Internationale samenwerking mag geen democratisch niemandsland worden
Europese en internationale samenwerking is constitutioneel niet uitsluitend een vraag naar bevoegdheidsoverdracht. Zij moet worden beoordeeld aan de hand van de voorwaarden waaronder publieke macht legitiem kan worden uitgeoefend: menselijke waardigheid, autonomie, gelijkwaardigheid, menswording en democratische corrigeerbaarheid. Internationale samenwerking kan deze waarden beschermen doordat zij macht grensoverschrijdend begrenst, maar kan ze ook bedreigen wanneer besluitvorming ondoorzichtig wordt, verantwoordelijkheid verdwijnt of effectieve rechtsbescherming ontbreekt.
1 Menselijke waardigheid en grondrechten
Menselijke waardigheid
houdt niet op bij de staatsgrens. Oorlog, klimaatverandering,
grensoverschrijdende vervuiling, digitale surveillance, mensenhandel,
economische uitbuiting en internationale veiligheidsmaatregelen kunnen mensen
raken zonder dat één nationale rechtsorde voldoende bescherming kan bieden.
Europese en internationale samenwerking is daarom niet alleen een beperking van
nationale beslissingsvrijheid, maar ook een noodzakelijke infrastructuur voor
de bescherming van mensen tegen grensoverschrijdende publieke en private macht.
Mensenrechten moeten
daarbij zowel doel als voorwaarde van internationale bevoegdheidsuitoefening
zijn. Internationale organisaties ontlenen hun legitimiteit niet uitsluitend
aan de instemming van staten. Naarmate zij bevoegdheden uitoefenen die rechtstreeks
of indirect ingrijpen in rechten, vrijheden en bestaansvoorwaarden, moeten zij
ook voldoen aan eisen van legaliteit, noodzakelijkheid, proportionaliteit,
non-discriminatie en effectieve rechtsbescherming. Een internationale
rechtsorde die staten bindt maar personen onvoldoende beschermt, blijft
constitutioneel onvolledig.
Dat is in het bijzonder
relevant bij sancties, migratie en veiligheid. Internationale sancties kunnen
tegoeden bevriezen, bewegingsvrijheid beperken en reputaties beschadigen.
Europese migratie- en grensmaatregelen kunnen bepalen of iemand toegang krijgt
tot bescherming, opvang of gezinshereniging. Internationale veiligheids- en
gegevensuitwisseling kan leiden tot surveillance, risicoclassificatie of
plaatsing op signaleringslijsten. In al deze situaties moet duidelijk zijn op
welke feiten een maatregel berust, wie verantwoordelijk is, hoe fouten kunnen
worden gecorrigeerd en welke onafhankelijke instantie rechtsbescherming biedt.
Internationale
samenwerking mag niet leiden tot een verdunning van verantwoordelijkheid.
Nederlandse organen blijven verantwoordelijk voor hun eigen bijdrage aan
gezamenlijke besluitvorming. Een minister die in de Raad met een maatregel
instemt, kan zich nationaal niet zonder meer verschuilen achter het collectieve
karakter van het uiteindelijke besluit. Hetzelfde geldt wanneer Nederlandse
bestuursorganen Europese of internationale verplichtingen uitvoeren. Zij moeten
vaststellen welke beoordelingsruimte bestaat, grondrechtenconforme
alternatieven onderzoeken en onevenredige gevolgen zo veel mogelijk voorkomen.
Daarbij mag de burger
niet worden gereduceerd tot een abstract uitvoeringsobject van internationale
verplichtingen. De mededeling dat een maatregel “van Europa moet” of uit een
verdrag voortvloeit, ontslaat een bestuursorgaan niet van de plicht zorgvuldig
te onderzoeken wat de norm werkelijk verlangt, welke nationale ruimte resteert
en hoe individuele rechten worden beschermd. Internationale gebondenheid kan de
uitkomst van een belangenafweging beperken, maar heft de persoon achter het
dossier niet op.
Effectieve
rechtsbescherming moet de gehele besluitvormingsketen bestrijken. Personen
moeten weten bij welke nationale of Europese instantie zij kunnen opkomen tegen
een maatregel, toegang krijgen tot relevante informatie en een uitvoerbare
beslissing kunnen verkrijgen. Wanneer bevoegdheden over verschillende niveaus
zijn verdeeld, moet worden voorkomen dat ieder orgaan slechts naar een ander
niveau verwijst. De meerschalige rechtsorde mag geen niemandsland van
verantwoordelijkheid worden.
