Wie moet de economie besturen?

 

Polycentrische economische ordening

De voorgaande paragrafen hebben laten zien dat een menswordingseconomie niet door één actor kan worden ontworpen of bestuurd. Gemeenten beschikken over kennis van lokale woon-, arbeids- en mobiliteitsproblemen; regio’s vormen vaak de feitelijke schaal van arbeidsmarkten, vervoersnetwerken, energie-infrastructuur en ecosystemen; nationale staten organiseren sociale zekerheid, belastingheffing en rechtsbescherming; de Europese Unie reguleert de interne markt, mededinging, handel en een belangrijk deel van het klimaat- en financiële beleid; mondiale instituties zijn nodig voor grensoverschrijdende publieke goederen, belastingontwijking, financiële stabiliteit, handelsregels en planetaire grenzen.

De conclusie kan echter niet luiden dat ieder bestuursniveau een deel van de economie bestuurt en dat die niveaus vervolgens vanzelf harmonieus samenwerken. Polycentriciteit is geen beschrijving van bestuurlijke veelheid, maar een specifieke institutionele ordening. Zij veronderstelt meerdere besluitvormingscentra met een zekere autonomie, ingebed in gemeenschappelijke rechtsregels, met procedures voor coördinatie, leren, toezicht en conflictoplossing.

Zonder zulke voorzieningen kan polycentriciteit ontaarden in:

  • versnipperde verantwoordelijkheid;
  • tegenstrijdige regelgeving;
  • afwenteling van kosten op andere gebieden of generaties;
  • concurrentie om bedrijven en belastinggrondslagen;
  • bestuurlijke drukte zonder doorzettingsmacht;
  • ongelijke toegang tot besluitvorming;
  • een situatie waarin iedere actor bevoegd is om te overleggen, maar niemand verantwoordelijk is voor het resultaat.

De centrale vraag is daarom niet of economische ordening centraal óf decentraal moet zijn. De vraag is welke functies op welk schaalniveau moeten worden georganiseerd, welke bevoegdheden gezamenlijk moeten worden uitgeoefend en hoe conflicten tussen legitieme maar botsende belangen worden beslecht.

1 Wat is een polycentrische economische orde?

Paul Dragos Aligica en Vlad Tarko omschrijven polycentriciteit als een stelsel met meerdere besluitvormingscentra die over begrensde en autonome bevoegdheden beschikken en binnen een overkoepelend stelsel van regels opereren. Dat laatste element onderscheidt polycentriciteit van zowel hiërarchische centralisatie als ongeordende fragmentatie. Meerdere centra zijn pas werkelijk polycentrisch wanneer zij:

  1. over eigen beslissingsruimte beschikken;
  2. elkaars bestaan en bevoegdheden erkennen;
  3. door gemeenschappelijke regels worden begrensd;
  4. informatie kunnen uitwisselen;
  5. conflicten kunnen laten beslechten;
  6. van elkaars ervaringen kunnen leren;
  7. onder democratische en juridische controle staan.

Een polycentrische economie bevat zowel territoriale als functionele centra. Territoriale centra zijn gemeenten, regio’s, staten en supranationale verbanden. Functionele centra zijn bijvoorbeeld waterbeheerders, centrale banken, mededingingsautoriteiten, pensioenfondsen, energiecoöperaties, sectororganisaties, sociale partners, toezichthouders en internationale standaardzetters. Sommige daarvan oefenen publieke bevoegdheden uit; andere beschikken over contractuele, financiële of kennisgerelateerde macht.

Polycentriciteit betekent daarom niet dat de staat verdwijnt. De staat blijft noodzakelijk voor grondrechten, herverdeling, belastingheffing, rechtsbescherming en de vaststelling van bindende onder- en bovengrenzen. Evenmin betekent zij dat markten of gemeenschappen alle publieke taken kunnen overnemen. Het model vraagt juist om een institutionele keuze tussen markt, staat, gemeenschap, onderneming en netwerk, afhankelijk van de aard van het probleem.

De ordening kan schematisch als volgt worden weergegeven:

 

Ordeningsvorm

Sterke kant

Structureel risico

Markt

Decentrale informatieverwerking, innovatie en keuzevrijheid

Marktmacht, externe effecten en uitsluiting naar koopkracht

Hiërarchische overheid

Uniforme rechten, herverdeling en doorzettingsmacht

Informatiegebrek, bureaucratisering en eenvormigheid

Gemeenschap of commons

Lokale kennis, wederkerigheid en gedeeld eigenaarschap

Uitsluiting, sociale druk en beperkte schaal

Onderneming

Organisatie van complexe productie en langetermijninvesteringen

Interne machtsasymmetrie en externalisering

Netwerk

Flexibele samenwerking en kennisdeling

Onduidelijke verantwoordelijkheid en informele macht

Polycentrisch stelsel

Combinatie van autonomie, coördinatie en leren

Fragmentatie, veto’s en verantwoordingsverlies

 

De meerwaarde van polycentriciteit ontstaat dus niet door het aantal actoren, maar door de kwaliteit van hun onderlinge relaties.

2 Institutionele economie: niet alleen prijzen, maar ook regels en organisaties

De institutionele economie verwerpt de voorstelling van de economie als een stelsel van transacties dat losstaat van recht, organisaties en maatschappelijke normen. Eigendom, contract, geld, ondernemingsrecht, aansprakelijkheid, mededinging en sociale zekerheid bepalen welke transacties mogelijk zijn, wie onderhandelingsmacht heeft en welke kosten op anderen kunnen worden afgewenteld.

Ronald Coase maakte duidelijk dat markttransacties niet kosteloos zijn. Informatie moet worden gezocht, contracten moeten worden opgesteld, naleving moet worden gecontroleerd en conflicten moeten worden opgelost. Wanneer zulke transactiekosten hoog zijn, kan organisatie binnen een onderneming, overheidsinstelling of samenwerkingsverband doelmatiger zijn dan afzonderlijke marktcontracten. Zijn Nobelprijslezing benadrukt daarom het belang van de institutionele structuur van productie.

Douglass North voegde daaraan toe dat instituties niet alleen huidige transactiekosten beïnvloeden, maar ook verwachtingen, investeringen en ontwikkelingspaden. Formele regels en informele normen kunnen onzekerheid verminderen, maar ook machtsposities en inefficiënte praktijken bestendigen. Institutionele verandering is padafhankelijk: een eenmaal gekozen infrastructuur, eigendomsverdeling of bestuursstructuur beïnvloedt welke latere hervormingen politiek en economisch mogelijk zijn. Norths institutionele analyse waarschuwt daarmee tegen de veronderstelling dat instituties vanzelf naar efficiëntie evolueren.

Oliver Williamson onderzocht vervolgens welke bestuursvorm past bij verschillende soorten transacties. Naarmate investeringen specifieker zijn, onzekerheid groter wordt en contracten onvollediger zijn, neemt de kans op opportunistisch gedrag toe. Een eenvoudig marktcontract kan dan onvoldoende zijn en plaatsmaken voor langdurige samenwerking, regulering of hiërarchische organisatie. De les voor polycentrische ordening is dat niet iedere samenwerking met hetzelfde lichte netwerkarrangement kan worden bestuurd. Een elektriciteitsnet, waterkering of betalingsstelsel vereist andere waarborgen dan een tijdelijk lokaal innovatieproject.

Deze inzichten leiden tot een vergelijkende institutionele benadering. De relevante vraag is niet of overheid, markt of zelforganisatie in abstracto het beste is, maar:

Welke institutionele configuratie verwerkt kennis, beperkt macht, internaliseert externe effecten en waarborgt rechten bij de laagste totale maatschappelijke kosten?

Daarbij omvatten maatschappelijke kosten meer dan administratieve lasten. Ook uitsluiting, rechtsonzekerheid, ecologische schade, wachttijd, machtsconcentratie en verlies van corrigeerbaarheid behoren ertoe.

3 Hayek: het kennisprobleem van centralisatie

Friedrich Hayek formuleerde een fundamenteel bezwaar tegen centrale economische planning. De relevante kennis over behoeften, mogelijkheden, schaarste, vaardigheden en plaatselijke omstandigheden bevindt zich niet bij één centrale actor. Zij is verspreid over burgers, ondernemingen, professionals, gemeenten en maatschappelijke organisaties. In The Use of Knowledge in Society stelt Hayek dat de gegevens van het economische probleem nooit volledig aan één beslisser gegeven zijn; zij bestaan uit verspreide, onvolledige en soms tegenstrijdige kennis.

Marktprijzen kunnen een deel van die informatie samenvatten. Wanneer een grondstof schaarser wordt, geeft een hogere prijs miljoenen actoren een signaal om zuiniger te gebruiken of alternatieven te zoeken, zonder dat zij de oorzaak van de schaarste hoeven te kennen. Dit is een belangrijk argument voor decentrale beslissingsruimte en tegen gedetailleerde centrale productieplanning.

Maar prijzen bevatten niet alle relevante kennis. Zij laten slechts zien welke betalingsbereidheid binnen bestaande inkomens- en eigendomsverhoudingen aanwezig is. Zij weerspiegelen niet vanzelf:

  • behoeften van mensen zonder koopkracht;
  • toekomstige ecologische schade;
  • lokale kennis die niet contractueel wordt geregistreerd;
  • culturele of relationele waarden;
  • onbetaalde zorg;
  • asymmetrische machtsposities;
  • rechten die niet verhandelbaar behoren te zijn.

Hayeks kennisprobleem geldt bovendien niet uitsluitend voor overheden. Ook grote ondernemingen, banken en digitale platforms zijn centrale planners binnen hun eigen domein. Een platform kan miljoenen transacties sturen, prijzen bepalen en toegang tot markten beheersen, terwijl het slechts beperkt inzicht heeft in lokale sociale gevolgen. Het argument tegen kennisconcentratie ondersteunt daarom niet zonder meer laissez-faire. Het ondersteunt een institutionele orde waarin meerdere bronnen van kennis, initiatief en kritiek zelfstandig kunnen functioneren.

Een polycentrische economie neemt Hayeks inzicht serieus door beslissingen zo dicht mogelijk te leggen bij degenen die over relevante ervaringskennis beschikken. Tegelijk stelt zij gemeenschappelijke grenzen vast waar lokale beslissingen effecten hebben op anderen. Decentrale kennis bepaalt mede hoe doelen worden bereikt; democratisch gelegitimeerde instituties bepalen welke rechten en grenzen daarbij gelden.

4 Michael Polanyi: zelfstandige centra binnen een gedeelde orde

Michael Polanyi — niet te verwarren met Karl Polanyi — gebruikte het begrip polycentriciteit voor ordeningen waarin zelfstandige actoren hun handelen wederzijds aanpassen zonder dat één centrale instantie iedere stap voorschrijft. Wetenschap vormde voor hem een belangrijk voorbeeld. Onderzoekers kiezen zelfstandig problemen en methoden, maar werken binnen gedeelde normen van bewijsvoering, kritiek en wetenschappelijke integriteit. De orde ontstaat niet door één onderzoeksplan, maar evenmin door normloze concurrentie.

In The Logic of Liberty verbond Polanyi vrijheid daarom met een institutionele orde. Autonome centra kunnen alleen gezamenlijk kennis en waarde produceren wanneer zij zich oriënteren op gedeelde standaarden. Polycentriciteit is bij hem geen zuiver libertair beginsel. Zij combineert vrijheid van initiatief met een gemeenschappelijke normatieve infrastructuur.

Voor economische ordening betekent dit dat lokale overheden, coöperaties, ondernemingen en publieke instellingen zelfstandig mogen experimenteren, maar niet buiten de rechtsstaat, sociale ondergrenzen of ecologische plafonds kunnen treden. Algemene normen vormen geen ontkenning van polycentriciteit; zij maken betrouwbare wederzijdse aanpassing juist mogelijk.

Het verschil met hiërarchische planning is dat hogere niveaus niet ieder resultaat voorschrijven. Het verschil met ongecoördineerde decentralisatie is dat zij wel:

  • gemeenschappelijke doelen formuleren;
  • minimumrechten bewaken;
  • informatie vergelijkbaar maken;
  • grensoverschrijdende effecten reguleren;
  • conflicten beslechten;
  • succesvolle praktijken verspreiden.

Deze combinatie van autonomie en gedeelde normering vormt de kern van een polycentrische economische rechtsorde.

5 Ostrom: voorbij de dichotomie van markt en staat

Elinor Ostrom toonde empirisch aan dat gemeenschappen onder bepaalde voorwaarden in staat zijn gemeenschappelijke hulpbronnen duurzaam te beheren zonder volledige privatisering of centrale staatscontrole. Irrigatiesystemen, bossen, visgronden en weidegebieden werden in uiteenlopende samenlevingen door gebruikers zelf gereguleerd. Daarmee weerlegde zij niet dat gemeenschappelijke hulpbronnen kunnen worden overgeëxploiteerd, maar wel dat privatisering of centralisering de enige mogelijke oplossingen zijn.

In haar Nobelprijslezing Beyond Markets and States waarschuwt Ostrom voor institutionele monocultuur: complexe problemen hebben zelden één universele bestuursoplossing. Succesvolle gemeenschappelijke instituties vertonen vaak een combinatie van:

  • duidelijk afgebakende gebruikers en hulpbronnen;
  • regels die passen bij plaatselijke omstandigheden;
  • deelname van gebruikers aan de vaststelling en wijziging van regels;
  • controle door of namens betrokkenen;
  • proportionele en oplopende sancties;
  • laagdrempelige conflictoplossing;
  • erkenning van het recht op zelforganisatie;
  • gelaagde of geneste organisaties bij grotere systemen.

Ostroms bijdrage is zowel positief als normatief. Positief laat zij zien dat mensen meer kunnen dan uitsluitend concurreren of gehoorzamen. Zij kunnen regels ontwikkelen, wederkerigheid opbouwen en toezicht gezamenlijk organiseren. Normatief ondersteunt zij instituties waarin betrokkenen geen passieve adressaten zijn, maar medeproducenten van beleid en publieke goederen.

Daaruit volgt niet dat lokale zelforganisatie altijd rechtvaardig of effectief is. Gemeenschappen kunnen nieuwkomers uitsluiten, vrouwen of minderheden minder invloed geven, lokale elites beschermen en schade op naburige gebieden afwentelen. Voor mondiale hulpbronnen zijn deelnemers bovendien niet eenvoudig af te bakenen en zijn monitoring en sanctionering moeilijker. Zelfbestuur heeft daarom altijd een constitutionele omgeving nodig die grondrechten, open toegang tot rechtsbescherming en bescherming tegen externe effecten waarborgt.

De Ostromiaanse vraag luidt niet: kan de staat zich terugtrekken? Zij luidt: welke combinatie van zelfbestuur, publieke normering, monitoring en geneste samenwerking past bij deze concrete hulpbron en gebruikersgemeenschap?

6 Schaalconsistentie als bevoegdhedenbeginsel

Het beginsel van schaalconsistentie houdt in dat de schaal van besluitvorming zo goed mogelijk moet aansluiten bij de schaal waarop kennis, effecten, solidariteit en uitvoeringsvermogen aanwezig zijn. Het is preciezer dan de algemene gedachte dat besluitvorming “zo laag mogelijk” moet plaatsvinden. Soms is een hogere schaal noodzakelijk omdat lagere overheden effecten op anderen kunnen afwentelen, mobiele belastinggrondslagen elkaar kunnen uitspelen of grote ondernemingen afzonderlijke overheden tegen elkaar kunnen uitonderhandelen.

Omgekeerd is een hoger niveau niet vanzelf geschikter omdat een probleem belangrijk of complex is. Centralisering kan lokale kennis verliezen, uniforme regels opleggen waar omstandigheden verschillen en de afstand tot burgers vergroten.

De keuze voor een niveau kan diagnostisch worden weergegeven als:

waarbij:

  • (E_l) staat voor niet-geïnternaliseerde externe effecten;
  • (H_l) voor het verlies door onvoldoende aansluiting bij lokale verschillen;
  • (T_l) voor coördinatie- en transactiekosten;
  • (D_l) voor democratische afstand en verantwoordingsverlies;
  • (C_l) voor capaciteitstekorten.

Deze formule produceert geen automatisch optimaal bestuursniveau. Zij maakt zichtbaar welke kosten vaak impliciet blijven. De keuze is bovendien onderworpen aan harde randvoorwaarden:

Een lager niveau mag dus niet worden gekozen omdat discriminatie of milieuafwenteling daar bestuurlijk goedkoper is. Evenmin mag een hoger niveau lokale democratie uitschakelen enkel omdat uniformering voor grote marktpartijen efficiënter is.

Criteria voor de schaaltoets

Criterium

Vraag

Implicatie

Reikwijdte van effecten

Waar vallen de baten en lasten van het besluit?

Hoe verder de effecten reiken, hoe groter de noodzaak van coördinatie op hogere schaal

Lokale kennis

Hoe belangrijk zijn plaatselijke omstandigheden en ervaringskennis?

Sterke lokale variatie pleit voor decentrale beslissingsruimte

Schaal- en netwerkeffecten

Zijn grote netwerken of uniforme standaarden noodzakelijk?

Kan hogere of gezamenlijke ordening vereisen

Mobiliteit en arbitrage

Kunnen bedrijven, kapitaal of vervuiling eenvoudig uitwijken?

Pleit voor harmonisatie of minimumnormen

Herverdeling

Vereist de taak brede risicodeling of solidariteit?

Pleit doorgaans voor nationale of supranationale financiering

Marktmacht

Kan een private actor afzonderlijke overheden domineren?

Pleit voor tegenmacht op minstens dezelfde schaal

Uitvoeringscapaciteit

Beschikt het niveau over kennis, personeel, gegevens en handhaving?

Bevoegdheid moet met middelen en expertise samengaan

Democratische nabijheid

Kunnen betrokkenen daadwerkelijk deelnemen en corrigeren?

Pleit voor nabijheid, tenzij rechten van anderen worden geschaad

Onomkeerbaarheid

Kan een onjuist besluit later worden hersteld?

Hoge onomkeerbaarheid pleit voor strengere hogere waarborgen

Leerwaarde

Is gecontroleerd lokaal experimenteren mogelijk?

Pleit voor experimenteerruimte en vergelijkende evaluatie

7 Niet één beleidsterrein, maar verschillende functies verdelen

Een veelgemaakte fout is dat een volledig beleidsterrein aan één bestuursniveau wordt toegewezen. In werkelijkheid kunnen normstelling, financiering, uitvoering, monitoring en conflictoplossing op verschillende niveaus thuishoren.

Bij woningbouw kan bijvoorbeeld:

  • de gemeente locaties en lokale inrichting bepalen;
  • de regio woningmarkt- en mobiliteitseffecten afstemmen;
  • de provincie ruimtelijke en ecologische belangen bewaken;
  • het Rijk betaalbaarheid, bouwkwaliteit en verdeling van schaarste reguleren;
  • de Europese Unie regels stellen over energieprestatie, aanbesteding, staatssteun en natuur;
  • een rechter toetsen of besluiten binnen de wettelijke grenzen blijven.

Polycentriciteit vereist daarom een bevoegdhedenregister per functie.

 

Functie

Te beantwoorden vraag

Doel- en normstelling

Wie bepaalt de bindende ondergrens, bovengrens of prestatie?

Financiering

Wie draagt de kosten en wie ontvangt de opbrengsten?

Uitvoering

Wie beschikt over lokale kennis en uitvoeringscapaciteit?

Vergunningverlening

Wie weegt concrete belangen en locatie-effecten?

Monitoring

Wie verzamelt en valideert vergelijkbare gegevens?

Toezicht

Wie kan naleving onderzoeken en interventies opleggen?

Conflictoplossing

Wie beslist bij botsende bevoegdheden of normen?

Evaluatie

Wie beoordeelt onafhankelijk doelbereik en neveneffecten?

Herziening

Wie kan regels aanpassen en onder welke voorwaarden?

 

Voor ieder economisch beleidsprogramma moet dit register vooraf worden ingevuld. Daarmee wordt voorkomen dat verantwoordelijkheden pas na een crisis worden uitgezocht of dat bestuurders naar elkaar verwijzen wanneer doelen niet worden gehaald.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

8 Een indicatieve verdeling van economische functies

Economische functie

Primair niveau

Noodzakelijke verbinding met andere niveaus

Buurtvoorzieningen en lokale commons

Buurt en gemeente

Nationale rechten, lokale financiering en toezicht

Ruimtelijke ordening en woningbouw

Gemeente en regio

Nationale betaalbaarheidsnormen, provinciale ruimte- en natuurbewaking, EU-recht

Arbeidsmarktregio’s en scholing

Regio

Nationale sociale zekerheid en Europees vrij verkeer

Waterbeheer

Stroomgebied, waterschap en regio

Nationale veiligheidsnormen en Europese waterregels

Energiecoöperaties en lokale warmte

Gemeente en gemeenschap

Nationale consumentenbescherming, netwerkregulering en Europees energierecht

Elektriciteitsnet en leveringszekerheid

Nationaal en Europees

Regionale planning en lokale uitvoering

Sociale zekerheid en inkomensherverdeling

Nationaal

Europese coördinatie bij mobiliteit en internationale belastingafspraken

Mededinging en platformmacht

Nationaal en EU

Mondiale samenwerking en lokale effectkennis

Monetair beleid in de eurozone

Europees stelsel van centrale banken

Nationale begrotings- en inkomenspolitiek

Banken en financiële stabiliteit

Nationaal, Europees en mondiaal

Lokale kredietbehoefte en internationale standaarden

Klimaat en planetaire grenzen

Mondiale en Europese doelen

Nationale budgetten, regionale uitvoering en lokale experimenten

Multinationale belastingheffing

Nationaal, EU en mondiaal

Lokale economische ontwikkeling en transparantie

Mondiale handel en ketens

Mondiaal en EU

Nationale handhaving en lokale bescherming van werknemers en ecosystemen

 

Deze tabel is geen permanente grondwet. Technologische ontwikkeling, veranderende marktmacht en nieuwe grensoverschrijdende risico’s kunnen aanleiding geven bevoegdheden te herverdelen. Schaalconsistentie is daarom een herhaalbare toets, geen eenmalige classificatie.

9 Soto-Oñate, Petrovics en Bauwens: polycentrische articulatie

David Soto-Oñate, Daniel Petrovics en Thomas Bauwens verbinden polycentrische governance expliciet met een postgroeitransitie. Hun centrale vraag is hoe samenlevingen de schaal van economische activiteit kunnen aanpassen aan ecologische grenzen zonder democratische autonomie op lagere niveaus op te offeren. Zij spreken van polycentrische articulatie: het herschikken van rechten en verantwoordelijkheden zodat de bestuursstructuur beter aansluit bij het sociaal-ecologische probleem.

In hun in 2026 gepubliceerde artikel onderscheiden zij vier veranderingsprocessen:

Proces

Betekenis

Voorbeeld

Pooling

Zelfstandige actoren brengen bepaalde bevoegdheden of middelen samen in een gezamenlijke instelling

Gemeenten richten gezamenlijk een regionale vervoers- of energieautoriteit op

Cession

Een hoger niveau draagt beslissingsmacht over aan een lager of meer gespecialiseerd centrum

Nationale overheid geeft energiecoöperaties onder voorwaarden ruimte voor lokaal netbeheer

Disaggregation

Gebundelde bevoegdheden worden gesplitst of teruggebracht naar verschillende centra

Productie, netwerkbeheer en toezicht worden institutioneel van elkaar onderscheiden

Appropriation

Een hoger of overkoepelend niveau neemt lokaal ontwikkelde regels over of formaliseert deze

Een succesvolle gemeentelijke norm wordt nationale of Europese standaard

Dit perspectief is waardevol omdat het polycentriciteit dynamisch maakt. Bevoegdheden liggen niet voor altijd vast. Zij kunnen worden samengebracht, overgedragen, gesplitst of opgeschaald. Daarmee ontstaat een institutionele taal voor transitie.

Tegelijkertijd moet iedere verschuiving op vier punten worden getoetst:

  1. verbetert zij de aansluiting tussen probleem en bestuursniveau?
  2. blijft democratische verantwoording herkenbaar?
  3. worden middelen, kennis en uitvoeringscapaciteit mee overgedragen?
  4. kunnen rechten en ecologische grenzen niet worden uitgehold?

Decentralisatie zonder middelen is geen autonomie maar afwenteling. Opschaling zonder vertegenwoordiging is geen coördinatie maar machtsconcentratie. Overname van lokale innovatie kan nuttig zijn, maar mag niet leiden tot een uniforme norm die relevante lokale verschillen vernietigt.

10 Roberto Mangabeira Unger: instituties zijn geen natuurgegeven

Roberto Mangabeira Unger verzet zich tegen de gedachte dat “de markteconomie” één noodzakelijke institutionele vorm heeft. Markten kunnen worden georganiseerd met uiteenlopende eigendomsregimes, ondernemingsvormen, kredietinstellingen, arbeidsverhoudingen en combinaties van publieke en private macht. De bestaande vorm van aandeelhouderskapitalisme is daarom geen neutrale of onvermijdelijke uitkomst van marktwerking, maar één historisch gegroeide institutionele configuratie.

Unger spreekt van institutionele verbeeldingskracht en democratisch experimentalism. Samenlevingen moeten niet wachten op oorlog, crisis of ineenstorting voordat fundamentele instituties kunnen worden aangepast. Zij moeten het vermogen ontwikkelen om onderdelen van hun economische orde stapsgewijs te herzien, alternatieven te beproeven en succesvolle praktijken te verspreiden.

Dit betekent meer dan tijdelijke beleidspilots. Veel pilots testen alleen hoe een bestaand doel binnen ongewijzigde structuren efficiënter kan worden bereikt. Ungers benadering vraagt ook of de structuur zelf anders kan. Bijvoorbeeld:

  • kan toegang tot productief kapitaal anders worden georganiseerd?
  • kunnen coöperatieve, publieke en private eigendomsvormen naast elkaar bestaan?
  • kunnen werknemers meer beslissingsmacht krijgen zonder iedere onderneming identiek te organiseren?
  • kunnen lokale ontwikkelingsbanken en publieke investeringsfondsen kennisintensieve productie breder toegankelijk maken?
  • kunnen markten worden ontworpen om institutionele verscheidenheid te bevorderen in plaats van één ondernemingsmodel te bevoordelen?

Polycentrische ordening biedt daarvoor een infrastructuur. Verschillende regio’s en sectoren kunnen binnen nationale en Europese grenzen alternatieve arrangementen ontwikkelen. De centrale overheid stelt rechten, financiering en evaluatiecapaciteit beschikbaar; decentrale actoren experimenteren met uitvoering en organisatie.

Ungers benadering kent ook risico’s. Voortdurende institutionele verandering kan rechtszekerheid en investeringsbereidheid aantasten. Lokale experimenten kunnen burgers ongelijk behandelen of publieke middelen verspillen. Experimenteerruimte moet daarom aan voorwaarden worden gebonden:

  • een helder maatschappelijk doel;
  • vrijwillige deelname waar rechten of aanspraken worden gewijzigd;
  • een gegarandeerd sociaal en juridisch minimum;
  • vooraf vastgestelde evaluatiecriteria;
  • onafhankelijke gegevensverzameling;
  • een einddatum of heroverwegingsmoment;
  • mogelijkheid tot opschaling, aanpassing of beëindiging;
  • compensatie bij onevenredige schade.

Institutioneel experimentalism is daarmee geen permanente uitzondering op het recht, maar een juridisch vormgegeven leerproces.

11 Polycentriciteit is geen vanzelfsprekende harmonie

Een polycentrisch stelsel bevat actoren met uiteenlopende doelen, bevoegdheden en machtsbronnen. Gemeenten willen werkgelegenheid en woningbouw; regio’s willen bereikbaarheid en economische ontwikkeling; nationale overheden bewaken begroting en energiezekerheid; de Europese Unie stelt markt- en milieuregels; bewoners beschermen leefomgeving en gezondheid; ondernemingen zoeken rendement en voorspelbaarheid.

Conflicten zijn daarom geen systeemfout. Zij maken zichtbaar dat waarden, belangen en verantwoordelijkheden niet samenvallen. Het institutionele probleem is niet hoe conflict kan worden uitgebannen, maar hoe het openbaar, tijdig en rechtvaardig kan worden verwerkt.

Vijf conflicttypen moeten worden onderscheiden:

Conflicttype

Voorbeeld

Passende eerste vraag

Bevoegdheidsconflict

Gemeente en provincie claimen beslissingsruimte

Wie heeft welke wettelijke functie?

Normconflict

Lokale ontwikkelingswens botst met Europese natuurgrens

Is sprake van een harde rechtsnorm of afweegbaar belang?

Verdelingsconflict

Eén regio draagt kosten van nationaal klimaatbeleid

Wie profiteert en wie moet compenseren?

Kennisconflict

Lokale ervaring wijkt af van centraal rekenmodel

Welke kennis ontbreekt en hoe wordt onzekerheid behandeld?

Uitvoeringsconflict

Doel is vastgesteld maar middelen of capaciteit ontbreken

Is de taak uitvoerbaar en adequaat gefinancierd?

Wanneer deze conflicten niet worden onderscheiden, wordt een verdelingsprobleem gemakkelijk gepresenteerd als een technisch verschil van inzicht of wordt ontbrekende financiering ten onrechte als lokale onwil beschouwd.

12 Een polycentrische conflictlader

Voor conflicten tussen bestuursniveaus en functionele autoriteiten is een vaste procedure nodig. Die procedure moet sneller en inhoudelijker zijn dan vrijblijvend bestuurlijk overleg, maar minder rigide dan onmiddellijke rechterlijke beslechting.

Fase 1: kennisgeving en conflictclassificatie

De actor die een conflict voorziet, meldt:

  • welke bevoegdheden en normen botsen;
  • welke groepen de gevolgen ondervinden;
  • of onomkeerbare schade kan optreden;
  • welke termijn voor besluitvorming geldt;
  • welke informatie nog ontbreekt.

Een openbaar bevoegdhedenregister voorkomt dat onduidelijk blijft wie aan zet is.

Fase 2: gezamenlijk feitenkader

De betrokken bestuurslagen stellen een gedeeld feitenrapport op. Verschillen in aannames en onzekerheden worden niet gladgestreken, maar afzonderlijk vermeld. Lokale ervaringskennis, wetenschappelijke expertise en gegevens van uitvoeringsorganisaties krijgen een herkenbare plaats.

Fase 3: toetsing aan harde grenzen

Voordat belangen worden afgewogen, wordt vastgesteld of grondrechten, Europese verplichtingen, ecologische plafonds of wettelijke sociale minima in het geding zijn. Een hogere werkgelegenheidsopbrengst kan discriminatie of overschrijding van een bindende natuurgrens niet zonder meer compenseren.

Fase 4: oplossings- en compensatieoverleg

Indien meerdere rechtmatige oplossingen bestaan, worden varianten onderzocht:

  • aanpassing van locatie, techniek of tijdpad;
  • gezamenlijke uitvoering;
  • tijdelijke afwijking met voorwaarden;
  • aanvullende financiering;
  • compensatie van onevenredig getroffen groepen of gebieden;
  • overdracht of gezamenlijke uitoefening van bevoegdheden.

Fase 5: onafhankelijke bemiddeling

Wanneer partijen niet tot overeenstemming komen, volgt bemiddeling door een onafhankelijk college met juridische, economische, ecologische en bestuurlijke expertise. Het college publiceert een voorstel en maakt zichtbaar welke actor welke kosten afwentelt.

Fase 6: bindende beslissing

Blijft overeenstemming uit, dan beslist de bevoegde hogere autoriteit, rechter of een wettelijk aangewezen geschilcollege. De beslissing moet duidelijk maken:

  • welke norm voorgaat;
  • waarom het gekozen niveau passend is;
  • hoe lasten en baten worden verdeeld;
  • welke compensatie of financiering volgt;
  • wanneer herziening mogelijk is.

Fase 7: ex-postevaluatie

Na uitvoering wordt beoordeeld of het conflict correct is geanalyseerd en of de gekozen bevoegdheidsverdeling nog passend is. Terugkerende conflicten kunnen aanleiding zijn de wettelijke taakverdeling structureel te wijzigen.

Een dergelijke conflictlader voorkomt zowel eindeloos overleg als voortijdige juridisering. Zij erkent dat sommige conflicten door onderhandelen kunnen worden opgelost, terwijl andere een gezaghebbende beslissing vergen.

13 Praktijkcasus: lokale werkgelegenheid tegenover ecologische grenzen

Stel dat een gemeente een groot industrie- en woningbouwproject wil toestaan. Het project belooft banen, inkomsten en woningen, maar verhoogt de stikstofbelasting, vraagt veel netcapaciteit en tast mogelijk een beschermd ecosysteem aan.

In een onuitgewerkt polycentrisch model gaan gemeente, provincie, Rijk, netbeheerder en Europese instanties “met elkaar in overleg”. Dat zegt weinig over de uitkomst. In een operationeel model verloopt de besluitvorming als volgt:

  1. De gemeente onderbouwt de lokale baten, ruimtelijke inpassing en participatie.
  2. De regio beoordeelt arbeidsmarkt, woningmarkt, mobiliteit en regionale alternatieven.
  3. De provincie toetst cumulatieve natuur-, water- en ruimtelijke effecten.
  4. De nationale overheid beoordeelt aansluiting bij sectorale emissiebudgetten, energiebeleid en nationale verdelingsdoelen.
  5. De netbeheerder maakt de feitelijke infrastructuurbeperkingen zichtbaar.
  6. Het EU-recht vormt waar toepasselijk een bindende randvoorwaarde voor natuur, interne markt, staatssteun of aanbesteding.
  7. Een gezamenlijk feitenrapport vergelijkt alternatieve locaties, technieken en faseringen.
  8. Bij een harde ecologische overschrijding kan het project niet in de voorgestelde vorm doorgaan.
  9. Bij oplosbare spanning worden voorwaarden, compensatie en gezamenlijke financiering vastgesteld.
  10. Bij blijvend geschil volgt een bindende, gemotiveerde beslissing met rechtsbescherming.

Wanneer een gemeente afziet van lokaal economisch voordeel om een nationaal of Europees publiek goed te beschermen, ligt het niet voor de hand dat zij alle sociale en financiële kosten alleen draagt. Schaalconsistentie heeft ook een financiële zijde: het niveau waarop de baten van bescherming neerslaan, moet bijdragen aan de kosten van de transitie. Nationale of Europese middelen voor omscholing, infrastructuur en alternatieve werkgelegenheid zijn dan geen gunst, maar onderdeel van een rechtvaardige bevoegdheidsverdeling.

14 Regelgevingskwaliteit: niet minder of meer, maar beter geordend

Een menswordingseconomie vereist regulering van marktmacht, arbeid, financiële risico’s, ondernemingen en ecologische effecten. Tegelijk kan een opeenstapeling van voorschriften bestaanszekerheid, ondernemerschap en uitvoerbaarheid ondermijnen. Vooral kleine ondernemingen, burgers met beperkt doenvermogen en decentrale uitvoeringsorganisaties kunnen disproportioneel worden belast door complexe aanvraag-, verantwoordings- en gegevensvereisten.

Regelgevingskwaliteit kan daarom niet worden gemeten aan het aantal regels. Minder regels kunnen leiden tot rechtsonzekerheid, willekeur of private machtsconcentratie. Meer regels kunnen leiden tot tegenstrijdigheid, onbegrijpelijkheid en uitvoeringsfalen. De relevante vraag is of de regels hun maatschappelijke doel bereiken tegen aanvaardbare juridische, administratieve en verdelingskosten.

Kwaliteitsdimensie

Toetsvraag

Legitimiteit

Is de regel vastgesteld door een bevoegd en democratisch verantwoord orgaan?

Rechtsstatelijkheid

Is de norm duidelijk, voorzienbaar, gelijk toepasbaar en juridisch toetsbaar?

Doelgerichtheid

Is het maatschappelijke probleem helder omschreven?

Noodzaak

Is regulering nodig of bestaan minder belastende instrumenten?

Schaalconsistentie

Is het juiste bestuursniveau gekozen?

Coherentie

Sluit de regel aan op bestaande nationale, Europese en lokale regimes?

Uitvoerbaarheid

Beschikken uitvoerders over tijd, personeel, gegevens en bevoegdheden?

Naleefbaarheid

Kunnen burgers en ondernemingen redelijkerwijs begrijpen en uitvoeren wat wordt verlangd?

Verdeling

Wie draagt administratieve en financiële lasten, en wie profiteert?

Handhaafbaarheid

Is toezicht mogelijk zonder disproportionele gegevensverzameling?

Corrigeerbaarheid

Zijn evaluatie, bezwaar, beroep en herziening geregeld?

Effectiviteit

Verandert de regel de maatschappelijke uitkomst, niet alleen het administratieve proces?

De OECD Regulatory Policy Outlook 2025 en de Europese Better Regulation Guidelines and Toolbox benadrukken terecht impactbeoordeling, consultatie, evaluatie en samenhang gedurende de gehele beleidscyclus. Maar ook zulke instrumenten kunnen ritualiseren. Een uitvoerbaarheidstoets heeft weinig waarde wanneer zij pas wordt uitgevoerd nadat de politieke oplossing al vaststaat. Een consultatie is geen participatie wanneer vooral professioneel georganiseerde belanghebbenden kunnen reageren. Een kosten-batenanalyse kan machts- en verdelingseffecten verbergen wanneer alle gevolgen tot één saldo worden herleid.

Daarom behoren vier aanvullende eisen te gelden:

  • uitvoerders en direct geraakte burgers worden betrokken vóórdat één voorkeursoptie is gekozen;
  • effecten worden uitgesplitst naar inkomensgroep, ondernemingsgrootte, regio en doenvermogen;
  • ernstige aantasting van rechten of ecologische grenzen kan niet door een positief totaalsaldo worden weggestreept;
  • ex-postevaluatie moet kunnen leiden tot daadwerkelijke wijziging of beëindiging.

Een algemene “one in, one out”-regel kan nuttig zijn om administratieve lasten zichtbaar te maken, maar is geen maatstaf voor maatschappelijke kwaliteit. Een veiligheidsnorm kan aanzienlijke nalevingskosten hebben en toch noodzakelijk zijn. Omgekeerd kan een administratief goedkope regel ineffectief of discriminerend zijn. Lastenreductie moet daarom plaatsvinden door vereenvoudiging, gegevensdeling, risicogericht toezicht en samenvoeging van procedures — niet door maatschappelijke bescherming als louter regeldruk te behandelen.

15 Regelgeving als gemeenschappelijke infrastructuur

Goede regels beperken economische activiteit niet alleen, maar maken haar ook mogelijk. Contracten zijn waardevol doordat afdwinging bestaat; markten functioneren doordat eigendom, aansprakelijkheid en mededinging geregeld zijn; digitale diensten zijn bruikbaar doordat interoperabiliteit en gegevensbescherming worden gewaarborgd.

Regelgeving is in die zin een vorm van economische infrastructuur. Net als wegen en digitale netwerken kan zij slecht worden ontworpen, overbelast raken of onvoldoende worden onderhouden. Regelgevingsonderhoud vraagt om:

  • één openbaar register van toepasselijke verplichtingen;
  • samenhangende definities tussen bestuurslagen;
  • gegevensuitwisseling volgens het eenmaligheidsbeginsel;
  • gemeenschappelijke digitale standaarden;
  • periodieke opschoning van tegenstrijdige bepalingen;
  • toegankelijke toelichtingen en beslisbomen;
  • risicogericht en responsief toezicht;
  • vaste evaluatiemomenten;
  • een meldpunt voor uitvoerings- en nalevingsproblemen.

Daarbij moet worden voorkomen dat digitale standaardisering lokale uitzonderingen of menselijke beoordeling onmogelijk maakt. Vereenvoudiging voor het systeem mag niet betekenen dat de burger zich naar een rigide gegevensmodel moet voegen. De mogelijkheid tot gemotiveerd maatwerk en menselijke heroverweging blijft noodzakelijk.

16 De Europese Unie als bestaande polycentrische rechtsorde

De Europese Unie vormt geen klassieke federale staat, maar evenmin slechts een samenwerkingsverband van autonome staten. Zij combineert supranationale wetgeving, nationale uitvoering, Europese rechtspraak, onafhankelijke toezichthouders, regionale overheden en private actoren. Daarmee bezit zij belangrijke polycentrische kenmerken.

De juridische bevoegdheidsverdeling is echter niet uitsluitend het resultaat van een functionele schaalanalyse. Volgens artikel 5 VEU handelt de Unie op basis van bevoegdheidstoedeling. Het gebruik van niet-exclusieve bevoegdheden wordt begrensd door subsidiariteit en proportionaliteit. De Verdragen onderscheiden exclusieve, gedeelde en ondersteunende bevoegdheden. De douane-unie en bepaalde mededingingsregels behoren bijvoorbeeld tot de exclusieve bevoegdheden; interne markt, milieu, energie, vervoer en delen van sociaal beleid zijn gedeelde bevoegdheden; op andere terreinen kan de Unie slechts ondersteunen of coördineren.

Dit betekent dat schaalconsistentie en juridische bevoegdheidstoedeling niet altijd samenvallen. Een probleem kan economisch een Europese aanpak vragen, terwijl de Verdragen slechts beperkte bevoegdheden bieden. Andersom kan harmonisatie juridisch mogelijk zijn, maar onnodig veel lokale variatie uitsluiten. In het eerste geval zijn verdragswijziging, versterkte samenwerking, coördinatie of internationale afspraken nodig. In het tweede geval behoort de Unie ruimte te laten voor nationale of regionale differentiatie.

Voor een polycentrische menswordingseconomie kan de EU-ordening volgens vier beginselen worden ingericht.

Europese ondergrenzen, decentrale uitvoering

Grondrechten, consumentenbescherming, arbeidsminima, ecologische normen en mededingingsregels kunnen als Europese ondergrens gelden. Lidstaten en regio’s behouden ruimte om hogere bescherming of andere uitvoeringsvormen te kiezen, tenzij uniforme regels noodzakelijk zijn voor het functioneren van de gemeenschappelijke voorziening.

Harmonisatie waar arbitrage de norm ondermijnt

Wanneer ondernemingen belasting, toezicht of aansprakelijkheid eenvoudig kunnen ontwijken door zich administratief te verplaatsen, kan nationale autonomie leiden tot een neerwaartse concurrentie. Europese minimumregels zijn dan geen ontkenning van subsidiariteit, maar bescherming van effectieve nationale democratie tegen grensoverschrijdende arbitrage.

Experimenteren binnen gemeenschappelijke rechten

Lidstaten, regio’s en gemeenten moeten alternatieve eigendoms-, aanbestedings- en organisatiemodellen kunnen beproeven, zolang zij fundamentele rechten, transparantie en mededingingswaarborgen respecteren. Europese regelgeving moet niet onbedoeld één ondernemingsmodel als standaard opleggen.

Europese financiering bij Europese baten

Wanneer regio’s kosten dragen voor klimaat-, natuur-, energie- of industriebeleid waarvan de baten Europees zijn, moet Europese financiering een deel van die kosten dragen. Bevoegdheid zonder passende financiering veroorzaakt bestuurlijke afwenteling.

17 Interne markt, staatssteun en institutionele verscheidenheid

De interne markt beschermt vrij verkeer en kan nationale protectionistische barrières verminderen. Zij maakt schaalvoordelen, arbeidsmobiliteit en grensoverschrijdende productie mogelijk. Tegelijk kan een eenzijdige nadruk op markttoegang lokale sociale en ecologische experimenten bemoeilijken.

Een polycentrische economische orde vereist daarom een onderscheid tussen:

  • maatregelen die buitenlandse ondernemingen willekeurig bevoordelen of benadelen;
  • legitieme maatschappelijke voorwaarden die voor vergelijkbare activiteiten gelijk gelden;
  • publieke voorzieningen die niet primair als commerciële marktactiviteit functioneren;
  • tijdelijke steun voor innovatie of rechtvaardige transitie;
  • permanente bescherming van inefficiënte gevestigde belangen.

Staatssteun- en aanbestedingsregels moeten vriendjespolitiek en subsidieconcurrentie voorkomen, maar voldoende ruimte laten voor publieke investeringen, coöperaties, sociale huisvesting, regionale transitie en open innovatie. Die ruimte moet transparant en toetsbaar zijn. “Lokaal” is op zichzelf geen rechtvaardiging; aangetoond moet worden welk publiek doel wordt gediend, waarom marktvoorziening tekortschiet en hoe discriminatie en capture worden voorkomen.

Europese coördinatie is bovendien noodzakelijk om te verhinderen dat lidstaten via subsidies tegen elkaar opbieden en de grootste financiële staten alle industriële activiteit aantrekken. Polycentriciteit veronderstelt verscheidenheid, maar ook solidariteit tussen centra met ongelijke fiscale capaciteit.

 

EU-kader

Wat al bestaat

Wat het model toevoegt

Klimaatwet / Green Deal / Fit for 55

Bindende 2030- en 2050-doelen; sectorale wetgeving

Capability-bodem, consumptie- en materiaalverdeling, correctiedrempels

EU-ETS, ETS2, CBAM, Social Climate Fund

Beprijzing, grensmechanisme en sociale middelen

Basisgebruik beschermen; absolute plafonds; rechtvaardige Noord-Zuidvoorwaarden

DMA / DSA

Gatekeeperplichten, betwistbaarheid en platformverantwoordelijkheid

Eigendom, publieke digitale infrastructuur, werknemers- en datamacht

CSRD / ESRS

Gestandaardiseerde duurzaamheidsinformatie

Juridische gevolgen, herstelplicht en legitimiteitsvoorwaarden

NZIA / CRMA / EU-financiering

Strategische capaciteit en leveringszekerheid

Publieke rendementen, regionale spreiding, lokale waarde in partnerlanden

ECB-klimaat- en natuurbeleid

Risicoanalyse, toezicht en operationele risicobeheersing

Expliciete verdelingsanalyse en democratische mandaatverantwoording

Interne markt / staatssteun

Gelijke toegang en begrenzing subsidieconcurrentie

Ruimte plus gezamenlijke financiering voor sociale en coöperatieve experimenten

 

18 De menswordings-economie en bestaand EU-beleid

Voor een Europese lezer is van belang welke onderdelen van dit model reeds juridisch of beleidsmatig bestaan en waar het model verder gaat. De Europese Green Deal en het Fit for 55-pakket hebben de klimaatneutraliteit in 2050 en een netto-emissiereductie van ten minste 55 procent in 2030 ten opzichte van 1990 in bindend recht en uitvoeringswetgeving vertaald[1]. Het EU-ETS, ETS2, het Carbon Border Adjustment Mechanism en het Social Climate Fund koppelen beprijzing, grenscorrectie en sociale compensatie. Daarmee bestaat al een polycentrische combinatie van Europese plafonds, nationale uitvoering en gedeelde financiering[2].

De menswordings-economie vervangt dit acquis niet, maar stelt aanvullende vragen. Een emissiedoel zegt nog niet of de laagste inkomens over betaalbare warmte, mobiliteit en huisvesting beschikken; een CO₂-prijs zegt niet hoe materiaalgebruik en consumptie-emissies per inkomensgroep zijn verdeeld. Het model voegt daarom capability-drempels, absolute materiaal- en consumptie-indicatoren en vooraf vastgelegde verdelingswaarborgen toe[3].

Ook op digitale markten bestaat een duidelijk aanknopingspunt. De Digital Markets Act legt aangewezen gatekeepers verplichtingen en verboden op om betwistbaarheid en eerlijkheid te bevorderen. De Digital Services Act reguleert onder meer platformverantwoordelijkheid en systeemrisico’s[4]. Het hier ontwikkelde model gaat verder waar het publieke of coöperatieve digitale infrastructuur, datagovernance, werknemerszeggenschap en structurele remedies bespreekt wanneer gedragsregels onvoldoende blijken.

De Corporate Sustainability Reporting Directive en de European Sustainability Reporting Standards verplichten ondernemingen in scope tot gestandaardiseerde duurzaamheidsrapportage[5]. Rapportage is echter geen automatische maatschappelijke legitimatie. De menswordings-economie koppelt informatie aan gevolgen: absolute grenzen, herstelplichten, voorwaarden aan publieke steun, bestuurdersverantwoordelijkheid en — bij ernstige of herhaalde schade — escalatie langs de interventieladder.

Het Net-Zero Industry Act-kader, de Critical Raw Materials Act en Europese herstel- en investeringsinstrumenten erkennen inmiddels dat marktcoördinatie alleen onvoldoende is voor strategische transitie. Zij versnellen capaciteit, projecten en leveringszekerheid[6].Het model voegt criteria toe voor publieke tegenprestaties, regionale spreiding, werknemersmacht, open technologie en mondiale rechtvaardigheid. Een grondstoffenpartnerschap is pas geslaagd wanneer het niet alleen Europese bevoorrading veiligstelt, maar ook lokale waardecreatie, democratische instemming en ecologische grenzen in het partnerland versterkt[7].

Ten slotte verwerkt de ECB klimaat- en natuurgerelateerde risico’s in analyse, toezicht en delen van haar operationele kader, binnen haar mandaat voor prijsstabiliteit[8]. De menswordings-economie maakt explicieter welke democratische verantwoording nodig is wanneer onderpandregels, activa-aankopen of liquiditeitsfaciliteiten sectorale en verdelingseffecten hebben. Zij vraagt geen dagelijkse politieke rentesturing, maar transparante mandaten, openbaar gemaakte effectanalyses en samenhang met bindende Europese klimaatdoelen.

De Europese meerwaarde van het model ligt dus niet in een volledig nieuw stelsel naast de EU. Zij ligt in de verbinding van bestaande instrumenten tot één toetsingskader en in aanvullingen waar het acquis vooral rapporteert, beprijst of coördineert maar nog geen sociale ondergrens, eigendomscorrectie of mondiale verdelingsregel garandeert.

19 Inpasbaarheid in het mondiale stelsel

Op mondiaal niveau bestaat geen volwaardige overheid met algemene wetgevende, fiscale en handhavende bevoegdheden. De economische wereldorde bestaat uit verdragen, internationale organisaties, staten, centrale banken, toezichthouders, ondernemingen, standaardzetters en maatschappelijke netwerken. Zij is reeds polycentrisch, maar slechts gedeeltelijk democratisch en juridisch geordend.

Verschillende mondiale regimes laten verschillende vormen van polycentriciteit zien:

 

Regime

Polycentrisch element

Structurele zwakte

Klimaatakkoord van Parijs

Nationaal bepaalde bijdragen en periodieke mondiale balans

Beperkte afdwingbaarheid en onvoldoende gezamenlijke ambitie

WTO

Nationale beleidsruimte binnen gemeenschappelijke handelsregels

Spanningen tussen markttoegang, ontwikkeling en sociale/ecologische bescherming

FSB en financiële standaardzetters

Internationale normen, nationale implementatie en peer review

Technocratische afstand en ongelijke invloed

Internationale belastingafspraken

Nationale heffing binnen gezamenlijk kader

Uitwijking, uitzonderingen en ongelijke onderhandelingsmacht

ILO

Mondiale arbeidsnormen met nationale ratificatie en uitvoering

Beperkte sancties en informele arbeid buiten bereik

Private ketenstandaarden

Snelle verspreiding via ondernemingen en financiers

Private normstelling zonder volwaardige publieke legitimiteit

 

Het Akkoord van Parijs is een duidelijk voorbeeld van een polycentrisch mechanisme. Staten stellen nationaal bepaalde bijdragen vast, rapporteren over uitvoering en nemen deel aan een periodieke global stocktake. Het vijfjaarlijkse mechanisme moet leren en aanscherping bevorderen. De zwakte is dat de optelsom van nationale toezeggingen niet automatisch de mondiale grens respecteert. Decentrale autonomie zonder adequaat collectief plafond produceert een ambitie- en handhavingstekort.

De Financial Stability Board gebruikt internationale standaarden, nationale uitvoering en peer reviews. Dit kan leren en convergentie bevorderen zonder één mondiale financiële toezichthouder. Maar de democratische controle is beperkt en landen met grote financiële centra hebben in de praktijk meer invloed.

Ook de WTO sluit sociale en ecologische regelgeving niet categorisch uit. Artikel XX GATT biedt onder voorwaarden ruimte voor maatregelen ter bescherming van mens, dier, plant en uitputbare natuurlijke hulpbronnen. Zulke maatregelen mogen echter niet willekeurig discrimineren of een verkapte handelsbelemmering vormen. Dit vergt dat een menswordingseconomie haar keten-, klimaat- en productnormen wetenschappelijk onderbouwt, coherent op binnenlandse productie toepast en ontwikkelingslanden reële aanpassingsmogelijkheden biedt.

20 Beginselen voor mondiale polycentriciteit

Een rechtvaardige mondiale economische ordening kan niet wachten op een wereldstaat. Zij kan stapsgewijs worden opgebouwd uit gelaagde afspraken, mits vijf voorwaarden gelden:

  1. Mondiale minimumgrenzen: internationale afspraken leggen sociale, fiscale, financiële en ecologische minima vast.
  2. Nationale en regionale beleidsruimte: landen mogen boven die minima bescherming bieden en alternatieve institutionele modellen ontwikkelen.
  3. Transparante wederzijdse beoordeling: voortgang, uitzonderingen en afwenteling worden publiek vergelijkbaar gemaakt.
  4. Compensatie en capaciteitsopbouw: armere landen krijgen middelen en technologie om aan gezamenlijke normen te voldoen.
  5. Geschilbeslechting met rechtvaardigheidsdimensie: niet alleen markttoegang, maar ook mensenrechten, historische verantwoordelijkheid en ontwikkelingsruimte worden meegewogen.

Wanneer mondiale consensus ontbreekt, kunnen landen en regio’s voorloperscoalities vormen. Zulke klimaat-, belasting- of arbeidsclubs zijn legitiem wanneer deelname openstaat, eisen transparant zijn en maatregelen niet primair dienen om concurrenten uit armere landen te weren. Clubvorming kan mondiale normontwikkeling versnellen, maar mag geen permanent bestuur door rijke landen worden.

21 Van beginselen naar een mondiaal economisch compact

Mondiale polycentriciteit wordt pas operationeel wanneer normen, middelen, besluitvorming en geschilbeslechting met elkaar zijn verbonden. Een mondiaal economisch compact hoeft geen wereldstaat te vormen. Het kan bestaan uit onderling gekoppelde verdragen en instellingen die minimumgrenzen vastleggen, nationale beleidsruimte beschermen en grensoverschrijdende afwenteling corrigeerbaar maken[9].

Een eerste pijler bestaat uit sociale, fiscale, financiële en ecologische ondergrenzen. Arbeidsnormen, effectieve minimumbelasting, transparantie over uiteindelijk eigendom, klimaat- en biodiversiteitsdoelen en prudentiële minimumeisen begrenzen neerwaartse concurrentie[10]. Landen blijven vrij strengere bescherming te bieden. Minimumregels mogen niet zo worden ontworpen dat rijke landen hun bestaande productiemodel behouden en de aanpassingskosten via productstandaarden naar armere exporteurs verschuiven[11].

Een tweede pijler herverdeelt heffings- en informatiemacht. Publieke country-by-countryrapportage, registers van uiteindelijk belanghebbenden en bronlandrechten maken zichtbaar waar omzet, arbeid, hulpbronnen en winst ontstaan. Internationale belastingafspraken moeten niet alleen een minimumtarief vastleggen, maar ook ontwikkelingslanden een werkbaar aandeel in de heffingsgrondslag geven. Technische ondersteuning en eenvoudige, handhaafbare regels zijn hierbij even belangrijk als formele verdragsrechten[12].

Een derde pijler organiseert staatsschuld. Wanneer een land evident niet houdbaar kan betalen, treedt een tijdelijke standstill in werking, gevolgd door een onafhankelijke analyse waaraan alle belangrijke schuldeisers deelnemen. Uitgaven voor voedsel, gezondheid, onderwijs, klimaataanpassing en minimale energievoorziening krijgen bescherming. Herstructurering verdeelt verliezen tussen debiteur, publieke en private crediteuren en voorkomt dat de snelste beslaglegger de gezamenlijke oplossing ondermijnt[13].

Een vierde pijler financiert de transitie volgens capaciteit en historische verantwoordelijkheid. Concessionele financiering, giften, multilaterale ontwikkelingsbanken en waar passend speciale trekkingsrechten ondersteunen mondiale publieke goederen. Klimaatfinanciering mag niet hoofdzakelijk uit leningen bestaan die schuldenproblemen verdiepen. Projecten worden beoordeeld op lokale publieke waarde, arbeidsrechten, land en water, genderverdeling en technologische leeropbrengst[14].

Een vijfde pijler deelt technologie. Octrooipools, vrijwillige en zo nodig verplichte licenties, gezamenlijke onderzoeksprogramma’s en voorwaarden aan publiek gefinancierde kennis kunnen toegang tot essentiële groene, medische en digitale technologie vergroten. De vergoeding van innovatie blijft mogelijk, maar exclusiviteit wordt beperkt waar zij de verwezenlijking van fundamentele mondiale doelen disproportioneel blokkeert[15].

Een zesde pijler versterkt ketenverantwoordelijkheid. Ondernemingen en financiers moeten aantonen hoe zij mensenrechten-, arbeids- en milieurisico’s voorkomen en herstellen. Getroffen personen krijgen toegang tot informatie, klachtprocedures en een bevoegde rechter. Certificering alleen is onvoldoende wanneer de inkoper prijs- en leveringsvoorwaarden oplegt die naleving economisch onmogelijk maken[16].

Een zevende pijler hervormt vertegenwoordiging. Stemgewichten, bestuurszetels en agenda-invloed in mondiale financiële en standaardzettende instellingen moeten minder sterk afhangen van historisch vermogen of financiële centrumfunctie. Debiteurlanden, kleine staten, werknemers, inheemse gemeenschappen en toekomstige-generatiebelangen krijgen institutionele toegang tot besluitvorming die hun aanpassingsruimte bepaalt[17].

De achtste pijler betreft geschilbeslechting. Handels- en investeringsgeschillen mogen niet uitsluitend verlies van markttoegang of verwachte winst beoordelen. Mensenrechten, ecologische grenzen, ontwikkelingsruimte en de plicht tot niet-afwenteling moeten als volwaardige rechtsgronden kunnen worden ingebracht. Procedures zijn openbaar, rechters onafhankelijk en uitspraken voorzien in herstel in plaats van alleen financiële compensatie[18].

De invoering kan modulair verlopen. De EU en andere voorlopers kunnen hogere normen aan eigen productie, financiering en import stellen, mits zij tegelijk techniek, overgangstijd en financiering bieden en getroffen landen mede over de norm laten beslissen. Zo wordt markttoegang niet gebruikt als eenzijdig machtsmiddel, maar als hefboom voor wederkerige institutionele opbouw[19].

Mechanisme

Huidig tekort

Compact

Doorzettingsmacht

Minimumgrenzen

Race to the bottom

Verdragsnorm + nationale uitvoering

Publieke rapportage en peer review

Belasting

Winstverschuiving en ongelijke heffingsmacht

Country-by-country + bronlandrechten

Belastingautoriteiten en geschilpanel

Schuld

Te late, gefragmenteerde herstructurering

Automatische standstill + workout

Onafhankelijke houdbaarheidsanalyse

Transitie-financiering

Leningen verdiepen kwetsbaarheid

Giften, concessioneel kapitaal, MDB/SDR

Lokale waarde- en rechtentoets

Technologie

Exclusiviteit blokkeert publieke doelen

Pools en licenties

Redelijke vergoeding + toegangsdrempel

Geschillen

Marktrechten domineren publieke waarden

Openbaar multilateraal forum

Mensenrechten- en ecologische tegenvorderingen

 

22 Macht binnen polycentrische stelsels

De aanwezigheid van meerdere beslissingscentra betekent niet automatisch dat macht evenwichtig is verdeeld. Een multinationale onderneming kan over meer financiële middelen, data en juridische expertise beschikken dan tientallen gemeenten samen. Een nationaal ministerie kan informatievoorsprong hebben tegenover decentrale uitvoerders. Professioneel georganiseerde belangengroepen kunnen in ieder overleg aanwezig zijn, terwijl burgers en kleine ondernemingen nauwelijks capaciteit hebben om deel te nemen.

Een machtsanalyse moet daarom voor ieder polycentrisch arrangement vaststellen:

  • wie formele beslissingsbevoegdheid bezit;
  • wie over financiering beschikt;
  • wie informatie en gegevens controleert;
  • wie toegang heeft tot overleg en procedures;
  • wie een besluit kan vertragen of blokkeren;
  • wie de kosten van niet-handelen draagt;
  • wie naar een ander rechtsgebied kan uitwijken;
  • wie achteraf verantwoording moet afleggen.

Macht kan zich bovendien verplaatsen. Wanneer publieke bevoegdheden worden gedecentraliseerd zonder publieke capaciteit, kunnen private adviseurs en marktpartijen feitelijk de besluitvorming overnemen. Wanneer centrale regelgeving sterk leunt op vrijwillige zelfregulering, kan normstelling verschuiven naar ondernemingen die zelf door de norm worden geraakt. Polycentrische ordening vereist daarom niet alleen spreiding van publieke macht, maar ook voldoende publieke en maatschappelijke tegenmacht op ieder niveau.

23 Verantwoording zonder verdwijnpunt

In meerschalige systemen bestaat het risico van wat een verantwoordingsverdwijnpunt kan worden genoemd: iedere actor kan aannemelijk maken dat een andere actor de doorslaggevende bevoegdheid, financiering of informatie bezit. Om dat te voorkomen moet voor ieder beleidsdoel één actor eindverantwoordelijk zijn voor het bijeenbrengen van de verschillende bijdragen. Deze actor hoeft niet alle bevoegdheden zelf te bezitten, maar kan zich niet beroepen op bestuurlijke complexiteit als verklaring voor blijvend falen.

Een verantwoordingsmatrix bevat ten minste:

Vraag

Verplichte vastlegging

Wie stelt het doel vast?

Politiek verantwoord orgaan

Wie coördineert?

Benoemde systeemverantwoordelijke

Wie voert uit?

Concrete publieke of private uitvoerder

Wie financiert?

Meerjarig gedekte bron

Wie meet?

Onafhankelijke gegevensbeheerder

Wie houdt toezicht?

Bevoegde toezichthouder

Wie grijpt in bij falen?

Actor met interventiebevoegdheid

Wie beslecht conflicten?

Vooraf aangewezen college of rechter

Wie rapporteert aan burgers?

Herkenbaar politiek verantwoordelijke

Gedeelde verantwoordelijkheid mag niet betekenen dat verantwoordelijkheid onbepaald is. Voor gezamenlijke taken moeten daarom expliciete samenwerkingsafspraken, termijnen, escalatieregels en financieringsverplichtingen gelden.

24 Indicatoren voor een polycentrische economische orde

De kwaliteit van polycentriciteit kan niet worden afgeleid uit het aantal samenwerkingsverbanden. Een dashboard moet zowel autonomie als coördinatie, uitkomsten en verantwoording meten.

 

Dimensie

Indicator

Schaalconsistentie

Aantal taken waarbij probleem- en bestuursgebied aantoonbaar niet samenvallen

Bevoegdheidshelderheid

Percentage programma’s met een volledig bevoegdhedenregister

Coördinatie

Doorlooptijd en kosten van interbestuurlijke besluitvorming

Conflictoplossing

Aantal conflicten, oplossingsduur en naleving van uitkomsten

Lokale autonomie

Aandeel middelen en bevoegdheden waarover decentrale actoren werkelijk kunnen beslissen

Capaciteit

Personeel, expertise en gegevenskwaliteit per uitvoeringsniveau

Participatie

Deelname van direct geraakte en structureel ondervertegenwoordigde groepen

Rechtsbescherming

Toegankelijkheid, duur en effectiviteit van bezwaar en beroep

Regelgevingscoherentie

Aantal tegenstrijdige, overlappende of dubbel uitgevraagde verplichtingen

Administratieve belasting

Tijd en kosten voor burgers, kleine ondernemingen en uitvoerders

Doelbereik

Sociale, economische en ecologische resultaten per beleidsdomein

Leervermogen

Aantal geëvalueerde experimenten en aantoonbare verspreiding of beëindiging

Machtsbalans

Concentratie van besluit-, data- en financieringsmacht

Corrigeerbaarheid

Tijd tussen vastgesteld falen en daadwerkelijke beleidsaanpassing

 

Deze indicatoren moeten worden uitgesplitst naar regio, inkomensgroep, ondernemingsgrootte en bestuurslaag. Een gemiddelde afname van administratieve lasten kan bijvoorbeeld verhullen dat de lasten voor grote ondernemingen dalen terwijl kleine organisaties juist meer gespecialiseerde kennis moeten inhuren.

25 Tegenargumenten en institutionele risico’s

“Polycentriciteit maakt besluitvorming traag en duur”

Meerdere besluitvormingscentra brengen coördinatiekosten mee. Overleg, gegevensuitwisseling en geschilbeslechting kosten tijd en capaciteit. Centralisering kan daarom passend zijn wanneer snelle uniforme besluitvorming of één technisch netwerk noodzakelijk is.

Maar ook centrale systemen hebben informatie-, uitvoerings- en correctiekosten. Zij kunnen snel besluiten nemen die lokaal niet uitvoerbaar blijken. De juiste vergelijking betreft dus niet het zichtbare overleg in een polycentrisch stelsel tegenover een kosteloze centrale overheid, maar de totale kosten van beide institutionele alternatieven.

“Niemand weet nog wie verantwoordelijk is”

Dat risico is reëel wanneer bevoegdheden overlappen zonder systeemverantwoordelijke en escalatieregels. Het antwoord is geen automatische centralisering, maar een verplicht bevoegdhedenregister, één coördinerende actor en vooraf vastgelegde interventiebevoegdheden.

“Lokale autonomie leidt tot postcodeongelijkheid”

Decentrale variatie kan leiden tot ongelijke toegang tot voorzieningen. Daarom moeten grondrechten en sociale minima op een hoger niveau worden gegarandeerd. Lokale verschillen zijn aanvaardbaar wanneer zij betrekking hebben op vormgeving en aanvulling, niet wanneer zij de wezenlijke toegang tot bestaansvoorwaarden ondermijnen.

“Decentrale overheden worden door lokale elites gekaapt”

Nabijheid vergroot niet alleen participatie, maar kan ook afhankelijkheid en sociale druk versterken. Transparantie, open besluitvorming, onafhankelijke controle, belangenregistratie en toegang tot een hogere rechter blijven daarom noodzakelijk. Lokale autonomie is geen vrijstelling van rechtsstatelijke waarborgen.

“Hogere normen veroorzaken een race to the top die armere regio’s niet kunnen betalen”

Wanneer minimumnormen zonder financiering worden opgelegd, kunnen capaciteitsverschillen inderdaad toenemen. Een hogere overheid die een norm stelt, moet ook aantonen hoe de noodzakelijke middelen, kennis en overgangstijd beschikbaar komen. Gelijke rechten kunnen ongelijke financiële bijdragen vereisen.

“Experimenteren ondermijnt rechtszekerheid”

Onbegrensde afwijking kan rechtsongelijkheid en onzekerheid veroorzaken. Experimenteerbepalingen moeten daarom doel, doelgroep, duur, waarborgen en evaluatie vooraf regelen. Experimenten mogen niet worden gebruikt om fundamentele bescherming tijdelijk buiten werking te stellen.

“Mondiale polycentriciteit is te zwak voor mondiale problemen”

Bij sommige problemen is zij inderdaad onvoldoende. Een mondiaal emissieplafond, regeling voor schuldenherstructurering of belastingminimum kan bindender internationale bevoegdheden vereisen. Polycentriciteit is geen dogma tegen centralisering. Zij helpt bepalen welke functies mondiaal moeten worden geborgd en welke ruimte nationaal, regionaal en lokaal kan blijven.

26 Een transitiepad naar polycentrische economische ordening

Een polycentrische orde kan niet in één institutionele hervorming worden ingevoerd. Zij moet ontstaan door systematische herverdeling en verbinding van bestaande bevoegdheden.

Eerste fase: institutionele inventarisatie

  • breng per economisch domein alle publieke, private en maatschappelijke beslissingscentra in kaart;
  • registreer bevoegdheden, middelen, gegevens en interventierechten;
  • identificeer lacunes, overlap en afwenteling;
  • voer voor belangrijke taken een schaalconsistentietoets uit;
  • benoem per doel een systeemverantwoordelijke.

Tweede fase: conflicten en uitvoering organiseren

  • stel een wettelijke of bestuurlijke conflictlader vast;
  • maak gezamenlijke feitenrapportages verplicht;
  • verbind taakoverdracht aan financiering en uitvoeringscapaciteit;
  • richt onafhankelijke bemiddeling in;
  • versterk toegang tot rechtsbescherming;
  • voer ex-posttoetsing van regelgevingskwaliteit uit.

Derde fase: gecontroleerd institutioneel experimenteren

  • geef regio’s en gemeenten ruimte voor coöperatieve, publieke en private alternatieven;
  • ontwikkel duidelijke experimenteerbepalingen;
  • financier onafhankelijke evaluatie;
  • verspreid succesvolle praktijken via vrijwillige overname of hogere normstelling;
  • beëindig experimenten die rechten, doelmatigheid of ecologische grenzen schaden.

Vierde fase: Europese en mondiale verankering

  • benut Europese minimumnormen tegen sociale, fiscale en ecologische arbitrage;
  • behoud nationale en regionale ruimte boven die minima;
  • koppel Europese doelen aan transitiefinanciering;
  • ontwikkel voorloperscoalities voor klimaat, belasting en financiële regulering;
  • versterk mondiale transparantie, peer review en geschilbeslechting;
  • waarborg ontwikkelingsruimte en institutionele stem voor armere landen.

27 Conclusie: georganiseerde pluraliteit

Een polycentrische economische ordening kiest niet tussen staat, markt en gemeenschap, maar bepaalt welke combinatie van instituties bij een concreet probleem past. Hayek maakt duidelijk waarom verspreide kennis en lokale beslissingsruimte onmisbaar zijn. Michael Polanyi laat zien dat autonome centra alleen functioneren binnen gedeelde regels en waarden. Ostrom toont empirisch dat gemeenschappen hulpbronnen zelf kunnen beheren wanneer grenzen, participatie, monitoring en conflictoplossing goed zijn georganiseerd. Aligica maakt duidelijk dat meerdere centra zonder overkoepelende orde nog geen polycentrisch stelsel vormen. Soto-Oñate, Petrovics en Bauwens beschrijven hoe bevoegdheden door pooling, overdracht, opsplitsing en opschaling dynamisch kunnen worden herschikt. Unger voegt daaraan toe dat de institutionele vorm van de economie geen natuurgegeven is en democratisch kan worden herzien.

Daaruit volgt een precieze opvatting van schaalconsistentie. Besluitvorming vindt zo nabij mogelijk plaats waar lokale kennis, participatie en variatie belangrijk zijn; zij wordt opgeschaald waar externe effecten, netwerken, marktmacht, herverdeling of mobiele grondslagen dat vereisen. Normstelling, financiering, uitvoering, toezicht en conflictoplossing hoeven daarbij niet op hetzelfde niveau te liggen.

De Europese Unie kan binnen dit model functioneren als een rechtsorde die gemeenschappelijke ondergrenzen en grensoverschrijdende marktvoorwaarden vaststelt, terwijl lidstaten en regio’s ruimte houden voor institutionele verscheidenheid. Mondiale instituties moeten collectieve grenzen, transparantie en eerlijke mededingingsvoorwaarden organiseren, zonder nationale ontwikkelingsruimte of lokale zelforganisatie onnodig uit te schakelen.

Polycentriciteit is daarmee geen harmonieus netwerk waarin conflicten door overleg verdwijnen. Zij is georganiseerde pluraliteit: een stelsel dat conflict verwacht, macht zichtbaar maakt, verantwoordelijkheden toedeelt en beslissingen corrigeerbaar houdt. Haar kwaliteit blijkt niet uit het aantal bestuurslagen, maar uit de mate waarin mensen weten wie beslist, kunnen deelnemen, bescherming genieten tegen afwenteling en een falende beslissing daadwerkelijk kunnen laten herzien.

De economische orde wordt zo noch vanuit één centrum beheerst, noch aan ongecoördineerde krachten overgelaten. Zij wordt gedragen door meerdere, begrensde en onderling verbonden centra die kennis en initiatief spreiden, maar verantwoordelijkheid niet laten verdwijnen.

 

Lees het volledige onderzoek:

https://www.researchgate.net/publication/414160039_De_institutionele_architectuur_van_een_democratische_sufficiency-economie




[1] Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit (Europese klimaatwet), PbEU L 243, 9 juli 2021, 1–17, art. 2 en 4, zoals gewijzigd

[2] Richtlijn 2003/87/EG inzake het EU-emissiehandelssysteem, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2023/959; Verordening (EU) 2023/956 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM); Verordening (EU) 2023/955 tot oprichting van een Sociaal Klimaatfonds.

[3] Fanning e.a., ‘Social Shortfall and Ecological Overshoot’, 26–36; Nussbaum, Creating Capabilities, 33–34.

[4] Verordening (EU) 2022/1925, art. 5–7 en 18; Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten (Digital Services Act), PbEU L 277, 27 oktober 2022, 1–102, in het bijzonder art. 34–37.

[5] Richtlijn (EU) 2022/2464, zoals gewijzigd; Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2772, zoals gewijzigd.

[6] erordening (EU) 2024/1735 betreffende het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologie; Verordening (EU) 2024/1252 tot vaststelling van een kader voor een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen; Verordening (EU) 2021/241 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit.

[7] Verenigde Naties, United Nations Declaration on the Rights of Indigenous Peoples, art. 19 en 32; International Labour Organization, Guidelines for a Just Transition, 12–20.

[8] Europese Centrale Bank, ‘ECB Advances Climate and Nature Work after Delivering on 2024–2025 Plan’, 16 januari 2026, https://www.ecb.europa.eu/press/pr/date/2026/html/ecb.pr260116~4b4a05a179.en.html; Europese Centrale Bank, ‘Climate and Nature Strategy’, geraadpleegd 23 augustus 2026, https://www.ecb.europa.eu/ecb/climate/our-climate-and-nature-plan/html/index.en.html.

[9] Elinor Ostrom, ‘Polycentric Systems for Coping with Collective Action and Global Environmental Change’, Global Environmental Change 20, nr. 4 (2010): 550–557, https://doi.org/10.1016/j.gloenvcha.2010.07.004.

[10] International Labour Organization, Guidelines for a Just Transition, 6–20; OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS, Statement on a Two-Pillar Solution to Address the Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy, 8 oktober 2021; Paris Agreement, 12 december 2015, art. 2, 9 en 10.

[11] United Nations Conference on Trade and Development, The State of Commodity Dependence 2025, hfdst. 1–2; Paris Agreement, art. 2, lid 2, en art. 9.

[12] OECD, Transfer Pricing Documentation and Country-by-Country Reporting, Action 13 – 2015 Final Report (Paris: OECD Publishing, 2015), 9–30, https://doi.org/10.1787/9789264241480-en.

[13] Verenigde Naties, Algemene Vergadering, Resolutie 69/319; Guzman, Ocampo en Stiglitz, red., Too Little, Too Late, inleiding en hfdst. 1.

[14] Paris Agreement, art. 9–11; United Nations, Addis Ababa Action Agenda of the Third International Conference on Financing for Development, A/RES/69/313, 27 juli 2015, par. 43–49 en 75–92.

[15] World Trade Organization, Declaration on the TRIPS Agreement and Public Health, par. 4–6; Agreement on Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights, art. 31 en 31bis.

[16] Verenigde Naties, Guiding Principles on Business and Human Rights, beginselen 17–24 en 25–31; OECD, Due Diligence Guidance for Responsible Business Conduct, 20–34.

[17] United Nations, Addis Ababa Action Agenda, par. 103–115.

[18] Nations Conference on Trade and Development, Investment Policy Framework for Sustainable Development (Geneva: UNCTAD, 2015), secties 3–4.

[19] Montreal Protocol on Substances that Deplete the Ozone Layer, 16 september 1987, art. 10, zoals gewijzigd; Meeting of the Parties, Decision II/8, ‘Financial Mechanism’, 29 juni 1990.


Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties