Waarom de Grondwet ook verantwoordelijkheid moet nemen voor wie nog niet kan spreken

Wanneer Elias tien jaar oud is, mag hij nog niet stemmen.

Dat is vanzelfsprekend.

Hij hoeft nog geen oordeel te hebben over begrotingen, pensioenstelsels, energie-infrastructuur of digitale veiligheid.

Maar in hetzelfde jaar worden wel besluiten genomen die zijn leven tientallen jaren kunnen beïnvloeden.

Er wordt besloten hoeveel onderhoud aan bruggen en dijken wordt uitgesteld.

Welke schulden worden aangegaan.

Hoe gegevens van burgers worden opgeslagen.

Welke natuur ruimte maakt voor woningen, wegen of bedrijven.

Welke kennisinstellingen worden versterkt en welke langzaam worden uitgehold.

Welke sociale voorzieningen later nog beschikbaar zijn.

Elias beslist daar niet over mee.

Veel mensen die de gevolgen zullen dragen, zijn zelfs nog niet geboren.

Zij kunnen niet stemmen.

Niet inspreken.

Niet lobbyen.

Niet procederen.

En niet aan huidige bestuurders vragen waarom een last naar hen wordt doorgeschoven.

Dat is de centrale moeilijkheid van verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties.

De besluiten worden vandaag genomen.

De gevolgen kunnen pas veel later volledig zichtbaar worden.

De baten komen soms terecht bij mensen die nu leven.

De kosten bij mensen die nog geen stem hebben.

Onze democratie is goed ingericht om actuele belangen hoorbaar te maken. Kiezers, ondernemingen, werknemers, belangengroepen en maatschappelijke organisaties kunnen zich organiseren. Zij kunnen onderzoek laten doen, Kamerleden benaderen, demonstreren of naar de rechter stappen.

De toekomst heeft die mogelijkheden niet.

Daardoor ontstaat een representatietekort.

Niet omdat toekomstige mensen geen belangen zullen hebben.

Maar omdat zij hun belangen nu niet zelf kunnen formuleren of verdedigen.

Dat tekort wordt versterkt door de manier waarop politiek is georganiseerd.

Verkiezingen vinden om de paar jaar plaats.

Begrotingen worden jaarlijks vastgesteld.

Bestuurders worden afgerekend op resultaten die binnen een kabinetsperiode zichtbaar zijn.

De kosten van onderhoud, preventie en aanpassing zijn onmiddellijk.

Het voordeel bestaat vaak uit schade die later niet optreedt.

Juist daardoor is uitstel verleidelijk.

Een brug die vandaag niet wordt onderhouden, stort morgen meestal niet in.

Een digitaal systeem dat vandaag kwetsbaar wordt ontworpen, faalt misschien pas wanneer de afhankelijkheid groot is geworden.

Een sociale voorziening die langzaam wordt uitgehold, verdwijnt niet met één besluit.

Een democratische institutie die aan gezag, kennis of onafhankelijkheid verliest, blijft op papier vaak nog lang bestaan.

Iedere afzonderlijke keuze kan verdedigbaar lijken.

Maar de optelsom kan de toekomst steeds smaller maken.

Dat geldt vanzelfsprekend voor klimaat, biodiversiteit, bodem en water.

Maar intergenerationele verantwoordelijkheid is breder dan milieubeleid.

Ook schulden, achterstallig onderhoud, woningtekorten, onderwijsachterstanden en uitgeholde zorgcapaciteit worden doorgegeven.

Hetzelfde geldt voor digitale afhankelijkheden, ondoorzichtige algoritmen, verlies van publieke kennis en verzwakte democratische instituties.

Een generatie laat niet alleen geld en gebouwen na.

Zij laat ook mogelijkheden na.

Mogelijkheden om gezond te leven.

Om een woning te vinden.

Om onderwijs te volgen.

Om nieuwe technologie te begrijpen en te corrigeren.

