John Searle — Intentionaliteit, sociale werkelijkheid en de institutionele constructie van samenleving


Hoe kunnen instituties werkelijk macht uitoefenen wanneer zij uiteindelijk door mensen zelf zijn gemaakt?

John Searle behoort tot de invloedrijkste filosofen van de twintigste en vroege eenentwintigste eeuw op het gebied van taalfilosofie, filosofie van de geest en sociale ontologie. Zijn werk bestrijkt uiteenlopende onderwerpen, van bewustzijn en intentionaliteit tot taalhandelingen en de aard van instituties. Voor een relationeel mens- en samenlevingswordingsmodel is vooral zijn analyse van de sociale werkelijkheid van grote betekenis.

Searle stelt een ogenschijnlijk eenvoudige maar fundamentele vraag: hoe kan iets als geld, eigendom, een huwelijk, een universiteit, een parlement, een staatsgrens of een grondwet werkelijk bestaan en maatschappelijke gevolgen hebben, terwijl zulke verschijnselen niet op dezelfde manier in de natuur bestaan als bergen, bomen of moleculen?

Zijn antwoord maakt zichtbaar dat mensen beschikken over een uitzonderlijk vermogen: zij kunnen gezamenlijk institutionele werkelijkheden creëren die vervolgens hun eigen handelen structureren.

Van fysieke naar sociale werkelijkheid

Searle maakt een belangrijk onderscheid tussen feiten die onafhankelijk van menselijke opvattingen bestaan en feiten waarvan het bestaan juist afhankelijk is van menselijke erkenning.

Een berg blijft een berg wanneer niemand gelooft dat hij bestaat. Maar een biljet is alleen geld omdat mensen binnen een institutionele orde accepteren dat het als geld geldt. Hetzelfde geldt voor eigendom, burgerschap, verkiezingen, contracten en politieke functies.

Een persoon is bijvoorbeeld niet uitsluitend door fysieke eigenschappen minister, rechter of eigenaar. Die status bestaat doordat binnen een sociale werkelijkheid bepaalde regels, procedures en collectieve erkenningen gelden.

Daarmee raakt Searle rechtstreeks aan samenlevingswording.

Samenlevingen bestaan niet alleen uit mensen die elkaar ontmoeten, maar ook uit gedeelde institutionele betekenissen die relaties over grote afstanden en tussen onbekenden mogelijk maken.

Statusfuncties: iets geldt als iets anders

Centraal in Searles theorie staat het begrip statusfunctie.

Mensen kunnen aan personen, objecten of handelingen een status toekennen die zij niet uitsluitend op grond van hun fysieke eigenschappen bezitten. In vereenvoudigde vorm:

X geldt als Y in context C.

Een bepaald stuk papier geldt bijvoorbeeld als geld binnen een monetair systeem. Een persoon geldt als rechter binnen een rechtsorde. Een stemming geldt als een democratisch besluit wanneer zij overeenkomstig bepaalde regels plaatsvindt.

Hierdoor kunnen mensen institutionele werkelijkheden creëren die enorm complex worden.

Voor het mens- en samenlevingswordingsmodel is dat belangrijk. Instituties zijn vanuit dit perspectief geen externe natuurkrachten waaraan mensen zich eenvoudig moeten onderwerpen. Zij zijn historisch gegroeide menselijke constructies.

Dat betekent tegelijkertijd dat zij anders georganiseerd kunnen worden.

Collectieve intentionaliteit

Maar institutionele werkelijkheid kan alleen bestaan wanneer mensen in staat zijn gezamenlijk betekenis toe te kennen.

Daarvoor gebruikt Searle het begrip collectieve intentionaliteit.

Mensen kunnen niet alleen denken: ik wil iets, maar ook handelen vanuit een vorm van wij-intentionaliteit: wij doen dit gezamenlijk, wij erkennen deze procedure, wij behandelen dit als geld, wij accepteren deze persoon als bevoegd gezag.

Dat betekent niet dat iedereen persoonlijk enthousiast moet zijn over iedere institutie. Ook iemand die belastingheffing onrechtvaardig vindt, kan begrijpen dat een belastingaanslag binnen een bestaande rechtsorde institutionele betekenis heeft.

