Wie bewaakt de rechtsstaat wanneer de nood het hoogst is?
1. Huidige constitutionele regeling en lacunes in
het noodrecht
De Nederlandse Grondwet bevat geen samenhangend hoofdstuk
over crisisbeheersing, noodbevoegdheden en afwijking van grondrechten. Artikel
103 vormt de centrale constitutionele bepaling, maar daarnaast bestaan
afzonderlijke regels over oorlog, defensie, decentrale bevoegdheden en
beperkingen van specifieke grondrechten. De feitelijke crisisbeheersing berust
bovendien grotendeels op gewone en bijzondere wetgeving. Daardoor is een
stelsel ontstaan waarin constitutioneel noodrecht, wettelijk staatsnoodrecht en
regulier crisisrecht naast elkaar functioneren, zonder dat voor alle vormen van
uitzonderlijke machtsuitoefening dezelfde constitutionele voorwaarden gelden.
1.1. Artikel 103 Grondwet
Artikel 103, eerste lid, bepaalt dat de wet regelt in welke
gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk
besluit een wettelijk aangewezen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd.
De wet regelt tevens de gevolgen daarvan. De Grondwet verleent de regering
daarmee niet rechtstreeks bepaalde noodbevoegdheden, maar draagt de formele
wetgever op het noodrecht nader vorm te geven.
Het tweede lid bepaalt van welke constitutionele bepalingen
tijdens een uitzonderingstoestand kan worden afgeweken. Het betreft bepalingen
over de bevoegdheden van provincies, gemeenten, de openbare lichamen van
Caribisch Nederland en waterschappen, alsmede onderdelen van de vrijheid van
godsdienst en levensovertuiging, de vrijheid van meningsuiting, het recht van
vereniging, het recht tot vergadering en betoging, bepaalde waarborgen bij het
binnentreden van woningen, het communicatiegeheim en onderdelen van de
constitutionele regeling van de strafrechtspraak. Afwijking van andere
grondwetsbepalingen wordt door artikel 103 niet toegestaan.
Het derde lid regelt de parlementaire betrokkenheid.
Terstond na de afkondiging van een uitzonderingstoestand en vervolgens telkens
wanneer de Staten-Generaal dat nodig achten, beslissen zij in verenigde
vergadering over het voortduren daarvan. Het parlement kan de
uitzonderingstoestand daarmee beëindigen. De Grondwet bepaalt echter niet
binnen welke concrete termijn de eerste parlementaire beslissing moet worden
genomen, hoe vaak verlenging moet worden beoordeeld, welke informatie de
regering moet verstrekken en welke gevolgen uitblijvende parlementaire
besluitvorming heeft. De Raad van State heeft erop gewezen dat de Grondwet geen
nadere procedurele regels voor deze besluitvorming bevat.
Naast artikel 103 is artikel 96 relevant voor de verklaring
dat het Koninkrijk in oorlog is. Deze verklaring vereist voorafgaande
toestemming van de Staten-Generaal, tenzij overleg met het parlement feitelijk
onmogelijk blijkt. Ook deze bepaling bestrijkt slechts een gedeelte van
mogelijke crisissituaties en regelt niet het bredere gebruik van
noodbevoegdheden tijdens oorlog, hybride dreiging of ernstige maatschappelijke
ontwrichting.
1.2. Uitwerking in de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden
Artikel 103 is uitgewerkt in de Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden. Deze wet bevat niet zelf het volledige arsenaal aan
noodbevoegdheden, maar regelt hoe bevoegdheden uit talrijke andere wetten in
werking kunnen worden gesteld. De bevoegdheden zijn onder meer opgenomen in de
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag, de Oorlogswet voor Nederland,
de Noodwet financieel verkeer, de Vorderingswet, de Wet verplaatsing bevolking
en sectorale wetten over voedselvoorziening, vervoer, telecommunicatie, gezondheidszorg
en vitale infrastructuur.
In het geldende stelsel bestaan een beperkte en een algemene
noodtoestand. Zij kunnen bij koninklijk besluit, op voordracht van de
minister-president, worden afgekondigd wanneer buitengewone omstandigheden dit
noodzakelijk maken. Afkondiging van een noodtoestand betekent niet automatisch
dat alle beschikbare bevoegdheden mogen worden gebruikt. Daarvoor zijn
aanvullende inwerkingstellingsbesluiten nodig. De achterliggende gedachte is
dat uitsluitend die bevoegdheden worden geactiveerd die de concrete crisis noodzakelijk
maakt.
Daarnaast kent het stelsel de zogenoemde separate
toepassing. Afzonderlijke noodbevoegdheden kunnen dan buiten een formeel
afgekondigde noodtoestand in werking worden gesteld. Daarvoor is in de regel
een koninklijk besluit nodig, gevolgd door indiening van een voorstel voor een
verlengingswet. Separate toepassing maakt een gerichte en minder ingrijpende
reactie mogelijk, maar betekent tevens dat delen van het noodrecht worden
toegepast zonder dat alle constitutionele waarborgen van artikel 103 voor een formele
uitzonderingstoestand in werking treden. Van de Grondwet zelf mag bij separate
toepassing niet worden afgeweken.
In juli 2026 is een wetsvoorstel tot modernisering van de
Coördinatiewet uitzonderingstoestanden bij de Tweede Kamer ingediend. Het
voorstel beoogt onder meer de beperkte noodtoestand te laten vervallen en de
regeling van de resterende noodtoestand te vereenvoudigen. Het wetsvoorstel is
nog niet aangenomen en verandert bovendien niet zonder meer de grondwettelijke
uitgangspunten of alle sectorale noodbevoegdheden. De modernisering van de
coördinatiewet neemt de behoefte aan een herziening van artikel 103 daarom niet
weg. De Raad van State heeft in dit verband het belang benadrukt van coherentie
tussen de verschillende onderdelen van het staatsnoodrecht.
1.3. Regulier crisisrecht buiten artikel 103
Naast het staatsnoodrecht bestaat een omvangrijk geheel van
reguliere crisiswetgeving. De Gemeentewet geeft de burgemeester bevoegdheden om
noodbevelen en noodverordeningen vast te stellen. De Wet veiligheidsregio’s
regelt de rampenbestrijding en crisisbeheersing op lokaal, regionaal en
nationaal niveau. De Wet publieke gezondheid bevat bijzondere bevoegdheden voor
de bestrijding van infectieziekten. Verder bestaan sectorspecifieke
crisisregelingen in onder meer de Kernenergiewet, de Wet financieel toezicht,
de Elektriciteitswet, de Gaswet en wetgeving over cyberveiligheid en vitale
infrastructuur.
Deze bevoegdheden worden niet noodzakelijkerwijs geactiveerd
door de afkondiging van een uitzonderingstoestand als bedoeld in artikel 103.
Zij zijn veelal opgenomen in gewone wetgeving en kunnen worden toegepast
wanneer aan de desbetreffende wettelijke voorwaarden is voldaan. Een
burgemeester kan bijvoorbeeld bij een ramp of ernstige vrees daarvoor een
noodbevel geven of een noodverordening vaststellen. Daarbij kan onder
voorwaarden van wettelijke voorschriften worden afgeweken, maar niet van de
Grondwet.
Formeel bestaat daarmee een onderscheid tussen
staatsnoodrecht en regulier crisisrecht. Materieel kunnen beide echter leiden
tot ingrijpende beperkingen van bewegingsvrijheid, vergadering,
ondernemerschap, privacy, lichamelijke integriteit en toegang tot publieke
voorzieningen. De Raad van State heeft geconstateerd dat deze twee stelsels
zich grotendeels autonoom hebben ontwikkeld en dat het formele onderscheid door
de ruime en soms langdurige toepassing van crisisbevoegdheden is vervaagd.
1.4. Lacunes in het huidige stelsel
Versnippering van crisis- en noodwetgeving
De eerste lacune betreft de verspreiding van nood- en
crisisbevoegdheden over een groot aantal wetten. De toepassingscriteria,
activeringsprocedures, verantwoordingsplichten en beëindigingsregelingen
verschillen per domein. Sommige bevoegdheden vereisen een koninklijk besluit en
een verlengingswet, andere kunnen door een minister, burgemeester, voorzitter
van een veiligheidsregio of ander bestuursorgaan worden toegepast. Ook de
gebruikte begrippen — zoals buitengewone omstandigheden, ramp, crisis, ernstige
vrees, bedreiging van de veiligheid en zwaarwegend algemeen belang — zijn niet
steeds op elkaar afgestemd.
Deze versnippering bemoeilijkt de kenbaarheid van het recht
en maakt het moeilijk om de cumulatieve werking van maatregelen te beoordelen.
Een crisis kan tegelijkertijd leiden tot toepassing van bevoegdheden uit
verschillende wetten en door verschillende bestuurslagen. Daardoor kan
onduidelijk worden wie eindverantwoordelijk is, welk parlementair orgaan
controle uitoefent en welke rechter bevoegd is. Juist wanneer besluiten snel
moeten worden genomen, is een heldere vooraf vastgestelde bevoegdheids- en verantwoordingsstructuur
noodzakelijk.
Verschil tussen artikel 103 en andere noodbevoegdheden
Een tweede lacune is dat de zwaarste constitutionele
waarborgen afhankelijk zijn van de juridische vorm waarin de crisis wordt
bestreden. Artikel 103 biedt parlementaire betrokkenheid en begrenst de
grondwetsbepalingen waarvan kan worden afgeweken, maar deze regeling geldt
alleen bij een formeel afgekondigde uitzonderingstoestand. Bij separate
toepassing en regulier crisisrecht gelden andere procedures.
Hierdoor kan een paradox ontstaan. Een formele noodtoestand
is zichtbaar, politiek zwaar beladen en aan bijzondere constitutionele controle
onderworpen. Een reeks afzonderlijke crisismaatregelen kan gezamenlijk echter
eveneens diep ingrijpen in het maatschappelijke leven, zonder dat het
constitutionele regime van artikel 103 wordt geactiveerd. De juridische
kwalificatie van de maatregel wordt dan bepalender voor de beschikbare
waarborgen dan de feitelijke omvang, duur en intensiteit van de machtsuitoefening.
Het huidige artikel 103 bevat bovendien geen materieel
criterium waarmee kan worden vastgesteld wanneer regulier crisisrecht niet
langer volstaat en een formele noodtoestand behoort te worden afgekondigd.
Evenmin wordt geregeld wanneer een regering niet langer met afzonderlijke
bevoegdheden mag blijven werken. Daardoor bestaat het risico dat de formele
uitzonderingstoestand wordt vermeden, terwijl materieel wel een uitzonderlijke
concentratie van macht plaatsvindt.
Onvoldoende afgebakende activeringsvoorwaarden
Artikel 103 verwijst naar de handhaving van de uit- of
inwendige veiligheid en laat het aan de wet over om de gevallen en gevolgen van
een uitzonderingstoestand te bepalen. Hoewel deze begrippen ruim kunnen worden
geïnterpreteerd, bevat de Grondwet zelf geen vereiste dat sprake moet zijn van
een actuele of onmiddellijk dreigende ernstige bedreiging van het bestaan van
de staat, de bevolking, de democratische rechtsorde of vitale maatschappelijke
functies.
Evenmin noemt artikel 103 uitdrukkelijk de beginselen van
noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Het bepaalt niet dat
gewone bevoegdheden aantoonbaar ontoereikend moeten zijn voordat
noodbevoegdheden worden ingezet. Ook een verplichting om de geografische,
materiële en personele reikwijdte van maatregelen zo beperkt mogelijk te houden
ontbreekt.
Deze eisen kunnen gedeeltelijk uit wetgeving, algemene
rechtsbeginselen en internationale mensenrechtenverdragen worden afgeleid.
Vanwege de uitzonderlijke aard van noodbevoegdheden behoren zij echter
expliciet in de Grondwet te worden vastgelegd.
Onduidelijke parlementaire controle
Artikel 103 verzekert dat de Staten-Generaal in verenigde
vergadering over het voortduren van een uitzonderingstoestand kunnen beslissen.
De bepaling schrijft echter geen korte maximale termijn voor waarbinnen
parlementaire goedkeuring moet worden verkregen. Ook ontbreekt een automatische
vervaldatum. De noodtoestand blijft bestaan totdat zij bij koninklijk besluit
wordt opgeheven of de Staten-Generaal tot beëindiging besluiten.
Evenmin bestaat een grondwettelijke verplichting tot
periodieke verlenging. De woorden “telkens wanneer zij zulks nodig oordelen”
leggen het initiatief in belangrijke mate bij het parlement zelf. In een crisis
kan de informatiepositie van de Staten-Generaal echter sterk afhankelijk zijn
van de regering. Zonder een actieve informatie-, motiverings- en
rapportageplicht is parlementaire controle moeilijk effectief uit te oefenen.
Voor separate toepassing en regulier crisisrecht gelden weer
andere vormen van betrokkenheid. Soms moet onmiddellijk een verlengingswet
worden ingediend, soms bestaat slechts een informatieplicht en soms vindt
controle hoofdzakelijk achteraf plaats. Daardoor ontbreekt een uniforme
constitutionele ondergrens voor parlementaire controle op ingrijpende
crisismaatregelen.
Een herziene regeling moet daarom ten minste voorzien in
onmiddellijke kennisgeving, snelle parlementaire goedkeuring, beperkte
geldingsduur, periodieke verlenging en afzonderlijke beoordeling van de
noodtoestand én de ingezette bevoegdheden. Ook moet het parlement maatregelen
tussentijds kunnen wijzigen of beëindigen.
Beperkte grondrechtelijke normering
Artikel 103 somt de bepalingen op waarvan tijdens een
uitzonderingstoestand mag worden afgeweken, maar bevat geen algemene bepaling
over niet-opschortbare rechten. Evenmin bepaalt het artikel dat de menselijke
waardigheid, het verbod van foltering, het recht op leven, de kern van het
legaliteitsbeginsel, het verbod van discriminatie en essentiële waarborgen van
toegang tot een onafhankelijke rechter onder alle omstandigheden moeten worden
geëerbiedigd.
De bepaling beschermt evenmin uitdrukkelijk de wezenlijke
inhoud van grondrechten. Een noodmaatregel kan noodzakelijk zijn, maar mag een
recht niet volledig betekenisloos maken. Daarnaast ontbreekt een
constitutioneel verbod om noodbevoegdheden discriminatoir toe te passen of
specifieke bevolkingsgroepen zonder objectieve rechtvaardiging onevenredig te
belasten.
De verhouding tot de voorgestelde algemene
grondrechtensystematiek moet daarom expliciet worden geregeld. De algemene
eisen van wettelijke grondslag, legitimiteit, noodzakelijkheid, evenredigheid,
bescherming van de wezenlijke inhoud en effectief rechtsherstel moeten ook
tijdens een crisis blijven gelden. Afwijking is alleen mogelijk voor zover
artikel 103 dit uitdrukkelijk toestaat en de bijzondere voorwaarden voor
derogatie zijn vervuld.
Beperkte constitutionele en rechterlijke controle
Rechters kunnen concrete crisismaatregelen en lagere
regelgeving toetsen aan de wet, rechtstreeks werkende verdragsbepalingen en
algemene rechtsbeginselen. Zij kunnen onder omstandigheden een noodbevel,
noodverordening of uitvoeringsmaatregel buiten toepassing laten of vernietigen.
Artikel 120 verhindert echter toetsing van formele crisis- en noodwetten aan de
Grondwet. Bovendien bevat artikel 103 geen expliciete garantie dat de
afkondiging, voortduring en toepassing van een noodtoestand snel en effectief door
een onafhankelijke rechter kunnen worden beoordeeld.
Juist in crisissituaties is tijdige rechtsbescherming
essentieel. Een uitspraak na afloop van een vrijheidsbeperking, gebiedsverbod,
sluiting of andere ingrijpende maatregel kan haar praktische betekenis
verliezen. Een herziene regeling moet daarom voorzien in versnelde procedures
en voorlopige voorzieningen. De rechter moet ten minste kunnen beoordelen:
- of
aan de activeringsvoorwaarden is voldaan;
- of
gewone bevoegdheden ontoereikend waren;
- of
de bevoegde procedure is gevolgd;
- of
de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenredig is;
- of
de maatregel binnen de toegestane duur en reikwijdte blijft;
- of
niet-opschortbare rechten en de wezenlijke inhoud van andere rechten
worden geëerbiedigd;
- of
effectief rechtsherstel beschikbaar is.
De rechter moet daarbij rekening kunnen houden met
onzekerheid, spoedeisendheid en de bijzondere deskundigheid van het bestuur,
maar mag de beoordeling van de rechtmatigheid niet volledig aan de regering
overlaten.
Geen constitutionele bescherming tegen normalisering
Het huidige artikel 103 bevat geen automatische beëindiging
van noodbevoegdheden en geen verplichting om na afloop terug te keren naar de
gewone bevoegdheidsverdeling. Evenmin bestaat een grondwettelijke
evaluatieplicht. Daardoor is onvoldoende gewaarborgd dat tijdelijke maatregelen
daadwerkelijk verdwijnen wanneer de noodzaak vervalt.
Normalisering kan ook optreden wanneer noodmaatregelen later
in gewone wetgeving worden opgenomen. Een formele beëindiging van de crisis
betekent dan niet noodzakelijk dat de tijdens de crisis ontstane
machtsverschuiving ongedaan wordt gemaakt. Een herzien artikel 103 moet daarom
eisen dat noodbevoegdheden van rechtswege vervallen, tenzij zij binnen een
beperkte termijn uitdrukkelijk en gemotiveerd worden verlengd. Na afloop moet
de regering verantwoording afleggen over het gebruik, de gevolgen en de noodzakelijkheid
van de maatregelen. Permanente overname in gewone wetgeving moet een volledige
reguliere wetgevingsprocedure en zelfstandige grondrechtelijke rechtvaardiging
vereisen.
Ongeschreven staatsnoodrecht
Ten slotte regelt de Grondwet niet hoe moet worden gehandeld
wanneer het geschreven noodrecht door uiterst uitzonderlijke omstandigheden
feitelijk niet kan worden toegepast. In de constitutionele doctrine wordt enige
ruimte aanvaard voor ongeschreven staatsnoodrecht, bijvoorbeeld wanneer
parlementaire organen niet bijeen kunnen komen en onmiddellijk handelen
noodzakelijk is om de constitutionele orde te behouden.
Deze mogelijkheid vormt een ultimum remedium, maar is
nauwelijks constitutioneel begrensd. Onduidelijk is wie de noodzaak vaststelt,
welke bevoegdheden mogen worden uitgeoefend en hoe spoedig parlementaire en
rechterlijke controle moet worden hersteld. Een herzien artikel 103 kan
dergelijke extreme situaties niet volledig voorspellen, maar moet ten minste
bepalen dat buitenwettelijk noodhandelen uitsluitend geoorloofd is wanneer het
behoud van de democratische rechtsorde dit onvermijdelijk maakt, de afwijking
strikt tijdelijk en minimaal blijft en onmiddellijk achteraf parlementaire en
rechterlijke verantwoording plaatsvindt.
Tussenconclusie
Het huidige noodrecht bevat bruikbare bevoegdheden en
verschillende controlemechanismen, maar mist een uniforme constitutionele
ondergrens. De bescherming hangt te sterk af van de keuze tussen een formele
uitzonderingstoestand, separate toepassing en regulier crisisrecht. Artikel 103
regelt wel de afkondiging en parlementaire beëindiging van een
uitzonderingstoestand, maar niet voldoende de activeringsdrempel, maximale
duur, periodieke verlenging, proportionaliteit, niet-opschortbare rechten,
rechterlijke toetsing en verplichte terugkeer naar de normale rechtsorde.
Een herziening moet daarom niet uitsluitend artikel 103
moderniseren, maar een gemeenschappelijk constitutioneel kader creëren voor
iedere inzet van buitengewone bevoegdheden die de normale bevoegdheidsverdeling
of de uitoefening van grondrechten ingrijpend aantast. De materiële ernst van
de machtsuitoefening, en niet alleen het formele etiket van de maatregel, moet
bepalen welke democratische en rechtsstatelijke waarborgen gelden.
2. Internationaal en rechtsvergelijkend perspectief
Het internationale recht erkent dat oorlog, ernstige
maatschappelijke ontwrichting, epidemieën en andere noodsituaties tijdelijke
afwijkingen van normale rechtswaarborgen noodzakelijk kunnen maken.
Tegelijkertijd geldt als fundamenteel uitgangspunt dat een crisis de
rechtsstaat niet buiten werking stelt. Noodbevoegdheden moeten een wettelijke
grondslag hebben, tijdelijk en controleerbaar zijn en uitsluitend worden
gebruikt voor zover de concrete situatie dit strikt vereist. Internationale
verdragen en verschillende buitenlandse grondwetten bieden aanknopingspunten
voor een herziening van artikel 103 Grondwet.
2.1. Artikel 15 EVRM
Artikel 15 EVRM bevat een uitdrukkelijke derogatieclausule.
In geval van oorlog of een andere algemene noodtoestand die het bestaan van het
land bedreigt, mag een verdragsstaat tijdelijk afwijken van bepaalde
verdragsverplichtingen. Daarvoor gelden drie cumulatieve materiële voorwaarden:
- er
moet sprake zijn van oorlog of een andere algemene noodtoestand die het
bestaan van het land bedreigt;
- de
afwijkende maatregelen mogen niet verder gaan dan de toestand strikt
vereist;
- de
maatregelen mogen niet onverenigbaar zijn met andere internationale
verplichtingen van de staat.
Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet
sprake zijn van een uitzonderlijke, actuele of onmiddellijk dreigende crisis
die de georganiseerde samenleving ernstig bedreigt. De noodsituatie hoeft niet
noodzakelijk het gehele grondgebied te omvatten, maar moet naar aard en omvang
voldoende ernstig zijn. Een gewone verstoring van de openbare orde,
bestuurlijke uitvoeringsproblematiek of algemene politieke spanning is
onvoldoende. Het Hof laat staten bij de beoordeling van de dreiging enige
ruimte, omdat nationale autoriteiten doorgaans beter zicht hebben op de
feitelijke omstandigheden. Die beoordelingsruimte is echter niet onbeperkt:
zowel het bestaan van de noodsituatie als de noodzaak en proportionaliteit van
de maatregelen blijven rechterlijk toetsbaar.
Derogatie is alleen nodig wanneer crisismaatregelen verder
gaan dan de beperkingen die de afzonderlijke verdragsrechten onder normale
omstandigheden al toelaten. Veel rechten, zoals het recht op privéleven, de
vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, bevatten eigen
beperkingsclausules. Maatregelen die binnen die clausules noodzakelijk en
evenredig zijn, kunnen zonder toepassing van artikel 15 worden genomen. Een
crisis verlaagt de gewone grondrechtelijke maatstaf dus niet automatisch.
Artikel 15, tweede lid, beschermt een aantal rechten tegen
derogatie. Van het recht op leven kan niet worden afgeweken, behoudens
overlijden als gevolg van rechtmatige oorlogshandelingen. Ook het verbod van
foltering en onmenselijke of vernederende behandeling, het verbod van slavernij
en het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel blijven onder alle omstandigheden
gelden. Aanvullende protocollen beschermen eveneens tegen toepassing van de
doodstraf.
Daarnaast geldt een procedurele verplichting. De staat moet
de secretaris-generaal van de Raad van Europa volledig informeren over de
genomen maatregelen, de redenen daarvoor en het moment waarop zij zijn
beëindigd. Zonder een kenbare derogatie blijven in beginsel de normale
verdragsverplichtingen gelden. Artikel 15 creëert bovendien geen zelfstandige
nationale bevoegdheid. De betrokken maatregelen moeten steeds op een
toereikende grondslag in het nationale recht berusten.
Uit de rechtspraak over artikel 15 EVRM[1]
volgt dat onder meer betekenis toekomt aan:
- de
aard en ernst van de dreiging;
- de
duur, geografische reikwijdte en gevolgen van de maatregel;
- de
vraag of minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren;
- de
aanwezigheid van parlementaire en rechterlijke controle;
- waarborgen
tegen willekeur en misbruik;
- periodieke
herbeoordeling van de noodzakelijkheid;
- differentiatie
tussen personen of gebieden;
- het
daadwerkelijke verband tussen de crisis en de genomen maatregel.
Voor de herziening van artikel 103 betekent dit dat niet kan
worden volstaan met een algemene verwijzing naar de uit- of inwendige
veiligheid. De Grondwet moet zelf een verhoogde activeringsdrempel, een strikte
noodzakelijkheidstoets en een begrensde duur formuleren.
2.2. Artikel 4 IVBPR
Artikel 4 van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten kent een vergelijkbaar, maar op onderdelen
uitgebreider derogatieregime. Afwijking is alleen toegestaan tijdens een
officieel afgekondigde algemene noodtoestand die het bestaan van het land
bedreigt. Maatregelen moeten strikt noodzakelijk zijn, verenigbaar blijven met
andere internationale verplichtingen en mogen niet uitsluitend discrimineren op
grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of sociale afkomst.
Het IVBPR wijst meer niet-opschortbare rechten aan dan het
EVRM. Naast het recht op leven, het verbod van foltering, het verbod van
slavernij en het legaliteitsbeginsel blijven onder meer het verbod van
vrijheidsbeneming wegens het niet nakomen van een contractuele verplichting,
het recht om als persoon voor de wet te worden erkend en de vrijheid van
gedachte, geweten en godsdienst beschermd. De volledige tekst van artikel 4
IVBPR vereist tevens internationale kennisgeving van derogaties en van hun
beëindiging.
Het VN-Mensenrechtencomité benadrukt in General Comment nr.
29 dat herstel van de normale rechtsorde het voornaamste doel van
noodmaatregelen moet blijven. Niet alleen de maatregel als zodanig, maar ook
haar duur, geografische toepassing en materiële reikwijdte moeten strikt
noodzakelijk zijn. Een officiële afkondiging is essentieel voor rechtszekerheid
en voorkomt dat buitengewone bevoegdheden informeel of verborgen worden
gebruikt.
Hoewel het recht op een effectief rechtsmiddel en
verschillende procedurele waarborgen niet volledig in de lijst van
niet-opschortbare rechten zijn opgenomen, mogen staten de bescherming van
niet-opschortbare rechten niet illusoir maken door iedere rechterlijke controle
uit te schakelen. Toegang tot een onafhankelijke rechter, in het bijzonder bij
vrijheidsontneming, foltering, verdwijning of willekeurig overheidsoptreden,
behoort daarom ook tijdens een noodtoestand tot de constitutionele kern.
2.3. Andere internationale verdragen
Andere mensenrechtenverdragen bevatten aanvullende grenzen.
Het VN-Verdrag tegen foltering staat geen enkele uitzondering toe op het verbod
van foltering. Oorlog, politieke instabiliteit, terrorismebestrijding en een
noodtoestand kunnen nooit als rechtvaardiging worden aangevoerd.
Het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en
culturele rechten bevat geen algemene derogatieclausule. Beperkingen moeten bij
wet zijn voorzien, verenigbaar zijn met de aard van de betrokken rechten en
uitsluitend het algemeen welzijn in een democratische samenleving dienen. Ook
tijdens een crisis blijven sociale minimumverplichtingen relevant, zoals
toegang tot noodzakelijke gezondheidszorg, voedsel, water, onderdak en sociale
bescherming. Schaarste kan invloed hebben op de wijze en fasering van
uitvoering, maar rechtvaardigt niet zonder meer discriminatoire of willekeurige
uitsluiting.
Het Kinderrechtenverdrag en het Verdrag inzake de rechten
van personen met een handicap kennen evenmin een algemene bevoegdheid om
verdragsrechten tijdens een crisis op te schorten. Artikel 11 van het
laatstgenoemde verdrag verplicht staten juist om in noodsituaties maatregelen
te treffen ter bescherming en veiligheid van personen met een handicap.
Crisisbeleid moet daarom rekening houden met groepen die door uniforme
maatregelen onevenredig zwaar kunnen worden getroffen.
Tijdens een gewapend conflict blijft bovendien het
internationaal humanitair recht van toepassing. Mensenrechtenrecht en
humanitair recht sluiten elkaar niet volledig uit, maar moeten zoveel mogelijk
in onderlinge samenhang worden uitgelegd. Ook bij oorlog blijven grenzen gelden
aan detentie, behandeling van burgers, geweldgebruik en de bescherming van
gewonden, gevangenen en andere kwetsbare personen.
2.4. EU-Handvest
Het EU-Handvest kent, anders dan het EVRM en het IVBPR, geen
algemene derogatieclausule voor noodtoestanden. Wanneer een lidstaat binnen de
werkingssfeer van het Unierecht handelt, blijven de rechten en beginselen van
het Handvest van toepassing. Artikel 52, eerste lid, bepaalt dat iedere
beperking:
- bij
wet moet zijn gesteld;
- de
wezenlijke inhoud van het recht moet eerbiedigen;
- noodzakelijk
en evenredig moet zijn;
- daadwerkelijk
moet beantwoorden aan een door de Unie erkend algemeen belang of aan de
bescherming van rechten van anderen.
Een nationale afkondiging van een noodtoestand schorst het
EU-Handvest dus niet. Evenmin betekent een derogatie onder artikel 15 EVRM
automatisch dat een beperking onder het Unierecht aanvaardbaar is. Binnen de
werkingssfeer van het Unierecht moet de maatregel zelfstandig aan artikel 52
EU-Handvest en aan de toepasselijke Uniewetgeving worden getoetst.
Het Unierecht bevat wel specifieke bepalingen voor
buitengewone omstandigheden. Artikel 347 VWEU ziet onder meer op ernstige
binnenlandse onlusten, oorlog en ernstige internationale spanningen die
oorlogsgevaar inhouden. Artikel 122 VWEU biedt mogelijkheden voor maatregelen
bij ernstige economische moeilijkheden of problemen met de voorziening van
bepaalde producten. Artikel 222 VWEU bevat de solidariteitsclausule bij
terroristische aanslagen en rampen. Ook bestaan sectorspecifieke
noodmechanismen.
Deze bepalingen vormen geen algemene vrijstelling van
grondrechten en rechtsstatelijke vereisten. Zij moeten restrictief worden
uitgelegd en blijven onderworpen aan Unierechtelijke controle. Nationale
veiligheid behoort volgens artikel 4, tweede lid, VEU tot de
verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar het enkele gebruik van het begrip
nationale veiligheid brengt een maatregel niet automatisch buiten de
werkingssfeer van het Unierecht.
Artikel 47 van het Handvest beschermt het recht op een
doeltreffende voorziening in rechte en op een onafhankelijk en onpartijdig
gerecht. Juist in crisissituaties moet een nationale procedure daarom ruimte
laten voor voorlopige bescherming en zo nodig voor een prejudiciële verwijzing
aan het Hof van Justitie. Een nationale noodregeling mag de voorrang en
doeltreffendheid van het Unierecht of de bevoegdheid van nationale rechters om
strijdige bepalingen buiten toepassing te laten niet aantasten.
2.5. Buitenlandse constitutionele modellen
Duitsland
Het Duitse Grundgesetz bevat een uitgebreid constitutioneel
noodrecht. Het maakt onderscheid tussen een verdedigingssituatie, interne
noodsituaties, rampen en bestuurlijke bijstand. De verdedigingssituatie wordt
in beginsel vastgesteld door de Bondsdag met instemming van de Bondsraad en
vereist een gekwalificeerde meerderheid. Alleen wanneer het parlement door
onoverkomelijke omstandigheden niet kan bijeenkomen, kan een speciaal
gemeenschappelijk comité tijdelijk optreden.
Het Duitse model beschermt de continuïteit van parlement,
federale staatsstructuur en constitutionele rechtspraak. Ook tijdens de
noodtoestand blijft het Bundesverfassungsgericht functioneren. De bevoegdheden
van noodorganen zijn tijdelijk en de constitutionele kern van menselijke
waardigheid, democratie, rechtsstaat, federalisme en sociale staat blijft
beschermd. De artikelen 115a en volgende van het Grundgesetz laten zien dat
institutionele continuïteit en vooraf geregelde vervanging de voorkeur verdienen
boven een algemene overdracht van macht aan de uitvoerende macht.
Voor Nederland is vooral relevant dat een crisis niet mag
worden gebruikt om het parlement, de constitutionele rechter of de
deelstatelijke structuur duurzaam buiten werking te stellen.
Spanje
De Spaanse Grondwet onderscheidt in artikel 116 drie
regimes: de alarmtoestand, de uitzonderingstoestand en de staat van beleg. De
alarmtoestand kan door de regering voor maximaal vijftien dagen worden
afgekondigd; verlenging vereist instemming van het Congres. Voor de
uitzonderingstoestand is voorafgaande parlementaire toestemming nodig en geldt
eveneens een beperkte duur. De staat van beleg wordt door het Congres
afgekondigd op voorstel van de regering.
Artikel 55 bepaalt welke grondrechten onder de zwaardere
regimes kunnen worden geschorst. De Grondwet waarborgt bovendien dat het
parlement niet kan worden ontbonden zolang een van deze toestanden voortduurt
en dat het functioneren van de constitutionele staatsorganen moet worden
gehandhaafd. De Spaanse Grondwet combineert daarmee een getrapt stelsel met
korte termijnen en toenemende parlementaire betrokkenheid naarmate de
bevoegdheden ingrijpender worden.
Het voordeel van dit model is de voorafgaande classificatie
van crises. Een risico is evenwel dat discussies ontstaan over de vraag binnen
welke categorie een concrete crisis valt. Voor Nederland is daarom vooral het
beginsel bruikbaar dat de zwaarte van de maatregelen bepalend moet zijn voor de
intensiteit van parlementaire controle.
Frankrijk
Artikel 16 van de Franse Grondwet kent de president
buitengewone bevoegdheden toe wanneer de instellingen van de Republiek, de
onafhankelijkheid van de natie, de territoriale integriteit of de nakoming van
internationale verplichtingen ernstig en onmiddellijk worden bedreigd én het
normale functioneren van de constitutionele staatsorganen is onderbroken. De
president moet vooraf verschillende staatsorganen consulteren en het parlement
blijft van rechtswege bijeen. De Nationale Vergadering kan tijdens de toepassing
van artikel 16 niet worden ontbonden.
Sinds de constitutionele hervorming van 2008 kan de Conseil
constitutionnel na dertig dagen worden gevraagd te beoordelen of de voorwaarden
nog bestaan. Na zestig dagen vindt die beoordeling van rechtswege plaats en kan
zij daarna opnieuw worden verricht. De Franse Grondwet laat daarmee zien dat
ook zeer ruime presidentiële noodbevoegdheden aan periodieke constitutionele
controle kunnen worden onderworpen.
Het Franse model waarschuwt tegelijkertijd voor een sterke
concentratie van bevoegdheden bij één persoon. Voor Nederland ligt een
collegiaal regeringsbesluit, gevolgd door snelle parlementaire instemming en
rechterlijke toetsing, meer voor de hand.
Zuid-Afrika
Artikel 37 van de Zuid-Afrikaanse Grondwet biedt een
bijzonder uitgewerkt model. Een noodtoestand kan alleen bij wet worden
afgekondigd wanneer oorlog, invasie, algemene opstand, ernstige wanorde, een
natuurramp of een andere algemene noodsituatie het bestaan van het land
bedreigt en de afkondiging noodzakelijk is om vrede en orde te herstellen.
De noodtoestand geldt aanvankelijk maximaal 21 dagen. De
Nationale Vergadering kan haar vervolgens telkens voor maximaal drie maanden
verlengen. Voor latere verlengingen is een verhoogde meerderheid van ten minste
zestig procent vereist en iedere verlenging moet in een openbaar debat worden
behandeld.
Iedere bevoegde rechter kan de geldigheid beoordelen van:
- de
afkondiging;
- een
verlenging;
- noodwetgeving;
- concrete
maatregelen die tijdens de noodtoestand zijn genomen.
Afwijking van grondrechten is alleen toegestaan voor zover
zij strikt door de noodsituatie wordt vereist en verenigbaar blijft met
internationale verplichtingen. De Grondwet bevat een uitvoerige tabel van
niet-opschortbare rechten en verbiedt voorafgaande vrijwaring van de staat of
functionarissen voor onrechtmatig handelen. Ook gelden bijzondere waarborgen
voor personen die zonder regulier proces worden vastgehouden. Artikel 37 van de
Zuid-Afrikaanse Grondwet verenigt daarmee materiële voorwaarden, tijdelijkheid,
parlementaire verlenging, rechterlijke controle en individuele
rechtsbescherming in één bepaling.
Voor een herzien Nederlands artikel 103 biedt dit model de
meest complete inspiratie, al zal de formulering moeten aansluiten bij de
Nederlandse constitutionele en parlementaire verhoudingen.
2.6. Rechtsvergelijkende conclusies
Uit het internationale en rechtsvergelijkende perspectief
komen acht gemeenschappelijke waarborgen naar voren.
Ten eerste moet de afkondiging zijn voorbehouden aan een
uitzonderlijke, actuele of onmiddellijk dreigende crisis die de bevolking, de
democratische rechtsorde of de georganiseerde samenleving ernstig bedreigt.
Niet iedere bestuurlijke moeilijkheid of ernstige beleidsopgave rechtvaardigt
een noodtoestand.
Ten tweede moet officieel en openbaar worden vastgesteld dat
een noodtoestand bestaat. De afkondiging moet de feiten, het doel, het
getroffen gebied, de geactiveerde bevoegdheden en de verwachte duur vermelden.
Ten derde moeten noodmaatregelen strikt noodzakelijk,
geschikt en evenredig zijn. Gewone bevoegdheden moeten aantoonbaar ontoereikend
zijn en steeds moet worden gekozen voor het minst ingrijpende ongeveer even
effectieve middel.
Ten vierde moet de Grondwet niet-opschortbare rechten
aanwijzen. Daartoe behoren ten minste de menselijke waardigheid, het recht op
leven, het verbod van foltering en slavernij, het strafrechtelijke
legaliteitsbeginsel, erkenning als persoon voor het recht, de kern van het
discriminatieverbod en essentiële toegang tot een onafhankelijke rechter.
Ten vijfde moet een noodtoestand een korte initiële
geldingsduur hebben. Voortduring vereist uitdrukkelijke, periodieke en openbare
parlementaire instemming. Naarmate de noodtoestand langer duurt, kan een
zwaardere meerderheid worden verlangd.
Ten zesde moeten de afkondiging, verlenging, noodregelgeving
en concrete toepassing volledig rechterlijk toetsbaar zijn. Daarbij moeten
voorlopige voorzieningen en snelle procedures beschikbaar zijn.
Ten zevende moeten parlement, rechterlijke macht,
verkiezingen en onafhankelijke controle-instituties zoveel mogelijk blijven
functioneren. Een crisis mag niet worden gebruikt om politieke oppositie uit te
schakelen, verkiezingen zonder dwingende noodzaak uit te stellen of
constitutionele toetsing buiten werking te stellen.
Ten achtste moet beëindiging en herstel van de gewone
rechtsorde van meet af aan onderdeel zijn van het noodregime. Maatregelen
vervallen wanneer hun noodzaak eindigt, na afloop volgt publieke verantwoording
en permanente overname in gewone wetgeving vereist een nieuwe, zelfstandige
constitutionele rechtvaardiging.
Het internationale recht formuleert daarmee geen
tegenstelling tussen slagvaardig crisisbestuur en grondrechtenbescherming. Het
stelt juist dat effectief crisisbestuur alleen constitutioneel legitiem is
wanneer het tijdelijk, noodzakelijk, transparant en corrigeerbaar blijft. Deze
uitgangspunten behoren het fundament te vormen van een herzien artikel 103
Grondwet.
[1] Zie:
Guide on Article 15 of the European Convention on Human Rights https://ks.echr.coe.int/documents/d/echr-ks/guide_art_15_eng
Reacties
Een reactie posten