Om politieke keuzes te maken zonder volledig gebonden te zijn aan oude contracten, onherstelbare schade of systemen die niemand meer beheerst.

Daarom gaat verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties uiteindelijk over vrijheid.

Niet alleen onze vrijheid om vandaag te kiezen.

Ook hun vrijheid om later andere keuzes te kunnen maken.

Dat betekent niet dat wij precies kunnen weten wat toekomstige mensen zullen willen.

Misschien leven zij anders.

Gebruiken zij technologie die wij ons nog niet kunnen voorstellen.

Maken zij andere politieke afwegingen.

En vinden zij sommige van onze zorgen achterhaald.

Wie namens de toekomst spreekt, loopt daarom een risico.

Hij kan zijn eigen voorkeuren presenteren alsof toekomstige generaties er al mee hebben ingestemd.

Vrijwel ieder voorstel kan worden verkocht als noodzakelijk voor onze kinderen en kleinkinderen.

Meer uitgeven kan worden verdedigd als investering in de toekomst.

Minder uitgeven als bescherming tegen toekomstige schulden.

Strengere regels als voorzorg.

Minder regels als ruimte voor innovatie.

Het beroep op de toekomst beslist dus niet vanzelf wat juist is.

Daarom is het juridisch onzuiver om toekomstige personen eenvoudig te behandelen alsof zij nu al bepaalbare individuele rechthebbenden zijn.

Wie zijn zij precies?

Welke belangen hebben zij?

Wie mag namens hen procederen?

En welk rechtsherstel past bij mensen die nog niet bestaan en wier omstandigheden onbekend zijn?

Een beter uitgangspunt is een constitutionele verantwoordelijkheid van de overheid die vandaag beslist.

Niet de toekomst krijgt een vastgelegde stem.

De macht van het heden krijgt een grens.

Een nieuw artikel 21a zou daarom moeten bepalen dat de overheid zorg draagt voor de bescherming van de levens- en handelingsmogelijkheden van huidige en toekomstige generaties.

Die formulering kiest bewust niet voor één toekomstbeeld.

Zij beschermt de voorwaarden waaronder toekomstige mensen zelf een leven kunnen opbouwen en gezamenlijk richting kunnen geven aan hun samenleving.

Het gaat om een voldoende leefbare omgeving.

Toegankelijke publieke voorzieningen.

Kennis en onderwijs.

Betrouwbare infrastructuur.

Digitale systemen die kunnen worden begrepen en aangepast.

En instituties die macht begrenzen, rechten beschermen en fouten kunnen herstellen.

Artikel 21a zou daarnaast moeten voorkomen dat ernstige ecologische, sociale, financiële, digitale of institutionele lasten zonder zwaarwegende rechtvaardiging naar de toekomst worden verschoven.

Dat is geen absoluut verbod op lasten.

Iedere generatie ontvangt verplichtingen van eerdere generaties en draagt nieuwe verplichtingen over.

Een spoorlijn kost geld en vraagt jarenlang onderhoud.

Een schoolgebouw wordt misschien met geleend geld betaald.

Een pensioenstelsel verbindt generaties met elkaar.

Klimaatadaptatie, woningbouw en digitale veiligheid vragen grote investeringen waarvan ook toekomstige mensen profiteren.

Schuld kan een last zijn.

Maar een lage schuld naast versleten infrastructuur, slecht onderwijs en uitgeputte natuur is niet vanzelf een goede erfenis.

Omgekeerd is niet iedere uitgave een investering alleen omdat zij zo wordt genoemd.

Een project kan toekomstige groei beloven en tegelijk langdurige onderhoudskosten, ecologische schade of technologische afhankelijkheid veroorzaken.

De juiste vraag is daarom niet of een besluit gevolgen voor de toekomst heeft.

Bijna ieder belangrijk besluit heeft die.

De vraag is of de verdeling van lasten en baten kan worden gerechtvaardigd.

Dient de afwenteling een zwaarwegend publiek belang?

Is zij noodzakelijk?

Is zij evenredig?

Zijn minder bezwarende alternatieven onderzocht?

En laat het besluit naast verplichtingen ook waardevolle publieke voorzieningen, kennis, natuur of handelingsruimte na?

Om die vragen serieus te beantwoorden is een openbare langetermijneffectbeoordeling nodig voor voorstellen en besluiten met aanmerkelijke gevolgen.

Niet voor iedere kleine vergunning.

Niet als een standaardformulier dat automatisch aan ieder dossier wordt toegevoegd.

Wel wanneer gevolgen langdurig, omvangrijk, cumulatief of moeilijk omkeerbaar kunnen zijn.

Zo’n beoordeling moet verder kijken dan één voorspelling.

De toekomst laat zich niet in één exact cijfer vangen.

Daarom zijn scenario’s nodig.

Bandbreedtes.

Openheid over aannames.

Een beoordeling van wat gebeurt wanneer beleid slaagt, maar ook wanneer het tegenvalt.

En aandacht voor de gevolgen van nietsdoen.

Want ook uitstel is een keuze.

Geen onderhoud plegen kan toekomstige kosten vergroten.

Geen regels stellen kan afhankelijkheid laten ontstaan.

Geen investering doen kan kennis of uitvoeringsvermogen laten verdwijnen.

Langetermijnverantwoordelijkheid vraagt bovendien om corrigeerbaarheid.

Een besluit dat vandaag redelijk is, kan door nieuwe kennis of veranderde omstandigheden ongeschikt worden.

Daarom moeten gevolgen worden gevolgd.

Aannames opnieuw worden onderzocht.

En beleid kunnen worden aangepast voordat schade onomkeerbaar wordt.

Onafhankelijke advisering kan daarbij helpen.

Een toekomstinstituut of een bestaand onafhankelijk orgaan kan risico’s onderzoeken, scenario’s vergelijken en waarschuwen wanneer de korte termijn te dominant wordt.

Maar zo’n instelling mag niet bepalen welke toekomst politiek juist is.

Deskundigen kunnen laten zien wat waarschijnlijk, onzeker of gevaarlijk is.

Zij kunnen niet zelfstandig beslissen welke offers rechtvaardig zijn.

Dat blijft een democratische afweging.

Regering en parlement moeten daarom kunnen afwijken van een advies.

Maar niet stilzwijgend.

Zij moeten uitleggen waarom.

Ook participatie blijft nodig.

Jongeren, wetenschappers, maatschappelijke organisaties, decentrale overheden en getroffen gemeenschappen spreken niet definitief namens toekomstige generaties.

Zij kunnen wel risico’s en alternatieven zichtbaar maken die binnen een departement, begrotingscyclus of economisch model buiten beeld blijven.

Hun inbreng moet plaatsvinden voordat de voornaamste keuzes onomkeerbaar zijn geworden.

Anders wordt participatie een gesprek over een toekomst die al is vastgelegd.

Een constitutionele verantwoordelijkheid zonder rechtsbescherming kan echter vrijblijvend blijven.

Daarom moet toetsing mogelijk zijn.

Dat roept dezelfde zorg op die bij veel sociale en ecologische grondrechten ontstaat.

Gaat de rechter dan de begroting bepalen?

Beslissen hoeveel geld naar klimaat, onderwijs of infrastructuur gaat?

Of voorschrijven welke technologie de overheid moet kiezen?

Dat hoeft niet.

De rechterlijke rol kan worden afgestemd op de aard van het probleem.

Wanneer een besluit elementaire levensvoorwaarden ernstig en onomkeerbaar aantast, is indringende toetsing gerechtvaardigd.

Wanneer een verplichte effectbeoordeling ontbreekt, relevante alternatieven niet zijn onderzocht of ernstige afwenteling helemaal niet is gemotiveerd, kan de rechter concreet ingrijpen.

Bij algemene begrotings-, investerings- en stelselkeuzes behouden wetgever en bestuur een ruime beoordelingsmarge.

