoudingen en instituties. Wie die instituties vormgeeft, beïnvloedt ook de mogelijkheden van mensen om zelfstandig te denken, zich te ontwikkelen en gezamenlijk hun samenleving te veranderen.

Een democratische rechtsstaat behoort daarom niet slechts het recht te beschermen om een mening uit te spreken. Zij moet ook de institutionele voorwaarden beschermen waaronder mensen kennis kunnen verwerven, verschillende ervaringen kunnen ontmoeten en zelfstandig tot een oordeel kunnen komen.

Een democratie die haar kennisinstellingen onvoldoende onafhankelijk laat functioneren, verzwakt uiteindelijk haar eigen vermogen om fouten te ontdekken en zichzelf te corrigeren.

De beslissende vraag is daarom niet uitsluitend hoeveel boeken er verdwijnen, welke onderzoeksprojecten hun financiering verliezen of welke media minder toegang tot de overheid krijgen.

De fundamentele vraag luidt:

Kan een samenleving nog werkelijk vrij en democratisch blijven wanneer de macht om te bepalen welke kennis toegankelijk, onderzoekbaar en bespreekbaar is, steeds sterker samenvalt met de macht die door diezelfde kennis kritisch gecontroleerd moet worden?

Een democratie die zichzelf serieus neemt, moet die vraag niet alleen stellen wanneer haar politieke tegenstanders regeren, maar bij iedere machthebber – ongeacht politieke overtuiging.

Want het wezen van een vrije samenleving is niet dat iedereen dezelfde waarheid moet aanvaarden, maar dat niemand de macht heeft om de maatschappelijke zoektocht naar waarheid uitsluitend aan zijn eigen overtuigingen te onderwerpen.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties