Wie kijkt naar de leefomgeving als geheel?
Het recht op een plek die leven mogelijk
maakt
Waarom artikel 21 van de Grondwet meer moet zijn dan een
zorgplicht
Wanneer Noor op een warme
ochtend het slaapkamerraam van haar dochter opent, sluit zij het enkele minuten
later weer.
De lucht buiten ruikt
scherp.
Niet altijd.
Maar vaak genoeg om het
op te merken.
Aan de andere kant van de
wijk ligt een drukke verkeersweg. Verderop staan een distributiecentrum en een
bedrijventerrein. Op warme dagen blijft de hitte tussen de gebouwen hangen. In
de straat staan weinig bomen. Na hevige regen loopt het water niet snel genoeg
weg.
Geen van die
omstandigheden lijkt op zichzelf uitzonderlijk.
Er is een vergunning voor
het verkeer.
Er zijn normen voor de
bedrijven.
Er is een gemeentelijk
hitteplan.
Er is een programma voor
wateroverlast.
Er zijn kaarten,
metingen, modellen en beleidsdoelen.
Op papier wordt aan veel
gedacht.
Maar Noor ziet vooral dat
haar dochter opnieuw benauwd is. Zij vraagt zich af of de lucht daarvan de
oorzaak is. De huisarts kan dat niet met zekerheid zeggen. Misschien spelen
meerdere factoren mee. Misschien is er geen enkele bron die afzonderlijk verantwoordelijk
kan worden gehouden.
Die onzekerheid maakt het
probleem niet kleiner.
Zij maakt het alleen
moeilijker om te bepalen wie iets moet doen.
De gemeente kijkt naar de
inrichting van de wijk.
De provincie naar de
vergunning van het bedrijf.
De omgevingsdienst naar
afzonderlijke emissies.
Het Rijk naar landelijke
normen.
De Europese Unie naar
grenswaarden en productregels.
De onderneming naar wat
juridisch is toegestaan.
Iedere instantie ziet een
deel.
Maar wie ziet de lucht
die Noor en haar dochter werkelijk inademen?
Wie kijkt naar de
optelsom van verkeer, bedrijvigheid, geluid, hitte, weinig groen en een woning
die zij door de krapte op de woningmarkt niet eenvoudig kunnen verlaten?
Dat is de centrale vraag
achter het recht op een leefbare omgeving.
Niet alleen: bestaat er
milieubeleid?
Maar ook: beschermt dat
beleid mensen en ecosystemen daadwerkelijk tegen een omgeving die ongezond,
onveilig of onherstelbaar beschadigd raakt?
De Nederlandse Grondwet
bevat daarvoor al een belangrijke bepaling. Artikel 21 zegt dat de zorg van de
overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en
verbetering van het leefmilieu.
Die woorden doen ertoe.
Zij maken duidelijk dat
waterveiligheid, klimaat, bodem, lucht, natuur en leefomgeving geen
vrijblijvende belangen zijn. De overheid heeft een constitutionele
verantwoordelijkheid om het land bewoonbaar te houden en het milieu te
beschermen.
Maar de bepaling blijft
open.
Zij zegt niet dat ieder
mens zelf recht heeft op een schone, gezonde en ecologisch duurzame
leefomgeving.
Zij zegt niet welke
ecologische ondergrens in ieder geval moet worden gerespecteerd.
Zij bepaalt niet
duidelijk wat moet gebeuren wanneer schade ontstaat door veel kleine bronnen,
jarenlang uitstel of gebrekkige handhaving.
En zij maakt niet
zichtbaar welke bescherming nodig is wanneer niet de overheid zelf, maar een
onderneming of een keten van private partijen de schade veroorzaakt.
Daardoor kan een
merkwaardige situatie ontstaan.
Er zijn regels voor
lucht.
Regels voor water.
Regels voor bodem.
Regels voor geluid.
Regels voor vergunningen.
Regels voor inspraak.
En toch kan de omgeving
waarin iemand woont als geheel ongezond of onleefbaar worden.
Iedere norm kan
afzonderlijk zijn beoordeeld.
Iedere vergunning kan een
eigen dossier hebben.
Ieder bestuursorgaan kan
binnen zijn bevoegdheid hebben gehandeld.
Maar het totaal kan
buiten beeld blijven.
Voor Noor maakt het
weinig verschil of haar dochter benauwd wordt door één bron of door de
combinatie van vijf bronnen. Haar lichaam ademt geen afzonderlijke vergunningen
in. Het reageert op de feitelijke leefomgeving.
Dat geldt niet alleen
voor luchtverontreiniging.
Een wijk kan te maken
hebben met geluid, hitte, slechte bodemkwaliteit en weinig groen.
Een regio kan tegelijk
worden belast door industrie, intensief verkeer, watertekort en verlies van
natuur.
Een eiland kan formeel
over voorzieningen beschikken, maar door zeespiegelstijging, extreem weer,
afvalproblemen of een kwetsbare drinkwatervoorziening steeds moeilijker
bewoonbaar worden.
Een rivier kan door
meerdere lozingen worden aangetast, terwijl geen enkele lozing afzonderlijk het
gehele probleem verklaart.
Milieuschade is vaak
verspreid.
Zij ontstaat langzaam.
Zij stapelt zich op.
En soms wordt zij pas
volledig zichtbaar wanneer herstel moeilijk, kostbaar of onmogelijk is
geworden.
Daarom is een uitsluitend
reactieve rechtsorde onvoldoende.
Wie pas ingrijpt nadat
een kind aantoonbaar ziek is geworden, een soort is verdwenen, grondwater
onbruikbaar is geraakt of een gebied regelmatig overstroomt, beschermt te laat.
Het milieurecht moet niet
alleen vaststellen wie na de schade aansprakelijk is.
Het moet ook voorkomen
dat de schade ontstaat.
Dat is de betekenis van
preventie.
Preventie betekent niet
dat ieder risico moet worden uitgesloten. Geen samenleving kan wonen, reizen,
produceren, landbouw bedrijven of energie opwekken zonder enige belasting van
de omgeving.
Het betekent wel dat
voorzienbare schade vooraf serieus wordt onderzocht en waar redelijkerwijs
mogelijk wordt voorkomen of beperkt.
Maar juist bij
milieuvraagstukken ontbreekt vaak volledige zekerheid.
Hoe groot is het risico
precies?
Welke stof veroorzaakt
welk effect?
Wanneer wordt een
ecologische grens overschreden?
Hoe verhouden lokale
metingen zich tot landelijke gemiddelden?
Wat gebeurt er over
twintig of vijftig jaar?
Volledige zekerheid komt
dikwijls pas achteraf.
Soms komt zij nooit.
Als onzekerheid steeds
een reden is om niets te doen, valt het risico in de praktijk toe aan degene
die aan de schade wordt blootgesteld.
Daarom is ook voorzorg
nodig.
Wanneer een risico op
ernstige of onomkeerbare schade aannemelijk is, mag het ontbreken van volledige
wetenschappelijke zekerheid geen automatisch excuus zijn om noodzakelijke
bescherming uit te stellen.
Dat beginsel is niet
onbeperkt.
Voorzorg mag niet worden
gebruikt om op basis van iedere denkbare vrees een activiteit te verbieden. De
ernst en aannemelijkheid van het risico moeten worden onderzocht. De maatregel
moet geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn. Nieuwe kennis kan aanleiding
geven om de maatregel aan te passen.
Voorzorg is dus geen
afscheid van wetenschap.
Het is een manier om
verantwoordelijk te handelen terwijl de wetenschap nog geen volledige zekerheid
kan bieden.
Dat vraagt om de best
beschikbare kennis.
Niet de kennis die
politiek het beste uitkomt.
Niet alleen het onderzoek
dat door de betrokken onderneming is aangeleverd.
Niet één model zonder
vermelding van onzekerheden.
Maar een controleerbare
beoordeling waarin relevante gegevens, verschillende deskundige inzichten en
resterende onzekerheden zichtbaar worden gemaakt.
Wetenschap neemt de
beslissing niet over.
Een meetwaarde vertelt
niet vanzelf waar een weg moet komen, welke energiemix moet worden gekozen of
hoe de lasten van verduurzaming moeten worden verdeeld.
Dat blijven politieke en
bestuurlijke keuzes.
Maar democratische
keuzevrijheid begint niet bij het negeren van feiten.
Zij begint bij het
eerlijk onder ogen zien van gevolgen, risico’s en alternatieven.
Daarom moet een modern
artikel 21 meer doen dan een algemene zorgplicht formuleren.
Het zou in de eerste
plaats moeten erkennen dat ieder recht heeft op een schone, gezonde en
ecologisch duurzame leefomgeving.
Schoon betekent
bescherming tegen verontreiniging, schadelijke stoffen, afval en andere vormen
van aantasting.
Gezond betekent dat de
leefomgeving niet structureel een onaanvaardbaar risico mag vormen voor
lichamelijke en geestelijke gezondheid.
Ecologisch duurzaam
betekent dat ook de samenhang en draagkracht van natuurlijke systemen worden
beschermd.
Die drie begrippen
overlappen.
Maar zij vallen niet
volledig samen.
Een omgeving kan voor een
individueel mens op korte termijn aanvaardbaar lijken en toch ecosystemen
uitputten waarvan mensen op langere termijn afhankelijk zijn.
Een natuurgebied kan
ecologisch van grote waarde zijn zonder dat één persoon kan aantonen dat
aantasting hem onmiddellijk ziek maakt.
Daarom is naast een
individueel recht een zelfstandige zorgplicht nodig.
De overheid moet niet
alleen reageren op concrete schade aan afzonderlijke personen. Zij moet ook het
klimaat, de biodiversiteit, de lucht, het water, de bodem en ecosystemen
beschermen, verbeteren en waar nodig herstellen.
Mensen staan niet buiten
de natuur.
Wij leven door systemen
die geen mens alleen kan maken of vervangen.
Schone lucht.
Drinkbaar water.
Een vruchtbare bodem.
Bestuiving.
Waterberging.
Bescherming tegen hitte
en overstroming.
Dat zijn geen
decorstukken rond de samenleving.
Het is de natuurlijke
infrastructuur waarop gezondheid, wonen, voedselvoorziening, economie en
vrijheid rusten.
Een grondrecht op een
leefbare omgeving is daarom niet alleen een natuurrecht in enge zin.
Het beschermt de
voorwaarden waaronder andere rechten betekenis krijgen.
Een woning is niet
werkelijk behoorlijk wanneer de lucht binnen en buiten mensen structureel ziek
maakt.
Toegang tot zorg is
onvoldoende wanneer vermijdbare vervuiling steeds nieuwe ziekte veroorzaakt.
Bestaanszekerheid blijft
kwetsbaar wanneer energiekosten, klimaatschade of verlies van inkomen door
droogte vooral terechtkomen bij wie de minste reserves heeft.
Vrijheid is beperkt
wanneer iemand zijn huis nauwelijks kan verlaten vanwege hitte, stank of
geluid, maar evenmin kan verhuizen.
De leefomgeving bepaalt
mede welke mogelijkheden mensen werkelijk hebben.
Milieuschade is bovendien
niet gelijk verdeeld.
Wie over geld, kennis en
invloed beschikt, kan soms een stillere woning kiezen, een tuin aanleggen,
juridische bijstand betalen of naar een minder vervuilde omgeving verhuizen.
Wie weinig keuze heeft,
woont vaker waar meerdere belastingen samenkomen.
Langs drukke wegen.
In slecht geïsoleerde
woningen.
In versteende wijken.
In gebieden met
industrie, geluid, hitte of overstromingsrisico.
Dezelfde milieubelasting
kan daardoor voor verschillende mensen heel anders uitwerken.
Een hoge energierekening
is niet hetzelfde voor een ruim bemeten huishouden als voor een gezin dat al
iedere maand tekortkomt.
Een hittegolf raakt niet
iedereen op dezelfde manier. Ouderen, jonge kinderen, mensen met een chronische
aandoening en bewoners van kleine warme woningen lopen grotere risico’s.
Een vervuilde bodem is
niet alleen een gemiddelde meetwaarde. Zij kan betekenen dat kinderen niet
veilig buiten kunnen spelen, dat een moestuin onbruikbaar wordt of dat een
woning haar waarde verliest.
Daarom moet artikel 21
ook milieurechtvaardigheid omvatten.
Niet alleen de totale
milieuwinst telt.
Ook telt wie de lasten
draagt.
Wie de baten ontvangt.
Wie zich kan beschermen.
Wie aan tafel zit wanneer
besluiten worden genomen.
En wie met de gevolgen
blijft zitten wanneer de beloofde bescherming uitblijft.
Een maatregel kan
ecologisch effectief zijn en sociaal onrechtvaardig worden uitgevoerd.
Een duurzame transitie
kan noodzakelijk zijn en toch mensen buitensporig belasten wanneer zij geen
reëel alternatief hebben.
Een grondrecht op een
leefbare omgeving vraagt daarom niet alleen om ambitie, maar ook om een
rechtvaardige verdeling van ecologische lasten en baten.
Daarbij hoort het
beginsel dat de vervuiler zoveel mogelijk betaalt.
Dat beginsel klinkt
vanzelfsprekend.
Maar in de praktijk
worden private baten en publieke kosten vaak van elkaar gescheiden.
Een onderneming kan
verdienen aan een activiteit, terwijl gezondheidskosten, sanering, toezicht en
herstel later door burgers of de overheid worden gedragen.
Een product kan goedkoop
lijken zolang de schade aan bodem, water, klimaat of arbeids- en
leefomstandigheden buiten de prijs blijft.
Wanneer de samenleving
die kosten opvangt, is vervuiling niet werkelijk goedkoop.
De rekening is alleen
verplaatst.
Naar andere mensen.
Naar andere gebieden.
Of naar een later moment.
Het beginsel dat de
vervuiler betaalt betekent niet dat iedere schade eenvoudig aan één partij kan
worden toegerekend. Historische vervuiling, lange productieketens en diffuse
emissies maken verantwoordelijkheid soms ingewikkeld.
Ook kan een onverkorte
kostenverdeling onevenredige gevolgen hebben voor mensen die nauwelijks invloed
hadden op de oorzaak.
Daarom is wettelijke
uitwerking nodig.
Maar het uitgangspunt
moet helder zijn.
Wie de baten ontvangt van
een schadelijke activiteit, kan de kosten van preventie en herstel niet
vanzelfsprekend op de samenleving afwentelen.
Een milieugrondrecht moet
daarnaast de positie van burgers in de besluitvorming versterken.
Dat begint met
informatie.
Mensen moeten kunnen
weten welke risico’s bestaan, welke stoffen worden uitgestoten, welke metingen
zijn verricht, welke onzekerheden blijven en welke alternatieven zijn
onderzocht.
Informatie moet tijdig
beschikbaar zijn.
Niet pas nadat een
contract is gesloten.
Niet pas nadat de
belangrijkste locatiekeuze is gemaakt.
Niet in duizenden
pagina’s die formeel openbaar maar praktisch ondoorgrondelijk zijn.
Toegang tot informatie
heeft weinig betekenis wanneer alleen specialisten kunnen begrijpen wat er
staat.
Daarom vraagt
openbaarheid ook om begrijpelijke uitleg, bruikbare gegevens en inzicht in de
aannames achter modellen.
Daarna komt participatie.
Burgers moeten hun kennis
en belangen kunnen inbrengen op een moment waarop nog werkelijk iets kan
veranderen.
Een informatieavond nadat
de bestuurlijke, financiële en contractuele keuzes feitelijk vaststaan, is geen
betekenisvolle deelname.
Participatie betekent
niet dat iedere deelnemer zijn zin krijgt.
Bestuurders moeten
belangen afwegen en uiteindelijk besluiten nemen.
Maar zij moeten luisteren
voordat de uitkomst onomkeerbaar is, alternatieven serieus onderzoeken en
uitleggen wat met de inbreng is gedaan.
Lokale kennis is daarbij
geen hinderlijke aanvulling op professionele expertise.
Bewoners weten vaak waar
water blijft staan, wanneer stank optreedt, welke route kinderen naar school
nemen, waar ouderen tijdens hitte verkoeling zoeken en welke beloften eerder
niet zijn nagekomen.
Die kennis vervangt
metingen niet.
Zij kan wel zichtbaar
maken wat gemiddelden en modellen missen.
Het sluitstuk is
rechtsbescherming.
Wanneer informatie wordt
achtergehouden, participatie te laat komt, grenswaarden worden overschreden of ernstige
risico’s niet worden onderzocht, moet een onafhankelijke rechter effectieve
bescherming kunnen bieden.
Anders blijven informatie
en inspraak afhankelijk van de bereidheid van dezelfde instanties die worden
gecontroleerd.
Dat roept opnieuw een
moeilijke vraag op.
Gaat de rechter dan
bepalen hoeveel woningen mogen worden gebouwd?
Welke bedrijven moeten
sluiten?
Hoe de energievoorziening
wordt ingericht?
Hoeveel geld naar natuur,
waterveiligheid of klimaatadaptatie moet gaan?
Dat hoeft niet.
Ook hier ligt ruimte
tussen een vrijblijvende opdracht en volledige rechterlijke sturing.
De intensiteit van de
toetsing kan afhangen van wat er op het spel staat.
Wanneer leven of
gezondheid ernstig wordt bedreigd, een bindende grenswaarde wordt overschreden
of een recht op informatie en deelname is geschonden, mag de rechter indringend
toetsen.
Wanneer het gaat om een
algemeen programma met veel mogelijke maatregelen, grote budgettaire gevolgen
en ingewikkelde verdelingskeuzes, hebben wetgever en bestuur meer ruimte.
De rechter hoeft dan niet
zelf het beleid te schrijven.
Hij kan wel vragen of er
een samenhangend wettelijk kader bestaat.
Of relevante wetenschap
is betrokken.
Of maatregelen
redelijkerwijs aan het doel kunnen bijdragen.
Of voortgang wordt
gemeten.
Of uitstel wordt
gemotiveerd.
Of kwetsbare groepen en
cumulatief belaste gebieden onevenredig worden geraakt.
En of een ernstige
achteruitgang van bescherming werkelijk noodzakelijk en evenredig is.
De rechter bewaakt dan de
constitutionele ondergrens.
De politiek kiest in
beginsel de route erboven.
Dat onderscheid is
belangrijk.
Een grondwet behoort niet
iedere technische norm, vergunningvoorwaarde of reductiemaatregel vast te
leggen. Wetenschappelijke kennis verandert. Nieuwe technieken ontstaan.
Omstandigheden verschillen per gebied.
De Grondwet kan niet
bepalen hoe hoog iedere schoorsteen mag zijn of welke meetmethode over dertig
jaar moet worden gebruikt.
Zij kan wel eisen dat
beschermende normen bestaan, dat zij op actuele kennis zijn gebaseerd, dat
ernstige overschrijdingen niet eindeloos voortduren en dat beslissingen kunnen
worden gecorrigeerd.
Een grondrecht is geen
milieuprogramma.
Het is de juridische
structuur waarbinnen milieuprogramma’s verantwoord, uitgevoerd en getoetst
moeten worden.
Daarvoor is meer nodig
dan een nieuwe grondwetszin.
Er moeten concrete
grenswaarden zijn.
Er moet worden gemeten.
Toezichthouders en
omgevingsdiensten moeten over voldoende mensen, deskundigheid en middelen
beschikken.
Bestuursorganen moeten
weten wie verantwoordelijk is wanneer problemen meerdere beleidsterreinen en
bestuurslagen raken.
Rechterlijke uitspraken
moeten worden uitgevoerd.
Vergunningen moeten
opnieuw kunnen worden beoordeeld wanneer nieuwe kennis ernstige risico’s
zichtbaar maakt.
En de overheid moet
periodiek openbaar verantwoorden of de leefomgeving werkelijk verbetert.
Zonder die institutionele
voorwaarden kan een uitgebreid artikel 21 vooral een plechtige belofte blijven.
Dat is een reëel risico.
Open begrippen als
schoon, gezond en duurzaam kunnen tot onzekerheid leiden. Procedures kunnen
langer worden. Bestuurders kunnen uit angst voor juridische fouten terughoudend
worden. Ondernemingen en overheden kunnen met hogere kosten worden geconfronteerd.
Verschillende rechters kunnen aanvankelijk uiteenlopende accenten leggen.
Die bezwaren verdienen
een serieus antwoord.
Niet ieder ecologisch
belang kan altijd voorgaan.
Niet iedere achteruitgang
is verboden.
Niet iedere vergunning
wordt ongeldig.
Niet iedere onzekerheid
rechtvaardigt ingrijpen.
En niet iedere politieke
keuze behoort door de rechter te worden overgedaan.
Juist daarom moet de
bescherming gelaagd worden ingericht.
Een duidelijke
individuele ondergrens bij ernstige aantasting.
Een zelfstandige
zorgplicht voor ecosystemen en collectieve belangen.
Preventie en evenredige
voorzorg bij aannemelijke ernstige risico’s.
Wetenschappelijke
onderbouwing zonder technocratische overheersing.
Informatie en deelname
voordat besluiten vaststaan.
Een rechter die kan
corrigeren zonder zelf te besturen.
En democratische
verantwoording over keuzes, kosten en voortgang.
Ook bestaande rechten en
belangen blijven tellen.
Eigendom biedt
bescherming tegen onevenredige lasten.
Ondernemers moeten kunnen
vertrouwen op duidelijke regels en zorgvuldige overgangstermijnen.
Woningzoekenden hebben
belang bij de bouw van woningen.
Werknemers kunnen
afhankelijk zijn van sectoren die moeten veranderen.
Een energietransitie
vraagt om infrastructuur die zelf ruimte en grondstoffen gebruikt.
De spanning verdwijnt
niet door een milieugrondrecht.
Zij wordt er wel beter
zichtbaar en juridisch ordelijker door.
Het recht verlangt geen
wereld zonder afwegingen.
Het verlangt dat sommige
belangen niet stilzwijgend uit de afweging verdwijnen.
Dat ernstige schade niet
vanzelf wordt aanvaard omdat veel partijen eraan bijdragen.
Dat onzekerheid niet
altijd in het voordeel van de veroorzaker uitvalt.
Dat degenen met de minste
invloed niet steeds de grootste lasten dragen.
En dat herstel niet pas
wordt besproken wanneer voorkomen niet meer mogelijk is.
Voor Noor betekent dit
niet dat zij kan eisen dat iedere verkeersbeweging uit haar wijk verdwijnt.
Zij krijgt geen recht op
volmaakte stilte, een constante temperatuur of een omgeving zonder enig
gezondheidsrisico.
Maar zij moet wel kunnen
achterhalen aan welke belasting haar gezin wordt blootgesteld.
Zij moet kunnen begrijpen
hoe de overheid de combinatie van bronnen beoordeelt.
Zij moet op tijd invloed
kunnen uitoefenen wanneer nieuwe besluiten de belasting vergroten.
En wanneer de grens van
aanvaardbare bescherming wordt overschreden, moet zij niet afhankelijk zijn van
politieke welwillendheid alleen.
Iemand moet
verantwoordelijkheid dragen voor het geheel.
Niet alleen voor de vraag
of iedere afzonderlijke vergunning volgens de juiste procedure is verleend.
Maar ook voor de vraag of
de omgeving waarin mensen dagelijks leven nog schoon, gezond en duurzaam genoeg
is.
Dat is uiteindelijk de
betekenis van een afdwingbaar artikel 21.
Niet dat de Grondwet
iedere boom beschermt tegen iedere ingreep.
Wel dat natuur en
ecosystemen niet pas meetellen wanneer hun verlies onmiddellijk in geld of
individuele gezondheidsschade kan worden uitgedrukt.
Niet dat de rechter het
klimaat-, landbouw-, energie- of woningbouwbeleid overneemt.
Wel dat ook democratische
keuzes grenzen hebben wanneer zij de natuurlijke bestaansvoorwaarden ernstig of
onomkeerbaar aantasten.
Niet dat iedere generatie
de wereld onveranderd moet doorgeven.
Wel dat vrijheid vandaag
niet mag worden gekocht door de mogelijkheden van morgen zonder zwaarwegende
rechtvaardiging te verkleinen.
Een leefbare omgeving is
geen luxe die pas aandacht verdient wanneer de economie, woningbouw en publieke
financiën op orde zijn.
Zij is de ruimte
waarbinnen economie, wonen en samenleving überhaupt mogelijk zijn.
Artikel 21 zou dat moeten
uitdrukken.
Als individueel recht.
Als publieke zorgplicht.
Als opdracht tot
preventie, voorzorg en herstel.
Als waarborg voor kennis,
deelname en rechtsbescherming.
En als grens aan het afwentelen
van schade op mensen, gebieden en tijden die het minst in staat zijn zich te
verweren.
Een democratische
rechtsstaat hoeft niet te beloven dat iedere omgeving altijd schoon, stil en
onaangetast blijft.
Menselijk samenleven laat
sporen na.
Er zullen wegen,
woningen, bedrijven, landbouw, energievoorzieningen en publieke werken nodig
blijven.
Er zullen fouten worden
gemaakt.
Kennis zal veranderen.
Belangen zullen botsen.
Maar een samenleving kan
wel afspreken dat haar natuurlijke bestaansbasis niet langzaam mag verdwijnen
tussen vergunningen, bestuurslagen en economische belangen.
Dat niemand pas
bescherming krijgt wanneer de schade onomstotelijk is bewezen en niet meer kan
worden hersteld.
Dat mensen niet worden
teruggebracht tot meetpunten in een model, maar als bewoners en rechtssubjecten
kunnen weten, deelnemen en tegenspreken.
Dat de vervuiler niet
vanzelf de baten houdt terwijl anderen de rekening betalen.
En dat de overheid niet
alleen afzonderlijke regels uitvoert, maar verantwoordelijkheid neemt voor wat
die regels samen met een leefomgeving doen.
Misschien is dat wat een
vernieuwd artikel 21 uiteindelijk moet zeggen.
Niet het recht op een
wereld zonder risico.
Wel het recht op een
overheid die bekende risico’s niet wegkijkt.
Niet het recht om iedere
verandering tegen te houden.
Wel het recht om te
weten, mee te spreken en bescherming te vragen voordat verandering onomkeerbare
schade wordt.
Niet het recht op
volmaakte natuur.
Wel het recht op een plek
die leven mogelijk maakt.
Lees het voledige voorstel:
https://www.researchgate.net/publication/414928717_Het_recht_op_een_leefbare_omgeving

Reacties
Een reactie posten