De rechter stelt dan geen begroting of toekomstplan vast.

Hij bewaakt dat de toekomst niet uit de afweging verdwijnt.

Dat onderscheid voorkomt twee uitersten.

Een artikel dat zo vrijblijvend is dat het niets verandert.

En een artikel waarmee iedere politieke keuze naar de rechtszaal wordt verplaatst.

Intergenerationele rechtvaardigheid mag bovendien niet worden gebruikt om mensen die vandaag kwetsbaar zijn de rekening te laten betalen.

Een klimaatmaatregel kan noodzakelijk zijn en toch onrechtvaardig worden uitgevoerd.

Een schuldreductie kan toekomstige ruimte vergroten en tegelijk actuele bestaanszekerheid ondermijnen.

Een digitale vernieuwing kan efficiëntie beloven, maar burgers afhankelijk maken van systemen die zij niet kunnen begrijpen of aanvechten.

Toekomstige en huidige rechtvaardigheid horen daarom bij elkaar.

Wie de toekomst wil beschermen door armoede, uitsluiting of ongelijke toegang in het heden te vergroten, verschuift het probleem slechts.

De mensen die vandaag weinig kansen hebben, zijn vaak ook de ouders van kinderen die morgen met die achterstand verder moeten.

Artikel 21a geeft toekomstige belangen dus geen automatische voorrang.

Het verlangt een zichtbare en eerlijke afweging tussen urgente noden en langetermijnverantwoordelijkheid.

Voor Elias betekent dat niet dat de samenleving waarin hij volwassen wordt vandaag al volledig wordt ontworpen.

Dat zou zijn vrijheid juist beperken.

Hij moet later andere politieke keuzes kunnen maken dan wij nu verstandig vinden.

Nieuwe technieken kunnen gebruiken.

Andere vormen van samenleven ontwikkelen.

En onze instituties hervormen wanneer zij niet meer voldoen.

Maar daarvoor moet er nog iets te kiezen zijn.

Geen natuur die onherstelbaar is uitgeput.

Geen infrastructuur die alleen nog tegen onbetaalbare kosten kan worden hersteld.

Geen digitaal systeem waarvan niemand meer weet hoe het kan worden gewijzigd.

Geen democratische rechtsstaat die alleen nog uit formele structuren bestaat.

Geen opeenstapeling van verplichtingen die iedere nieuwe politieke keuze vooraf onmogelijk maakt.

Dat is de kern van een toekomst die openblijft.

Niet alle mogelijkheden hoeven te worden bewaard.

Iedere keuze sluit iets af.

Maar de wezenlijke mogelijkheid om zelf te kiezen mag niet zonder zwaarwegende rechtvaardiging worden verbruikt.

Een democratie hoeft de toekomst niet te voorspellen.

Zij moet haar wel serieus nemen.

Niet door namens toekomstige mensen te bepalen wat zij moeten willen.

Wel door zichtbaar te maken welke lasten wij nalaten, welke baten daartegenover staan en welke alternatieven wij ongebruikt laten.

Niet door iedere schuld, techniek of langlopende afspraak te verbieden.

Wel door te voorkomen dat tijdelijke voordelen worden betaald met blijvend verlies aan ecologische, sociale en democratische handelingsruimte.

Niet door de rechter of een toekomstinstituut tot bestuurder te maken.

Wel door instituties te creëren die verder kijken dan de volgende verkiezing en correctie mogelijk maken voordat herstel onmogelijk wordt.

Misschien is dat wat artikel 21a uiteindelijk moet uitdrukken.

De toekomst behoort niet aan ons.

Maar de voorwaarden waaronder zij kan worden geleefd, worden mede door ons gevormd.

Wij hoeven niet voor toekomstige generaties te kiezen.

Wij moeten ervoor zorgen dat zij nog kunnen kiezen.

 

Lees nu het volledige voorstel:

https://www.researchgate.net/publication/415181245_Verantwoordelijkheid_voor_toekomstige_generaties



Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties