Een gezonde leefomgeving verdient sterkere grondwettelijke bescherming

 

Artikel 21 Grondwet

Artikel 21 van de Grondwet luidt:

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

De bepaling brengt tot uitdrukking dat de fysieke leefomgeving geen vrijblijvende beleidsaangelegenheid is, maar behoort tot de constitutionele verantwoordelijkheid van de overheid. De formulering is breed en toekomstbestendig. Zij verbindt de fysieke veiligheid en bruikbaarheid van het Nederlandse grondgebied met de kwaliteit van het leefmilieu. Tegelijkertijd is artikel 21 zeer open geformuleerd en bevat het geen individueel milieurecht, toetsbare minimumkwaliteit of uitgewerkt beperkingen- en beschermingsregime.

Programmatisch karakter

Artikel 21 heeft in hoofdzaak het karakter van een sociaal of programmatisch grondrecht. De bepaling richt zich tot de overheid en verlangt actief beleid, maar formuleert niet wat een individuele burger in een concreet geval rechtstreeks kan verlangen. De woorden “de zorg van de overheid is gericht op” laten de wetgever en het bestuur aanzienlijke ruimte om te bepalen met welke instrumenten, op welk niveau en in welk tempo de constitutionele opdracht wordt uitgevoerd.

Dit programmatische karakter betekent niet dat artikel 21 juridisch zonder betekenis is. De bepaling:

-      geeft richting aan wetgeving en beleid;

-      vormt een interpretatief uitgangspunt voor open wettelijke normen;

-      verlangt dat milieubelangen herkenbaar in besluitvorming worden betrokken;

-      ondersteunt positieve verplichtingen tot bescherming en verbetering;

-      kan betekenis hebben bij de uitleg van bevoegdheden en zorgplichten;

-      legt een constitutionele verantwoordelijkheid op die niet volledig aan private partijen kan worden overgedragen.

De bepaling bevat echter geen duidelijke maatstaf om vast te stellen wanneer de overheid onvoldoende zorg betracht. Zij bepaalt niet welke milieukwaliteit minimaal moet worden gewaarborgd, wanneer ingrijpen verplicht is of welk rechtsherstel bij tekortschieten beschikbaar moet zijn.

Bewoonbaarheid van het land

De formulering “bewoonbaarheid van het land” heeft in de Nederlandse context een brede betekenis. Zij omvat van oudsher de bescherming tegen water en andere fysieke omstandigheden die het grondgebied onveilig of ongeschikt voor bewoning kunnen maken. Daarbij kan worden gedacht aan:

-      waterveiligheid en kustbescherming;

-      bescherming tegen overstromingen;

-      waterbeheer en zoetwatervoorziening;

-      ruimtelijke inrichting;

-      klimaatadaptatie;

-      bescherming tegen bodemdaling en verzilting;

-      veiligheid van vitale infrastructuur;

-      bruikbaarheid van grond voor wonen, werken en maatschappelijke voorzieningen.

Bewoonbaarheid moet niet worden beperkt tot de vraag of een gebied fysiek toegankelijk of technisch bewoonbaar blijft. Ook gezondheid, veiligheid, bereikbaarheid en de aanwezigheid van elementaire voorzieningen bepalen of mensen er duurzaam kunnen leven. Een gebied kan formeel bewoonbaar zijn, maar door ernstige hitte, vervuiling, wateroverlast of gebrek aan drinkwater feitelijk ongeschikt raken voor veilig en gezond verblijf.

De term heeft bovendien een collectieve en ruimtelijke dimensie. Hij richt zich niet alleen op individuele woningen, maar ook op de voorwaarden waaronder gebieden, steden, eilanden en infrastructuren als geheel kunnen blijven functioneren. Dat onderscheidt artikel 21 van artikel 22a, dat het individuele recht op toegang tot behoorlijke huisvesting beschermt. Beide bepalingen kunnen samenlopen wanneer ecologische of klimatologische ontwikkelingen de kwaliteit of veiligheid van woningen aantasten.

Bescherming en verbetering van het leefmilieu

Het tweede element van artikel 21 betreft de “bescherming en verbetering van het leefmilieu”. Bescherming duidt op behoud en voorkoming van achteruitgang. Verbetering brengt een positieve en ontwikkelingsgerichte dimensie tot uitdrukking. De overheid moet niet uitsluitend verdere schade voorkomen, maar kan ook gehouden zijn reeds aangetaste milieukwaliteit te herstellen of te verbeteren.

Het begrip leefmilieu is ruim. Het kan betrekking hebben op:

-      luchtkwaliteit;

-      waterkwaliteit en -kwantiteit;

-      bodem;

-      natuur en biodiversiteit;

-      geluid en geur;

-      externe veiligheid;

-      afval en grondstoffengebruik;

-      klimaat;

-      kwaliteit van de gebouwde en natuurlijke leefomgeving;

-      samenhang en functioneren van ecosystemen.

De tekst maakt echter niet duidelijk of het leefmilieu uitsluitend wordt beschermd vanwege menselijke gezondheid en bewoonbaarheid of ook zelfstandige ecologische betekenis heeft. Biodiversiteit en ecosystemen kunnen ernstig worden aangetast voordat concrete individuele gezondheidsschade aantoonbaar is. Een modern artikel 21 moet daarom expliciteren dat ecologische systemen ook als noodzakelijke voorwaarden voor het leven en als beschermwaardige samenhangen worden beschermd.

Ook is niet duidelijk wat “verbetering” juridisch verlangt. De formulering kan als richtinggevende opdracht worden gelezen, maar bevat geen meetbaar verbeteringsgebod en evenmin een duidelijke regeling voor situaties waarin op één onderdeel vooruitgang wordt geboekt en op een ander onderdeel achteruitgang optreedt.

Beleids- en begrotingsvrijheid

De huidige bepaling laat de wetgever en het bestuur ruime beleidsvrijheid. Zij kunnen milieubescherming vormgeven door:

-      wettelijke normen;

-      vergunningen;

-      heffingen en subsidies;

-      ruimtelijke planning;

-      convenanten;

-      toezicht en handhaving;

-      publieke investeringen;

-      informatievoorziening;

-      Europese en internationale samenwerking.

Deze ruimte is noodzakelijk. Milieubeleid verlangt technisch complexe afwegingen tussen gezondheid, natuur, woningbouw, energie, infrastructuur, landbouw, werkgelegenheid en andere publieke belangen. De Grondwet kan niet zelf bepalen welke emissiegrens, technologie of beleidsmix in iedere situatie passend is.

De ruime beleidsvrijheid kent in de huidige tekst echter nauwelijks expliciete constitutionele grenzen. Artikel 21 bepaalt niet:

-      welke belangen niet volledig mogen worden opgeofferd;

-      wanneer ernstige schade preventief moet worden voorkomen;

-      hoe moet worden gehandeld bij wetenschappelijke onzekerheid;

-      welke ecologische grenswaarden moeten worden gerespecteerd;

-      welke groepen bijzondere bescherming verdienen;

-      hoe regressie moet worden gerechtvaardigd.

Begrotingsruimte is eveneens groot. De bepaling bevat geen minimumniveau voor investeringen in natuur, waterveiligheid, klimaatadaptatie of toezicht. Daardoor kan een structurele vermindering van capaciteit of onderhoud moeilijk rechtstreeks aan artikel 21 worden getoetst, ook wanneer de gevolgen op langere termijn aanzienlijk zijn.

Beperkte rechtstreekse inroepbaarheid

Artikel 21 is door zijn formulering moeilijk rechtstreeks als individuele aanspraak in te roepen. Een burger kan niet eenvoudig uit de tekst afleiden op welke concrete milieukwaliteit hij recht heeft, welk bestuursorgaan die moet realiseren en welke maatregel kan worden verlangd.

In milieugeschillen beroepen burgers en organisaties zich daarom doorgaans op:

-      wettelijke milieunormen;

-      vergunningvoorschriften;

-      algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

-      Europees en internationaal milieurecht;

-      artikel 2 of artikel 8 EVRM;

-      eigendoms- of huisvestingsbelangen;

-      procedurele rechten op informatie, participatie en rechtsbescherming.

Artikel 21 kan daarbij een ondersteunende interpretatieve functie hebben, maar vormt zelden zelfstandig de beslissende toetsingsmaatstaf. Daardoor ontstaat een verschil tussen de constitutionele erkenning van milieuzorg en de praktische mogelijkheid om die zorg juridisch af te dwingen.

Ontbreken van concrete minimumverplichtingen

Het huidige artikel bevat geen omschrijving van een ecologische minimumkwaliteit. Het bepaalt niet wanneer lucht, water, bodem of natuur zodanig zijn aangetast dat de constitutionele ondergrens wordt overschreden.

Concrete normen worden hoofdzakelijk vastgesteld in nationale en Europese wetgeving. Dat is vanwege hun technische en veranderlijke karakter terecht. De lacune bestaat niet uit het ontbreken van concrete cijfers in de Grondwet, maar uit het ontbreken van een constitutionele opdracht om:

-      voldoende beschermende grenswaarden vast te stellen;

-      deze op de best beschikbare kennis te baseren;

-      cumulatieve belasting te beoordelen;

-      normen periodiek te actualiseren;

-      ernstige overschrijdingen effectief te herstellen;

-      afwijken of versoepelen zwaarwegend te motiveren.

Een herzien artikel 21 zou dus geen emissietabellen hoeven te bevatten, maar wel de constitutionele infrastructuur waarbinnen dergelijke normen worden vastgesteld en gehandhaafd.

Ontbreken van een individuele aanspraak

De huidige tekst formuleert milieubescherming als verantwoordelijkheid van de overheid, niet als recht van “ieder”. Daardoor is niet uitdrukkelijk vastgelegd dat personen een eigen constitutioneel belang hebben bij een gezonde en duurzame leefomgeving.

Een individuele aanspraak zou verschillende functies kunnen vervullen. Zij kan:

-      bescherming bieden tegen ernstige blootstelling;

-      de positie van burgers in vergunning- en handhavingsprocedures versterken;

-      grondrechtenconforme interpretatie stimuleren;

-      de toegang tot effectieve rechtsbescherming ondersteunen;

-      de overheid verplichten individuele gevolgen binnen algemene milieubesluiten zichtbaar af te wegen.

Een individueel recht hoeft niet te betekenen dat iedere burger een bepaalde milieukwaliteit of een volledig risicoloze omgeving kan afdwingen. De wetgever kan het recht concretiseren en de rechter kan de toetsingsintensiteit afstemmen op de ernst van de schade en de aard van de beleidskeuze.

Verslechtering van het leefmilieu

De woorden “bescherming en verbetering” suggereren dat artikel 21 niet alleen op beleidsvorming, maar ook op behoud van bereikte milieukwaliteit is gericht. Toch bevat de bepaling geen uitdrukkelijk non-regressiebeginsel. Daardoor blijft onduidelijk onder welke voorwaarden bestaande bescherming mag worden verminderd.

Niet iedere verslechtering kan grondwettelijk worden verboden. Economische ontwikkeling, woningbouw, infrastructuur en energietransitie kunnen plaatselijk of tijdelijk ecologische lasten veroorzaken. Ook kan verbetering op het ene terrein gepaard gaan met belasting op een ander terrein. Een absoluut verslechteringsverbod zou daarom te rigide zijn.

Wel kan uit de combinatie van bescherming en verbetering worden afgeleid dat substantiële achteruitgang niet zonder afweging en motivering mag plaatsvinden. Het voorgestelde artikel 1d biedt hiervoor een duidelijker algemeen kader. Een aanmerkelijke vermindering van het bereikte ecologische beschermingsniveau moet dan berusten op een wettelijke grondslag, een zwaarwegend doel dienen, noodzakelijk en evenredig zijn en voorafgaan door onderzoek naar minder bezwarende alternatieven.

Artikel 120 en formele wetgeving

De juridische betekenis van artikel 21 wordt verder beperkt door artikel 120 Grondwet. De rechter mag de grondwettigheid van formele wetten en verdragen niet beoordelen. Daardoor kan hij een formele wet die onvoldoende milieubescherming biedt of ernstige ecologische schade toestaat niet wegens strijd met artikel 21 buiten toepassing laten.

Lagere regelgeving en individuele besluiten kunnen wel aan hoger recht en algemene rechtsbeginselen worden getoetst. Ook kunnen formele wetten via de artikelen 93 en 94 buiten toepassing blijven wanneer zij onverenigbaar zijn met eenieder verbindende verdragsbepalingen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Dit stelsel leidt tot een asymmetrie. Internationale en Europese normen kunnen in de rechtspraktijk een krachtiger toetsingsmaatstaf vormen dan het nationale milieugrondrecht. Herziening van artikel 21 krijgt daarom pas volledige juridische betekenis wanneer zij wordt verbonden met herziening van artikel 120 en een duidelijke regeling van toetsingsbevoegdheid en rechtsgevolgen.

2 Wettelijke en bestuurlijke uitwerking

De open zorgplicht van artikel 21 is uitgewerkt in een omvangrijk stelsel van nationale, decentrale, Europese en internationale regelgeving. De bescherming van de fysieke leefomgeving wordt daarmee niet door één milieuwet gerealiseerd, maar door een netwerk van wetten, plannen, programma’s, vergunningen, algemene regels, toezichtsinstrumenten en financiële prikkels.

Omgevingswet en uitvoeringsregelgeving

De Omgevingswet vormt het centrale nationale kader voor de fysieke leefomgeving. Zij integreert verschillende regels over bouwen, milieu, water, natuur, ruimtelijke ordening en infrastructuur. De wet wordt uitgewerkt in algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen, omgevingsvisies, programma’s, omgevingsplannen, provinciale omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen.

De stelselbenadering biedt voordelen. Zij maakt integrale afweging mogelijk, brengt verschillende fysieke belangen binnen één juridisch kader en biedt instrumenten voor gebiedsgericht beleid. Tegelijkertijd blijft de uitvoering complex. De precieze regels en bevoegdheden zijn over verschillende niveaus en instrumenten verspreid.

Ook binnen het geïntegreerde stelsel kunnen afzonderlijke activiteiten onder verschillende bevoegdheden vallen. Zo kunnen voor wateractiviteiten en niet-wateractiviteiten verschillende bevoegde gezagen gelden, waardoor afstemming tussen bijvoorbeeld gemeente en waterschap nodig blijft.

De constitutionele vraag is daarom niet alleen of een geïntegreerde wet bestaat, maar of zij in de praktijk:

-      cumulatieve effecten zichtbaar maakt;

-      verantwoordelijkheden herkenbaar toedeelt;

-      voldoende ecologische ondergrenzen stelt;

-      samenhang tussen beleid en uitvoering verzekert;

-      effectieve monitoring en handhaving mogelijk maakt;

-      burgers begrijpelijke toegang tot informatie en rechtsbescherming biedt.

Omgevingsvisies en plannen

Rijk, provincies en gemeenten gebruiken omgevingsvisies om strategische keuzes over de fysieke leefomgeving vast te leggen. Gemeenten concretiseren regels voor locaties en activiteiten in het omgevingsplan. Provincies kunnen provinciale belangen en instructieregels vastleggen, terwijl waterschappen regels stellen over regionale watersystemen.

Deze instrumenten maken afstemming op lokale en regionale omstandigheden mogelijk. Zij passen daarmee bij polycentrische besluitvorming. Het risico is dat milieukwaliteit uiteenloopt door verschillen in bestuurlijke capaciteit, financiële middelen en politieke prioriteiten.

Een constitutioneel milieurecht moet daarom landelijke minimumnormen combineren met decentrale ruimte. Lokale democratie mag boven de ondergrens verschillende keuzes maken, maar mag niet bepalen of inwoners überhaupt toegang hebben tot een constitutioneel toereikende leefomgeving.

Klimaatwetgeving

De Klimaatwet biedt een wettelijk kader voor het Nederlandse klimaatbeleid en bevat doelstellingen, planning, monitoring en periodieke beleidsvorming. De wet is sinds 1 januari 2026 in gewijzigde vorm van kracht.

Klimaatwetgeving heeft een bijzondere positie. Klimaatverandering is cumulatief, mondiaal en langlopend. Nationale emissies vormen slechts een deel van het wereldwijde probleem, maar ieder land draagt verantwoordelijkheid voor het deel waarop het daadwerkelijk invloed kan uitoefenen.

De Klimaatwet biedt institutionele continuïteit, maar vervangt geen constitutionele grondrechtelijke norm. Een gewone wet kan door een gewone meerderheid worden gewijzigd en valt zolang artikel 120 geldt niet onder constitutionele toetsing. Een versterkt artikel 21 kan daarom een hogere normatieve ondergrens bieden voor klimaatbescherming, zonder concrete reductiepaden rechtstreeks in de Grondwet vast te leggen.

Natuur en biodiversiteit

Natuur- en biodiversiteitsbescherming wordt vormgegeven door nationale regels, de Omgevingswet, Europese natuurregelgeving, gebiedsbescherming, soortenbescherming en beheermaatregelen. Deze bescherming richt zich zowel op specifieke soorten en gebieden als op bredere ecologische samenhang.

Een belangrijke lacune kan ontstaan wanneer bescherming te sterk afhankelijk is van afzonderlijke gebieden, soorten of projecten. Ecosystemen functioneren over bestuurlijke en juridische grenzen heen. Cumulatieve achteruitgang kan ontstaan zonder dat één afzonderlijk besluit als doorslaggevende oorzaak kan worden aangewezen.

Constitutionele bescherming kan hier een overkoepelende functie vervullen door biodiversiteit en ecosystemen als zelfstandige beschermingsobjecten te erkennen en door structureel nalaten toetsbaar te maken.

Waterwetgeving en waterbeheer

Waterbeheer is verdeeld over het Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten. Rijkswaterstaat vervult taken voor rijkswateren, terwijl waterschappen bevoegdheden uitoefenen ten aanzien van regionale wateren. De Omgevingswet maakt daarbij onderscheid tussen wateractiviteiten en andere activiteiten.

Deze functionele decentralisatie biedt specialistische kennis en regionale betrokkenheid. Tegelijkertijd vereisen waterkwaliteit, drinkwatervoorziening, droogte, verzilting, landbouwgebruik en natuurherstel intensieve coördinatie. Besluiten van het ene orgaan kunnen de mogelijkheden van een ander orgaan sterk beïnvloeden.

De constitutionele zorgplicht verlangt daarom meer dan verdeling van afzonderlijke bevoegdheden. Zij vereist dat het stelsel als geheel voldoende bescherming biedt en dat bij grensoverschrijdende of bovenregionale problemen een herkenbare regie bestaat.

Milieuaansprakelijkheid en herstel

Milieuschade kan leiden tot bestuursrechtelijke herstelverplichtingen, civielrechtelijke aansprakelijkheid, kostenverhaal en andere vormen van compensatie. Deze instrumenten geven uitvoering aan het uitgangspunt dat veroorzaakte schade zoveel mogelijk door de verantwoordelijke partij wordt voorkomen en hersteld.

In de praktijk kunnen causale onzekerheid, insolventie, lange tijdsverlopen en verspreide schade herstel bemoeilijken. Historische verontreiniging kan zijn veroorzaakt door ondernemingen die niet meer bestaan of door activiteiten die destijds rechtmatig waren. Sommige ecologische schade is bovendien niet volledig herstelbaar.

Dit onderstreept het belang van preventie, financiële zekerheid en vroegtijdige interventie. Een grondwettelijk herstelbeginsel moet daarom niet worden gelezen als garantie dat iedere schade achteraf ongedaan kan worden gemaakt. Het verlangt wel dat regelgeving herstel mogelijk maakt en dat voorzienbare herstelkosten niet zonder rechtvaardiging bij de gemeenschap terechtkomen.

Energie- en grondstoffenbeleid

Energiebeleid raakt leveringszekerheid, betaalbaarheid, klimaat, ruimtegebruik, natuur en economische ontwikkeling. Grondstoffenbeleid betreft winning, invoer, hergebruik, afval en circulaire productie. Beide terreinen worden mede door Europees recht en marktordening bepaald.

De constitutionele uitdaging is dat noodzakelijke transities zelf ecologische en sociale lasten kunnen veroorzaken. Hernieuwbare energie vraagt bijvoorbeeld ruimte, infrastructuur en materialen. Grondstoffen voor technologie kunnen elders aanzienlijke schade veroorzaken. Een milieugrondrecht mag daarom niet uitsluitend de vermindering van één emissiecategorie beoordelen, maar moet rekening houden met verschuiving van lasten binnen en buiten Nederland.

Vergunningverlening

Vergunningverlening concretiseert algemene milieunormen voor activiteiten en locaties. Zij maakt economische en maatschappelijke activiteiten mogelijk, maar moet tegelijk gezondheid, veiligheid, natuur en leefkwaliteit beschermen.

De vergunningbenadering heeft beperkingen wanneer:

-      bronnen afzonderlijk worden beoordeeld;

-      historische belasting onvoldoende wordt betrokken;

-      vergunningvoorschriften verouderd raken;

-      nieuwe wetenschappelijke kennis niet tot actualisering leidt;

-      toezicht en handhaving onvoldoende capaciteit hebben;

-      verschillende vergunningen onder uiteenlopende bevoegde gezagen vallen.

Een constitutioneel recht op een duurzame leefomgeving verlangt daarom niet alleen rechtmatige vergunningverlening, maar ook een stelsel waarin vergunningen kunnen worden geactualiseerd wanneer ernstige nieuwe risico’s blijken en waarin cumulatieve effecten voldoende worden beoordeeld.

Toezicht en handhaving

Wettelijke normen bieden onvoldoende bescherming wanneer naleving niet wordt gecontroleerd en overtredingen niet effectief worden beëindigd. Toezicht en handhaving zijn daarom onderdeel van de positieve grondrechtenverplichting.

Een tekort kan ontstaan door:

-      onvoldoende personeel en deskundigheid;

-      versnipperde informatie;

-      financiële afhankelijkheid;

-      uiteenlopende lokale prioriteiten;

-      beperkte onderzoeksbevoegdheden;

-      langdurige gedoog- of hersteltermijnen;

-      gebrekkige coördinatie;

-      onvoldoende transparantie over naleving.

De constitutionele norm schrijft niet voor hoeveel inspecteurs of controles nodig zijn. Zij verlangt wel dat een functionerend, onafhankelijk en voldoende toegerust stelsel bestaat en dat bekende ernstige overtredingen niet langdurig zonder redelijke reactie blijven.

Milieueffectrapportage

Milieueffectrapportage heeft een preventieve functie. Zij maakt de relevante gevolgen en alternatieven zichtbaar voordat een besluit wordt genomen. De waarde ervan hangt echter af van:

-      de reikwijdte van het onderzoek;

-      de kwaliteit en onafhankelijkheid van gegevens;

-      beoordeling van cumulatieve effecten;

-      onderzoek naar redelijke alternatieven;

-      tijdige publieke participatie;

-      daadwerkelijke invloed op de uiteindelijke beslissing.

Een milieueffectrapport mag geen administratieve rechtvaardiging achteraf worden. De analyse moet plaatsvinden op een moment waarop verschillende beleidsopties nog openstaan. Een constitutionele langetermijn- en milieutoets kan deze functie versterken.

Omgevingsdiensten

Omgevingsdiensten voeren voor deelnemende overheden belangrijke taken uit op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Zij bundelen specialistische kennis en kunnen problemen behandelen die de capaciteit van afzonderlijke gemeenten overstijgen.

Tegelijkertijd kan hun positie vragen oproepen over:

-      democratische aansturing;

-      onafhankelijkheid;

-      verschillen in financiering;

-      prioritering;

-      uniforme deskundigheids- en kwaliteitsnormen;

-      verhouding tot het bevoegde bestuursorgaan;

-      openbaarheid en aanspreekbaarheid.

Uitbesteding aan een omgevingsdienst verandert niet welk bestuursorgaan juridisch verantwoordelijk is. De constitutionele bescherming mag niet afhankelijk worden van de gekozen organisatorische vorm.

Samenhang en resterende lacunes

De bestaande wetgeving vormt een omvangrijk en gedeeltelijk geïntegreerd beschermingsstelsel. Zij bevat inhoudelijke normen, planinstrumenten, vergunningen, toezicht, handhaving, participatie en rechtsbescherming. Het probleem is daarom niet dat milieubescherming volledig ongeregeld is.

De belangrijkste lacunes liggen in:

-      versnipperde verantwoordelijkheid;

-      onvoldoende beoordeling van cumulatieve effecten;

-      open of moeilijk handhaafbare normen;

-      verschil tussen formele normstelling en feitelijke naleving;

-      onvoldoende institutionele capaciteit;

-      afhankelijkheid van gegevens van gereguleerde ondernemingen;

-      beperkte actualisering bij nieuwe wetenschappelijke kennis;

-      ongelijke bescherming tussen regio’s en groepen;

-      ontbreken van een algemene constitutionele ondergrens.

3 Bestaande grondrechtelijke bescherming

Ook zonder individueel milieugrondrecht kan milieuschade verschillende bestaande grondrechten raken. Deze bepalingen bieden belangrijke deelbescherming, maar benaderen milieuschade telkens vanuit een specifiek menselijk belang. Zij beschermen niet zonder meer ecosystemen of algemene milieukwaliteit als zelfstandige constitutionele waarden.

Leven en lichamelijke integriteit

Ernstige milieu- en klimaatrisico’s kunnen het leven en de lichamelijke integriteit bedreigen. Daaruit kunnen positieve verplichtingen voortvloeien om bekende en reële risico’s te onderzoeken, preventieve maatregelen te treffen en tijdig te waarschuwen.

Deze bescherming is van groot belang bij gevaarlijke industriële activiteiten, overstromingen, ernstige luchtverontreiniging en blootstelling aan giftige stoffen. De drempel ligt echter doorgaans hoog. Niet iedere aantasting van milieukwaliteit vormt onmiddellijk een concrete bedreiging van leven of lichamelijke integriteit.

Een zelfstandig milieugrondrecht kan eerder bescherming bieden, voordat schade zich heeft ontwikkeld tot een acute levens- of gezondheidsbedreiging.

Privé-, familie- en gezinsleven

Ernstige milieuhinder kan het privéleven, gezinsleven en gebruik van de woning aantasten. Geluid, geur, vervuiling en industriële risico’s kunnen mensen belemmeren hun woning en directe leefomgeving normaal te gebruiken.

Deze bescherming biedt zowel negatieve als positieve verplichtingen. De overheid moet zich van ongerechtvaardigde inmenging onthouden en kan gehouden zijn burgers tegen ernstige hinder door private activiteiten te beschermen.

Ook hier blijft het toepassingsbereik beperkt. Algemene aantasting van biodiversiteit of ecosystemen valt niet zonder meer onder het privé- of gezinsleven wanneer geen voldoende nauwe persoonlijke gevolgen bestaan.

Woning en huisrecht

Het huisrecht en het voorgestelde artikel 22a beschermen de woning als plaats van veiligheid, privacy en gezinsleven. Milieuschade kan een woning onveilig, ongezond of feitelijk onbewoonbaar maken. Klimaatrisico’s, bodemverontreiniging, geluid en luchtvervuiling kunnen daarom zowel artikel 21 als het woonrecht raken.

Artikel 22a beschermt primair toegang tot behoorlijke huisvesting en rechtszekerheid bij woningverlies. Artikel 21 moet de kwaliteit van de ruimere ecologische leefomgeving beschermen. Een technisch geschikte woning kan immers in een ernstig vervuilde of ecologisch onveilige omgeving liggen.

Eigendomsbescherming

Milieumaatregelen kunnen eigendom beperken, bijvoorbeeld door bouwverboden, gebruiksbeperkingen, natuurregels, saneringsplichten of onteigening. Omgekeerd kan milieuschade de waarde en het gebruik van eigendom aantasten.

Eigendomsbescherming verlangt een wettelijke grondslag, een legitiem doel en een redelijke verhouding tussen publiek belang en individuele last. Zij biedt echter geen algemeen recht op milieukwaliteit. Bovendien kunnen ondernemingen en grondeigenaren zich juist op eigendom beroepen tegen milieuregulering.

Een herzien artikel 21 maakt een expliciete constitutionele afweging mogelijk tussen eigendom en ecologische bescherming, zonder één belang automatisch voorrang te geven.

Gezondheid

Het voorgestelde artikel 22 beschermt gezondheid en toegang tot zorg. Milieuverontreiniging kan leiden tot gezondheidsklachten en grotere druk op het zorgstelsel. Preventieve bescherming van volksgezondheid kan daarom milieumaatregelen rechtvaardigen.

Artikel 22 richt zich echter primair op gezondheidsbescherming en gezondheidszorg. Artikel 21 heeft een bredere functie en beschermt ook biodiversiteit, bodem en ecosystemen wanneer individuele gezondheidsschade nog niet is aangetoond. Milieubeleid kan niet worden gereduceerd tot medische behandeling of preventie van reeds bekende ziekte.

Toegang tot informatie

Toegang tot milieu-informatie is noodzakelijk voor risicobeoordeling, participatie en rechtsbescherming. Openbaarheid kan betrekking hebben op emissies, vergunningen, onderzoeksgegevens, naleving, incidenten en herstelmaatregelen.

Algemene informatie- en openbaarheidsrechten bieden hiervoor een basis, maar milieugegevens vragen soms om actieve en tijdige openbaarmaking. Informatie die pas na het besluit of na het ontstaan van schade beschikbaar komt, kan haar preventieve functie verliezen.

Bedrijfsvertrouwelijkheid, privacy en veiligheid kunnen beperkingen rechtvaardigen. Emissie- en risicogegevens die noodzakelijk zijn voor bescherming van gezondheid en leefomgeving mogen echter niet zonder zorgvuldige afweging geheim blijven.

Meningsuiting, vereniging en betoging

Milieubescherming is mede afhankelijk van maatschappelijke organisaties, wetenschappers, journalisten, activisten en lokale gemeenschappen. De vrijheid van meningsuiting maakt publieke kritiek en verspreiding van milieu-informatie mogelijk. Verenigingsvrijheid ondersteunt collectieve belangenbehartiging. Vergader- en betogingsvrijheid bieden ruimte voor publieke mobilisatie.

Deze rechten beschermen het democratische proces rond milieubesluitvorming, maar bieden geen inhoudelijke garantie dat milieukwaliteit wordt beschermd. Zij moeten daarom worden aangevuld met toegang tot informatie, betekenisvolle participatie en een materiële milieunorm.

Toegang tot de rechter

Artikel 17, internationale verdragen en wettelijke procedures beschermen de toegang tot een onafhankelijke rechter. In milieuzaken kunnen echter bijzondere drempels bestaan:

-      diffuse schade;

-      technische complexiteit;

-      hoge deskundigenkosten;

-      lange causaliteitsketens;

-      grensoverschrijdende effecten;

-      ontbreken van een rechtstreeks individueel belang;

-      schade die vooral ecosystemen raakt.

Representatieve organisaties en collectieve procedures kunnen daarom noodzakelijk zijn. Effectieve rechtsbescherming verlangt bovendien voorlopige voorzieningen wanneer onomkeerbare schade dreigt.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Milieubesluiten moeten zorgvuldig worden voorbereid, deugdelijk worden gemotiveerd en evenredig zijn. Relevante gegevens en alternatieven moeten worden onderzocht. Belangen van burgers, ondernemingen en natuur moeten kenbaar worden afgewogen.

Artikel 16a over behoorlijk bestuur kan deze procedurele bescherming constitutioneel versterken. Behoorlijk bestuur garandeert echter geen bepaalde milieukwaliteit. Een zorgvuldig genomen besluit kan inhoudelijk nog steeds onvoldoende ecologische bescherming bieden. Daarom is daarnaast een materiële norm nodig.

Grenzen van indirecte bescherming

De bestaande grondrechten bieden gezamenlijk een belangrijk beschermingsnetwerk. Zij zijn echter fragmentarisch. Telkens moet milieuschade worden vertaald naar gezondheid, woning, eigendom, informatie of een procedureel belang. Hierdoor kunnen drie lacunes ontstaan:

-      bescherming treedt pas in bij ernstige en individualiseerbare menselijke schade;

-      diffuse en cumulatieve schade is moeilijk juridisch te adresseren;

-      natuur en ecosystemen worden onvoldoende als zelfstandige beschermingsobjecten erkend.

Een zelfstandig artikel 21 moet deze bestaande rechten niet vervangen, maar verbinden en aanvullen.

4 Constitutionele lacunes

Geen ecologische minimumkwaliteit

De huidige Grondwet omschrijft niet welke ecologische ondergrens moet worden gerespecteerd. Daardoor is niet duidelijk wanneer lucht, water, bodem, biodiversiteit of klimaat constitutioneel ontoereikend worden beschermd.

Een grondwet kan en moet geen technisch gedetailleerde grenswaarden vastleggen. Zij kan wel eisen dat de wetgever op basis van actuele wetenschappelijke kennis beschermende normen stelt, cumulatieve effecten beoordeelt en ernstige overschrijdingen herstelt.

Onduidelijke verhouding tussen menselijke en ecologische belangen

Artikel 21 maakt niet duidelijk of natuur en ecosystemen uitsluitend worden beschermd vanwege hun nut voor mensen of ook vanwege hun zelfstandige ecologische betekenis. Een uitsluitend antropocentrische uitleg kan ertoe leiden dat bescherming pas ontstaat wanneer concrete menselijke schade aannemelijk is.

Een relationele benadering verdient de voorkeur. Mensen zijn afhankelijk van ecosystemen, terwijl biodiversiteit en ecologische samenhang bescherming kunnen vereisen voordat individuele schade precies aantoonbaar is. Dit betekent niet noodzakelijk dat de natuur zelfstandige procespersoon wordt, maar wel dat ecologische belangen niet tot directe economische of menselijke gebruikswaarde worden gereduceerd.

Geen expliciet preventiebeginsel

De huidige bepaling formuleert niet uitdrukkelijk dat milieuschade zoveel mogelijk vooraf moet worden voorkomen. Achteraf herstel kan kostbaar, onvolledig of onmogelijk zijn. Preventie moet daarom een centrale constitutionele plaats krijgen, in het bijzonder bij schadelijke stoffen, biodiversiteitsverlies en langdurige bodem- of waterverontreiniging.

Geen duidelijk kader voor voorzorg

Bij ecologische risico’s bestaat vaak wetenschappelijke onzekerheid. Het ontbreken van volledige zekerheid kan geen automatische reden zijn om maatregelen uit te stellen wanneer ernstige of onomkeerbare schade aannemelijk is.

Tegelijkertijd mag voorzorg niet worden gebruikt om zonder voldoende aanwijzingen iedere activiteit te verbieden. Een constitutioneel voorzorgsbeginsel moet daarom eisen stellen aan:

-      aannemelijkheid van het risico;

-      mogelijke ernst en onomkeerbaarheid;

-      kwaliteit van de beschikbare kennis;

-      proportionaliteit van maatregelen;

-      beschikbaarheid van minder ingrijpende alternatieven;

-      periodieke herbeoordeling.

Geen constitutioneel herstelbeginsel

Artikel 21 noemt verbetering, maar regelt niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor herstel van veroorzaakte schade en de kosten daarvan. Een herzien artikel moet de overheid verplichten een stelsel van herstel, aansprakelijkheid en kostenverhaal in stand te houden.

Herstel is niet altijd volledig mogelijk. Waar feitelijk herstel ontbreekt, kunnen compensatie, vervangende natuur, beperking van verdere schade en financiële verantwoordelijkheid aangewezen zijn. Preventie blijft echter vooropstaan.

Onvoldoende regulering van private vervuilers

De huidige bepaling richt zich tot de overheid, maar werkt niet uit hoe zij burgers tegen private milieumacht moet beschermen. Die bescherming vereist:

-      normstelling;

-      vergunningverlening;

-      toezicht;

-      handhaving;

-      aansprakelijkheid;

-      financiële zekerheid;

-      transparantie;

-      ketenverantwoordelijkheid;

-      collectieve rechtsbescherming.

Artikel 1a kan hiervoor het algemene kader bieden, terwijl artikel 21 de sectorspecifieke beschermingsverplichting formuleert.

Geen expliciete milieurechtvaardigheid

Artikel 21 zegt niets over de verdeling van ecologische lasten en baten. Daardoor bestaat het risico dat beleid alleen op gemiddelde milieuwinst wordt beoordeeld, zonder aandacht voor groepen en gebieden die onevenredig worden belast.

Een herzien artikel moet verlangen dat besluitvorming rekening houdt met:

-      cumulatieve blootstelling;

-      sociaaleconomische kwetsbaarheid;

-      mogelijkheden om schade te vermijden;

-      toegang tot ecologische baten;

-      lasten van verduurzaming;

-      verantwoordelijkheid van vervuilers.

Onvoldoende toetsing van structureel handelen en nalaten

Milieuschade ontstaat vaak door een patroon van besluiten en nalaten, niet door één afzonderlijke handeling. Het huidige stelsel is vooral ingericht op toetsing van concrete besluiten en vergunningen. Daardoor kan structurele ontoereikendheid moeilijk juridisch worden vastgesteld.

Een constitutioneel milieurecht moet daarom ook ruimte bieden voor beoordeling van:

-      langdurig tekortschietende normstelling;

-      gebrekkige handhaving;

-      structurele overschrijding van grenswaarden;

-      ontbreken van noodzakelijke herstelprogramma’s;

-      onvoldoende monitoring;

-      herhaald uitstel ondanks bekende risico’s;

-      afschuiven van verantwoordelijkheid tussen bestuursorganen.

Onduidelijke rechterlijke gevolgen

Ten slotte is niet geregeld welke rechtsgevolgen aan een constitutionele milieuschending moeten worden verbonden. Mogelijke remedies variëren van vernietiging van een vergunning tot een structurele herstelopdracht. Niet iedere schending kan met dezelfde remedie worden opgelost.

De rechter moet individuele en onomkeerbare schade effectief kunnen voorkomen, maar mag niet zonder meer zelf algemeen klimaat-, energie-, landbouw- of natuurbeleid vaststellen. Een gedifferentieerd stelsel van rechtsgevolgen is daarom noodzakelijk:

-      intensieve bescherming bij ernstige en concrete schade;

-      toetsing van wettelijke normen en procedurele waarborgen;

-      buiten toepassing laten of vernietigen van onverenigbare regels en besluiten;

-      herstel van gebrekkige besluitvorming;

-      declaratoire uitspraken en hersteltermijnen bij structureel nalaten;

-      ruimte voor wetgever en bestuur om de beleidsmatige oplossing te kiezen.

De conclusie luidt dat de bestaande wettelijke bescherming omvangrijk is, maar niet wordt gedragen door een voldoende duidelijke constitutionele ondergrens. Artikel 21 erkent milieuzorg, maar structureert niet hoe mensen en ecosystemen worden beschermd, hoe onzekerheid en cumulatie worden behandeld en welk herstel beschikbaar is wanneer het stelsel tekortschiet. Een herzien artikel 21 moet deze lacune vullen zonder de technische uitwerking en democratische beleidskeuzes uit de handen van de wetgever en het bestuur te nemen.

Internationaal en rechtsvergelijkend perspectief

Het internationale en rechtsvergelijkende recht laat een duidelijke ontwikkeling zien van milieubescherming als algemeen beleidsdoel naar milieubescherming als mensenrechtelijk en constitutioneel vraagstuk. Die ontwikkeling is echter niet uniform. Sommige rechtsstelsels beschermen het milieu voornamelijk via positieve verplichtingen die uit bestaande mensenrechten worden afgeleid. Andere erkennen een zelfstandig recht op een gezonde leefomgeving, terwijl weer andere de bescherming van natuur en ecosystemen losmaken van hun onmiddellijke betekenis voor individuele personen.

Voor het Nederlandse ontwerp is vooral de combinatie van deze benaderingen relevant. Een individueel milieugrondrecht kan bescherming bieden tegen ernstige aantasting van gezondheid, wonen en persoonlijk welzijn, terwijl een zelfstandige constitutionele zorgplicht nodig blijft voor diffuse, cumulatieve en langetermijnschade die niet steeds aan één individueel slachtoffer kan worden gekoppeld.

1 EVRM

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bevat geen uitdrukkelijk recht op een schoon, gezond of duurzaam milieu. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft milieubescherming niettemin binnen het bereik van verschillende verdragsrechten gebracht. Centraal staan de artikelen 2 en 8 EVRM, aangevuld met de procedurele waarborgen van de artikelen 6 en 13.

Artikel 2 EVRM: bescherming tegen levensbedreigende milieurisico’s

Artikel 2 EVRM verplicht staten niet alleen zich te onthouden van het onrechtmatig ontnemen van leven, maar kan ook positieve verplichtingen meebrengen om personen te beschermen tegen voorzienbare en voldoende ernstige risico’s voor het leven. Deze bescherming kan relevant zijn bij industriële ongevallen, ernstige verontreiniging, gevaarlijke afvalverwerking, overstromingen, aardverschuivingen en andere natuurlijke of door mensen veroorzaakte gevaren.

De positieve verplichting ontstaat niet bij ieder abstract of statistisch milieurisico. Vereist is in beginsel dat de autoriteiten wisten of redelijkerwijs hadden behoren te weten dat een reëel en ernstig gevaar bestond. Van de staat kan vervolgens worden verlangd dat hij een passend wettelijk en bestuurlijk kader vaststelt, toezicht houdt, beschikbare informatie verzamelt, waarschuwingen geeft en redelijke preventieve maatregelen treft. De verplichting is geen garantie dat iedere schade wordt voorkomen. Beoordeeld wordt of de overheid, gelet op haar kennis en handelingsmogelijkheden, heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden verlangd.

Deze lijn is onder meer ontwikkeld in zaken over explosies, gevaarlijke industriële activiteiten en natuurrampen. In Cannavacciuolo e.a. tegen Italië oordeelde het EHRM in 2025 dat Italië artikel 2 had geschonden doordat het onvoldoende had opgetreden tegen grootschalige illegale afvalstorting en -verbranding in de zogenoemde Terra dei Fuochi. Het Hof verlangde daarbij een integrale strategie, onafhankelijke monitoring en publieke informatievoorziening. Daarmee bevestigde het dat artikel 2 ook structurele maatregelen kan vereisen wanneer ernstige milieugevaren gedurende langere tijd voortbestaan[1].

Artikel 8 EVRM: woning, gezondheid en privéleven

Artikel 8 EVRM is in de milieurechtspraak van het EHRM doorgaans de belangrijkste materiële grondslag. Ernstige milieuoverlast kan het recht op eerbiediging van het privéleven, het gezinsleven en de woning aantasten, ook wanneer de betrokkene niet rechtstreeks in zijn gezondheid is geschaad. Luchtverontreiniging, industriële emissies, geluid, geur, afval, bodemverontreiniging en andere vormen van omgevingsbelasting kunnen onder artikel 8 vallen wanneer zij een voldoende ernstige en directe invloed hebben op het persoonlijke leven of het genot van de woning.

Artikel 8 schept echter geen algemeen recht op natuurbehoud of op een abstract niveau van milieukwaliteit. De aantasting moet de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daadwerkelijk en voldoende ernstig raken. Een louter algemeen belang bij de bescherming van flora, fauna of landschap is onder het EVRM niet steeds voldoende. Daardoor bestaat een spanning tussen de individuele structuur van het Verdrag en het diffuse, collectieve en ecologische karakter van veel milieuschade.

Uit artikel 8 kunnen zowel materiële als procedurele verplichtingen voortvloeien. De staat moet een redelijk evenwicht tot stand brengen tussen de belangen van de betrokken personen, economische en maatschappelijke belangen en de beleidsruimte van de overheid. Daarnaast moet de besluitvorming zorgvuldig zijn ingericht. Burgers moeten relevante risico-informatie kunnen verkrijgen, hun belangen naar voren kunnen brengen en toegang hebben tot een procedure waarin de gevolgen voor hun gezondheid en leefomgeving daadwerkelijk worden beoordeeld.

Artikelen 6 en 13 EVRM: rechtsbescherming

Artikel 6 EVRM kan van toepassing zijn wanneer een milieugeschil beslissend is voor burgerlijke rechten of verplichtingen, bijvoorbeeld bij eigendom, vergunningen, gezondheidsschade of het genot van een woning. Het artikel waarborgt toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter, een eerlijke procedure, behandeling binnen een redelijke termijn en daadwerkelijke uitvoering van rechterlijke uitspraken.

Artikel 13 verlangt een effectief nationaal rechtsmiddel wanneer een verdedigbare klacht over een schending van het EVRM bestaat. In milieuzaken betekent dit dat rechtsbescherming niet uitsluitend formeel beschikbaar mag zijn. Het bevoegde orgaan moet de klacht inhoudelijk kunnen onderzoeken en, wanneer een schending wordt vastgesteld, passend herstel kunnen bieden. Dat herstel kan bestaan uit schorsing of vernietiging van een besluit, beëindiging van een gevaarlijke situatie, verstrekking van informatie of schadevergoeding.

De artikelen 6 en 13 creëren niet zonder meer een actierecht voor iedereen die zich zorgen maakt over het milieu. De ontvankelijkheid blijft verbonden met de persoonlijke rechtspositie van de betrokkene en met de reikwijdte van de betrokken verdragsrechten. Juist bij klimaatverandering en biodiversiteitsverlies kan dit een beperking vormen, omdat oorzaak, schade en verantwoordelijkheid over grote aantallen personen, staten en tijdsperioden zijn verspreid.

Preventie, informatie en procedurele bescherming

De rechtspraak van het EHRM laat zien dat effectieve milieubescherming niet uitsluitend bestaat uit compensatie nadat schade is ontstaan. De overheid kan verplicht zijn vooraf een adequaat regelgevend kader in te richten, vergunningen zorgvuldig te beoordelen, toezicht te houden, risico’s te monitoren en tijdig op te treden. Bij gevaarlijke activiteiten moet besluitvorming berusten op voldoende onderzoek naar aard, omvang en voorzienbaarheid van de risico’s.

Wetenschappelijke onzekerheid ontslaat de overheid niet zonder meer van haar beschermingsverantwoordelijkheid. De betekenis daarvan hangt af van de ernst en waarschijnlijkheid van de mogelijke schade en van de informatie waarover de autoriteiten beschikten of redelijkerwijs konden beschikken. Hoe groter het risico op ernstige of onomkeerbare schade, des te sterker de rechtvaardiging moet zijn om beschermende maatregelen achterwege te laten. Het EVRM bevat evenwel geen zelfstandig en algemeen geformuleerd voorzorgsbeginsel zoals het Unierecht dat kent.

Daarnaast zijn informatie en participatie van zelfstandige betekenis. Personen die mogelijk aan ernstige risico’s worden blootgesteld, moeten in staat worden gesteld de risico’s te begrijpen en hun handelen daarop af te stemmen. De staat kan daarom verplicht zijn relevante informatie actief te verzamelen en toegankelijk te maken. Bij ingrijpende milieubesluiten moet bovendien sprake zijn van een voldoende transparante procedure waarin betrokken belangen kenbaar worden afgewogen.

Beoordelingsruimte van staten

Het EHRM erkent dat milieubeleid complexe wetenschappelijke, economische, sociale en politieke afwegingen vereist. Staten beschikken daarom over een zekere beoordelingsruimte bij de keuze van doelen, instrumenten, tijdpaden en lastenverdeling. Deze beoordelingsruimte is echter niet onbegrensd. Het Hof beoordeelt onder meer of:

-      een adequaat wettelijk en bestuurlijk kader bestaat;

-      relevante risico’s tijdig zijn onderzocht;

-      beschikbare wetenschappelijke kennis is betrokken;

-      belangen van rechtstreeks getroffen personen voldoende zijn meegewogen;

-      maatregelen daadwerkelijk en consistent worden uitgevoerd;

-      informatie, participatie en rechtsbescherming beschikbaar zijn;

-      nalatigheid heeft geleid tot voortdurende of bijzonder ernstige schade.

De toetsing richt zich aldus niet primair op de vraag of het Hof zelf een ander milieubeleid zou hebben gekozen, maar op de vraag of de staat binnen zijn beoordelingsruimte een effectief, samenhangend en zorgvuldig beschermingsstelsel heeft gerealiseerd.

Actuele klimaatjurisprudentie

In Verein KlimaSeniorinnen Schweiz e.a. tegen Zwitserland[2] oordeelde de Grote Kamer in 2024 dat artikel 8 EVRM een recht omvat op effectieve bescherming door de overheid tegen ernstige negatieve gevolgen van klimaatverandering voor leven, gezondheid, welzijn en levenskwaliteit. Zwitserland was tekortgeschoten in de inrichting en toepassing van zijn klimaatbeleid. De vereniging kon de belangen van haar leden vertegenwoordigen, terwijl de vier individuele verzoeksters niet aan de strenge eisen van individueel slachtofferschap voldeden. Ook werd een schending van artikel 6 vastgesteld wegens onvoldoende toegang tot de rechter[3] .

De zaken Duarte Agostinho e.a. tegen Portugal en 32 andere staten en Carême tegen Frankrijk werden daarentegen niet-ontvankelijk verklaard. In Duarte Agostinho vormden de grenzen van extraterritoriale rechtsmacht en het niet-uitputten van nationale rechtsmiddelen doorslaggevende belemmeringen. In Carême ontbrak een voldoende actuele en persoonlijke band met het gestelde risico.

Deze uitspraken tonen zowel de ontwikkeling als de begrenzing van de EVRM-bescherming. Het Verdrag kan staten verplichten tot effectief klimaatbeleid, maar blijft gebaseerd op individueel slachtofferschap, territoriale rechtsmacht en subsidiariteit. Het EVRM biedt daardoor geen volledige constitutionele oplossing voor diffuse ecologische schade, aantasting van ecosystemen of belangen die niet aan concreet identificeerbare personen kunnen worden toegerekend.

2 EU-Handvest en Unierecht

Het Unierecht bevat een aanzienlijk verder ontwikkeld normatief stelsel voor milieubescherming. Dit stelsel bestaat uit primaire verdragsbeginselen, grondrechtelijke waarborgen, omvangrijke sectorspecifieke regelgeving en rechterlijke handhaving.

Artikel 37 EU-Handvest

Artikel 37 van het EU-Handvest bepaalt dat een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu in het beleid van de Unie moeten worden geïntegreerd en overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling moeten worden gewaarborgd. De bepaling heeft vooral het karakter van een beginsel en niet van een volledig zelfstandig subjectief recht waarop iedere burger zonder nadere concretisering aanspraak kan maken.

Artikel 37 heeft niettemin belangrijke interpretatieve betekenis. Unierechtelijke regelgeving en nationale maatregelen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, moeten zoveel mogelijk in overeenstemming met een hoog milieubeschermingsniveau worden uitgelegd. De bepaling ondersteunt bovendien de beoordeling van de rechtmatigheid van milieuregelgeving en van de wijze waarop instellingen milieubelangen in andere beleidsterreinen integreren. Artikel 37 EU-Handvest

Artikel 35 van het Handvest versterkt deze bescherming vanuit het recht op gezondheidszorg en de verplichting een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid in het beleid van de Unie te verzekeren. Artikel 47 waarborgt een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces wanneer door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden worden geschonden. In milieuzaken kan artikel 47 daarom van betekenis zijn voor procesbevoegdheid, toegang tot informatie, voorlopige bescherming en effectieve rechterlijke toetsing.

Artikel 191 VWEU en de milieubeginselen

Artikel 191 VWEU bepaalt dat het milieubeleid van de Unie gericht is op behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de menselijke gezondheid, behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen en het aanpakken van regionale en mondiale milieuproblemen, in het bijzonder klimaatverandering.

Het beleid moet streven naar een hoog beschermingsniveau en berust op vier centrale beginselen:

-      het voorzorgsbeginsel;

-      het beginsel van preventief handelen;

-      het beginsel dat milieuschade bij voorrang aan de bron wordt bestreden;

-      het beginsel dat de vervuiler betaalt.

Deze beginselen hebben ieder een eigen functie. Preventie verlangt optreden voordat voorzienbare schade zich verwezenlijkt. Voorzorg rechtvaardigt maatregelen wanneer wetenschappelijke zekerheid ontbreekt, maar een voldoende aannemelijk risico op ernstige schade bestaat. Bronbestrijding voorkomt dat vervuiling slechts achteraf of elders wordt gecompenseerd. Het beginsel dat de vervuiler betaalt beoogt te voorkomen dat de economische voordelen van vervuilende activiteiten privaat blijven, terwijl herstel- en gezondheidskosten op de samenleving worden afgewenteld.

Deze beginselen geven geen onbeperkte bevoegdheid tot overheidsingrijpen. Maatregelen moeten berusten op voldoende onderzoek, coherent worden toegepast en voldoen aan onder meer evenredigheid, rechtszekerheid en gelijke behandeling. Het voorzorgsbeginsel kan daarom niet worden gebruikt als algemene rechtvaardiging voor willekeurige of uitsluitend hypothetische beperkingen.

Sectorspecifieke regelgeving

De constitutionele betekenis van het Unierecht ligt mede in de omvangrijke concretisering van milieubescherming. Europese regels stellen verplichtingen op het gebied van onder meer:

-      vermindering van broeikasgasemissies;

-      luchtkwaliteit;

-      oppervlakte-, grond- en drinkwater;

-      natuur- en soortenbescherming;

-      industriële emissies;

-      chemische stoffen en pesticiden;

-      afvalbeheer en circulaire economie;

-      milieueffectrapportage;

-      toegang tot milieu-informatie;

-      publieke participatie en rechtsbescherming.

Deze regelgeving kan bindende grenswaarden, vergunningvereisten, monitoringsplichten en herstelverplichtingen bevatten. Daardoor wordt een algemeen streven naar milieubescherming omgezet in concretere juridische normen. Nationale autoriteiten mogen deze normen niet door ruime bestuurlijke afwegingen of ontoereikende handhaving hun nuttige werking ontnemen.

Werkingssfeer en nationale constitutionele bescherming

Op grond van artikel 51 EU-Handvest zijn de bepalingen van het Handvest voor de lidstaten uitsluitend bindend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen of anderszins binnen de werkingssfeer daarvan handelen. Een nationaal milieubesluit valt dus niet automatisch onder het Handvest enkel omdat het milieu wordt geraakt. Er moet een voldoende inhoudelijke band met het Unierecht bestaan.

Wanneer het Unierecht wel van toepassing is, gelden de beginselen van voorrang, eenheid en doeltreffendheid. Nationale constitutionele regels mogen de volle werking van het Unierecht niet belemmeren. Tegelijkertijd kunnen lidstaten, waar het Unierecht daarvoor ruimte laat, een hoger nationaal beschermingsniveau hanteren. Artikel 193 VWEU staat bij harmonisatiemaatregelen op milieugebied in beginsel strengere nationale beschermingsmaatregelen toe, mits zij verenigbaar zijn met de Verdragen.

Een Nederlands milieugrondrecht moet daarom niet worden opgevat als vervanging van het Unierecht, maar als aanvullende constitutionele bescherming. Buiten de werkingssfeer van het Unierecht vult het een bestaande leemte. Binnen die werkingssfeer geeft het richting aan de benutting van nationale beleidsruimte, voor zover de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht worden geëerbiedigd.

3 Internationale verdragen en verklaringen

Het Verdrag van Aarhus

Het Verdrag van Aarhus vormt het belangrijkste internationale kader voor procedurele milieurechten. Het berust op drie onderling verbonden pijlers:

-      toegang tot milieu-informatie;

-      publieke participatie in milieubesluitvorming;

-      toegang tot de rechter.

Het verdrag verbindt milieubescherming met transparantie, publieke betrokkenheid en bestuurlijke verantwoording. Burgers moeten niet pas kunnen optreden wanneer milieuschade onomkeerbaar is geworden. Zij moeten tijdig over relevante informatie kunnen beschikken, betekenisvol aan besluitvorming kunnen deelnemen en handelingen of nalaten die in strijd zijn met het milieurecht bij een onafhankelijke instantie kunnen aanvechten.

Toegang tot informatie omvat zowel de behandeling van individuele informatieverzoeken als, waar passend, actieve openbaarmaking van milieugegevens. Participatie moet plaatsvinden op een moment waarop alternatieven nog daadwerkelijk openstaan. Toegang tot de rechter moet niet alleen formeel bestaan, maar adequate en effectieve rechtsmiddelen bieden. Kosten, procesregels en ontvankelijkheidsvereisten mogen de bescherming niet feitelijk onbereikbaar maken.

Deze structuur is rechtstreeks relevant voor het Nederlandse ontwerp. Een materieel recht op een gezonde leefomgeving kan zonder informatie, participatie en rechtsbescherming moeilijk worden gerealiseerd. De drie Aarhus-pijlers verdienen daarom constitutionele erkenning, terwijl termijnen, uitzonderingsgronden, procesbevoegdheid en uitvoeringsprocedures bij wet nader kunnen worden geregeld.

Sociale mensenrechtenverdragen

Het IVESCR bevat geen afzonderlijk milieugrondrecht, maar milieukwaliteit is nauw verbonden met het recht op een behoorlijke levensstandaard van artikel 11 en het recht op het hoogst haalbare niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid van artikel 12. Schoon drinkwater, voedselveiligheid, sanitaire voorzieningen, gezonde arbeidsomstandigheden en bescherming tegen milieuverontreiniging behoren tot de materiële voorwaarden waaronder deze rechten kunnen worden verwezenlijkt.

Het IVRK versterkt deze bescherming voor kinderen. Milieuverontreiniging en klimaatverandering kunnen hun gezondheid, ontwikkeling, onderwijs, huisvesting en toekomstige levensmogelijkheden onevenredig raken. De verplichting het belang van het kind zwaar te laten wegen betekent dat milieubesluiten niet uitsluitend vanuit gemiddelde of kortetermijneffecten mogen worden beoordeeld.

Het VN-Verdrag handicap verlangt bijzondere aandacht voor personen met een beperking. Milieurisico’s en klimaatmaatregelen kunnen voor hen andere of zwaardere gevolgen hebben, bijvoorbeeld bij evacuatie, hitte, luchtverontreiniging, ontoegankelijke informatie of uitval van zorg- en energievoorzieningen. Milieubeleid moet daarom toegankelijk, inclusief en niet-discriminerend worden vormgegeven.

Klimaat- en biodiversiteitsverdragen

Het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties en de Overeenkomst van Parijs scheppen het internationale kader voor beperking van klimaatverandering, aanpassing aan de gevolgen daarvan, transparantie en internationale samenwerking. Zij laten aanzienlijke ruimte aan staten voor de keuze van nationale maatregelen, maar structureren de beoordeling van nationale klimaatambitie en voortgang.

Het Biodiversiteitsverdrag verplicht staten tot behoud van biodiversiteit, duurzaam gebruik van haar bestanddelen en eerlijke verdeling van voordelen uit genetische hulpbronnen. In samenhang met latere internationale biodiversiteitsafspraken onderstreept dit verdrag dat ecologische bescherming niet kan worden gereduceerd tot voorkoming van directe gezondheidsschade. Ook soorten, habitats en ecosystemen hebben een zelfstandige betekenis voor ecologische stabiliteit.

Deze verdragen bevatten veelal collectieve, procedurele en interstatelijke verplichtingen. Zij verschaffen niet steeds rechtstreeks afdwingbare individuele aanspraken. Hun normen en doelstellingen kunnen echter richting geven aan de uitleg van een nationaal milieugrondrecht en aan de beoordeling of de overheid redelijke, samenhangende en wetenschappelijk onderbouwde maatregelen heeft getroffen.

Internationale erkenning van het milieurecht

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties erkende in 2022 het recht op een schone, gezonde en duurzame leefomgeving als mensenrecht. Deze erkenning is juridisch en politiek betekenisvol, maar de resolutie is niet gelijk te stellen aan een rechtstreeks bindend mensenrechtenverdrag. Zij bevestigt vooral een internationale normatieve ontwikkeling en biedt een interpretatief kader voor bestaande mensenrechtenverplichtingen. OHCHR over VN-resolutie 76/300

Ook internationale milieuverklaringen, waaronder de Verklaringen van Stockholm en Rio, hebben beginselen ontwikkeld over preventie, voorzorg, duurzame ontwikkeling, publieke participatie, milieueffectbeoordeling en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Hoewel dergelijke verklaringen niet zonder meer rechtstreeks afdwingbaar zijn, hebben zij invloed op verdragsvorming, nationale wetgeving en constitutionele interpretatie.

4 Rechtsvergelijkende modellen

Duitsland

Artikel 20a van de Duitse Grondwet verplicht de staat, mede uit verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties, de natuurlijke levensvoorwaarden en de dieren te beschermen. Deze bepaling is primair een objectieve staatsdoelstelling en bevat niet zelfstandig een klassiek individueel milieugrondrecht.

In zijn klimaatuitspraak van 24 maart 2021 verbond het Bundesverfassungsgericht artikel 20a echter met bestaande vrijheidsrechten. Het oordeelde dat ontoereikende emissiereducties in het heden een onevenredig groot deel van het resterende koolstofbudget kunnen verbruiken en daardoor toekomstige vrijheid ingrijpend kunnen beperken. Het Duitse model laat daarmee zien dat een objectieve ecologische opdracht indirect krachtige grondrechtelijke gevolgen kan hebben.

De kracht van dit model ligt in de verbinding tussen ecologische bescherming, wetenschappelijke klimaatbudgetten en vrijheid. Een beperking is dat individuen hun aanspraken doorgaans niet uitsluitend op artikel 20a kunnen baseren.

België

Artikel 23 van de Belgische Grondwet beschermt het recht een menswaardig leven te leiden en noemt daarbij onder meer het recht op bescherming van een gezond leefmilieu. De concrete voorwaarden worden door de bevoegde wetgevers vastgesteld.

In de Belgische rechtspraak is aan sociale en ecologische rechten een standstill- of non-regressiewerking toegekend. Het bereikte beschermingsniveau mag niet aanzienlijk worden verminderd zonder voldoende rechtvaardiging. Het recht maakt beleid daarmee niet onveranderlijk, maar verplicht de overheid substantiële achteruitgang zorgvuldig te motiveren.

Dit model is voor Nederland bijzonder relevant vanwege de combinatie van een individueel geformuleerd recht, wetgevende concretisering en bescherming tegen ongerechtvaardigde regressie.

Frankrijk

De Franse Charte de l’environnement van 2004 heeft constitutionele status en bevat een samenhangend pakket van materiële, procedurele en institutionele milieunormen. Zij erkent onder meer het recht te leven in een evenwichtig milieu dat de gezondheid respecteert, een plicht bij te dragen aan milieubescherming, beginselen van preventie en herstel, het voorzorgsbeginsel en rechten op informatie en participatie.

De Franse benadering laat zien dat verschillende ecologische beginselen constitutioneel kunnen worden onderscheiden zonder dat ieder beginsel een onbeperkte individuele aanspraak wordt. Vooral de expliciete verankering van voorzorg en participatie biedt een bruikbaar voorbeeld. Tegelijkertijd maakt de Franse ervaring duidelijk dat open beginselen een nadere afbakening door wetgever en rechter vereisen.

Portugal

Artikel 66 van de Portugese Grondwet erkent een recht op een gezonde en ecologisch evenwichtige menselijke leefomgeving, alsmede de plicht deze te beschermen. Daarnaast bevat het artikel uitvoerige opdrachten aan de overheid, onder meer inzake voorkoming en bestrijding van vervuiling, ruimtelijke ordening, natuurbehoud en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

Het Portugese model combineert daarmee een subjectief recht met objectieve staatsverplichtingen. Die dubbele structuur sluit aan bij het Nederlandse voorstel: individuele bescherming is nodig wanneer personen rechtstreeks worden geraakt, terwijl algemene ecologische bescherming niet afhankelijk mag zijn van de vraag of één concreet slachtoffer kan worden aangewezen.

Spanje

Artikel 45 van de Spaanse Grondwet erkent het recht op een leefomgeving die geschikt is voor persoonlijke ontwikkeling en legt tevens een plicht tot behoud daarvan op. De overheid moet toezien op rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Overtredingen kunnen leiden tot sancties en een verplichting tot herstel.

De plaatsing van artikel 45 tussen de beginselen van sociaal en economisch beleid beperkt echter de rechtstreekse afdwingbaarheid. Het model illustreert dat een ambitieus geformuleerde milieubepaling zonder duidelijke toetsings- en remedieconstructie grotendeels afhankelijk kan blijven van wetgevende uitwerking.

Noorwegen

Artikel 112 van de Noorse Grondwet erkent een recht op een milieu dat de gezondheid beschermt en op een natuurlijke omgeving waarvan productiviteit en diversiteit behouden blijven. Natuurlijke hulpbronnen moeten vanuit een langetermijnperspectief worden beheerd. Burgers hebben tevens recht op informatie over de toestand van het milieu en over de gevolgen van voorgenomen en uitgevoerde ingrepen.

De bepaling kan juridisch worden ingeroepen, maar de rechtspraak laat aanzienlijke ruimte aan politieke organen, vooral bij complexe klimaat- en energieafwegingen. Noorwegen toont daarmee zowel de waarde van materiële en procedurele constitutionele rechten als het belang van een duidelijke toetsingsintensiteit.

Finland

Artikel 20 van de Finse Grondwet legt de verantwoordelijkheid voor natuur, biodiversiteit, milieu en cultureel erfgoed bij iedereen. De overheid moet streven naar een gezond milieu en waarborgen dat burgers invloed kunnen uitoefenen op besluiten over hun leefomgeving.

Dit model combineert publieke verantwoordelijkheid, maatschappelijke medeverantwoordelijkheid en participatie. Het is minder sterk geformuleerd als individueel materieel recht, maar biedt een breed fundament voor milieuwetgeving en procedurele betrokkenheid.

Zuid-Afrika

Artikel 24 van de Zuid-Afrikaanse Grondwet geeft ieder het recht op een milieu dat niet schadelijk is voor gezondheid of welzijn. Daarnaast moet het milieu voor huidige en toekomstige generaties worden beschermd door redelijke wettelijke en andere maatregelen die vervuiling voorkomen, natuurbehoud bevorderen en ecologisch duurzame ontwikkeling verzekeren.

De Zuid-Afrikaanse formulering onderscheidt een onmiddellijke bescherming tegen schadelijke milieueffecten van ruimere positieve verplichtingen die aan een redelijkheidstoets zijn onderworpen. Hierdoor blijft ruimte bestaan voor sociaaleconomische ontwikkeling en budgettaire afwegingen, terwijl structureel nalaten rechterlijk kan worden beoordeeld.

Deze gelaagdheid vormt een belangrijk voorbeeld voor Nederland: intensievere toetsing bij concrete ernstige schade en een meer terughoudende beoordeling van algemene beleidskeuzes, gericht op redelijkheid, samenhang en daadwerkelijke uitvoering.

Ecuador en rechten van de natuur

De Ecuadoriaanse Grondwet kent rechten toe aan de natuur of Pachamama. Natuur en ecosystemen worden daarin niet uitsluitend beschermd vanwege hun betekenis voor menselijke gezondheid of welvaart, maar ook vanwege hun eigen bestaan, instandhouding en regeneratie. Personen en gemeenschappen kunnen optreden ter bescherming van deze rechten, terwijl herstel een zelfstandige plaats inneemt.

Dit ecocentrische model doorbreekt de klassieke koppeling tussen grondrechten en menselijke rechthebbenden. Het biedt mogelijkheden voor bescherming van ecosystemen zonder dat eerst individuele gezondheidsschade hoeft te worden aangetoond. Tegelijkertijd roept het vragen op over vertegenwoordiging, botsende belangen, institutionele prioritering en de afbakening van rechterlijke bevoegdheden.

Voor Nederland kan dit model inspiratie bieden voor de erkenning van de zelfstandige betekenis van biodiversiteit en ecosystemen. Een volledige overname van zelfstandige rechten van de natuur ligt echter niet voor de hand zonder een afzonderlijke regeling van rechthebbendheid, vertegenwoordiging en rechtsgevolgen.

Vergelijkende beoordeling

Uit de rechtsvergelijking komen drie hoofdmodellen naar voren:

-      De objectieve staatsopdracht, zoals in Duitsland, waarbij ecologische bescherming vooral richting geeft aan wetgever en bestuur.

-      Het subjectieve milieugrondrecht, zoals in België, Portugal, Noorwegen en Zuid-Afrika, waarop personen zich onder voorwaarden rechtstreeks kunnen beroepen.

-      Het ecocentrische model, zoals in Ecuador, waarin natuur en ecosystemen zelfstandige rechten of constitutionele aanspraken bezitten.

De sterkste bescherming ontstaat doorgaans waar een subjectief recht wordt gecombineerd met objectieve staatsverplichtingen, procedurele rechten en een gedifferentieerd stelsel van rechtsgevolgen. Een uitsluitend individueel recht kan tekortschieten bij diffuse schade. Een uitsluitend objectieve zorgplicht kan te weinig rechtsbescherming bieden wanneer concrete personen ernstig worden getroffen. Een verstrekkend stelsel van natuurrechten vraagt daarentegen om institutionele keuzes die verder gaan dan de voorgestelde herziening van artikel 21.

De vergelijking onderstreept bovendien het belang van non-regressie. Een milieugrondrecht moet bestaand beleid niet volledig vastzetten, maar substantiële verlaging van het beschermingsniveau wel onderwerpen aan een verzwaarde rechtvaardigingsplicht.

5 Betekenis voor het Nederlandse ontwerp

Het internationale en rechtsvergelijkende materiaal ondersteunt een gecombineerde constitutionele benadering. Artikel 21 moet niet uitsluitend een zorgplicht of uitsluitend een individueel recht bevatten. Nodig is een gelaagde regeling die persoonlijke bescherming, ecologische systeemverantwoordelijkheid en procedurele waarborgen met elkaar verbindt.

Daaruit volgen acht uitgangspunten.

1. Een individueel recht op een gezonde en ecologisch duurzame leefomgeving

Personen moeten zich op artikel 21 kunnen beroepen wanneer milieu- of klimaatschade hun gezondheid, lichamelijke integriteit, woning, welzijn of maatschappelijke levensmogelijkheden voldoende ernstig raakt. Dit recht hoeft niet afhankelijk te blijven van de indirecte bescherming van andere grondrechten.

Het recht geeft geen aanspraak op een volledig risicoloze leefomgeving. De constitutionele norm moet bescherming bieden tegen ernstige aantasting en tegen overheidshandelen of nalaten waardoor ecologische minimumvoorwaarden onvoldoende worden gewaarborgd.

2. Behoud van een zelfstandige overheidsopdracht

Naast het individuele recht blijft een objectieve zorgplicht noodzakelijk. Biodiversiteitsverlies, bodemuitputting en aantasting van ecosystemen kunnen constitutioneel relevant zijn voordat één individueel slachtoffer kan worden aangewezen. De overheid moet daarom verantwoordelijkheid dragen voor bescherming, verbetering en, waar nodig, herstel van de leefomgeving als geheel.

Deze zorgplicht richt zich tot wetgever, bestuur en andere instellingen die openbaar gezag uitoefenen. Zij verlangt een samenhangend wettelijk en bestuurlijk stelsel, voldoende toezicht en daadwerkelijke handhaving.

3. Expliciete bescherming van essentiële ecologische systemen

De Grondwet moet duidelijk maken dat het milieugrondrecht mede betrekking heeft op klimaat, biodiversiteit, lucht, water, bodem en ecosystemen. Een dergelijke opsomming verduidelijkt de reikwijdte zonder deze uitputtend vast te leggen.

Deze ecologische elementen hangen onderling samen. Besluitvorming mag daarom niet uitsluitend per stof, vergunning of bestuursorgaan plaatsvinden wanneer juist de cumulatie van milieubelastingen tot constitutioneel relevante schade leidt.

4. Preventie, voorzorg en herstel

Preventie moet het uitgangspunt zijn wanneer schade voorzienbaar is. Het voorzorgsbeginsel wordt relevant wanneer volledige wetenschappelijke zekerheid ontbreekt, maar ernstige of onomkeerbare schade aannemelijk is. Herstel is vereist wanneer schade reeds is ontstaan en redelijkerwijs kan worden hersteld.

Deze beginselen zijn geen absolute geboden. Maatregelen moeten noodzakelijk, geschikt en evenredig zijn. De ernst en onomkeerbaarheid van de mogelijke schade, de mate van wetenschappelijke onzekerheid, de maatschappelijke kosten en de gevolgen voor andere grondrechten bepalen mede welke bescherming redelijkerwijs kan worden verlangd.

5. Besluitvorming op basis van wetenschappelijke kennis

Wetgever en bestuur moeten milieubeleid en concrete besluiten baseren op de best beschikbare wetenschappelijke kennis. Dit betekent niet dat iedere wetenschappelijke controverse door de rechter moet worden beslecht. Wel moet kenbaar zijn welke gegevens zijn gebruikt, hoe onzekerheden zijn beoordeeld en waarom van deskundige inzichten of vastgestelde grenswaarden wordt afgeweken.

Ecologische grenswaarden kunnen in beginsel bij wet of krachtens de wet worden vastgesteld. De Grondwet hoeft niet zelf concrete emissie- of kwaliteitsnormen te bevatten, maar moet verhinderen dat wetenschappelijke kennis en bindende grenswaarden zonder deugdelijke motivering terzijde worden geschoven.

6. Informatie, participatie en rechtsbescherming

Het milieugrondrecht moet worden ondersteund door rechten op tijdige milieu-informatie, betekenisvolle participatie en effectieve toegang tot de rechter. Participatie moet plaatsvinden voordat een besluit feitelijk onomkeerbaar is geworden. Informatie moet begrijpelijk en bruikbaar zijn en mag niet uitsluitend bestaan uit grote hoeveelheden technisch ontoegankelijke gegevens.

De wetgever kan de procedure, ontvankelijkheid en uitzonderingsgronden nader regelen. Die uitwerking mag de constitutionele rechten echter niet praktisch illusoir maken. Ook milieuorganisaties moeten onder redelijke voorwaarden collectieve en diffuse ecologische belangen kunnen vertegenwoordigen.

7. Bescherming tegenover private milieumacht

Omdat een belangrijk deel van de milieuschade door private activiteiten wordt veroorzaakt, kan artikel 21 niet uitsluitend betrekking hebben op rechtstreeks overheidshandelen. De overheid moet ondernemingen reguleren, toezicht houden, handhaven en waar nodig herstel of compensatie verlangen.

Dat betekent niet dat iedere grondwettelijke milieunorm automatisch rechtstreeks tussen private partijen geldt. De wetgever moet private verplichtingen concretiseren, rekening houdend met de omvang van de milieumacht, de ernst en voorzienbaarheid van de schade, de beschikbaarheid van alternatieven en de mogelijkheden van de onderneming om schade te voorkomen. De staat blijft verantwoordelijk voor een effectief beschermingskader en kan zich niet zonder meer achter privatisering, vergunningverlening of complexe productieketens verschuilen.

8. Gedifferentieerde rechterlijke toetsing

De intensiteit van rechterlijke toetsing moet afhangen van de aard van de norm en de ernst van de dreiging. Relatief intensieve toetsing ligt voor de hand bij:

-      onmiddellijke en ernstige bedreigingen van leven of gezondheid;

-      overschrijding van bindende ecologische grenswaarden;

-      onomkeerbare schade;

-      discriminatoire verdeling van milieulasten;

-      het ontbreken van informatie, participatie of toegang tot de rechter;

-      structureel tekortschietende uitvoering of handhaving.

Bij algemene beleids-, begrotings- en transitievragen past meer terughoudendheid. De rechter beoordeelt dan vooral of de overheid een samenhangend wettelijk kader heeft vastgesteld, relevante kennis heeft betrokken, redelijke maatregelen heeft genomen, gemaakte keuzes voldoende heeft gemotiveerd en vastgestelde doelen daadwerkelijk uitvoert.

De rechter behoort niet zelf emissiebudgetten, energiebronnen, vergunningenstelsels of investeringsprogramma’s vast te stellen. Hij moet wel kunnen vaststellen dat het bestaande beleid constitutioneel tekortschiet en wetgever of bestuur een redelijke termijn kunnen geven om het gebrek te herstellen. Zo wordt artikel 21 een toetsbare constitutionele norm zonder dat de rechter de primaire verantwoordelijkheid voor milieubeleid van de democratische organen overneemt.

Lees hier het volledige voorstel tot wijziging van de grondwet:

https://www.researchgate.net/publication/414928717_Het_recht_op_een_leefbare_omgeving


 




[1] EHRM, Cannavacciuolo e.a. tegen Italië, no. 51567/14, 30/04/2025

[2] EHRM, Verein KlimaSeniorinnen Schweiz e.o. v. Switzerland, no 53600/20, 9 April 2024,

[3] Grand Chamber rulings in the climate change cases https://www.echr.coe.int/w/grand-chamber-rulings-in-the-climate-change-cases

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties