Wie moet de economie besturen?
Polycentrische economische ordening
De voorgaande paragrafen hebben laten
zien dat een menswordingseconomie niet door één actor kan worden ontworpen of
bestuurd. Gemeenten beschikken over kennis van lokale woon-, arbeids- en
mobiliteitsproblemen; regio’s vormen vaak de feitelijke schaal van
arbeidsmarkten, vervoersnetwerken, energie-infrastructuur en ecosystemen;
nationale staten organiseren sociale zekerheid, belastingheffing en
rechtsbescherming; de Europese Unie reguleert de interne markt, mededinging,
handel en een belangrijk deel van het klimaat- en financiële beleid; mondiale
instituties zijn nodig voor grensoverschrijdende publieke goederen,
belastingontwijking, financiële stabiliteit, handelsregels en planetaire
grenzen.
De conclusie kan echter niet luiden dat
ieder bestuursniveau een deel van de economie bestuurt en dat die niveaus
vervolgens vanzelf harmonieus samenwerken. Polycentriciteit is geen
beschrijving van bestuurlijke veelheid, maar een specifieke institutionele
ordening. Zij veronderstelt meerdere besluitvormingscentra met een zekere
autonomie, ingebed in gemeenschappelijke rechtsregels, met procedures voor
coördinatie, leren, toezicht en conflictoplossing.
Zonder zulke voorzieningen kan
polycentriciteit ontaarden in:
- versnipperde verantwoordelijkheid;
- tegenstrijdige regelgeving;
- afwenteling van kosten op andere gebieden of generaties;
- concurrentie om bedrijven en belastinggrondslagen;
- bestuurlijke drukte zonder doorzettingsmacht;
- ongelijke toegang tot besluitvorming;
- een situatie waarin iedere actor bevoegd is om te overleggen, maar
niemand verantwoordelijk is voor het resultaat.
De centrale vraag is daarom niet of
economische ordening centraal óf decentraal moet zijn. De vraag is welke
functies op welk schaalniveau moeten worden georganiseerd, welke bevoegdheden
gezamenlijk moeten worden uitgeoefend en hoe conflicten tussen legitieme maar
botsende belangen worden beslecht.
1 Wat is een
polycentrische economische orde?
Paul Dragos Aligica en Vlad Tarko
omschrijven polycentriciteit als een stelsel met meerdere besluitvormingscentra
die over begrensde en autonome bevoegdheden beschikken en binnen een
overkoepelend stelsel van regels opereren. Dat laatste element onderscheidt
polycentriciteit van zowel hiërarchische centralisatie als ongeordende
fragmentatie. Meerdere centra zijn pas werkelijk polycentrisch wanneer zij:
- over eigen beslissingsruimte beschikken;
- elkaars bestaan en bevoegdheden erkennen;
- door gemeenschappelijke regels worden begrensd;
- informatie kunnen uitwisselen;
- conflicten kunnen laten beslechten;
- van elkaars ervaringen kunnen leren;
- onder democratische en juridische controle staan.
Een polycentrische economie bevat zowel
territoriale als functionele centra. Territoriale centra zijn gemeenten,
regio’s, staten en supranationale verbanden. Functionele centra zijn
bijvoorbeeld waterbeheerders, centrale banken, mededingingsautoriteiten,
pensioenfondsen, energiecoöperaties, sectororganisaties, sociale partners,
toezichthouders en internationale standaardzetters. Sommige daarvan oefenen
publieke bevoegdheden uit; andere beschikken over contractuele, financiële of
kennisgerelateerde macht.
Polycentriciteit betekent daarom niet
dat de staat verdwijnt. De staat blijft noodzakelijk voor grondrechten,
herverdeling, belastingheffing, rechtsbescherming en de vaststelling van
bindende onder- en bovengrenzen. Evenmin betekent zij dat markten of gemeenschappen
alle publieke taken kunnen overnemen. Het model vraagt juist om een
institutionele keuze tussen markt, staat, gemeenschap, onderneming en netwerk,
afhankelijk van de aard van het probleem.
De ordening kan schematisch als volgt
worden weergegeven:
|
Ordeningsvorm |
Sterke kant |
Structureel risico |
|
Markt |
Decentrale
informatieverwerking, innovatie en keuzevrijheid |
Marktmacht, externe
effecten en uitsluiting naar koopkracht |
|
Hiërarchische overheid |
Uniforme rechten,
herverdeling en doorzettingsmacht |
Informatiegebrek,
bureaucratisering en eenvormigheid |
|
Gemeenschap of commons |
Lokale kennis,
wederkerigheid en gedeeld eigenaarschap |
Uitsluiting, sociale druk
en beperkte schaal |
|
Onderneming |
Organisatie van complexe
productie en langetermijninvesteringen |
Interne machtsasymmetrie
en externalisering |
|
Netwerk |
Flexibele samenwerking en
kennisdeling |
Onduidelijke
verantwoordelijkheid en informele macht |
|
Polycentrisch stelsel |
Combinatie van autonomie,
coördinatie en leren |
Fragmentatie, veto’s en
verantwoordingsverlies |
De meerwaarde van polycentriciteit
ontstaat dus niet door het aantal actoren, maar door de kwaliteit van hun onderlinge
relaties.
2 Institutionele
economie: niet alleen prijzen, maar ook regels en organisaties
De institutionele economie verwerpt de
voorstelling van de economie als een stelsel van transacties dat losstaat van
recht, organisaties en maatschappelijke normen. Eigendom, contract, geld,
ondernemingsrecht, aansprakelijkheid, mededinging en sociale zekerheid bepalen
welke transacties mogelijk zijn, wie onderhandelingsmacht heeft en welke kosten
op anderen kunnen worden afgewenteld.
Ronald Coase maakte duidelijk dat
markttransacties niet kosteloos zijn. Informatie moet worden gezocht,
contracten moeten worden opgesteld, naleving moet worden gecontroleerd en
conflicten moeten worden opgelost. Wanneer zulke transactiekosten hoog zijn,
kan organisatie binnen een onderneming, overheidsinstelling of
samenwerkingsverband doelmatiger zijn dan afzonderlijke marktcontracten. Zijn
Nobelprijslezing benadrukt daarom het belang van de institutionele structuur
van productie.
Douglass North voegde daaraan toe dat
instituties niet alleen huidige transactiekosten beïnvloeden, maar ook
verwachtingen, investeringen en ontwikkelingspaden. Formele regels en informele
normen kunnen onzekerheid verminderen, maar ook machtsposities en inefficiënte
praktijken bestendigen. Institutionele verandering is padafhankelijk: een
eenmaal gekozen infrastructuur, eigendomsverdeling of bestuursstructuur
beïnvloedt welke latere hervormingen politiek en economisch mogelijk zijn.
Norths institutionele analyse waarschuwt daarmee tegen de veronderstelling dat
instituties vanzelf naar efficiëntie evolueren.
Oliver Williamson onderzocht vervolgens
welke bestuursvorm past bij verschillende soorten transacties. Naarmate
investeringen specifieker zijn, onzekerheid groter wordt en contracten
onvollediger zijn, neemt de kans op opportunistisch gedrag toe. Een eenvoudig
marktcontract kan dan onvoldoende zijn en plaatsmaken voor langdurige
samenwerking, regulering of hiërarchische organisatie. De les voor
polycentrische ordening is dat niet iedere samenwerking met hetzelfde lichte
netwerkarrangement kan worden bestuurd. Een elektriciteitsnet, waterkering of
betalingsstelsel vereist andere waarborgen dan een tijdelijk lokaal
innovatieproject.
Deze inzichten leiden tot een
vergelijkende institutionele benadering. De relevante vraag is niet of
overheid, markt of zelforganisatie in abstracto het beste is, maar:
Welke institutionele configuratie
verwerkt kennis, beperkt macht, internaliseert externe effecten en waarborgt
rechten bij de laagste totale maatschappelijke kosten?
Daarbij omvatten maatschappelijke kosten
meer dan administratieve lasten. Ook uitsluiting, rechtsonzekerheid,
ecologische schade, wachttijd, machtsconcentratie en verlies van
corrigeerbaarheid behoren ertoe.
3 Hayek: het
kennisprobleem van centralisatie
Friedrich Hayek formuleerde een
fundamenteel bezwaar tegen centrale economische planning. De relevante kennis
over behoeften, mogelijkheden, schaarste, vaardigheden en plaatselijke
omstandigheden bevindt zich niet bij één centrale actor. Zij is verspreid over
burgers, ondernemingen, professionals, gemeenten en maatschappelijke
organisaties. In The Use of Knowledge in Society stelt Hayek dat de
gegevens van het economische probleem nooit volledig aan één beslisser gegeven
zijn; zij bestaan uit verspreide, onvolledige en soms tegenstrijdige kennis.
Marktprijzen kunnen een deel van die
informatie samenvatten. Wanneer een grondstof schaarser wordt, geeft een hogere
prijs miljoenen actoren een signaal om zuiniger te gebruiken of alternatieven
te zoeken, zonder dat zij de oorzaak van de schaarste hoeven te kennen. Dit is
een belangrijk argument voor decentrale beslissingsruimte en tegen
gedetailleerde centrale productieplanning.
Maar prijzen bevatten niet alle
relevante kennis. Zij laten slechts zien welke betalingsbereidheid binnen
bestaande inkomens- en eigendomsverhoudingen aanwezig is. Zij weerspiegelen
niet vanzelf:
- behoeften van mensen zonder koopkracht;
- toekomstige ecologische schade;
- lokale kennis die niet contractueel wordt geregistreerd;
- culturele of relationele waarden;
- onbetaalde zorg;
- asymmetrische machtsposities;
- rechten die niet verhandelbaar behoren te zijn.
Hayeks kennisprobleem geldt bovendien
niet uitsluitend voor overheden. Ook grote ondernemingen, banken en digitale
platforms zijn centrale planners binnen hun eigen domein. Een platform kan
miljoenen transacties sturen, prijzen bepalen en toegang tot markten beheersen,
terwijl het slechts beperkt inzicht heeft in lokale sociale gevolgen. Het
argument tegen kennisconcentratie ondersteunt daarom niet zonder meer
laissez-faire. Het ondersteunt een institutionele orde waarin meerdere bronnen
van kennis, initiatief en kritiek zelfstandig kunnen functioneren.
Een polycentrische economie neemt Hayeks
inzicht serieus door beslissingen zo dicht mogelijk te leggen bij degenen die
over relevante ervaringskennis beschikken. Tegelijk stelt zij
gemeenschappelijke grenzen vast waar lokale beslissingen effecten hebben op
anderen. Decentrale kennis bepaalt mede hoe doelen worden bereikt;
democratisch gelegitimeerde instituties bepalen welke rechten en grenzen
daarbij gelden.
4 Michael
Polanyi: zelfstandige centra binnen een gedeelde orde
Michael Polanyi — niet te verwarren met
Karl Polanyi — gebruikte het begrip polycentriciteit voor ordeningen waarin
zelfstandige actoren hun handelen wederzijds aanpassen zonder dat één centrale
instantie iedere stap voorschrijft. Wetenschap vormde voor hem een belangrijk
voorbeeld. Onderzoekers kiezen zelfstandig problemen en methoden, maar werken
binnen gedeelde normen van bewijsvoering, kritiek en wetenschappelijke
integriteit. De orde ontstaat niet door één onderzoeksplan, maar evenmin door
normloze concurrentie.
In The Logic of Liberty verbond
Polanyi vrijheid daarom met een institutionele orde. Autonome centra kunnen
alleen gezamenlijk kennis en waarde produceren wanneer zij zich oriënteren op
gedeelde standaarden. Polycentriciteit is bij hem geen zuiver libertair
beginsel. Zij combineert vrijheid van initiatief met een gemeenschappelijke
normatieve infrastructuur.
Voor economische ordening betekent dit
dat lokale overheden, coöperaties, ondernemingen en publieke instellingen
zelfstandig mogen experimenteren, maar niet buiten de rechtsstaat, sociale
ondergrenzen of ecologische plafonds kunnen treden. Algemene normen vormen geen
ontkenning van polycentriciteit; zij maken betrouwbare wederzijdse aanpassing
juist mogelijk.
Het verschil met hiërarchische planning
is dat hogere niveaus niet ieder resultaat voorschrijven. Het verschil met
ongecoördineerde decentralisatie is dat zij wel:
- gemeenschappelijke doelen formuleren;
- minimumrechten bewaken;
- informatie vergelijkbaar maken;
- grensoverschrijdende effecten reguleren;
- conflicten beslechten;
- succesvolle praktijken verspreiden.
Deze combinatie van autonomie en
gedeelde normering vormt de kern van een polycentrische economische rechtsorde.
5 Ostrom:
voorbij de dichotomie van markt en staat
Elinor Ostrom toonde empirisch aan dat
gemeenschappen onder bepaalde voorwaarden in staat zijn gemeenschappelijke
hulpbronnen duurzaam te beheren zonder volledige privatisering of centrale
staatscontrole. Irrigatiesystemen, bossen, visgronden en weidegebieden werden
in uiteenlopende samenlevingen door gebruikers zelf gereguleerd. Daarmee
weerlegde zij niet dat gemeenschappelijke hulpbronnen kunnen worden
overgeëxploiteerd, maar wel dat privatisering of centralisering de enige
mogelijke oplossingen zijn.
In haar Nobelprijslezing Beyond
Markets and States waarschuwt Ostrom voor institutionele monocultuur:
complexe problemen hebben zelden één universele bestuursoplossing. Succesvolle
gemeenschappelijke instituties vertonen vaak een combinatie van:
- duidelijk afgebakende gebruikers en hulpbronnen;
- regels die passen bij plaatselijke omstandigheden;
- deelname van gebruikers aan de vaststelling en wijziging van regels;
- controle door of namens betrokkenen;
- proportionele en oplopende sancties;
- laagdrempelige conflictoplossing;
- erkenning van het recht op zelforganisatie;
- gelaagde of geneste organisaties bij grotere systemen.
Ostroms bijdrage is zowel positief als
normatief. Positief laat zij zien dat mensen meer kunnen dan uitsluitend
concurreren of gehoorzamen. Zij kunnen regels ontwikkelen, wederkerigheid
opbouwen en toezicht gezamenlijk organiseren. Normatief ondersteunt zij
instituties waarin betrokkenen geen passieve adressaten zijn, maar
medeproducenten van beleid en publieke goederen.
Daaruit volgt niet dat lokale
zelforganisatie altijd rechtvaardig of effectief is. Gemeenschappen kunnen
nieuwkomers uitsluiten, vrouwen of minderheden minder invloed geven, lokale
elites beschermen en schade op naburige gebieden afwentelen. Voor mondiale
hulpbronnen zijn deelnemers bovendien niet eenvoudig af te bakenen en zijn
monitoring en sanctionering moeilijker. Zelfbestuur heeft daarom altijd een
constitutionele omgeving nodig die grondrechten, open toegang tot
rechtsbescherming en bescherming tegen externe effecten waarborgt.
De Ostromiaanse vraag luidt niet: kan
de staat zich terugtrekken? Zij luidt: welke combinatie van zelfbestuur,
publieke normering, monitoring en geneste samenwerking past bij deze concrete
hulpbron en gebruikersgemeenschap?
6
Schaalconsistentie als bevoegdhedenbeginsel
Het beginsel van schaalconsistentie
houdt in dat de schaal van besluitvorming zo goed mogelijk moet aansluiten bij
de schaal waarop kennis, effecten, solidariteit en uitvoeringsvermogen aanwezig
zijn. Het is preciezer dan de algemene gedachte dat besluitvorming “zo laag
mogelijk” moet plaatsvinden. Soms is een hogere schaal noodzakelijk omdat
lagere overheden effecten op anderen kunnen afwentelen, mobiele
belastinggrondslagen elkaar kunnen uitspelen of grote ondernemingen
afzonderlijke overheden tegen elkaar kunnen uitonderhandelen.
Omgekeerd is een hoger niveau niet
vanzelf geschikter omdat een probleem belangrijk of complex is. Centralisering
kan lokale kennis verliezen, uniforme regels opleggen waar omstandigheden
verschillen en de afstand tot burgers vergroten.
De keuze voor een niveau kan
diagnostisch worden weergegeven als:
- (E_l) staat voor niet-geïnternaliseerde externe effecten;
- (H_l) voor het verlies door onvoldoende aansluiting bij lokale verschillen;
- (T_l) voor coördinatie- en transactiekosten;
- (D_l) voor democratische afstand en verantwoordingsverlies;
- (C_l) voor capaciteitstekorten.
Deze formule produceert geen automatisch
optimaal bestuursniveau. Zij maakt zichtbaar welke kosten vaak impliciet
blijven. De keuze is bovendien onderworpen aan harde randvoorwaarden:
Criteria voor de schaaltoets
|
Criterium |
Vraag |
Implicatie |
|
Reikwijdte van effecten |
Waar vallen de baten en
lasten van het besluit? |
Hoe verder de effecten
reiken, hoe groter de noodzaak van coördinatie op hogere schaal |
|
Lokale kennis |
Hoe belangrijk zijn
plaatselijke omstandigheden en ervaringskennis? |
Sterke lokale variatie
pleit voor decentrale beslissingsruimte |
|
Schaal- en netwerkeffecten |
Zijn grote netwerken of
uniforme standaarden noodzakelijk? |
Kan hogere of gezamenlijke
ordening vereisen |
|
Mobiliteit en arbitrage |
Kunnen bedrijven, kapitaal
of vervuiling eenvoudig uitwijken? |
Pleit voor harmonisatie of
minimumnormen |
|
Herverdeling |
Vereist de taak brede
risicodeling of solidariteit? |
Pleit doorgaans voor
nationale of supranationale financiering |
|
Marktmacht |
Kan een private actor
afzonderlijke overheden domineren? |
Pleit voor tegenmacht op
minstens dezelfde schaal |
|
Uitvoeringscapaciteit |
Beschikt het niveau over
kennis, personeel, gegevens en handhaving? |
Bevoegdheid moet met
middelen en expertise samengaan |
|
Democratische nabijheid |
Kunnen betrokkenen
daadwerkelijk deelnemen en corrigeren? |
Pleit voor nabijheid,
tenzij rechten van anderen worden geschaad |
|
Onomkeerbaarheid |
Kan een onjuist besluit
later worden hersteld? |
Hoge onomkeerbaarheid
pleit voor strengere hogere waarborgen |
|
Leerwaarde |
Is gecontroleerd lokaal
experimenteren mogelijk? |
Pleit voor
experimenteerruimte en vergelijkende evaluatie |
7 Niet één
beleidsterrein, maar verschillende functies verdelen
Een veelgemaakte fout is dat een
volledig beleidsterrein aan één bestuursniveau wordt toegewezen. In
werkelijkheid kunnen normstelling, financiering, uitvoering, monitoring en
conflictoplossing op verschillende niveaus thuishoren.
Bij woningbouw kan bijvoorbeeld:
- de gemeente locaties en lokale inrichting bepalen;
- de regio woningmarkt- en mobiliteitseffecten afstemmen;
- de provincie ruimtelijke en ecologische belangen bewaken;
- het Rijk betaalbaarheid, bouwkwaliteit en verdeling van schaarste
reguleren;
- de Europese Unie regels stellen over energieprestatie, aanbesteding,
staatssteun en natuur;
- een rechter toetsen of besluiten binnen de wettelijke grenzen blijven.
Polycentriciteit vereist daarom een bevoegdhedenregister
per functie.
|
Functie |
Te beantwoorden vraag |
|
Doel- en normstelling |
Wie bepaalt de bindende
ondergrens, bovengrens of prestatie? |
|
Financiering |
Wie draagt de kosten en
wie ontvangt de opbrengsten? |
|
Uitvoering |
Wie beschikt over lokale
kennis en uitvoeringscapaciteit? |
|
Vergunningverlening |
Wie weegt concrete
belangen en locatie-effecten? |
|
Monitoring |
Wie verzamelt en valideert
vergelijkbare gegevens? |
|
Toezicht |
Wie kan naleving
onderzoeken en interventies opleggen? |
|
Conflictoplossing |
Wie beslist bij botsende
bevoegdheden of normen? |
|
Evaluatie |
Wie beoordeelt
onafhankelijk doelbereik en neveneffecten? |
|
Herziening |
Wie kan regels aanpassen
en onder welke voorwaarden? |
Voor ieder economisch beleidsprogramma
moet dit register vooraf worden ingevuld. Daarmee wordt voorkomen dat
verantwoordelijkheden pas na een crisis worden uitgezocht of dat bestuurders
naar elkaar verwijzen wanneer doelen niet worden gehaald.
8 Een
indicatieve verdeling van economische functies
|
Economische functie |
Primair niveau |
Noodzakelijke verbinding
met andere niveaus |
|
Buurtvoorzieningen en
lokale commons |
Buurt en gemeente |
Nationale rechten, lokale
financiering en toezicht |
|
Ruimtelijke ordening en
woningbouw |
Gemeente en regio |
Nationale
betaalbaarheidsnormen, provinciale ruimte- en natuurbewaking, EU-recht |
|
Arbeidsmarktregio’s en
scholing |
Regio |
Nationale sociale
zekerheid en Europees vrij verkeer |
|
Waterbeheer |
Stroomgebied, waterschap
en regio |
Nationale
veiligheidsnormen en Europese waterregels |
|
Energiecoöperaties en
lokale warmte |
Gemeente en gemeenschap |
Nationale
consumentenbescherming, netwerkregulering en Europees energierecht |
|
Elektriciteitsnet en
leveringszekerheid |
Nationaal en Europees |
Regionale planning en
lokale uitvoering |
|
Sociale zekerheid en
inkomensherverdeling |
Nationaal |
Europese coördinatie bij
mobiliteit en internationale belastingafspraken |
|
Mededinging en
platformmacht |
Nationaal en EU |
Mondiale samenwerking en
lokale effectkennis |
|
Monetair beleid in de
eurozone |
Europees stelsel van
centrale banken |
Nationale begrotings- en
inkomenspolitiek |
|
Banken en financiële
stabiliteit |
Nationaal, Europees en
mondiaal |
Lokale kredietbehoefte en
internationale standaarden |
|
Klimaat en planetaire
grenzen |
Mondiale en Europese
doelen |
Nationale budgetten,
regionale uitvoering en lokale experimenten |
|
Multinationale
belastingheffing |
Nationaal, EU en mondiaal |
Lokale economische
ontwikkeling en transparantie |
|
Mondiale handel en ketens |
Mondiaal en EU |
Nationale handhaving en
lokale bescherming van werknemers en ecosystemen |
Deze tabel is geen permanente grondwet.
Technologische ontwikkeling, veranderende marktmacht en nieuwe
grensoverschrijdende risico’s kunnen aanleiding geven bevoegdheden te
herverdelen. Schaalconsistentie is daarom een herhaalbare toets, geen eenmalige
classificatie.
9 Soto-Oñate,
Petrovics en Bauwens: polycentrische articulatie
David Soto-Oñate, Daniel Petrovics en
Thomas Bauwens verbinden polycentrische governance expliciet met een
postgroeitransitie. Hun centrale vraag is hoe samenlevingen de schaal van
economische activiteit kunnen aanpassen aan ecologische grenzen zonder democratische
autonomie op lagere niveaus op te offeren. Zij spreken van polycentrische
articulatie: het herschikken van rechten en verantwoordelijkheden zodat de
bestuursstructuur beter aansluit bij het sociaal-ecologische probleem.
In hun in 2026 gepubliceerde artikel
onderscheiden zij vier veranderingsprocessen:
|
Proces |
Betekenis |
Voorbeeld |
|
Pooling |
Zelfstandige actoren
brengen bepaalde bevoegdheden of middelen samen in een gezamenlijke instelling |
Gemeenten richten
gezamenlijk een regionale vervoers- of energieautoriteit op |
|
Cession |
Een hoger niveau draagt
beslissingsmacht over aan een lager of meer gespecialiseerd centrum |
Nationale overheid geeft
energiecoöperaties onder voorwaarden ruimte voor lokaal netbeheer |
|
Disaggregation |
Gebundelde bevoegdheden
worden gesplitst of teruggebracht naar verschillende centra |
Productie, netwerkbeheer
en toezicht worden institutioneel van elkaar onderscheiden |
|
Appropriation |
Een hoger of overkoepelend
niveau neemt lokaal ontwikkelde regels over of formaliseert deze |
Een succesvolle
gemeentelijke norm wordt nationale of Europese standaard |
Dit perspectief is waardevol omdat het
polycentriciteit dynamisch maakt. Bevoegdheden liggen niet voor altijd vast.
Zij kunnen worden samengebracht, overgedragen, gesplitst of opgeschaald.
Daarmee ontstaat een institutionele taal voor transitie.
Tegelijkertijd moet iedere verschuiving
op vier punten worden getoetst:
- verbetert zij de aansluiting tussen probleem en bestuursniveau?
- blijft democratische verantwoording herkenbaar?
- worden middelen, kennis en uitvoeringscapaciteit mee overgedragen?
- kunnen rechten en ecologische grenzen niet worden uitgehold?
Decentralisatie zonder middelen is geen
autonomie maar afwenteling. Opschaling zonder vertegenwoordiging is geen
coördinatie maar machtsconcentratie. Overname van lokale innovatie kan nuttig
zijn, maar mag niet leiden tot een uniforme norm die relevante lokale
verschillen vernietigt.
10 Roberto
Mangabeira Unger: instituties zijn geen natuurgegeven
Roberto Mangabeira Unger verzet zich
tegen de gedachte dat “de markteconomie” één noodzakelijke institutionele vorm
heeft. Markten kunnen worden georganiseerd met uiteenlopende eigendomsregimes,
ondernemingsvormen, kredietinstellingen, arbeidsverhoudingen en combinaties van
publieke en private macht. De bestaande vorm van aandeelhouderskapitalisme is
daarom geen neutrale of onvermijdelijke uitkomst van marktwerking, maar één
historisch gegroeide institutionele configuratie.
Unger spreekt van institutionele
verbeeldingskracht en democratisch experimentalism. Samenlevingen moeten niet
wachten op oorlog, crisis of ineenstorting voordat fundamentele instituties
kunnen worden aangepast. Zij moeten het vermogen ontwikkelen om onderdelen van
hun economische orde stapsgewijs te herzien, alternatieven te beproeven en
succesvolle praktijken te verspreiden.
Dit betekent meer dan tijdelijke
beleidspilots. Veel pilots testen alleen hoe een bestaand doel binnen
ongewijzigde structuren efficiënter kan worden bereikt. Ungers benadering
vraagt ook of de structuur zelf anders kan. Bijvoorbeeld:
- kan toegang tot productief kapitaal anders worden georganiseerd?
- kunnen coöperatieve, publieke en private eigendomsvormen naast elkaar
bestaan?
- kunnen werknemers meer beslissingsmacht krijgen zonder iedere
onderneming identiek te organiseren?
- kunnen lokale ontwikkelingsbanken en publieke investeringsfondsen
kennisintensieve productie breder toegankelijk maken?
- kunnen markten worden ontworpen om institutionele verscheidenheid te
bevorderen in plaats van één ondernemingsmodel te bevoordelen?
Polycentrische ordening biedt daarvoor
een infrastructuur. Verschillende regio’s en sectoren kunnen binnen nationale
en Europese grenzen alternatieve arrangementen ontwikkelen. De centrale
overheid stelt rechten, financiering en evaluatiecapaciteit beschikbaar;
decentrale actoren experimenteren met uitvoering en organisatie.
Ungers benadering kent ook risico’s.
Voortdurende institutionele verandering kan rechtszekerheid en
investeringsbereidheid aantasten. Lokale experimenten kunnen burgers ongelijk
behandelen of publieke middelen verspillen. Experimenteerruimte moet daarom aan
voorwaarden worden gebonden:
- een helder maatschappelijk doel;
- vrijwillige deelname waar rechten of aanspraken worden gewijzigd;
- een gegarandeerd sociaal en juridisch minimum;
- vooraf vastgestelde evaluatiecriteria;
- onafhankelijke gegevensverzameling;
- een einddatum of heroverwegingsmoment;
- mogelijkheid tot opschaling, aanpassing of beëindiging;
- compensatie bij onevenredige schade.
Institutioneel experimentalism is
daarmee geen permanente uitzondering op het recht, maar een juridisch
vormgegeven leerproces.
11
Polycentriciteit is geen vanzelfsprekende harmonie
Een polycentrisch stelsel bevat actoren
met uiteenlopende doelen, bevoegdheden en machtsbronnen. Gemeenten willen
werkgelegenheid en woningbouw; regio’s willen bereikbaarheid en economische
ontwikkeling; nationale overheden bewaken begroting en energiezekerheid; de
Europese Unie stelt markt- en milieuregels; bewoners beschermen leefomgeving en
gezondheid; ondernemingen zoeken rendement en voorspelbaarheid.
Conflicten zijn daarom geen systeemfout.
Zij maken zichtbaar dat waarden, belangen en verantwoordelijkheden niet
samenvallen. Het institutionele probleem is niet hoe conflict kan worden
uitgebannen, maar hoe het openbaar, tijdig en rechtvaardig kan worden verwerkt.
Vijf conflicttypen moeten worden
onderscheiden:
|
Conflicttype |
Voorbeeld |
Passende eerste vraag |
|
Bevoegdheidsconflict |
Gemeente en provincie
claimen beslissingsruimte |
Wie heeft welke wettelijke
functie? |
|
Normconflict |
Lokale ontwikkelingswens
botst met Europese natuurgrens |
Is sprake van een harde
rechtsnorm of afweegbaar belang? |
|
Verdelingsconflict |
Eén regio draagt kosten
van nationaal klimaatbeleid |
Wie profiteert en wie moet
compenseren? |
|
Kennisconflict |
Lokale ervaring wijkt af
van centraal rekenmodel |
Welke kennis ontbreekt en
hoe wordt onzekerheid behandeld? |
|
Uitvoeringsconflict |
Doel is vastgesteld maar
middelen of capaciteit ontbreken |
Is de taak uitvoerbaar en
adequaat gefinancierd? |
Wanneer deze conflicten niet worden
onderscheiden, wordt een verdelingsprobleem gemakkelijk gepresenteerd als een
technisch verschil van inzicht of wordt ontbrekende financiering ten onrechte
als lokale onwil beschouwd.
12 Een
polycentrische conflictlader
Voor conflicten tussen bestuursniveaus
en functionele autoriteiten is een vaste procedure nodig. Die procedure moet
sneller en inhoudelijker zijn dan vrijblijvend bestuurlijk overleg, maar minder
rigide dan onmiddellijke rechterlijke beslechting.
Fase 1: kennisgeving en conflictclassificatie
De actor die een conflict voorziet,
meldt:
- welke bevoegdheden en normen botsen;
- welke groepen de gevolgen ondervinden;
- of onomkeerbare schade kan optreden;
- welke termijn voor besluitvorming geldt;
- welke informatie nog ontbreekt.
Een openbaar bevoegdhedenregister
voorkomt dat onduidelijk blijft wie aan zet is.
Fase 2: gezamenlijk feitenkader
De betrokken bestuurslagen stellen een
gedeeld feitenrapport op. Verschillen in aannames en onzekerheden worden niet
gladgestreken, maar afzonderlijk vermeld. Lokale ervaringskennis,
wetenschappelijke expertise en gegevens van uitvoeringsorganisaties krijgen een
herkenbare plaats.
Fase 3: toetsing aan harde grenzen
Voordat belangen worden afgewogen, wordt
vastgesteld of grondrechten, Europese verplichtingen, ecologische plafonds of
wettelijke sociale minima in het geding zijn. Een hogere
werkgelegenheidsopbrengst kan discriminatie of overschrijding van een bindende
natuurgrens niet zonder meer compenseren.
Fase 4: oplossings- en compensatieoverleg
Indien meerdere rechtmatige oplossingen
bestaan, worden varianten onderzocht:
- aanpassing van locatie, techniek of tijdpad;
- gezamenlijke uitvoering;
- tijdelijke afwijking met voorwaarden;
- aanvullende financiering;
- compensatie van onevenredig getroffen groepen of gebieden;
- overdracht of gezamenlijke uitoefening van bevoegdheden.
Fase 5: onafhankelijke bemiddeling
Wanneer partijen niet tot
overeenstemming komen, volgt bemiddeling door een onafhankelijk college met
juridische, economische, ecologische en bestuurlijke expertise. Het college
publiceert een voorstel en maakt zichtbaar welke actor welke kosten afwentelt.
Fase 6: bindende beslissing
Blijft overeenstemming uit, dan beslist
de bevoegde hogere autoriteit, rechter of een wettelijk aangewezen
geschilcollege. De beslissing moet duidelijk maken:
- welke norm voorgaat;
- waarom het gekozen niveau passend is;
- hoe lasten en baten worden verdeeld;
- welke compensatie of financiering volgt;
- wanneer herziening mogelijk is.
Fase 7: ex-postevaluatie
Na uitvoering wordt beoordeeld of het
conflict correct is geanalyseerd en of de gekozen bevoegdheidsverdeling nog
passend is. Terugkerende conflicten kunnen aanleiding zijn de wettelijke
taakverdeling structureel te wijzigen.
Een dergelijke conflictlader voorkomt
zowel eindeloos overleg als voortijdige juridisering. Zij erkent dat sommige
conflicten door onderhandelen kunnen worden opgelost, terwijl andere een
gezaghebbende beslissing vergen.
13
Praktijkcasus: lokale werkgelegenheid tegenover ecologische grenzen
Stel dat een gemeente een groot
industrie- en woningbouwproject wil toestaan. Het project belooft banen,
inkomsten en woningen, maar verhoogt de stikstofbelasting, vraagt veel
netcapaciteit en tast mogelijk een beschermd ecosysteem aan.
In een onuitgewerkt polycentrisch model
gaan gemeente, provincie, Rijk, netbeheerder en Europese instanties “met elkaar
in overleg”. Dat zegt weinig over de uitkomst. In een operationeel model
verloopt de besluitvorming als volgt:
- De gemeente onderbouwt de lokale baten, ruimtelijke inpassing
en participatie.
- De regio beoordeelt arbeidsmarkt, woningmarkt, mobiliteit en
regionale alternatieven.
- De provincie toetst cumulatieve natuur-, water- en ruimtelijke
effecten.
- De nationale overheid beoordeelt aansluiting
bij sectorale emissiebudgetten, energiebeleid en nationale
verdelingsdoelen.
- De netbeheerder maakt de feitelijke
infrastructuurbeperkingen zichtbaar.
- Het EU-recht vormt waar toepasselijk een bindende randvoorwaarde
voor natuur, interne markt, staatssteun of aanbesteding.
- Een gezamenlijk feitenrapport vergelijkt
alternatieve locaties, technieken en faseringen.
- Bij een harde ecologische overschrijding kan het project niet in de voorgestelde vorm doorgaan.
- Bij oplosbare spanning worden voorwaarden,
compensatie en gezamenlijke financiering vastgesteld.
- Bij blijvend geschil volgt een bindende,
gemotiveerde beslissing met rechtsbescherming.
Wanneer een gemeente afziet van lokaal
economisch voordeel om een nationaal of Europees publiek goed te beschermen,
ligt het niet voor de hand dat zij alle sociale en financiële kosten alleen
draagt. Schaalconsistentie heeft ook een financiële zijde: het niveau waarop de
baten van bescherming neerslaan, moet bijdragen aan de kosten van de transitie.
Nationale of Europese middelen voor omscholing, infrastructuur en alternatieve
werkgelegenheid zijn dan geen gunst, maar onderdeel van een rechtvaardige bevoegdheidsverdeling.
14
Regelgevingskwaliteit: niet minder of meer, maar beter geordend
Een menswordingseconomie vereist
regulering van marktmacht, arbeid, financiële risico’s, ondernemingen en
ecologische effecten. Tegelijk kan een opeenstapeling van voorschriften
bestaanszekerheid, ondernemerschap en uitvoerbaarheid ondermijnen. Vooral kleine
ondernemingen, burgers met beperkt doenvermogen en decentrale
uitvoeringsorganisaties kunnen disproportioneel worden belast door complexe
aanvraag-, verantwoordings- en gegevensvereisten.
Regelgevingskwaliteit kan daarom niet
worden gemeten aan het aantal regels. Minder regels kunnen leiden tot
rechtsonzekerheid, willekeur of private machtsconcentratie. Meer regels kunnen
leiden tot tegenstrijdigheid, onbegrijpelijkheid en uitvoeringsfalen. De
relevante vraag is of de regels hun maatschappelijke doel bereiken tegen
aanvaardbare juridische, administratieve en verdelingskosten.
|
Kwaliteitsdimensie |
Toetsvraag |
|
Legitimiteit |
Is de regel vastgesteld
door een bevoegd en democratisch verantwoord orgaan? |
|
Rechtsstatelijkheid |
Is de norm duidelijk,
voorzienbaar, gelijk toepasbaar en juridisch toetsbaar? |
|
Doelgerichtheid |
Is het maatschappelijke
probleem helder omschreven? |
|
Noodzaak |
Is regulering nodig of
bestaan minder belastende instrumenten? |
|
Schaalconsistentie |
Is het juiste
bestuursniveau gekozen? |
|
Coherentie |
Sluit de regel aan op
bestaande nationale, Europese en lokale regimes? |
|
Uitvoerbaarheid |
Beschikken uitvoerders
over tijd, personeel, gegevens en bevoegdheden? |
|
Naleefbaarheid |
Kunnen burgers en
ondernemingen redelijkerwijs begrijpen en uitvoeren wat wordt verlangd? |
|
Verdeling |
Wie draagt administratieve
en financiële lasten, en wie profiteert? |
|
Handhaafbaarheid |
Is toezicht mogelijk
zonder disproportionele gegevensverzameling? |
|
Corrigeerbaarheid |
Zijn evaluatie, bezwaar,
beroep en herziening geregeld? |
|
Effectiviteit |
Verandert de regel de
maatschappelijke uitkomst, niet alleen het administratieve proces? |
De OECD Regulatory Policy Outlook 2025
en de Europese Better Regulation Guidelines and Toolbox benadrukken terecht
impactbeoordeling, consultatie, evaluatie en samenhang gedurende de gehele
beleidscyclus. Maar ook zulke instrumenten kunnen ritualiseren. Een
uitvoerbaarheidstoets heeft weinig waarde wanneer zij pas wordt uitgevoerd
nadat de politieke oplossing al vaststaat. Een consultatie is geen participatie
wanneer vooral professioneel georganiseerde belanghebbenden kunnen reageren.
Een kosten-batenanalyse kan machts- en verdelingseffecten verbergen wanneer
alle gevolgen tot één saldo worden herleid.
Daarom behoren vier aanvullende eisen te
gelden:
- uitvoerders en direct geraakte burgers worden betrokken vóórdat één
voorkeursoptie is gekozen;
- effecten worden uitgesplitst naar inkomensgroep, ondernemingsgrootte,
regio en doenvermogen;
- ernstige aantasting van rechten of ecologische grenzen kan niet door
een positief totaalsaldo worden weggestreept;
- ex-postevaluatie moet kunnen leiden tot daadwerkelijke wijziging of
beëindiging.
Een algemene “one in, one out”-regel kan
nuttig zijn om administratieve lasten zichtbaar te maken, maar is geen maatstaf
voor maatschappelijke kwaliteit. Een veiligheidsnorm kan aanzienlijke nalevingskosten
hebben en toch noodzakelijk zijn. Omgekeerd kan een administratief goedkope
regel ineffectief of discriminerend zijn. Lastenreductie moet daarom
plaatsvinden door vereenvoudiging, gegevensdeling, risicogericht toezicht en
samenvoeging van procedures — niet door maatschappelijke bescherming als louter
regeldruk te behandelen.
15 Regelgeving
als gemeenschappelijke infrastructuur
Goede regels beperken economische
activiteit niet alleen, maar maken haar ook mogelijk. Contracten zijn waardevol
doordat afdwinging bestaat; markten functioneren doordat eigendom,
aansprakelijkheid en mededinging geregeld zijn; digitale diensten zijn bruikbaar
doordat interoperabiliteit en gegevensbescherming worden gewaarborgd.
Regelgeving is in die zin een vorm van
economische infrastructuur. Net als wegen en digitale netwerken kan zij slecht
worden ontworpen, overbelast raken of onvoldoende worden onderhouden.
Regelgevingsonderhoud vraagt om:
- één openbaar register van toepasselijke verplichtingen;
- samenhangende definities tussen bestuurslagen;
- gegevensuitwisseling volgens het eenmaligheidsbeginsel;
- gemeenschappelijke digitale standaarden;
- periodieke opschoning van tegenstrijdige bepalingen;
- toegankelijke toelichtingen en beslisbomen;
- risicogericht en responsief toezicht;
- vaste evaluatiemomenten;
- een meldpunt voor uitvoerings- en nalevingsproblemen.
Daarbij moet worden voorkomen dat
digitale standaardisering lokale uitzonderingen of menselijke beoordeling
onmogelijk maakt. Vereenvoudiging voor het systeem mag niet betekenen dat de
burger zich naar een rigide gegevensmodel moet voegen. De mogelijkheid tot
gemotiveerd maatwerk en menselijke heroverweging blijft noodzakelijk.
16 De Europese
Unie als bestaande polycentrische rechtsorde
De Europese Unie vormt geen klassieke
federale staat, maar evenmin slechts een samenwerkingsverband van autonome
staten. Zij combineert supranationale wetgeving, nationale uitvoering, Europese
rechtspraak, onafhankelijke toezichthouders, regionale overheden en private
actoren. Daarmee bezit zij belangrijke polycentrische kenmerken.
De juridische bevoegdheidsverdeling is
echter niet uitsluitend het resultaat van een functionele schaalanalyse.
Volgens artikel 5 VEU handelt de Unie op basis van bevoegdheidstoedeling. Het
gebruik van niet-exclusieve bevoegdheden wordt begrensd door subsidiariteit en
proportionaliteit. De Verdragen onderscheiden exclusieve, gedeelde en
ondersteunende bevoegdheden. De douane-unie en bepaalde mededingingsregels
behoren bijvoorbeeld tot de exclusieve bevoegdheden; interne markt, milieu,
energie, vervoer en delen van sociaal beleid zijn gedeelde bevoegdheden; op
andere terreinen kan de Unie slechts ondersteunen of coördineren.
Dit betekent dat schaalconsistentie en
juridische bevoegdheidstoedeling niet altijd samenvallen. Een probleem kan
economisch een Europese aanpak vragen, terwijl de Verdragen slechts beperkte
bevoegdheden bieden. Andersom kan harmonisatie juridisch mogelijk zijn, maar
onnodig veel lokale variatie uitsluiten. In het eerste geval zijn
verdragswijziging, versterkte samenwerking, coördinatie of internationale
afspraken nodig. In het tweede geval behoort de Unie ruimte te laten voor
nationale of regionale differentiatie.
Voor een polycentrische
menswordingseconomie kan de EU-ordening volgens vier beginselen worden
ingericht.
Europese ondergrenzen, decentrale uitvoering
Grondrechten, consumentenbescherming,
arbeidsminima, ecologische normen en mededingingsregels kunnen als Europese
ondergrens gelden. Lidstaten en regio’s behouden ruimte om hogere bescherming
of andere uitvoeringsvormen te kiezen, tenzij uniforme regels noodzakelijk zijn
voor het functioneren van de gemeenschappelijke voorziening.
Harmonisatie waar arbitrage de norm ondermijnt
Wanneer ondernemingen belasting,
toezicht of aansprakelijkheid eenvoudig kunnen ontwijken door zich
administratief te verplaatsen, kan nationale autonomie leiden tot een
neerwaartse concurrentie. Europese minimumregels zijn dan geen ontkenning van
subsidiariteit, maar bescherming van effectieve nationale democratie tegen
grensoverschrijdende arbitrage.
Experimenteren binnen gemeenschappelijke rechten
Lidstaten, regio’s en gemeenten moeten
alternatieve eigendoms-, aanbestedings- en organisatiemodellen kunnen
beproeven, zolang zij fundamentele rechten, transparantie en
mededingingswaarborgen respecteren. Europese regelgeving moet niet onbedoeld
één ondernemingsmodel als standaard opleggen.
Europese financiering bij Europese baten
Wanneer regio’s kosten dragen voor
klimaat-, natuur-, energie- of industriebeleid waarvan de baten Europees zijn,
moet Europese financiering een deel van die kosten dragen. Bevoegdheid zonder
passende financiering veroorzaakt bestuurlijke afwenteling.
17 Interne
markt, staatssteun en institutionele verscheidenheid
De interne markt beschermt vrij verkeer
en kan nationale protectionistische barrières verminderen. Zij maakt
schaalvoordelen, arbeidsmobiliteit en grensoverschrijdende productie mogelijk.
Tegelijk kan een eenzijdige nadruk op markttoegang lokale sociale en
ecologische experimenten bemoeilijken.
Een polycentrische economische orde
vereist daarom een onderscheid tussen:
- maatregelen die buitenlandse ondernemingen willekeurig bevoordelen of
benadelen;
- legitieme maatschappelijke voorwaarden die voor vergelijkbare
activiteiten gelijk gelden;
- publieke voorzieningen die niet primair als commerciële
marktactiviteit functioneren;
- tijdelijke steun voor innovatie of rechtvaardige transitie;
- permanente bescherming van inefficiënte gevestigde belangen.
Staatssteun- en aanbestedingsregels
moeten vriendjespolitiek en subsidieconcurrentie voorkomen, maar voldoende
ruimte laten voor publieke investeringen, coöperaties, sociale huisvesting,
regionale transitie en open innovatie. Die ruimte moet transparant en toetsbaar
zijn. “Lokaal” is op zichzelf geen rechtvaardiging; aangetoond moet worden welk
publiek doel wordt gediend, waarom marktvoorziening tekortschiet en hoe
discriminatie en capture worden voorkomen.
Europese coördinatie is bovendien
noodzakelijk om te verhinderen dat lidstaten via subsidies tegen elkaar
opbieden en de grootste financiële staten alle industriële activiteit
aantrekken. Polycentriciteit veronderstelt verscheidenheid, maar ook solidariteit
tussen centra met ongelijke fiscale capaciteit.
|
EU-kader |
Wat al bestaat |
Wat het
model toevoegt |
|
Klimaatwet / Green Deal / Fit for 55 |
Bindende 2030- en
2050-doelen; sectorale wetgeving |
Capability-bodem,
consumptie- en materiaalverdeling, correctiedrempels |
|
EU-ETS, ETS2, CBAM, Social
Climate Fund |
Beprijzing, grensmechanisme
en sociale middelen |
Basisgebruik beschermen;
absolute plafonds; rechtvaardige Noord-Zuidvoorwaarden |
|
DMA / DSA |
Gatekeeperplichten, betwistbaarheid en
platformverantwoordelijkheid |
Eigendom, publieke
digitale infrastructuur, werknemers- en datamacht |
|
CSRD / ESRS |
Gestandaardiseerde
duurzaamheidsinformatie |
Juridische gevolgen,
herstelplicht en legitimiteitsvoorwaarden |
|
NZIA / CRMA / EU-financiering |
Strategische capaciteit en
leveringszekerheid |
Publieke rendementen,
regionale spreiding, lokale waarde in partnerlanden |
|
ECB-klimaat- en natuurbeleid |
Risicoanalyse, toezicht en
operationele risicobeheersing |
Expliciete
verdelingsanalyse en democratische mandaatverantwoording |
|
Interne markt / staatssteun |
Gelijke toegang en
begrenzing subsidieconcurrentie |
Ruimte plus gezamenlijke
financiering voor sociale en coöperatieve experimenten |
18 De
menswordings-economie en bestaand EU-beleid
Voor een Europese lezer is van belang
welke onderdelen van dit model reeds juridisch of beleidsmatig bestaan en waar
het model verder gaat. De Europese Green Deal en het Fit for 55-pakket hebben
de klimaatneutraliteit in 2050 en een netto-emissiereductie van ten minste 55
procent in 2030 ten opzichte van 1990 in bindend recht en uitvoeringswetgeving
vertaald[1].
Het EU-ETS, ETS2, het Carbon Border Adjustment Mechanism en het Social Climate
Fund koppelen beprijzing, grenscorrectie en sociale compensatie. Daarmee
bestaat al een polycentrische combinatie van Europese plafonds, nationale
uitvoering en gedeelde financiering[2].
De menswordings-economie vervangt dit
acquis niet, maar stelt aanvullende vragen. Een emissiedoel zegt nog niet of de
laagste inkomens over betaalbare warmte, mobiliteit en huisvesting beschikken;
een CO₂-prijs
zegt niet hoe materiaalgebruik en consumptie-emissies per inkomensgroep zijn
verdeeld. Het model voegt daarom capability-drempels, absolute materiaal- en
consumptie-indicatoren en vooraf vastgelegde verdelingswaarborgen toe[3].
Ook op digitale markten bestaat een
duidelijk aanknopingspunt. De Digital Markets Act legt aangewezen gatekeepers
verplichtingen en verboden op om betwistbaarheid en eerlijkheid te bevorderen.
De Digital Services Act reguleert onder meer platformverantwoordelijkheid en
systeemrisico’s[4].
Het hier ontwikkelde model gaat verder waar het publieke of coöperatieve
digitale infrastructuur, datagovernance, werknemerszeggenschap en structurele
remedies bespreekt wanneer gedragsregels onvoldoende blijken.
De Corporate Sustainability Reporting
Directive en de European Sustainability Reporting Standards verplichten
ondernemingen in scope tot gestandaardiseerde duurzaamheidsrapportage[5].
Rapportage is echter geen automatische maatschappelijke legitimatie. De
menswordings-economie koppelt informatie aan gevolgen: absolute grenzen,
herstelplichten, voorwaarden aan publieke steun,
bestuurdersverantwoordelijkheid en — bij ernstige of herhaalde schade —
escalatie langs de interventieladder.
Het Net-Zero Industry Act-kader, de
Critical Raw Materials Act en Europese herstel- en investeringsinstrumenten
erkennen inmiddels dat marktcoördinatie alleen onvoldoende is voor strategische
transitie. Zij versnellen capaciteit, projecten en leveringszekerheid[6].Het
model voegt criteria toe voor publieke tegenprestaties, regionale spreiding,
werknemersmacht, open technologie en mondiale rechtvaardigheid. Een
grondstoffenpartnerschap is pas geslaagd wanneer het niet alleen Europese
bevoorrading veiligstelt, maar ook lokale waardecreatie, democratische
instemming en ecologische grenzen in het partnerland versterkt[7].
Ten slotte verwerkt de ECB klimaat- en
natuurgerelateerde risico’s in analyse, toezicht en delen van haar operationele
kader, binnen haar mandaat voor prijsstabiliteit[8].
De menswordings-economie maakt explicieter welke democratische verantwoording
nodig is wanneer onderpandregels, activa-aankopen of liquiditeitsfaciliteiten
sectorale en verdelingseffecten hebben. Zij vraagt geen dagelijkse politieke
rentesturing, maar transparante mandaten, openbaar gemaakte effectanalyses en
samenhang met bindende Europese klimaatdoelen.
De Europese meerwaarde van het model
ligt dus niet in een volledig nieuw stelsel naast de EU. Zij ligt in de
verbinding van bestaande instrumenten tot één toetsingskader en in aanvullingen
waar het acquis vooral rapporteert, beprijst of coördineert maar nog geen
sociale ondergrens, eigendomscorrectie of mondiale verdelingsregel garandeert.
19 Inpasbaarheid
in het mondiale stelsel
Op mondiaal niveau bestaat geen
volwaardige overheid met algemene wetgevende, fiscale en handhavende
bevoegdheden. De economische wereldorde bestaat uit verdragen, internationale
organisaties, staten, centrale banken, toezichthouders, ondernemingen, standaardzetters
en maatschappelijke netwerken. Zij is reeds polycentrisch, maar slechts
gedeeltelijk democratisch en juridisch geordend.
Verschillende mondiale regimes laten
verschillende vormen van polycentriciteit zien:
|
Regime |
Polycentrisch element |
Structurele zwakte |
|
Klimaatakkoord van Parijs |
Nationaal bepaalde
bijdragen en periodieke mondiale balans |
Beperkte afdwingbaarheid
en onvoldoende gezamenlijke ambitie |
|
WTO |
Nationale beleidsruimte
binnen gemeenschappelijke handelsregels |
Spanningen tussen
markttoegang, ontwikkeling en sociale/ecologische bescherming |
|
FSB en financiële
standaardzetters |
Internationale normen,
nationale implementatie en peer review |
Technocratische afstand en
ongelijke invloed |
|
Internationale
belastingafspraken |
Nationale heffing binnen
gezamenlijk kader |
Uitwijking, uitzonderingen
en ongelijke onderhandelingsmacht |
|
ILO |
Mondiale arbeidsnormen met
nationale ratificatie en uitvoering |
Beperkte sancties en
informele arbeid buiten bereik |
|
Private ketenstandaarden |
Snelle verspreiding via
ondernemingen en financiers |
Private normstelling
zonder volwaardige publieke legitimiteit |
Het Akkoord van Parijs is een duidelijk
voorbeeld van een polycentrisch mechanisme. Staten stellen nationaal bepaalde
bijdragen vast, rapporteren over uitvoering en nemen deel aan een periodieke
global stocktake. Het vijfjaarlijkse mechanisme moet leren en aanscherping
bevorderen. De zwakte is dat de optelsom van nationale toezeggingen niet
automatisch de mondiale grens respecteert. Decentrale autonomie zonder adequaat
collectief plafond produceert een ambitie- en handhavingstekort.
De Financial Stability Board gebruikt
internationale standaarden, nationale uitvoering en peer reviews. Dit kan leren
en convergentie bevorderen zonder één mondiale financiële toezichthouder. Maar
de democratische controle is beperkt en landen met grote financiële centra
hebben in de praktijk meer invloed.
Ook de WTO sluit sociale en ecologische
regelgeving niet categorisch uit. Artikel XX GATT biedt onder voorwaarden
ruimte voor maatregelen ter bescherming van mens, dier, plant en uitputbare
natuurlijke hulpbronnen. Zulke maatregelen mogen echter niet willekeurig
discrimineren of een verkapte handelsbelemmering vormen. Dit vergt dat een
menswordingseconomie haar keten-, klimaat- en productnormen wetenschappelijk
onderbouwt, coherent op binnenlandse productie toepast en ontwikkelingslanden
reële aanpassingsmogelijkheden biedt.
20 Beginselen
voor mondiale polycentriciteit
Een rechtvaardige mondiale economische
ordening kan niet wachten op een wereldstaat. Zij kan stapsgewijs worden
opgebouwd uit gelaagde afspraken, mits vijf voorwaarden gelden:
- Mondiale minimumgrenzen: internationale
afspraken leggen sociale, fiscale, financiële en ecologische minima vast.
- Nationale en regionale beleidsruimte: landen mogen boven die minima bescherming bieden en alternatieve
institutionele modellen ontwikkelen.
- Transparante wederzijdse beoordeling: voortgang, uitzonderingen en afwenteling worden publiek vergelijkbaar
gemaakt.
- Compensatie en capaciteitsopbouw: armere landen
krijgen middelen en technologie om aan gezamenlijke normen te voldoen.
- Geschilbeslechting met rechtvaardigheidsdimensie: niet alleen markttoegang, maar ook mensenrechten, historische
verantwoordelijkheid en ontwikkelingsruimte worden meegewogen.
Wanneer mondiale consensus ontbreekt,
kunnen landen en regio’s voorloperscoalities vormen. Zulke klimaat-, belasting-
of arbeidsclubs zijn legitiem wanneer deelname openstaat, eisen transparant
zijn en maatregelen niet primair dienen om concurrenten uit armere landen te
weren. Clubvorming kan mondiale normontwikkeling versnellen, maar mag geen
permanent bestuur door rijke landen worden.
21 Van
beginselen naar een mondiaal economisch compact
Mondiale polycentriciteit wordt pas
operationeel wanneer normen, middelen, besluitvorming en geschilbeslechting met
elkaar zijn verbonden. Een mondiaal economisch compact hoeft geen wereldstaat
te vormen. Het kan bestaan uit onderling gekoppelde verdragen en instellingen
die minimumgrenzen vastleggen, nationale beleidsruimte beschermen en
grensoverschrijdende afwenteling corrigeerbaar maken[9].
Een eerste pijler bestaat uit sociale,
fiscale, financiële en ecologische ondergrenzen. Arbeidsnormen, effectieve
minimumbelasting, transparantie over uiteindelijk eigendom, klimaat- en
biodiversiteitsdoelen en prudentiële minimumeisen begrenzen neerwaartse
concurrentie[10].
Landen blijven vrij strengere bescherming te bieden. Minimumregels mogen niet
zo worden ontworpen dat rijke landen hun bestaande productiemodel behouden en
de aanpassingskosten via productstandaarden naar armere exporteurs verschuiven[11].
Een tweede pijler herverdeelt heffings-
en informatiemacht. Publieke country-by-countryrapportage, registers van
uiteindelijk belanghebbenden en bronlandrechten maken zichtbaar waar omzet,
arbeid, hulpbronnen en winst ontstaan. Internationale belastingafspraken moeten
niet alleen een minimumtarief vastleggen, maar ook ontwikkelingslanden een
werkbaar aandeel in de heffingsgrondslag geven. Technische ondersteuning en
eenvoudige, handhaafbare regels zijn hierbij even belangrijk als formele
verdragsrechten[12].
Een derde pijler organiseert
staatsschuld. Wanneer een land evident niet houdbaar kan betalen, treedt een
tijdelijke standstill in werking, gevolgd door een onafhankelijke analyse
waaraan alle belangrijke schuldeisers deelnemen. Uitgaven voor voedsel,
gezondheid, onderwijs, klimaataanpassing en minimale energievoorziening krijgen
bescherming. Herstructurering verdeelt verliezen tussen debiteur, publieke en
private crediteuren en voorkomt dat de snelste beslaglegger de gezamenlijke
oplossing ondermijnt[13].
Een vierde pijler financiert de
transitie volgens capaciteit en historische verantwoordelijkheid. Concessionele
financiering, giften, multilaterale ontwikkelingsbanken en waar passend
speciale trekkingsrechten ondersteunen mondiale publieke goederen. Klimaatfinanciering
mag niet hoofdzakelijk uit leningen bestaan die schuldenproblemen verdiepen.
Projecten worden beoordeeld op lokale publieke waarde, arbeidsrechten, land en
water, genderverdeling en technologische leeropbrengst[14].
Een vijfde pijler deelt technologie.
Octrooipools, vrijwillige en zo nodig verplichte licenties, gezamenlijke
onderzoeksprogramma’s en voorwaarden aan publiek gefinancierde kennis kunnen
toegang tot essentiële groene, medische en digitale technologie vergroten. De
vergoeding van innovatie blijft mogelijk, maar exclusiviteit wordt beperkt waar
zij de verwezenlijking van fundamentele mondiale doelen disproportioneel
blokkeert[15].
Een zesde pijler versterkt
ketenverantwoordelijkheid. Ondernemingen en financiers moeten aantonen hoe zij
mensenrechten-, arbeids- en milieurisico’s voorkomen en herstellen. Getroffen
personen krijgen toegang tot informatie, klachtprocedures en een bevoegde
rechter. Certificering alleen is onvoldoende wanneer de inkoper prijs- en
leveringsvoorwaarden oplegt die naleving economisch onmogelijk maken[16].
Een zevende pijler hervormt
vertegenwoordiging. Stemgewichten, bestuurszetels en agenda-invloed in mondiale
financiële en standaardzettende instellingen moeten minder sterk afhangen van
historisch vermogen of financiële centrumfunctie. Debiteurlanden, kleine
staten, werknemers, inheemse gemeenschappen en toekomstige-generatiebelangen
krijgen institutionele toegang tot besluitvorming die hun aanpassingsruimte
bepaalt[17].
De achtste pijler betreft
geschilbeslechting. Handels- en investeringsgeschillen mogen niet uitsluitend
verlies van markttoegang of verwachte winst beoordelen. Mensenrechten,
ecologische grenzen, ontwikkelingsruimte en de plicht tot niet-afwenteling moeten
als volwaardige rechtsgronden kunnen worden ingebracht. Procedures zijn
openbaar, rechters onafhankelijk en uitspraken voorzien in herstel in plaats
van alleen financiële compensatie[18].
De invoering kan modulair verlopen. De
EU en andere voorlopers kunnen hogere normen aan eigen productie, financiering
en import stellen, mits zij tegelijk techniek, overgangstijd en financiering
bieden en getroffen landen mede over de norm laten beslissen. Zo wordt
markttoegang niet gebruikt als eenzijdig machtsmiddel, maar als hefboom voor
wederkerige institutionele opbouw[19].
|
Mechanisme |
Huidig
tekort |
Compact |
Doorzettingsmacht |
|
Minimumgrenzen |
Race to the bottom |
Verdragsnorm + nationale uitvoering |
Publieke rapportage en peer review |
|
Belasting |
Winstverschuiving en ongelijke
heffingsmacht |
Country-by-country + bronlandrechten |
Belastingautoriteiten en geschilpanel |
|
Schuld |
Te late, gefragmenteerde
herstructurering |
Automatische standstill + workout |
Onafhankelijke houdbaarheidsanalyse |
|
Transitie-financiering |
Leningen verdiepen kwetsbaarheid |
Giften, concessioneel
kapitaal, MDB/SDR |
Lokale waarde- en rechtentoets |
|
Technologie |
Exclusiviteit blokkeert publieke doelen |
Pools en licenties |
Redelijke vergoeding + toegangsdrempel |
|
Geschillen |
Marktrechten domineren publieke waarden |
Openbaar multilateraal forum |
Mensenrechten- en ecologische
tegenvorderingen |
22 Macht binnen
polycentrische stelsels
De aanwezigheid van meerdere
beslissingscentra betekent niet automatisch dat macht evenwichtig is verdeeld.
Een multinationale onderneming kan over meer financiële middelen, data en
juridische expertise beschikken dan tientallen gemeenten samen. Een nationaal
ministerie kan informatievoorsprong hebben tegenover decentrale uitvoerders. Professioneel
georganiseerde belangengroepen kunnen in ieder overleg aanwezig zijn, terwijl
burgers en kleine ondernemingen nauwelijks capaciteit hebben om deel te nemen.
Een machtsanalyse moet daarom voor ieder
polycentrisch arrangement vaststellen:
- wie formele beslissingsbevoegdheid bezit;
- wie over financiering beschikt;
- wie informatie en gegevens controleert;
- wie toegang heeft tot overleg en procedures;
- wie een besluit kan vertragen of blokkeren;
- wie de kosten van niet-handelen draagt;
- wie naar een ander rechtsgebied kan uitwijken;
- wie achteraf verantwoording moet afleggen.
Macht kan zich bovendien verplaatsen.
Wanneer publieke bevoegdheden worden gedecentraliseerd zonder publieke
capaciteit, kunnen private adviseurs en marktpartijen feitelijk de
besluitvorming overnemen. Wanneer centrale regelgeving sterk leunt op vrijwillige
zelfregulering, kan normstelling verschuiven naar ondernemingen die zelf door
de norm worden geraakt. Polycentrische ordening vereist daarom niet alleen
spreiding van publieke macht, maar ook voldoende publieke en maatschappelijke
tegenmacht op ieder niveau.
23
Verantwoording zonder verdwijnpunt
In meerschalige systemen bestaat het
risico van wat een verantwoordingsverdwijnpunt kan worden genoemd:
iedere actor kan aannemelijk maken dat een andere actor de doorslaggevende
bevoegdheid, financiering of informatie bezit. Om dat te voorkomen moet voor
ieder beleidsdoel één actor eindverantwoordelijk zijn voor het bijeenbrengen
van de verschillende bijdragen. Deze actor hoeft niet alle bevoegdheden zelf te
bezitten, maar kan zich niet beroepen op bestuurlijke complexiteit als
verklaring voor blijvend falen.
Een verantwoordingsmatrix bevat ten
minste:
|
Vraag |
Verplichte vastlegging |
|
Wie stelt het doel vast? |
Politiek verantwoord
orgaan |
|
Wie coördineert? |
Benoemde
systeemverantwoordelijke |
|
Wie voert uit? |
Concrete publieke of
private uitvoerder |
|
Wie financiert? |
Meerjarig gedekte bron |
|
Wie meet? |
Onafhankelijke
gegevensbeheerder |
|
Wie houdt toezicht? |
Bevoegde toezichthouder |
|
Wie grijpt in bij falen? |
Actor met
interventiebevoegdheid |
|
Wie beslecht conflicten? |
Vooraf aangewezen college
of rechter |
|
Wie rapporteert aan
burgers? |
Herkenbaar politiek
verantwoordelijke |
Gedeelde verantwoordelijkheid mag niet
betekenen dat verantwoordelijkheid onbepaald is. Voor gezamenlijke taken moeten
daarom expliciete samenwerkingsafspraken, termijnen, escalatieregels en
financieringsverplichtingen gelden.
24 Indicatoren
voor een polycentrische economische orde
De kwaliteit van polycentriciteit kan
niet worden afgeleid uit het aantal samenwerkingsverbanden. Een dashboard moet
zowel autonomie als coördinatie, uitkomsten en verantwoording meten.
|
Dimensie |
Indicator |
|
Schaalconsistentie |
Aantal taken waarbij
probleem- en bestuursgebied aantoonbaar niet samenvallen |
|
Bevoegdheidshelderheid |
Percentage programma’s met
een volledig bevoegdhedenregister |
|
Coördinatie |
Doorlooptijd en kosten van
interbestuurlijke besluitvorming |
|
Conflictoplossing |
Aantal conflicten, oplossingsduur
en naleving van uitkomsten |
|
Lokale autonomie |
Aandeel middelen en
bevoegdheden waarover decentrale actoren werkelijk kunnen beslissen |
|
Capaciteit |
Personeel, expertise en
gegevenskwaliteit per uitvoeringsniveau |
|
Participatie |
Deelname van direct
geraakte en structureel ondervertegenwoordigde groepen |
|
Rechtsbescherming |
Toegankelijkheid, duur en
effectiviteit van bezwaar en beroep |
|
Regelgevingscoherentie |
Aantal tegenstrijdige,
overlappende of dubbel uitgevraagde verplichtingen |
|
Administratieve belasting |
Tijd en kosten voor
burgers, kleine ondernemingen en uitvoerders |
|
Doelbereik |
Sociale, economische en
ecologische resultaten per beleidsdomein |
|
Leervermogen |
Aantal geëvalueerde
experimenten en aantoonbare verspreiding of beëindiging |
|
Machtsbalans |
Concentratie van besluit-,
data- en financieringsmacht |
|
Corrigeerbaarheid |
Tijd tussen vastgesteld
falen en daadwerkelijke beleidsaanpassing |
Deze indicatoren moeten worden
uitgesplitst naar regio, inkomensgroep, ondernemingsgrootte en bestuurslaag.
Een gemiddelde afname van administratieve lasten kan bijvoorbeeld verhullen dat
de lasten voor grote ondernemingen dalen terwijl kleine organisaties juist meer
gespecialiseerde kennis moeten inhuren.
25
Tegenargumenten en institutionele risico’s
“Polycentriciteit maakt besluitvorming traag en duur”
Meerdere besluitvormingscentra brengen
coördinatiekosten mee. Overleg, gegevensuitwisseling en geschilbeslechting
kosten tijd en capaciteit. Centralisering kan daarom passend zijn wanneer
snelle uniforme besluitvorming of één technisch netwerk noodzakelijk is.
Maar ook centrale systemen hebben
informatie-, uitvoerings- en correctiekosten. Zij kunnen snel besluiten nemen
die lokaal niet uitvoerbaar blijken. De juiste vergelijking betreft dus niet
het zichtbare overleg in een polycentrisch stelsel tegenover een kosteloze
centrale overheid, maar de totale kosten van beide institutionele
alternatieven.
“Niemand weet nog wie verantwoordelijk is”
Dat risico is reëel wanneer bevoegdheden
overlappen zonder systeemverantwoordelijke en escalatieregels. Het antwoord is
geen automatische centralisering, maar een verplicht bevoegdhedenregister, één
coördinerende actor en vooraf vastgelegde interventiebevoegdheden.
“Lokale autonomie leidt tot postcodeongelijkheid”
Decentrale variatie kan leiden tot
ongelijke toegang tot voorzieningen. Daarom moeten grondrechten en sociale
minima op een hoger niveau worden gegarandeerd. Lokale verschillen zijn
aanvaardbaar wanneer zij betrekking hebben op vormgeving en aanvulling, niet
wanneer zij de wezenlijke toegang tot bestaansvoorwaarden ondermijnen.
“Decentrale overheden worden door lokale elites gekaapt”
Nabijheid vergroot niet alleen
participatie, maar kan ook afhankelijkheid en sociale druk versterken.
Transparantie, open besluitvorming, onafhankelijke controle,
belangenregistratie en toegang tot een hogere rechter blijven daarom
noodzakelijk. Lokale autonomie is geen vrijstelling van rechtsstatelijke
waarborgen.
“Hogere normen veroorzaken een race to the top die armere regio’s niet
kunnen betalen”
Wanneer minimumnormen zonder
financiering worden opgelegd, kunnen capaciteitsverschillen inderdaad toenemen.
Een hogere overheid die een norm stelt, moet ook aantonen hoe de noodzakelijke
middelen, kennis en overgangstijd beschikbaar komen. Gelijke rechten kunnen
ongelijke financiële bijdragen vereisen.
“Experimenteren ondermijnt rechtszekerheid”
Onbegrensde afwijking kan
rechtsongelijkheid en onzekerheid veroorzaken. Experimenteerbepalingen moeten
daarom doel, doelgroep, duur, waarborgen en evaluatie vooraf regelen.
Experimenten mogen niet worden gebruikt om fundamentele bescherming tijdelijk
buiten werking te stellen.
“Mondiale polycentriciteit is te zwak voor mondiale problemen”
Bij sommige problemen is zij inderdaad
onvoldoende. Een mondiaal emissieplafond, regeling voor
schuldenherstructurering of belastingminimum kan bindender internationale
bevoegdheden vereisen. Polycentriciteit is geen dogma tegen centralisering. Zij
helpt bepalen welke functies mondiaal moeten worden geborgd en welke ruimte
nationaal, regionaal en lokaal kan blijven.
26 Een
transitiepad naar polycentrische economische ordening
Een polycentrische orde kan niet in één
institutionele hervorming worden ingevoerd. Zij moet ontstaan door
systematische herverdeling en verbinding van bestaande bevoegdheden.
Eerste fase: institutionele inventarisatie
- breng per economisch domein alle publieke, private en maatschappelijke
beslissingscentra in kaart;
- registreer bevoegdheden, middelen, gegevens en interventierechten;
- identificeer lacunes, overlap en afwenteling;
- voer voor belangrijke taken een schaalconsistentietoets uit;
- benoem per doel een systeemverantwoordelijke.
Tweede fase: conflicten en uitvoering organiseren
- stel een wettelijke of bestuurlijke conflictlader vast;
- maak gezamenlijke feitenrapportages verplicht;
- verbind taakoverdracht aan financiering en uitvoeringscapaciteit;
- richt onafhankelijke bemiddeling in;
- versterk toegang tot rechtsbescherming;
- voer ex-posttoetsing van regelgevingskwaliteit uit.
Derde fase: gecontroleerd institutioneel experimenteren
- geef regio’s en gemeenten ruimte voor coöperatieve, publieke en
private alternatieven;
- ontwikkel duidelijke experimenteerbepalingen;
- financier onafhankelijke evaluatie;
- verspreid succesvolle praktijken via vrijwillige overname of hogere
normstelling;
- beëindig experimenten die rechten, doelmatigheid of ecologische
grenzen schaden.
Vierde fase: Europese en mondiale verankering
- benut Europese minimumnormen tegen sociale, fiscale en ecologische
arbitrage;
- behoud nationale en regionale ruimte boven die minima;
- koppel Europese doelen aan transitiefinanciering;
- ontwikkel voorloperscoalities voor klimaat, belasting en financiële
regulering;
- versterk mondiale transparantie, peer review en geschilbeslechting;
- waarborg ontwikkelingsruimte en institutionele stem voor armere
landen.
27 Conclusie:
georganiseerde pluraliteit
Een polycentrische economische ordening
kiest niet tussen staat, markt en gemeenschap, maar bepaalt welke combinatie
van instituties bij een concreet probleem past. Hayek maakt duidelijk waarom
verspreide kennis en lokale beslissingsruimte onmisbaar zijn. Michael Polanyi
laat zien dat autonome centra alleen functioneren binnen gedeelde regels en
waarden. Ostrom toont empirisch dat gemeenschappen hulpbronnen zelf kunnen
beheren wanneer grenzen, participatie, monitoring en conflictoplossing goed
zijn georganiseerd. Aligica maakt duidelijk dat meerdere centra zonder
overkoepelende orde nog geen polycentrisch stelsel vormen. Soto-Oñate,
Petrovics en Bauwens beschrijven hoe bevoegdheden door pooling, overdracht,
opsplitsing en opschaling dynamisch kunnen worden herschikt. Unger voegt
daaraan toe dat de institutionele vorm van de economie geen natuurgegeven is en
democratisch kan worden herzien.
Daaruit volgt een precieze opvatting van
schaalconsistentie. Besluitvorming vindt zo nabij mogelijk plaats waar lokale
kennis, participatie en variatie belangrijk zijn; zij wordt opgeschaald waar
externe effecten, netwerken, marktmacht, herverdeling of mobiele grondslagen
dat vereisen. Normstelling, financiering, uitvoering, toezicht en
conflictoplossing hoeven daarbij niet op hetzelfde niveau te liggen.
De Europese Unie kan binnen dit model
functioneren als een rechtsorde die gemeenschappelijke ondergrenzen en
grensoverschrijdende marktvoorwaarden vaststelt, terwijl lidstaten en regio’s
ruimte houden voor institutionele verscheidenheid. Mondiale instituties moeten
collectieve grenzen, transparantie en eerlijke mededingingsvoorwaarden
organiseren, zonder nationale ontwikkelingsruimte of lokale zelforganisatie
onnodig uit te schakelen.
Polycentriciteit is daarmee geen
harmonieus netwerk waarin conflicten door overleg verdwijnen. Zij is
georganiseerde pluraliteit: een stelsel dat conflict verwacht, macht zichtbaar
maakt, verantwoordelijkheden toedeelt en beslissingen corrigeerbaar houdt. Haar
kwaliteit blijkt niet uit het aantal bestuurslagen, maar uit de mate waarin
mensen weten wie beslist, kunnen deelnemen, bescherming genieten tegen
afwenteling en een falende beslissing daadwerkelijk kunnen laten herzien.
De economische orde wordt zo noch vanuit
één centrum beheerst, noch aan ongecoördineerde krachten overgelaten. Zij wordt
gedragen door meerdere, begrensde en onderling verbonden centra die kennis en
initiatief spreiden, maar verantwoordelijkheid niet laten verdwijnen.
Lees het volledige onderzoek:
[1]
Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni
2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van
klimaatneutraliteit (Europese klimaatwet), PbEU L 243, 9 juli 2021, 1–17, art.
2 en 4, zoals gewijzigd
[2]
Richtlijn 2003/87/EG inzake het EU-emissiehandelssysteem, zoals gewijzigd bij
Richtlijn (EU) 2023/959; Verordening (EU) 2023/956 tot instelling van een
mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM); Verordening (EU) 2023/955 tot
oprichting van een Sociaal Klimaatfonds.
[3] Fanning e.a.,
‘Social Shortfall and Ecological Overshoot’, 26–36; Nussbaum, Creating Capabilities, 33–34.
[4]
Verordening (EU) 2022/1925, art. 5–7 en 18; Verordening (EU) 2022/2065 van het
Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte
markt voor digitale diensten (Digital Services Act), PbEU L 277, 27 oktober
2022, 1–102, in het bijzonder art. 34–37.
[5]
Richtlijn (EU) 2022/2464, zoals gewijzigd; Gedelegeerde Verordening (EU)
2023/2772, zoals gewijzigd.
[6]
erordening (EU) 2024/1735 betreffende het Europese ecosysteem voor de productie
van nettonultechnologie; Verordening (EU) 2024/1252 tot vaststelling van een
kader voor een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen;
Verordening (EU) 2021/241 tot instelling van de herstel- en
veerkrachtfaciliteit.
[7] Verenigde
Naties, United Nations Declaration on the
Rights of Indigenous Peoples, art. 19 en 32; International Labour
Organization, Guidelines for a Just
Transition, 12–20.
[8] Europese
Centrale Bank, ‘ECB Advances Climate and Nature Work after Delivering on
2024–2025 Plan’, 16 januari 2026, https://www.ecb.europa.eu/press/pr/date/2026/html/ecb.pr260116~4b4a05a179.en.html; Europese
Centrale Bank, ‘Climate and Nature Strategy’, geraadpleegd 23 augustus 2026, https://www.ecb.europa.eu/ecb/climate/our-climate-and-nature-plan/html/index.en.html.
[9] Elinor Ostrom,
‘Polycentric Systems for Coping with Collective Action and Global Environmental
Change’, Global Environmental Change
20, nr. 4 (2010): 550–557, https://doi.org/10.1016/j.gloenvcha.2010.07.004.
[10] International
Labour Organization, Guidelines for a
Just Transition, 6–20; OECD/G20 Inclusive Framework on BEPS, Statement on a Two-Pillar Solution to
Address the Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy,
8 oktober 2021; Paris Agreement, 12
december 2015, art. 2, 9 en 10.
[11] United Nations
Conference on Trade and Development, The
State of Commodity Dependence 2025, hfdst. 1–2; Paris Agreement, art. 2, lid 2, en art. 9.
[12] OECD, Transfer Pricing Documentation and
Country-by-Country Reporting, Action 13 – 2015 Final Report (Paris: OECD
Publishing, 2015), 9–30, https://doi.org/10.1787/9789264241480-en.
[13]
Verenigde Naties, Algemene Vergadering, Resolutie 69/319; Guzman, Ocampo en
Stiglitz, red., Too Little, Too Late,
inleiding en hfdst. 1.
[14] Paris Agreement, art. 9–11; United
Nations, Addis Ababa Action Agenda of the
Third International Conference on Financing for Development, A/RES/69/313,
27 juli 2015, par. 43–49 en 75–92.
[15] World Trade
Organization, Declaration on the TRIPS
Agreement and Public Health, par. 4–6; Agreement on Trade-Related Aspects
of Intellectual Property Rights, art. 31 en 31bis.
[16] Verenigde
Naties, Guiding Principles on Business
and Human Rights, beginselen 17–24 en 25–31; OECD, Due Diligence Guidance for Responsible Business Conduct, 20–34.
[17] United Nations,
Addis Ababa Action Agenda, par.
103–115.
[18] Nations
Conference on Trade and Development, Investment
Policy Framework for Sustainable Development (Geneva: UNCTAD, 2015),
secties 3–4.
[19] Montreal
Protocol on Substances that Deplete the Ozone Layer, 16 september 1987, art.
10, zoals gewijzigd; Meeting of the Parties, Decision II/8, ‘Financial
Mechanism’, 29 juni 1990.

Reacties
Een reactie posten