Macht die zich laat corrigeren — onafhankelijke tegenmacht als fundament van de rechtsstaat
1 Tegenmacht buiten parlement en rechter
De groei en toenemende
complexiteit van de uitvoerende macht hebben het klassieke stelsel van
parlementaire controle en rechterlijke rechtsbescherming onder druk gezet.
Publieke bevoegdheden worden niet alleen door ministers en departementen
uitgeoefend, maar ook door uitvoeringsorganisaties, zelfstandige
bestuursorganen, inspecties, toezichthouders, politiediensten,
veiligheidsdiensten, decentrale overheden en private organisaties met publieke
taken. Besluitvorming wordt bovendien steeds vaker ondersteund door
gegevenskoppelingen, risicomodellen, algoritmen en technisch-specialistische
beoordelingen. Daardoor is het voor parlement, burgers en rechter moeilijker
geworden om te reconstrueren waar een beslissing tot stand kwam, wie daarvoor
verantwoordelijk is en op welk niveau correctie moet plaatsvinden.
De informatiepositie van
het parlement is bij deze verspreide machtsuitoefening structureel beperkt.
Ministers beschikken zelf niet altijd onmiddellijk over volledige informatie
uit uitvoeringsketens. Parlementaire controle is bovendien sterk afhankelijk
van informatie die door of via de verantwoordelijke minister wordt verstrekt.
Technische details, interne signalen en cumulatieve effecten van verschillende
regelingen blijven gemakkelijk buiten beeld. Tijdelijke onderzoekscommissies en
parlementaire enquêtes kunnen diepgaand onderzoek doen, maar worden meestal pas
ingesteld nadat problemen omvangrijk en politiek zichtbaar zijn geworden.
Rechterlijke controle
vervult een andere en onmisbare functie, maar komt doorgaans achteraf tot
stand. Zij veronderstelt veelal een concreet besluit, een belanghebbende, een
ontvankelijke procedure en een rechtzoekende die over voldoende tijd,
informatie en middelen beschikt. Hoge proceskosten, lange doorlooptijden,
bewijsproblemen en afhankelijkheid van dezelfde overheid waartegen wordt
geprocedeerd kunnen effectieve toegang beperken. Bovendien zijn structurele
tekortkomingen niet altijd aan één besluit of één bestuursorgaan toe te
rekenen. Een rechter kan een individueel besluit corrigeren zonder daarmee de
achterliggende systeemfout te beëindigen.
Daarom bestaat behoefte
aan instituties die publieke macht permanent, zelfstandig en vanuit een eigen
informatiepositie onderzoeken. Zij kunnen klachten en gegevens samenbrengen,
terugkerende patronen herkennen, onderzoek uit eigen beweging verrichten en
problemen signaleren voordat zij tot grootschalige schade leiden. Vooral bij
gegevensverwerking, algoritmische selectie en uitbesteding aan private
organisaties is dergelijke controle noodzakelijk. Individuele burgers kunnen de
werking van complexe systemen meestal niet zelfstandig reconstrueren en
beschikken niet over toegang tot brongegevens, modellen, contracten en interne
besluitvormingsdocumenten.
Onafhankelijke controle
vormt daarmee een onderdeel van preventieve rechtsbescherming. Zij vervangt
politieke controle en rechterlijke toetsing niet, maar vult deze aan. Politieke
controle beoordeelt beleidsdoelen, prioriteiten en bestuurlijke verantwoordelijkheid.
Juridische toetsing beoordeelt in een concrete rechtsverhouding of bevoegdheden
rechtmatig zijn uitgeoefend en welk rechtsherstel nodig is. Institutioneel
toezicht onderzoekt doorlopend de kwaliteit, integriteit, rechtmatigheid en
maatschappelijke gevolgen van stelsels en organisaties. Een robuuste
rechtsstaat heeft alle drie de vormen nodig en moet ervoor zorgen dat hun
bevindingen elkaar kunnen bereiken.
2 Institutioneel onrecht en systeemfouten
De toeslagenaffaire heeft
zichtbaar gemaakt hoe institutioneel onrecht kan ontstaan en voortduren ondanks
de aanwezigheid van wetgeving, parlementaire controle, bezwaar en beroep,
interne kwaliteitsbewaking en extern toezicht. De Parlementaire ondervragingscommissie
Kinderopvangtoeslag concludeerde dat grondbeginselen van de rechtsstaat waren
geschonden. Ouders werden door harde regelgeving, institutioneel vooringenomen
uitvoering en ontoereikende rechtsbescherming langdurig in ernstige onzekerheid
en financiële problemen gebracht. Ook bleek dat eerdere signalen en rapporten
niet tijdig tot fundamentele correctie hadden geleid[1].
Discriminatoire
risicoselectie versterkt zulke systeemrisico’s. Wanneer nationaliteit,
woonplaats, huishoudenssamenstelling, sociale relaties of andere kenmerken
direct of als vervangend criterium worden gebruikt, kunnen bepaalde groepen
structureel vaker worden gecontroleerd. De uitkomsten van eerdere controles
worden vervolgens als nieuwe trainings- of risicogegevens gebruikt, waardoor
zichzelf versterkende selectielussen ontstaan. De verantwoordelijkheid raakt
verspreid over beleidsmakers, gegevensbeheerders, softwareleveranciers,
uitvoeringsorganisaties en individuele medewerkers. Daardoor wordt moeilijk
vast te stellen waar het onderscheid is ontstaan en wie het moet corrigeren.
Vergelijkbare mechanismen
kunnen optreden in de zorg, detentie, migratieketen, sociale zekerheid,
jeugdbescherming en andere domeinen waarin mensen afhankelijk zijn van
samenwerkende publieke en private organisaties. Een persoon kan
achtereenvolgens worden geconfronteerd met vertraagde besluitvorming, onjuiste
gegevens, onvoldoende dienstverlening, verwijzing naar een andere instantie en
ontbrekende financiering. Iedere organisatie kan haar eigen handelen
afzonderlijk verklaarbaar achten, terwijl het gecombineerde effect leidt tot
verlies van inkomen, zorg, vrijheid, huisvesting of rechtsbescherming.
Systeemfouten worden
onvoldoende zichtbaar wanneer iedere instelling uitsluitend haar eigen besluit,
registratie of wettelijke taak onderzoekt. Een toezichthouder op
gegevensbescherming ziet andere aspecten dan een financiële toezichthouder,
zorginspectie, ombudsman of rechter. Zonder samenwerkings- en
escalatiemechanismen kan een probleem tussen toezichtsdomeinen verdwijnen. De
betrokken burger wordt dan de drager van de institutionele fragmentatie.
Daarbij komt dat signalen
van medewerkers, burgers, advocaten, maatschappelijke organisaties en
klokkenluiders niet altijd veilig en effectief kunnen worden gemeld.
Medewerkers kunnen afhankelijk zijn van dezelfde leiding die onderwerp van de
melding is. Formele meldprocedures bieden weinig bescherming wanneer melders
reputatieschade, loopbaangevolgen of sociale uitsluiting vrezen. Onafhankelijke
meldmogelijkheden, bescherming tegen benadeling en een verplichte opvolging van
ernstige signalen zijn daarom onderdeel van institutionele controle.
Organisaties die
hoofdzakelijk zichzelf beoordelen, lopen het risico bestaande aannames,
routines en belangen te reproduceren. Interne audits en kwaliteitscontroles
blijven belangrijk, maar kunnen externe controle niet vervangen. Onafhankelijke
instituties moeten niet alleen afzonderlijke incidenten onderzoeken, maar ook
de cumulatieve gevolgen van wetgeving, uitvoering, gegevensgebruik, toezicht en
rechtsbescherming in samenhang kunnen beoordelen.
3 Toename van gespecialiseerde toezichthouders
De uitbreiding van
publieke en private machtsuitoefening heeft geleid tot een groeiend aantal
gespecialiseerde toezichthouders en controle-instituties. Zij houden toezicht
op onder meer gegevensbescherming, mensenrechten, financiële markten,
mededinging, verkiezingen, integriteit, publieke dienstverlening, veiligheid,
arbeidsomstandigheden, zorg, onderwijs en leefomgeving. Digitalisering en
artificiële intelligentie voegen daar taken op het gebied van algoritmische
controle, cybersecurity, platformmacht en geautomatiseerde besluitvorming aan
toe.
Deze instituties
verschillen wezenlijk in juridische positie. De Algemene Rekenkamer en de
Nationale ombudsman zijn uitdrukkelijk in de Grondwet verankerd. De huidige
Grondwet regelt onder meer hun kerntaken, benoeming en rechtspositie. Andere
instellingen, zoals de Autoriteit Persoonsgegevens, het College voor de Rechten
van de Mens, markttoezichthouders, inspecties en de Kiesraad, ontlenen hun
positie voornamelijk aan gewone of Europese wetgeving.
Ook de inhoud van
onafhankelijkheid loopt uiteen. Sommige instellingen zijn zelfstandige
bestuursorganen, andere maken organisatorisch deel uit van een ministerie.
Sommige beschikken over sanctiebevoegdheden, andere uitsluitend over
onderzoeks-, advies- of rapportagemogelijkheden. Benoemingsprocedures,
ambtstermijnen, ontslaggronden, informatiebevoegdheden, begrotingsposities en
verantwoordingsrelaties verschillen eveneens.
Die differentiatie is op
zichzelf niet problematisch. Financieel markttoezicht, ombudsonderzoek,
inspectietoezicht en controle op grondrechten vereisen niet noodzakelijk
dezelfde institutionele vorm. Problematisch is wel dat geen algemene
constitutionele maatstaf bestaat om te bepalen welke
onafhankelijkheidswaarborgen minimaal nodig zijn wanneer een instelling een
essentiële rechtsstatelijke controlefunctie vervult. Daardoor kan de juridische
sterkte van het toezicht meer afhangen van historische ontwikkeling en
sectorale regelgeving dan van de aard van de gecontroleerde macht.
Een algemene
constitutionele categorie moet daarom niet alle toezichthouders uniformeren.
Zij moet minimumwaarborgen bieden voor bij wet aangewezen rechtsstatelijke
controleorganen waarvan de taak bijzondere onafhankelijkheid vereist. De
wetgever blijft bevoegd om per instelling de noodzakelijke bevoegdheden en
organisatievorm te bepalen, maar kan de kern van de onafhankelijkheid niet
zonder verzwaarde rechtvaardiging uithollen.
4 Afhankelijkheid van ministeries
Veel inspecties zijn
organisatorisch ondergebracht bij het ministerie dat tevens verantwoordelijk is
voor het beleid en het functioneren van het stelsel waarop zij toezicht houden.
Deze positionering kan samenwerking, toegang tot deskundigheid en ministeriële
verantwoordelijkheid ondersteunen. Zij brengt echter ook spanning mee wanneer
de inspectie ernstige tekortkomingen van het departement, de minister of
onderliggende uitvoeringsorganisaties moet onderzoeken.
Afhankelijkheid kan
verschillende vormen aannemen. Een bewindspersoon of departement kan invloed
hebben op benoeming en ontslag, begroting, personeelsformatie, huisvesting,
ICT, juridische ondersteuning en toegang tot gegevens. Ook kan indirect invloed
worden uitgeoefend door de onderzoeksagenda te prioriteren, publicatie uit te
stellen, de reikwijdte van een onderzoek te beperken of capaciteit voor
gevoelig onderzoek niet beschikbaar te stellen. Zelfs wanneer dergelijke
bevoegdheden zelden expliciet worden gebruikt, kan hun bestaan tot
terughoudendheid of zelfcensuur leiden.