2 Autonomie in wederzijdse afhankelijkheid
Nationale autonomie moet
niet uitsluitend worden begrepen als de formele vrijheid om zelfstandig
besluiten te nemen. Werkelijke autonomie bestaat uit het vermogen om
democratisch gekozen doelen effectief te verwezenlijken. Een staat die
juridisch volledig zelfstandig is, maar klimaatverandering, financiële
instabiliteit, belastingontwijking, pandemieën, migratiestromen,
cyberdreigingen of digitale platformmacht niet kan beïnvloeden, beschikt over
formele soevereiniteit maar over beperkte feitelijke handelingsmacht.
Internationale
samenwerking kan daarom een middel zijn om autonomie gezamenlijk terug te
winnen. Door bevoegdheden te bundelen kunnen staten regels stellen aan actoren
die de nationale schaal overstijgen. Gemeenschappelijke normen kunnen
verhinderen dat staten elkaar onderbieden op arbeidsvoorwaarden, belastingen,
gegevensbescherming, milieu of consumentenbescherming. Europese samenwerking
kan zo de democratische ruimte vergroten die afzonderlijke staten door
economische en technologische afhankelijkheid hebben verloren.
Daar staat tegenover dat
gezamenlijke handelingsmacht niet automatisch democratische autonomie oplevert.
Wanneer nationale parlementen pas worden geïnformeerd nadat compromissen zijn
gesloten, verschuift beslissingsmacht van zichtbare democratische procedures
naar bestuurlijke onderhandelingen. Burgers kunnen dan formeel via nationale en
Europese verkiezingen vertegenwoordigd zijn, maar toch weinig invloed ervaren
op de feitelijke standpuntvorming.
De normatieve vraag is
daarom niet hoeveel nationale autonomie maximaal behouden kan blijven, maar hoe
autonomie op verschillende niveaus democratisch wordt georganiseerd. Op
Europees niveau zijn het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betrokken.
Op nationaal niveau moeten de Staten-Generaal de Nederlandse inzet kunnen
beïnvloeden. Regionale en lokale overheden moeten worden betrokken wanneer
Europese voorstellen hun bevoegdheden of uitvoering rechtstreeks raken.
Autonomie wordt zo geen eigenschap van één bestuurslaag, maar een verdeeld
vermogen tot publiek handelen.
Daarvoor is het
noodzakelijk dat de regering de beschikbare nationale beleidsruimte zichtbaar
maakt. Europese regels laten geregeld keuzes open over uitvoering, organisatie,
toezicht, sancties of beschermingsniveau. De regering mag Europese
minimumharmonisatie niet presenteren als volledige uniformering wanneer
nationale aanvullingen mogelijk zijn. Omgekeerd mag nationale beleidsruimte
niet worden overschat wanneer het Unierecht een uniforme en effectieve
toepassing verlangt. Democratische autonomie vereist een nauwkeurige analyse
van wat Europees vastligt, wat nationaal kan worden ingevuld en welke keuzes
reeds door Nederland in de Europese besluitvorming zijn gemaakt.
Ook bij gezamenlijke
besluitvorming moet verantwoordelijkheid herkenbaar blijven. Gedeelde
verantwoordelijkheid betekent niet dat niemand volledig verantwoordelijk is.
Nederlandse bewindspersonen zijn aanspreekbaar op hun inzet, stemgedrag en
informatievoorziening. Europese instellingen zijn verantwoordelijk voor hun
eigen bevoegdheidsuitoefening. Nationale uitvoeringsorganen blijven
verantwoordelijk voor de wijze waarop zij regels toepassen. Rechters bewaken
binnen hun bevoegdheid de rechtmatigheid en grondrechten.
Internationale
samenwerking mag daarom niet als democratisch excuus worden gebruikt.
“Brussel”, “het verdrag” of “de internationale markten” mogen geen
verzamelbegrippen worden waarmee politieke keuzes als onvermijdelijk worden
voorgesteld. Wanneer geen beleidsruimte bestaat, moet dat juridisch worden
onderbouwd. Wanneer die ruimte wel bestaat, moet de regering haar keuze
politiek verantwoorden.
3 Gelijkwaardigheid
Europese en
internationale samenwerking moet bijdragen aan gelijke bescherming van
personen, ongeacht de plaats waar zij wonen of de staat die verantwoordelijk
is. Gemeenschappelijke grondrechten, arbeidsnormen, milieunormen en regels voor
consumenten- en gegevensbescherming kunnen voorkomen dat fundamentele
bescherming afhankelijk wordt van nationale verschillen of economische
concurrentie.
Gelijkwaardigheid
betekent niet dat alle lidstaten dezelfde instituties, beleidskeuzes of
voorzieningenniveaus moeten hebben. Verschillen in geschiedenis, draagkracht,
bestuurlijke inrichting en maatschappelijke voorkeuren kunnen differentiatie
rechtvaardigen. De ondergrens is dat verschillen niet leiden tot aantasting van
menselijke waardigheid, structurele discriminatie of ongelijke toegang tot
fundamentele rechten.
Ook de lasten en baten
van samenwerking moeten rechtvaardig worden verdeeld. Europese integratie kan
handel, mobiliteit, veiligheid en economische groei bevorderen, maar de
opbrengsten daarvan komen niet vanzelf bij alle landen, regio’s en groepen
terecht. Aanpassing aan gemeenschappelijke regels kan kleinere of economisch
zwakkere staten relatief zwaar belasten. Klimaat-, migratie- en
veiligheidsbeleid kunnen landen aan de buitengrenzen of geografisch kwetsbare
gebieden onevenredig treffen. Solidariteit vormt daarom geen vrijblijvende
morele aanvulling, maar een voorwaarde voor duurzame gezamenlijke
besluitvorming.
Kleine staten moeten
formeel en feitelijk kunnen deelnemen. Gelijke staatssoevereiniteit betekent
niet dat alle staten in iedere organisatie een gelijk gewicht hebben, maar
vereist wel dat besluitvormingsprocedures hun stem niet betekenisloos maken.
Transparante coalitievorming, toegang tot expertise, procedurele bescherming en
onafhankelijke rechtsbescherming kunnen voorkomen dat uitsluitend grote staten
of economisch machtige actoren de agenda bepalen.
Gelijkwaardigheid omvat
tevens minderhedenbescherming. Meerderheidsbesluitvorming op Europees of
internationaal niveau mag niet leiden tot structurele uitsluiting van
nationale, etnische, religieuze, taalkundige of andere minderheden.
Internationale normen kunnen nationale minderheden juist beschermen, maar
moeten ook zelf aandacht hebben voor indirecte en cumulatieve gevolgen.
Binnen het Koninkrijk is
bijzondere aandacht nodig voor territoriale verschillen. Aruba, Curaçao en Sint
Maarten bevinden zich constitutioneel, geografisch en economisch in een andere
positie dan Europees Nederland. Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoren tot
Nederland, maar kennen eveneens specifieke omstandigheden en een
gedifferentieerde Europese positie. Gelijkwaardigheid verlangt niet steeds
identieke toepassing, maar wel daadwerkelijke betrokkenheid, inhoudelijke
rechtvaardiging van verschillen en voldoende middelen om internationale
verplichtingen uit te voeren.
Europese en
internationale maatregelen kunnen bovendien sociaal ongelijk uitwerken. Hogere
energieprijzen, handelsaanpassingen, migratiebeleid, begrotingsregels of
veiligheidsmaatregelen treffen huishoudens met lage inkomens en personen in
afhankelijke posities vaak zwaarder. Een formeel uniforme maatregel kan
materieel ongelijk zijn. De Nederlandse inzet moet daarom niet alleen
macro-economische en bestuurlijke gevolgen beoordelen, maar ook
verdelingseffecten voor kwetsbare groepen.
Ten slotte moet toegang
tot Europese en internationale rechtsbescherming gelijkwaardig zijn. Formele
toegang heeft weinig betekenis wanneer procedures kostbaar, technisch
ingewikkeld, langdurig of uitsluitend in vreemde talen toegankelijk zijn.
Rechtsbijstand, begrijpelijke informatie, ondersteuning en effectieve nationale
procedures zijn noodzakelijk om te voorkomen dat internationale rechten vooral
door deskundige en kapitaalkrachtige partijen kunnen worden benut.
4 Menswording en mondiale verwevenheid
Menswording vindt plaats
binnen sociale, economische, culturele en ecologische relaties die de nationale
grens overschrijden. Vrede, veiligheid, gezondheid, onderwijs, digitale
communicatie en een leefbaar klimaat zijn afhankelijk van internationale structuren.
Europese en internationale samenwerking beïnvloedt daardoor niet alleen staten,
maar ook de omstandigheden waaronder mensen zich kunnen ontwikkelen, relaties
aangaan en verantwoordelijkheid dragen.
Vrede en veiligheid
vormen de meest elementaire voorwaarden. Internationale diplomatie, collectieve
veiligheid, wapenbeheersing, strafrechtelijke samenwerking en vreedzame
geschillenbeslechting beschermen mensen tegen geweld en ontwrichting.
Tegelijkertijd kunnen veiligheidsinstituties zelf ingrijpende macht uitoefenen.
Menswording vereist daarom zowel effectieve bescherming tegen dreigingen als
rechtsstatelijke begrenzing van veiligheidsmaatregelen.
Klimaatverandering en
ecologische aantasting tonen eveneens de grensoverschrijdende afhankelijkheid.
Emissies, biodiversiteitsverlies, waterverontreiniging en uitputting van
grondstoffen kunnen niet uitsluitend nationaal worden beheerst. Internationale
samenwerking is noodzakelijk om ecologische bestaansvoorwaarden te beschermen
en afwenteling tussen staten te voorkomen. Zij moet echter rekening houden met
verschillen in historische bijdrage, draagkracht en kwetsbaarheid.
Economische stabiliteit
is eveneens relationeel. Financiële crises, productieketens, handelsstromen,
energieprijzen en belastingconcurrentie verbinden nationale economieën.
Internationale regels kunnen stabiliteit en sociale bescherming ondersteunen,
maar ook beleidsruimte beperken of aanpassingslasten ongelijk verdelen.
Economische samenwerking moet daarom worden beoordeeld op haar bijdrage aan
bestaanszekerheid, eerlijke arbeidsvoorwaarden en brede maatschappelijke
ontwikkeling, niet uitsluitend op groei en marktintegratie.
Migratie maakt zichtbaar
dat mensen niet alleen dragers van nationale rechten zijn, maar zich bewegen
tussen rechtsordes. Internationale samenwerking is nodig voor bescherming van
vluchtelingen, legale mobiliteit, grensbeheer en bestrijding van mensenhandel.
Zij mag mensen echter niet reduceren tot aantallen, risico’s of
onderhandelingsmiddelen. Persoonlijke omstandigheden, gezinsleven,
kwetsbaarheid en toegang tot bescherming blijven constitutioneel relevant.
Digitale communicatie
heeft culturele uitwisseling, kennisdeling en grensoverschrijdende
verbondenheid sterk vergroot. Tegelijkertijd zijn burgers afhankelijk geworden
van mondiale platforms, digitale infrastructuren en buitenlandse
technologiebedrijven. Internationale regulering kan deze macht begrenzen, maar
kan ook zelf tot surveillance, gegevensuitwisseling of geautomatiseerde
uitsluiting leiden. Menswording in een digitale wereld vereist
communicatievrijheid, privacy, toegankelijkheid en mogelijkheden om digitale
classificaties te betwisten.
De relationele benadering
verbreedt verantwoordelijkheid tot buiten de nationale politieke gemeenschap.
Besluiten over handel, klimaat, belastingen, defensie en productieketens kunnen
de levensmogelijkheden van mensen elders beïnvloeden. Dat betekent niet dat de
Nederlandse overheid voor ieder mondiaal probleem onbeperkt verantwoordelijk
is. Wel moet zij voorzienbare ernstige gevolgen van haar internationale inzet
en nationale beleid betrekken en afwenteling zo veel mogelijk voorkomen.
Internationale
instituties maken gezamenlijk handelen mogelijk, maar kunnen ook vervreemding
veroorzaken. Besluitvorming vindt plaats op afstand, in technische taal en via
moeilijk zichtbare procedures. Burgers herkennen zich daardoor niet altijd in
de gemaakte keuzes. De legitimiteit van meerschalige samenwerking hangt daarom
niet alleen af van formele bevoegdheid, maar ook van begrijpelijkheid,
participatie en zichtbare politieke verantwoordelijkheid.
5 Polycentrisch corrigeerbare democratie
Een polycentrisch
corrigeerbare democratie gaat ervan uit dat publieke macht over verschillende
centra is verdeeld en dat geen enkel centrum de volledige kennis, legitimiteit
of capaciteit bezit om alle maatschappelijke problemen zelfstandig op te lossen.
Europese en internationale samenwerking past binnen dit model wanneer de
verschillende niveaus elkaar aanvullen, controleren en corrigeren.
Nationale parlementen
bewaken de democratische verantwoordelijkheid van hun regeringen. Zij moeten
Europese en internationale voorstellen vroegtijdig kunnen onderzoeken, de
nationale inzet beïnvloeden en achteraf het handelen van ministers beoordelen.
Hun rol is niet concurrerend met het Europees Parlement, maar aanvullend. Het
Europees Parlement controleert Europese instellingen en oefent Europese
wetgevende en budgettaire bevoegdheden uit; nationale parlementen controleren
de nationale deelname aan de Raad en de nationale uitvoering.
De regering vervult een
dubbele rol. Zij vormt de nationale uitvoerende macht, maar neemt via ministers
en de minister-president ook deel aan Europese besluitvorming. In de Raad zijn
ministers medewetgevers. Dat maakt hun Europese optreden onderdeel van de
nationale ministeriële verantwoordelijkheid. De regering moet niet alleen
verslag doen van uitkomsten, maar ook inzicht geven in inzet, afwegingen,
coalities en stemgedrag.
De Europese Commissie
bewaakt het algemene belang van de Unie, initieert veel wetgeving en houdt
toezicht op de naleving van het Unierecht. Die onafhankelijke positie kan
nationale kortetermijnbelangen corrigeren, maar vereist democratische controle,
transparantie en rechterlijke toetsing. Onafhankelijkheid mag niet veranderen
in bestuurlijke onbereikbaarheid.
Nationale en Europese
rechters vormen gezamenlijk een rechtsbeschermingsnetwerk. Via prejudiciële
samenwerking kunnen nationale rechters uitleg of geldigheid van Unierecht aan
het Hof van Justitie voorleggen. Het Hof bewaakt de eenheid van het Unierecht;
nationale rechters beoordelen de toepassing in concrete gevallen. Deze dialoog
maakt correctie op verschillende niveaus mogelijk, mits personen daadwerkelijk
toegang hebben tot de rechter en voorlopige bescherming beschikbaar is.
Decentrale overheden
moeten worden betrokken wanneer Europese besluiten hun taken en bestuurlijke
ruimte raken. Gemeenten, provincies en waterschappen beschikken over relevante
kennis van uitvoering en lokale gevolgen. Zij mogen niet pas worden geraadpleegd
nadat Europese verplichtingen definitief zijn geworden, terwijl zij wel voor de
uitvoering en financiering verantwoordelijk worden gemaakt.
Maatschappelijke
organisaties, vakbonden, ondernemingen, kennisinstellingen en getroffen burgers
dragen ervaringskennis en gespecialiseerde informatie aan. Hun participatie kan
informatieasymmetrie corrigeren en onvoorziene gevolgen zichtbaar maken. Daarbij
moet worden voorkomen dat economisch machtige en professioneel georganiseerde
belangen structureel meer toegang krijgen dan kwetsbare of verspreide groepen.
Onafhankelijke
toezichthouders bewaken onder meer gegevensbescherming, mededinging, financiële
stabiliteit, mensenrechten en marktregulering. Samenwerking tussen nationale en
Europese toezichthouders kan grensoverschrijdende macht effectiever controleren.
Daarbij moeten taken, bevoegdheden en eindverantwoordelijkheid voldoende
herkenbaar blijven.
Polycentrische
corrigeerbaarheid betekent dat fouten op meer dan één plaats kunnen worden
gesignaleerd en hersteld. Een gebrekkig Europees voorstel kan politiek worden
aangepast, via subsidiariteitscontrole worden bekritiseerd, door
toezichthouders worden onderzocht of rechterlijk worden getoetst. Een onjuiste
nationale uitvoering kan door bestuur, parlement, nationale rechter, Europese
Commissie of Hof van Justitie worden gecorrigeerd. Deze meervoudigheid vergroot
de veerkracht, zolang instanties niet uitsluitend naar elkaar verwijzen.
Meerlagige verantwoording
mag daarom niet ontaarden in diffuse verantwoordelijkheid. Bij iedere fase moet
zichtbaar zijn wie bevoegd was, welke bijdrage Nederland heeft geleverd, welke
beleidsruimte bestond en bij welke instantie herstel kan worden verkregen. De
polycentrisch corrigeerbare democratie verlangt geen enkelvoudig machtscentrum,
maar wel herkenbare verantwoordelijkheid binnen ieder machtscentrum.
6 Afbakening
De voorgestelde
constitutionele regeling heeft niet tot doel Europese en internationale
samenwerking afhankelijk te maken van voortdurende incidentele nationale
instemming. Nadat het Koninkrijk rechtsgeldig verdragsverplichtingen is
aangegaan, moeten Nederlandse organen die verplichtingen loyaal nakomen. Een
algemene mogelijkheid om per Europees besluit opnieuw nationale toestemming te
verlangen, zou de betrouwbaarheid en doeltreffendheid van samenwerking
ondermijnen.
Evenmin ontstaat buiten
de toepasselijke verdragen een nationaal vetorecht. Waar de Europese verdragen
besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid toestaan, kan Nederland worden
gebonden aan een besluit waartegen zijn vertegenwoordiger heeft gestemd. De
Grondwet kan de voorafgaande Nederlandse standpuntvorming regelen, maar kan de
Europese besluitvormingsregel niet eenzijdig vervangen.
De regeling beperkt ook
niet op eigen gezag de voorrang van het Unierecht. Zij kan Nederlandse organen
verplichten constitutionele waarden in Europese onderhandelingen naar voren te
brengen, beschikbare rechtsmiddelen te gebruiken en bij twijfel prejudiciële
vragen te bevorderen. Zij kan niet bepalen dat toepasselijk Unierecht bij ieder
conflict met een nationale bepaling buiten werking blijft.
De nationale rechter
wordt evenmin bevoegd Europese besluiten ongeldig te verklaren. Hij kan de
toepassing beoordelen, voorlopige bescherming bieden en vragen over de
geldigheid aan het Hof van Justitie voorleggen. De uiteindelijke beoordeling
van de geldigheid van Uniehandelingen behoort binnen de Europese rechtsorde aan
het Hof van Justitie.
Volledige openbaarheid
van alle internationale onderhandelingsdocumenten is niet vereist. Diplomatie
en onderhandelingen veronderstellen soms vertrouwelijkheid, informele
verkenning en ruimte om compromissen te onderzoeken. Openbaarheid kan worden
beperkt ter bescherming van onderhandelingsposities, veiligheid, diplomatieke
betrekkingen, persoonsgegevens en gerechtvaardigde belangen van derden.
Vertrouwelijkheid mag
echter niet leiden tot uitsluiting van parlementaire controle. Bij ingrijpende
dossiers moet de regering de Kamers tijdig informeren, zo nodig vertrouwelijk.
Beperkingen moeten worden gemotiveerd, periodiek worden heroverwogen en na
afloop van onderhandelingen zo veel mogelijk vervallen. Het parlement moet ten
minste de doelen, wezenlijke keuzes, verwachte gevolgen en grenzen van de
Nederlandse inzet kunnen beoordelen.
Ook
onderhandelingsmandaten mogen niet zo gedetailleerd zijn dat iedere
compromisvorming onmogelijk wordt. De regering moet binnen democratisch
vastgestelde kaders kunnen onderhandelen en op nieuwe ontwikkelingen reageren.
Daartegenover staat een plicht om wezenlijke afwijkingen van parlementaire
uitgangspunten tijdig te melden en achteraf inhoudelijk te verantwoorden.
Constitutionele
identiteit moet ten slotte beperkt en precies worden opgevat. Zij beschermt
niet iedere nationale traditie, beleidsvoorkeur of institutionele
bijzonderheid. Alleen fundamentele beginselen van menselijke waardigheid,
democratie, rechtsstaat, grondrechten, vrije verkiezingen, machtenscheiding en
onafhankelijke rechtspraak kunnen tot de beschermde constitutionele kern worden
gerekend. Een beroep daarop vergt een concrete en zwaarwegende motivering en
moet zo veel mogelijk binnen de Europese rechtsorde, door politieke dialoog en
rechterlijke samenwerking, worden opgelost.
De normatieve inzet is
daarmee tweeledig. Europese en internationale samenwerking moet krachtig genoeg
zijn om grensoverschrijdende macht en problemen effectief te beheersen, maar
tegelijkertijd democratisch, rechtsstatelijk en grondrechtelijk corrigeerbaar
blijven. De Grondwet moet geen nationale terugtrekkingsclausule bieden, maar
waarborgen dat Nederland binnen de meerschalige rechtsorde herkenbaar,
verantwoordelijk en constitutioneel gebonden handelt.
Lees nu het gehele
voorstel:
.png)
Reacties
Een reactie posten