Sociale werkelijkheid vereist daarom geen volledige consensus. Zij vereist wel voldoende gedeelde erkenning van de institutionele structuur.

Hier ligt een interessante verbinding met relationele samenlevingswording: complexe samenwerking wordt mogelijk doordat mensen gezamenlijk werelden van betekenis creëren waarin zij hun handelen op elkaar kunnen afstemmen.

Taal maakt instituties mogelijk

Searles eerdere werk over speech acts is daarvoor eveneens essentieel.

Taal beschrijft namelijk niet alleen de werkelijkheid. Met taal kunnen mensen ook werkelijkheid tot stand brengen.

Wanneer een bevoegde rechter een huwelijk uitspreekt, een parlement een wet aanneemt, een minister een besluit vaststelt of partijen een overeenkomst sluiten, gebeurt er meer dan het uitwisselen van informatie.

Woorden veranderen institutionele verhoudingen.

Rechten ontstaan, verplichtingen worden gevestigd, bevoegdheden worden toegekend en statussen veranderen.

Voor het recht is dit een fundamenteel inzicht. Juridische taal is vaak performatief: zij creëert mede de institutionele werkelijkheid die zij benoemt.

Deontische macht: rechten en verplichtingen

Daarmee komen we bij misschien wel Searles belangrijkste bijdrage voor institutionele theorie: deontische macht.

Instituties creëren redenen om iets te doen die niet eenvoudig voortkomen uit fysieke dwang of persoonlijk eigenbelang.

Een contract schept verplichtingen. Eigendom creëert bevoegdheden en uitsluitingsrechten. Een openbaar ambt brengt verantwoordelijkheden mee. Burgerschap geeft rechten én verplichtingen.

De samenleving wordt daardoor bijeengehouden door een complex netwerk van institutioneel gecreëerde rechten, bevoegdheden, plichten en verantwoordelijkheden.

Dit is voor menswording van grote betekenis.

Menselijke vrijheid bestaat immers niet alleen uit het ontbreken van beperkingen. Instituties kunnen ook handelingsmogelijkheden creëren die zonder die instituties helemaal niet zouden bestaan.

Instituties beperken én maken handelen mogelijk

Dat levert een belangrijke correctie op het idee dat instituties vooral individuele vrijheid beperken.

Een eigendomsrecht beperkt anderen, maar geeft de eigenaar tegelijkertijd handelingsmogelijkheden. Een contract bindt partijen, maar maakt complexe samenwerking mogelijk. Democratische procedures beperken de manier waarop politieke macht kan worden uitgeoefend, maar maken tegelijkertijd legitieme collectieve besluitvorming mogelijk.

Instituties zijn daarom zowel beperkend als constitutief.

Dat sluit nauw aan bij een relationeel mensbeeld. Autonomie ontstaat niet buiten instituties, maar gedeeltelijk dankzij instituties.

De relevante vraag is daarom niet of mensen door instituties worden beïnvloed — dat is onvermijdelijk — maar welke instituties menselijke handelingsmogelijkheden vergroten en welke ze structureel beperken.

Institutionele macht vraagt legitimiteit

Hier ontstaat tegelijkertijd een vraag die bij Searle minder centraal staat dan binnen een normatief mens- en samenlevingswordingsmodel.

Dat een institutie sociaal bestaat, betekent immers nog niet dat zij rechtvaardig is.

Slavernij was een institutionele werkelijkheid. Koloniale regimes waren institutioneel georganiseerd. Discriminerende rechtsstelsels konden beschikken over regels, procedures en collectieve erkenning.

Searles sociale ontologie verklaart hoe zulke instituties kunnen bestaan, maar vertelt ons nog niet voldoende wanneer hun macht legitiem is.

Daarvoor zijn aanvullende normatieve criteria nodig.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel moeten instituties daarom ook worden beoordeeld op autonomie, gelijkwaardigheid, participatie, bestaanszekerheid, duurzaamheid en de bescherming van menselijke waardigheid.

Macht kan institutioneel onzichtbaar worden

Searles theorie helpt bovendien begrijpen waarom institutionele macht zo vanzelfsprekend kan gaan lijken.

Wanneer statusfuncties lang bestaan, vergeten mensen gemakkelijk dat zij sociaal geconstrueerd zijn.

Eigendom, ondernemingen, markten, staatsgrenzen of bestuurlijke bevoegdheden kunnen dan worden ervaren alsof zij natuurlijke verschijnselen zijn.

Maar zij bestaan dankzij regels, erkenning en institutionele praktijken.

Dat heeft grote betekenis voor machtskritiek. Wanneer we vergeten dat instituties menselijk geconstrueerd zijn, worden historisch gegroeide machtsverhoudingen gemakkelijk voorgesteld als onvermijdelijk.

Searle maakt zichtbaar dat het anders kan.

Maar "sociaal geconstrueerd" betekent niet dat iets eenvoudig kan worden afgeschaft. Instituties raken diep verweven met verwachtingen, belangen, organisaties en andere instituties.

Institutionele verandering vraagt daarom coördinatie.

Corrigeerbaarheid krijgt hiermee een diepere betekenis

Hier ontstaat een directe verbinding met corrigeerbaarheid.

Wanneer instituties menselijke constructies zijn, kunnen mensen ze in beginsel veranderen. Maar dat vermogen moet institutioneel worden georganiseerd.

Een samenleving heeft daarom mechanismen nodig waarmee zij haar eigen regels en statusfuncties kan heroverwegen.

Democratische verkiezingen, parlementaire wetgeving, rechterlijke toetsing, bezwaar en beroep, grondwetswijziging, maatschappelijke kritiek en wetenschappelijke evaluatie zijn vanuit dit perspectief verschillende vormen van georganiseerde institutionele zelfcorrectie.

Corrigeerbaarheid betekent dan dat een samenleving niet gevangen raakt in de institutionele werkelijkheid die zij zelf heeft gecreëerd.

Digitale instituties

Searles theorie krijgt bijzondere actualiteit in digitale samenlevingen.

Digitale platforms creëren steeds meer eigen institutionele werkelijkheden.

Een account kan worden geverifieerd, geschorst of verwijderd. Een algoritme bepaalt welke informatie zichtbaar wordt. Digitale reputatiesystemen kennen scores toe. Platformregels bepalen wie mag deelnemen en onder welke voorwaarden.

Hier ontstaan feitelijk nieuwe statusfuncties en deontische verhoudingen.

Maar anders dan klassieke publieke instituties worden deze systemen vaak ontworpen door private ondernemingen.

Dat roept een fundamentele vraag op: wie mag institutionele werkelijkheid creëren?

Wanneer digitale platforms bepalen wie zichtbaar is, welke transacties mogelijk zijn of welke gedragingen worden toegestaan, oefenen zij een vorm van institutionele macht uit die maatschappelijke betekenis kan krijgen zonder dezelfde democratische legitimatie als publieke instituties.

Kunstmatige intelligentie en intentionaliteit

Searle is ook beroemd vanwege zijn kritiek op sterke claims over kunstmatige intelligentie. Zijn gedachte-experiment van de Chinese kamer is gericht tegen het idee dat het correct manipuleren van symbolen op zichzelf voldoende is voor werkelijk begrip.

Een systeem kan volgens dit argument syntactische regels correct uitvoeren zonder noodzakelijk te beschikken over semantisch begrip zoals mensen dat ervaren.

De hedendaagse ontwikkeling van generatieve AI maakt deze discussie opnieuw actueel.

Moderne AI-systemen kunnen indrukwekkende talige prestaties leveren, maar daarmee is de filosofische vraag of zij daadwerkelijk begrijpen, bewustzijn bezitten of intentionaliteit hebben nog niet opgelost.

Voor menswording is dit onderscheid belangrijk. Wanneer menselijke communicatie steeds vaker wordt gemedieerd door systemen die overtuigende taal produceren, moeten we voorkomen dat functionele prestaties automatisch worden gelijkgesteld aan menselijke subjectiviteit.

Maar ook Searle moet kritisch worden aangevuld

Searles institutionele theorie is analytisch krachtig, maar heeft beperkingen.

Zijn nadruk op collectieve erkenning verklaart hoe institutionele feiten bestaan, maar besteedt relatief minder aandacht aan structurele ongelijkheid en machtsasymmetrie.

Mensen nemen namelijk niet onder gelijke voorwaarden deel aan de vorming van institutionele werkelijkheid.

Wie beschikt over politieke macht, economisch kapitaal, juridische expertise, media-invloed of technologische infrastructuur heeft aanzienlijk meer mogelijkheden om maatschappelijke categorieën en regels vorm te geven.

Hier moet Searle worden aangevuld met denkers als Bourdieu, Foucault, Fraser, Young en Acemoglu en Robinson.

De vraag is niet alleen hoe instituties worden geconstrueerd, maar ook: wie beschikt over de macht om ze te construeren?

Van sociale constructie naar democratische constructie

Daarmee kan Searles theorie binnen het mens- en samenlevingswordingsmodel verder worden ontwikkeld.

Als institutionele werkelijkheid door mensen wordt gemaakt, volgt daaruit niet automatisch dat iedereen evenveel invloed heeft op die werkelijkheid.

Een democratische samenleving moet daarom proberen de mogelijkheid tot institutionele vormgeving zo te organiseren dat macht niet permanent wordt gemonopoliseerd.

Dat vereist participatie, rechtsbescherming, tegenmacht, transparantie en mogelijkheden tot institutionele herziening.

Institutionele werkelijkheid moet niet alleen collectief gedragen, maar ook democratisch corrigeerbaar zijn.

Searle en mens- en samenlevingswording

Voor menswording maakt Searle zichtbaar dat mensen zich ontwikkelen binnen institutionele werkelijkheden van rechten, plichten, rollen en verwachtingen. Menselijke handelingsruimte is daardoor fundamenteel sociaal gevormd.

Voor samenlevingswording laat hij zien hoe mensen door taal, collectieve intentionaliteit en gedeelde regels complexe institutionele werelden kunnen creëren.

Voor instituties betekent zijn werk dat hun macht niet uitsluitend berust op fysieke dwang. Zij functioneren doordat mensen statusfuncties, rechten, bevoegdheden en verplichtingen erkennen.

Voor corrigeerbaarheid volgt daaruit een fundamenteel inzicht: wat institutioneel door mensen is gemaakt, moet ook door mensen kunnen worden herzien. Een samenleving wordt problematisch wanneer haar eigen institutionele constructies zo vanzelfsprekend of machtig worden dat zij nauwelijks meer ter discussie kunnen worden gesteld.

Blijvende waarde

De blijvende waarde van John Searle ligt in zijn inzicht dat een groot deel van de menselijke wereld tegelijkertijd werkelijk én geconstrueerd is.

Geld, eigendom, burgerschap, recht, staten en politieke ambten zijn geen illusies. Zij hebben zeer reële gevolgen. Maar hun werkelijkheid berust op menselijke taal, regels, erkenning en institutionele praktijken.

Zijn beperking ligt vooral in de stap van verklaring naar normatieve beoordeling. Begrijpen hoe institutionele werkelijkheid ontstaat, vertelt ons nog niet welke instituties rechtvaardig zijn of hoe ongelijke macht bij hun vorming moet worden beoordeeld.

Een relationeel en corrigeerbaar mens- en samenlevingswordingsmodel bouwt daarom op Searle voort: instituties zijn menselijke constructies die handelingsmogelijkheden kunnen creëren, maar hun legitimiteit hangt af van de mate waarin zij menselijke waardigheid, autonomie, gelijkwaardigheid en participatie ondersteunen én zelf voor kritiek en verandering toegankelijk blijven.

De hedendaagse vraag luidt daarom: als wij gezamenlijk de institutionele werkelijkheid creëren waarin wij leven, beschikken burgers dan ook werkelijk over voldoende macht om die werkelijkheid te bevragen en te veranderen — of zijn onze eigen sociale constructies zo vanzelfsprekend en geconcentreerd geraakt dat zij uiteindelijk meer macht over ons uitoefenen dan wij over hen?




Reacties

Populaire posts van deze blog

Power Without Accountability Is Not Peace. It Is Domination.

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is