Internationale samenwerking mag geen democratisch niemandsland worden

 Europese en internationale samenwerking is constitutioneel niet uitsluitend een vraag naar bevoegdheidsoverdracht. Zij moet worden beoordeeld aan de hand van de voorwaarden waaronder publieke macht legitiem kan worden uitgeoefend: menselijke waardigheid, autonomie, gelijkwaardigheid, menswording en democratische corrigeerbaarheid. Internationale samenwerking kan deze waarden beschermen doordat zij macht grensoverschrijdend begrenst, maar kan ze ook bedreigen wanneer besluitvorming ondoorzichtig wordt, verantwoordelijkheid verdwijnt of effectieve rechtsbescherming ontbreekt.

1 Menselijke waardigheid en grondrechten

Menselijke waardigheid houdt niet op bij de staatsgrens. Oorlog, klimaatverandering, grensoverschrijdende vervuiling, digitale surveillance, mensenhandel, economische uitbuiting en internationale veiligheidsmaatregelen kunnen mensen raken zonder dat één nationale rechtsorde voldoende bescherming kan bieden. Europese en internationale samenwerking is daarom niet alleen een beperking van nationale beslissingsvrijheid, maar ook een noodzakelijke infrastructuur voor de bescherming van mensen tegen grensoverschrijdende publieke en private macht.

Mensenrechten moeten daarbij zowel doel als voorwaarde van internationale bevoegdheidsuitoefening zijn. Internationale organisaties ontlenen hun legitimiteit niet uitsluitend aan de instemming van staten. Naarmate zij bevoegdheden uitoefenen die rechtstreeks of indirect ingrijpen in rechten, vrijheden en bestaansvoorwaarden, moeten zij ook voldoen aan eisen van legaliteit, noodzakelijkheid, proportionaliteit, non-discriminatie en effectieve rechtsbescherming. Een internationale rechtsorde die staten bindt maar personen onvoldoende beschermt, blijft constitutioneel onvolledig.

Dat is in het bijzonder relevant bij sancties, migratie en veiligheid. Internationale sancties kunnen tegoeden bevriezen, bewegingsvrijheid beperken en reputaties beschadigen. Europese migratie- en grensmaatregelen kunnen bepalen of iemand toegang krijgt tot bescherming, opvang of gezinshereniging. Internationale veiligheids- en gegevensuitwisseling kan leiden tot surveillance, risicoclassificatie of plaatsing op signaleringslijsten. In al deze situaties moet duidelijk zijn op welke feiten een maatregel berust, wie verantwoordelijk is, hoe fouten kunnen worden gecorrigeerd en welke onafhankelijke instantie rechtsbescherming biedt.

Internationale samenwerking mag niet leiden tot een verdunning van verantwoordelijkheid. Nederlandse organen blijven verantwoordelijk voor hun eigen bijdrage aan gezamenlijke besluitvorming. Een minister die in de Raad met een maatregel instemt, kan zich nationaal niet zonder meer verschuilen achter het collectieve karakter van het uiteindelijke besluit. Hetzelfde geldt wanneer Nederlandse bestuursorganen Europese of internationale verplichtingen uitvoeren. Zij moeten vaststellen welke beoordelingsruimte bestaat, grondrechtenconforme alternatieven onderzoeken en onevenredige gevolgen zo veel mogelijk voorkomen.

Daarbij mag de burger niet worden gereduceerd tot een abstract uitvoeringsobject van internationale verplichtingen. De mededeling dat een maatregel “van Europa moet” of uit een verdrag voortvloeit, ontslaat een bestuursorgaan niet van de plicht zorgvuldig te onderzoeken wat de norm werkelijk verlangt, welke nationale ruimte resteert en hoe individuele rechten worden beschermd. Internationale gebondenheid kan de uitkomst van een belangenafweging beperken, maar heft de persoon achter het dossier niet op.

Effectieve rechtsbescherming moet de gehele besluitvormingsketen bestrijken. Personen moeten weten bij welke nationale of Europese instantie zij kunnen opkomen tegen een maatregel, toegang krijgen tot relevante informatie en een uitvoerbare beslissing kunnen verkrijgen. Wanneer bevoegdheden over verschillende niveaus zijn verdeeld, moet worden voorkomen dat ieder orgaan slechts naar een ander niveau verwijst. De meerschalige rechtsorde mag geen niemandsland van verantwoordelijkheid worden.

2 Autonomie in wederzijdse afhankelijkheid

Nationale autonomie moet niet uitsluitend worden begrepen als de formele vrijheid om zelfstandig besluiten te nemen. Werkelijke autonomie bestaat uit het vermogen om democratisch gekozen doelen effectief te verwezenlijken. Een staat die juridisch volledig zelfstandig is, maar klimaatverandering, financiële instabiliteit, belastingontwijking, pandemieën, migratiestromen, cyberdreigingen of digitale platformmacht niet kan beïnvloeden, beschikt over formele soevereiniteit maar over beperkte feitelijke handelingsmacht.

Internationale samenwerking kan daarom een middel zijn om autonomie gezamenlijk terug te winnen. Door bevoegdheden te bundelen kunnen staten regels stellen aan actoren die de nationale schaal overstijgen. Gemeenschappelijke normen kunnen verhinderen dat staten elkaar onderbieden op arbeidsvoorwaarden, belastingen, gegevensbescherming, milieu of consumentenbescherming. Europese samenwerking kan zo de democratische ruimte vergroten die afzonderlijke staten door economische en technologische afhankelijkheid hebben verloren.

Daar staat tegenover dat gezamenlijke handelingsmacht niet automatisch democratische autonomie oplevert. Wanneer nationale parlementen pas worden geïnformeerd nadat compromissen zijn gesloten, verschuift beslissingsmacht van zichtbare democratische procedures naar bestuurlijke onderhandelingen. Burgers kunnen dan formeel via nationale en Europese verkiezingen vertegenwoordigd zijn, maar toch weinig invloed ervaren op de feitelijke standpuntvorming.

De normatieve vraag is daarom niet hoeveel nationale autonomie maximaal behouden kan blijven, maar hoe autonomie op verschillende niveaus democratisch wordt georganiseerd. Op Europees niveau zijn het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betrokken. Op nationaal niveau moeten de Staten-Generaal de Nederlandse inzet kunnen beïnvloeden. Regionale en lokale overheden moeten worden betrokken wanneer Europese voorstellen hun bevoegdheden of uitvoering rechtstreeks raken. Autonomie wordt zo geen eigenschap van één bestuurslaag, maar een verdeeld vermogen tot publiek handelen.

Daarvoor is het noodzakelijk dat de regering de beschikbare nationale beleidsruimte zichtbaar maakt. Europese regels laten geregeld keuzes open over uitvoering, organisatie, toezicht, sancties of beschermingsniveau. De regering mag Europese minimumharmonisatie niet presenteren als volledige uniformering wanneer nationale aanvullingen mogelijk zijn. Omgekeerd mag nationale beleidsruimte niet worden overschat wanneer het Unierecht een uniforme en effectieve toepassing verlangt. Democratische autonomie vereist een nauwkeurige analyse van wat Europees vastligt, wat nationaal kan worden ingevuld en welke keuzes reeds door Nederland in de Europese besluitvorming zijn gemaakt.

Ook bij gezamenlijke besluitvorming moet verantwoordelijkheid herkenbaar blijven. Gedeelde verantwoordelijkheid betekent niet dat niemand volledig verantwoordelijk is. Nederlandse bewindspersonen zijn aanspreekbaar op hun inzet, stemgedrag en informatievoorziening. Europese instellingen zijn verantwoordelijk voor hun eigen bevoegdheidsuitoefening. Nationale uitvoeringsorganen blijven verantwoordelijk voor de wijze waarop zij regels toepassen. Rechters bewaken binnen hun bevoegdheid de rechtmatigheid en grondrechten.

Internationale samenwerking mag daarom niet als democratisch excuus worden gebruikt. “Brussel”, “het verdrag” of “de internationale markten” mogen geen verzamelbegrippen worden waarmee politieke keuzes als onvermijdelijk worden voorgesteld. Wanneer geen beleidsruimte bestaat, moet dat juridisch worden onderbouwd. Wanneer die ruimte wel bestaat, moet de regering haar keuze politiek verantwoorden.

3 Gelijkwaardigheid

Europese en internationale samenwerking moet bijdragen aan gelijke bescherming van personen, ongeacht de plaats waar zij wonen of de staat die verantwoordelijk is. Gemeenschappelijke grondrechten, arbeidsnormen, milieunormen en regels voor consumenten- en gegevensbescherming kunnen voorkomen dat fundamentele bescherming afhankelijk wordt van nationale verschillen of economische concurrentie.

Gelijkwaardigheid betekent niet dat alle lidstaten dezelfde instituties, beleidskeuzes of voorzieningenniveaus moeten hebben. Verschillen in geschiedenis, draagkracht, bestuurlijke inrichting en maatschappelijke voorkeuren kunnen differentiatie rechtvaardigen. De ondergrens is dat verschillen niet leiden tot aantasting van menselijke waardigheid, structurele discriminatie of ongelijke toegang tot fundamentele rechten.

Ook de lasten en baten van samenwerking moeten rechtvaardig worden verdeeld. Europese integratie kan handel, mobiliteit, veiligheid en economische groei bevorderen, maar de opbrengsten daarvan komen niet vanzelf bij alle landen, regio’s en groepen terecht. Aanpassing aan gemeenschappelijke regels kan kleinere of economisch zwakkere staten relatief zwaar belasten. Klimaat-, migratie- en veiligheidsbeleid kunnen landen aan de buitengrenzen of geografisch kwetsbare gebieden onevenredig treffen. Solidariteit vormt daarom geen vrijblijvende morele aanvulling, maar een voorwaarde voor duurzame gezamenlijke besluitvorming.

Kleine staten moeten formeel en feitelijk kunnen deelnemen. Gelijke staatssoevereiniteit betekent niet dat alle staten in iedere organisatie een gelijk gewicht hebben, maar vereist wel dat besluitvormingsprocedures hun stem niet betekenisloos maken. Transparante coalitievorming, toegang tot expertise, procedurele bescherming en onafhankelijke rechtsbescherming kunnen voorkomen dat uitsluitend grote staten of economisch machtige actoren de agenda bepalen.

Gelijkwaardigheid omvat tevens minderhedenbescherming. Meerderheidsbesluitvorming op Europees of internationaal niveau mag niet leiden tot structurele uitsluiting van nationale, etnische, religieuze, taalkundige of andere minderheden. Internationale normen kunnen nationale minderheden juist beschermen, maar moeten ook zelf aandacht hebben voor indirecte en cumulatieve gevolgen.

Binnen het Koninkrijk is bijzondere aandacht nodig voor territoriale verschillen. Aruba, Curaçao en Sint Maarten bevinden zich constitutioneel, geografisch en economisch in een andere positie dan Europees Nederland. Bonaire, Sint Eustatius en Saba behoren tot Nederland, maar kennen eveneens specifieke omstandigheden en een gedifferentieerde Europese positie. Gelijkwaardigheid verlangt niet steeds identieke toepassing, maar wel daadwerkelijke betrokkenheid, inhoudelijke rechtvaardiging van verschillen en voldoende middelen om internationale verplichtingen uit te voeren.

Europese en internationale maatregelen kunnen bovendien sociaal ongelijk uitwerken. Hogere energieprijzen, handelsaanpassingen, migratiebeleid, begrotingsregels of veiligheidsmaatregelen treffen huishoudens met lage inkomens en personen in afhankelijke posities vaak zwaarder. Een formeel uniforme maatregel kan materieel ongelijk zijn. De Nederlandse inzet moet daarom niet alleen macro-economische en bestuurlijke gevolgen beoordelen, maar ook verdelingseffecten voor kwetsbare groepen.

Ten slotte moet toegang tot Europese en internationale rechtsbescherming gelijkwaardig zijn. Formele toegang heeft weinig betekenis wanneer procedures kostbaar, technisch ingewikkeld, langdurig of uitsluitend in vreemde talen toegankelijk zijn. Rechtsbijstand, begrijpelijke informatie, ondersteuning en effectieve nationale procedures zijn noodzakelijk om te voorkomen dat internationale rechten vooral door deskundige en kapitaalkrachtige partijen kunnen worden benut.

4 Menswording en mondiale verwevenheid

Menswording vindt plaats binnen sociale, economische, culturele en ecologische relaties die de nationale grens overschrijden. Vrede, veiligheid, gezondheid, onderwijs, digitale communicatie en een leefbaar klimaat zijn afhankelijk van internationale structuren. Europese en internationale samenwerking beïnvloedt daardoor niet alleen staten, maar ook de omstandigheden waaronder mensen zich kunnen ontwikkelen, relaties aangaan en verantwoordelijkheid dragen.

