Wie bewaakt de rechtsstaat wanneer de nood het hoogst is?
Waarom een overheid in een crisis meer bevoegdheden kan nodig hebben, maar
nooit minder controle
Op maandagochtend wordt Noor wakker
doordat haar telefoon geen verbinding meer maakt.
De wifi doet het niet.
Het mobiele netwerk valt voortdurend
weg.
In een groot deel van de stad werken de
verkeerslichten niet en op het station staan de treinen stil. Ziekenhuizen zijn
overgeschakeld op noodvoorzieningen. Betalingen kunnen op veel plaatsen niet
worden verwerkt.
Op televisie verschijnt de
minister-president.
Nederland wordt getroffen door een
grootschalige cyberaanval. Verschillende delen van de vitale infrastructuur
zijn ontregeld. De regering kondigt buitengewone maatregelen aan.
“Wat betekent dat?” vraagt Noor.
Haar moeder kijkt naar het scherm.
“Dat de overheid tijdelijk meer
bevoegdheden krijgt.”
“Welke bevoegdheden?”
“Dat weet ik eigenlijk niet.”
“En wie controleert of die maatregelen
nodig zijn?”
Haar moeder zwijgt even.
“Het parlement, denk ik.”
“En wanneer houdt het op?”
Dat is misschien wel de belangrijkste
vraag.
Een ernstige crisis kan snel optreden.
De overheid moet dan kunnen handelen. Maar juist wanneer de druk het grootst
is, bestaat het risico dat macht wordt geconcentreerd, grondrechten worden
beperkt en democratische controle naar de achtergrond verdwijnt.
De fundamentele constitutionele vraag is
daarom niet alleen:
kan de overheid tijdens een
crisis voldoende doen?
Maar ook:
blijft de overheid
controleerbaar terwijl zij dat doet?
Een crisis wacht niet op de gewone besluitvorming
Later die dag bespreekt Noor de situatie
op school.
“Waarom kan de regering niet gewoon de
bestaande wetten gebruiken?” vraagt ze.
De docent schrijft op het bord:
tijd – onzekerheid – ontwrichting – bescherming
Gewone wetgeving gaat ervan uit dat
besluiten zorgvuldig kunnen worden voorbereid, dat verschillende instanties hun
normale taken blijven uitvoeren en dat parlementaire behandeling volgens de
gebruikelijke procedures mogelijk is.
Tijdens een ernstige crisis kan die tijd
ontbreken.
Wanneer de energievoorziening uitvalt,
ziekenhuizen niet meer functioneren of een gewapende aanval onmiddellijk
dreigt, kan de overheid niet altijd maanden wachten op nieuwe wetgeving.
Zij moet dan bijvoorbeeld:
- vitale goederen en diensten kunnen verdelen;
- personen of gebieden tijdelijk kunnen evacueren;
- communicatie- en vervoersstromen kunnen reguleren;
- essentiële infrastructuur kunnen beschermen;
- gevaarlijke activiteiten kunnen stilleggen;
- tijdelijk afwijken van de gewone
bevoegdheidsverdeling;
- snel maatregelen kunnen nemen om leven en veiligheid
te beschermen.
Dat vraagt om bijzondere bevoegdheden.
Maar bijzondere bevoegdheden brengen
bijzondere risico’s mee.
Een regering kan onder verwijzing naar
veiligheid informatie achterhouden.
Tijdelijke beperkingen kunnen telkens
worden verlengd.
Noodmaatregelen kunnen buiten de
aandacht van het parlement worden uitgevoerd.
Burgers kunnen hun bewegingsvrijheid,
privacy, inkomen of toegang tot voorzieningen verliezen.
En maatregelen die tijdens de crisis
begrijpelijk leken, kunnen daarna ongemerkt blijven bestaan.
Daarom geldt een eenvoudig uitgangspunt:
hoe groter de uitzonderlijke
macht, hoe sterker de constitutionele begrenzing moet zijn.
De versnipperde gereedschapskist van het
huidige noodrecht
De docent schrijft vervolgens enkele
woorden op het bord:
artikel 103 Grondwet – Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden – Gemeentewet – Wet veiligheidsregio’s – Wet publieke
gezondheid – sectorale noodwetten
“Waarom zijn het er zoveel?” vraagt
Noor.
Omdat het Nederlandse nood- en
crisisrecht historisch verspreid is geraakt over verschillende wetten.
Artikel 103 van de Grondwet regelt de
mogelijkheid om een uitzonderingstoestand af te kondigen. De Coördinatiewet
uitzonderingstoestanden bepaalt vervolgens hoe bepaalde buitengewone
bevoegdheden in werking kunnen worden gesteld. Daarnaast bestaan noodbevoegdheden
in onder meer de Oorlogswet voor Nederland, de Wet buitengewone bevoegdheden
burgerlijk gezag, de Noodwet financieel verkeer en de Wet verplaatsing
bevolking.
Maar veel crisismaatregelen worden
buiten een formele uitzonderingstoestand genomen.
Een burgemeester kan een noodbevel
geven.
De voorzitter van een veiligheidsregio
kan bij een bovenlokale crisis bijzondere bevoegdheden uitoefenen.
De Wet publieke gezondheid bevat
bevoegdheden voor de bestrijding van infectieziekten.
Andere wetten regelen noodmaatregelen op
het gebied van energie, telecommunicatie, financiën, vervoer en vitale
infrastructuur.
Juridisch zijn dat verschillende
stelsels.
Voor de burger kan het resultaat echter
hetzelfde zijn.
Een onderneming moet sluiten.
Een gebied wordt afgesloten.
Een bijeenkomst wordt verboden.
Gegevens worden verwerkt.
Iemand mag zijn woning tijdelijk niet
verlaten.
De burger ervaart geen
juridisch onderscheid tussen staatsnoodrecht en regulier crisisrecht. De burger
ervaart de maatregel.
Toch hangen de beschikbare waarborgen
mede af van de juridische route die de overheid kiest. Dat is problematisch. De
bescherming van burgers zou niet hoofdzakelijk mogen afhangen van het etiket
dat aan een crisismaatregel wordt gegeven.
Wanneer is een noodtoestand werkelijk gerechtvaardigd?
“Kan de regering dan bij iedere grote
crisis een noodtoestand afkondigen?” vraagt Noor.
Nee.
Het voorstel voor een nieuw artikel 103
van de Grondwet legt een hoge drempel vast.
Er moet sprake zijn van oorlog of van
een actuele of onmiddellijk dreigende algemene noodsituatie die een ernstige
bedreiging vormt voor ten minste een van de volgende belangen:
- het bestaan van de staat;
- de veiligheid van de bevolking;
- de democratische rechtsorde;
- het essentiële functioneren van de samenleving.
Dat is nog niet voldoende.
De gewone wettelijke bevoegdheden moeten
ontoereikend zijn.
En de afkondiging van de noodtoestand
moet strikt noodzakelijk zijn.
Een bestuurlijk probleem is dus geen
noodtoestand.
Een ernstig incident is niet automatisch
een algemene noodsituatie.
Politieke onrust rechtvaardigt niet
zonder meer buitengewone bevoegdheden.
En het feit dat een noodbevoegdheid
sneller of gemakkelijker kan worden gebruikt, betekent niet dat zij
noodzakelijk is.
De regering moet daarom uitleggen waarom
het gewone recht onvoldoende bescherming biedt.
Welke concrete dreiging bestaat er?
Waarom kunnen bestaande bevoegdheden die
dreiging niet bestrijden?
Welke buitengewone maatregelen zijn
nodig?
Voor welk gebied?
Voor welke periode?
En welke grondrechten kunnen daardoor
worden geraakt?
Een noodtoestand begint niet
met een algemeen gevoel van urgentie, maar met een controleerbare vaststelling
van constitutionele noodzaak.
Een openbaar besluit
In het voorstel wordt een noodtoestand
bij koninklijk besluit afgekondigd, op voordracht van de minister-president.
Dat besluit mag niet volstaan met de
mededeling dat de omstandigheden ernstig zijn.
Het moet vermelden:
- welke feiten de afkondiging rechtvaardigen;
- wat het doel van de noodtoestand is;
- voor welk geografisch gebied zij geldt;
- welke buitengewone bevoegdheden worden geactiveerd;
- welke grondrechten door de maatregelen kunnen worden
beperkt;
- en hoelang de noodtoestand geldt.
Dat is belangrijk.
Een besluit dat niet duidelijk maakt wat
de noodsituatie inhoudt, kan nauwelijks door het parlement, de rechter, de
media of de samenleving worden gecontroleerd.
Natuurlijk kan tijdens een militaire of
digitale crisis niet alle informatie onmiddellijk openbaar worden gemaakt.
Sommige informatie kan operationeel gevoelig zijn. Maar vertrouwelijkheid mag
niet betekenen dat controle verdwijnt. Dan moeten procedures bestaan waarmee
het parlement en onafhankelijke toezichthouders vertrouwelijke informatie
kunnen beoordelen.
Geheimhouding kan soms noodzakelijk
zijn.
Oncontroleerbaarheid is dat
nooit.
Niet de hele noodkast gaat open
Noor kijkt naar de lijst met mogelijke
noodbevoegdheden.
“Gaan al die bevoegdheden dan
automatisch gelden zodra de noodtoestand is afgekondigd?”
Nee.
Dat is een belangrijk onderdeel van het
voorstel.
Een noodtoestand opent niet automatisch
de volledige verzameling van buitengewone bevoegdheden. Iedere bevoegdheid moet
afzonderlijk in werking worden gesteld door middel van een gemotiveerd en
bekendgemaakt besluit.
Stel dat de crisis uitsluitend
betrekking heeft op digitale infrastructuur.
Dan rechtvaardigt dat niet
vanzelfsprekend buitengewone bevoegdheden op het gebied van voedselvoorziening,
huisvesting of openbare bijeenkomsten.
Stel dat de crisis zich beperkt tot een
deel van Nederland.
Dan behoort het noodregime niet zonder
goede reden voor het gehele land te gelden.
En stel dat een bepaalde bevoegdheid na
twee weken niet meer nodig is.
Dan moet zij worden beëindigd, ook
wanneer de noodtoestand voor andere maatregelen nog voortduurt.
Dit wordt een modulaire benadering
genoemd.
Niet één allesomvattend noodpakket, maar
een gerichte activering van uitsluitend die bevoegdheden die voor de concrete
crisis noodzakelijk zijn.
De noodtoestand is geen
schakelaar waarmee alle buitengewone macht tegelijk wordt aangezet.
Zeven dagen zonder blanco cheque
De regering kan bij een acute crisis
soms niet wachten op voorafgaande parlementaire toestemming.
Daarom kan de noodtoestand onmiddellijk
worden afgekondigd.
Maar de regering mag vervolgens niet
wekenlang zelfstandig bepalen of die noodtoestand voortduurt.
Volgens het voorgestelde artikel 103a
moet de regering de Staten-Generaal terstond informeren. Zij moet alle
informatie verstrekken die nodig is om de afkondiging te beoordelen.
Vervolgens moeten de Staten-Generaal
binnen zeven dagen in verenigde vergadering instemmen met het voortduren van de
noodtoestand.
Gebeurt dat niet?
Dan vervalt de noodtoestand van
rechtswege.
“Dus de regering mag onmiddellijk
handelen,” zegt Noor, “maar het parlement moet binnen een week beslissen of dat
mag doorgaan?”
Precies.
Dat probeert twee belangen met elkaar te
verbinden.
De acute noodzaak om snel op te treden.
En de democratische noodzaak om
buitengewone macht niet zonder parlementaire legitimatie te laten voortduren.
De stemming gaat niet alleen over de
vraag of er in algemene zin een crisis bestaat. Het parlement moet ook kunnen
beoordelen of de geactiveerde bevoegdheden noodzakelijk zijn, of het
geografische bereik niet te ruim is en of de gevolgen voor grondrechten
aanvaardbaar zijn.
Daadkracht kan de eerste
beslissing rechtvaardigen. Alleen democratische verantwoording kan het
voortduren van uitzonderlijke macht legitimeren.
Tijdelijkheid die werkelijk afloopt
Veel noodregelingen worden tijdelijk
genoemd.
Maar wat betekent tijdelijk?
Een maatregel die steeds opnieuw kan
worden verlengd, kan jarenlang blijven bestaan en toch formeel tijdelijk heten.
Daarom bevat het voorstel concrete
termijnen.
De noodtoestand geldt bij afkondiging
voor maximaal dertig dagen. Iedere verlenging geldt voor maximaal drie maanden.
Wanneer de noodtoestand in totaal langer dan zes maanden voortduurt, is voor
iedere verdere verlenging een meerderheid van ten minste twee derde van de
uitgebrachte stemmen nodig.
Waarom een zwaardere meerderheid?
Omdat langdurige voortzetting steeds
moeilijker te verenigen is met het uitgangspunt dat een noodtoestand
uitzonderlijk behoort te zijn.
In de acute fase kan onzekerheid groot
zijn.
Na verloop van tijd mag meer worden
verwacht.
Meer informatie.
Meer gerichte wetgeving.
Meer parlementair debat.
Meer onderzoek naar alternatieven.
En een betere onderbouwing van de
noodzaak om buitengewone bevoegdheden te behouden.
Hoe langer de uitzondering duurt, hoe
groter het gevaar dat tijdelijke bestuurspraktijken normaal worden.
Tijdelijkheid bestaat niet
uit het woord ‘tijdelijk’, maar uit macht die zonder een nieuw democratisch
besluit daadwerkelijk vervalt.
Het parlement hoeft niet op de volgende verlenging te wachten
“Maar wat als het parlement na twee
weken vindt dat een bevoegdheid niet meer nodig is?” vraagt Noor.
Dan moet het niet hoeven wachten tot de
termijn van dertig dagen is verstreken.
Volgens het voorstel kunnen de
Staten-Generaal op ieder moment besluiten:
- de noodtoestand te beëindigen;
- het geografische toepassingsgebied te verkleinen;
- of een afzonderlijke buitengewone bevoegdheid buiten
werking te stellen.
Parlementaire controle is daardoor niet
beperkt tot een periodieke keuze tussen alles voortzetten of alles beëindigen.
Misschien blijft de dreiging bestaan,
maar is een bepaalde maatregel niet langer effectief.
Misschien blijkt een maatregel groepen
onevenredig zwaar te treffen.
Misschien zijn inmiddels minder
ingrijpende alternatieven beschikbaar.
Dan moet gerichte correctie mogelijk
zijn.
Dat is de betekenis van een
corrigeerbaar noodregime.
Het parlement geeft de regering niet één
keer toestemming en verdwijnt daarna uit beeld. Het blijft verantwoordelijk
voor het beoordelen, begrenzen en zo nodig beëindigen van de uitzonderlijke
macht.
Mag de Grondwet tijdelijk opzij worden gezet?
De moeilijkste vraag betreft de
grondrechten.
Tijdens een noodtoestand kan het
noodzakelijk zijn bepaalde rechten verdergaand te beperken dan onder normale
omstandigheden mogelijk is.
Denk aan de vrijheid van vergadering
tijdens ernstige ongeregeldheden.
Aan de bewegingsvrijheid tijdens een
levensbedreigende epidemie.
Aan de vertrouwelijkheid van
communicatie bij een acute militaire dreiging.
Of aan het eigendomsrecht wanneer
goederen onmiddellijk moeten worden gevorderd om de bevolking te beschermen.
Maar een noodtoestand betekent niet dat
de Grondwet als geheel buiten werking kan worden gesteld.
Het voorstel maakt daarom onderscheid
tussen drie situaties.
Sommige grondrechten kunnen volgens de
gewone grondwettelijke beperkingsregels worden beperkt.
Van een beperkte en uitdrukkelijk
aangewezen groep grondwetsbepalingen kan tijdens een formele noodtoestand bij
wet worden afgeweken.
En van een derde groep fundamentele
rechten kan onder geen enkele omstandigheid worden afgeweken.
Bovendien moet iedere beperking of
afwijking:
- bij wet zijn voorzien;
- rechtstreeks verband houden met de noodsituatie;
- strikt noodzakelijk zijn;
- evenredig zijn;
- naar duur en toepassingsgebied zijn begrensd;
- en de wezenlijke inhoud van het grondrecht
eerbiedigen.
Een algemene verwijzing naar nationale
veiligheid is dus niet voldoende.
De overheid moet per maatregel kunnen
uitleggen waarom juist deze beperking nodig is.
Voor deze groep.
In dit gebied.
Gedurende deze periode.
En met deze intensiteit.
Een crisis verlaagt de
grondrechtelijke maatstaf niet tot nul. Zij maakt een strengere rechtvaardiging
noodzakelijk.
Grenzen waar niemand overheen mag
Noor vraagt:
“Zijn er rechten die de overheid nooit
mag opschorten?”
Ja.
Het voorstel noemt een constitutionele
ondergrens waarvan onder geen enkele omstandigheid mag worden afgeweken.
Daartoe behoren onder meer:
- de menselijke waardigheid;
- het recht op leven, behoudens rechtmatig
geweldgebruik;
- het verbod van foltering;
- het verbod van slavernij en gedwongen verdwijning;
- de erkenning van ieder als persoon voor het recht;
- het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel;
- het verbod van terugwerkende strafbaarstelling;
- de innerlijke vrijheid van gedachte, geweten en
godsdienst;
- het recht om vrijheidsontneming snel door een
rechter te laten beoordelen;
- en de wezenlijke toegang tot een onafhankelijke en
onpartijdige rechter.
Waarom moeten juist deze rechten
absoluut worden beschermd?
Omdat zij de mens beschermen tegen
vormen van machtsuitoefening die nooit tot een aanvaardbaar instrument van
crisisbestrijding mogen worden gemaakt.
Foltering wordt niet geoorloofd omdat
informatie dringend nodig lijkt.
Mensen mogen niet buiten de bescherming
van het recht worden geplaatst.
De overheid mag achteraf geen
gedragingen strafbaar maken die op het moment van handelen niet strafbaar
waren.
En niemand mag worden opgesloten zonder
toegang tot een onafhankelijke rechter.
De noodsituatie kan veel veranderen.
Zij verandert een mens niet
in een middel dat onbeperkt door de staat mag worden gebruikt.
De democratie mag geen slachtoffer van de noodtoestand worden
In buitenlandse en historische
voorbeelden is de noodtoestand soms gebruikt om politieke tegenstanders uit te
schakelen, media het zwijgen op te leggen of verkiezingen uit te stellen.
Een regering zegt dan dat de democratie
tijdelijk moet wijken om de staat te redden.
Maar wanneer de oppositie niet meer kan
functioneren, onafhankelijke journalistiek wordt onderdrukt en verkiezingen
voor onbepaalde tijd worden uitgesteld, blijft er van die democratie weinig
over.
Daarom bepaalt het voorstel dat de
Staten-Generaal, de rechterlijke macht en onafhankelijke controle-instituties
tijdens een noodtoestand moeten blijven functioneren.
De noodtoestand mag niet worden gebruikt
om:
- politieke oppositie uit te schakelen;
- vrije verkiezingen onmogelijk te maken;
- onafhankelijke journalistiek te onderdrukken;
- of rechterlijke controle buiten werking te stellen.
Verkiezingen kunnen alleen bij wet en
wegens feitelijke onmogelijkheid worden uitgesteld. Bovendien moet dat uitstel
zo kort mogelijk duren.
Een overstroming, oorlogshandeling of
grootschalige digitale uitval kan het praktisch onmogelijk maken om op een
bepaalde dag verkiezingen te organiseren.
Maar politieke onzekerheid, verwachte
verkiezingswinst van de oppositie of bestuurlijk ongemak zijn geen geldige
redenen.
Een noodtoestand mag de
democratische rechtsorde beschermen, maar nooit vervangen.
Een rechter die niet hoeft te wachten tot de crisis voorbij is
Stel dat Noor tijdens de noodtoestand
haar gebied niet mag verlaten.
Zij meent dat de maatregel niet nodig
is, omdat de cyberaanval inmiddels is beëindigd en de vitale systemen weer functioneren.
Kan zij dan naar de rechter?
Volgens het voorstel wel.
De rechter moet niet alleen individuele
maatregelen kunnen beoordelen, maar ook:
- de geldigheid van de afkondiging;
- de verlenging van de noodtoestand;
- en de activering van buitengewone bevoegdheden.
De toegang tot de rechter kan niet
worden uitgesloten.
Daarnaast moet de wet voorzien in
spoedprocedures, voorlopige voorzieningen en doeltreffend rechtsherstel.
Dat is essentieel.
Een rechterlijke uitspraak na afloop van
een crisis kan juridisch belangrijk zijn, maar praktisch te laat komen.
Een bijeenkomst die niet heeft kunnen
plaatsvinden, kan niet altijd opnieuw worden gehouden.
Een gemiste medische behandeling kan
blijvende gevolgen hebben.
Een onrechtmatige vrijheidsontneming kan
niet ongedaan worden gemaakt.
Een onderneming die maandenlang ten
onrechte gesloten bleef, kan inmiddels failliet zijn.
Bij tijdelijke maatregelen moet ook de rechtsbescherming tijdig zijn.
Dat betekent niet dat de rechter zelf de
crisis moet gaan bestrijden. De regering en andere bevoegde organen blijven
verantwoordelijk voor de beleidsmatige en operationele keuzes.
Maar de rechter moet kunnen beoordelen
of de constitutionele grenzen worden gerespecteerd.
Is de dreiging voldoende ernstig?
Is de bevoegdheid geldig geactiveerd?
Is de maatregel noodzakelijk?
Bestaat er een minder ingrijpend
alternatief?
Is de duur nog gerechtvaardigd?
En worden bepaalde groepen niet zonder
goede reden zwaarder getroffen?
Een crisis raakt niet iedereen gelijk
Tijdens de les vraagt de docent:
“Wie wordt het zwaarst getroffen wanneer
het openbaar vervoer uitvalt?”
“Iedereen die met de trein reist,” zegt
een leerling.
“Maar wie nog meer?”
Mensen zonder auto.
Werknemers die niet thuis kunnen werken.
Mensen die afhankelijk zijn van openbaar
vervoer om medische zorg te bereiken.
Studenten.
Ouderen.
Mensen met een beperking.
Een crisis kan de hele samenleving
raken, maar de gevolgen zijn niet gelijk verdeeld.
Een avondklok heeft een andere betekenis
voor iemand met een ruime woning en een tuin dan voor een gezin in een kleine
woning.
Digitale dienstverlening is anders voor
iemand met technische kennis dan voor iemand zonder computer of digitale
vaardigheden.
Het sluiten van publieke voorzieningen
raakt mensen die alternatieven kunnen betalen minder zwaar dan mensen die
volledig van die voorzieningen afhankelijk zijn.
Daarom verbiedt het voorstel
discriminatoire toepassing van noodbevoegdheden. Ook moeten de gevolgen voor
verschillende bevolkingsgroepen zichtbaar worden gemaakt en periodiek worden
beoordeeld.
Het voorstel bevat bovendien een
bijzondere waarborg voor sociale en ecologische grondrechten. Een aanmerkelijke
vermindering van het beschermingsniveau is alleen toegestaan wanneer die
vermindering strikt noodzakelijk, tijdelijk en evenredig is.
Het onmiddellijk te waarborgen
minimumniveau moet behouden blijven.
En er moet vooraf een plan bestaan om
het beschermingsniveau na de crisis te herstellen.
Dat is belangrijk voor bijvoorbeeld
gezondheidszorg, bestaanszekerheid, huisvesting, onderwijs en bescherming van
de leefomgeving.
Een crisis kan vereisen dat middelen
tijdelijk anders worden verdeeld.
Maar zij mag niet worden gebruikt om
kwetsbare groepen zonder minimale bescherming achter te laten of tijdelijke
bezuinigingen ongemerkt permanent te maken.
Een afzonderlijke bevoegdheid zonder volledige noodtoestand
Niet iedere crisis rechtvaardigt een
landelijke noodtoestand.
Soms is slechts één buitengewone
bevoegdheid nodig.
Bijvoorbeeld omdat snel over bepaalde
goederen moet kunnen worden beschikt of omdat tijdelijk een specifieke
infrastructuur moet worden beschermd.
Het huidige staatsnoodrecht kent
daarvoor de mogelijkheid van afzonderlijke inwerkingstelling.
Het voorstel behoudt die mogelijkheid,
maar stelt voorwaarden.
De wet moet vooraf uitdrukkelijk bepalen
welke bevoegdheid afzonderlijk kan worden geactiveerd.
De omstandigheden moeten de toepassing
strikt noodzakelijk maken.
Het besluit moet onmiddellijk worden
bekendgemaakt en aan de Staten-Generaal worden voorgelegd.
Binnen zeven dagen moet een wetsvoorstel
over het voortduren van de bevoegdheid worden ingediend.
En bij deze afzonderlijke toepassing mag
niet van de Grondwet worden afgeweken.
Zo kan gericht worden opgetreden zonder
een volledige noodtoestand af te kondigen.
Maar ook een beperkte uitzondering
blijft een uitzondering.
Kleinschaliger noodrecht
vraagt om een lichtere procedure, niet om afwezigheid van controle.
De noodtoestand stopt, maar stoppen de maatregelen ook?
Na enkele weken functioneren de digitale
systemen weer.
Treinen rijden.
Ziekenhuizen werken normaal.
Betalingen kunnen opnieuw worden
verwerkt.
De regering beëindigt de noodtoestand.
“Zijn dan ook meteen alle bijzondere
bevoegdheden weg?” vraagt Noor.
Volgens het voorstel wel.
Alle op grond van artikel 103
geactiveerde bevoegdheden vervallen wanneer de noodtoestand eindigt of wanneer
hun noodzakelijkheid al eerder is verdwenen.
De regering kan een tijdelijke
noodmaatregel dus niet stilzwijgend laten voortbestaan onder een andere naam.
Soms kan na een crisis blijken dat een
bepaalde maatregel ook voor het gewone recht nuttig is.
Dan mag de wetgever besluiten zo’n
regeling permanent in te voeren.
Maar daarvoor is een nieuwe,
zelfstandige wettelijke grondslag nodig. De maatregel moet dan opnieuw volgens
de normale constitutionele procedure worden beoordeeld.
Dat betekent:
een gewone parlementaire behandeling,
advies,
publieke motivering,
beoordeling van grondrechten,
onderzoek naar alternatieven,
en waar nodig inspraak en
uitvoeringstoetsen.
Het argument dat een maatregel tijdens
de crisis al werd gebruikt, is op zichzelf onvoldoende.
Wat in de uitzondering
noodzakelijk was, is daardoor nog niet in de normale rechtsorde
gerechtvaardigd.
Leren van wat er is gebeurd
Na beëindiging van de noodtoestand is
het werk niet klaar.
Binnen zes maanden moet volgens het
voorstel een onafhankelijke en openbare evaluatie plaatsvinden.
Die evaluatie moet niet alleen
vaststellen of de crisis uiteindelijk is bestreden.
Ook andere vragen zijn van belang.
Waren de afkondiging en verlengingen
gerechtvaardigd?
Welke grondrechten zijn beperkt?
Welke groepen zijn bijzonder zwaar
geraakt?
Waren minder ingrijpende maatregelen
mogelijk?
Heeft de parlementaire controle werkelijk
gefunctioneerd?
Kon de rechter tijdig bescherming
bieden?
Zijn fouten hersteld?
En welke noodbevoegdheden bleken
overbodig of onwerkbaar?
Wanneer de overheid onrechtmatig heeft
gehandeld, moet passend rechtsherstel beschikbaar zijn.
Dat kan bestaan uit vernietiging van
besluiten, schadevergoeding, herstel van voorzieningen, correctie van gegevens
of erkenning van het begane onrecht.
Evaluatie is daarmee meer dan een
rapport dat na enkele maanden in een archief verdwijnt.
Zij moet leiden tot institutioneel
leren.
Regels kunnen worden aangepast.
Procedures kunnen worden verbeterd.
Onnodige bevoegdheden kunnen worden
geschrapt.
En tekortkomingen in parlementaire,
rechterlijke of bestuurlijke controle kunnen worden hersteld.
Een rechtsstaat leert niet
van een crisis door alleen te vragen of de overheid heeft gewonnen, maar ook
door te onderzoeken wat haar optreden met mensen en instituties heeft gedaan.
Nederland staat niet alleen
Noor vraagt:
“Kan Nederland tijdens een noodtoestand
zelf bepalen welke rechten nog gelden?”
Nee.
Nederland blijft gebonden aan
internationale en Europese verplichtingen.
Artikel 15 van het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens staat onder strikte voorwaarden toe dat staten tijdens
oorlog of een andere algemene noodtoestand van bepaalde verdragsverplichtingen
afwijken.
Artikel 4 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten bevat een vergelijkbare regeling.
Beide bepalingen stellen grenzen.
De noodsituatie moet het bestaan van de
natie bedreigen.
Afwijkende maatregelen mogen niet verder
gaan dan strikt noodzakelijk.
Bepaalde rechten blijven onaantastbaar.
Discriminatie is niet toegestaan.
En een staat moet de bevoegde
internationale instanties informeren over de getroffen maatregelen en de
beëindiging daarvan.
Ook het recht van de Europese Unie
blijft van belang. Een nationale noodtoestand maakt Europese verplichtingen
niet automatisch ongedaan. Wanneer Nederland binnen het toepassingsgebied van
het Unierecht handelt, blijven het EU-Grondrechtenhandvest, de beginselen van
noodzakelijkheid en evenredigheid en de mogelijkheid van rechterlijke
bescherming gelden.
Het voorstel maakt daarom uitdrukkelijk
duidelijk dat noodmaatregelen verenigbaar moeten blijven met de internationale
verplichtingen van het Koninkrijk en het recht van de Europese Unie.
Nationale noodzaak is belangrijk.
Maar zij is geen vrijbrief.
Kan een Grondwet machtsmisbruik voorkomen?
Aan het einde van de les stelt de docent
een laatste vraag.
“Is dit voorstel voldoende om te
voorkomen dat een regering ooit misbruik maakt van een noodtoestand?”
Noor denkt na.
“Nee. Regels moeten ook worden
toegepast.”
Precies.
Geen enkele grondwetsbepaling kan
garanderen dat bestuurders altijd verstandig handelen.
Een parlement kan te volgzaam zijn.
Informatie kan onvolledig blijven.
Rechters kunnen te laat ingrijpen.
Media kunnen onder druk komen te staan.
En burgers kunnen uit angst bereid zijn
vrijwel iedere maatregel te aanvaarden.
Constitutionele regels zijn daarom geen
automatische bescherming.
Zij hebben instituties en mensen nodig
die bereid zijn ernaar te handelen.
Volksvertegenwoordigers die moeilijke
vragen stellen.
Ambtenaren die waarschuwen wanneer
maatregelen te ver gaan.
Rechters die ook onder druk
onafhankelijk blijven.
Journalisten die informatie controleren.
Wetenschappers en maatschappelijke
organisaties die gevolgen zichtbaar maken.
En burgers die begrijpen dat kritiek op
noodmacht niet hetzelfde is als onverschilligheid tegenover de crisis.
Een weerbare democratische rechtsstaat
vraagt om meer dan juridische teksten.
Maar juridische teksten doen ertoe.
Zij bepalen welke vragen moeten worden
beantwoord.
Welke informatie moet worden gegeven.
Wie bevoegd is.
Wie kan corrigeren.
Welke termijnen gelden.
En welke grenzen niet mogen worden
overschreden.
Wanneer het licht weer aangaat
Enkele dagen later werkt de telefoon van
Noor weer.
De treinen rijden volgens
dienstregeling.
In de winkels kan opnieuw worden
betaald.
De directe dreiging lijkt voorbij.
Op televisie zegt de minister-president
dat enkele noodmaatregelen voorlopig nog nodig blijven.
Noor kijkt naar haar moeder.
“Maar als de crisis voorbij is, waarom
blijven die bevoegdheden dan bestaan?”
“Misschien voor de zekerheid.”
“Wie bepaalt hoeveel zekerheid genoeg
is?”
Daarmee keert de oorspronkelijke vraag
terug.
Een noodtoestand kan noodzakelijk zijn.
Buitengewone bevoegdheden kunnen levens
beschermen.
Snel handelen kan voorkomen dat een
crisis verder escaleert.
Maar de uitzondering heeft de neiging
zichzelf te verlengen. Iedere bevoegdheid kan nuttig lijken. Iedere resterende
onzekerheid kan als reden worden gebruikt om haar nog even te behouden.
Daarom moet de terugkeer naar het gewone
recht niet afhankelijk zijn van bestuurlijke vanzelfsprekendheid.
Zij moet constitutioneel worden
afgedwongen.
Door korte termijnen.
Door parlementaire instemming.
Door rechterlijke toetsing.
Door openbaarheid.
Door automatische beëindiging.
Door evaluatie en herstel.
En door een duidelijke grens tussen
tijdelijke noodmaatregelen en gewone wetgeving.
Want een democratische rechtsstaat wordt
niet alleen getest wanneer alles normaal functioneert.
Hij wordt getest wanneer angst groot is,
tijd ontbreekt en macht zich concentreert.
Dan blijkt of grondrechten werkelijk
rechten zijn.
Of parlementaire controle meer is dan
een procedure.
Of de rechter toegankelijk blijft.
Of de menselijke waardigheid ook onder
druk haar betekenis behoudt.
En of tijdelijke macht daadwerkelijk
tijdelijk is.
Een Grondwet die alleen in
rustige tijden beschermt, beschermt onvoldoende. De werkelijke kracht van de
rechtsstaat blijkt wanneer de nood het hoogst is en de macht toch begrensd
blijft.
Lees het volledige voorstel:
https://www.researchgate.net/publication/414633074_Een_Grondwet_die_ook_in_nood_beschermt_Voorstel_tot_wijziging_van_de_Grondwet_ter_herziening_van_het_noodrecht

Reacties
Een reactie posten