Informele politieke druk
is moeilijker zichtbaar dan een formele instructie. Zij kan bestaan uit
bestuurlijke gesprekken, verwachtingen over formuleringen, waarschuwingen voor
maatschappelijke gevolgen of druk om publicatie uit te stellen. De mogelijkheid
daarvan kan voldoende zijn om onderzoekskeuzes en conclusies te beïnvloeden.
Onafhankelijkheid vereist daarom niet alleen een verbod op inhoudelijke
aanwijzingen, maar ook organisatorische voorwaarden waardoor een instelling
zonder vrees voor financiële of rechtspositionele gevolgen kan handelen.
Ook regulatory capture
vormt een risico. Een toezichthouder kan geleidelijk het perspectief overnemen
van het ministerie, de sector of de ondernemingen waarop hij toezicht houdt.
Dit kan worden bevorderd door personele uitwisseling, afhankelijkheid van sectorspecifieke
gegevens, langdurige overlegrelaties en een beperkte kring van deskundigen.
Onafhankelijkheid tegenover de politiek is daarom niet voldoende; ook
professionele distantie tegenover de gecontroleerde sector is nodig.
Niet iedere inspectie
behoeft volledige organisatorische zelfstandigheid. De vereiste mate van
onafhankelijkheid hangt af van de aard van de taak, de ingrijpendheid van de
gecontroleerde macht, de kwetsbaarheid van betrokken personen en de behoefte
aan openbaar onderzoek. Naarmate een toezichthouder grondrechten, verkiezingen,
informatievoorziening of stelselmatig overheidshandelen controleert, moeten de
waarborgen sterker zijn.
5 Gebrekkige opvolging van rapporten
Onafhankelijk onderzoek
heeft weinig betekenis wanneer bevindingen niet tot debat, besluitvorming of
herstel leiden. Veel rapporten worden openbaar gemaakt zonder dat een
wettelijke termijn geldt voor een inhoudelijke reactie. Kabinetsreacties kunnen
worden vertraagd, aanbevelingen selectief behandelen of volstaan met verwijzing
naar reeds lopende verbeterprogramma’s. Daardoor blijft onduidelijk welke
aanbevelingen worden overgenomen, welke worden afgewezen en wie
verantwoordelijk is voor uitvoering.
Ook parlementaire
behandeling is niet verzekerd. Rapporten kunnen tussen commissies terechtkomen,
worden samengevoegd met bredere beleidsdebatten of door politieke actualiteit
uit beeld verdwijnen. Het ontbreken van een herstelplan met verantwoordelijke organisaties,
middelen, termijnen en meetbare resultaten maakt het bovendien moeilijk te
controleren of daadwerkelijk verandering plaatsvindt.
Zonder systematische
monitoring kunnen eerder vastgestelde problemen terugkeren. Organisaties
formuleren nieuwe protocollen of opleidingen, maar onderliggende wetgeving,
financiering, gegevenssystemen en prestatieprikkels blijven ongewijzigd.
Formele opvolging is dan aanwezig, terwijl de materiële oorzaak voortbestaat.
Openbaarmaking alleen is daarom geen voldoende rechtsstatelijke correctie.
Een constitutionele
reactie- en verantwoordingsplicht zou niet betekenen dat regering of parlement
iedere aanbeveling moet overnemen. Onafhankelijke controleorganen beschikken
niet over een algemeen politiek beslissingsrecht. Wel moeten regering en parlement
binnen een redelijke termijn inhoudelijk reageren, gemotiveerd aangeven welke
maatregelen worden getroffen en later verantwoorden welk resultaat is bereikt.
Waar ernstige of
herhaalde tekortkomingen worden vastgesteld, moet de wet kunnen voorzien in
versterkte opvolgingsmechanismen. Gedacht kan worden aan verplichte
herstelplannen, voortgangsrapportages, heronderzoek, een parlementaire
behandelplicht of de mogelijkheid een bevoegde rechter of handhavende
toezichthouder in te schakelen. Zonder dergelijke mechanismen dreigt
institutionele symboolcontrole: de aanwezigheid van toezicht wekt vertrouwen,
terwijl de gecontroleerde macht de bevindingen zonder gevolgen naast zich neer
kan leggen.
6. Nieuwe private en digitale machtsconcentraties
De noodzaak van
onafhankelijke controle beperkt zich niet tot klassieke overheidshandeling.
Platforms, banken, verzekeraars, zorgorganisaties, onderwijsinstellingen,
woningaanbieders en technologiebedrijven kunnen feitelijk beslissen over
toegang tot communicatie, krediet, verzekering, arbeid, zorg, onderwijs en
huisvesting. Wanneer zulke organisaties essentiële diensten aanbieden of
publieke taken uitvoeren, heeft hun besluitvorming directe gevolgen voor de
uitoefening van grondrechten en maatschappelijke participatie.
Digitale systemen
versterken deze private macht. Algoritmen kunnen mensen rangschikken,
profileren, selecteren en uitsluiten op een schaal die individuele controle
vrijwel onmogelijk maakt. De betrokken burger beschikt meestal niet over
inzicht in gebruikte gegevens, beslisregels, foutmarges of commerciële
modellen. Ook overheden kunnen afhankelijk worden van private
softwareleveranciers, cloudinfrastructuur en deskundigheid, waardoor zelfs
publieke toezichthouders moeite hebben om de werking van systemen zelfstandig
te onderzoeken.
Grensoverschrijdende
ondernemingen vergroten deze problemen. Hun gegevensverwerking, technische
infrastructuur en juridische vestigingsplaatsen kunnen over verschillende
staten zijn verspreid. Nationale toezichthouders beschikken dan slechts over
een deel van de relevante informatie en bevoegdheden. Effectieve controle
vereist Europese en internationale samenwerking, gezamenlijke onderzoeken en
duidelijke afspraken over verantwoordelijkheid.
Toezicht op private
digitale macht is bovendien verdeeld over gegevensbeschermingsrecht,
consumentenrecht, mededingingsrecht, arbeidsrecht, financieel toezicht,
sectorale regulering en grondrechten. Een systeem kan vanuit ieder afzonderlijk
rechtsgebied toelaatbaar lijken, terwijl de gecombineerde werking leidt tot
afhankelijkheid, discriminatie of uitsluiting. Constitutionele waarborgen
moeten daarom samenwerking, informatie-uitwisseling en gezamenlijk optreden
tussen toezichthouders mogelijk maken, met behoud van hun verschillende
wettelijke taken en geheimhoudingsregimes.
7 De bijzondere positie van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie
neemt een bijzondere plaats in binnen de rechtsstaat. Het heeft een centrale
positie bij de strafvervolging, geeft leiding aan strafrechtelijke
opsporingsonderzoeken en beslist op grond van het opportuniteitsbeginsel of
vervolging in het algemeen belang aangewezen is. Deze beoordelingsruimte is
noodzakelijk omdat niet ieder strafbaar feit kan of moet leiden tot vervolging
en omdat capaciteit, bewijs, ernst, slachtofferbelangen en maatschappelijke
gevolgen moeten worden afgewogen.
De positie van het OM is
verder versterkt door mogelijkheden van buitengerechtelijke afdoening. Met een
strafbeschikking kan het OM zelf een strafrechtelijke sanctie opleggen, waarna
de betrokkene door verzet de zaak aan de rechter kan voorleggen. Daarmee oefent
het OM niet alleen een selecterende en vervolgende, maar in bepaalde gevallen
ook een sanctionerende bevoegdheid uit. Dat vergroot het belang van
onpartijdigheid, zorgvuldigheid, transparantie en effectieve toegang tot de
rechter.
Capaciteitstekorten maken
prioritering onvermijdelijk. Keuzes over georganiseerde criminaliteit,
cybercriminaliteit, discriminatie, financieel-economische delicten,
milieucriminaliteit, geweld, zedenfeiten en veelvoorkomende criminaliteit
hebben grote maatschappelijke en politieke betekenis. Deze algemene
prioriteiten mogen democratisch worden besproken en in algemene beleidskaders
worden neergelegd. Dat verschilt echter van politieke beïnvloeding van de
beslissing om een concrete persoon wel of niet te vervolgen.
Die afbakening wordt
bijzonder gevoelig bij vervolging van ministers, Kamerleden, lokale
bestuurders, politieke partijen, journalisten, activisten of grote
ondernemingen. Zowel een aanwijzing tot vervolging als een aanwijzing om niet
te vervolgen kan de verdenking wekken dat het strafrecht voor politieke
doeleinden wordt gebruikt. Niet alleen daadwerkelijke beïnvloeding, maar ook de
redelijke schijn daarvan kan het vertrouwen in de onpartijdigheid van de
strafrechtspleging aantasten.
Onder de huidige Wet op
de rechterlijke organisatie kan de minister op grond van artikel 127 algemene
en bijzondere aanwijzingen geven over de uitoefening van de taken en
bevoegdheden van het Openbaar Ministerie. Voor bijzondere aanwijzingen geldt
een afzonderlijke procedure. De regering heeft deze aanwijzingsbevoegdheid mede
verbonden met de ministeriële verantwoordelijkheid, terwijl in beleid en
praktijk terughoudendheid bij individuele zaken wordt benadrukt[2].
Het volledig losmaken van
het OM van iedere democratische verantwoordelijkheid biedt echter evenmin een
bevredigende oplossing. Een vervolgingsapparaat dat zelfstandig prioriteiten
vaststelt, omvangrijke publieke middelen besteedt en ingrijpende bevoegdheden
inzet zonder politieke verantwoording, kan zelf een moeilijk corrigeerbare
machtsconcentratie worden. De minister moet daarom verantwoordelijk blijven
voor wetgeving, begroting, organisatie, capaciteit, algemene prioriteiten en
het functioneren van de strafrechtsketen.
De constitutionele opgave
bestaat in een scherpere scheiding tussen algemeen beleid en individuele zaken.
Algemene, openbare aanwijzingen en beleidskaders kunnen verenigbaar zijn met
ministeriële verantwoordelijkheid, mits zij grondrechten, gelijkheid en
rechterlijke onafhankelijkheid eerbiedigen. Individuele vervolgingsbeslissingen
moeten daarentegen worden beschermd tegen politieke instructie. Daarbij zijn
ook de verhoudingen tot politie, Koninklijke Marechaussee, bijzondere
opsporingsdiensten en rechter van belang. Opsporingsdiensten staan in
verschillende organisatorische relaties tot ministers, maar moeten bij
strafrechtelijke opsporing onder herkenbaar en rechtsstatelijk verantwoord
gezag opereren. De rechter blijft uiteindelijk verantwoordelijk voor berechting
en controle op de rechtmatigheid van strafvorderlijk optreden.
8 Constitutionele probleemanalyse
De huidige Grondwet bevat
slechts een beperkte en historisch gegroeide selectie van controle-instituties.
De Raad van State, Algemene Rekenkamer en Nationale ombudsman zijn
constitutioneel zichtbaar, maar voor andere instellingen ontbreekt een algemene
categorie van onafhankelijke rechtsstatelijke controleorganen. Daardoor bestaat
geen samenhangend constitutioneel antwoord op de groei van gespecialiseerde
toezichthouders en de verspreiding van publieke en private macht.
De Grondwet stelt geen
algemene eisen aan functionele onafhankelijkheid, benoeming, ambtsduur,
schorsing en ontslag van zulke instellingen. Evenmin beschermt zij hun
organisatorische en financiële autonomie, toegang tot informatie en bevoegdheid
om zelfstandig onderzoek te beginnen. De wetgever kan deze waarborgen per
instelling regelen, maar er bestaat geen constitutionele ondergrens die
afschaffing, samenvoeging of verzwakking aan een bijzondere rechtvaardiging
onderwerpt.
Ook ontbreekt een
algemene reactie- en verantwoordingsplicht. Regering en parlement zijn niet op
grondwettelijk niveau verplicht binnen een bepaalde termijn inhoudelijk op
rapporten te reageren of de uitvoering van aanbevelingen te volgen. Daardoor
waarborgt de Grondwet wel de aanwezigheid van enkele controleorganen, maar niet
systematisch de verbinding tussen onderzoek, politieke behandeling en
institutioneel herstel.
De lacune betreft
eveneens de private dimensie. De huidige constitutionele regeling biedt weinig
houvast voor onafhankelijke controle op private organisaties die publieke taken
uitvoeren, essentiële voorzieningen beheersen of door gegevens en algoritmen grote
maatschappelijke macht uitoefenen. Toezicht blijft daardoor afhankelijk van
verspreide sectorale en Europese regelingen, zonder algemene constitutionele
waarborg voor samenwerking en effectieve correctie.
Het Openbaar Ministerie
wordt in de Grondwet niet als zelfstandige constitutionele institutie geregeld.
Zijn taken, organisatie en verhouding tot de minister berusten hoofdzakelijk op
gewone wetgeving. De Grondwet maakt daardoor geen expliciet onderscheid tussen
democratische verantwoordelijkheid voor het algemene strafrechtelijke en
vervolgingsbeleid en onafhankelijkheid bij de behandeling van individuele
strafzaken. Evenmin bevat zij een duidelijke bescherming tegen politieke
aanwijzingen tot vervolging of niet-vervolging.
De constitutionele
probleemanalyse luidt daarom dat de bestaande regeling onvoldoende is aangepast
aan een rechtsstaat waarin macht verspreid, technisch, digitaal en deels
privaat wordt uitgeoefend. Zij waarborgt niet systematisch dat onafhankelijke
instituties over voldoende mandaat, middelen, informatie en bescherming
beschikken om die macht te onderzoeken en te corrigeren. Tegelijkertijd
beschermt zij het Openbaar Ministerie onvoldoende tegen politieke beïnvloeding
in concrete strafzaken, zonder een alternatief kader te bieden voor
democratische verantwoording over algemeen beleid.
Een herziening moet
daarom twee sporen volgen. In hoofdstuk 4 kan een algemene bepaling worden
opgenomen voor bij wet aangewezen onafhankelijke rechtsstatelijke
controleorganen, met minimumwaarborgen voor onafhankelijkheid, informatie,
onderzoek, financiering, rapportage en opvolging. In hoofdstuk 6 kan het
Openbaar Ministerie afzonderlijk worden geregeld, met bescherming van
onafhankelijke en onpartijdige besluitvorming in individuele zaken en behoud
van ministeriële en parlementaire verantwoordelijkheid voor wetgeving,
begroting, algemene beleidskaders en het functioneren van het strafrechtelijke
stelsel. Zo worden onafhankelijke controle en democratische
verantwoordelijkheid niet als tegengestelden behandeld, maar als onderling
noodzakelijke voorwaarden voor een polycentrisch corrigeerbare democratie.
Lees nu het volledige voorstel:
[1] Eindverslag Ongekend
onrecht: https://www.tweedekamer.nl/sites/default/files/atoms/files/20201217_eindverslag_parlementaire_ondervragingscommissie_kinderopvangtoeslag.pdf
[2] Kabinetsreactie van
20 juni 2025 op het rapport van de Venetië Commissie van 13 oktober 2023: https://open.overheid.nl/documenten/69a7e3fc-a2a1-4c88-bc96-7aa21fe61945/file

Reacties
Een reactie posten