Vrede en veiligheid vormen de meest elementaire voorwaarden. Internationale diplomatie, collectieve veiligheid, wapenbeheersing, strafrechtelijke samenwerking en vreedzame geschillenbeslechting beschermen mensen tegen geweld en ontwrichting. Tegelijkertijd kunnen veiligheidsinstituties zelf ingrijpende macht uitoefenen. Menswording vereist daarom zowel effectieve bescherming tegen dreigingen als rechtsstatelijke begrenzing van veiligheidsmaatregelen.

Klimaatverandering en ecologische aantasting tonen eveneens de grensoverschrijdende afhankelijkheid. Emissies, biodiversiteitsverlies, waterverontreiniging en uitputting van grondstoffen kunnen niet uitsluitend nationaal worden beheerst. Internationale samenwerking is noodzakelijk om ecologische bestaansvoorwaarden te beschermen en afwenteling tussen staten te voorkomen. Zij moet echter rekening houden met verschillen in historische bijdrage, draagkracht en kwetsbaarheid.

Economische stabiliteit is eveneens relationeel. Financiële crises, productieketens, handelsstromen, energieprijzen en belastingconcurrentie verbinden nationale economieën. Internationale regels kunnen stabiliteit en sociale bescherming ondersteunen, maar ook beleidsruimte beperken of aanpassingslasten ongelijk verdelen. Economische samenwerking moet daarom worden beoordeeld op haar bijdrage aan bestaanszekerheid, eerlijke arbeidsvoorwaarden en brede maatschappelijke ontwikkeling, niet uitsluitend op groei en marktintegratie.

Migratie maakt zichtbaar dat mensen niet alleen dragers van nationale rechten zijn, maar zich bewegen tussen rechtsordes. Internationale samenwerking is nodig voor bescherming van vluchtelingen, legale mobiliteit, grensbeheer en bestrijding van mensenhandel. Zij mag mensen echter niet reduceren tot aantallen, risico’s of onderhandelingsmiddelen. Persoonlijke omstandigheden, gezinsleven, kwetsbaarheid en toegang tot bescherming blijven constitutioneel relevant.

Digitale communicatie heeft culturele uitwisseling, kennisdeling en grensoverschrijdende verbondenheid sterk vergroot. Tegelijkertijd zijn burgers afhankelijk geworden van mondiale platforms, digitale infrastructuren en buitenlandse technologiebedrijven. Internationale regulering kan deze macht begrenzen, maar kan ook zelf tot surveillance, gegevensuitwisseling of geautomatiseerde uitsluiting leiden. Menswording in een digitale wereld vereist communicatievrijheid, privacy, toegankelijkheid en mogelijkheden om digitale classificaties te betwisten.

De relationele benadering verbreedt verantwoordelijkheid tot buiten de nationale politieke gemeenschap. Besluiten over handel, klimaat, belastingen, defensie en productieketens kunnen de levensmogelijkheden van mensen elders beïnvloeden. Dat betekent niet dat de Nederlandse overheid voor ieder mondiaal probleem onbeperkt verantwoordelijk is. Wel moet zij voorzienbare ernstige gevolgen van haar internationale inzet en nationale beleid betrekken en afwenteling zo veel mogelijk voorkomen.

Internationale instituties maken gezamenlijk handelen mogelijk, maar kunnen ook vervreemding veroorzaken. Besluitvorming vindt plaats op afstand, in technische taal en via moeilijk zichtbare procedures. Burgers herkennen zich daardoor niet altijd in de gemaakte keuzes. De legitimiteit van meerschalige samenwerking hangt daarom niet alleen af van formele bevoegdheid, maar ook van begrijpelijkheid, participatie en zichtbare politieke verantwoordelijkheid.

5 Polycentrisch corrigeerbare democratie

Een polycentrisch corrigeerbare democratie gaat ervan uit dat publieke macht over verschillende centra is verdeeld en dat geen enkel centrum de volledige kennis, legitimiteit of capaciteit bezit om alle maatschappelijke problemen zelfstandig op te lossen. Europese en internationale samenwerking past binnen dit model wanneer de verschillende niveaus elkaar aanvullen, controleren en corrigeren.

Nationale parlementen bewaken de democratische verantwoordelijkheid van hun regeringen. Zij moeten Europese en internationale voorstellen vroegtijdig kunnen onderzoeken, de nationale inzet beïnvloeden en achteraf het handelen van ministers beoordelen. Hun rol is niet concurrerend met het Europees Parlement, maar aanvullend. Het Europees Parlement controleert Europese instellingen en oefent Europese wetgevende en budgettaire bevoegdheden uit; nationale parlementen controleren de nationale deelname aan de Raad en de nationale uitvoering.

De regering vervult een dubbele rol. Zij vormt de nationale uitvoerende macht, maar neemt via ministers en de minister-president ook deel aan Europese besluitvorming. In de Raad zijn ministers medewetgevers. Dat maakt hun Europese optreden onderdeel van de nationale ministeriële verantwoordelijkheid. De regering moet niet alleen verslag doen van uitkomsten, maar ook inzicht geven in inzet, afwegingen, coalities en stemgedrag.

De Europese Commissie bewaakt het algemene belang van de Unie, initieert veel wetgeving en houdt toezicht op de naleving van het Unierecht. Die onafhankelijke positie kan nationale kortetermijnbelangen corrigeren, maar vereist democratische controle, transparantie en rechterlijke toetsing. Onafhankelijkheid mag niet veranderen in bestuurlijke onbereikbaarheid.

Nationale en Europese rechters vormen gezamenlijk een rechtsbeschermingsnetwerk. Via prejudiciële samenwerking kunnen nationale rechters uitleg of geldigheid van Unierecht aan het Hof van Justitie voorleggen. Het Hof bewaakt de eenheid van het Unierecht; nationale rechters beoordelen de toepassing in concrete gevallen. Deze dialoog maakt correctie op verschillende niveaus mogelijk, mits personen daadwerkelijk toegang hebben tot de rechter en voorlopige bescherming beschikbaar is.

Decentrale overheden moeten worden betrokken wanneer Europese besluiten hun taken en bestuurlijke ruimte raken. Gemeenten, provincies en waterschappen beschikken over relevante kennis van uitvoering en lokale gevolgen. Zij mogen niet pas worden geraadpleegd nadat Europese verplichtingen definitief zijn geworden, terwijl zij wel voor de uitvoering en financiering verantwoordelijk worden gemaakt.

Maatschappelijke organisaties, vakbonden, ondernemingen, kennisinstellingen en getroffen burgers dragen ervaringskennis en gespecialiseerde informatie aan. Hun participatie kan informatieasymmetrie corrigeren en onvoorziene gevolgen zichtbaar maken. Daarbij moet worden voorkomen dat economisch machtige en professioneel georganiseerde belangen structureel meer toegang krijgen dan kwetsbare of verspreide groepen.

Onafhankelijke toezichthouders bewaken onder meer gegevensbescherming, mededinging, financiële stabiliteit, mensenrechten en marktregulering. Samenwerking tussen nationale en Europese toezichthouders kan grensoverschrijdende macht effectiever controleren. Daarbij moeten taken, bevoegdheden en eindverantwoordelijkheid voldoende herkenbaar blijven.

Polycentrische corrigeerbaarheid betekent dat fouten op meer dan één plaats kunnen worden gesignaleerd en hersteld. Een gebrekkig Europees voorstel kan politiek worden aangepast, via subsidiariteitscontrole worden bekritiseerd, door toezichthouders worden onderzocht of rechterlijk worden getoetst. Een onjuiste nationale uitvoering kan door bestuur, parlement, nationale rechter, Europese Commissie of Hof van Justitie worden gecorrigeerd. Deze meervoudigheid vergroot de veerkracht, zolang instanties niet uitsluitend naar elkaar verwijzen.

Meerlagige verantwoording mag daarom niet ontaarden in diffuse verantwoordelijkheid. Bij iedere fase moet zichtbaar zijn wie bevoegd was, welke bijdrage Nederland heeft geleverd, welke beleidsruimte bestond en bij welke instantie herstel kan worden verkregen. De polycentrisch corrigeerbare democratie verlangt geen enkelvoudig machtscentrum, maar wel herkenbare verantwoordelijkheid binnen ieder machtscentrum.

6 Afbakening

De voorgestelde constitutionele regeling heeft niet tot doel Europese en internationale samenwerking afhankelijk te maken van voortdurende incidentele nationale instemming. Nadat het Koninkrijk rechtsgeldig verdragsverplichtingen is aangegaan, moeten Nederlandse organen die verplichtingen loyaal nakomen. Een algemene mogelijkheid om per Europees besluit opnieuw nationale toestemming te verlangen, zou de betrouwbaarheid en doeltreffendheid van samenwerking ondermijnen.

Evenmin ontstaat buiten de toepasselijke verdragen een nationaal vetorecht. Waar de Europese verdragen besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid toestaan, kan Nederland worden gebonden aan een besluit waartegen zijn vertegenwoordiger heeft gestemd. De Grondwet kan de voorafgaande Nederlandse standpuntvorming regelen, maar kan de Europese besluitvormingsregel niet eenzijdig vervangen.

De regeling beperkt ook niet op eigen gezag de voorrang van het Unierecht. Zij kan Nederlandse organen verplichten constitutionele waarden in Europese onderhandelingen naar voren te brengen, beschikbare rechtsmiddelen te gebruiken en bij twijfel prejudiciële vragen te bevorderen. Zij kan niet bepalen dat toepasselijk Unierecht bij ieder conflict met een nationale bepaling buiten werking blijft.

De nationale rechter wordt evenmin bevoegd Europese besluiten ongeldig te verklaren. Hij kan de toepassing beoordelen, voorlopige bescherming bieden en vragen over de geldigheid aan het Hof van Justitie voorleggen. De uiteindelijke beoordeling van de geldigheid van Uniehandelingen behoort binnen de Europese rechtsorde aan het Hof van Justitie.

Volledige openbaarheid van alle internationale onderhandelingsdocumenten is niet vereist. Diplomatie en onderhandelingen veronderstellen soms vertrouwelijkheid, informele verkenning en ruimte om compromissen te onderzoeken. Openbaarheid kan worden beperkt ter bescherming van onderhandelingsposities, veiligheid, diplomatieke betrekkingen, persoonsgegevens en gerechtvaardigde belangen van derden.

Vertrouwelijkheid mag echter niet leiden tot uitsluiting van parlementaire controle. Bij ingrijpende dossiers moet de regering de Kamers tijdig informeren, zo nodig vertrouwelijk. Beperkingen moeten worden gemotiveerd, periodiek worden heroverwogen en na afloop van onderhandelingen zo veel mogelijk vervallen. Het parlement moet ten minste de doelen, wezenlijke keuzes, verwachte gevolgen en grenzen van de Nederlandse inzet kunnen beoordelen.

Ook onderhandelingsmandaten mogen niet zo gedetailleerd zijn dat iedere compromisvorming onmogelijk wordt. De regering moet binnen democratisch vastgestelde kaders kunnen onderhandelen en op nieuwe ontwikkelingen reageren. Daartegenover staat een plicht om wezenlijke afwijkingen van parlementaire uitgangspunten tijdig te melden en achteraf inhoudelijk te verantwoorden.

Constitutionele identiteit moet ten slotte beperkt en precies worden opgevat. Zij beschermt niet iedere nationale traditie, beleidsvoorkeur of institutionele bijzonderheid. Alleen fundamentele beginselen van menselijke waardigheid, democratie, rechtsstaat, grondrechten, vrije verkiezingen, machtenscheiding en onafhankelijke rechtspraak kunnen tot de beschermde constitutionele kern worden gerekend. Een beroep daarop vergt een concrete en zwaarwegende motivering en moet zo veel mogelijk binnen de Europese rechtsorde, door politieke dialoog en rechterlijke samenwerking, worden opgelost.

De normatieve inzet is daarmee tweeledig. Europese en internationale samenwerking moet krachtig genoeg zijn om grensoverschrijdende macht en problemen effectief te beheersen, maar tegelijkertijd democratisch, rechtsstatelijk en grondrechtelijk corrigeerbaar blijven. De Grondwet moet geen nationale terugtrekkingsclausule bieden, maar waarborgen dat Nederland binnen de meerschalige rechtsorde herkenbaar, verantwoordelijk en constitutioneel gebonden handelt.

 

Lees nu het gehele voorstel:

https://www.researchgate.net/publication/415838409_Democratie_over_grenzen_Een_voorstel_tot_wijziging_van_de_Grondwet_voor_democratische_zeggenschap_en_rechtsstatelijke_waarborgen_bij_Europese_en_internationale_samenwerking




Reacties

Populaire posts van deze blog

Power Without Accountability Is Not Peace. It Is Domination.

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is