Wat betekent het grondrecht op bestaanszekerheid als iemand toch onder het bestaansminimum terechtkomt?
Bestaanszekerheid in huidige constitutionele
regelingen, Verdragen en rechtsvergelijkend perspectief
Huidige constitutionele regeling
1. Artikel 20: bestaanszekerheid en sociale zekerheid
Artikel 20 van de Grondwet vormt de centrale constitutionele
bepaling over bestaanszekerheid, sociale zekerheid en sociale bijstand. Het
artikel bestaat uit drie leden met een verschillende juridische structuur. Het
eerste lid bevat een algemene zorgplicht voor de overheid, het tweede lid een
institutionele opdracht aan de formele wetgever en het derde lid een bij wet te
regelen recht op bijstand. Daarmee bevat artikel 20 een opklimmende mate van
juridische concretisering, maar geen rechtstreeks omschreven en onmiddellijk
afdwingbaar recht op een menswaardig bestaansminimum.
1.1. Bestaanszekerheid en spreiding van welvaart als overheidszorg
Het eerste lid bepaalt dat de bestaanszekerheid van de
bevolking en de spreiding van welvaart voorwerp van zorg van de overheid zijn.
Deze formulering brengt tot uitdrukking dat de overheid niet uitsluitend
verantwoordelijk is voor noodhulp aan individuele burgers, maar ook voor de
maatschappelijke en economische omstandigheden waaronder mensen in hun bestaan
kunnen voorzien. Bestaanszekerheid wordt daarmee verbonden met de verdeling van
welvaart en met de bredere inrichting van de economische en sociale orde.
Het begrip bestaanszekerheid omvat in deze context meer dan
sociale bijstand. Het kan mede betrekking hebben op werkgelegenheid,
loonvorming, sociale verzekeringen, belastingheffing, inkomensondersteuning,
betaalbare voorzieningen en bescherming tegen sociaaleconomische risico’s. De
vermelding van spreiding van welvaart maakt bovendien duidelijk dat de Grondwet
niet alleen absolute armoede als probleem erkent. Ook de verdeling van
maatschappelijke middelen en de gevolgen daarvan voor reële kansen en machtsverhoudingen
zijn constitutioneel relevant.
De bepaling schrijft echter niet voor welke mate van
inkomens- of vermogensspreiding moet worden bereikt. Zij geeft evenmin een
concrete rangorde van beleidsinstrumenten. De wetgever kan bestaanszekerheid
bevorderen via sociale zekerheid, belastingmaatregelen, publieke voorzieningen,
arbeidsmarktbeleid of een combinatie daarvan. Deze openheid is begrijpelijk,
omdat sociaaleconomisch beleid afhankelijk is van veranderende omstandigheden
en politieke afwegingen.
De keerzijde is dat het eerste lid voornamelijk
programmatisch functioneert. Het richt zich tot de overheid als geheel en
verlangt beleid dat op bestaanszekerheid en welvaartsspreiding is gericht, maar
verleent geen duidelijk afgebakende individuele aanspraak. Een burger kan uit
de huidige formulering niet rechtstreeks afleiden op welk bedrag, welke
voorziening of welk beschermingsniveau hij recht heeft. Evenmin is duidelijk
wanneer het beleid van de overheid zodanig tekortschiet dat sprake is van een schending
van artikel 20.
Het programmatische karakter betekent niet dat het eerste
lid juridisch betekenisloos is. De bepaling kan richting geven aan wetgeving,
beleidsvorming en constitutionele interpretatie. Zij kan een argument vormen
bij de beoordeling van maatregelen die de bestaanszekerheid aantasten en
ondersteunt de gedachte dat de overheid het socialebeschermingsstelsel niet
volledig kan afschaffen. De normatieve betekenis wordt echter beperkt doordat
geen toetsingscriteria zijn opgenomen en formele wetten door artikel 120 niet
aan de Grondwet kunnen worden getoetst.
Ook de term “zorg der overheid” laat veel ruimte. Niet wordt
bepaald welke overheidslaag primair verantwoordelijk is, welke prestaties
moeten worden geleverd of binnen welke termijn resultaten moeten worden
bereikt. In een gedecentraliseerd en deels geprivatiseerd sociaal stelsel kan
daardoor onduidelijk blijven wie constitutioneel verantwoordelijk is wanneer de
bescherming tekortschiet. De zorgplicht rust uiteindelijk op de overheid als
geheel, maar is niet vertaald in een expliciete coördinatie- of resultaatsverantwoordelijkheid.
1.2. Institutionele betekenis van het tweede lid
Het tweede lid bepaalt dat de wet regels stelt omtrent de
aanspraken op sociale zekerheid. Anders dan het eerste lid richt deze bepaling
zich uitdrukkelijk tot de formele wetgever. De sociale zekerheid mag niet
volledig worden overgelaten aan bestuurlijk beleid, private verzekeringen of
ongeschreven praktijken. De hoofdlijnen van de aanspraken moeten een wettelijke
grondslag hebben.
Deze wetgevingsopdracht heeft een belangrijke institutionele
functie. Zij waarborgt dat beslissingen over de kring van verzekerden,
voorwaarden, financiering en aanspraken in een democratische
wetgevingsprocedure worden genomen. Daarmee worden rechtszekerheid, kenbaarheid
en parlementaire verantwoordelijkheid bevorderd. De wettelijke regeling van
sociale zekerheid is niet uitsluitend een beleidskeuze, maar een
constitutionele opdracht.
Het begrip sociale zekerheid is breder dan sociale bijstand.
Het omvat bescherming tegen risico’s zoals ouderdom, ziekte,
arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, zwangerschap en het wegvallen van
voldoende inkomen. De wetgever heeft deze opdracht uitgewerkt in een stelsel
van volksverzekeringen, werknemersverzekeringen, inkomensvoorzieningen en
aanvullende regelingen.
Het tweede lid bepaalt echter niet welke risico’s ten minste
moeten worden gedekt, wie tot het stelsel moet worden toegelaten of hoe hoog en
langdurig aanspraken moeten zijn. Het schrijft evenmin voor dat iedere vorm van
sociale zekerheid door de overheid zelf moet worden uitgevoerd. De wetgever
beschikt daardoor over ruime vrijheid bij de inrichting, financiering en
uitvoering van het stelsel.
De woorden “stelt regels omtrent” maken bovendien duidelijk
dat het artikel vooral een regelgevingsopdracht bevat. De Grondwet waarborgt
dat een wettelijk stelsel bestaat, maar geeft slechts beperkt aan waaraan de
inhoud daarvan moet voldoen. De bepaling bevat geen expliciete eisen van
toereikendheid, toegankelijkheid, eenvoud, continuïteit of non-discriminatie.
Dergelijke eisen moeten worden afgeleid uit andere grondrechten, algemene
rechtsbeginselen, verdragsrecht en de gewone wetgeving.
Daarmee is het tweede lid vooral een institutionele garantie
en geen volledig materieel sociaal grondrecht. Het ligt voor de hand aan te
nemen dat de wetgever het stelsel van sociale zekerheid niet zonder meer geheel
kan afschaffen, omdat daarmee de constitutionele opdracht haar betekenis zou
verliezen. Veel minder duidelijk is echter welk minimumniveau de wetgever bij
hervorming of versobering moet behouden. De huidige tekst bevat daarvoor geen
zelfstandige maatstaf.
1.3. Het bij wet te regelen recht op bijstand
Het derde lid bepaalt dat Nederlanders hier te lande die
niet in hun bestaan kunnen voorzien, een bij de wet te regelen recht op bijstand
van overheidswege hebben. Deze formulering is sterker dan de algemene
zorgplicht van het eerste lid. Zij spreekt uitdrukkelijk van een “recht” en
identificeert een groep die daarop aanspraak heeft: Nederlanders in Nederland
die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien.
Het derde lid bevestigt daarmee de functie van sociale
bijstand als laatste vangnet. Waar sociale verzekeringen doorgaans aansluiten
bij arbeid, premiebetaling, ingezetenschap of specifieke sociale risico’s, is
bijstand bedoeld voor degenen die niet over voldoende middelen beschikken en
geen toereikende voorliggende voorziening hebben. De bepaling verankert dat de
overheid deze personen niet volledig aan particuliere liefdadigheid, familie of
de markt mag overlaten.
Toch is ook dit recht sterk wettelijk geclausuleerd. Het
betreft een “bij de wet te regelen” recht. De wetgever bepaalt onder meer:
- wie
precies rechthebbende is;
- welke
middelen en vermogensbestanddelen worden meegeteld;
- welke
huishoudens- en partnerbegrippen gelden;
- welke
voorwaarden en verplichtingen worden gesteld;
- hoe
hoog de bijstand is;
- wanneer
verlaging, opschorting of beëindiging mogelijk is;
- hoe
terugvordering en verhaal plaatsvinden;
- welke
bestuursorganen de regeling uitvoeren.
De huidige constitutionele bepaling schept daardoor niet
zelfstandig een concreet uitkeringsrecht met een grondwettelijk vastgestelde
hoogte. Het recht krijgt zijn operationele inhoud door de Participatiewet en
andere wettelijke regelingen. De bepaling waarborgt dat de wetgever een recht
op bijstand organiseert, maar bepaalt niet dat de bestaande bijstandsnorm in
iedere individuele situatie en onder alle omstandigheden voldoende moet zijn.
Ook in de constitutionele praktijk is bevestigd dat het derde lid geen
rechtstreekse individuele aanspraak op een steeds toereikende bijstandsnorm
bevat[1].
Deze constructie laat de wetgever de noodzakelijke ruimte om
rekening te houden met inkomen, vermogen, draagkracht, samenwoning en
beschikbaarheid van andere voorzieningen. Zij maakt echter ook dat de Grondwet
onvoldoende bescherming biedt wanneer de wettelijke uitwerking zelf
ontoereikend is of door samenloop van regels het bestaansminimum niet
waarborgt.
1.4. De beperking tot “Nederlanders hier te lande”
De personele reikwijdte van het derde lid is beperkt tot
“Nederlanders hier te lande”. Deze formulering weerspiegelt de historische
ontwikkeling van sociale bijstand als verantwoordelijkheid van de nationale
gemeenschap voor haar eigen leden. Zij sluit Nederlanders die buiten Nederland
verblijven uit en verleent vreemdelingen niet rechtstreeks dezelfde
constitutionele aanspraak.
De gewone wetgever kan — en moet mede op grond van
internationaal en Europees recht — bepaalde categorieën vreemdelingen
gelijkstellen of anderszins toegang tot bijstand geven. Rechtmatig verblijvende
vreemdelingen kunnen daardoor op grond van de wet wel aanspraken hebben. Die
wettelijke uitbreiding neemt echter niet weg dat de tekst van de Grondwet zelf
een onderscheid naar nationaliteit maakt.
Dat onderscheid is om verschillende redenen problematisch.
Ten eerste sluit het niet goed aan bij het algemene karakter van menselijke
waardigheid en de universele minimumkern van grondrechten. De noodzaak van
voeding, onderdak en medische hulp hangt niet af van nationaliteit. Ten tweede
is de huidige formulering moeilijk te verenigen met een samenleving waarin
langdurig verblijvende vreemdelingen, Unieburgers, arbeidsmigranten,
vluchtelingen en staatlozen deel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde. Ten derde
ontstaat spanning met het gelijkheidsbeginsel en internationale
non-discriminatienormen.
Dit betekent niet dat iedereen die zich op enig moment in
Nederland bevindt aanspraak moet hebben op iedere socialezekerheidsprestatie.
Voor reguliere sociale zekerheid en bijstand kunnen verblijf, ingezetenschap,
arbeid, premiebetaling en verbondenheid met Nederland relevante voorwaarden
zijn. Wel moet onderscheid worden gemaakt tussen:
- de
universele minimumkern die uit menselijke waardigheid voortvloeit;
- reguliere
sociale bijstand;
- op
arbeid of premiebetaling gebaseerde socialezekerheidsaanspraken.
Voor de eerste categorie ligt een ruime formulering met
“ieder” voor de hand. Voor verdergaande aanspraken kan de wetgever
gedifferentieerde voorwaarden stellen, mits deze objectief gerechtvaardigd,
evenredig en verenigbaar met internationaal en Europees recht zijn.
1.5. Het ontbreken van een omschreven bestaansminimum
Artikel 20 gebruikt de begrippen bestaanszekerheid, bestaan
en bijstand, maar omschrijft niet welk minimum daarmee moet worden gewaarborgd.
Er wordt niet bepaald welke goederen, diensten en maatschappelijke
mogelijkheden noodzakelijk zijn voor een menswaardig bestaan.
Een constitutioneel bestaansminimum kan niet worden beperkt
tot biologische overleving. In een moderne samenleving zijn naast voeding,
kleding en onderdak ook energie, persoonlijke verzorging, communicatie,
noodzakelijke mobiliteit en enige mogelijkheid tot sociale participatie
relevant. Ook woon-, zorg- en onderwijskosten beïnvloeden de middelen die
iemand nodig heeft.
De Grondwet hoeft geen exact bedrag of uniforme begroting
vast te leggen. Dat zou onvoldoende flexibel zijn en onvoldoende recht doen aan
verschillen tussen huishoudens. Zij kan wel de norm bepalen waaraan de
wettelijke concretisering moet voldoen: de ondersteuning moet toereikend zijn
voor een menswaardig bestaan en daadwerkelijke deelname aan de samenleving.
Daarbij kan de wetgever worden verplicht het minimum
periodiek en volgens een kenbare methode te herijken. Niet alleen
inkomensontwikkelingen, maar ook feitelijke noodzakelijke kosten moeten worden
betrokken. Een onafhankelijke advisering en openbare parlementaire
verantwoording kunnen de democratische en juridische controle versterken.
1.6. Geen expliciete eisen aan toegankelijkheid
De huidige bepaling verlangt dat wettelijke aanspraken
bestaan, maar bepaalt niet dat deze aanspraken praktisch toegankelijk moeten
zijn. Daardoor blijven aspecten als begrijpelijkheid, aanvraagprocedures,
digitale bereikbaarheid, bewijsverplichtingen, beslistermijnen en ondersteuning
grotendeels buiten de tekst van artikel 20.
Toegankelijkheid is echter een voorwaarde voor de materiële
verwezenlijking van het recht. Een regeling die slechts wordt benut door
degenen die haar kennen en administratief kunnen doorgronden, beschermt niet
iedereen die volgens de wettelijke criteria rechthebbende is. Niet-gebruik kan
worden veroorzaakt door complexiteit, angst voor terugvordering, taalproblemen,
beperkte digitale vaardigheden of gebrek aan vertrouwen.
Een herzien artikel 20 moet daarom het stelsel als
“toegankelijk” kwalificeren. Dit begrip kan in samenhang met het recht op
behoorlijk bestuur worden uitgewerkt. Het verlangt onder meer:
- kenbare
en begrijpelijke voorwaarden;
- bruikbare
digitale en niet-digitale aanvraagmogelijkheden;
- ondersteuning
voor mensen die niet zelfstandig een aanvraag kunnen doen;
- tijdige
informatie over ontbrekende gegevens;
- redelijke
bewijs- en informatieverplichtingen;
- waar
mogelijk ambtshalve of automatische toekenning;
- effectieve
bezwaar- en herstelmogelijkheden.
1.7. Geen expliciete eis van toereikendheid
Artikel 20 bepaalt evenmin dat sociale aanspraken toereikend
moeten zijn. De enkele aanwezigheid van een wettelijke uitkering zegt niet of
het bedrag voldoende is om de noodzakelijke kosten van het bestaan te dragen.
Toereikendheid kan bovendien niet uitsluitend per regeling worden beoordeeld.
Belastingen, toeslagen, uitkeringen, eigen bijdragen,
woonlasten, zorgkosten en schulden werken gezamenlijk door in de feitelijke
bestaanspositie. Een uitkering kan op zichzelf volgens de wettelijke norm
passend zijn, terwijl het huishouden na betaling van onvermijdbare kosten
onvoldoende overhoudt.
Een toereikendheidseis verlangt daarom een cumulatieve
beoordeling. Wetgever en bestuur moeten niet alleen kijken naar afzonderlijke
prestaties, maar ook naar het beschikbare inkomen na noodzakelijke lasten en
publieke invorderingsmaatregelen. Daarbij moet bijzondere aandacht bestaan voor
huishoudens met kinderen, personen met een beperking, chronisch zieken en
mensen met hoge onvermijdbare woon- of zorgkosten.
1.8. Geen expliciete continuïteitswaarborg
Sociale bescherming moet niet alleen bestaan en voldoende
hoog zijn, maar ook tijdig en zonder ongerechtvaardigde onderbrekingen worden
verstrekt. De huidige grondwetsbepaling bevat geen expliciete
continuïteitsnorm.
Bij bestaansvoorzieningen kan een korte onderbreking al
ernstige gevolgen hebben. Huur, energie, zorgpremies en dagelijkse
levensbehoeften kunnen niet worden uitgesteld totdat een bestuursorgaan een
aanvraag of herbeoordeling heeft afgerond. Nabetaling achteraf herstelt niet
noodzakelijk de schulden, gezondheidsschade of het woningverlies dat tijdens de
onderbreking is ontstaan.
Continuïteit vereist daarom:
- redelijke
en aan het belang aangepaste beslistermijnen;
- tijdige
voorschotten;
- zorgvuldige
overgang tussen verschillende regelingen;
- terughoudendheid
bij opschorting van lopende betalingen;
- voorlopige
bescherming tijdens bezwaar en beroep wanneer het minimum wordt bedreigd;
- coördinatie
tussen uitvoeringsorganisaties.
1.9. Geen bescherming tegen cumulatieve sancties en invordering
De tekst van artikel 20 bevat geen duidelijke beperking van
de mogelijkheid om bestaansvoorzieningen te verlagen, beëindigen, verrekenen of
terug te vorderen. Evenmin regelt zij hoe bij beslag en fiscale invordering
rekening moet worden gehouden met de constitutionele bestaansondergrens.
Voorwaarden en handhaving zijn op zichzelf legitiem. Van
burgers mag worden verlangd dat zij juiste informatie verstrekken en redelijke
verplichtingen naleven. De overheid moet onverschuldigde betalingen kunnen
herstellen en fraude kunnen bestrijden. Het probleem ontstaat wanneer
afzonderlijk rechtmatige maatregelen gezamenlijk de bestaansbasis vernietigen.
Een constitutionele minimumwaarborg moet daarom doorwerken
in:
- uitkeringssancties;
- bestuurlijke
boetes;
- terugvordering
van uitkeringen en toeslagen;
- verrekening
met lopende prestaties;
- beslagvrije
bedragen;
- fiscale
invordering;
- betalingsregelingen;
- schuldhulpverlening.
Bij de toepassing moeten verwijtbaarheid, draagkracht, duur,
cumulatie en de belangen van kinderen en andere afhankelijke personen worden
betrokken. Een herzien artikel 20 moet voorkomen dat de middelen die een
menswaardig bestaan mogelijk moeten maken onbeperkt als handhavings- of
invorderingsinstrument worden ingezet.
1.10. Geen expliciete opdracht tot bestrijding van armoede en sociale
uitsluiting
Het eerste lid spreekt over bestaanszekerheid en spreiding
van welvaart, maar formuleert geen afzonderlijke verplichting om armoede en
sociale uitsluiting te voorkomen en te verminderen. Dat verschil is relevant.
Armoede is niet uitsluitend een inkomensprobleem, terwijl sociale uitsluiting
ook kan bestaan bij ontoegankelijke zorg, onderwijs, huisvesting, vervoer,
digitale communicatie en maatschappelijke instituties.
Een expliciete opdracht tot bestrijding van armoede en
uitsluiting maakt duidelijk dat de overheid niet alleen een financieel vangnet
moet bieden wanneer problemen reeds zijn ontstaan. Zij moet ook preventieve en
structurele maatregelen treffen. Daarbij kan worden gedacht aan:
- voorkoming
van problematische schulden;
- bescherming
tegen verlies van huisvesting;
- toegankelijke
schuldhulp;
- vermindering
van niet-gebruik;
- ondersteuning
van kinderen;
- bevordering
van toegang tot arbeid en onderwijs;
- bestrijding
van digitale uitsluiting;
- aanpak
van structurele achterstelling.
Deze opdracht moet worden verbonden met meetbare
doelstellingen, periodieke monitoring en parlementaire verantwoording. Zij is
in beginsel geleidelijk te verwezenlijken, maar verplicht de overheid wel
onmiddellijk om concrete, redelijke en doelgerichte stappen te zetten.
1.11. Beoordeling van de huidige regeling
Artikel 20 bevat waardevolle constitutionele uitgangspunten.
Het erkent dat bestaanszekerheid en welvaartsspreiding publieke
verantwoordelijkheden zijn, verplicht de wetgever een socialezekerheidsstelsel
te organiseren en beschermt het beginsel van bijstand als laatste vangnet. De
bepaling weerspiegelt daarmee de ontwikkeling van armenzorg naar een sociaal
grondrecht en van particuliere liefdadigheid naar publieke
verantwoordelijkheid.
De tekortkoming ligt niet in de afwezigheid van
constitutionele erkenning, maar in de beperkte juridische structurering ervan.
Artikel 20 maakt onvoldoende duidelijk:
- welk
minimum onmiddellijk moet worden beschermd;
- wie
daarop aanspraak heeft;
- welke
eisen aan het stelsel worden gesteld;
- hoe
toegang en continuïteit worden gewaarborgd;
- hoe
sanctionering en invordering worden begrensd;
- hoe
armoede en uitsluiting structureel moeten worden bestreden;
- welke
rechtsgevolgen aan schendingen kunnen worden verbonden.
Een herziening moet daarom de bestaande drie functies
behouden en versterken: bestaanszekerheid als algemene norm, sociale zekerheid
als institutionele opdracht en bijstand als individuele aanspraak. Daaraan
moeten een menswaardige minimumkern, toegankelijkheids- en
toereikendheidseisen, bescherming bij handhaving en een opdracht tot
armoedebestrijding worden toegevoegd. Zo kan artikel 20 zich ontwikkelen van
een hoofdzakelijk programmatische bepaling tot een gelaagd sociaal grondrecht
dat zowel democratische beleidsruimte als effectieve constitutionele
bescherming biedt.
2. Artikel 22: volksgezondheid, woongelegenheid en ontplooiing
Artikel 22 van de Grondwet brengt drie uiteenlopende sociale
onderwerpen in één bepaling samen. Het eerste lid verplicht de overheid
maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid. Het tweede lid
verklaart de bevordering van voldoende woongelegenheid tot voorwerp van
overheidszorg. Het derde lid draagt de overheid op voorwaarden te scheppen voor
maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.
De gemeenschappelijke achtergrond is dat gezondheid, wonen,
culturele ontwikkeling en vrijetijdsbesteding voorwaarden vormen voor
individueel welzijn en maatschappelijke participatie. Juridisch en
institutioneel verschillen deze onderwerpen echter aanzienlijk. Volksgezondheid
omvat preventie, publieke gezondheidsbescherming en toegang tot zorg.
Huisvesting heeft betrekking op beschikbaarheid, betaalbaarheid, kwaliteit,
toegankelijkheid en woonzekerheid. Maatschappelijke en culturele ontplooiing
betreft een veel opener terrein van persoonlijke ontwikkeling, cultuur, sport,
recreatie en sociale deelname. De bundeling van deze onderwerpen leidt daardoor
tot een bepaling waarvan de normatieve inhoud en juridische doorwerking
moeilijk eenduidig zijn vast te stellen.
2.1 Het programmatische karakter
De drie leden zijn primair geformuleerd als opdrachten aan
de overheid. Zij bevatten geen klassieke afweerrechten en formuleren evenmin
rechtstreeks omschreven individuele aanspraken. De overheid moet maatregelen
treffen, voldoende woongelegenheid bevorderen en voorwaarden scheppen, maar de
Grondwet bepaalt niet welk concreet resultaat op welk moment moet zijn bereikt.
Deze formulering sluit aan bij de aard van sociale
grondrechten. De verwezenlijking ervan vraagt doorgaans om wetgeving, publieke
financiering, institutionele organisatie, toezicht en langetermijnbeleid. De
beschikbaarheid van zorgverleners, woningen en culturele voorzieningen kan niet
uitsluitend door een rechterlijk bevel of een individuele aanspraak tot stand
worden gebracht. Democratische en bestuurlijke keuzes zijn onvermijdelijk.
Het programmatische karakter betekent evenwel niet dat
artikel 22 zonder juridische betekenis is. De bepaling:
- wijst
publieke verantwoordelijkheden toe;
- verlangt
actief overheidsoptreden;
- geeft
richting aan wetgeving en beleidsvorming;
- kan
bijdragen aan de uitleg van wettelijke bevoegdheden;
- ondersteunt
positieve verplichtingen die uit andere grondrechten voortvloeien;
- maakt
volledige terugtrekking van de overheid moeilijk verenigbaar met de
Grondwet.
De zwakte is dat de tekst nauwelijks criteria bevat om te
beoordelen wanneer de overheid onvoldoende heeft gedaan. Begrippen als
“bevordering”, “voldoende” en “voorwaarden scheppen” laten een ruime
beoordelingsmarge. Er is geen expliciet onderscheid tussen onmiddellijke
minimumverplichtingen en geleidelijke verwezenlijking. Evenmin bevat artikel 22
eisen van toegankelijkheid, betaalbaarheid, kwaliteit, continuïteit of
non-regressie.
Daardoor is onduidelijk wanneer beleidsruimte overgaat in
constitutioneel tekortschieten. De bepaling geeft wel aan dát de overheid moet
handelen, maar beperkt houvast over de vereiste richting, intensiteit en
uitkomsten van dat handelen.
2.2 Bevordering van de volksgezondheid
Het eerste lid bepaalt dat de overheid maatregelen treft ter
bevordering van de volksgezondheid. De formulering “treft maatregelen” is
actiever dan een bepaling die een onderwerp uitsluitend als voorwerp van
overheidszorg aanduidt. De overheid kan niet volstaan met passieve
belangstelling; zij moet daadwerkelijk optreden.
Het begrip volksgezondheid heeft een collectieve oriëntatie.
Het omvat onder meer:
- preventie
van ziekte;
- bestrijding
van infectieziekten;
- gezondheidsbescherming;
- voedsel-
en productveiligheid;
- een
gezonde leefomgeving;
- gezondheidsvoorlichting;
- toezicht
op zorgkwaliteit;
- inrichting
en financiering van het zorgstelsel;
- beschikbaarheid
van voldoende zorgcapaciteit.
Deze brede formulering biedt ruimte om gezondheid niet
uitsluitend als individuele medische behandeling te benaderen. Sociale,
ecologische en economische omstandigheden beïnvloeden immers eveneens de
gezondheid. Huisvesting, arbeid, inkomen, milieu, onderwijs en
bestaanszekerheid kunnen allemaal onderdeel zijn van volksgezondheidsbeleid.
De collectieve oriëntatie brengt echter ook een lacune mee.
Het eerste lid formuleert geen individueel recht op toegang tot
gezondheidszorg. Een persoon die geen tijdige behandeling kan krijgen, met
lange wachtlijsten wordt geconfronteerd of noodzakelijke zorg om financiële
redenen niet kan benutten, kan uit de tekst van artikel 22 niet rechtstreeks
een concrete aanspraak afleiden.
De bepaling maakt evenmin onderscheid tussen:
- het
recht op gezondheid;
- het
recht op toegang tot gezondheidszorg;
- bevordering
van de volksgezondheid;
- publieke
preventie;
- de
institutionele organisatie van het zorgstelsel.
Een recht op gezondheid kan geen garantie op volledige
gezondheid inhouden. Gezondheid wordt mede bepaald door biologische, sociale en
persoonlijke factoren waarop de overheid niet steeds beslissende invloed heeft.
Een grondrecht kan wel bescherming bieden voor de voorwaarden waaronder
gezondheid zoveel mogelijk kan worden behouden en noodzakelijke zorg
toegankelijk is.
Daarom ligt een formulering voor de hand die de bestaande
collectieve opdracht aanvult met een individueel recht op toegang tot
beschikbare en kwalitatief toereikende gezondheidszorg. De overheid blijft
verantwoordelijk voor preventie en volksgezondheid, terwijl het individu
bescherming krijgt tegen feitelijke uitsluiting van essentiële zorg.
2.3 Geen eisen aan betaalbaarheid van zorg
Artikel 22 stelt niet uitdrukkelijk de eis dat
gezondheidszorg financieel toegankelijk moet zijn. De inrichting van premies,
eigen risico’s, eigen bijdragen en vergoedingen wordt aan de wetgever
overgelaten. Die beleidsruimte is noodzakelijk, omdat zorg collectief moet
worden gefinancierd en schaarse middelen moeten worden verdeeld. Het ontbreken
van een constitutionele betaalbaarheidsnorm kan echter leiden tot een situatie
waarin een formele aanspraak bestaat, maar mensen noodzakelijke zorg uitstellen
of vermijden vanwege de kosten.
Betaalbaarheid moet daarbij relationeel worden beoordeeld.
Een vast bedrag kan voor het ene huishouden draaglijk en voor het andere een
onoverkomelijke drempel zijn. De vraag is niet of zorg steeds kosteloos moet
zijn, maar of de totale kosten iemand dwingen te kiezen tussen noodzakelijke
zorg en andere elementaire bestaansbehoeften.
Hier bestaat een directe samenhang met artikel 20. Het recht
op bestaanszekerheid moet ruimte laten voor noodzakelijke zorgkosten. Het
zorggrondrecht moet tegelijkertijd voorkomen dat de financiering van zorg
groepen feitelijk uitsluit. Financiële bestaanszekerheid en betaalbare zorg
zijn daarmee wederzijds afhankelijk.
2.4 Geen expliciete eisen aan kwaliteit en continuïteit
Het eerste lid noemt evenmin kwaliteit of continuïteit. Toch
kan toegang tot zorg haar betekenis verliezen wanneer de geboden zorg niet aan
professionele minimumnormen voldoet of wanneer behandelingen zonder zorgvuldige
overdracht worden onderbroken.
Kwaliteit betreft onder meer:
- deskundigheid
van zorgverleners;
- patiëntveiligheid;
- wetenschappelijke
en professionele standaarden;
- passende
behandeling;
- respectvolle
bejegening;
- informatie
en geïnformeerde toestemming;
- bescherming
van persoonsgegevens;
- toezicht
en klachtenafhandeling.
Continuïteit is van belang bij langdurige zorg, geestelijke
gezondheidszorg, jeugdzorg en chronische aandoeningen. Wisselingen van
aanbieder, financieringsproblemen, wachtlijsten of institutionele geschillen
kunnen ernstige gevolgen hebben. Een grondrechtelijke bepaling moet daarom niet
alleen het bestaan van zorgvoorzieningen bevorderen, maar tevens een opdracht
bevatten om kwaliteit en continuïteit te waarborgen.
Dit betekent niet dat iedere medische fout of onderbreking
onmiddellijk een grondwetschending vormt. De Grondwet stelt de institutionele
ondergrens; wetgeving, professionele normen en toezicht concretiseren deze
verder.
2.5 Private uitvoering en constitutionele verantwoordelijkheid
De zorg wordt in belangrijke mate uitgevoerd door private
zorgaanbieders, zorgverzekeraars en andere zelfstandige instellingen. Zij
beslissen over contractering, vergoeding, capaciteit, indicatie en toegang.
Daarmee kunnen private beslissingen de feitelijke uitoefening van het
grondrecht bepalen.
Artikel 22 richt zich naar zijn tekst tot de overheid, maar
de overheid kan haar verantwoordelijkheid niet volledig overdragen door een
stelsel van private uitvoering te creëren. Zij moet door regulering,
financiering, toezicht en rechtsbescherming waarborgen dat private
machtsuitoefening niet leidt tot willekeurige uitsluiting, discriminatie of
ontoereikende zorg.
Een herzien artikel 22 moet daarom worden gelezen in
samenhang met artikel 1a over bescherming tegen private macht. Niet iedere
zorgaanbieder wordt daardoor rechtstreeks verantwoordelijk voor het gehele
zorgstelsel. De wetgever moet wel voorkomen dat de organisatorische vorm van de
uitvoering een leemte in de grondrechtenbescherming veroorzaakt.
2.6 Bevordering van voldoende woongelegenheid
Het tweede lid bepaalt dat de bevordering van voldoende
woongelegenheid voorwerp van zorg van de overheid is. Huisvesting wordt daarmee
erkend als een publieke verantwoordelijkheid en als een primaire
bestaansvoorwaarde. De bepaling verplicht de overheid beleid te voeren dat is
gericht op een toereikend woningaanbod.
De term “voldoende woongelegenheid” heeft volgens de
constitutionele toelichting niet alleen betrekking op het aantal woningen, maar
ook op de kwaliteit ervan. Toelichting bij artikel 22 Daarmee heeft de bepaling een
bredere betekenis dan uitsluitend woningbouw. Ook verbetering van de
woningvoorraad, bestrijding van gebreken en bevordering van geschikte
woonruimte kunnen eronder vallen.
Niettemin blijft de tekst beperkt. Zij formuleert geen
individueel recht op behoorlijke huisvesting en geeft geen criteria om te
bepalen wanneer sprake is van voldoende woongelegenheid. Het woningaanbod kan
op nationaal niveau toenemen terwijl bepaalde regio’s, inkomensgroepen of
huishoudens nog steeds geen toegang hebben tot passende huisvesting.
Het begrip “voldoende” kan verschillende dimensies omvatten:
- voldoende
aantallen;
- passende
geografische spreiding;
- betaalbaarheid;
- bouwkundige
kwaliteit;
- gezondheid
en veiligheid;
- toegankelijkheid
voor personen met een beperking;
- geschiktheid
voor verschillende huishoudens;
- woonzekerheid;
- duurzaamheid
en energiezuinigheid.
Deze dimensies zijn in de huidige tekst niet expliciet van
elkaar onderscheiden. Daardoor is moeilijk vast te stellen of de overheid aan
haar zorgplicht voldoet wanneer wel woningen worden gebouwd, maar deze voor
grote groepen financieel of praktisch onbereikbaar blijven.
2.7 Beperkte normatieve betekenis van “voldoende woongelegenheid”
De formulering “bevordering van voldoende woongelegenheid”
legt de nadruk op beleid en inspanning. Zij garandeert niet dat iedere persoon
binnen een bepaalde termijn een woning ontvangt. Die terughoudendheid is
begrijpelijk: een individueel recht op onmiddellijke verstrekking van een
specifieke woning zou bij schaarste niet uitvoerbaar zijn en zou complexe
verdelingskeuzes bij de rechter kunnen leggen.
Tussen een recht op een specifieke woning en een algemene
zorgplicht bestaat echter een brede tussenruimte. De Grondwet kan eisen stellen
aan:
- redelijke
en doelgerichte maatregelen;
- prioriteit
voor urgente woonnood;
- transparante en non-discriminatoire
verdeling;
- bescherming
tegen dakloosheid;
- minimale
kwaliteit;
- betaalbaarheid;
- periodieke
monitoring;
- voorkomen
van structureel nalaten;
- bescherming
bij gedwongen woningverlies.
De huidige bepaling maakt deze tussenruimte onvoldoende
zichtbaar. Zij biedt daardoor weinig houvast om te beoordelen of
woningbouwbeleid, huurbeleid, ruimtelijke ordening en sociale huisvesting
gezamenlijk voldoende bijdragen aan daadwerkelijke toegang tot behoorlijke
huisvesting.
Een zelfstandig woonrecht hoeft geen onmiddellijk
afdwingbare aanspraak op een bepaalde woning te geven. Het kan een gelaagde
structuur hebben: onmiddellijke bescherming tegen dakloosheid, discriminatie en
onmenswaardige woonomstandigheden, gecombineerd met een verdergaande
verplichting tot geleidelijke verwezenlijking van voldoende, betaalbare en
geschikte huisvesting.
2.8 Geen expliciete bescherming tegen dakloosheid
Artikel 22 noemt dakloosheid niet. Toch vormt het ontbreken
van iedere stabiele woonplaats de meest vergaande aantasting van woonzekerheid.
Dakloosheid raakt bovendien de toegang tot andere grondrechten. Zonder woning
of bruikbaar adres kunnen problemen ontstaan bij sociale zekerheid, zorg,
arbeid, onderwijs, registratie, privacy en gezinsleven.
Een zorgplicht die zich hoofdzakelijk richt op bevordering
van woningaanbod biedt onvoldoende bescherming in acute situaties. De overheid
moet ook beschikken over een stelsel van preventie, noodopvang, begeleiding en
duurzame huisvesting. Noodopvang kan daarbij slechts een tijdelijke
beschermingsvorm zijn; zij vervangt geen behoorlijke woning.
Een herzien woonrecht moet daarom ten minste verlangen dat
de overheid redelijke en effectieve maatregelen treft om dakloosheid te
voorkomen en te beëindigen. Bijzondere aandacht is nodig voor mensen die
instellingen, detentie, jeugdzorg of opvang verlaten en voor huishoudens die
door schulden of huiselijk geweld hun woning verliezen.
2.9 Geen expliciete bescherming tegen ongeschikte huisvesting
De constitutionele toelichting brengt woningkwaliteit onder
“voldoende woongelegenheid”, maar de grondwettekst noemt geen materiële
kwaliteitscriteria. Daardoor is niet duidelijk welke minimale
woonomstandigheden moeten worden beschermd.
Behoorlijke huisvesting vereist meer dan een dak boven het
hoofd. Relevant zijn:
- constructieve
en brandveiligheid;
- gezondheid;
- voldoende
ruimte;
- bescherming
tegen vocht, kou en hitte;
- toegang
tot water, energie en sanitaire voorzieningen;
- toegankelijkheid
voor personen met een beperking;
- bescherming
van privacy;
- ligging
ten opzichte van voorzieningen;
- redelijke
energieprestaties.
Niet iedere tekortkoming hoeft een grondwetschending te
zijn. Wel moet een constitutionele ondergrens voorkomen dat ernstige of
langdurige gebreken als volwaardige verwezenlijking van de zorgplicht worden
beschouwd. De overheid moet reguleren, toezicht houden en effectieve
herstelmogelijkheden bieden, ook wanneer de woning door een private verhuurder
wordt aangeboden.
2.10 Geen bescherming tegen onevenredig woningverlies
Artikel 22 bevat geen procedurele of materiële waarborgen
bij huisuitzetting, ontruiming, huurbeëindiging, woningsluiting of executie van
een hypotheek. Bescherming kan voortvloeien uit wetgeving, het recht op
eerbiediging van het privé- en gezinsleven en toegang tot de rechter, maar is
niet expliciet aan het woonrecht verbonden.
Een zelfstandig recht op huisvesting hoeft woningverlies
niet uit te sluiten. Verhuurders, omwonenden, hypotheekhouders en de overheid
kunnen legitieme belangen hebben bij beëindiging van bewoning. Wel moeten ten
minste worden gewaarborgd:
- een
voldoende wettelijke grondslag;
- een
zorgvuldige procedure;
- effectieve
toegang tot een onafhankelijke rechter;
- een
evenredigheidsbeoordeling;
- aandacht
voor kinderen en kwetsbare bewoners;
- onderzoek
naar minder ingrijpende alternatieven;
- aandacht
voor het risico op dakloosheid.
Het woonrecht beschermt daarmee niet een onbeperkte
aanspraak op voortgezet gebruik van iedere woning, maar wel tegen automatische
of onevenredige ontzetting uit de feitelijke woonomgeving.
2.11 Maatschappelijke en culturele ontplooiing
Het derde lid bepaalt dat de overheid voorwaarden schept
voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding. De
bepaling erkent dat een menswaardig bestaan meer omvat dan inkomen, arbeid en
fysieke veiligheid. Mensen moeten zich kunnen ontwikkelen, relaties kunnen
aangaan en deelnemen aan cultuur, sport, recreatie en het maatschappelijke
leven.
Het begrip maatschappelijke ontplooiing is zeer breed. Het
kan betrekking hebben op:
- deelname
aan verenigingen en maatschappelijke organisaties;
- toegang
tot bibliotheken en informatie;
- sport
en recreatie;
- vrijwilligerswerk;
- sociale
contacten;
- burgerschapsvorming;
- lokale
ontmoetingsplaatsen;
- digitale
en fysieke participatie.
Culturele ontplooiing kan betrekking hebben op zowel
deelname aan cultuur als de mogelijkheid zelf culturele uitingen te creëren.
Daaronder kunnen kunst, erfgoed, taal, media, musea, podiumkunsten en culturele
diversiteit vallen. Vrijetijdsbesteding omvat recreatie, sport en rust, maar
kan ook worden verbonden met gezondheid en sociale samenhang.
De openheid biedt ruimte voor maatschappelijke ontwikkeling.
Nieuwe vormen van digitale cultuur en participatie kunnen zonder
grondwetswijziging onder de bepaling worden gebracht. Tegelijkertijd is de
juridische betekenis onduidelijk. Het artikel bepaalt niet welke voorzieningen
beschikbaar moeten zijn, voor wie, tegen welke voorwaarden en met welk
kwaliteitsniveau. Evenmin is duidelijk wanneer ongelijke toegang tot cultuur,
sport of maatschappelijke participatie constitutioneel problematisch wordt.
2.12 Geen individuele aanspraak en onduidelijke ondergrens
Het derde lid geeft geen individuele aanspraak op een
museum, bibliotheek, sportvoorziening of andere culturele dienst. De
formulering “schept voorwaarden” laat de overheid veel vrijheid om te kiezen
tussen subsidiëring, instandhouding van publieke voorzieningen, fiscale
stimulering, onderwijs en regulering.
Die beleidsruimte is passend, omdat maatschappelijke en
culturele ontwikkeling pluralistisch zijn en niet volledig door de overheid
mogen worden bepaald. Overheidsbemoeienis moet bovendien de vrijheid van
meningsuiting, vereniging, onderwijs, wetenschap en kunst respecteren. De staat
moet voorwaarden scheppen zonder de inhoud van cultuur of maatschappelijke
ontwikkeling te monopoliseren.
Niettemin kan een minimale institutionele opdracht worden
vastgesteld. De overheid behoort te voorkomen dat maatschappelijke en culturele
participatie uitsluitend toegankelijk is voor mensen met voldoende inkomen,
mobiliteit en digitale vaardigheden. Ook regionale bereikbaarheid,
toegankelijkheid voor personen met een beperking en ruimte voor culturele
minderheden zijn relevant.
De relatie met artikel 20 is opnieuw belangrijk. Het
bestaansminimum moet enige ruimte laten voor sociale en maatschappelijke
participatie. Het derde lid van artikel 22 betreft vervolgens de aanwezigheid
en toegankelijkheid van de instituties en voorzieningen waarin die participatie
plaatsvindt.
2.13 Eén artikel of afzonderlijke bepalingen?
De drie onderwerpen delen een sociaalgrondrechtelijke
achtergrond, maar verschillen in aard, rechthebbenden, institutionele structuur
en mogelijke remedies. Het handhaven van één artikel heeft als voordeel dat
zichtbaar blijft dat gezondheid, huisvesting en ontplooiing samen bijdragen aan
menselijke ontwikkeling. Een compacte Grondwet hoeft bovendien niet voor ieder
sociaal belang een afzonderlijk artikel te bevatten.
Daartegenover staan zwaardere systematische bezwaren. De
huidige bundeling:
- maskeert
de zelfstandige betekenis van ieder recht;
- bemoeilijkt
de formulering van sectorspecifieke normen;
- verhindert
differentiatie in afdwingbaarheid;
- maakt
de verhouding tot artikel 20 onduidelijk;
- biedt
weinig ruimte voor afzonderlijke regels over private uitvoering;
- bemoeilijkt
de ontwikkeling van passende rechtsgevolgen.
Gezondheid en zorg vragen bijvoorbeeld om normen over
beschikbaarheid, kwaliteit, preventie en continuïteit. Huisvesting vraagt om
beschikbaarheid, betaalbaarheid, woonkwaliteit en bescherming bij
woningverlies. Maatschappelijke en culturele ontplooiing heeft een meer open en
institutioneel karakter, waarbij pluralisme en vrijheid een centrale rol
spelen. Deze verschillen rechtvaardigen een afzonderlijke regeling.
Een mogelijke systematiek is:
- artikel
22: gezondheid en toegang tot zorg;
- artikel
22a: recht op behoorlijke huisvesting;
- artikel
22b: maatschappelijke en culturele ontplooiing en participatie.
Artikel 20 blijft de algemene bestaanszekerheid en
financiële sociale bescherming regelen. De bijzondere bepalingen stellen
sectorspecifieke eisen aan de voorzieningen zelf.
2.14 Beoordeling van de huidige regeling
Artikel 22 heeft als kracht dat het drie wezenlijke
voorwaarden voor menselijk welzijn constitutioneel zichtbaar maakt. Het
bevestigt dat gezondheid, huisvesting en ontplooiing geen zuiver private
aangelegenheden zijn en dat de overheid actieve verantwoordelijkheid draagt.
De huidige formulering blijft echter te algemeen om de
hedendaagse institutionele werkelijkheid voldoende te normeren. Zij maakt
onvoldoende duidelijk:
- welke
minimumverplichtingen onmiddellijk gelden;
- welke
aanspraken individuen hebben;
- hoe
toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit worden beoordeeld;
- hoe
private uitvoering wordt gereguleerd;
- welke
bescherming bij uitsluiting of woningverlies bestaat;
- welke
verplichtingen geleidelijk mogen worden verwezenlijkt;
- wanneer
achteruitgang moet worden gerechtvaardigd.
Daarom verdient het aanbeveling artikel 22 te
differentiëren. Het doel daarvan is niet ieder beleidsprobleem tot een
individuele aanspraak te maken, maar een juridisch helderder stelsel te
creëren. Een minimumkern kan rechtstreeks worden beschermd, terwijl structurele
verbeteringen onder de verplichting tot redelijke en geleidelijke
verwezenlijking vallen.
Zo blijft democratische en budgettaire beleidsruimte
behouden, maar wordt voorkomen dat de sociale grondrechten uitsluitend algemene
intentieverklaringen blijven. De afzonderlijke bescherming van gezondheid,
huisvesting en maatschappelijke ontplooiing maakt zichtbaar welke
institutionele voorwaarden nodig zijn om het recht op bestaanszekerheid en de
overige grondrechten daadwerkelijk inhoud te geven.
3. Artikel 23: onderwijs als institutioneel grondrecht
Artikel 23 neemt binnen de Nederlandse grondrechtencatalogus
een bijzondere plaats in. Waar de meeste sociale grondrechten betrekkelijk kort
en programmatisch zijn geformuleerd, bevat artikel 23 een uitvoerige regeling
van de verantwoordelijkheden van de overheid, de vrijheid om onderwijs te
geven, de verhouding tussen openbaar en bijzonder onderwijs, de wettelijke
deugdelijkheidseisen en de bekostiging. Het artikel is daarmee niet alleen een
sociaal grondrecht, maar vooral een institutionele regeling van het
onderwijsbestel.
De kracht van deze regeling ligt in het evenwicht tussen
publieke verantwoordelijkheid en maatschappelijke pluriformiteit. De overheid
moet een functionerend en kwalitatief verantwoord onderwijsstelsel waarborgen,
maar mag het onderwijs niet volledig monopoliseren of inhoudelijk uniformeren.
Tegelijkertijd legt de huidige tekst sterk de nadruk op aanbieders,
schoolbesturen, onderwijsrichtingen en bekostigingsverhoudingen. De positie van
de leerling als zelfstandig grondrechtdrager is minder expliciet uitgewerkt.
3.1 Onderwijs als voorwerp van aanhoudende overheidszorg
Het eerste lid bepaalt dat het onderwijs een voorwerp van
aanhoudende zorg van de regering is. De term “aanhoudende zorg” brengt tot
uitdrukking dat de publieke verantwoordelijkheid voor onderwijs structureel en
permanent is. Onderwijs mag niet worden overgelaten aan incidenteel beleid,
liefdadigheid of uitsluitend private marktwerking. De overheid moet een
duurzaam onderwijsstelsel organiseren, financieren, bewaken en aanpassen aan
maatschappelijke ontwikkelingen.
Deze zorg omvat onder meer:
- beschikbaarheid
van voldoende onderwijsvoorzieningen;
- financiering;
- wetgeving;
- bewaking
van deugdelijkheid en kwaliteit;
- opleiding
en beschikbaarheid van onderwijspersoneel;
- toegankelijkheid
van scholen;
- toezicht;
- continuïteit;
- aansluiting
tussen onderwijssectoren;
- waarborging
van openbaar onderwijs.
De formulering richt zich op het onderwijsstelsel als geheel
en niet op een concrete aanspraak van een individuele leerling. Zij geeft de
regering een voortdurende verantwoordelijkheid, maar omschrijft niet welk
minimumniveau moet worden gewaarborgd, binnen welke termijn onderwijs
beschikbaar moet zijn of welke ondersteuning een individuele leerling kan
verlangen.
De term “regering” is bovendien smaller dan “overheid”. De
uitvoering van onderwijsbeleid is verdeeld over de formele wetgever, regering,
gemeenten, onderwijsinspectie, zelfstandige instellingen en privaatrechtelijk
georganiseerde schoolbesturen. Hoewel artikel 23 als geheel deze bredere
institutionele werkelijkheid omvat, verdient het bij herziening de voorkeur de
verantwoordelijkheid aan de overheid als geheel toe te wijzen. Daardoor wordt
duidelijk dat de constitutionele zorg niet afhankelijk is van de juridische
vorm waarin onderwijs wordt georganiseerd.
3.2 De vrijheid om onderwijs te geven
Het tweede lid bepaalt dat het geven van onderwijs vrij is,
behoudens overheidstoezicht en het bij wet te regelen onderzoek naar de
bekwaamheid en zedelijkheid van degenen die onderwijs geven. Deze vrijheid
beschermt maatschappelijk initiatief tegen een onderwijsmonopolie van de staat.
Burgers en maatschappelijke organisaties kunnen onderwijs aanbieden vanuit
religieuze, levensbeschouwelijke, pedagogische of onderwijskundige
overtuigingen.
In de constitutionele doctrine wordt de vrijheid van
onderwijs doorgaans onderscheiden in vrijheid van stichting, richting en
inrichting.
Vrijheid van stichting
De vrijheid van stichting betreft de mogelijkheid om een
onderwijsinstelling op te richten. Deze vrijheid maakt het mogelijk dat nieuwe
maatschappelijke en pedagogische initiatieven ontstaan en dat het
onderwijsaanbod aansluit bij veranderende overtuigingen en behoeften.
De vrijheid is niet onbeperkt. Voor bekostiging kunnen
wettelijke voorwaarden gelden, waaronder eisen aan draagvlak, leerlingenaantal,
bestuurlijke inrichting en te verwachten kwaliteit. Ook kan toezicht
plaatsvinden. Het recht om onderwijs aan te bieden is daarom niet hetzelfde als
een onvoorwaardelijk recht op publieke bekostiging.
Vrijheid van richting
De vrijheid van richting beschermt de levensbeschouwelijke,
religieuze of fundamenteel pedagogische grondslag van bijzonder onderwijs. Zij
maakt mogelijk dat onderwijs vanuit uiteenlopende mens- en maatschappijvisies
wordt vormgegeven.
Deze vrijheid draagt bij aan pluralisme en aan de
mogelijkheid van ouders en maatschappelijke groepen om onderwijs te kiezen dat
aansluit bij hun overtuigingen. Zij beschermt minderheden bovendien tegen een
volledig door de meerderheid bepaalde onderwijsinhoud.
Tegelijkertijd kan richting niet dienen als algemene
rechtvaardiging voor discriminatie, ontoereikend onderwijs of aantasting van de
rechten van het kind. De vrijheid moet worden uitgeoefend binnen de grenzen van
de democratische rechtsstaat, deugdelijkheid, gelijkheid en veiligheid. Waar de
overheid wettelijke eisen stelt, moet zij de vrijheid van richting respecteren,
maar mag zij ook de grondrechten van leerlingen en andere betrokkenen
beschermen.
Vrijheid van inrichting
De vrijheid van inrichting betreft de wijze waarop een
school haar onderwijs organiseert. Zij kan betrekking hebben op pedagogische
methoden, lesmaterialen, personeelsbeleid, schoolorganisatie, identiteit en
didactische keuzes. Artikel 23, zesde lid, noemt voor het bijzonder onderwijs
uitdrukkelijk de keuze van leermiddelen en de aanstelling van onderwijzers.
Ook deze vrijheid is niet absoluut. Wettelijke
deugdelijkheidseisen, kerndoelen, burgerschapsopdrachten, veiligheidseisen en
kwalificatievoorschriften kunnen de inrichtingsvrijheid beperken. Daarbij moet
de wetgever steeds beoordelen of de maatregel noodzakelijk is voor de
kwaliteit, toegankelijkheid of grondrechtenbescherming en of de kern van de
onderwijsvrijheid wordt gerespecteerd.
De Onderwijsraad omschrijft artikel 23 daarom terecht als
een evenwicht tussen overheidshandelen en overheidsonthouding: de overheid moet
een goed functionerend onderwijsstelsel organiseren, maar moet tevens ruimte
laten voor maatschappelijke en pedagogische pluriformiteit[2].
3.3 Openbaar en bijzonder onderwijs
Artikel 23 verankert een duaal onderwijsbestel. Openbaar
onderwijs wordt van overheidswege georganiseerd en moet ieders godsdienst of
levensovertuiging eerbiedigen. Bijzonder onderwijs komt voort uit particulier
initiatief en kan worden gebaseerd op een religieuze, levensbeschouwelijke of
pedagogische grondslag.
Het derde lid bepaalt dat het openbaar onderwijs bij wet
wordt geregeld. Het vierde lid verlangt dat in iedere gemeente en ieder
openbaar lichaam in Caribisch Nederland voldoende openbaar algemeen vormend
lager onderwijs wordt gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Afwijking is
wettelijk mogelijk, mits gelegenheid blijft bestaan om zodanig onderwijs te
ontvangen, al dan niet in een openbare school.
Hieruit volgt een institutionele beschikbaarheidswaarborg
voor openbaar primair onderwijs. De overheid moet ervoor zorgen dat ouders en
leerlingen niet uitsluitend zijn aangewezen op onderwijs met een bijzondere
grondslag. Deze waarborg is van belang voor neutraliteit, toegankelijkheid en
keuzevrijheid.
Het openbaar onderwijs moet met eerbiediging van ieders
godsdienst of levensovertuiging worden gegeven. Dit betekent niet dat
levensbeschouwing uit het onderwijs wordt geweerd, maar dat de openbare school
toegankelijk en respectvol moet zijn tegenover uiteenlopende overtuigingen.
Bijzonder onderwijs wordt doorgaans door privaatrechtelijke
rechtspersonen bestuurd, maar vervult binnen het bekostigde stelsel een
publieke onderwijstaak. De juridische vorm van het schoolbestuur neemt niet weg
dat leerlingen binnen deze instellingen grondrechtenbescherming nodig hebben.
De overheid moet daarom door wettelijke normen en toezicht waarborgen dat ook
bijzonder onderwijs toegankelijk, veilig en kwalitatief toereikend is.
3.4 Deugdelijkheidseisen
Artikel 23, vijfde lid, draagt de wetgever op eisen van
deugdelijkheid vast te stellen voor onderwijs dat geheel of gedeeltelijk uit de
openbare kas wordt bekostigd. Voor het bijzonder onderwijs moet daarbij de
vrijheid van richting worden geëerbiedigd. Het zesde lid verlangt dat de
deugdelijkheid van volledig bekostigd bijzonder algemeen vormend lager
onderwijs en openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd.
Deugdelijkheid vormt de constitutionele verbinding tussen
onderwijsvrijheid en publieke verantwoordelijkheid. Wie publieke middelen
ontvangt en een fundamentele maatschappelijke taak vervult, moet voldoen aan
wettelijk vastgestelde minimumeisen. De wetgever kan onder meer regels stellen
over:
- onderwijsinhoud
en kerndoelen;
- onderwijstijd;
- kwalificaties
van personeel;
- veiligheid;
- bestuur
en financieel beheer;
- examinering;
- leerlingvolgsystemen;
- burgerschap;
- toezicht
en verantwoording.
De eis dat deugdelijkheidseisen bij wet worden geregeld,
heeft een waarborgfunctie. Essentiële beperkingen van de onderwijsvrijheid
moeten democratisch worden gelegitimeerd en mogen niet uitsluitend door bestuur
of toezichthouder worden vastgesteld. Delegatie en nadere uitwerking zijn
mogelijk, maar de formele wetgever moet de hoofdlijnen bepalen.
De huidige regeling bevat daarmee wel degelijk een
constitutionele kwaliteitsdimensie. Kwaliteit is echter hoofdzakelijk
vormgegeven als objectieve stelselnorm en voorwaarde voor bekostiging. Zij
wordt niet expliciet geformuleerd als individueel recht van een leerling op
kwalitatief toereikend onderwijs. Daardoor is onduidelijk welke aanspraak een
leerling heeft wanneer een school langdurig onvoldoende kwaliteit biedt,
terwijl het institutionele toezicht nog niet tot effectief herstel heeft
geleid.
3.5 Bekostiging en financiële gelijkstelling
Het zevende lid waarborgt dat bijzonder algemeen vormend
lager onderwijs dat aan de wettelijke voorwaarden voldoet, naar dezelfde
maatstaf als openbaar onderwijs uit de openbare kas wordt bekostigd. Voor
bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs stelt de
wet de voorwaarden voor publieke bijdragen vast.
Deze regeling weerspiegelt de financiële gelijkstelling van
openbaar en bijzonder onderwijs. Zij voorkomt dat de vrijheid van bijzonder
onderwijs slechts formeel bestaat, maar feitelijk alleen kan worden benut door
ouders en maatschappelijke groepen die zelf voldoende financiële middelen
hebben.
Bekostiging heeft daarmee een grondrechtelijke functie. Zij
ondersteunt pluriformiteit en maakt keuzevrijheid materieel mogelijk.
Tegelijkertijd rechtvaardigt publieke bekostiging deugdelijkheidseisen,
toezicht en financiële verantwoording.
De bestaande regeling is sterk gericht op de verhouding
tussen onderwijsaanbieders en de overheid. Zij waarborgt onder welke
voorwaarden scholen aanspraak op bekostiging hebben, maar zegt minder over de
financiële toegankelijkheid voor leerlingen en ouders. Kosten van vervoer,
digitale middelen, leermiddelen, aanvullende activiteiten en begeleiding kunnen
de feitelijke toegang beïnvloeden, ook wanneer het onderwijs zelf publiek wordt
bekostigd.
3.6 Geen algemeen en uitdrukkelijk individueel recht op onderwijs
Artikel 23 formuleert niet in algemene bewoordingen dat
“ieder recht heeft op onderwijs”. Het artikel verplicht de overheid voortdurend
zorg te dragen voor het onderwijs en bevat voor openbaar primair onderwijs een
beschikbaarheidswaarborg, maar de individuele leerling staat niet centraal in
de tekst.
Het ontbreken van een uitdrukkelijk individueel recht
betekent niet dat binnen de Nederlandse rechtsorde geen recht op onderwijs
bestaat. Dit recht wordt beschermd door internationale verdragen, waaronder
artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 13 IVESCR, artikel 28
IVRK en artikel 14 EU-Handvest binnen de werkingssfeer van het Unierecht.
Gewone onderwijswetgeving creëert daarnaast concrete aanspraken en
zorgplichten.
Toch is een expliciete nationale constitutionele verankering
van betekenis. Zij:
- maakt
de leerling zichtbaar als zelfstandige grondrechtdrager;
- verbindt
de institutionele vrijheid van onderwijs met het doel waarvoor die
vrijheid bestaat;
- biedt
een nationale maatstaf bij constitutionele toetsing;
- versterkt
de samenhang met gelijkheid, menselijke waardigheid en ontwikkeling;
- maakt
duidelijk dat onderwijs niet alleen een stelselbelang of ouderlijk
keuzerecht is.
Het recht moet bij voorkeur aan “ieder” worden toegekend en
niet uitsluitend aan “ieder kind”. Kinderen vormen de primaire rechthebbenden
in het funderend onderwijs, maar ook volwassenen kunnen belang hebben bij
beroepsonderwijs, hoger onderwijs, alfabetisering en permanente ontwikkeling.
Leeftijd en onderwijsniveau kunnen wel relevante factoren zijn bij de
wettelijke uitwerking en intensiteit van de overheidsverplichtingen.
3.7 Toegankelijkheid
Artikel 23 bevat geen algemene norm die bepaalt dat
onderwijs voor iedereen daadwerkelijk toegankelijk moet zijn. Het vierde lid
garandeert een zekere beschikbaarheid van openbaar primair onderwijs, maar
behandelt niet systematisch financiële, fysieke, geografische, digitale en
administratieve toegankelijkheid.
Toegankelijkheid omvat onder meer:
- voldoende
onderwijsplaatsen;
- bereikbaarheid;
- betaalbaarheid;
- toegankelijke
gebouwen en digitale systemen;
- non-discriminatoire
toelating;
- passende
informatie;
- bescherming
tegen voortijdige uitsluiting;
- toegang
voor leerlingen met een beperking;
- mogelijkheden
voor leerlingen zonder vaste woonplaats of stabiele verblijfspositie.
Een formeel beschikbare school is niet daadwerkelijk
toegankelijk wanneer een leerling wegens een beperking niet kan deelnemen,
noodzakelijke ondersteuning ontbreekt of bijkomende kosten niet kunnen worden
gedragen. Een uitdrukkelijke toegankelijkheidsnorm zou de algemene zorgplicht
concretiseren zonder een recht op toelating tot iedere specifieke school te
creëren.
3.8 Inclusiviteit en passend onderwijs
De huidige Grondwet noemt inclusiviteit en passend onderwijs
niet. De zorgplicht voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, is
hoofdzakelijk wettelijk geregeld. Dat maakt de bescherming afhankelijk van de
inrichting en uitvoering van het gewone recht.
Een inclusief onderwijsstelsel moet uitgaan van de
gelijkwaardigheid van leerlingen en waar mogelijk belemmeringen voor deelname
wegnemen. Dat vraagt onder meer om:
- redelijke
aanpassingen;
- deskundige
ondersteuning;
- toegankelijke
schoolgebouwen;
- aangepaste
communicatie en leermiddelen;
- samenwerking
tussen onderwijs, zorg en gemeenten;
- tijdige
besluitvorming;
- een
passende onderwijsplaats wanneer de voorkeursschool de ondersteuning niet
kan bieden.
Inclusiviteit betekent niet noodzakelijk dat iedere leerling
onder alle omstandigheden in iedere reguliere school moet worden onderwezen. De
aard van de ondersteuningsbehoefte, pedagogische omstandigheden en belangen van
andere leerlingen kunnen differentiatie rechtvaardigen. Wel moet voor iedere
leerling binnen redelijke termijn een kwalitatief toereikende en feitelijk
toegankelijke onderwijsplek beschikbaar zijn.
De verhouding tussen toelatingsbeleid van bijzondere scholen
en passend onderwijs vraagt bijzondere aandacht. Onder de huidige systematiek
kan een bijzondere school onder voorwaarden een toelatingsbeleid voeren dat
samenhangt met haar richting. Tegelijkertijd gelden wettelijke zorgplichten
voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. De vrijheid van richting en het
recht op onderwijs moeten zo worden uitgelegd dat geen leerling door een
opeenvolging van weigeringen feitelijk van onderwijs wordt uitgesloten.
3.9 Gelijke ontwikkelingsmogelijkheden
Artikel 23 bevat geen expliciete opdracht om gelijkwaardige
ontwikkelingsmogelijkheden te bevorderen. Deugdelijkheidseisen waarborgen een
algemeen kwaliteitsniveau, maar compenseren niet vanzelf verschillen in sociale
achtergrond, gezondheid, beperking, taal, inkomen en woonomgeving.
Formele gelijkheid kan ontoereikend zijn wanneer leerlingen
vanuit zeer verschillende omstandigheden aan het onderwijs deelnemen. Extra
ondersteuning, aanvullende financiering of aangepaste onderwijsvormen kunnen
noodzakelijk zijn om feitelijke achterstanden te verminderen. Dit is geen
afwijking van gelijkheid, maar een uitwerking van materiële gelijkwaardigheid.
Gelijke ontwikkelingsmogelijkheden betekenen niet dat alle
leerlingen dezelfde prestaties of onderwijsloopbaan moeten bereiken. Zij
verlangen dat kenmerken waarop het kind weinig invloed heeft niet structureel
bepalen welke kwaliteit, ondersteuning en toekomstmogelijkheden beschikbaar
zijn.
Een constitutionele opdracht kan de overheid verplichten:
- verschillen
in onderwijsdeelname en resultaten te monitoren;
- middelen
naar behoefte te differentiëren;
- structurele
achterstanden te bestrijden;
- vroege
selectie en doorstroommogelijkheden periodiek te beoordelen;
- toegankelijkheid
van vervolgonderwijs te bewaken;
- bijzondere
aandacht te geven aan leerlingen in kwetsbare posities.
3.10 Het recht van het kind
Artikel 23 is historisch sterk gevormd door de verhouding
tussen overheid, ouders en onderwijsaanbieders. Het kind komt in de tekst niet
als zelfstandige actor naar voren. Een moderne grondrechtelijke benadering moet
het kind echter erkennen als eigen rechthebbende, met belangen en een zich
ontwikkelende autonomie.
Voor jonge kinderen oefenen ouders een groot deel van de
onderwijskeuzes uit. Naarmate het kind ouder en rijper wordt, moet zijn eigen
overtuiging en voorkeur zwaarder meewegen. Het belang van het kind omvat onder
meer:
- toegang
tot onderwijs;
- veiligheid;
- kwaliteit;
- ondersteuning;
- non-discriminatie;
- ontwikkeling
van persoonlijkheid en vermogens;
- voorbereiding
op deelname aan een democratische en pluriforme samenleving;
- ruimte
voor een eigen levensovertuiging.
Het recht van ouders om onderwijs te kiezen dat aansluit bij
hun overtuiging blijft van groot belang. Dat recht mag echter niet zo worden
uitgelegd dat het kind uitsluitend object van ouderlijke of institutionele
keuze is. Wanneer ouderlijke voorkeuren, schoolidentiteit en rechten van het kind
botsen, is een zorgvuldige belangenafweging nodig.
3.11 Onderwijsvrijheid en grondrechten van leerlingen
De vrijheid van richting en inrichting beschermt pluralisme,
maar functioneert niet buiten de algemene grondrechtenorde. Scholen moeten
rekening houden met gelijkheid, menselijke waardigheid, lichamelijke en
psychische integriteit, privacy, vrijheid van overtuiging en het recht op
onderwijs.
Dit betekent niet dat iedere vorm van onderscheid of
identiteitsgebonden onderwijs verboden is. Een bijzondere school moet ruimte
hebben om haar grondslag herkenbaar vorm te geven. De wetgever kan echter
grenzen stellen wanneer dit noodzakelijk is voor:
- bescherming
tegen discriminatie;
- veiligheid;
- kwaliteit;
- burgerschapsvorming;
- rechten
van leerlingen en personeel;
- toegang
tot passend onderwijs;
- bescherming
van de democratische rechtsorde.
Bij dergelijke beperkingen moet artikel 1b worden toegepast.
De maatregel moet een wettelijke grondslag en legitiem doel hebben en
noodzakelijk en evenredig zijn. Ook de wezenlijke inhoud van de
onderwijsvrijheid moet worden geëerbiedigd. Daarmee wordt voorkomen dat een
algemeen beroep op gelijkheid de pluraliteit van het onderwijs zonder voldoende
rechtvaardiging aantast.
3.12 Kwaliteit als recht en institutionele opdracht
Kwaliteit is reeds aanwezig in artikel 23 via de
deugdelijkheidseisen. Een herziening moet daarom niet doen alsof de Grondwet
thans geen kwaliteitswaarborg kent. Wel kan de verhouding tussen objectieve
deugdelijkheid en het individuele recht op goed onderwijs worden verduidelijkt.
De overheid moet:
- wettelijke
kwaliteitsnormen vaststellen;
- onafhankelijk
toezicht organiseren;
- tekortkomingen
tijdig signaleren;
- herstel
verlangen;
- continuïteit
waarborgen wanneer een school tekortschiet;
- leerlingen
beschermen tegen langdurig onvoldoende onderwijs.
Niet ieder verschil in onderwijsaanpak of resultaat is een
kwaliteitsgebrek. De vrijheid van inrichting laat ruimte voor pedagogische
diversiteit. De constitutionele maatstaf moet daarom betrekking hebben op een
kwalitatieve ondergrens en op het vermogen van onderwijs om leerlingen
daadwerkelijk te laten leren en ontwikkelen, niet op volledige uniformiteit.
3.13 Segregatie
Onderwijssegregatie kan samenhangen met woonsegregatie,
schoolkeuze, toelatingspraktijken, oudervoorkeuren, onderwijsadvies, vroege
selectie en verschillen in schoolprofiel. Het zou te eenvoudig zijn segregatie
uitsluitend aan de vrijheid van bijzonder onderwijs toe te schrijven. Ook
openbare scholen en niet-levensbeschouwelijke keuzes kunnen sociaal gesegreerd
zijn.
Niet iedere concentratie van leerlingen met een
vergelijkbare achtergrond is op zichzelf constitutioneel verboden.
Problematisch wordt segregatie wanneer zij leidt tot structureel ongelijke
toegang tot kwaliteit, expertise, netwerken en ontwikkelingsmogelijkheden of
wanneer zij voortvloeit uit directe of indirecte discriminatie.
De overheid heeft daarom een opdracht om:
- segregatie
en de gevolgen daarvan te monitoren;
- discriminerende
toelatingspraktijken tegen te gaan;
- transparante
procedures te waarborgen;
- voldoende
kwaliteit en ondersteuning op iedere school te verzekeren;
- samenwerking
en ontmoeting te bevorderen;
- de
effecten van huisvesting en schoolplanning te betrekken;
- maatregelen
op hun noodzakelijkheid en evenredigheid te beoordelen.
Een constitutionele opdracht tot gelijke
ontwikkelingsmogelijkheden kan maatregelen tegen segregatie ondersteunen.
Dergelijke maatregelen mogen echter niet zonder nadere rechtvaardiging leiden
tot opheffing van richting, stichting of inrichting. Het probleem moet gericht
worden aangepakt met middelen die de vrijheid van onderwijs zo veel mogelijk
respecteren.
3.14 Verbinding tussen onderwijsvrijheid en recht op onderwijs
Een herziening van artikel 23 moet niet worden vormgegeven
als een keuze tussen vrijheid van onderwijs en het individuele recht op
onderwijs. Beide dimensies dienen verschillende, maar complementaire waarden.
De vrijheid van onderwijs beschermt:
- pluralisme;
- maatschappelijke
zelforganisatie;
- levensbeschouwelijke
diversiteit;
- pedagogische
innovatie;
- bescherming
tegen staatsmonopolisme.
Het individuele recht op onderwijs beschermt:
- toegang;
- ontwikkeling;
- kwaliteit;
- inclusiviteit;
- gelijkwaardigheid;
- de
zelfstandige positie van de leerling.
Zonder onderwijsvrijheid kan onderwijs een eenvormig
instrument van de staat worden. Zonder een individueel recht kan institutionele
vrijheid belangrijker worden dan de belangen van degene voor wie het onderwijs
bestaat. De constitutionele opgave is daarom beide perspectieven met elkaar te
verbinden.
Een mogelijke aanvulling van artikel 23 kan bepalen:
- dat
ieder recht heeft op onderwijs;
- dat
de overheid de toegankelijkheid, inclusiviteit en kwaliteit waarborgt en
gelijke ontwikkelingsmogelijkheden bevordert;
- dat
deze verplichtingen worden uitgevoerd met eerbiediging van de vrijheid van
onderwijs.
De bestaande waarborgen voor richting, stichting,
inrichting, openbaar onderwijs, deugdelijkheid en bekostiging kunnen vervolgens
worden behouden en waar nodig gemoderniseerd. Een algemene clausule als “met
eerbiediging van de vrijheid van onderwijs” voorkomt dat de nieuwe sociale
dimensie wordt gelezen als een onbeperkte bevoegdheid om de interne organisatie
of grondslag van scholen te reguleren.
3.15 Beoordeling van de huidige regeling
Artikel 23 is aanzienlijk juridisch sterker en
institutioneel gedetailleerder dan de artikelen 20 en 22. Het waarborgt
permanente overheidszorg, onderwijsvrijheid, beschikbaarheid van openbaar
primair onderwijs, deugdelijkheid en financiële gelijkstelling. Het artikel
heeft daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd aan een pluriform en publiek
gefinancierd onderwijsbestel.
De belangrijkste lacune is dat de tekst vooral de verhouding
tussen overheid en onderwijsaanbieders ordent. Minder expliciet zijn:
- de
leerling als zelfstandige grondrechtdrager;
- algemene
toegankelijkheid;
- inclusiviteit;
- gelijke
ontwikkelingsmogelijkheden;
- passend
onderwijs;
- bescherming
tegen structurele uitsluiting;
- de
individuele betekenis van kwaliteit.
Een herziening moet deze dimensies toevoegen zonder het
historisch en normatief waardevolle evenwicht van artikel 23 ongemotiveerd te
doorbreken. Het individuele recht op onderwijs mag niet worden gebruikt als
algemene bevoegdheidsgrondslag voor inhoudelijke uniformering. Omgekeerd mag de
vrijheid van onderwijs niet worden uitgelegd als een institutioneel privilege
dat de grondrechten en ontwikkelingsmogelijkheden van leerlingen terzijde kan
schuiven.
De meest overtuigende benadering is daarom een geïntegreerd
artikel 23: een artikel dat zowel het recht van ieder op toegankelijk,
inclusief en kwalitatief onderwijs als de vrijheid van richting, stichting en
inrichting beschermt. Daarmee wordt onderwijs constitutioneel erkend als
publieke ontwikkelingsvoorwaarde én als pluriforme maatschappelijke praktijk.
4. Wettelijke uitwerking en institutionele versnippering
De sociale grondrechten worden in Nederland niet door één
samenhangende wet of één uitvoeringsorganisatie verwezenlijkt.
Bestaanszekerheid, zorg, huisvesting en onderwijs zijn uitgewerkt in een
omvangrijk geheel van wettelijke regelingen, financieringsstromen,
bestuurslagen en uitvoeringsorganisaties. Daarnaast spelen private en
semipublieke instellingen een belangrijke rol. Hierdoor ontstaat een
polycentrisch stelsel waarin verantwoordelijkheid wordt verdeeld, maar ook kan
versnipperen.
Deze institutionele spreiding is niet zonder reden.
Verschillende sociale risico’s vragen om uiteenlopende expertise, financiering
en uitvoering. Een werknemersverzekering heeft een andere systematiek dan
sociale bijstand, langdurige zorg of volkshuisvesting. Gemeenten kunnen lokale
omstandigheden meewegen, terwijl landelijke uitvoeringsorganisaties
uniformiteit en schaalvoordelen bieden. Private instellingen kunnen
professionele autonomie, pluriformiteit en innovatie mogelijk maken.
De constitutionele kwetsbaarheid ontstaat wanneer de
verdeling van taken ertoe leidt dat niemand verantwoordelijk is voor het
gezamenlijke resultaat. Iedere organisatie kan haar eigen wettelijke taak
correct uitvoeren, terwijl de betrokkene als gevolg van samenloop toch zonder
voldoende inkomen, zorg, huisvesting of onderwijs blijft. De institutionele
vraag is daarom niet of alle sociale bescherming door één organisatie moet
worden uitgevoerd, maar hoe binnen een meervoudig stelsel samenhang, verantwoordelijkheid
en corrigeerbaarheid worden gewaarborgd.
4.1 Verschillende vormen van versnippering
Binnen het sociale domein kunnen ten minste vijf vormen van
versnippering worden onderscheiden.
Ten eerste bestaat normatieve versnippering. Verschillende
wetten gebruiken eigen begrippen voor inkomen, vermogen, partner, huishouden,
woonplaats, arbeid, zelfredzaamheid en noodzakelijke kosten. Een persoon kan
daardoor onder de ene regeling als zelfstandig en onder een andere als
onderdeel van een gezamenlijk huishouden worden beschouwd.
Ten tweede bestaat institutionele versnippering. De
uitvoering is verdeeld over ministeries, gemeenten, UWV, Sociale
Verzekeringsbank, Dienst Toeslagen, zorgkantoren, het Centrum Indicatiestelling
Zorg, zorgverzekeraars, woningcorporaties, schoolbesturen en andere
instellingen.
Ten derde bestaat territoriale versnippering. Landelijke
aanspraken worden gecombineerd met gemeentelijke voorzieningen en
beleidsruimte. De woonplaats kan daardoor invloed hebben op toegang, omvang en
uitvoering van ondersteuning.
Ten vierde bestaat functionele versnippering tussen publieke
en private organisaties. Zorgaanbieders, verzekeraars, verhuurders,
woningcorporaties en onderwijsinstellingen vervullen publieke functies, maar
vallen niet steeds onder hetzelfde bestuursrechtelijke regime.
Ten vijfde bestaat procedurele versnippering. Besluiten
kunnen worden aangevochten bij verschillende bestuursrechters, civiele
rechters, klachteninstanties, geschillencommissies en toezichthouders. De
rechtsgang hangt mede af van de juridische status van de uitvoerder en de aard
van de beslissing.
Deze vormen van versnippering kunnen elkaar versterken. Een
burger moet dan niet alleen vaststellen op welke voorziening hij recht heeft,
maar ook welke instantie bevoegd is, welk inkomensbegrip geldt, welke gegevens
nodig zijn en bij welke rechter of klachteninstantie hij terechtkan.
4.2 Participatiewet en gemeentelijke uitvoering
De Participatiewet vormt het algemene vangnet voor personen
die niet over voldoende middelen beschikken en geen aanspraak hebben op een
toereikende voorliggende voorziening. De uitvoering ligt hoofdzakelijk bij
gemeenten. Zij beoordelen aanvragen, stellen het recht en de hoogte van de
bijstand vast, leggen verplichtingen en maatregelen op en ondersteunen zo
mogelijk bij arbeidsinschakeling.
De gemeentelijke uitvoering maakt het mogelijk rekening te
houden met lokale omstandigheden en individuele behoeften. Gemeenten kunnen
inkomensondersteuning verbinden met schuldhulpverlening, maatschappelijke
ondersteuning, huisvesting en participatie. Daarmee biedt decentralisatie
mogelijkheden voor integrale dienstverlening.
Tegelijkertijd bevat de Participatiewet landelijke
aanspraken, voorwaarden en normen. Gemeenten beschikken niet over onbeperkte
ruimte om daarvan af te wijken. Hierdoor kan spanning ontstaan tussen
landelijke uniformiteit en lokaal maatwerk. Gemeenten moeten algemene
wettelijke verplichtingen uitvoeren, maar verschillen in uitvoeringscapaciteit,
beleidsregels, lokale voorzieningen en toegang tot ondersteuning kunnen tot
uiteenlopende praktijken leiden.
De gemeente vervult bovendien verschillende rollen. Zij is:
- uitvoerder
van bijstand;
- begeleider
naar arbeid;
- schuldeiser
bij terugvordering;
- verlener
van schuldhulp;
- uitvoerder
van maatschappelijke ondersteuning;
- verantwoordelijke
voor jeugdhulp;
- betrokken
bij huisvesting en lokale minimaregelingen.
Deze concentratie kan integrale ondersteuning bevorderen,
maar ook leiden tot belangenconflicten. Dezelfde gemeente kan enerzijds
sanctioneren of terugvorderen en anderzijds moeten voorkomen dat de betrokkene
door schulden of huisuitzetting verder in problemen raakt.
4.3 Werknemers- en volksverzekeringen
De werknemersverzekeringen beschermen tegen risico’s die
samenhangen met arbeid, zoals werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Het UWV voert onder meer de WW, Ziektewet en WIA uit en heeft taken op het
gebied van re-integratie en arbeidsbemiddeling.
De aanspraken worden mede bepaald door arbeidsverleden,
verzekeringspositie, dagloon, arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en resterend
verdienvermogen. Daarmee verschillen zij fundamenteel van de Participatiewet,
waarin behoefte, huishoudenspositie, inkomen en vermogen centraal staan.
Wanneer een werknemersverzekering afloopt, wordt geweigerd
of ontoereikend is, kan iemand op de Participatiewet zijn aangewezen. De
overgang tussen deze stelsels kan problemen veroorzaken. Een vertraging,
gewijzigde medische beoordeling of onduidelijkheid over het toepasselijke
regime kan tot een tijdelijke inkomensonderbreking leiden. Ook kan correctie
van een UWV-uitkering gevolgen hebben voor toeslagen, gemeentelijke
ondersteuning en private aanvullende verzekeringen.
De Sociale Verzekeringsbank voert belangrijke
volksverzekeringen en andere landelijke regelingen uit, waaronder de AOW, Anw
en kinderbijslag. Deze regelingen kennen weer andere uitgangspunten, zoals
ingezetenschap, leeftijd, huishoudenspositie en verzekerde tijdvakken.
De verdeling tussen UWV, SVB en gemeenten heeft een
functionele logica, maar kan voor burgers moeilijk te doorgronden zijn. Een
verandering in leeftijd, arbeidssituatie, gezondheid of
huishoudenssamenstelling kan ertoe leiden dat een andere wet en uitvoeringsorganisatie
van toepassing wordt. Constitutionele bestaanszekerheid verlangt dat dergelijke
overgangen geen ongerechtvaardigde onderbrekingen veroorzaken.
4.4 Toeslagenwetgeving
Huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag en het
kindgebonden budget vervullen een belangrijke rol bij het betaalbaar maken van
wonen, zorg en de kosten van kinderen. Zij behoren formeel niet allemaal tot de
klassieke sociale zekerheid, maar zijn materieel van groot belang voor het
besteedbare inkomen en de toegang tot essentiële voorzieningen.
Het toeslagenstelsel kent een eigen uitvoeringslogica.
Aanspraken worden veelal gebaseerd op geschatte jaarinkomens,
huishoudenssituatie en specifieke kosten. Wijzigingen gedurende het jaar kunnen
leiden tot aanpassing of terugvordering. Hierdoor ontstaat een spanning tussen
snelle financiële ondersteuning en definitieve vaststelling achteraf.
De combinatie van voorschotverlening en latere correctie kan
risico’s opleveren voor mensen met wisselende inkomens. Een toeslag die
gedurende het jaar wordt gebruikt voor actuele woon-, zorg- of
kinderopvangkosten kan later geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd. De
terugvordering raakt dan het toekomstige inkomen, terwijl de oorspronkelijke
middelen reeds aan noodzakelijke uitgaven zijn besteed.
Dienst Toeslagen beoordeelt de toeslagaanspraken, maar is
niet verantwoordelijk voor de onderliggende beschikbaarheid of kwaliteit van de
voorziening. Huurtoeslag creëert geen woning, zorgtoeslag geen zorgcapaciteit
en kinderopvangtoeslag geen opvangplaats. De toeslagen vormen daarmee een
financiële schakel tussen artikel 20 en de bijzondere sociale grondrechten,
maar kunnen de institutionele verwezenlijking daarvan niet vervangen.
Een wijziging in een uitkering van UWV, SVB of gemeente kan
bovendien doorwerken in toeslagen. Omgekeerd kan een terugvordering van
toeslagen gevolgen hebben voor de mogelijkheid om huur, zorgpremie of andere
noodzakelijke uitgaven te betalen. Deze wederzijdse afhankelijkheid maakt een
cumulatieve beoordeling noodzakelijk.
4.5 Gemeentelijke minimaregelingen
Naast de landelijke sociale zekerheid en toeslagen bieden
gemeenten aanvullende ondersteuning. Daarbij kan worden gedacht aan bijzondere
bijstand, regelingen voor maatschappelijke participatie, ondersteuning voor
kinderen, collectieve zorgverzekeringen en lokale voorzieningen voor
noodzakelijke kosten.
Deze regelingen maken differentiatie naar lokale
omstandigheden en bijzondere behoeften mogelijk. Zij kunnen leemten in
landelijke regelingen opvangen en voorkomen dat uniforme normen in individuele
gevallen onredelijk uitwerken.
De keerzijde is dat toegang en omvang per gemeente kunnen
verschillen. Verschillen zijn niet zonder meer problematisch; gemeentelijke
autonomie veronderstelt ruimte voor lokale prioriteiten. Constitutioneel
relevant wordt het wanneer de verwezenlijking van het menswaardige minimum
afhankelijk raakt van toevallige woonplaatsverschillen. Een landelijke
minimumkern mag niet uitsluitend worden overgelaten aan facultatieve
gemeentelijke voorzieningen.
Ook kan niet-gebruik ontstaan doordat inwoners niet weten
welke lokale regelingen bestaan of doordat iedere regeling een afzonderlijke
aanvraag vereist. Een toegankelijk stelsel vraagt daarom om samenhangende
informatie, vereenvoudigde procedures en waar mogelijk ambtshalve of proactieve
toekenning.
4.6 Zorgverzekeringswet
De Zorgverzekeringswet organiseert de curatieve zorg via een
stelsel van verplichte verzekering, privaatrechtelijk georganiseerde
zorgverzekeraars, gecontracteerde zorgaanbieders en publiekrechtelijke
regulering. De overheid bepaalt de wettelijke kaders en de inhoud van het
verzekerde basispakket, terwijl zorgverzekeraars zorg inkopen en verzekerden
toegang tot verzekerde prestaties moeten bieden.
Deze constructie verdeelt verantwoordelijkheid over
verschillende partijen:
- de
wetgever bepaalt de hoofdlijnen en verzekerde aanspraken;
- zorgverzekeraars
voeren de verzekering uit en kopen zorg in;
- zorgaanbieders
leveren de zorg;
- toezichthouders
bewaken marktordening, kwaliteit en naleving;
- burgers
betalen premies, eigen risico’s en eventuele eigen bijdragen.
De functionele verdeling kan efficiëntie en keuzevrijheid
bevorderen, maar maakt het moeilijk vast te stellen wie verantwoordelijk is
wanneer zorg formeel verzekerd maar feitelijk niet tijdig beschikbaar is. De
verzekeraar kan wijzen op capaciteitstekorten bij aanbieders; de aanbieder op
personeelsgebrek of financiering; de overheid op de verantwoordelijkheid van
verzekeraars en veldpartijen.
Een grondrecht op toegang tot zorg verlangt daarom een
herkenbare eindverantwoordelijkheid. Private uitvoering mag niet tot gevolg
hebben dat de grondrechtelijke aanspraak tussen contractuele en
publiekrechtelijke verantwoordelijkheden verdwijnt.
4.7 Wet langdurige zorg
De Wet langdurige zorg is gericht op personen die blijvend
intensieve zorg of permanent toezicht nodig hebben. Het Centrum
Indicatiestelling Zorg beoordeelt of iemand toegang heeft tot de Wlz. Zorgkantoren
spelen een centrale rol bij de uitvoering en zorgbemiddeling. Afhankelijk van
de leveringsvorm zijn daarnaast zorgaanbieders, het CAK en de SVB betrokken.
Hierdoor kan één zorgvraag verschillende beslismomenten
omvatten:
- vaststelling
van de indicatie;
- keuze
van een leveringsvorm;
- toewijzing
of inkoop van zorg;
- vaststelling
en inning van eigen bijdragen;
- beheer
van een persoonsgebonden budget;
- feitelijke
levering door een zorgaanbieder.
Wanneer een van deze schakels tekortschiet, kan de zorg
ondanks een formele indicatie uitblijven. De betrokkene moet dan bepalen tegen
welke beslissing en tegen welke instantie hij moet opkomen. De constitutionele
beoordeling moet daarom niet stoppen bij de aanwezigheid van een aanspraak of
indicatie, maar ook kijken naar daadwerkelijke en tijdige levering.
4.8 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk
voor ondersteuning van personen die onvoldoende zelfredzaam zijn of niet op
eigen kracht kunnen participeren. De ondersteuning kan onder meer bestaan uit
begeleiding, dagbesteding, hulpmiddelen, woningaanpassingen, beschermd wonen,
mantelzorgondersteuning en opvang. Gemeenten organiseren de toegang op
uiteenlopende manieren, bijvoorbeeld via gemeentelijke loketten of wijkteams.
De wet verlangt onderzoek naar de individuele
omstandigheden, maar laat gemeenten ruimte bij organisatie, inkoop en
uitvoering. Dit kan lokaal maatwerk mogelijk maken. Tegelijkertijd kunnen
verschillen ontstaan in toegang, wachttijden, kwaliteit, eigen bijdragen en
beschikbaarheid van aanbieders.
De Wmo bevindt zich op het snijvlak van verschillende
grondrechten. Ondersteuning kan noodzakelijk zijn voor:
- zelfstandig
wonen;
- toegang
tot arbeid en onderwijs;
- maatschappelijke
participatie;
- lichamelijke
en psychische integriteit;
- ontlasting
van mantelzorgers;
- voorkoming
van institutionele opname;
- bescherming
tegen dakloosheid.
Daardoor kan een tekortkoming in de Wmo doorwerken in
artikel 20, het zorggrondrecht, het woonrecht en het gelijkheidsbeginsel. Een
uitsluitend sectorale beoordeling doet onvoldoende recht aan deze samenhang.
4.9 Jeugdwet
De Jeugdwet legt belangrijke verantwoordelijkheden voor
jeugdhulp bij gemeenten. De uitvoering vindt plaats door gemeenten, regionale
samenwerkingsverbanden en veelal private of semipublieke aanbieders. Ook
onderwijs, huisartsenzorg, geestelijke gezondheidszorg, kinderbescherming en
langdurige zorg kunnen betrokken zijn.
De combinatie van gemeentelijke verantwoordelijkheid,
regionale inkoop en private zorgverlening maakt de keten complex. Een kind of
gezin kan te maken krijgen met meerdere toegangspoorten, verwijzers en
financieringsregimes. Wanneer discussie bestaat over de aard van de hulpvraag
of de verantwoordelijke wet, kan ondersteuning worden vertraagd.
Bij jeugdigen zijn dergelijke vertragingen bijzonder
ingrijpend omdat ontwikkeling tijdsgebonden is. Ondersteuning die pas na
langdurig wachten beschikbaar komt, kan gemiste ontwikkeling of onderwijsuitval
niet volledig herstellen. De constitutionele norm van tijdigheid moet daarom
rekening houden met de aard en urgentie van de ontwikkelingsbehoefte.
4.10 Woningwet en huurwetgeving
Het recht op huisvesting wordt uitgewerkt via een combinatie
van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke regels. De Woningwet ordent onder
meer de positie en taken van woningcorporaties en aspecten van de
volkshuisvesting. Gemeenten en provincies hebben verantwoordelijkheden op het
gebied van ruimtelijke ordening, woningbouw, huisvestingsverdeling en lokale
woonbeleid. Het Rijk bepaalt belangrijke wettelijke en financiële
randvoorwaarden.
De huurverhouding zelf is grotendeels privaatrechtelijk
geregeld. Huurders kunnen bescherming ontlenen aan huurprijsregulering,
huurbescherming, onderhoudsverplichtingen en civielrechtelijke
rechtsbescherming. Daarnaast kunnen de Huurcommissie, gemeenten,
toezichthouders en civiele rechters een rol spelen.
Woningcorporaties zijn privaatrechtelijk georganiseerd, maar
vervullen een wettelijk gereguleerde publieke taak. Ook private verhuurders en
institutionele beleggers bepalen de feitelijke toegang, kwaliteit en
woonzekerheid. Hierdoor is de verwezenlijking van het woonrecht afhankelijk van
een combinatie van:
- bouw-
en ruimtelijkeordeningsbeleid;
- beschikbaarheid
van grond;
- publieke
investeringen;
- corporatiebeleid;
- marktontwikkeling;
- huurprijs-
en huurbescherming;
- huurtoeslag;
- gemeentelijke
huisvestingsverdeling;
- toezicht
en handhaving.
Geen enkele regeling of instelling is afzonderlijk
verantwoordelijk voor het gehele woonresultaat. Dit maakt het moeilijk
structureel woningtekort of onbetaalbaarheid in een individuele juridische
procedure te adresseren.
4.11 Onderwijswetgeving
Het onderwijsrecht is verdeeld over verschillende
sectorwetten en uitvoeringsregimes. De rijksoverheid stelt wettelijke normen,
bekostigt onderwijsinstellingen en bepaalt hoofdlijnen van kwaliteit en
examinering. Schoolbesturen organiseren en verzorgen het onderwijs. De
Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht. Gemeenten zijn onder meer betrokken
bij onderwijshuisvesting en lokaal jeugd-, achterstanden- en
participatiebeleid. In het primair onderwijs ontvangen schoolbesturen
landelijke bekostiging, terwijl gemeenten verantwoordelijk zijn voor nieuwbouw
en uitbreiding van schoolgebouwen.
Voor leerlingen met bijzondere ondersteuningsbehoeften
kunnen schoolbesturen, samenwerkingsverbanden, gemeenten en zorgaanbieders
betrokken zijn. Daardoor kan discussie ontstaan over de vraag of een behoefte
onder onderwijs, jeugdhulp, zorg of maatschappelijke ondersteuning valt.
Ook hier heeft private organisatie een bijzondere betekenis.
Veel bekostigde scholen worden door privaatrechtelijke rechtspersonen bestuurd,
maar vervullen een publieke grondrechtelijke functie. De institutionele
autonomie die uit artikel 23 voortvloeit, moet daarom worden verbonden met de
rechten van leerlingen op toegang, kwaliteit, veiligheid en ondersteuning.
4.12 Beslag, invordering en schuldhulpverlening
De bescherming van het bestaansminimum wordt mede bepaald
door regels over invordering en schulden. Publieke en private schuldeisers
kunnen verschillende instrumenten gebruiken, zoals verrekening, beslag,
dwangbevelen en betalingsregelingen. Daarbij gelden beschermingsmechanismen,
waaronder de beslagvrije voet en het vrij te laten bedrag binnen
schuldregelingen.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor gemeentelijke
schuldhulpverlening. Zij beoordelen welke ondersteuning wordt aangeboden en
kunnen een minnelijk traject organiseren. Wanneer een minnelijk traject niet
slaagt, kan via de rechter toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling
worden verzocht.
De institutionele structuur omvat daarmee:
- gemeenten;
- publieke
schuldeisers;
- private
schuldeisers;
- gerechtsdeurwaarders;
- schuldhulpverleners;
- bewindvoerders;
- rechtbanken;
- verhuurders,
energiebedrijven, drinkwaterbedrijven en zorgverzekeraars bij
vroegsignalering.
Vroegsignalering berust op gegevensdeling tussen bepaalde
vaste-lastenpartners en gemeenten. Dit kan tijdige hulp mogelijk maken, maar
vereist duidelijke doelbinding, gegevenskwaliteit en bescherming tegen
stigmatisering. Dezelfde betalingsachterstand mag niet zonder nadere
beoordeling worden gebruikt als algemeen risicosignaal voor andere
overheidsbeslissingen.
De verschillende invorderingsregimes kunnen bovendien
cumuleren. Een burger kan tegelijkertijd worden geconfronteerd met verrekening
door een uitvoeringsorganisatie, fiscale invordering, beslag door een private
schuldeiser en terugbetaling aan een gemeente. Wanneer iedere schuldeiser
alleen zijn eigen vordering beoordeelt, kan de gezamenlijke bestaansondergrens
worden aangetast.
4.13 Verdeling van verantwoordelijkheid tussen Rijk en gemeenten
Het Rijk bepaalt de wettelijke kaders, landelijke normen,
financieringssystematiek en algemene beleidsdoelstellingen. Gemeenten voeren
belangrijke onderdelen van de Participatiewet, Wmo 2015, Jeugdwet en
schuldhulpverlening uit en hebben taken op het gebied van wonen en onderwijs.
Deze verdeling berust op de gedachte dat ondersteuning
dichter bij inwoners beter kan worden afgestemd en dat verschillende problemen
integraal kunnen worden benaderd. Decentralisatie kan inderdaad ruimte bieden
voor maatwerk, lokale democratische controle en samenwerking tussen sociale
domeinen.
Tegelijkertijd blijft het Rijk constitutioneel
medeverantwoordelijk. Het kan niet volstaan met het overdragen van taken
wanneer wettelijke normen, financiering of uitvoeringscapaciteit onvoldoende
zijn. Decentralisatie verplaatst de uitvoering, maar niet de uiteindelijke
verantwoordelijkheid om grondrechten te waarborgen.
Omgekeerd kunnen gemeenten zich niet steeds beroepen op
landelijke financiële beperkingen wanneer zij binnen hun bestaande ruimte
onvoldoende prioriteit geven aan de minimumkern. Een constitutioneel stelsel
moet daarom de verantwoordelijkheid op beide niveaus zichtbaar maken:
- het
Rijk is verantwoordelijk voor toereikende wettelijke en financiële
voorwaarden;
- gemeenten
zijn verantwoordelijk voor rechtmatige, toegankelijke en evenredige
uitvoering;
- beide
niveaus dragen verantwoordelijkheid voor coördinatie en signalering van
stelselproblemen.
4.14 Landelijke aanspraken en lokale voorzieningen
Het naast elkaar bestaan van landelijke en lokale
bescherming creëert een spanning tussen rechtsgelijkheid en maatwerk.
Landelijke normen bevorderen gelijke aanspraken en voorzienbaarheid. Lokale
voorzieningen maken het mogelijk bijzondere behoeften en lokale kosten mee te
wegen.
Niet ieder gemeentelijk verschil is constitutioneel
problematisch. Autonomie en beleidsruimte brengen mee dat gemeenten
verschillende prioriteiten kunnen stellen. Er ontstaat echter een probleem
wanneer essentiële bescherming afhankelijk wordt van woonplaats en de
landelijke regeling zonder lokale aanvulling beneden het menswaardige minimum
blijft.
Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen:
- een
landelijke, niet-onderhandelbare minimumkern;
- wettelijk
genormeerde voorzieningen met lokale uitvoeringsruimte;
- facultatieve
aanvullende gemeentelijke voorzieningen.
De constitutionele bestaansondergrens moet landelijk worden
verzekerd. Boven die ondergrens kunnen gemeenten aanvullende bescherming bieden
en experimenteren met andere uitvoeringsvormen.
4.15 Financiering van gedecentraliseerde taken
Decentralisatie veronderstelt dat verantwoordelijkheden
vergezeld gaan van voldoende en stabiele middelen. Wanneer wettelijke taken
worden uitgebreid zonder passende financiering, kunnen gemeenten worden
gedwongen toegang, kwaliteit of capaciteit te beperken. Financiële druk kan
vervolgens leiden tot wachtlijsten, strengere selectie, lagere tarieven voor
aanbieders en regionale verschillen.
De spanning is bijzonder zichtbaar bij openeinderegelingen
en bij onverwachte groei van de vraag. Gemeenten hebben slechts beperkte
mogelijkheden om inkomsten zelfstandig te verhogen en moeten meerdere taken
binnen dezelfde begroting afwegen. Financiële tekorten in het ene sociale
domein kunnen daardoor doorwerken in andere voorzieningen.
Een constitutioneel bekostigingsbeginsel moet daarom worden
verbonden met artikel 124. Wanneer het Rijk taken opdraagt, moet het voorzien
in toereikende middelen en rekening houden met kostenontwikkeling, demografie
en uitvoeringscapaciteit. Dit neemt de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor
doelmatige besteding niet weg, maar voorkomt dat grondrechten afhankelijk
worden van structureel onvoldoende bekostigde medebewindstaken.
4.16 Gegevensuitwisseling en ketenbesluitvorming
De uitvoering van sociale regelingen is sterk afhankelijk
van gegevensuitwisseling. UWV, SVB, gemeenten en andere organisaties gebruiken
gezamenlijke gegevensvoorzieningen om inkomen, arbeid, verblijf en aanspraken
vast te stellen. Suwinet vormt daarvan een belangrijk voorbeeld. De overheid
investeert in betrouwbare en veilige gegevensuitwisseling tussen onder meer
UWV, SVB en gemeenten.
Gegevensuitwisseling kan administratieve lasten verminderen,
fraude voorkomen en proactieve dienstverlening mogelijk maken. Zij kan echter
ook fouten verspreiden. Een onjuist gegeven over inkomen, adres, huishouden of
verblijfsstatus kan door meerdere instellingen worden overgenomen en tot
verschillende nadelige besluiten leiden.
Ketenbesluitvorming maakt verantwoordelijkheid diffuus. De
instantie die een besluit neemt, kan zich beroepen op gegevens van een andere
organisatie. De bronhouder kan stellen niet verantwoordelijk te zijn voor de
toepassing van het gegeven. De burger moet vervolgens meerdere procedures
voeren om één onderliggende fout te herstellen.
Een grondrechtelijk verantwoord gegevensstelsel vereist
daarom:
- duidelijke
bronverantwoordelijkheid;
- controleerbare
gegevensherkomst;
- tijdige
correctie;
- doorwerking
van correcties naar ketenpartners;
- transparantie
over geautomatiseerde selecties;
- menselijke
beoordeling bij ingrijpende gevolgen;
- gegevensminimalisatie
en doelbinding;
- effectieve
rechtsbescherming tegen het gezamenlijke resultaat.
Proactieve dienstverlening mag niet ontaarden in onbegrensde
gegevenskoppeling. Het gebruik van gegevens om ondersteuning aan te bieden
heeft een andere functie dan risicoselectie, controle of sanctionering. Deze
doelen moeten juridisch en technisch van elkaar worden onderscheiden.
4.17 Beperkte juridische beoordeling van het stelsel als geheel
De rechtsbescherming is in hoofdzaak georganiseerd rond
afzonderlijke besluiten en rechtsverhoudingen. Een burger kan bezwaar maken
tegen een bijstandsbesluit, toeslagbeschikking, Wmo-besluit of UWV-beslissing.
Tegen handelingen van private verzekeraars, verhuurders of
onderwijsinstellingen kunnen andere procedures gelden.
Deze besluitgerichte rechtsbescherming is noodzakelijk, maar
kent beperkingen. De rechter beoordeelt doorgaans:
- één
besluit;
- van
één instantie;
- op
basis van één wettelijk kader;
- binnen
de grenzen van het concrete geschil.
Daardoor blijft het gezamenlijke effect van meerdere
regelingen vaak buiten beeld. De bestuursrechter die een terugvordering
beoordeelt, kan niet steeds de hoogte van woonlasten, een toeslagbesluit en
privaat beslag in dezelfde procedure corrigeren. Verschillende onderdelen
kunnen bovendien onder de bevoegdheid van verschillende rechters vallen.
Artikel 120 beperkt daarnaast de mogelijkheid om de formele
wetgeving zelf aan de sociale grondrechten in de Grondwet te toetsen. Wanneer
een nadelig gevolg rechtstreeks uit de wet voortvloeit, kan de rechter de
constitutionele ondergrens onder het huidige recht niet volledig effectueren.
Internationale bepalingen bieden soms aanvullende bescherming, maar zijn niet
altijd rechtstreeks toepasbaar of voldoende specifiek.
Structurele problemen zijn daardoor moeilijk juridisch te
adresseren. Individuele vernietiging van een besluit herstelt niet
noodzakelijk:
- een
ontoereikende wettelijke norm;
- structurele
onderfinanciering;
- regionale
capaciteitstekorten;
- gebrekkige
gegevensketens;
- stelselmatige
niet-benutting;
- institutionele
afschuiving van verantwoordelijkheid.
Een herziening van artikel 20 en de bijzondere sociale
grondrechten moet daarom gepaard gaan met constitutionele toetsing en passende
structurele remedies. De rechter moet niet zelf het gehele sociale stelsel
ontwerpen, maar moet wel kunnen vaststellen dat het gezamenlijke stelsel de
grondwettelijke ondergrens niet waarborgt en wetgever of bestuur een redelijke
termijn voor herstel geven.
4.18 Constitutionele betekenis
Institutionele versnippering is niet uitsluitend een
uitvoeringsprobleem. Zij raakt de vraag wie verantwoordelijk is voor de
verwezenlijking van grondrechten. In een polycentrisch stelsel kunnen taken
worden verdeeld, maar constitutionele verantwoordelijkheid mag niet verdwijnen.
Daarom zijn aanvullende waarborgen nodig:
- een
landelijke minimumkern;
- duidelijke
taak- en financieringsverantwoordelijkheden;
- een
bekostigingsbeginsel voor gedecentraliseerde taken;
- coördinatie
tussen uitvoeringsorganisaties;
- geharmoniseerde
kernbegrippen waar verschillen niet noodzakelijk zijn;
- cumulatieve
beoordeling van inkomens- en voorzieningeneffecten;
- verantwoordelijkheid
voor gegevenscorrectie;
- één
herkenbaar aanspreekpunt bij complexe gevallen;
- onafhankelijke
monitoring van het stelsel als geheel;
- rechtsbescherming
tegen keten- en systeemfouten;
- structurele
herstelmogelijkheden.
De Grondwet hoeft de bestaande institutionele
verscheidenheid niet op te heffen. Een volledig gecentraliseerd stelsel zou
lokale kennis, professionele autonomie en maatschappelijke pluriformiteit
kunnen verliezen. De constitutionele opdracht is juist de verschillende
onderdelen zo te verbinden dat zij elkaar aanvullen, corrigeren en gezamenlijk
een menswaardig minimum waarborgen.
De polycentrisch corrigeerbare democratie veronderstelt dat
meerdere instellingen verantwoordelijkheid dragen, maar ook dat hun handelen
onderling zichtbaar, toetsbaar en herstelbaar is. Artikel 20 en de
afzonderlijke sociale grondrechten moeten daarom niet alleen aanspraken
erkennen, maar tevens eisen stellen aan de institutionele architectuur
waarbinnen die aanspraken worden verwezenlijkt. Alleen dan kan worden voorkomen
dat burgers formeel door vele regelingen worden beschermd, maar feitelijk
tussen die regelingen verdwijnen.
5 Rechtsbescherming binnen het huidige stelsel
De rechtsbescherming binnen het sociale domein is in
hoofdzaak georganiseerd rond afzonderlijke besluiten, handelingen en
rechtsverhoudingen. Tegen een besluit over bijstand, een werknemersverzekering,
een toeslag of maatschappelijke ondersteuning kan doorgaans bezwaar en beroep
worden ingesteld. Tegen handelen van zorgverzekeraars, verhuurders,
woningcorporaties en bijzondere onderwijsinstellingen staan veelal
privaatrechtelijke, sectorspecifieke of klachtgerichte procedures open.
Dit stelsel kan effectieve bescherming bieden tegen een
onjuist individueel besluit. Het is aanzienlijk minder goed toegerust om
samenloop, structurele tekorten en cumulatieve gevolgen van verschillende
wettelijke stelsels te beoordelen. De rechtsbescherming volgt de institutionele
en juridische verkaveling van het sociale domein. Daardoor kan ieder
afzonderlijk besluit rechtmatig zijn, terwijl het gezamenlijke resultaat de
bestaanszekerheid aantast.
5.1 Bezwaar tegen individuele besluiten
Besluiten van gemeenten, UWV, SVB, Dienst Toeslagen en
andere bestuursorganen vallen in beginsel onder de Algemene wet bestuursrecht.
Voordat beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, moet doorgaans
bezwaar worden gemaakt bij het bestuursorgaan dat het oorspronkelijke besluit
heeft genomen.
De bezwaarfase heeft een belangrijke rechtsbeschermende
functie. Het bestuursorgaan moet het besluit heroverwegen en kan:
- fouten
in de feitenvaststelling herstellen;
- ontbrekende
informatie alsnog betrekken;
- de
toepasselijke wetgeving opnieuw beoordelen;
- persoonlijke
omstandigheden meewegen;
- de
motivering verbeteren;
- het
besluit herroepen of wijzigen;
- gevolgen
van samenhangende besluiten onderzoeken.
De heroverweging is in beginsel ruimer dan de latere
rechterlijke toetsing. Het bestuursorgaan kan niet alleen beoordelen of het
oorspronkelijke besluit rechtmatig was, maar ook of een andere beslissing
binnen de wettelijke en beleidsmatige ruimte wenselijk en evenredig is. Juist
in het sociale domein biedt bezwaar daarom mogelijkheden voor vroegtijdig en
praktisch herstel.
In de praktijk kan de beschermende functie worden beperkt
wanneer de bezwaarprocedure voornamelijk wordt gebruikt om het oorspronkelijke
besluit juridisch te verdedigen. Ook kan de procedure te lang duren voor mensen
die afhankelijk zijn van de betrokken uitkering of voorziening. Wanneer het
primaire besluit leidt tot beëindiging van inkomen, zorg of huisvesting, kan
een geslaagd bezwaar achteraf te laat komen om schulden, gezondheidsschade of
woningverlies te voorkomen.
Een effectieve bezwaarfase vereist daarom:
- persoonlijk
contact;
- toegang
tot het volledige dossier;
- een
begrijpelijke toelichting;
- een
reële mogelijkheid om gegevens te corrigeren;
- aandacht
voor achterliggende problemen;
- tijdige
besluitvorming;
- de
mogelijkheid van voorlopige voortzetting of een voorschot.
5.2 Beroep bij de bestuursrechter
Na bezwaar kan doorgaans beroep worden ingesteld bij de
bestuursrechter. Afhankelijk van het wettelijke domein volgt eventueel hoger
beroep bij de Centrale Raad van Beroep, de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State of een andere hoogste bestuursrechter.
De bestuursrechter kan beoordelen:
- of
het bestuursorgaan bevoegd was;
- of
de juiste procedure is gevolgd;
- of
de relevante feiten zorgvuldig zijn vastgesteld;
- of
de wet correct is toegepast;
- of
het besluit deugdelijk is gemotiveerd;
- of
de belangenafweging evenredig is;
- of
grondrechten en rechtstreeks werkend internationaal recht zijn
geëerbiedigd.
Bij een gegrond beroep kan de rechter het besluit geheel of
gedeeltelijk vernietigen. Vervolgens kan hij het bestuursorgaan opdragen een
nieuw besluit te nemen, rechtsgevolgen in stand laten, zelf in de zaak voorzien
of een bestuurlijke lus toepassen. In urgente gevallen kan een voorlopige
voorziening worden gevraagd, bijvoorbeeld om betaling tijdelijk te laten
voortduren, invordering te schorsen of toegang tot een voorziening veilig te
stellen.
Deze besluitgerichte rechtsbescherming is sterk wanneer het
probleem in één aanwijsbaar besluit ligt. Zij is zwakker wanneer het nadeel
ontstaat door een combinatie van verschillende besluiten, algemeen verbindende
voorschriften, privaat handelen en feitelijke omstandigheden.
5.3 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Individuele besluiten worden getoetst aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beginselen beschermen burgers tegen
onbevoegd, onzorgvuldig, onvoorspelbaar en onevenredig bestuur.
In het sociale domein zijn in het bijzonder relevant:
- het
zorgvuldigheidsbeginsel;
- het
verbod van vooringenomenheid;
- het
motiveringsbeginsel;
- het
rechtszekerheidsbeginsel;
- het
vertrouwensbeginsel;
- het
gelijkheidsbeginsel;
- het
verbod van détournement de pouvoir;
- het
evenredigheidsbeginsel.
Het zorgvuldigheidsbeginsel verlangt dat het bestuursorgaan
voldoende kennis verzamelt over de relevante feiten en belangen. Dit is van
betekenis bij medische beoordelingen, huishoudenssituaties, inkomen, vermogen,
zelfredzaamheid en ondersteuningsbehoeften. Een besluit mag niet uitsluitend
berusten op onvolledige of verouderde registraties wanneer concrete
aanwijzingen bestaan dat deze gegevens onjuist zijn.
Het motiveringsbeginsel verlangt dat de burger kan begrijpen
waarom een aanspraak wordt geweigerd, verlaagd of beëindigd. Een
standaardformulering of uitsluitend geautomatiseerde uitkomst is onvoldoende
wanneer de concrete situatie om nadere uitleg vraagt.
Het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zijn relevant
bij langdurig verstrekte uitkeringen, onduidelijke informatie en
terugvordering. Zij bieden niet zonder meer bescherming tegen correctie van een
onjuiste betaling, maar kunnen wel gevolgen hebben voor de belangenafweging en
de wijze van herstel of invordering.
5.4 Het evenredigheidsbeginsel
Artikel 3:4, tweede lid, Awb bepaalt dat de nadelige
gevolgen van een besluit voor belanghebbenden niet onevenredig mogen zijn in
verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het evenredigheidsbeginsel
is bijzonder belangrijk bij sanctionering, terugvordering, sluiting, weigering
van ondersteuning en andere maatregelen die de bestaansvoorwaarden ingrijpend
kunnen raken.
Bij de toetsing kunnen verschillende vragen worden
onderscheiden:
- Is
de maatregel geschikt om het beoogde doel te bereiken?
- Is
een minder ingrijpende maar ongeveer even effectieve maatregel
beschikbaar?
- Is
de verhouding tussen het nagestreefde belang en de gevolgen voor de
betrokkene aanvaardbaar?
De intensiteit van de toetsing hangt af van de aard van de
bevoegdheid, de betrokken belangen en de ernst van de gevolgen. Wanneer een
maatregel de bestaanszekerheid, huisvesting, gezondheid of belangen van
kinderen raakt, ligt een indringender beoordeling voor de hand.
De ruimte voor evenredigheidstoetsing is het grootst wanneer
het bestuursorgaan beleids- of beoordelingsruimte heeft. Wanneer de formele wet
dwingend voorschrijft welk besluit moet worden genomen, zijn de mogelijkheden
beperkter. De bestuursrechter kan een wet in formele zin onder het huidige
artikel 120 niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het
evenredigheidsbeginsel. Alleen bij bijzondere omstandigheden die de wetgever
niet of niet volledig heeft verdisconteerd, kan onder strikte voorwaarden ruimte
bestaan voor toepassing van een algemeen rechtsbeginsel in afwijking van de
wettelijke regel. De drempel daarvoor is hoog. Afdeling bestuursrechtspraak
over gebonden bevoegdheden en evenredigheid
Daardoor ontstaat een verschil in rechtsbescherming. Een
onevenredige uitvoeringskeuze kan door de rechter worden gecorrigeerd, terwijl
een vergelijkbaar resultaat moeilijker kan worden hersteld wanneer het
rechtstreeks en dwingend uit de formele wet voortvloeit.
5.5 Grenzen van individuele bestuursrechtelijke procedures
De bestuursrechter beoordeelt doorgaans het voorliggende
besluit en de rechtspositie van de betrokken belanghebbende. Hij beschikt niet
altijd over de bevoegdheid of informatie om het volledige sociale stelsel te
beoordelen.
Een procedure over een terugvordering van bijstand omvat
bijvoorbeeld niet automatisch:
- de
hoogte van de huurtoeslag;
- een
fiscale schuld;
- privaat
beslag;
- een
besluit over zorgondersteuning;
- de
dreiging van huurbeëindiging;
- schulden
bij een energiebedrijf.
De rechter kan persoonlijke omstandigheden betrekken bij de
evenredigheid, maar kan niet steeds beslissingen van andere instanties
wijzigen. Ook is het mogelijk dat verschillende geschillen bij verschillende
rechters terechtkomen. Dat verhoogt de procedurele last voor de burger en
verkleint de kans dat één instantie het gezamenlijke effect beoordeelt.
5.6 Bescherming via het civiele recht
Het civiele recht biedt rechtsbescherming wanneer het
geschil voortvloeit uit een privaatrechtelijke verhouding of wanneer geen
voldoende bestuursrechtelijke rechtsgang beschikbaar is. Dit is relevant bij:
- geschillen
met verhuurders en woningcorporaties;
- zorgverzekeraars
en zorgaanbieders;
- bijzondere
onderwijsinstellingen;
- private
schuldinvordering;
- onrechtmatig
handelen van de Staat;
- structurele
of collectieve vorderingen tegen publieke en private instellingen.
De civiele rechter kan onder meer een verklaring voor recht
geven, schadevergoeding toekennen, een verbod of bevel uitspreken en een
overeenkomst uitleggen of beëindiging ervan beoordelen. Bij spoedeisende
belangen kan een kort geding worden gevoerd.
In sociale grondrechtelijke geschillen heeft de civiele
rechter een dubbele functie. Hij beschermt burgers binnen private
rechtsverhoudingen en treedt op als restrechter wanneer geen andere effectieve
rechtsgang openstaat. De Staat kan via een onrechtmatige-daadsvordering worden
aangesproken wanneer zijn handelen strijdig is met hoger recht of een
zorgvuldigheidsnorm.
Ook deze rechtsgang kent beperkingen. Een civiele procedure
kan financieel, juridisch en bewijsrechtelijk zwaar zijn. Rechtsbijstand en
proceskosten kunnen een drempel vormen. Bovendien geldt artikel 120 ook voor de
civiele rechter: ook hij kan een formele wet niet aan de Grondwet toetsen.
Wanneer een private instelling een publieke taak vervult, kan daarnaast
discussie ontstaan over de toepasselijke normen en de mate waarin positieve
grondrechten rechtstreeks in de private rechtsverhouding doorwerken.
5.7 Private uitvoering en gefragmenteerde rechtsbescherming
De juridische vorm van de uitvoerder bepaalt mede welke
rechtsgang beschikbaar is. Tegen een gemeentelijk Wmo-besluit staat
bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. Een geschil over de feitelijke
zorgverlening door een private aanbieder kan daarentegen onder klachtenrecht,
gezondheidsrecht, contractenrecht of civiel recht vallen. Een beslissing van
een woningcorporatie is niet zonder meer een Awb-besluit, terwijl die
beslissing wel grote gevolgen voor de huisvesting kan hebben.
Daardoor kan één maatschappelijk probleem uiteenvallen in
meerdere juridische geschillen. Een persoon kan een bestuursrechtelijke
procedure moeten voeren over de toegang tot een voorziening en daarnaast een
klacht of civiele procedure over de kwaliteit of feitelijke uitvoering.
De versnippering is constitutioneel relevant omdat de
overheid haar positieve verplichtingen niet mag ontlopen door de uitvoering
privaat te organiseren. Zij moet waarborgen dat ongeacht de rechtsvorm:
- een
duidelijke norm geldt;
- een
toegankelijke klacht- of beroepsprocedure bestaat;
- voorlopige
bescherming mogelijk is;
- effectieve
remedies beschikbaar zijn;
- structurele
tekortkomingen kunnen worden gesignaleerd en hersteld.
5.8 Klachtenprocedures
Naast bezwaar en beroep kunnen burgers een klacht indienen
over de wijze waarop een bestuursorgaan of medewerker zich heeft gedragen.
Klachten kunnen betrekking hebben op bejegening, bereikbaarheid,
informatievoorziening, vertraging, niet reageren, gebrekkige coördinatie of het
niet nakomen van afspraken.
Het klachtrecht verschilt van bezwaar en beroep. Bezwaar
richt zich op de inhoud en rechtmatigheid van een besluit. Een klacht betreft
doorgaans het handelen of nalaten van de organisatie. Dit onderscheid is
belangrijk, omdat veel problemen in het sociale domein niet uitsluitend in een
formeel besluit liggen. Een burger kan materieel recht hebben op ondersteuning,
maar worden geconfronteerd met onbereikbaarheid, voortdurende doorverwijzing of
onzorgvuldige bejegening.
Een interne klachtenprocedure kan leiden tot excuses,
herstel van contact, versnelling of verbetering van de dienstverlening. Zij
biedt echter niet altijd een bindend rechtsmiddel tegen de inhoud van een
besluit. Ook schorst een klacht doorgaans geen besluit of
invorderingsmaatregel. Bij dreigende bestaansnood moet daarom duidelijk worden
gemaakt dat naast de klacht mogelijk bezwaar, beroep of een voorlopige
voorziening nodig is.
5.9 De Nationale ombudsman
Wanneer de interne klachtenbehandeling geen oplossing biedt,
kan onder voorwaarden een gemeentelijke ombudsvoorziening of de Nationale
ombudsman worden benaderd. De Nationale ombudsman onderzoekt of de overheid
behoorlijk heeft gehandeld en kan individuele interventies, bemiddeling,
onderzoek en structurele rapportage inzetten.
De ombudsman kan breder kijken dan de rechter in een
individueel besluitengeschil. Hij kan aandacht besteden aan:
- bejegening;
- begrijpelijkheid;
- gebrek
aan maatwerk;
- ketensamenwerking;
- langdurige
vertraging;
- institutionele
patronen;
- signalen
van groepen burgers;
- de
verhouding tussen formele rechtmatigheid en behoorlijkheid.
Dit maakt het ombudsrecht bijzonder waardevol voor
systeemproblemen. De Nationale ombudsman kan terugkerende klachten bundelen en
aanbevelingen doen die verder gaan dan het individuele dossier.
De oordelen en aanbevelingen zijn echter niet juridisch
bindend. De ombudsman kan een bestuursorgaan niet dwingen een besluit te
vernietigen, schadevergoeding te betalen of wetgeving buiten toepassing te
laten. Zijn werking berust vooral op gezag, openbaarheid en politieke en
bestuurlijke verantwoording.
Bovendien vallen niet alle private organisaties die sociale
grondrechten uitvoeren zonder meer onder zijn bevoegdheid. Voor
zorginstellingen, woningcorporaties en andere private aanbieders kunnen
afzonderlijke klachten- en geschillenregelingen gelden. Dit vergroot opnieuw de
institutionele versnippering.
5.10 Toetsing van lagere regelgeving
Artikel 120 verhindert niet dat lagere regelgeving aan de
Grondwet wordt getoetst. Algemene maatregelen van bestuur, ministeriële
regelingen, provinciale verordeningen, gemeentelijke verordeningen en
beleidsregels kunnen worden getoetst aan hogere regelgeving, rechtstreeks
werkend internationaal recht en — afhankelijk van de aard van de norm —
algemene rechtsbeginselen.
In veel gevallen vindt deze toetsing exceptief plaats. De
lagere regeling wordt dan niet in een zelfstandige procedure als zodanig
aangevochten, maar beoordeeld in het kader van een besluit dat erop is
gebaseerd. Wanneer de regeling in strijd is met hoger recht, kan zij in het
concrete geval buiten toepassing worden gelaten.
Deze mogelijkheid is van belang in het sociale domein, waar
veel voorwaarden en uitvoeringsregels in gedelegeerde regelgeving of
gemeentelijke verordeningen worden vastgelegd. De rechter kan bijvoorbeeld
beoordelen of:
- de
lagere regel binnen de wettelijke delegatiegrondslag blijft;
- de
regeling strijdig is met een grondrecht;
- de
voorbereiding en motivering deugdelijk zijn;
- de
gevolgen evident onevenredig zijn;
- relevante
belangen voldoende zijn onderzocht.
De bescherming is echter afhankelijk van de inhoud van de
formele wet. Wanneer de formele wet de lagere regel dwingend voorschrijft of de
nadelige uitkomst rechtstreeks bepaalt, kan de rechter de achterliggende keuze
niet via toetsing van de lagere regelgeving omzeilen.
5.11 Het toetsingsverbod van artikel 120
Artikel 120 bepaalt dat de rechter niet treedt in de
beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. Dit verbod omvat
zowel de inhoud van formele wetten als, volgens de geldende uitleg, de
grondwettigheid van hun totstandkoming. Artikel 120 Grondwet
Voor sociale grondrechten heeft dit verstrekkende gevolgen.
Wanneer de wetgever zelf bepaalt dat:
- een
bepaalde groep geen aanspraak heeft;
- een
uitkering wordt verlaagd;
- een
sanctie dwingend moet worden opgelegd;
- terugvordering
verplicht is;
- geen
individuele belangenafweging mag plaatsvinden,
kan de rechter de formele wet niet buiten toepassing laten
wegens strijd met artikel 20, 22 of 23. De sociale grondrechten richten zich
daardoor in belangrijke mate tot de wetgever zelf, zonder dat een individu de
naleving daarvan volledig door de rechter kan laten controleren.
De rechter kan wel proberen de wet grondrechtenconform uit
te leggen, voor zover de tekst en systematiek daarvoor ruimte bieden. Ook
kunnen niet door de wetgever verdisconteerde bijzondere omstandigheden in
uitzonderlijke gevallen aanleiding geven voor een correctie op basis van
algemene rechtsbeginselen. Deze mogelijkheden doorbreken het toetsingsverbod
echter niet structureel.
Het gevolg is een asymmetrie. Formele wetten kunnen wel
worden getoetst aan rechtstreeks werkend internationaal recht, maar niet aan de
nationale Grondwet. Daardoor zijn internationale rechten in de rechtspraktijk
soms juridisch sterker dan vergelijkbare nationale grondrechten.
5.12 Artikelen 93 en 94 en rechtstreeks werkend verdragsrecht
Artikel 93 bepaalt dat bepalingen van verdragen en besluiten
van volkenrechtelijke organisaties die naar hun inhoud eenieder kunnen
verbinden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt. Artikel 94
bepaalt vervolgens dat nationale wettelijke voorschriften niet worden toegepast
wanneer toepassing onverenigbaar is met dergelijke bepalingen.
Deze artikelen maken het mogelijk ook formele wetten te
toetsen aan rechtstreeks werkende verdragsbepalingen. In sociale geschillen
kunnen onder meer relevant zijn:
- het
recht op non-discriminatie;
- het
recht op een eerlijk proces;
- het
recht op privé-, familie- en gezinsleven;
- bescherming
van eigendom;
- bescherming
tegen onmenselijke of vernederende behandeling;
- het
recht op onderwijs;
- rechten
van kinderen;
- rechten
van personen met een beperking.
Een bestaande, naar nationaal recht erkende
socialezekerheidsaanspraak kan onder omstandigheden als vermogensrechtelijke
positie worden beschermd. Dat betekent niet dat het verdragsrecht een algemeen
recht creëert op iedere gewenste uitkering. Het kan wel eisen stellen aan
beëindiging, onderscheid, procedure en proportionaliteit.
Het EVRM kent geen algemeen zelfstandig recht op sociale
zekerheid, zorg of huisvesting. Het kan deze belangen echter indirect
beschermen wanneer zij binnen de reikwijdte van andere verdragsrechten vallen.
Het recht op onderwijs is uitdrukkelijk opgenomen in artikel 2 van het Eerste
Protocol.
Ook het Unierecht kan rechtsbescherming bieden wanneer de
situatie binnen de werkingssfeer daarvan valt. Het EU-Handvest beschermt onder
meer sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs, maar de aard en
rechtstreekse werking van de betrokken bepaling moeten telkens afzonderlijk
worden onderzocht.
5.13 Beperkte rechtstreekse werking van sociale verdragsrechten
Veel sociale rechten zijn vastgelegd in het IVESCR, het
Europees Sociaal Handvest, het IVRK en het VN-Verdrag handicap. Deze verdragen
zijn van grote normatieve betekenis en verplichten de staat tot wetgeving,
beleid, monitoring en geleidelijke verwezenlijking.
Niet iedere bepaling is echter geschikt om rechtstreeks door
de nationale rechter te worden toegepast. Voor rechtstreekse werking moet de
norm naar haar inhoud voldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig zijn om als
objectieve rechtsnorm in een concreet geschil te functioneren. Veel sociale
verdragsbepalingen laten staten ruime keuze ten aanzien van middelen, tempo,
organisatie en financiering.
Formuleringen als “geleidelijke verwezenlijking”, “passende
maatregelen” en “beschikbare middelen” zijn niet betekenisloos, maar vragen
vaak om beleids- en stelselkeuzes die primair bij wetgever en bestuur liggen.
De rechter kan zulke bepalingen gebruiken bij verdragsconforme interpretatie en
beoordeling van overheidsbeleid, maar kan er niet steeds een concrete
individuele prestatie uit afleiden.
Bepalingen over non-discriminatie, procedurele bescherming,
minimumverplichtingen of duidelijk omschreven individuele rechten zijn eerder
geschikt voor rechtstreekse toepassing. De mate van justitiabiliteit verschilt
dus per recht en per onderdeel van dat recht.
Het gevolg is dat de artikelen 93 en 94 het nationale
constitutionele tekort slechts gedeeltelijk compenseren. Internationale sociale
normen kunnen richting geven, maar bieden niet altijd een direct afdwingbare
aanspraak op een bestaansminimum, woning, zorgprestatie of
ondersteuningsniveau.
5.14 Cumulatieve stelseleffecten
Een van de grootste beperkingen van de huidige
rechtsbescherming is de moeilijkheid om cumulatieve effecten aan één besluit of
bestuursorgaan toe te rekenen. Bestaansonzekerheid ontstaat vaak door samenloop
van:
- een
uitkeringsverlaging;
- terugvordering
van toeslagen;
- gemeentelijke
invordering;
- verlies
van een lokale voorziening;
- hoge
zorgkosten;
- huurachterstand;
- beslag;
- een
fout in gedeelde gegevens.
Ieder onderdeel kan afkomstig zijn van een andere instantie
en onder een ander wettelijk regime vallen. De betrokken rechters beoordelen
doorgaans slechts het geschil waarvoor zij bevoegd zijn. Daardoor kan geen
enkele rechter het volledige pakket corrigeren.
Ook causaliteit vormt een probleem. Het verlies van een
woning kan niet uitsluitend aan de terugvordering, huurhoogte, beslaglegging of
het ontbreken van schuldhulp worden toegerekend. Het is juist de combinatie die
tot de ontwrichting leidt. Het recht is echter vooral ingericht op
afzonderlijke handelingen en aanwijsbare verantwoordelijken.
De burger kan daardoor worden gedwongen meerdere procedures
te voeren. Dat vraagt tijd, kennis en middelen die juist bij
bestaansonzekerheid vaak ontbreken. Bovendien kan een gunstige uitspraak in één
procedure het gezamenlijke probleem onvoldoende oplossen.
5.15 Structurele en collectieve rechtsbescherming
Collectieve acties, belangenorganisaties, toezichthouders en
ombudsinstanties kunnen bijdragen aan het zichtbaar maken van structurele
problemen. Via het civiele recht kan onder voorwaarden een collectieve
vordering worden ingesteld. Belangenorganisaties kunnen daarnaast signaleren,
procederen, adviseren en deelnemen aan consultaties.
Toch is het stelsel primair individueel georiënteerd.
Structurele remedies, zoals een opdracht om een uitvoeringsketen te herstellen,
een wettelijke leemte op te vullen of een landelijk herstelprogramma vast te
stellen, zijn beperkt ontwikkeld. De rechter is begrijpelijkerwijs terughoudend
wanneer een uitspraak omvangrijke beleids- of begrotingskeuzes vergt.
Die terughoudendheid hoeft echter niet te betekenen dat
structurele schendingen zonder juridisch gevolg blijven. Een rechter kan:
- een
onverenigbaarheid vaststellen;
- wetgever
of bestuur een hersteltermijn geven;
- tijdelijke
individuele bescherming bieden;
- periodieke
rapportage verlangen;
- een
procedurele of institutionele tekortkoming benoemen;
- ruimte
laten voor de wijze waarop herstel wordt vormgegeven.
Een dergelijke benadering respecteert de beleidsruimte van
democratische organen, maar voorkomt dat individuele procedures zich eindeloos
herhalen zonder dat de onderliggende oorzaak wordt aangepakt.
5.16 Beoordeling van de bestaande rechtsbescherming
Het huidige stelsel biedt relatief sterke rechtsbescherming
tegen fouten in individuele bestuursbesluiten. Bezwaar, beroep, algemene
beginselen van behoorlijk bestuur, voorlopige voorzieningen en
klachtenprocedures maken correctie mogelijk. Ook het civiele recht, de
Nationale ombudsman en internationale normen bieden aanvullende bescherming.
De belangrijkste zwaktes liggen elders:
- formele
wetten kunnen niet aan de sociale grondrechten in de Grondwet worden
getoetst;
- veel
internationale sociale rechten hebben beperkte rechtstreekse werking;
- private
uitvoering leidt tot verschillende rechtsgangen;
- procedures
zijn gericht op afzonderlijke besluiten;
- cumulatieve
effecten vallen tussen wettelijke en institutionele domeinen;
- structurele
remedies zijn beperkt;
- rechtsbescherming
komt soms te laat om bestaansschade te voorkomen;
- financiële,
digitale en procedurele drempels beperken de feitelijke toegang tot het
recht.
Daarom moet de versterking van de sociale grondrechten
worden verbonden met de voorgestelde algemene grondrechtenregeling, het recht
op behoorlijk bestuur, effectieve toegang tot de rechter en herziening van
artikel 120. Het materiële recht op bestaanszekerheid heeft slechts beperkte
waarde wanneer de rechter een aantasting daarvan niet effectief kan beoordelen
en herstellen.
De kern is dat het huidige stelsel vooral goed kan vragen:
was dit besluit van deze instantie rechtmatig? Een versterkt constitutioneel
stelsel moet daarnaast kunnen vragen: waarborgt het gezamenlijke handelen van
wetgever, bestuur en private taakuitvoerders daadwerkelijk de sociale en
menselijke minimumvoorwaarden? Pas wanneer ook die tweede vraag juridisch kan
worden gesteld en beantwoord, krijgt het recht op bestaanszekerheid een
volledig corrigeerbare betekenis.
Constitutionele lacunes
De huidige Grondwet erkent bestaanszekerheid, sociale
zekerheid, volksgezondheid, woongelegenheid en onderwijs als publieke verantwoordelijkheden.
Deze erkenning is van grote normatieve en institutionele betekenis. Zij
voorkomt dat deze onderwerpen uitsluitend als particuliere aangelegenheden of
vrijblijvende beleidsdoelen worden beschouwd. De bepalingen maken echter geen
samenhangend en juridisch gestructureerd stelsel van sociale grondrechten. De
aard, reikwijdte, afdwingbaarheid en onderlinge verhouding van de verschillende
sociale rechten blijven grotendeels onbepaald.
De lacune bestaat daarom niet in een volledige afwezigheid
van sociale bescherming. Nederland kent omvangrijke sociale wetgeving, publieke
financiering, bestuursrechtelijke rechtsbescherming en internationale
verplichtingen. Het constitutionele probleem is dat de Grondwet zelf
onvoldoende bepaalt welke ondergrens dit geheel moet respecteren, welke
verplichtingen onmiddellijk gelden en wie verantwoordelijk is wanneer het
stelsel als geheel tekortschiet.
1 Geen algemene grondrechtensystematiek voor sociale rechten
De artikelen 20, 22 en 23 zijn op uiteenlopende wijze
geformuleerd. Artikel 20 combineert een algemene zorgplicht, een opdracht aan
de wetgever en een bij wet te regelen recht op bijstand. Artikel 22 brengt drie
verschillende zorgplichten samen. Artikel 23 bevat een veel uitvoeriger
institutionele regeling van het onderwijsbestel.
Deze verscheidenheid weerspiegelt de geschiedenis en eigen
aard van de betrokken domeinen, maar leidt tevens tot systematische
onduidelijkheid. Niet duidelijk is:
- welke
overheidsorganen aan de bepalingen zijn gebonden;
- wanneer
een individu zich rechtstreeks op een sociaal grondrecht kan beroepen;
- welke
positieve verplichtingen uit de artikelen voortvloeien;
- hoe
private taakuitvoerders moeten worden gereguleerd;
- welke
beperkings- en rechtvaardigingscriteria gelden;
- welke
rechtsgevolgen aan een schending kunnen worden verbonden;
- hoe
de bepalingen onderling samenhangen.
De sociale grondrechten missen daardoor een
gemeenschappelijke juridische infrastructuur. De voorgestelde artikelen 1a–1d
kunnen hierin voorzien. Deze algemene bepalingen regelen de binding van
overheidsorganen, positieve verplichtingen, bescherming tegenover private
macht, noodzakelijkheid en evenredigheid, de wezenlijke inhoud, non-regressie
en effectieve rechtsbescherming. De bijzondere sociale grondrechten bepalen
vervolgens welke materiële belangen en institutionele voorwaarden worden
beschermd.
Deze systematiek maakt het mogelijk de eigen aard van
sociale rechten te behouden zonder ze buiten het algemene grondrechtenrecht te
plaatsen. Sociale rechten zijn dan niet identiek aan klassieke afweerrechten,
maar evenmin louter politieke intentieverklaringen.
2 Onvoldoende onderscheid tussen individuele rechten en institutionele
opdrachten
De huidige bepalingen maken onvoldoende duidelijk of zij een
individuele aanspraak, een wetgevingsopdracht, een zorgplicht of een
institutionele garantie bevatten. Deze categorieën hebben verschillende
juridische functies.
Een individueel recht beschermt een concrete persoon tegen
uitsluiting of ontoereikende behandeling. Een institutionele opdracht verplicht
de overheid een stelsel in stand te houden. Een zorgplicht verlangt beleid en
maatregelen, maar laat ruimte voor de wijze waarop deze worden vormgegeven. Een
institutionele garantie beschermt de aanwezigheid en fundamentele structuur van
een voorziening of stelsel.
Artikel 20, derde lid, spreekt van een recht op bijstand,
maar laat de inhoud daarvan vrijwel volledig aan de wetgever. Artikel 22 bevat
uitsluitend overheidsopdrachten, hoewel gezondheid en huisvesting ook
individuele belangen betreffen. Artikel 23 beschermt vooral de inrichting van
het onderwijsbestel, terwijl het individuele recht van de leerling niet
uitdrukkelijk wordt geformuleerd.
Een herziening moet deze functies zichtbaar van elkaar
onderscheiden. Voor bestaanszekerheid ligt een combinatie voor de hand van:
- een
individueel recht op een menswaardig minimum;
- een
institutionele opdracht een toegankelijk en bestendig
socialebeschermingsstelsel te onderhouden;
- een
verplichting armoede en uitsluiting geleidelijk te verminderen.
Voor zorg, wonen en onderwijs geldt een vergelijkbare
gelaagdheid. Het individu moet bescherming hebben tegen ernstige uitsluiting,
terwijl de overheid structureel verantwoordelijk blijft voor voldoende
capaciteit, kwaliteit en toegankelijkheid.
Dit onderscheid voorkomt twee tegenovergestelde
misverstanden. Sociale grondrechten worden niet gereduceerd tot
niet-afdwingbare beleidsopdrachten, maar geven evenmin automatisch een
individueel recht op iedere specifieke prestatie, woning, behandeling of
onderwijsinstelling.
3 Geen onmiddellijk beschermde minimumkern
De huidige Grondwet omschrijft niet welke elementen van
sociale grondrechten onmiddellijk moeten worden gewaarborgd. Het ontbreken van
een minimumkern is vooral zichtbaar bij bestaanszekerheid. Artikel 20 bepaalt
niet welke middelen noodzakelijk zijn voor een menswaardig bestaan en of deze
ondergrens ook bij sanctionering, terugvordering en beslag behouden moet
blijven.
Ook artikel 22 bevat geen directe bescherming tegen:
- het
ontbreken van noodzakelijke medische zorg;
- dakloosheid;
- ernstig
onveilige of ongezonde huisvesting;
- feitelijke
uitsluiting van essentiële sociale voorzieningen.
Artikel 23 kent deugdelijkheidseisen en een
beschikbaarheidswaarborg voor openbaar primair onderwijs, maar geen algemeen
geformuleerde individuele minimumaanspraak op toegankelijk en kwalitatief
toereikend onderwijs.
Een onmiddellijke minimumkern is nodig om te voorkomen dat
ieder onderdeel van een sociaal grondrecht afhankelijk wordt van toekomstige
beleidsontwikkeling en beschikbare begrotingsruimte. Tot deze kern behoren in
ieder geval:
- een
menswaardig bestaansminimum;
- non-discriminatoire
toegang tot bestaande sociale voorzieningen;
- toegang
tot essentiële en urgente zorg;
- bescherming
tegen dakloosheid en evident onmenswaardige woonomstandigheden;
- daadwerkelijke
toegang tot funderend onderwijs;
- effectieve
rechtsbescherming;
- bescherming
van de wezenlijke inhoud van ieder recht.
De exacte concretisering blijft grotendeels aan de wetgever.
De constitutionele betekenis is dat bepaalde uitkomsten niet kunnen worden
gerechtvaardigd met een algemeen beroep op beleidsvrijheid,
uitvoeringsproblemen of beperkte middelen.
4 Geen juridisch kader voor geleidelijke verwezenlijking
Niet alle sociale rechten kunnen onmiddellijk volledig
worden gerealiseerd. Extra woningen, zorgcapaciteit, onderwijsvoorzieningen en
sociale dienstverlening vragen om financiële middelen, personeel, planning en
institutionele ontwikkeling. Geleidelijke verwezenlijking is daarom een
noodzakelijk onderdeel van een realistisch sociaalgrondrechtelijk stelsel.
De huidige Grondwet structureert dit proces echter niet. Zij
bepaalt niet:
- welke
concrete stappen van de overheid worden verlangd;
- hoe
voortgang moet worden gemeten;
- welke
prioriteit kwetsbare groepen moeten krijgen;
- hoe
beschikbare middelen worden meegewogen;
- wanneer
stilstand of nalaten constitutioneel problematisch wordt;
- welke
verantwoordingsplicht tegenover het parlement geldt.
Zonder juridisch kader kan “geleidelijke verwezenlijking”
uitgroeien tot onbepaald uitstel. De overheid moet daarom worden verplicht
redelijke, concrete en doelgerichte maatregelen te nemen. Zij moet de problemen
inventariseren, doelstellingen formuleren, voortgang monitoren en uitleggen
waarom gekozen prioriteiten redelijk zijn.
De rechter hoeft niet zelf woningbouwprogramma’s,
zorgbegrotingen of onderwijsbeleid vast te stellen. Hij kan wel beoordelen of
de overheid:
- relevante
feiten heeft verzameld;
- een
samenhangende strategie heeft;
- kwetsbare
groepen niet structureel verwaarloost;
- beschikbare
middelen daadwerkelijk inzet;
- periodiek
evalueert;
- niet
zonder motivering langdurig nalaat te handelen.
Daarmee wordt geleidelijke verwezenlijking een toetsbare
inspannings- en verantwoordingsverplichting zonder te veranderen in een
onbegrensde resultaatsverplichting.
5 Geen expliciet non-regressiekader
De huidige sociale grondrechten bepalen niet welke eisen
gelden wanneer een bereikt beschermingsniveau aanzienlijk wordt verlaagd.
Sociale wetgeving kan worden gewijzigd, versoberd of anders ingericht zonder
dat de Grondwet een expliciete verzwaarde rechtvaardiging verlangt.
Democratische besluitvorming vereist dat sociale stelsels
hervormbaar blijven. Economische omstandigheden, demografie, nieuwe risico’s en
gewijzigde inzichten kunnen aanpassing noodzakelijk maken. Het
non-regressiebeginsel mag daarom geen algemene bevriezing van bestaand beleid
veroorzaken.
Wel moet onderscheid worden gemaakt tussen normale
stelselwijzigingen en aanmerkelijke achteruitgang in grondrechtenbescherming.
Wanneer ondersteuning substantieel wordt verlaagd, toegang ernstig wordt
beperkt of opgebouwde capaciteit wordt afgebroken, moet de wetgever aantonen
dat:
- een
voldoende zwaarwegend doel bestaat;
- de
maatregel noodzakelijk en evenredig is;
- de
gevolgen zorgvuldig zijn onderzocht;
- minder
bezwarende alternatieven zijn overwogen;
- de
minimumkern behouden blijft;
- kwetsbare
groepen niet onevenredig worden getroffen;
- zo
nodig overgangs- en compensatiemaatregelen worden getroffen.
Artikel 1d biedt hiervoor een algemeen constitutioneel
kader. De bijzondere sociale grondrechten bepalen vervolgens welk
beschermingsniveau en welke belangen in het concrete domein relevant zijn.
6 Geen algemene normen voor toegang, kwaliteit en betaalbaarheid
De huidige Grondwet erkent sociale voorzieningen, maar
formuleert geen algemene dimensies aan de hand waarvan hun daadwerkelijke
bescherming kan worden beoordeeld. Vooral toegankelijkheid, betaalbaarheid,
kwaliteit en continuïteit ontbreken als uitdrukkelijke constitutionele normen.
Toegankelijkheid betreft meer dan formele toelating.
Een voorziening moet juridisch, administratief, fysiek, geografisch, digitaal
en zonder discriminatie bereikbaar zijn.
Betaalbaarheid verlangt niet dat iedere voorziening
kosteloos is. Wel moeten premies, eigen bijdragen en bijkomende kosten zodanig
zijn ingericht dat mensen niet worden gedwongen essentiële zorg, huisvesting of
onderwijs op te geven.
Kwaliteit betekent dat een voorziening aan een
inhoudelijke minimumstandaard moet voldoen. Een onveilige woning, structureel
ontoereikende zorg of langdurig onvoldoende onderwijs kan niet als volledige
verwezenlijking van het betrokken grondrecht gelden.
Continuïteit verlangt bescherming tegen
ongerechtvaardigde onderbreking. Dit is relevant bij uitkeringen, langdurige
zorg, jeugdhulp, huisvesting en onderwijs.
Deze normen moeten niet voor ieder sociaal recht identiek
worden toegepast. In de zorg heeft kwaliteit een andere inhoud dan in het
onderwijs of de huisvesting. De algemene begrippen geven een gemeenschappelijke
structuur, terwijl sectorspecifieke wetgeving en professionele normen de inhoud
concretiseren.
7 Onvoldoende ordening van bestaanszekerheid, zorg, wonen en onderwijs
De huidige Grondwet maakt onvoldoende duidelijk hoe de
verschillende sociale grondrechten elkaar beïnvloeden. Artikel 20 richt zich
voornamelijk op financiële bestaanszekerheid en sociale zekerheid. Artikel 22
bundelt gezondheid, wonen en ontplooiing. Artikel 23 regelt het onderwijs
institutioneel. Een expliciete samenhang ontbreekt.
In werkelijkheid zijn deze rechten wederzijds afhankelijk.
Een inkomen is niet toereikend wanneer noodzakelijke zorg, huisvesting of
onderwijs onbetaalbaar is. Financiële ondersteuning biedt geen oplossing
wanneer de voorziening zelf niet beschikbaar is. Verlies van een woning kan
toegang tot uitkering, zorg en onderwijs bemoeilijken. Gezondheidsproblemen
kunnen leiden tot verlies van inkomen. Onderwijsachterstanden kunnen
toekomstige bestaansonzekerheid versterken.
De constitutionele systematiek moet daarom twee fouten
vermijden. Enerzijds mogen zorg, wonen en onderwijs niet volledig in artikel 20
worden opgenomen. Zij hebben een zelfstandige inhoud die niet tot financiële
ondersteuning kan worden gereduceerd. Anderzijds mogen de bijzondere rechten
niet los worden gezien van de financiële voorwaarden waaronder mensen ze kunnen
benutten.
De aanbevolen verdeling luidt:
- artikel
20: bestaanszekerheid, sociale zekerheid, sociale bijstand en
armoedebestrijding;
- artikel
22: gezondheid en toegang tot zorg;
- artikel
22a: behoorlijke huisvesting;
- artikel
22b: maatschappelijke en culturele ontplooiing;
- artikel
23: recht op onderwijs en vrijheid van onderwijs.
Bij de bepaling van het menswaardige bestaansminimum worden
noodzakelijke woon-, zorg- en onderwijskosten betrokken. De bijzondere
artikelen waarborgen vervolgens de beschikbaarheid, toegankelijkheid en
kwaliteit van de voorzieningen zelf.
8 Diffuse verantwoordelijkheid bij decentralisatie
Belangrijke sociale taken zijn verdeeld over Rijk,
gemeenten, zelfstandige bestuursorganen en regionale samenwerkingsverbanden.
Decentralisatie kan lokale afstemming, maatwerk en democratische betrokkenheid
bevorderen. Zij kan echter ook leiden tot onduidelijke verantwoordelijkheid,
verschillen in beschermingsniveau en financieringsproblemen.
Wanneer een gemeentelijke voorziening tekortschiet, kan de
gemeente wijzen op ontoereikende rijksmiddelen of dwingende landelijke
wetgeving. Het Rijk kan op zijn beurt verwijzen naar gemeentelijke beleids- en
uitvoeringsruimte. De burger blijft dan achter met een institutioneel conflict
waarop hij weinig invloed heeft.
De Grondwet moet daarom duidelijk maken dat taakverdeling de
grondrechtelijke verantwoordelijkheid niet opheft. Het Rijk moet voorzien in
toereikende wettelijke, financiële en institutionele voorwaarden. Gemeenten
moeten binnen hun bevoegdheden zorgen voor toegankelijke, zorgvuldige en
evenredige uitvoering. Beide niveaus zijn verantwoordelijk voor signalering en
herstel van stelselproblemen.
Daaraan moet een bekostigingsbeginsel worden verbonden:
overdracht of uitbreiding van taken moet gepaard gaan met middelen die
redelijkerwijs voldoende zijn om de constitutionele minimumverplichtingen uit
te voeren. Dit sluit gemeentelijke verantwoordelijkheid voor doelmatigheid en
prioritering niet uit, maar voorkomt dat grondrechten structureel worden
uitgehold door een mismatch tussen taken en middelen.
9 Diffuse verantwoordelijkheid bij private uitvoering
Zorgverzekeraars, zorgaanbieders, woningcorporaties,
verhuurders, schoolbesturen en andere private instellingen bepalen mede de
feitelijke toegang tot sociale grondrechten. Zij kunnen beslissingen nemen over
toelating, contractering, zorgverlening, woonzekerheid, onderwijsondersteuning
en kwaliteit.
De overheid kan zich niet aan haar positieve verplichtingen
onttrekken door deze taken privaat te organiseren. Zij moet private
machtsuitoefening reguleren wanneer:
- betrokkenen
sterk afhankelijk zijn;
- de
dienst essentieel is;
- weinig
alternatieven bestaan;
- de
private partij een dominante positie heeft;
- uitsluiting
ernstige of langdurige gevolgen heeft.
Artikel 1a moet daarom een horizontale beschermingsopdracht
bevatten. Deze maakt niet alle sociale grondrechten automatisch en volledig
rechtstreeks toepasselijk tussen private partijen. Zij verplicht de wetgever
wel passende waarborgen te creëren, zoals toelatingsnormen, kwaliteitseisen,
toezicht, klachtenprocedures en effectieve rechtsbescherming.
Ook moet duidelijk zijn welke organisatie
eindverantwoordelijk is wanneer verschillende private en publieke partijen naar
elkaar verwijzen. Contractuele taakverdeling mag niet tot gevolg hebben dat
niemand aanspreekbaar is op de uiteindelijke toegang tot een essentiële
voorziening.
10 Onvoldoende bescherming tegen keten- en systeemfouten
De huidige rechtsbescherming is voornamelijk gericht op
afzonderlijke besluiten. Zij is minder geschikt voor fouten die ontstaan in
gegevensketens of door samenloop van meerdere regelingen. Een onjuist gegeven
kan door UWV, SVB, Dienst Toeslagen en gemeenten worden gebruikt. Een
beslissing van de ene organisatie kan gevolgen hebben voor aanspraken bij
andere organisaties.
Wanneer iedere instantie uitsluitend verantwoordelijk is
voor haar eigen besluit, moet de burger meerdere procedures voeren om één
onderliggende fout te herstellen. Ook kan onduidelijk zijn wie bevoegd is
voorlopige bescherming te bieden.
Een samenhangend grondrechtenstelsel moet daarom voorzien
in:
- bronverantwoordelijkheid
voor gegevens;
- doorwerking
van correcties;
- coördinatie
tussen instellingen;
- één
herkenbaar aanspreekpunt bij complexe gevallen;
- beoordeling
van cumulatieve effecten;
- herstel
bij ketenfouten;
- structurele
remedies bij terugkerende systeemproblemen.
Het voorgestelde recht op behoorlijk bestuur vult de sociale
grondrechten hier aan. Artikel 20 bepaalt welke bestaansondergrens moet worden
beschermd; het recht op behoorlijk bestuur stelt eisen aan de institutionele
wijze waarop dit gebeurt.
11 Constitutionele consequentie
De gezamenlijke lacunes tonen aan dat aanvulling van artikel
20 alleen onvoldoende is. Een individueel recht op een bestaansminimum kan
acute financiële nood beschermen, maar lost tekortschietende zorgcapaciteit,
woningtekorten, onderwijsuitsluiting en institutionele versnippering niet
zelfstandig op.
Daarom is een samenhangend hervormingspakket nodig dat
bestaat uit:
- een
algemene grondrechtensystematiek in de artikelen 1a–1d;
- een
gelaagd recht op bestaanszekerheid in artikel 20;
- zelfstandige
rechten op zorg en behoorlijke huisvesting;
- versterking
van het individuele recht op onderwijs;
- een
recht op behoorlijk bestuur;
- effectieve
toegang tot de rechter;
- constitutionele
toetsing van formele wetgeving;
- structurele
en individuele remedies;
- constitutionele
waarborgen voor decentralisatie en toereikende financiering.
De rechter hoeft daarmee niet de verzorgingsstaat te
ontwerpen of politieke begrotingskeuzes over te nemen. Zijn taak is te bewaken
dat de minimumkern, non-discriminatie, redelijkheid, non-regressie en
effectieve toegang worden geëerbiedigd. Wetgever en bestuur behouden de
primaire verantwoordelijkheid voor de inrichting en financiering van de sociale
instituties.
12 Conclusie
De huidige sociale grondrechten maken zichtbaar dat
bestaanszekerheid, gezondheid, wonen en onderwijs publieke
verantwoordelijkheden zijn. Zij bieden echter onvoldoende juridische structuur
om te beoordelen of deze verantwoordelijkheden daadwerkelijk worden vervuld. De
bepalingen zijn onderling verschillend, voornamelijk programmatisch en beperkt
verbonden met individuele rechtsbescherming.
Een modern sociaalgrondrechtelijk stelsel moet daarom:
- onmiddellijk
te beschermen minimumverplichtingen formuleren;
- geleidelijke
verwezenlijking structureren;
- substantiële
achteruitgang rechtvaardigingsplichtig maken;
- toegang,
betaalbaarheid, kwaliteit en continuïteit normeren;
- algemene
en bijzondere sociale rechten op elkaar afstemmen;
- verantwoordelijkheid
zichtbaar houden binnen gedecentraliseerde en geprivatiseerde stelsels;
- effectief
herstel bij individuele, keten- en systeemfouten mogelijk maken.
Daarmee worden sociale grondrechten niet onbeperkt of
absoluut. Zij worden wel coherent, toetsbaar en corrigeerbaar. Dat is
noodzakelijk om te verzekeren dat bestaanszekerheid niet uitsluitend een
politieke belofte blijft, maar een constitutionele voorwaarde vormt voor
menselijke waardigheid, autonomie en gelijkwaardige deelname aan de
samenleving.
Internationaal en rechtsvergelijkend
perspectief
1 Algemene sociale bescherming en bestaansminimum
Het internationale recht erkent bestaanszekerheid niet als
één afzonderlijk en uniform omschreven recht. De bescherming is opgebouwd uit
verschillende, onderling samenhangende rechten op sociale zekerheid, sociale
bijstand, een behoorlijke levensstandaard en bescherming tegen armoede en
sociale uitsluiting. Uit deze normen kan een gelaagd model worden afgeleid:
bepaalde verplichtingen gelden onmiddellijk, terwijl een hoger
beschermingsniveau geleidelijk mag worden verwezenlijkt. Deze structuur biedt
belangrijke aanknopingspunten voor de voorgestelde herziening van artikel 20.
1.1. Het recht op sociale zekerheid
Artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake economische,
sociale en culturele rechten (IVESCR) erkent het recht van eenieder op sociale
zekerheid, met inbegrip van sociale verzekering. Het recht omvat bescherming
tegen sociale risico’s die tot verlies van inkomen, hogere noodzakelijke
uitgaven of een gebrek aan voldoende middelen van bestaan kunnen leiden.
Daarbij kan worden gedacht aan ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid,
ouderdom, arbeidsongevallen, zwangerschap, ouderschap en het overlijden van een
kostwinner.
Volgens het VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele
Rechten moet een socialezekerheidsstelsel niet alleen formeel bestaan, maar ook
daadwerkelijk beschikbaar, toegankelijk en toereikend zijn. De dekking moet
voldoende breed zijn, de voorwaarden moeten redelijk, evenredig en transparant
zijn en uitkeringen moeten tijdig worden verstrekt. Ook moeten betrokkenen
toegang hebben tot informatie, bezwaar en effectief rechtsherstel. Het recht op
sociale zekerheid omvat daarmee zowel materiële aanspraken als institutionele
en procedurele waarborgen[3].
Het recht verplicht staten niet tot één bepaald stelsel.
Bescherming kan worden georganiseerd via sociale verzekeringen, algemene
voorzieningen, inkomensafhankelijke bijstand, publieke diensten of een
combinatie daarvan. De staat behoudt dus ruimte om de institutionele vorm,
financiering en voorwaarden vast te stellen. Die ruimte wordt echter begrensd
door eisen van toegankelijkheid, toereikendheid, non-discriminatie en
bescherming van de menselijke waardigheid.
1.2. Het recht op een behoorlijke levensstandaard
Artikel 11 IVESCR erkent het recht van eenieder op een
behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en het gezin, met inbegrip van
voldoende voeding, kleding en huisvesting, en op een voortdurende verbetering
van de levensomstandigheden. Deze bepaling verbindt inkomensbescherming met de
feitelijke toegang tot de goederen en voorzieningen die voor een menswaardig
bestaan noodzakelijk zijn.
Een bestaansminimum kan daarom niet uitsluitend worden
vastgesteld aan de hand van een abstract inkomensbedrag. De toereikendheid
ervan is mede afhankelijk van de werkelijke kosten van huisvesting, energie,
voeding, zorg, vervoer, communicatie en maatschappelijke deelname. Een formeel
inkomen boven een wettelijk minimum biedt niet noodzakelijk een behoorlijke
levensstandaard wanneer hoge vaste lasten of onvoldoende beschikbare
voorzieningen de feitelijke toegang tot essentiële levensbehoeften verhinderen.
Artikel 11 heeft bovendien een dynamisch karakter. De
verwijzing naar voortdurende verbetering betekent dat staten niet alleen acute
tekorten moeten bestrijden, maar ook structurele voorwaarden moeten scheppen
waaronder mensen duurzaam aan armoede en sociale uitsluiting kunnen ontsnappen.
Sociale bescherming moet daarom meer omvatten dan noodhulp. Zij moet eveneens
bijdragen aan zekerheid, ontwikkeling en maatschappelijke participatie.
1.3. Onmiddellijke verplichtingen en geleidelijke verwezenlijking
Artikel 2, eerste lid, IVESCR verplicht staten om met
gebruikmaking van het maximum van hun beschikbare middelen maatregelen te
treffen teneinde de erkende rechten geleidelijk volledig te verwezenlijken. Het
begrip geleidelijke verwezenlijking erkent dat volledige sociale bescherming
afhankelijk kan zijn van institutionele opbouw, uitvoeringscapaciteit en
financiële middelen. Het mag echter niet worden uitgelegd als een algemene
bevoegdheid om maatregelen voor onbepaalde tijd uit te stellen.
Het VN-Comité maakt daarom onderscheid tussen onmiddellijke
en geleidelijk te verwezenlijken verplichtingen. Tot de onmiddellijke
verplichtingen behoren in ieder geval:
- het
verbod van discriminatie;
- de
plicht om concrete, doelgerichte en controleerbare maatregelen te treffen;
- het
voorkomen van maatregelen die sociale rechten zonder voldoende
rechtvaardiging uithollen;
- het
waarborgen van een essentiële minimumkern;
- het
beschikbaar stellen van effectieve procedures om aanspraken geldend te
maken.
De verdere uitbreiding en verbetering van sociale
bescherming kan geleidelijk plaatsvinden. Ook daarbij moet echter aantoonbare
voortgang worden geboekt. Louter algemene beleidsvoornemens zijn onvoldoende.
Maatregelen moeten voldoende bepaald zijn, binnen een redelijke termijn worden
uitgevoerd en periodiek worden geëvalueerd op bereik, toegankelijkheid en
effectiviteit[4].
Dit onderscheid sluit aan bij het voorgestelde gelaagde
karakter van artikel 20. Het menswaardige bestaansminimum vormt een
onmiddellijk te eerbiedigen ondergrens. Een hoger niveau van sociale zekerheid
en maatschappelijke participatie kan door middel van geleidelijke
verwezenlijking worden ontwikkeld.
1.4. Minimumkernverplichtingen
De leer van de minimumkernverplichtingen houdt in dat iedere
staat ten minste een essentieel niveau van ieder sociaal grondrecht moet
waarborgen. Voor bestaanszekerheid betreft dit bescherming tegen ernstige
materiële ontbering en toegang tot voorzieningen die noodzakelijk zijn voor
leven, gezondheid, lichamelijke integriteit en menselijke waardigheid.
De minimumkern is geen volledig uitgewerkt
sociaalzekerheidsprogramma. Zij fungeert als uiterste constitutionele
ondergrens. Mensen mogen door overheidshandelen of -nalaten niet worden beroofd
van voeding, onderdak, noodzakelijke zorg, elementaire bestaansmiddelen en de
mogelijkheid aan de samenleving deel te nemen. Deze ondergrens heeft ook
betekenis bij sanctionering, terugvordering, verrekening en beslag. De overheid
kan voorwaarden aan sociale aanspraken verbinden, maar mag de toepassing
daarvan niet laten uitmonden in voorzienbare en vermijdbare mensonwaardige
ontbering.
De precieze inhoud van de minimumkern is contextafhankelijk.
Zij moet worden vastgesteld aan de hand van de kosten van noodzakelijke
levensbehoeften, de samenstelling en omstandigheden van het huishouden,
bijzondere kosten wegens ziekte of beperking en de beschikbaarheid van publieke
voorzieningen. Dat vereist periodieke, onafhankelijke en empirisch onderbouwde
beoordeling. De Grondwet hoeft het concrete bedrag niet vast te leggen, maar
moet wel de norm stellen waaraan wetgeving, uitvoering en actualisering worden
getoetst.
1.5. Concrete en doelgerichte maatregelen
De verplichting tot geleidelijke verwezenlijking verlangt
dat de overheid daadwerkelijk beleid ontwikkelt en uitvoert. Van belang zijn
niet alleen de toegekende middelen, maar ook de geschiktheid, samenhang en
bereikbaarheid van maatregelen. Een sociaal stelsel dat op papier ruime
aanspraken biedt, maar door administratieve complexiteit, niet-gebruik,
gebrekkige gegevensuitwisseling of lange beslistermijnen grote groepen niet
bereikt, voldoet niet zonder meer aan deze verplichting.
Concrete en doelgerichte maatregelen kunnen bestaan uit
wetgeving, voldoende financiering, toegankelijke aanvraagprocedures,
automatische of ambtshalve toekenning, voorlichting, gegevenscorrectie,
onafhankelijke monitoring en effectieve rechtsbescherming. Daarbij moet
bijzondere aandacht uitgaan naar groepen die een verhoogd risico lopen op
armoede, uitsluiting of niet-gebruik van voorzieningen.
Het vereiste van doelgerichtheid betekent tevens dat
maatregelen op hun feitelijke effecten moeten worden beoordeeld. Een algemene
regeling die structureel ontoegankelijk blijkt voor mensen met beperkte
digitale, talige of administratieve vaardigheden, kan aanpassing vereisen, ook
wanneer zij formeel voor iedereen gelijk is.
1.6. Maximaal beschikbare middelen
De verwijzing naar het maximum van de beschikbare middelen
brengt tot uitdrukking dat financiële en bestuurlijke capaciteit relevant zijn,
maar niet als algemene ontsnappingsgrond kunnen dienen. Een staat die zich op
een gebrek aan middelen beroept, moet inzichtelijk maken welke middelen
beschikbaar waren, welke prioriteiten zijn gesteld, welke alternatieven zijn
onderzocht en waarom minder beperkende keuzes niet mogelijk waren.
Daarbij gaat het niet alleen om de omvang van de begroting.
Ook belastingcapaciteit, institutionele doelmatigheid, de verdeling van
publieke middelen en de mogelijkheid om kwetsbare groepen te ontzien zijn
relevant. Budgettaire schaarste kan de snelheid en wijze van verwezenlijking
beïnvloeden, maar rechtvaardigt niet zonder meer dat de minimumkern wordt
aangetast of dat bescherming discriminerend wordt verdeeld.
Voor de Nederlandse Grondwet ligt het niet voor de hand de
rechter een algemene bevoegdheid te geven om begrotingsprioriteiten vast te
stellen. Wel kan constitutionele toetsing verlangen dat de wetgever zijn keuzes
zorgvuldig motiveert, betrouwbare informatie gebruikt, kwetsbare groepen
herkenbaar meeweegt en geen disproportionele aantasting van het bestaansminimum
veroorzaakt.
1.7. Non-discriminatie als onmiddellijke verplichting
Het discriminatieverbod geldt onder het IVESCR onmiddellijk
en onafhankelijk van het beschikbare middelenniveau. Sociale bescherming moet
zonder verboden onderscheid toegankelijk zijn. Dit betreft niet alleen direct
onderscheid, maar ook ogenschijnlijk neutrale voorwaarden die bepaalde groepen
feitelijk bijzonder benadelen.
Verschillen in behandeling kunnen onder omstandigheden
gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld wanneer zij berusten op premiebetaling,
arbeidsverleden of de aard van een sociaal risico. Zij moeten echter een
objectieve en redelijke rechtvaardiging hebben. Bij het menswaardige
bestaansminimum is de ruimte voor uitsluiting geringer, omdat daar de
bescherming van elementaire menselijke waardigheid centraal staat.
Verblijfsstatus kan relevant zijn voor bepaalde verdergaande aanspraken, maar
kan niet zonder meer rechtvaardigen dat noodzakelijke bescherming geheel wordt
onthouden.
Non-discriminatie kan bovendien positieve maatregelen
verlangen. Wanneer bepaalde groepen sociale bescherming structureel niet
bereiken, kan de overheid gehouden zijn de regeling, informatievoorziening of
uitvoering aan hun feitelijke positie aan te passen.
1.8. Regressieve maatregelen
Het IVESCR sluit verlagingen of hervormingen van sociale
bescherming niet categorisch uit. Wel geldt volgens het VN-Comité een sterk
vermoeden tegen doelbewust regressieve maatregelen. Wanneer een staat een
bereikt beschermingsniveau substantieel verlaagt, moet hij aantonen dat de
maatregel zorgvuldig is afgewogen, noodzakelijk is en gerechtvaardigd kan
worden in het licht van alle verdragsrechten en de beschikbare middelen.
Relevant zijn onder meer de ernst en duur van de
achteruitgang, de gevolgen voor kwetsbare groepen, de vraag of de minimumkern
behouden blijft, de beschikbaarheid van minder belastende alternatieven en de
mate waarin betrokkenen bij de besluitvorming zijn gehoord. Een tijdelijke
bezuiniging tijdens een ernstige economische crisis kan anders worden
beoordeeld dan een permanente afbouw zonder herstelperspectief.
Dit internationale kader ondersteunt de voorgestelde opname
van een afzonderlijk non-regressiebeginsel in artikel 1d. Het beginsel maakt
sociale wetgeving niet onveranderlijk, maar verzwaart de motiveringsplicht bij
een aanmerkelijke vermindering van het bereikte beschermingsniveau.
1.9. Het Europees Sociaal Handvest
Het herziene Europees Sociaal Handvest biedt een meer
uitgewerkt regionaal kader voor sociale bescherming. Artikel 12 verplicht
staten een stelsel van sociale zekerheid in stand te houden, dit op een
voldoende niveau te brengen en zich in te spannen voor een geleidelijke
verhoging van dat niveau. De bepaling combineert daarmee institutionele
continuïteit met progressieve ontwikkeling.
Artikel 13 beschermt het recht op sociale en medische
bijstand voor personen die niet over voldoende middelen beschikken en deze niet
door eigen inspanningen of andere uitkeringen kunnen verkrijgen. Bijstand mag
niet worden behandeld als een gunst waarvan de toekenning de politieke of
sociale rechten van de betrokkene vermindert. Het artikel verlangt bovendien
passende advisering en persoonlijke hulp ter voorkoming, opheffing of
verlichting van nood.
Artikel 14 betreft het recht gebruik te kunnen maken van
sociale dienstverlening. Deze bepaling maakt duidelijk dat sociale bescherming
niet uitsluitend uit financiële overdrachten bestaat. Ook toegankelijke
professionele ondersteuning, begeleiding en maatschappelijke dienstverlening
behoren tot een adequaat beschermingsstelsel.
Artikel 30 verplicht staten tot een alomvattende en
gecoördineerde aanpak van armoede en sociale uitsluiting. Maatregelen moeten de
daadwerkelijke toegang bevorderen tot onder meer werk, huisvesting, opleiding,
onderwijs, cultuur en sociale en medische bijstand. Daarmee wordt
bestaanszekerheid uitdrukkelijk verbonden met maatschappelijke participatie en
institutionele coördinatie. Het Europees Comité voor Sociale Rechten houdt via
rapportages en, voor staten die deze procedure hebben aanvaard, collectieve klachten
toezicht op de naleving. In zijn rechtspraak beoordeelt het Comité ook de
toereikendheid van sociale uitkeringen en bijstand, zoals blijkt uit zijn
oordeel over de Finse minimumbescherming. ECSR, Finnish Society of Social Rights tegen Finland
1.10 Artikel 34
EU-Handvest
Artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie erkent het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en
sociale diensten bij onder meer moederschap, ziekte, arbeidsongevallen,
afhankelijkheid, ouderdom en werkloosheid. Het derde lid erkent het recht op
sociale bijstand en huisvestingssteun om een waardig bestaan te verzekeren voor
personen die niet over voldoende middelen beschikken.
De constitutionele betekenis van artikel 34 moet zorgvuldig
worden afgebakend. Het Handvest bindt de lidstaten uitsluitend wanneer zij
binnen de werkingssfeer van het Unierecht handelen. Bovendien verwijst artikel
34 naar de voorwaarden die door het Unierecht en de nationale wetgeving en
praktijk worden gesteld. Niet ieder onderdeel verschaft daarom zonder nadere
concretisering een rechtstreeks afdwingbare aanspraak op een bepaalde uitkering
of een bepaald uitkeringsniveau.
Artikel 34 is niettemin relevant als Europees
interpretatiekader. In samenhang met het discriminatieverbod, menselijke
waardigheid, effectieve rechtsbescherming en het evenredigheidsbeginsel kan het
beperkingen stellen aan nationale maatregelen die onder het Unierecht vallen.
Voor een nationaal artikel 20 betekent dit dat de Grondwet een eigen algemene
beschermingsnorm kan formuleren die ook buiten de werkingssfeer van het
Unierecht geldt, met inachtneming van de voorrang en effectieve werking van dat
recht.
1.11. ILO-normen en de sociale beschermingsvloer
Binnen de Internationale Arbeidsorganisatie vormt Verdrag
nr. 102 betreffende minimumnormen van sociale zekerheid een belangrijk
referentiepunt. Het verdrag bevat minimumnormen voor verschillende sociale
risico’s, waaronder medische zorg, ziekte, werkloosheid, ouderdom,
arbeidsongevallen, gezinslasten, moederschap, invaliditeit en overlijden van
een kostwinner. Nederland ratificeerde dit verdrag in 1962.
Aanvullend ontwikkelt ILO-Aanbeveling nr. 202 betreffende
nationale sociale beschermingsvloeren een gelaagd model. Iedere staat behoort
ten minste een nationaal vastgestelde basisbescherming te waarborgen, bestaande
uit:
- toegang
tot essentiële gezondheidszorg;
- basisinkomenszekerheid
voor kinderen;
- basisinkomenszekerheid
voor mensen in de werkzame leeftijd die onvoldoende inkomen kunnen
verwerven;
- basisinkomenszekerheid
voor ouderen.
Deze vloer moet worden gecombineerd met strategieën om
geleidelijk hogere beschermingsniveaus voor zo veel mogelijk mensen te
realiseren. Leidende beginselen zijn onder meer universaliteit, sociale
solidariteit, toereikendheid en voorspelbaarheid van uitkeringen, eerbiediging
van de waardigheid van gerechtigden, non-discriminatie, transparant bestuur,
financiële duurzaamheid en toegankelijke klachten- en beroepsprocedures[5].
De sociale beschermingsvloer vormt daarmee geen uniform
mondiaal uitkeringsmodel. Staten bepalen zelf de institutionele vorm en het
concrete niveau, maar moeten waarborgen dat iedereen gedurende de levensloop
ten minste toegang heeft tot essentiële zorg en basisinkomenszekerheid. De
ILO-benadering verbindt minimumrechten bovendien met de duurzaamheid van het
stelsel: sociale bescherming moet financieel houdbaar zijn, maar financiële
houdbaarheid mag niet worden bereikt door de elementaire bescherming van mensen
prijs te geven.
1.12. Betekenis voor de constitutionele vormgeving
Uit deze internationale normen volgt geen verplichting om
alle sociale aanspraken volledig in de Grondwet vast te leggen. Zij
ondersteunen wel een constitutionele systematiek waarin vier lagen worden
onderscheiden.
Ten eerste moet een onmiddellijk te eerbiedigen menswaardig
bestaansminimum worden gewaarborgd. Ten tweede moet de overheid een
toegankelijk, toereikend, samenhangend en bestendig socialebeschermingsstelsel
in stand houden. Ten derde moet zij concrete en doelgerichte maatregelen
treffen om armoede en sociale uitsluiting te verminderen en een hoger
beschermingsniveau geleidelijk te verwezenlijken. Ten vierde moet substantiële
achteruitgang zorgvuldig worden gerechtvaardigd en mag zij de minimumkern niet aantasten.
Deze structuur biedt ruimte voor democratische keuzes over
hoogte, financiering en uitvoeringsvorm, maar voorkomt dat bestaanszekerheid
uitsluitend afhankelijk blijft van wisselende politieke prioriteiten. Het
internationale recht ondersteunt daarmee een herzien artikel 20 dat niet één
onveranderlijk sociaal model constitutioneert, maar wel een menswaardige
ondergrens, een institutionele zorgplicht en een controleerbare
ontwikkelingsrichting vastlegt.
2. Gezondheid en zorg
Het internationale recht benadert gezondheid niet
uitsluitend als de afwezigheid van ziekte of als toegang tot medische
behandeling. Het recht op gezondheid omvat tevens de maatschappelijke,
economische en ecologische voorwaarden waaronder mensen een zo goed mogelijke
gezondheid kunnen bereiken. Daartoe behoren onder meer bestaanszekerheid,
gezonde voeding, behoorlijke huisvesting, schoon water, sanitaire
voorzieningen, een gezonde leefomgeving, veilige arbeidsomstandigheden en
toegang tot betrouwbare gezondheidsinformatie. Het recht op gezondheid vormt
daarmee een verbindende norm tussen sociale bescherming, publieke
gezondheidszorg en individuele toegang tot noodzakelijke zorg.
Deze brede benadering betekent niet dat de overheid kan
garanderen dat ieder mens gezond blijft. Gezondheid wordt mede bepaald door
biologische omstandigheden, individuele kwetsbaarheid en factoren waarop de
overheid slechts beperkt invloed heeft. Het recht betreft daarom niet een recht
om gezond te zijn, maar een aanspraak op de voorzieningen, goederen, diensten
en omstandigheden die mensen een gelijkwaardige mogelijkheid bieden het hoogst
haalbare niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid te bereiken.
2.1. Artikel 12 IVESCR
Artikel 12 IVESCR erkent het recht van eenieder op het genot
van het hoogst haalbare niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid. De
bepaling verplicht staten onder meer maatregelen te treffen ter vermindering
van kindersterfte, verbetering van de milieu- en arbeidshygiëne, voorkoming en
bestrijding van epidemische, endemische, beroeps- en andere ziekten en het
scheppen van voorwaarden die bij ziekte medische hulp en verzorging waarborgen.
De woorden “het hoogst haalbare niveau” brengen twee
begrenzingen tot uitdrukking. Enerzijds bestaat geen resultaatsverplichting om
ieder individu een goede gezondheid te garanderen. Anderzijds kan de overheid
niet volstaan met het beschikbaar stellen van een willekeurig minimumniveau aan
zorg. Zij moet, rekening houdend met haar institutionele, wetenschappelijke en
financiële mogelijkheden, aantoonbaar streven naar een zo hoog mogelijk
beschermingsniveau.
Volgens het VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele
Rechten omvat artikel 12 zowel vrijheden als aanspraken. Tot de vrijheden
behoren lichamelijke en geestelijke integriteit, zeggenschap over het eigen
lichaam, vrije en geïnformeerde toestemming voor medische behandeling en
bescherming tegen gedwongen of discriminerende medische interventies. Tot de
aanspraken behoren toegang tot een stelsel van gezondheidsbescherming,
preventieve zorg, behandeling, geneesmiddelen, revalidatie en palliatieve zorg[6].
Het recht op gezondheid omvat verplichtingen tot
eerbiediging, bescherming en verwezenlijking. De overheid moet zich onthouden
van ongerechtvaardigde inmenging in lichamelijke integriteit en toegang tot
zorg. Zij moet mensen beschermen tegen schadelijk of discriminerend handelen
door zorgaanbieders, verzekeraars, werkgevers en andere private partijen.
Daarnaast moet zij een wettelijk, financieel en organisatorisch stelsel
inrichten dat preventie en noodzakelijke zorg daadwerkelijk beschikbaar en
toegankelijk maakt.
Evenals andere sociale rechten kent het recht op gezondheid
onmiddellijke en geleidelijk te verwezenlijken verplichtingen. Het
discriminatieverbod, de bescherming tegen willekeurige ontzegging van
noodzakelijke zorg en de verplichting concrete en doelgerichte maatregelen te
treffen, gelden onmiddellijk. Ook behoort een essentiële minimumkern te worden
gewaarborgd. Deze omvat ten minste niet-discriminerende toegang tot essentiële
eerstelijnszorg, noodzakelijke geneesmiddelen, spoedeisende hulp, essentiële geestelijke
gezondheidszorg en maatregelen tegen ernstige bedreigingen van de
volksgezondheid.
Ruimere verbetering van capaciteit, behandelmethoden,
regionale spreiding en kwaliteit kan geleidelijk plaatsvinden. Ook daarbij moet
de overheid echter aantonen dat zij daadwerkelijk voortgang boekt. Langdurige
en voorzienbare tekorten aan personeel, voorzieningen of behandelcapaciteit
kunnen niet onbeperkt worden gerechtvaardigd met een algemene verwijzing naar
schaarste.
2.2. Artikel 11 Europees Sociaal Handvest
Artikel 11 van het herziene Europees Sociaal Handvest
verplicht staten passende maatregelen te nemen om de oorzaken van een slechte
gezondheid zo veel mogelijk weg te nemen, advisering en voorlichting ter
bevordering van de gezondheid aan te bieden en epidemische, endemische en
andere ziekten en ongevallen zo veel mogelijk te voorkomen. De bepaling legt
daarmee sterk de nadruk op volksgezondheid en preventie.
Het Europees Comité voor Sociale Rechten betrekt bij zijn
beoordeling onder meer de beschikbaarheid en toegankelijkheid van
gezondheidszorg, de kwaliteit van publieke gezondheidsvoorzieningen,
vaccinatiebeleid, gezondheidsvoorlichting, moeder- en kindzorg, geestelijke
gezondheidszorg en maatregelen tegen milieu- en beroepsgerelateerde
gezondheidsrisico’s. De overheid moet gezondheidsrisico’s actief volgen en op
basis van betrouwbare wetenschappelijke informatie passende maatregelen
treffen.
Artikel 11 staat niet op zichzelf. Artikel 13 van het
Handvest beschermt de toegang tot sociale en medische bijstand voor personen
zonder voldoende middelen. Artikel 15 betreft de zelfstandigheid en
maatschappelijke participatie van personen met een beperking. Artikel 23
beschermt ouderen en artikel 30 verlangt een gecoördineerde aanpak van armoede
en sociale uitsluiting. Gezondheidsbescherming wordt hierdoor verbonden met
inkomen, wonen, sociale dienstverlening, zelfstandigheid en participatie.
De rechtspraak van het Europees Comité onderstreept dat
gezondheidszorg een voorwaarde vormt voor menselijke waardigheid. Bijzondere
aandacht is vereist voor mensen die door armoede, handicap, migratiestatus,
leeftijd of institutionele afhankelijkheid moeilijk toegang tot zorg hebben.
Het Comité heeft bijvoorbeeld geoordeeld dat langdurige tekortkomingen in de
toegang tot zorg voor personen met een beperking een schending van artikel 11
kunnen opleveren[7].
2.3. Artikel 35 EU-Handvest
Artikel 35 van het EU-Handvest bepaalt dat eenieder recht
heeft op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging
onder de voorwaarden die in nationale wetgeving en praktijken zijn gesteld.
Daarnaast moet bij de bepaling en uitvoering van al het beleid en optreden van
de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid worden
verzekerd.
De bepaling bevat zowel een individuele als een
institutionele dimensie. De individuele dimensie betreft toegang tot preventie
en behandeling. De institutionele dimensie verlangt dat gezondheidsbescherming
in alle relevante beleidsterreinen wordt geïntegreerd. Dit betreft niet alleen
gezondheidsbeleid in enge zin, maar bijvoorbeeld ook milieu, voedselveiligheid,
arbeidsomstandigheden, geneesmiddelen, gegevensverwerking,
consumentenbescherming en digitale technologie.
Artikel 35 verschaft geen onvoorwaardelijke aanspraak op
iedere beschikbare medische behandeling. De verwijzing naar nationale wetgeving
en praktijken laat ruimte voor de inrichting en financiering van nationale
zorgstelsels, de vaststelling van verzekerde pakketten en de prioritering van
schaarse capaciteit. Deze beoordelingsruimte wordt echter begrensd door andere
bepalingen van het Handvest, waaronder menselijke waardigheid, lichamelijke
integriteit, non-discriminatie, bescherming van kinderen en personen met een
beperking en effectieve rechtsbescherming.
Voor Nederland is bovendien van belang dat het EU-Handvest
de lidstaten alleen bindt wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen of
anderszins binnen de werkingssfeer daarvan handelen. Een nationaal grondrecht
op gezondheid en zorg heeft daarom zelfstandige betekenis. Het kan ook
bescherming bieden in situaties waarin geen voldoende nauwe verbinding met het
Unierecht bestaat.
2.4. Het recht op gezondheid van kinderen
Artikel 24 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten
van het kind erkent het recht van ieder kind op het hoogst haalbare niveau van
gezondheid en op voorzieningen voor behandeling en herstel. Staten moeten
ernaar streven dat geen enkel kind het recht op toegang tot gezondheidszorg
wordt onthouden. De bepaling verlangt onder meer noodzakelijke medische hulp,
versterking van de eerstelijnszorg, bestrijding van ziekte en ondervoeding,
schoon drinkwater, pre- en postnatale zorg en gezondheidsvoorlichting.
Het kinderrechtenperspectief voegt verschillende elementen
toe aan de algemene gezondheidsnorm. Bij maatregelen die kinderen raken, moet
hun belang een eerste overweging vormen. Kinderen moeten in overeenstemming met
hun leeftijd en ontwikkeling worden geïnformeerd en gehoord. Gezondheidszorg
moet aansluiten bij hun lichamelijke, psychische en sociale ontwikkeling en
bijzondere aandacht besteden aan preventie, vroege signalering en de gevolgen
van armoede, geweld, verwaarlozing, ongezonde huisvesting en milieuschade.
Het recht van kinderen op gezondheid is bovendien nauw
verbonden met hun recht op leven en ontwikkeling, sociale zekerheid en een
toereikende levensstandaard. Een tekort aan passende jeugdzorg, geestelijke
gezondheidszorg of ondersteuning bij een beperking raakt daarom niet alleen de
toegang tot zorg, maar kan hun verdere ontwikkeling en toekomstige
zelfstandigheid structureel beïnvloeden.
Wanneer een kind buiten het gezin wordt geplaatst of
langdurig in een zorginstelling verblijft, rust op de overheid een verzwaarde
verantwoordelijkheid. Zij moet toezicht houden op de noodzaak en kwaliteit van
de plaatsing en periodiek beoordelen of de behandeling, begeleiding en
verblijfsomstandigheden nog passend zijn. Institutionele afhankelijkheid mag er
niet toe leiden dat de stem, integriteit of ontwikkelingsbelangen van het kind
uit beeld verdwijnen. Het VN-Comité voor de Rechten van het Kind benadrukt
daarbij non-discriminatie, het belang van het kind, het recht te worden gehoord
en de samenhang tussen gezondheid en sociale omstandigheden[8].
2.5. Het recht op gezondheid van personen met een beperking
Artikel 25 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen
met een handicap erkent het recht van personen met een beperking op het hoogst
haalbare niveau van gezondheid zonder discriminatie. Zij moeten op gelijke voet
toegang hebben tot hetzelfde aanbod, dezelfde kwaliteit en dezelfde standaard
van gratis of betaalbare gezondheidszorg als anderen. Daarnaast moeten
specifieke diensten beschikbaar zijn die verband houden met hun beperking,
waaronder vroege signalering en interventie en voorzieningen die verdere
beperkingen zoveel mogelijk voorkomen.
Het verdrag verlangt dat gezondheidsdiensten zo dicht
mogelijk bij de eigen gemeenschap beschikbaar zijn, ook in landelijke gebieden.
Zorgprofessionals moeten dezelfde kwaliteit van zorg bieden op basis van vrije
en geïnformeerde toestemming. Discriminatie door zorgaanbieders en verzekeraars
moet worden voorkomen. Zorg mag niet worden geweigerd op grond van een
beperking.
De betekenis van artikel 25 moet worden gelezen in samenhang
met onder meer toegankelijkheid, gelijkheid, persoonlijke autonomie,
lichamelijke integriteit, zelfstandig wonen en deelname aan de samenleving.
Toegang tot zorg veronderstelt daarom meer dan fysieke toegankelijkheid van een
gebouw. Ook informatie, communicatie, digitale systemen, medische apparatuur en
procedures moeten toegankelijk zijn. Waar nodig moeten redelijke aanpassingen
en ondersteuning bij besluitvorming worden geboden.
Bij personen met een verstandelijke of psychosociale
beperking vraagt het verdrag bijzondere aandacht voor autonomie en
geïnformeerde toestemming. Een medische diagnose of institutioneel verblijf
rechtvaardigt niet automatisch dat iemand de zeggenschap over zijn lichaam en
behandeling verliest. De overheid moet beschermen tegen dwang, misbruik,
verwaarlozing en het routinematig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen.
2.6. Beschikbaarheid, toegankelijkheid, aanvaardbaarheid en kwaliteit
Het VN-Comité concretiseert het recht op gezondheid aan de
hand van vier samenhangende criteria: beschikbaarheid, toegankelijkheid,
aanvaardbaarheid en kwaliteit. Deze criteria kunnen ook als fundament dienen
voor een Nederlands grondrecht op gezondheid en zorg.
Beschikbaarheid verlangt dat voldoende
gezondheidsvoorzieningen, goederen, diensten en programma’s aanwezig zijn. Dit
betreft onder meer eerstelijnszorg, ziekenhuizen, geestelijke gezondheidszorg,
geneesmiddelen, spoedzorg, preventie, revalidatie, palliatieve zorg,
gekwalificeerd personeel en een passende publieke gezondheidsinfrastructuur.
Beschikbaarheid moet niet alleen landelijk, maar ook regionaal en per zorgvorm
worden beoordeeld. Een voorziening die juridisch bestaat, maar wegens lange
wachtlijsten of personeelstekorten niet tijdig kan worden benut, is niet
volledig beschikbaar.
Toegankelijkheid kent ten minste vier dimensies:
- toegang
zonder discriminatie;
- fysieke
en geografische bereikbaarheid;
- financiële
betaalbaarheid;
- toegang
tot relevante en begrijpelijke informatie.
Digitale toegankelijkheid vormt daarbinnen een steeds
belangrijker onderdeel. Digitalisering kan de zorg verbeteren, maar mag geen
voorwaarde worden waardoor mensen met beperkte digitale vaardigheden, een
beperking of onvoldoende toegang tot apparatuur feitelijk worden uitgesloten.
Aanvaardbaarheid betekent dat zorg de medische ethiek,
menselijke waardigheid, privacy, vertrouwelijkheid en vrije en geïnformeerde
toestemming eerbiedigt. Zorg moet bovendien passend zijn voor verschillende
levensfasen, genders, religieuze of culturele achtergronden, zonder dat
culturele gevoeligheid wordt gebruikt om individuele autonomie of gelijkheid te
beperken.
Kwaliteit verlangt dat voorzieningen en behandelingen
wetenschappelijk en medisch verantwoord, veilig en professioneel worden
aangeboden. Dit omvat gekwalificeerd personeel, veilige geneesmiddelen en
hulpmiddelen, effectieve kwaliteitsbewaking, goede dossiervorming, continuïteit
van behandeling en procedures voor het melden, onderzoeken en herstellen van
fouten.
De vier criteria zijn onderling afhankelijk. Een behandeling
kan beschikbaar zijn, maar door hoge kosten ontoegankelijk. Zij kan betaalbaar
zijn, maar door een onredelijke reisafstand of wachttijd feitelijk
onbereikbaar. Zij kan bereikbaar zijn, maar door gebrekkige informatie,
discriminatie of gebrek aan toestemming onaanvaardbaar. Een uitsluitend formele
toegangsnorm is daarom onvoldoende.
2.7. Preventieve gezondheidszorg
Internationale gezondheidsnormen kennen preventie een
zelfstandige plaats toe. De overheid moet niet alleen reageren wanneer ziekte
is ontstaan, maar ook voorzienbare gezondheidsrisico’s voorkomen en
gezondheidsverschillen verkleinen. Preventie omvat onder meer vaccinatie,
bevolkingsonderzoek, vroege signalering, jeugdgezondheidszorg, prenatale en
postnatale zorg, gezondheidsvoorlichting en maatregelen tegen infectieziekten,
verslaving, beroepsziekten en milieuvervuiling.
Preventie heeft daarnaast een sociaal-institutionele
dimensie. Armoede, schulden, ongezonde huisvesting, luchtverontreiniging,
bestaansonzekerheid, onveilig werk, sociale isolatie en chronische stress
hebben rechtstreeks invloed op lichamelijke en geestelijke gezondheid. Een
constitutioneel recht op gezondheid kan daarom niet worden beperkt tot de
organisatie van medische zorg. Het verlangt tevens dat gezondheidsbelangen
herkenbaar worden betrokken bij sociaal, economisch, ruimtelijk en ecologisch
beleid.
Preventieve maatregelen kunnen zelf grondrechten beperken,
bijvoorbeeld bij vaccinatieverplichtingen, quarantaine, gegevensverwerking of
bevolkingsonderzoek. Zij moeten daarom berusten op een voldoende duidelijke
wettelijke grondslag en voldoen aan noodzakelijkheid, proportionaliteit,
wetenschappelijke onderbouwing en tijdelijkheid. Preventieve bescherming
legitimeert geen onbegrensde paternalistische overheidsmacht.
2.8. Financiële en geografische toegankelijkheid
Financiële toegankelijkheid betekent niet noodzakelijk dat
alle zorg kosteloos moet zijn. Eigen bijdragen, verzekeringspremies en
pakketbegrenzingen kunnen constitutioneel aanvaardbaar zijn. Zij mogen echter
niet tot gevolg hebben dat mensen noodzakelijke zorg uitstellen of vermijden,
of dat de kosten van ziekte hen onder het menswaardige bestaansminimum brengen.
Bij de beoordeling moeten de totale en cumulatieve lasten
worden betrokken. Een afzonderlijke eigen bijdrage kan beperkt lijken, maar
samen met premies, niet-vergoede geneesmiddelen, vervoer, hulpmiddelen en
inkomensverlies toch een onoverkomelijke drempel vormen. De bescherming van het
recht op zorg moet daarom worden verbonden met artikel 20 en het menswaardige
bestaansminimum.
Geografische toegankelijkheid verlangt dat essentiële zorg
binnen een redelijke afstand en termijn beschikbaar is. Niet iedere
gespecialiseerde behandeling hoeft lokaal te worden aangeboden, maar regionale
concentratie mag niet leiden tot structurele uitsluiting. Bij de spreiding van
zorg moeten reistijd, openbaar vervoer, spoedeisendheid, continuïteit en de
positie van mensen die niet zelfstandig kunnen reizen worden betrokken.
Dit heeft bijzondere betekenis voor krimpregio’s, de
Waddeneilanden en Caribisch Nederland. Formeel gelijke aanspraken kunnen daar
door afstand, schaal, personeelstekorten of afhankelijkheid van vervoer
feitelijk een andere betekenis hebben. Waar volledige lokale beschikbaarheid
niet uitvoerbaar is, kunnen alternatieve maatregelen nodig zijn, zoals vervoer,
verblijf, mobiele zorg, digitale ondersteuning met een niet-digitale
terugvaloptie en structurele samenwerking tussen regio’s.
2.9. Personen in institutionele of afhankelijke posities
Het recht op gezondheid vraagt om versterkte bescherming van
personen die niet zelfstandig een zorgaanbieder kunnen kiezen of zich moeilijk
aan een schadelijke situatie kunnen onttrekken. Dit betreft onder meer bewoners
van verpleeghuizen en zorginstellingen, psychiatrische patiënten, kinderen in
jeugdzorg, personen in detentie, asielzoekers in opvanglocaties en mensen die
intensief afhankelijk zijn van mantelzorg of professionele ondersteuning.
De overheid draagt in dergelijke situaties een verzwaarde
zorg- en toezichtsplicht. Zij moet niet alleen voldoende zorg financieren, maar
ook de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid ervan bewaken. Deze
verantwoordelijkheid blijft bestaan wanneer de zorg door private of
semipublieke instellingen wordt geleverd. Privatisering, decentralisatie of
contractering mag niet leiden tot diffuse verantwoordelijkheid voor
grondrechtenschendingen.
Bescherming omvat onder meer:
- vrije
en geïnformeerde toestemming;
- respect
voor lichamelijke en geestelijke integriteit;
- bescherming
tegen geweld, misbruik en verwaarlozing;
- terughoudendheid
met dwang, afzondering en fixatie;
- toegang
tot onafhankelijke klachten- en vertrouwenspersonen;
- periodieke
beoordeling van vrijheidsbeperkende maatregelen;
- continuïteit
van noodzakelijke behandeling;
- toegang
tot een onafhankelijke rechter;
- toezicht
op publieke én private zorgaanbieders.
Bij afhankelijkheid moet bovendien worden gewaakt voor
institutionele uitsluiting. Zorg mag mensen niet onnodig afzonderen van
familie, onderwijs, arbeid of samenleving. Het recht op gezondheid moet juist
bijdragen aan zelfstandigheid, maatschappelijke participatie en de mogelijkheid
het eigen leven vorm te geven.
2.10. Constitutionele betekenis
Het internationale kader ondersteunt een zelfstandige
constitutionele bescherming van gezondheid en toegang tot zorg. Een algemene
zorgplicht voor de volksgezondheid, zoals het huidige artikel 22 die kent, dekt
slechts een deel van deze normatieve inhoud. Zij maakt onvoldoende zichtbaar
dat individuen onder bepaalde omstandigheden een aanspraak hebben op toegang
tot noodzakelijke zorg en dat die zorg beschikbaar, toegankelijk, aanvaardbaar
en kwalitatief toereikend moet zijn.
Een herzien grondwetsartikel moet tegelijkertijd voorkomen
dat het recht wordt opgevat als een onbeperkte aanspraak op iedere behandeling.
De wetgever moet ruimte behouden om het zorgstelsel in te richten, verzekerde
aanspraken af te bakenen, schaarse capaciteit te verdelen en prioriteiten te
stellen. Constitutionele toetsing richt zich primair op de vraag of de
minimumkern wordt gewaarborgd, redelijke en passende maatregelen worden
getroffen, uitsluiting wordt voorkomen en gemaakte keuzes zorgvuldig, niet-discriminerend
en evenredig zijn.
Daaruit volgt een gelaagde norm. Onmiddellijk moeten ten
minste noodzakelijke zorg, non-discriminatie, menselijke waardigheid,
lichamelijke integriteit en effectieve toegang in urgente of ernstige situaties
worden beschermd. Een ruimer niveau van beschikbaarheid, regionale spreiding en
kwaliteit kan geleidelijk worden verwezenlijkt. Aanmerkelijke achteruitgang
moet overeenkomstig artikel 1d afzonderlijk worden gerechtvaardigd. Zo wordt
het recht op zorg verbonden met bestaanszekerheid, maar behoudt het een zelfstandige
constitutionele betekenis.
3. Huisvesting
3.1. Huisvesting
Het internationale recht beschouwt huisvesting niet
uitsluitend als een economisch goed of als een voorwerp van ruimtelijk en volkshuisvestelijk
beleid. Een woning is tevens de plaats waar het privé- en gezinsleven zich
ontwikkelt, waar lichamelijke en psychische veiligheid worden gevonden en van
waaruit mensen deelnemen aan onderwijs, arbeid en samenleving. Huisvesting
vormt daarom zowel een zelfstandig sociaal grondrecht als een noodzakelijke
voorwaarde voor de uitoefening van andere grondrechten.
Het recht op huisvesting moet worden onderscheiden van een
onvoorwaardelijk recht op een specifieke woning, op eigendom van een woning of
op huisvesting op iedere gewenste locatie. De internationale normen verplichten
de overheid wel een samenhangend stelsel te ontwikkelen dat toegang tot
behoorlijke huisvesting bevordert, dakloosheid voorkomt en vermindert,
kwetsbare personen beschermt en willekeurig of onevenredig woningverlies
tegengaat.
3.2. Artikel 11 IVESCR
Artikel 11, eerste lid, IVESCR erkent het recht van eenieder
op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en het gezin, met inbegrip van
behoorlijke voeding, kleding en huisvesting, en op een voortdurende verbetering
van de levensomstandigheden. Huisvesting wordt daarmee niet als een op zichzelf
staand consumptiegoed beschouwd, maar als onderdeel van de materiële
voorwaarden voor een menswaardig bestaan.
Volgens het VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele
Rechten moet het begrip behoorlijke huisvesting ruim worden uitgelegd. Het gaat
niet alleen om het hebben van een dak boven het hoofd. Mensen moeten kunnen
beschikken over een veilige en duurzame woonplek waar zij in vrede, veiligheid
en waardigheid kunnen leven. Het Comité onderscheidt zeven samenhangende
elementen:
- juridische
woonzekerheid;
- beschikbaarheid
van voorzieningen, materialen en infrastructuur;
- betaalbaarheid;
- bewoonbaarheid;
- toegankelijkheid;
- een
passende locatie;
- culturele
adequaatheid.
Deze elementen vormen geen volledig uitputtende lijst, maar
wel een internationaal erkend beoordelingskader[9].
Artikel 11 verplicht staten niet om iedere persoon
onmiddellijk een zelfstandige woning te verschaffen. Het verlangt wel dat zij
concrete, doelgerichte en samenhangende maatregelen treffen om het recht
geleidelijk te verwezenlijken. Daartoe kunnen behoren: regulering van huur- en
koopmarkten, sociale woningbouw, huur- en inkomensondersteuning, ruimtelijke
ordening, bescherming tegen discriminatie, bestrijding van leegstand en
speculatie, kwaliteitsregulering en opvang en begeleiding van dakloze personen.
Bepaalde verplichtingen gelden onmiddellijk. De overheid
moet discriminatie bij de toegang tot huisvesting bestrijden, bescherming
bieden tegen willekeurige of onrechtmatige huisuitzettingen en voorkomen dat
eigen handelen mensen zonder voldoende rechtvaardiging dakloos maakt. Ook moet
een minimum aan noodopvang en elementaire woonveiligheid worden gewaarborgd
voor personen die anders aan ernstige gezondheids- of veiligheidsrisico’s
worden blootgesteld.
De verplichting tot geleidelijke verwezenlijking laat ruimte
voor prioritering, maar verlangt aantoonbare voortgang. Een staat moet
beschikken over een voldoende samenhangende strategie, concrete doelstellingen,
betrouwbare gegevens, passende financiering en procedures om de effecten van
maatregelen te evalueren. Langdurige tekorten die voorzienbaar zijn en
kwetsbare groepen structureel treffen, kunnen niet uitsluitend met een algemene
verwijzing naar marktomstandigheden, bestuurlijke complexiteit of beperkte
bouwcapaciteit worden gerechtvaardigd.
3.3. Artikel 31 Europees Sociaal Handvest
Artikel 31 van het herziene Europees Sociaal Handvest bevat
een uitdrukkelijk recht op huisvesting. Staten verbinden zich ertoe maatregelen
te nemen die zijn gericht op:
- de
bevordering van de toegang tot huisvesting van voldoende kwaliteit;
- het
voorkomen en verminderen van dakloosheid, met het oog op de geleidelijke
uitbanning daarvan;
- het
betaalbaar maken van woonkosten voor personen die niet over voldoende
middelen beschikken.
De bepaling verbindt aldus drie dimensies: kwaliteit,
beschikbaarheid en betaalbaarheid. Het is niet voldoende dat woningen fysiek
bestaan wanneer zij ongeschikt, onveilig, ontoegankelijk of financieel
onbereikbaar zijn. Evenmin volstaat financiële ondersteuning wanneer er
structureel onvoldoende passende woonruimte beschikbaar is.
Het Europees Comité voor Sociale Rechten verlangt dat staten
juridische en praktische maatregelen treffen die binnen een redelijke termijn
meetbare vooruitgang kunnen opleveren. Overheden moeten middelen inzetten die
in een redelijke verhouding staan tot de omvang van de woonproblematiek,
statistieken verzamelen en bijzondere aandacht besteden aan groepen die het
zwaarst door woonnood worden getroffen. Het enkele bestaan van
beleidsprogramma’s is onvoldoende wanneer de uitvoering structureel achterblijft.
Behoorlijke huisvesting moet volgens het Comité onder meer
veilig en hygiënisch zijn, over essentiële voorzieningen beschikken, niet
overbevolkt zijn en voldoende woonzekerheid bieden. Ook moeten personen die met
huisuitzetting worden bedreigd bij wet geregelde bescherming en toegang tot
rechtsmiddelen hebben[10].
Het Handvest verlangt tevens een actief beleid tegen
dakloosheid. Noodopvang is noodzakelijk, maar vormt niet het einddoel.
Opvangvoorzieningen moeten veilig, toegankelijk en menswaardig zijn en gepaard
gaan met maatregelen die doorstroming naar duurzame huisvesting mogelijk maken.
Een stelsel waarin mensen langdurig rouleren tussen straat, tijdelijke opvang
en onzekere huisvesting voldoet niet aan de doelstelling dakloosheid
geleidelijk uit te bannen.
Voor Nederland is artikel 31 bijzonder relevant, omdat het
herziene Europees Sociaal Handvest vrijwel geheel is aanvaard. Het Handvest
geldt volgens de registratie van de Raad van Europa voor het Koninkrijk in
Europa; voor de andere delen van het Koninkrijk en Caribisch Nederland gelden
afwijkende verdragsrechtelijke verhoudingen die bij de constitutionele
uitwerking afzonderlijk moeten worden behandeld.
3.4. Artikel 27 IVRK
Artikel 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten
van het kind erkent het recht van ieder kind op een levensstandaard die
toereikend is voor zijn lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en
maatschappelijke ontwikkeling. Ouders dragen binnen hun mogelijkheden primair
verantwoordelijkheid voor de levensomstandigheden van het kind, maar de
overheid moet hen daarbij ondersteunen. Waar nodig moet materiële bijstand
worden geboden, in het bijzonder met betrekking tot voeding, kleding en huisvesting.
Het recht op huisvesting van kinderen moet worden gelezen in
samenhang met het belang van het kind, het recht op ontwikkeling, het recht op
gezondheid en het recht op onderwijs. Onzekere of ontoereikende huisvesting kan
leiden tot gezondheidsproblemen, ontwikkelingsschade, schooluitval, sociale
uitsluiting en verlies van veiligheid en vertrouwde relaties. Dakloosheid of
herhaalde verhuizingen raken kinderen daardoor anders en vaak ernstiger dan
volwassenen.
Bij besluiten die kunnen leiden tot woningverlies moet het
belang van aanwezige kinderen daarom uitdrukkelijk en individueel worden
vastgesteld. Een algemene verwijzing naar handhaving, contractuele
verplichtingen of eigen verantwoordelijkheid van ouders is onvoldoende.
Onderzocht moet worden welke gevolgen woningverlies voor het kind heeft, of
minder ingrijpende alternatieven beschikbaar zijn en welke opvang of
vervangende huisvesting kan worden geboden.
Daaruit volgt niet dat de aanwezigheid van kinderen iedere
huisuitzetting onmogelijk maakt. Wel verhoogt zij de vereiste zorgvuldigheid en
de intensiteit van de evenredigheidsbeoordeling. De overheid mag kinderen niet
zonder een concreet beschermingsplan blootstellen aan voorzienbare dakloosheid,
onveiligheid of ernstige verstoring van hun ontwikkeling.
3.5. Artikel 28 VN-Verdrag handicap
Artikel 28 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen
met een handicap erkent het recht van personen met een beperking en hun
gezinnen op een behoorlijke levensstandaard, waaronder behoorlijke huisvesting,
en op voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden. Staten moeten dit
recht zonder discriminatie verwezenlijken en personen met een beperking toegang
bieden tot sociale bescherming en publieke huisvestingsprogramma’s.
De verplichting betreft niet uitsluitend gelijke formele
toegang. Woningen, wooncomplexen, informatievoorziening, aanvraagprocedures en
woonomgevingen moeten feitelijk toegankelijk zijn. Waar nodig moeten redelijke
aanpassingen worden getroffen. Daarbij kan worden gedacht aan fysieke
aanpassingen, toegankelijke communicatie, ondersteuning bij aanvragen en
rekening houden met extra woonkosten die uit een beperking voortvloeien.
Artikel 28 moet worden gelezen in samenhang met artikel 9
over toegankelijkheid en artikel 19 over zelfstandig wonen en deelname aan de
samenleving. Personen met een beperking moeten in beginsel kunnen kiezen waar
en met wie zij wonen en mogen niet wegens een gebrek aan ondersteuning
feitelijk worden gedwongen in een instelling te verblijven. Huisvesting en
ondersteuning moeten daarom zo worden georganiseerd dat zelfstandigheid en
deelname aan de gemeenschap mogelijk worden gemaakt.
Dit vereist een verbinding tussen woonbeleid en zorgbeleid.
Het bouwen van toegankelijke woningen is onvoldoende wanneer passende
ondersteuning ontbreekt. Omgekeerd biedt een zorgaanspraak geen daadwerkelijke
keuzevrijheid wanneer geen geschikte woning beschikbaar is. Ook mogen
woonruimte en noodzakelijke ondersteuning niet zo worden gekoppeld dat verlies
van zorg automatisch tot woningverlies leidt of dat bewoners geen reële keuze
van aanbieder hebben.
Bij de verdeling van schaarse woonruimte kunnen positieve
maatregelen nodig zijn voor personen die door een beperking bijzondere
woonbehoeften of hogere kosten hebben. Dergelijke differentiatie vormt geen
afwijking van gelijkheid, maar kan noodzakelijk zijn om feitelijke
gelijkwaardigheid te bereiken.
3.6. Bescherming van woning en privéleven via artikel 8 EVRM
Artikel 8 EVRM waarborgt het recht op respect voor het
privéleven, het familie- en gezinsleven en de woning. Het EVRM bevat daarmee
geen algemeen sociaal recht op verstrekking van een woning. Het beschermt wel
de concrete woning als centrum van het persoonlijke en gezinsleven.
Het begrip woning heeft een autonome verdragsrechtelijke
betekenis. Niet uitsluitend eigendom of een formeel geldige huurovereenkomst is
bepalend. Van belang is of iemand voldoende duurzame en feitelijke banden met
een bepaalde verblijfplaats heeft. Daardoor kunnen onder omstandigheden ook
onconventionele of juridisch kwetsbare woonvormen binnen de bescherming van
artikel 8 vallen.
Het verlies van een woning behoort tot de meest ingrijpende
inmengingen in het recht van artikel 8. Een huisuitzetting moet daarom bij wet
zijn voorzien, een legitiem doel dienen en in een democratische samenleving
noodzakelijk zijn. De maatregel moet beantwoorden aan een dringende
maatschappelijke behoefte en evenredig zijn aan het nagestreefde doel[11].
De intensiteit van de beoordeling hangt af van de context.
Bij huisuitzetting op initiatief van een overheidsorgaan of in een
publiekrechtelijke context moet de betrokkene in beginsel de mogelijkheid
hebben de evenredigheid van het woningverlies door een onafhankelijke rechter
te laten beoordelen. Daarbij kunnen onder meer de duur van de bewoning, de
persoonlijke omstandigheden, de aanwezigheid van kinderen, gezondheid,
beperking, gedrag, alternatieve huisvesting en de aard van het algemeen belang
relevant zijn.
Artikel 8 verlangt niet dat iedere rechtmatige beëindiging
van huur of gebruik onmogelijk wordt. Ook kan de beoordelingsruimte anders zijn
bij een geschil tussen private partijen dan wanneer de overheid zelf tot
uitzetting overgaat. De staat moet echter een wettelijk kader bieden dat ook in
privaatrechtelijke verhoudingen voldoende bescherming geeft tegen willekeur,
discriminatie en onevenredige gevolgen.
Artikel 8 kan daarnaast positieve verplichtingen meebrengen.
De overheid kan gehouden zijn de woning en het privéleven te beschermen tegen
ernstige overlast, milieuvervuiling, geweld of ander handelen van derden. Ook
moet zij in bepaalde situaties maatregelen treffen om kwetsbare personen in
staat te stellen daadwerkelijk van hun woning en gezinsleven te genieten.
Deze bescherming mag echter niet worden gelijkgesteld met
een algemeen EVRM-recht op onmiddellijke verstrekking van permanente
huisvesting. De positieve verplichtingen onder artikel 8 zijn
contextafhankelijk en laten staten een ruime beoordelingsmarge bij de verdeling
van schaarse middelen. Het zelfstandige sociale recht op huisvesting moet
daarom primair worden ontleend aan het IVESCR, het Europees Sociaal Handvest en
een toekomstige grondwettelijke bepaling.
3.7. Eigendomsbescherming via artikel 1 Eerste Protocol
Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermt het
ongestoorde genot van eigendom. Deze bepaling is zowel relevant voor bewoners
en woningzoekenden als voor eigenaren, verhuurders, woningcorporaties en
investeerders.
Eigendomsbescherming sluit regulering van de woningmarkt
niet uit. De wetgever mag het gebruik van eigendom reguleren in het algemeen
belang, bijvoorbeeld door huurprijsbescherming, huurbescherming,
kwaliteitsvoorschriften, regels tegen leegstand, woningtoewijzing of
beperkingen op onttrekking aan de woningvoorraad. Ook onteigening voor
woningbouw of ruimtelijke ontwikkeling kan gerechtvaardigd zijn.
Dergelijke maatregelen moeten bij wet zijn voorzien, een
legitiem algemeen belang dienen en een redelijk evenwicht bewaren tussen het
publieke doel en de rechten van de eigenaar. De eigenaar mag geen individuele
en buitensporige last dragen. Bij de beoordeling zijn onder meer de ernst en
duur van de beperking, voorzienbaarheid, overgangsrecht, rendement, compensatie
en beschikbare rechtsbescherming relevant.
Artikel 1 Eerste Protocol beschermt geen algemeen recht om
eigendom te verwerven. Woningzoekenden kunnen daaraan dus geen aanspraak op een
koopwoning ontlenen. Bestaande huur- of gebruiksrechten kunnen onder
omstandigheden wel als vermogensrechtelijke belangen worden beschermd.
De samenloop van artikel 8 en artikel 1 Eerste Protocol
maakt zichtbaar dat huur- en woonbeleid steeds verschillende grondrechtelijke
belangen moet afwegen. De woonzekerheid en persoonlijke levenssfeer van
bewoners moeten worden beschermd, terwijl tegelijkertijd de gerechtvaardigde
belangen van eigenaren worden geëerbiedigd. Een grondrecht op huisvesting heft
eigendomsbescherming niet op, maar verlangt een evenwichtige institutionele
ordening van beide belangen.
3.8. Rechtsbescherming bij huisuitzetting
Gedwongen huisuitzetting vormt een bijzonder ingrijpende
aantasting van huisvesting, privéleven en bestaanszekerheid. Volgens het
VN-Comité is een gedwongen uitzetting in beginsel onverenigbaar met het IVESCR,
tenzij zij uitzonderlijk, wettelijk gerechtvaardigd en met volledige
inachtneming van materiële en procedurele waarborgen plaatsvindt.
Een huisuitzetting kan gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld
wegens ernstige overlast, gevaarzetting, langdurige betalingsachterstand,
onrechtmatig gebruik, noodzakelijke renovatie of een zwaarwegend publiek
belang. De rechtvaardigingsgrond neemt echter niet weg dat de procedure
behoorlijk en evenredig moet zijn.
Tot de relevante waarborgen behoren:
- tijdige
en begrijpelijke informatie;
- daadwerkelijke
raadpleging van betrokkenen;
- een
redelijke aankondigingstermijn;
- toegang
tot de onderliggende stukken;
- individuele
beoordeling van persoonlijke omstandigheden;
- onderzoek
naar minder ingrijpende alternatieven;
- toegang
tot onafhankelijke rechtsbescherming;
- beschikbaarheid
van rechtsbijstand;
- de
mogelijkheid een voorlopige voorziening te verkrijgen;
- behoorlijke
uitvoering met respect voor waardigheid en eigendommen;
- bijzondere
bescherming van kinderen en kwetsbare personen.
Een uitzetting mag niet zodanig worden uitgevoerd dat
personen zonder enige bescherming dakloos worden of worden blootgesteld aan
ernstige mensenrechtelijke risico’s. Wanneer betrokkenen niet zelf in
vervangende huisvesting kunnen voorzien, moet de overheid alle redelijkerwijs
beschikbare alternatieven onderzoeken[12].
Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de
rechtmatigheid van de beëindigingsgrond en de evenredigheid van de uitzetting.
Dat een huurovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, betekent niet altijd dat
onmiddellijke ontruiming zonder verdere afweging constitutioneel aanvaardbaar
is. De rechter moet, afhankelijk van de omstandigheden, de mogelijkheid hebben
rekening te houden met de ernst van de tekortkoming, de gevolgen van
woningverlies en beschikbare alternatieven.
Tegelijkertijd mag de evenredigheidstoets niet leiden tot
onbepaalde uitsluiting van gerechtvaardigde aanspraken van verhuurders of
andere rechthebbenden. De wetgever kan termijnen, beoordelingsfactoren en
herstelmogelijkheden nader structureren, zodat zowel woonzekerheid als
rechtszekerheid wordt gewaarborgd.
3.9. Materiële elementen van behoorlijke huisvesting
Betaalbaarheid betekent dat woonkosten niet zo hoog
mogen zijn dat bewoners daardoor noodzakelijke voeding, zorg, energie,
onderwijs of andere essentiële uitgaven moeten opofferen. Niet alleen de kale
huur of hypotheeklast is relevant, maar de totale woonlast, waaronder energie,
servicekosten, lokale lasten, onderhoud en noodzakelijke verzekeringen. De
beoordeling moet rekening houden met inkomen, huishoudenssamenstelling en
bijzondere kosten.
Betaalbaarheid verlangt niet dat iedereen recht heeft op
wonen tegen dezelfde prijs. Wel moeten voldoende betaalbare segmenten
beschikbaar zijn en moeten huurregulering, woonondersteuning en sociale
zekerheid voorkomen dat mensen door woonkosten onder het menswaardige
bestaansminimum raken.
Bewoonbaarheid houdt in dat een woning voldoende
ruimte, veiligheid en bescherming biedt tegen kou, hitte, vocht,
verontreiniging, constructieve gebreken en andere gezondheidsrisico’s. Ook
toegang tot drinkwater, sanitaire voorzieningen, energie en mogelijkheden voor voedselbereiding
behoren tot een behoorlijke woonstandaard. Klimaatverandering versterkt de
betekenis van bescherming tegen hitte, overstroming en andere milieugevaren.
Toegankelijkheid verlangt dat woningen en
woonprogramma’s feitelijk toegankelijk zijn voor verschillende groepen. Dit
betreft fysieke toegankelijkheid voor personen met een beperking, maar ook
toegankelijkheid van inschrijf-, toewijzings- en financieringsprocedures. Discriminatie
op grond van herkomst, handicap, leeftijd, gezinssamenstelling, seksuele
gerichtheid, verblijfsstatus of inkomen moet worden tegengegaan.
Woonzekerheid beschermt tegen willekeurige
huisuitzetting, intimidatie en onvoorzien verlies van de woning. Zij verlangt
niet dat iedere woonrelatie permanent is. Tijdelijke huur en flexibele
woonvormen kunnen een legitieme functie hebben, maar mogen niet zodanig de norm
worden dat grote groepen langdurig geen stabiele woon- en ontwikkelingsbasis
kunnen opbouwen.
Woonzekerheid omvat daarnaast duidelijkheid over rechten en
plichten, redelijke opzeggronden, effectieve rechtsbescherming en bescherming
tegen represailles wanneer bewoners gebreken of misstanden melden.
Locatie betekent dat huisvesting toegang moet bieden
tot werk, onderwijs, zorg, winkels, vervoer en sociale relaties. Een woning kan
bouwtechnisch deugdelijk zijn, maar toch ontoereikend wanneer bewoners door
afstand, vervoersproblemen, ernstige vervuiling of sociale isolatie feitelijk
van de samenleving worden afgesneden.
Het locatievereiste betekent niet dat iedereen aanspraak
heeft op huisvesting in een specifieke gemeente of buurt. Wel moet woonbeleid
voorkomen dat betaalbare huisvesting uitsluitend wordt geconcentreerd op
plaatsen met weinig voorzieningen, slechte bereikbaarheid of verhoogde
gezondheidsrisico’s. Ook moet rekening worden gehouden met de gevolgen van
verhuizing voor kinderen, mantelzorg, behandeling, arbeid en sociaal netwerk.
3.10. Positieve verplichtingen bij dakloosheid en ernstige woonnood
Dakloosheid vormt de meest vergaande ontkenning van het
recht op huisvesting. Zij raakt niet alleen de woonpositie, maar ook
gezondheid, lichamelijke veiligheid, privacy, gezinsleven, toegang tot zorg,
arbeid, sociale zekerheid en democratische participatie. De overheid kan
dakloosheid daarom niet uitsluitend als een individueel sociaal probleem
behandelen.
De positieve verplichting omvat ten minste:
- preventie
van vermijdbare huisuitzettingen;
- vroegsignalering
van huurachterstanden;
- schuldhulp
en passende inkomensondersteuning;
- toegankelijke
en veilige noodopvang;
- bescherming
tegen geweld en uitbuiting;
- begeleiding
naar duurzame huisvesting;
- voldoende
passende woonruimte voor uitstroom;
- samenwerking
tussen gemeenten, zorginstellingen, woningcorporaties en
uitvoeringsorganisaties;
- monitoring
van dakloosheid en ernstige woonnood;
- een
herkenbare eindverantwoordelijkheid.
Noodopvang moet onmiddellijk beschikbaar zijn wanneer leven,
gezondheid of veiligheid ernstig worden bedreigd. Een verdergaande aanspraak op
zelfstandige en permanente huisvesting kan afhankelijk zijn van
beschikbaarheid, urgentie en redelijke toewijzingscriteria. Het geleidelijke
karakter van die verdere verwezenlijking mag echter niet worden gebruikt om
personen voor onbepaalde tijd in onveilige of ontoereikende opvang te laten
verblijven.
Bijzondere aandacht is vereist voor gezinnen met kinderen,
slachtoffers van huiselijk geweld, jongeren die jeugdzorg verlaten, personen
met psychische of lichamelijke beperkingen, arbeidsmigranten, statushouders,
ouderen en mensen die instellingen of detentie verlaten. Voor deze groepen is
dakloosheid vaak het gevolg van tekortschietende coördinatie tussen
verschillende publieke stelsels. De overheid moet voorkomen dat personen door
institutionele grensgeschillen of financieringsproblemen tussen instanties zonder
huisvesting raken.
3.11. Constitutionele betekenis
De internationale normen ondersteunen een zelfstandig
grondrecht op behoorlijke huisvesting. De huidige formulering van artikel 22,
tweede lid, volgens welke bevordering van voldoende woongelegenheid voorwerp
van overheidszorg is, maakt onvoldoende zichtbaar dat huisvesting ook
kwaliteit, betaalbaarheid, toegankelijkheid, woonzekerheid en bescherming tegen
onevenredig woningverlies omvat.
Een herzien grondwetsartikel moet geen individuele aanspraak
op een specifieke woning creëren. Het kan wel bepalen dat ieder recht heeft op
toegang tot behoorlijke huisvesting en dat de overheid redelijke en passende
maatregelen treft om beschikbaarheid, betaalbaarheid, toegankelijkheid,
kwaliteit en woonzekerheid te bevorderen. Daarnaast moet een afzonderlijke
waarborg gelden voor onvrijwillig woningverlies: dit vereist een wettelijke
grondslag, een evenredigheidsbeoordeling en toegang tot effectieve rechtsbescherming.
Voor dakloosheid en acute woonnood ligt een onmiddellijke
minimumverplichting voor de hand. Voor de verdere uitbreiding van betaalbare en
passende huisvesting behoudt de wetgever bestuurlijke, ruimtelijke en
budgettaire beoordelingsruimte. Die ruimte wordt begrensd door
non-discriminatie, de bescherming van kwetsbare personen, de plicht aantoonbare
voortgang te boeken en het non-regressiebeginsel van artikel 1d.
Zo ontstaat een gelaagd grondrecht dat de sociale functie
van huisvesting verbindt met privacy, gezinsleven, menselijke waardigheid,
bestaanszekerheid en eigendomsbescherming. Het recht op huisvesting schrijft
geen specifiek volkshuisvestingsmodel voor, maar verplicht de staat wel een
stelsel in stand te houden waarin een behoorlijke en stabiele woonplek niet
uitsluitend afhankelijk is van marktpositie, vermogen of toevallige
bestuurlijke toegang.
4. Onderwijs en maatschappelijke ontplooiing
Het internationale recht beschouwt onderwijs als zelfstandig
grondrecht en als noodzakelijke voorwaarde voor de uitoefening van andere
rechten. Onderwijs ontwikkelt kennis en vaardigheden, maar ook persoonlijkheid,
autonomie, sociaal vermogen en democratisch burgerschap. Het stelt mensen in
staat hun belangen te begrijpen, rechten geldend te maken en deel te nemen aan
arbeid, cultuur en publieke besluitvorming. Het recht op onderwijs is daardoor
nauw verbonden met menselijke waardigheid, materiële gelijkwaardigheid en
menswording.
Tegelijkertijd heeft onderwijs een institutionele
vrijheidsdimensie. Ouders, maatschappelijke organisaties en
levensbeschouwelijke gemeenschappen moeten binnen constitutionele grenzen
onderwijs kunnen aanbieden en vormgeven. Het internationale recht verbindt
daarom drie belangen: het individuele recht van het kind of de student, de
verantwoordelijkheid van de overheid voor toegankelijkheid en kwaliteit en de
vrijheid van ouders en onderwijsinstellingen. Geen van deze dimensies kan
zonder meer aan de andere worden ondergeschikt.
Maatschappelijke en culturele ontplooiing reikt bovendien
verder dan het formele onderwijs. Mensen ontwikkelen zich ook door deelname aan
wetenschap, kunst, cultuur, sport, verenigingsleven, openbare ruimte en
maatschappelijke organisaties. Een constitutionele herziening moet daarom het
recht op onderwijs onderscheiden van, maar verbinden met, de algemene
voorwaarden voor sociale en culturele participatie.
4.1. De artikelen 13 en 14 IVESCR
Artikel 13 IVESCR bevat de meest uitgebreide algemene
verdragsrechtelijke omschrijving van het recht op onderwijs. Staten erkennen
het recht van eenieder op onderwijs en stemmen ermee in dat onderwijs gericht
moet zijn op de volledige ontplooiing van de menselijke persoonlijkheid en het
besef van menselijke waardigheid. Onderwijs moet het respect voor mensenrechten
versterken en mensen in staat stellen daadwerkelijk deel te nemen aan een vrije
samenleving.
Het artikel maakt onderscheid tussen verschillende
onderwijsniveaus. Primair onderwijs moet verplicht en kosteloos zijn. Secundair
onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs, moet algemeen beschikbaar en voor
iedereen toegankelijk worden gemaakt, onder meer door geleidelijke invoering
van kosteloos onderwijs. Hoger onderwijs moet op basis van bekwaamheid
gelijkelijk toegankelijk zijn. Daarnaast moeten fundamenteel onderwijs voor
personen die geen basisonderwijs hebben gevolgd, een stelsel van scholen, passende
studiebeurzen en goede arbeidsvoorwaarden voor onderwijspersoneel worden
bevorderd.
Artikel 14 IVESCR heeft een meer specifieke functie. Een
staat die ten tijde van toetreding nog geen kosteloos en verplicht primair
onderwijs waarborgde, moest binnen twee jaar een gedetailleerd actieplan
opstellen om dit binnen een redelijk aantal jaren te verwezenlijken. Hoewel
deze bepaling voor een ontwikkeld onderwijsstelsel als het Nederlandse vooral
historische betekenis heeft, bevat zij een breder constitutioneel inzicht: waar
een essentiële onderwijswaarborg nog niet is gerealiseerd, moet de overheid een
concreet, tijdgebonden en controleerbaar uitvoeringsplan vaststellen. Algemene
beleidsvoornemens zijn niet voldoende.
Het VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten
concretiseert het recht op onderwijs aan de hand van vier onderling
samenhangende kenmerken:
- beschikbaarheid;
- toegankelijkheid;
- aanvaardbaarheid;
- aanpasbaarheid.
Beschikbaarheid verlangt dat voldoende
onderwijsinstellingen, docenten, leermiddelen, digitale voorzieningen en
ondersteunende diensten aanwezig zijn. Niet alleen het aantal formele
schoolplaatsen is relevant. Ook personeelstekorten, uitval van lessen,
onvoldoende ondersteuning en gebrekkige huisvesting kunnen de daadwerkelijke
beschikbaarheid aantasten.
Toegankelijkheid omvat non-discriminatie, fysieke
bereikbaarheid en economische toegankelijkheid. Onderwijs mag niet feitelijk
onbereikbaar worden door schoolkosten, vervoersproblemen, digitale drempels,
selectieprocedures of ontoegankelijke gebouwen en communicatiemiddelen. De
geografische spreiding van scholen en opleidingen speelt daarbij eveneens een
rol.
Aanvaardbaarheid betreft de vorm en inhoud van het
onderwijs. Onderwijs moet relevant, veilig, cultureel verantwoord en
kwalitatief toereikend zijn. Leermethoden en schooldiscipline moeten de
waardigheid van leerlingen respecteren. Ook moet onderwijs voldoen aan professionele
en wetenschappelijke kwaliteitseisen.
Aanpasbaarheid verlangt dat het onderwijsstelsel kan
inspelen op veranderende maatschappelijke omstandigheden en op uiteenlopende
behoeften van leerlingen en studenten. Dit betreft bijvoorbeeld onderwijs voor
werkende volwassenen, nieuwkomers, leerlingen met een beperking, hoogbegaafde
leerlingen en kinderen die wegens ziekte of andere omstandigheden tijdelijk
niet aan het reguliere onderwijs kunnen deelnemen.
Deze kenmerken maken duidelijk dat een formele inschrijving
niet gelijkstaat aan daadwerkelijke verwezenlijking van het recht op onderwijs.
Wanneer een leerling wel tot een school is toegelaten maar wegens gebrek aan
ondersteuning structureel geen onderwijs ontvangt, is de aanspraak niet
effectief gerealiseerd.
4.2. Artikel 2 Eerste Protocol bij het EVRM
Artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM bepaalt dat
niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd. Daarnaast moet de staat bij
de uitoefening van zijn taken op het gebied van onderwijs en opvoeding het
recht van ouders eerbiedigen om zich van onderwijs te verzekeren dat
overeenstemt met hun godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuigingen.
De negatieve formulering betekent niet dat staten zich
uitsluitend van inmenging moeten onthouden. Het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens leidt uit de bepaling een recht af op daadwerkelijke toegang tot de
bestaande onderwijsinstellingen en op erkenning van afgerond onderwijs. Een
staat mag het onderwijs reguleren, toelatingseisen stellen en leerplannen
vaststellen, maar beperkingen moeten voorzienbaar en proportioneel zijn en
mogen het recht niet in zijn kern aantasten[13].
Het EVRM garandeert geen recht op een bepaald type
opleiding, een specifieke school of onderwijs in iedere gewenste taal. Ook
bestaat geen onbeperkt recht op toelating tot hoger onderwijs. Wanneer een
staat bepaalde onderwijsvoorzieningen inricht, moet de toegang daartoe echter
op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden worden georganiseerd.
In samenhang met artikel 14 EVRM beschermt artikel 2 Eerste
Protocol tegen discriminatoire uitsluiting. Dit kan betrekking hebben op onder
meer afkomst, taal, geslacht, handicap, verblijfsstatus of sociale positie.
Formeel neutrale selectiemechanismen kunnen problematisch zijn wanneer zij
zonder voldoende rechtvaardiging structureel nadelig uitwerken voor bepaalde
groepen.
4.3. Eerbiediging van ouderlijke overtuigingen
De tweede volzin van artikel 2 Eerste Protocol beschermt
religieuze en levensbeschouwelijke overtuigingen van ouders. De staat moet deze
overtuigingen bij de inrichting van het onderwijs eerbiedigen. Het begrip
overtuiging ziet op opvattingen die een zekere overtuigingskracht, ernst,
samenhang en betekenis hebben en verenigbaar zijn met menselijke waardigheid en
democratische waarden.
Deze bescherming verhindert niet dat de overheid een
algemeen curriculum vaststelt of onderwijs verzorgt over religie,
levensbeschouwing, burgerschap, seksualiteit, mensenrechten en maatschappelijke
diversiteit. Het onderwijs moet dergelijke onderwerpen wel objectief, kritisch
en pluralistisch behandelen. De staat mag onderwijs niet gebruiken voor
indoctrinatie.
De aanspraak van ouders is bovendien niet absoluut. Zij moet
worden afgewogen tegen het zelfstandige recht van het kind op onderwijs,
ontwikkeling, informatie en geleidelijk toenemende autonomie. Naarmate het kind
ouder en rijper wordt, krijgt zijn eigen overtuiging meer gewicht. Ouderlijke
vrijheid mag niet leiden tot onthouding van essentiële kennis, discriminatie of
aantasting van de ontwikkelingsmogelijkheden en grondrechten van het kind.
Deze verhouding is voor de Nederlandse constitutionele
systematiek van groot belang. De vrijheid van richting en inrichting beschermt
institutionele en pedagogische pluraliteit, maar ontslaat scholen niet van de
verplichting de rechten, waardigheid en gelijke ontwikkelingskansen van
leerlingen te eerbiedigen.
4.4. Artikel 14 EU-Handvest
Artikel 14 EU-Handvest erkent het recht van eenieder op
onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en permanente educatie. Het recht
omvat de mogelijkheid kosteloos verplicht onderwijs te volgen. Daarnaast
beschermt het artikel de vrijheid onderwijsinstellingen op te richten, met
eerbiediging van democratische beginselen, en het recht van ouders om onderwijs
en opvoeding overeenkomstig hun godsdienstige, levensbeschouwelijke en
pedagogische overtuigingen te verzekeren.
De vermelding van beroepsopleiding en permanente educatie
benadrukt dat onderwijs geen recht is dat eindigt bij de leerplicht.
Economische, digitale en ecologische veranderingen kunnen mensen gedurende hun
levensloop noodzaken nieuwe kennis en vaardigheden te verwerven. Toegang tot
scholing en omscholing is daardoor ook een voorwaarde voor autonomie en
duurzame arbeidsparticipatie.
De vrijheid onderwijsinstellingen op te richten is in
artikel 14 uitdrukkelijk gekoppeld aan democratische beginselen. Institutionele
onderwijsvrijheid omvat dus geen vrijheid om onderwijs te organiseren dat
fundamentele rechten, gelijkwaardigheid of de democratische rechtsorde
structureel ondermijnt. Nationale wetgeving mag de uitoefening van deze
vrijheid reguleren en kwaliteits- en toegankelijkheidseisen stellen.
Zoals bij de andere Handvestrechten geldt artikel 14 voor
lidstaten wanneer zij binnen de werkingssfeer van het Unierecht handelen. Een
nationaal constitutioneel onderwijsrecht behoudt daarom zelfstandige betekenis.
Het moet bescherming bieden ongeacht of een concreet geschil onder het
Unierecht valt.
4.5. De artikelen 28 en 29 IVRK
Artikel 28 IVRK erkent het recht van ieder kind op onderwijs
op basis van gelijke kansen. Primair onderwijs moet verplicht en kosteloos
zijn. Verschillende vormen van secundair onderwijs moeten beschikbaar en
toegankelijk worden gemaakt, terwijl hoger onderwijs op basis van bekwaamheid
toegankelijk moet zijn. Ook moeten onderwijs- en beroepsvoorlichting
beschikbaar zijn, regelmatig schoolbezoek worden bevorderd en schooluitval
worden bestreden.
De bepaling verlangt daarnaast dat schooldiscipline wordt
toegepast op een wijze die verenigbaar is met de menselijke waardigheid van het
kind. Dit verbindt toegang tot onderwijs met veiligheid, erkenning en
behoorlijke bejegening. Een kind dat formeel onderwijs ontvangt maar op school
structureel wordt vernederd, gediscrimineerd of aan geweld wordt blootgesteld,
geniet het onderwijsrecht niet volledig.
Artikel 29 omschrijft de doelen van onderwijs. Onderwijs
moet zijn gericht op:
- de
volledige ontwikkeling van persoonlijkheid, talenten en lichamelijke en
geestelijke vermogens;
- respect
voor mensenrechten en fundamentele vrijheden;
- respect
voor ouders en de eigen culturele identiteit, taal en waarden;
- voorbereiding
op een verantwoordelijk leven in een vrije samenleving;
- begrip,
vrede, tolerantie en gelijkheid;
- respect
voor de natuurlijke omgeving.
Het IVRK verbindt onderwijs daarmee rechtstreeks met
menswording. Het doel is niet uitsluitend overdracht van kennis of
voorbereiding op de arbeidsmarkt, maar de ontwikkeling van het kind als
autonoom, relationeel en verantwoordelijk lid van de samenleving.
Artikel 29, tweede lid, beschermt eveneens de vrijheid van
private personen en instellingen om onderwijsinstellingen op te richten en te
besturen. Deze vrijheid geldt onder de voorwaarde dat het onderwijs de
verdragsdoelen eerbiedigt en voldoet aan door de staat vastgestelde
minimumnormen. Het IVRK bevestigt daarmee dat onderwijsvrijheid en publieke
kwaliteitsverantwoordelijkheid elkaar niet uitsluiten.
Het belang van het kind moet bij beslissingen over
toelating, verwijdering, ondersteuning, passend onderwijs en schoolsluiting een
eerste overweging vormen. Kinderen moeten bovendien overeenkomstig leeftijd en
rijpheid worden gehoord. Dit vraagt om een onderwijsstelsel waarin niet
uitsluitend ouders, scholen en overheid over kinderen spreken, maar ook hun
eigen ervaringen en belangen een herkenbare plaats krijgen.
4.6. Artikel 24 VN-Verdrag handicap
Artikel 24 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen
met een handicap verplicht staten een inclusief onderwijsstelsel op alle
niveaus en mogelijkheden voor levenslang leren te waarborgen. Het onderwijs
moet gericht zijn op menselijke waardigheid, de ontwikkeling van talenten en
mogelijkheden en effectieve deelname aan een vrije samenleving.
Personen met een beperking mogen niet wegens hun beperking
van het algemene onderwijsstelsel worden uitgesloten. Zij hebben recht op
toegankelijk, inclusief en kwalitatief primair en secundair onderwijs in de
gemeenschap waarin zij leven. De overheid moet redelijke aanpassingen bieden,
noodzakelijke ondersteuning binnen het algemene onderwijsstelsel organiseren en
waar nodig individuele maatregelen treffen die de academische en sociale
ontwikkeling maximaliseren.
Inclusiviteit betekent niet uitsluitend fysieke plaatsing in
een reguliere klas. Van effectieve inclusie is pas sprake wanneer de leerling
daadwerkelijk onderwijs kan volgen, tot de leergemeenschap behoort, passende
ondersteuning ontvangt en zich academisch en sociaal kan ontwikkelen. Plaatsing
zonder voldoende deskundigheid, hulpmiddelen of begeleiding kan juist tot
feitelijke uitsluiting binnen de school leiden.
Artikel 24 verlangt tevens aandacht voor Braille,
gebarentaal, alternatieve communicatievormen, mobiliteitsvaardigheden en de
culturele en taalkundige identiteit van dove personen. Onderwijspersoneel moet
daarvoor voldoende worden opgeleid. Ook gebouwen, lesmaterialen, digitale
leeromgevingen, examens en communicatie met ouders moeten toegankelijk zijn.
Het inclusieve uitgangspunt sluit gespecialiseerde
voorzieningen niet categorisch uit. In uitzonderlijke situaties kunnen
specifieke leeromgevingen of gespecialiseerde ondersteuning nodig zijn om het
individuele recht op ontwikkeling effectief te verwezenlijken. De keuze moet
echter worden gebaseerd op het belang en de behoeften van de leerling, niet op
organisatorisch gemak of het ontbreken van ondersteuning in het reguliere
stelsel. Gespecialiseerd onderwijs mag geen structureel substituut worden voor
het toegankelijk maken van het algemene onderwijs.
Artikel 24 geldt eveneens voor hoger onderwijs,
beroepsopleiding, volwasseneneducatie en levenslang leren. Ook daar moeten
discriminatie worden voorkomen en redelijke aanpassingen worden getroffen.
Inclusief onderwijs is daarmee geen afzonderlijk jeugddossier, maar een
levenslange institutionele opdracht.
4.7. Toegankelijkheid en gelijke kansen
Toegankelijkheid omvat meer dan formele toelating.
Financiële, geografische, fysieke, digitale, talige en administratieve drempels
kunnen de feitelijke toegang tot onderwijs beperken. Daarbij kunnen
schoolkosten, selectieprocedures, vervoersproblemen, wachtlijsten,
woningsegregatie, digitale leermiddelen en ingewikkelde
ondersteuningsprocedures een rol spelen.
Gelijke kansen betekenen niet dat alle leerlingen identiek
moeten worden behandeld. Verschillen in uitgangspositie kunnen aanvullende
ondersteuning rechtvaardigen of vereisen. Voorbeelden zijn voorschoolse
voorzieningen, taalondersteuning, kleinere groepen, toegankelijke leermiddelen,
maaltijdprogramma’s, vervoer, studiebeurzen en intensievere begeleiding.
Positieve maatregelen moeten gericht zijn op het verminderen
van feitelijke achterstanden en mogen niet leiden tot blijvende stigmatisering
of gescheiden onderwijsstructuren zonder voldoende rechtvaardiging. De
effectiviteit ervan moet worden gevolgd aan de hand van onder meer toelating,
doorstroom, uitval, onderwijsresultaten en ervaren veiligheid.
Segregatie verdient daarbij afzonderlijke aandacht. Zij kan
voortkomen uit woonpatronen, ouderkeuzes, selectie, schooladvies, financiering
en verschillen in ondersteuningscapaciteit. Niet iedere concentratie van
bepaalde groepen is juridisch discriminatoir. Wanneer institutionele regels
segregatie echter voorzienbaar versterken en gelijkwaardige onderwijskansen
ondermijnen, rust op de overheid een verplichting tot nader onderzoek en
passende correctie.
4.8. Kwaliteit en deugdelijkheid
Het recht op onderwijs verlangt niet alleen toegang, maar
ook onderwijs van voldoende kwaliteit. Kwaliteit omvat inhoudelijke,
pedagogische en institutionele elementen. Nodig zijn onder meer bekwame
docenten, een veilige leeromgeving, passende curricula, voldoende
onderwijstijd, betrouwbare toetsing, effectieve ondersteuning en professioneel
toezicht.
De Grondwet hoeft niet één pedagogisch kwaliteitsmodel vast
te leggen. Dat zou botsen met professionele en institutionele pluraliteit. Zij
moet wel een constitutionele ondergrens bieden. Onderwijs moet leerlingen
daadwerkelijk in staat stellen hun vermogens te ontwikkelen en mag niet
structureel tekortschieten in basiskennis, veiligheid, burgerschapsvorming en
voorbereiding op maatschappelijke deelname.
Kwaliteit moet breder worden beoordeeld dan aan de hand van
meetbare cognitieve prestaties. Ook sociale ontwikkeling, kritisch denken,
creativiteit, samenwerking, lichamelijke en psychische veiligheid en
democratisch bewustzijn behoren tot de verdragsrechtelijke doelen van
onderwijs. Een eenzijdige nadruk op prestaties en selectie kan
ontwikkelingsruimte en gelijkwaardigheid juist onder druk zetten.
4.9. Vrijheid van onderwijs
De vrijheid van onderwijs beschermt pluraliteit tegenover
staatsmonopolisme. Zij maakt het mogelijk dat verschillende pedagogische,
religieuze en levensbeschouwelijke visies binnen het onderwijsbestel bestaan.
In de Nederlandse context omvat zij traditioneel de vrijheid van stichting,
richting en inrichting.
Deze vrijheid heeft zowel een individuele als een
institutionele betekenis. Ouders kunnen onderwijs kiezen dat aansluit bij hun
overtuigingen; burgers en organisaties kunnen scholen oprichten; instellingen
hebben ruimte voor een eigen pedagogisch en levensbeschouwelijk profiel. Deze
vrijheid draagt bij aan maatschappelijk pluralisme.
Daartegenover staat de publieke verantwoordelijkheid voor:
- gelijke
toegankelijkheid;
- deugdelijkheid
en kwaliteit;
- sociale
en fysieke veiligheid;
- non-discriminatie;
- bescherming
van kinderrechten;
- democratische
basiswaarden;
- doelmatige
besteding van publieke middelen;
- effectieve
rechtsbescherming.
Vrijheid van onderwijs is daarom geen vrijheid van
constitutionele normering. Een school mag een eigen identiteit hebben, maar
leerlingen niet uitsluiten of achterstellen op een wijze die hun waardigheid,
gelijke behandeling of toegang tot onderwijs ongerechtvaardigd aantast. Evenmin
mag de vrijheid worden gebruikt om essentiële kennis te onthouden of leerlingen
aan indoctrinatie bloot te stellen.
Bij herziening van artikel 23 moet worden voorkomen dat het
individuele recht op onderwijs en de institutionele vrijheid als tegengestelde
beginselen worden geformuleerd. Zij behoren binnen één constitutionele
systematiek te worden verbonden. Vrijheid maakt pluraliteit mogelijk; het
individuele recht waarborgt dat die pluraliteit de ontwikkeling van leerlingen
dient.
4.10. Culturele participatie onder artikel 15 IVESCR
Artikel 15 IVESCR erkent het recht van eenieder om deel te
nemen aan het culturele leven, te genieten van de voordelen van
wetenschappelijke vooruitgang en de bescherming te genieten van de morele en
materiële belangen die voortvloeien uit eigen wetenschappelijke, literaire of
artistieke voortbrengselen. Staten moeten wetenschap en cultuur behouden,
ontwikkelen en verspreiden en de vrijheid eerbiedigen die noodzakelijk is voor
wetenschappelijk onderzoek en creatieve activiteit.
Deelname aan het culturele leven omvat meer dan toegang tot
musea, bibliotheken, theater of muziek. Zij omvat ook het recht om een
culturele identiteit te kiezen, culturele praktijken te beoefenen, eigen taal
en tradities te onderhouden, cultuur te creëren en aan de vormgeving van het
culturele leven bij te dragen. Mensen mogen ook besluiten niet aan een bepaalde
culturele gemeenschap of praktijk deel te nemen.
Volgens het VN-Comité moet culturele participatie worden
beoordeeld aan de hand van beschikbaarheid, toegankelijkheid, aanvaardbaarheid,
aanpasbaarheid en culturele geschiktheid. Culturele goederen en diensten moeten
feitelijk bereikbaar zijn, zonder discriminatie en binnen redelijke fysieke en
financiële grenzen. Bij beleid moet rekening worden gehouden met de diversiteit
van betrokken personen en gemeenschappen[14].
Culturele participatie veronderstelt tevens toegang tot
publieke ruimte, informatie en digitale infrastructuur. Wanneer
maatschappelijke en culturele activiteiten steeds meer digitaal worden
georganiseerd, kunnen ontoegankelijke platforms, kosten en beperkte digitale
vaardigheden nieuwe vormen van uitsluiting veroorzaken.
De overheid hoeft niet iedere culturele activiteit te
subsidiëren. Zij moet wel de institutionele voorwaarden waarborgen voor
pluraliteit, vrijheid, toegankelijkheid en behoud van cultureel erfgoed.
Daarbij moet zij terughoudend zijn met inhoudelijke sturing. Ondersteuning van
cultuur mag niet worden gebruikt om politieke conformiteit af te dwingen of
onwelgevallige artistieke en wetenschappelijke uitingen uit te sluiten.
4.11. Maatschappelijke participatie van ouderen
Maatschappelijke ontplooiing is een levenslang proces. Zij
mag niet worden beperkt tot onderwijs in de jeugd of arbeid tijdens de
beroepsactieve levensfase. Ouderen behouden het recht kennis en vaardigheden te
ontwikkelen, aan cultuur en publieke besluitvorming deel te nemen en sociale
relaties te onderhouden.
Artikel 23 van het herziene Europees Sociaal Handvest
verlangt dat ouderen in staat worden gesteld zo lang mogelijk volwaardige leden
van de samenleving te blijven. Daarvoor zijn niet alleen een toereikend inkomen
en passende zorg nodig, maar ook informatie over diensten en mogelijkheden en
toegang tot educatieve, culturele en recreatieve voorzieningen.
Uitsluiting kan ontstaan door armoede, mobiliteitsproblemen,
ontoegankelijke gebouwen, digitalisering, verlies van openbaar vervoer,
leeftijdsdiscriminatie of het ontbreken van passende activiteiten. De overheid
moet dergelijke belemmeringen herkennen en waar redelijk wegnemen. Dit kan
maatregelen vereisen op het terrein van vervoer, digitale ondersteuning,
bibliotheken, volwasseneneducatie en toegankelijke publieke voorzieningen.
Voor ouderen die in instellingen wonen, geldt een verhoogde
verantwoordelijkheid. Een institutioneel verblijf mag niet betekenen dat
deelname aan sociale, culturele en democratische activiteiten feitelijk
eindigt. Bewoners moeten kunnen meebeslissen over hun leefomgeving, contact
onderhouden met de samenleving en toegang hebben tot informatie, cultuur en
recreatie.
4.12. Maatschappelijke participatie van personen met een beperking
Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een
handicap verbindt onderwijs uitdrukkelijk met effectieve deelname aan een vrije
samenleving. Artikel 30 beschermt daarnaast het recht op gelijke deelname aan
cultuur, recreatie, vrijetijdsbesteding en sport. Personen met een beperking
moeten toegang hebben tot culturele materialen in toegankelijke formats en tot
plaatsen als theaters, musea, bioscopen, bibliotheken en sportvoorzieningen.
Ook moet hun eigen artistieke, creatieve en intellectuele potentieel kunnen
worden ontwikkeld en benut.
Toegankelijkheid betreft zowel gebouwen als informatie,
communicatie, ticketverkoop, digitale platforms en vervoer. Ook kunnen
redelijke aanpassingen nodig zijn, zoals ondertiteling, audiodescriptie,
gebarentaal, prikkelarme voorzieningen of persoonlijke ondersteuning.
Het verdrag erkent tevens de culturele en taalkundige
identiteit van personen met een beperking, waaronder gebarentalen en
dovencultuur. Inclusie betekent daardoor niet dat specifieke identiteiten of
eigen organisatievormen moeten verdwijnen. Zij verlangt dat personen zelf
kunnen kiezen hoe zij deelnemen en niet door ontoegankelijke instituties tot
afzondering worden gedwongen.
Maatschappelijke participatie vereist bovendien
betrokkenheid bij beleid dat personen met een beperking raakt. Zij moeten niet
uitsluitend ontvangers van voorzieningen zijn, maar mede vormgevers van
onderwijs, cultuur, zorg, toegankelijkheid en publieke ruimte. Dit sluit aan
bij het uitgangspunt van de polycentrisch corrigeerbare democratie dat
institutionele kennis mede moet worden ontleend aan de ervaringen van degenen
die de gevolgen van beleid ondervinden.
4.13. Constitutionele betekenis
Het internationale kader ondersteunt een samenhangende, maar
gedifferentieerde constitutionele regeling. Artikel 23 moet het individuele
recht op onderwijs explicieter erkennen en verbinden met toegankelijkheid,
inclusiviteit, kwaliteit en gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. Tegelijkertijd
moeten de bestaande vrijheden van richting, stichting en inrichting herkenbaar
behouden blijven.
Een dergelijke herziening mag artikel 23 niet omvormen tot
een onbeperkte individuele aanspraak op een bepaalde school, onderwijsmethode
of opleiding. De wetgever behoudt ruimte voor leerplicht, toelatingseisen,
kwaliteitsnormen, bekostigingsvoorwaarden en inrichting van het
onderwijsstelsel. Die ruimte wordt begrensd door de minimumkern van het
onderwijsrecht, non-discriminatie, het belang en de waardigheid van het kind en
de eis dat beperkingen noodzakelijk en evenredig zijn.
Voor maatschappelijke en culturele ontplooiing ligt een
afzonderlijke bepaling meer voor de hand. Het onderwerp heeft een eigen
reikwijdte en mag niet worden gereduceerd tot onderwijs of
inkomensondersteuning. Een constitutionele bepaling kan de overheid opdragen
voorwaarden te scheppen voor maatschappelijke en culturele ontwikkeling en voor
gelijkwaardige deelname aan cultuur, wetenschap, recreatie en
gemeenschapsleven.
Daarbij kan worden gekozen voor een overwegend objectieve
zorgplicht, aangevuld met onmiddellijk geldende aanspraken op non-discriminatie
en toegankelijkheid. Niet ieder individu heeft daarmee recht op een specifieke
culturele voorziening of subsidie, maar de overheid moet een pluralistische en
toegankelijke maatschappelijke infrastructuur in stand houden en structurele
uitsluiting tegengaan.
Zo ontstaat een stelsel waarin artikel 20 de financiële
bestaansbasis waarborgt, artikel 23 het recht op onderwijs en de vrijheid van
onderwijs beschermt en een afzonderlijk artikel de voorwaarden voor
maatschappelijke en culturele ontplooiing regelt. Deze differentiatie voorkomt
dat alle sociale grondrechten in één algemene bepaling worden samengebracht en
maakt per domein een passende verhouding mogelijk tussen individuele
aanspraken, institutionele vrijheid en democratische beleidsruimte.
Internationale en rechtsvergeijkend
overzicht
1. Persoons- en groepsgerichte verdragen
De algemene internationale sociale grondrechten worden nader
geconcretiseerd in verdragen die bijzondere aandacht besteden aan personen en
groepen die structureel een verhoogd risico lopen op armoede, uitsluiting of
ontoereikende toegang tot essentiële voorzieningen. Deze instrumenten moeten
niet worden opgevat als een verzameling voorrechten voor afzonderlijke groepen.
Zij maken zichtbaar dat een formeel algemeen stelsel niet voor iedereen
dezelfde feitelijke bescherming oplevert. Leeftijd, beperking, geslacht,
herkomst, arbeidspositie en verblijfsstatus kunnen de toegang tot inkomen,
zorg, huisvesting, onderwijs en sociale zekerheid wezenlijk beïnvloeden.
Persoons- en groepsgerichte verdragen vullen algemene
sociale rechten daarom vooral op vier manieren aan. Zij verbieden directe en
indirecte discriminatie, verplichten tot positieve of specifieke maatregelen,
stellen aanvullende eisen aan toegankelijkheid en participatie en vragen
aandacht voor de cumulatie van achterstanden. Daarbij verschuift het
perspectief van abstract gelijke aanspraken naar de vraag of mensen hun rechten
daadwerkelijk kunnen benutten.
1.1 Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
beschouwt het kind als een zelfstandige drager van rechten. Artikel 2 verbiedt
discriminatie, artikel 3 verlangt dat het belang van het kind een eerste
overweging vormt en artikel 4 verplicht staten om voor economische, sociale en
culturele rechten maatregelen te treffen met gebruikmaking van de maximaal
beschikbare middelen. Artikel 12 waarborgt bovendien dat kinderen worden
gehoord in aangelegenheden die hen betreffen.
Deze algemene beginselen worden geconcretiseerd in onder
meer het recht op gezondheid, sociale zekerheid, een toereikende
levensstandaard, onderwijs, ontwikkeling en deelname aan spel en cultuur.
Artikel 27 legt de primaire verantwoordelijkheid voor de levensomstandigheden
van het kind bij ouders en verzorgers, maar verplicht de overheid hen daarbij
te ondersteunen en, wanneer dat nodig is, materiële bijstand en
ondersteuningsprogramma’s te bieden, in het bijzonder ten aanzien van voeding,
kleding en huisvesting.
Het IVRK betekent dat beslissingen over uitkeringen,
terugvordering, huisuitzetting, jeugdzorg, passend onderwijs en gezondheidszorg
niet uitsluitend vanuit de juridische of financiële positie van volwassenen
mogen worden beoordeeld. Ook de zelfstandige gevolgen voor kinderen moeten
zichtbaar worden gemaakt. Een sanctie tegen een ouder kan bijvoorbeeld formeel
op die ouder zijn gericht, maar materieel leiden tot voedselonzekerheid,
gezondheidsproblemen, onderwijsachterstand of woningverlies van het kind.
Het belang van het kind verlangt daarom
kindeffectbeoordelingen bij beleid dat het bestaansminimum raakt. Verder moeten
procedures toegankelijk zijn voor kinderen en hun vertegenwoordigers, moet
continuïteit van essentiële voorzieningen worden beschermd en moeten
laagdrempelige mogelijkheden bestaan om fouten en tekortkomingen aan de orde te
stellen. De bijzondere bescherming van kinderen vormt daarmee geen uitzondering
op algemene sociale rechten, maar een concretisering van wat een menswaardig
bestaansminimum betekent voor personen die voor hun ontwikkeling afhankelijk
zijn van anderen.
1.2 Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een
handicap
Het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een
handicap doorbreekt een uitsluitend medisch of verzorgend perspectief.
Beperkingen ontstaan volgens het verdragsmodel mede door de wisselwerking
tussen individuele kenmerken en fysieke, sociale, digitale en institutionele
barrières. Menselijke waardigheid, persoonlijke autonomie, non-discriminatie,
maatschappelijke participatie, gelijke kansen en toegankelijkheid behoren
daarom tot de centrale verdragsbeginselen.
Het verdrag concretiseert sociale rechten onder meer door
het recht op zelfstandig leven en deelname aan de gemeenschap, inclusief
onderwijs, gezondheidszorg, werk, sociale bescherming, behoorlijke huisvesting
en culturele participatie te erkennen. Artikel 28 waarborgt een behoorlijke
levensstandaard en sociale bescherming, waaronder toegang tot schoon water,
passende diensten, sociale beschermingsprogramma’s en volkshuisvesting.
Van bijzondere betekenis is het onderscheid tussen algemene
toegankelijkheid en redelijke aanpassingen. Toegankelijkheid verlangt dat
systemen vooraf zodanig worden ingericht dat mensen met uiteenlopende
beperkingen daarvan gebruik kunnen maken. Redelijke aanpassingen betreffen
individuele maatregelen die in een concreet geval noodzakelijk zijn, tenzij
deze een onevenredige belasting vormen. Het weigeren van een redelijke
aanpassing kan zelf discriminatie opleveren.
Dit heeft gevolgen voor fysieke voorzieningen, maar ook voor
aanvraagformulieren, digitale loketten, communicatie, onderwijsprogramma’s,
medische besluitvorming en bezwaarprocedures. Een sociale voorziening is niet
werkelijk toegankelijk wanneer zij uitsluitend digitaal kan worden aangevraagd,
wanneer communicatie voor mensen met een verstandelijke of zintuiglijke
beperking onbegrijpelijk is of wanneer ondersteuning afhankelijk wordt gesteld
van procedures die de betrokkene zonder hulp niet kan doorlopen.
Daarnaast verlangt het verdrag nauwe betrokkenheid van
personen met een handicap en hun representatieve organisaties bij beleid en
regelgeving die hen aangaan. Sociale bescherming moet dus niet alleen vóór,
maar ook mét betrokkenen worden vormgegeven. De overheid moet bovendien
regulerend optreden wanneer zorg, huisvesting, verzekeringen of andere
essentiële voorzieningen door private organisaties worden aangeboden.
1.3 Het Vrouwenverdrag
Het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van
discriminatie van vrouwen verplicht staten niet alleen discriminatie in
wetgeving te verwijderen, maar ook feitelijke ongelijkheid en discriminatie
door private personen en organisaties tegen te gaan. Tijdelijke bijzondere
maatregelen die zijn gericht op het versnellen van feitelijke gelijkheid gelden
volgens artikel 4 niet als verboden discriminatie.
Het Vrouwenverdrag concretiseert sociale rechten op het
terrein van onderwijs, arbeid, gelijke beloning, sociale zekerheid,
gezondheidszorg, gezinsuitkeringen, kredietverlening en culturele participatie.
Bijzondere aandacht bestaat voor zwangerschap en moederschap, voor vrouwen op
het platteland en voor de economische gevolgen van gezins- en zorgtaken.
Formeel neutrale socialezekerheids- en
arbeidsmarktregelingen kunnen vrouwen feitelijk benadelen. De combinatie van
deeltijdarbeid, onbetaalde zorg, sectorale beloningsverschillen, onderbroken
loopbanen en afhankelijke pensioenopbouw kan leiden tot structurele inkomens-
en vermogensachterstanden. Ook kunnen voorwaarden die uitgaan van een
traditioneel kostwinners- of gezinsmodel de zelfstandige bestaanszekerheid
aantasten.
De verdragsverplichtingen vragen daarom om onderzoek naar
genderspecifieke effecten, toegankelijke kinderopvang, bescherming bij
zwangerschap en moederschap, economische zelfstandigheid en adequate sociale
bescherming van personen met zorgtaken. Daarbij moet rekening worden gehouden
met intersectionaliteit: niet iedere vrouw ondervindt dezelfde risico’s.
Geslacht kan samenlopen met beperking, leeftijd, afkomst, armoede of
migratiestatus.
1.4 Het verbod van rassendiscriminatie
Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van rassendiscriminatie verplicht staten rassendiscriminatie op grond
van ras, huidskleur, afkomst en nationale of etnische afstamming te bestrijden.
Artikel 5 verbindt dit verbod uitdrukkelijk met economische en sociale rechten,
waaronder arbeid, huisvesting, gezondheidszorg, sociale zekerheid, sociale
dienstverlening en onderwijs. Zie de officiële tekst van het verdrag bij het
VN-Mensenrechtenbureau.
Het verdrag is niet uitsluitend gericht op openlijk
onderscheid. Ook institutionele praktijken en ogenschijnlijk neutrale regels
kunnen groepen structureel benadelen. Dat kan zich voordoen bij
woningtoewijzing, arbeidsbemiddeling, fraudeselectie, kredietverlening,
zorgverlening, onderwijsadvisering en geautomatiseerde risicoprofilering. De
beoordeling moet daarom niet alleen betrekking hebben op de bedoeling van een
maatregel, maar ook op zijn feitelijke effecten.
Specifieke maatregelen ter opheffing van structurele
achterstanden kunnen onder voorwaarden gerechtvaardigd zijn. Zij moeten gericht
zijn op daadwerkelijke gelijkheid, proportioneel zijn en worden beëindigd
wanneer hun doel is bereikt. Om achterstanden zichtbaar te maken kunnen
uitgesplitste gegevens nodig zijn, mits daarbij privacy, zelfidentificatie en
het voorkomen van stigmatisering worden gewaarborgd.
Nationaliteit en verblijfsstatus mogen niet zonder meer met
ras of etnische afkomst worden gelijkgesteld. Niettemin kunnen onderscheidingen
naar nationaliteit of verblijf indirect een raciaal of etnisch effect hebben.
Bovendien blijven zij onderworpen aan andere mensenrechtelijke normen,
waaronder proportionaliteit, menselijke waardigheid en de bescherming van een
minimaal bestaansniveau.
1.5 ILO-verdragen en internationale arbeidsnormen
De Internationale Arbeidsorganisatie verbindt sociale
bescherming aan waardige arbeid. Haar verdragen en aanbevelingen bestrijken
onder meer sociale zekerheid, gelijke beloning, discriminatie in arbeid en
beroep, bescherming van het moederschap, arbeidsmigratie, huishoudelijk werk en
de combinatie van arbeid en gezinsverantwoordelijkheden. De juridische
gebondenheid aan een ILO-verdrag is afhankelijk van ratificatie; aanbevelingen
hebben vooral richtinggevende betekenis[15].
ILO-Verdrag nr. 102 bevat minimumnormen voor onder meer
medische zorg, ziekte, werkloosheid, ouderdom, arbeidsongevallen, gezinslasten,
moederschap, invaliditeit en overlijden. Aanbeveling nr. 202 vult dit aan met
het concept van een nationale sociale beschermingsvloer: iedereen moet
gedurende de levensloop toegang hebben tot essentiële gezondheidszorg en een
basale inkomenszekerheid.
Andere relevante instrumenten zijn de verdragen over gelijke
beloning en discriminatie, werknemers met gezinsverantwoordelijkheden,
moederschapsbescherming, migrerende werknemers en huishoudelijk personeel. Deze
normen maken zichtbaar dat arbeidsrecht en bestaanszekerheid niet van elkaar
kunnen worden gescheiden. Uitsluiting van platformwerkers, tijdelijke
werknemers, huishoudelijk personeel, arbeidsmigranten of bepaalde zelfstandigen
van arbeidsrechtelijke bescherming werkt immers rechtstreeks door in hun toegang
tot ziekteverzekering, arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen,
werkloosheidsbescherming en pensioen.
De ILO-normen verlangen daarom aandacht voor de functionele
werkelijkheid van arbeidsverhoudingen. Niet uitsluitend de contractuele
kwalificatie, maar ook economische afhankelijkheid en feitelijke
gezagsuitoefening moeten bepalend zijn voor de toegang tot bescherming. De
opkomst van flexibele en digitale arbeidsvormen versterkt de noodzaak van een
sociale beschermingsvloer die niet volledig afhankelijk is van een traditionele
arbeidsovereenkomst.
1.6 Ouderen
Voor ouderen bestaat nog geen universeel bindend VN-verdrag
dat vergelijkbaar is met het IVRK of het VN-Verdrag handicap. De VN-Beginselen
voor oudere personen uit 1991 onderscheiden onafhankelijkheid, participatie,
zorg, zelfontplooiing en waardigheid. Zij noemen onder meer toegang tot
inkomen, voedsel, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, veilige
leefomstandigheden en maatschappelijke deelname[16].
Ook het Madrid International Plan of Action on Ageing vormt
een belangrijk, maar niet-bindend beleidskader. Het richt zich op de positie
van ouderen in ontwikkeling, gezondheid en welzijn en op ondersteunende
leefomgevingen[17].
De internationale bescherming is inmiddels in ontwikkeling.
De VN-Mensenrechtenraad stelde in april 2025 een intergouvernementele werkgroep
in met de opdracht een bindend internationaal instrument over de rechten van
ouderen op te stellen. De eerste inhoudelijke zitting van die werkgroep vond
plaats van 13 tot en met 17 juli 2026[18].
Voor ouderen concentreren de risico’s zich onder meer rond
inkomenszekerheid, ouderdomspensioen, toegang tot zorg, leeftijdsdiscriminatie,
digitale uitsluiting, passende huisvesting en bescherming binnen afhankelijke
of institutionele zorgrelaties. Bescherming mag daarbij niet uitsluitend
paternalistisch worden vormgegeven. Autonomie, beslissingsbekwaamheid,
maatschappelijke participatie en het recht om zo lang mogelijk zelfstandig te
leven moeten centraal blijven staan.
1.7 Migranten en hun gezinsleden
Internationale normen voor migranten bouwen voort op het
uitgangspunt dat fundamentele mensenrechten in beginsel toekomen aan iedereen
die zich onder de rechtsmacht van een staat bevindt. Het Internationaal Verdrag
inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun
gezinsleden bevat onder meer waarborgen voor arbeidsvoorwaarden, sociale
zekerheid, spoedeisende medische zorg en de toegang van kinderen tot
basisonderwijs. Het maakt daarbij onderscheid tussen rechten die aan alle migrerende
werknemers toekomen en verdergaande aanspraken voor migranten met een reguliere
verblijfspositie.
Ook de ILO-verdragen over migrerende werknemers richten zich
op gelijke behandeling, arbeidsomstandigheden, sociale zekerheid en de
bestrijding van misbruik bij werving en tewerkstelling[19].
Migranten kunnen extra kwetsbaar zijn door taalbarrières,
afhankelijkheid van een werkgever, gekoppelde huisvesting, niet-overdraagbare
sociale aanspraken, beperkte kennis van procedures en onzekerheid over
verblijfsrecht. Een formele aanspraak heeft weinig betekenis wanneer het
inroepen daarvan feitelijk tot verlies van arbeid, huisvesting of
verblijfszekerheid kan leiden.
Niet iedere differentiatie naar verblijf, premiebetaling of
duur van verbondenheid met een land is verboden. Voor contributieve of
verdergaande socialezekerheidsaanspraken kan onderscheid gerechtvaardigd zijn.
Voor de bescherming van menselijke waardigheid, noodzakelijke medische hulp, de
belangen van kinderen en een elementair bestaansminimum is een categorische
uitsluiting echter aanzienlijk moeilijker te rechtvaardigen. De
proportionaliteit van onderscheid moet daarom per voorziening en per beschermingsniveau
worden beoordeeld.
1.8 Vluchtelingen en asielzoekers
Het Vluchtelingenverdrag van 1951 en het Protocol van 1967
bevatten specifieke sociale waarborgen voor erkende vluchtelingen. Het
beschermt onder meer tegen discriminatie en bevat bepalingen over huisvesting,
onderwijs, publieke ondersteuning en sociale zekerheid. Rechtmatig verblijvende
vluchtelingen hebben voor publieke bijstand en ondersteuning in beginsel recht
op dezelfde behandeling als eigen onderdanen. Voor huisvesting en verschillende
onderwijsaanspraken gelden nader omschreven gelijkebehandelingsnormen.
De verdragsrechtelijke positie van erkende vluchtelingen
moet worden onderscheiden van die van asielzoekers. Asielzoekers ontlenen
bescherming aan algemene mensenrechten, het verbod van refoulement,
kinderrechten, regionale en Europese normen en regels over opvang. Ook hun
status kan niet rechtvaardigen dat menselijke waardigheid of noodzakelijke
levensbehoeften volledig worden veronachtzaamd.
Vluchtelingen en asielzoekers lopen bijzondere risico’s door
langdurige onzekerheid, traumatisering, taalproblemen, verlies van
documentatie, onderbroken opleiding, niet-erkenning van diploma’s en
afhankelijkheid van opvangvoorzieningen. Gelijkwaardige sociale bescherming kan
daarom aanvullende maatregelen vereisen, zoals toegankelijke informatie,
taalondersteuning, erkenning van kwalificaties, continuïteit van zorg en
bescherming tegen dakloosheid en langdurige uitsluiting van onderwijs of
arbeid.
1.9 Gemeenschappelijke constitutionele betekenis
De besproken instrumenten laten zien dat gelijke bescherming
niet steeds met identieke behandeling kan worden bereikt. Algemene sociale
rechten moeten worden geconcretiseerd aan de hand van de positie van degenen
voor wie institutionele, fysieke, economische of digitale drempels het grootst
zijn. Daaruit volgen enkele gemeenschappelijke constitutionele uitgangspunten.
Ten eerste moeten het menswaardige bestaansminimum en de
toegang tot essentiële voorzieningen in beginsel een ruim persoonlijk bereik
hebben. Voor verdergaande, contributieve aanspraken kan differentiatie mogelijk
blijven, mits deze een legitiem doel dient en noodzakelijk en evenredig is. Ten
tweede moet discriminatie niet alleen formeel, maar ook aan de hand van
structurele en cumulatieve effecten worden beoordeeld. Ten derde kunnen
positieve maatregelen, redelijke aanpassingen en toegankelijke procedures noodzakelijk
zijn om feitelijke gelijkwaardigheid te verwezenlijken. Ten vierde moet de
bescherming mede doorwerken wanneer sociale voorzieningen door gemeenten,
verzekeraars, woningcorporaties, werkgevers of andere private organisaties
worden uitgevoerd.
Daarbij moet worden voorkomen dat personen worden
gereduceerd tot vaste groepscategorieën. Kinderen, vrouwen, personen met een
beperking, ouderen, migranten en vluchtelingen vormen geen homogene groepen.
Hun positie wordt mede bepaald door de samenloop van inkomen, gezondheid,
leeftijd, gezinspositie, herkomst, geslacht, beperking en verblijfsstatus.
Constitutionele bescherming moet daarom voldoende algemeen zijn om nieuwe en
samengestelde vormen van uitsluiting te omvatten, maar voldoende concreet om daadwerkelijke
verplichtingen te scheppen.
Voor de voorgestelde herziening betekent dit dat artikel 20
een algemene bestaansondergrens moet waarborgen, terwijl de artikelen over
zorg, huisvesting en onderwijs de specifieke eisen van beschikbaarheid,
toegankelijkheid, betaalbaarheid, aanvaardbaarheid en kwaliteit nader regelen.
Artikel 1 en de algemene artikelen 1a–1d bieden daarbij het kader voor
materiële gelijkwaardigheid, positieve bescherming, non-regressie en effectief
rechtsherstel. Persoons- en groepsgerichte verdragen functioneren zo niet als
afzonderlijke uitzonderingsregimes, maar als interpretatieve maatstaven voor de
vraag wat universele sociale grondrechten in uiteenlopende maatschappelijke
posities concreet vereisen.
2. Rechtsvergelijkende modellen
De constitutionele bescherming van bestaanszekerheid en
sociale grondrechten verschilt sterk tussen staten. Sommige grondwetten
waarborgen uitsluitend een beperkte, rechtstreeks afdwingbare
bestaansondergrens. Andere erkennen ruimere rechten op sociale zekerheid, zorg,
huisvesting en onderwijs, maar laten de verwezenlijking daarvan grotendeels
over aan de wetgever. Een derde model combineert individuele aanspraken met
structurele verplichtingen tot het treffen van redelijke maatregelen. De
rechtsvergelijking laat daarmee zien dat de keuze niet eenvoudigweg bestaat
tussen volledig afdwingbare sociale rechten en niet-bindende
staatsdoelstellingen. Er zijn verschillende tussenvormen mogelijk waarin
minimumwaarborgen, beleidsruimte en rechterlijke controle worden gecombineerd.
2.1 Duitsland: menselijke waardigheid en het menswaardige bestaansminimum
Het Duitse Grundgesetz bevat, afgezien van enkele bijzondere
bepalingen, geen uitvoerige catalogus van sociale grondrechten. De
constitutionele bescherming van bestaanszekerheid is door het
Bundesverfassungsgericht afgeleid uit de verbinding tussen de onaantastbaarheid
van de menselijke waardigheid van artikel 1, eerste lid, en het
sociale-staatsbeginsel van artikel 20, eerste lid. Artikel 1, derde lid,
bepaalt bovendien dat de grondrechten wetgever, bestuur en rechter als
rechtstreeks geldend recht binden[20].
In zijn uitspraak van 9 februari 2010 over de zogenoemde
Hartz IV-regeling heeft het Bundesverfassungsgericht hieruit een grondrecht op
waarborging van een menswaardig bestaansminimum afgeleid. Dit recht omvat niet
alleen de middelen die noodzakelijk zijn voor het fysieke bestaan, maar ook een
minimum aan deelname aan het maatschappelijke, culturele en politieke leven.
Het recht komt toe aan iedere hulpbehoevende en is naar zijn grondslag niet
beschikbaar voor politieke afweging. De wetgever moet het bestaansminimum
daadwerkelijk waarborgen.
Daaruit volgt echter niet dat de rechter zelf het bedrag van
sociale uitkeringen vaststelt. De wetgever beschikt over beoordelingsruimte bij
de concretisering van behoeften en bij de keuze tussen geldelijke
voorzieningen, verstrekkingen en publieke diensten. Deze ruimte wordt
procedureel en inhoudelijk begrensd. De omvang van het bestaansminimum moet
worden vastgesteld aan de hand van actuele en betrouwbare gegevens, een
transparante berekeningsmethode en een realistische beoordeling van
noodzakelijke uitgaven. Een willekeurig vastgesteld of onvoldoende gemotiveerd
bedrag voldoet niet aan de Grondwet[21].
Het Duitse model combineert aldus een rechtstreeks
afdwingbare minimumkern met ruime wetgevende vrijheid boven dat minimum. De
rechter toetst niet uitsluitend of een bedrag evident ontoereikend is, maar ook
of de wetgever een deugdelijke methode heeft gevolgd en alle relevante
behoeften heeft betrokken. Als een regeling gebrekkig is, kan het
Bundesverfassungsgericht haar onverenigbaar met de Grondwet verklaren, de
wetgever een hersteltermijn geven en zo nodig een tijdelijke voorziening
treffen. In de Hartz IV-uitspraak bleven de bestaande bepalingen tijdelijk van
toepassing, terwijl de wetgever opdracht kreeg nieuwe regels vast te stellen en
bescherming te bieden voor bijzondere, onvermijdbare behoeften.
De kracht van dit model ligt in de harde constitutionele
ondergrens. De beperking is dat het Grundgesetz zelf weinig afzonderlijke
sociale rechten bevat. De bescherming van zorg, huisvesting en onderwijs moet
daardoor voor een belangrijk deel worden afgeleid uit menselijke waardigheid,
gelijkheid, persoonlijke vrijheid, wettelijke aanspraken en het
sociale-staatsbeginsel.
2.2 Finland: een gelaagde regeling van minimum en sociale bescherming
Artikel 19 van de Finse Grondwet bevat een duidelijk
gelaagde regeling. Het eerste lid geeft degene die niet zelf over de middelen
voor een menswaardig leven beschikt, een recht op de onmisbare bestaansmiddelen
en zorg. Het tweede lid draagt de wetgever op een recht op basale
bestaanszekerheid te waarborgen bij onder meer werkloosheid, ziekte,
arbeidsongeschiktheid, ouderdom, geboorte van een kind en verlies van een
kostwinner. Het derde lid verplicht de overheid adequate sociale en
gezondheidsdiensten te waarborgen. Het vierde lid draagt haar op het recht op
huisvesting en de mogelijkheid zelfstandig in huisvesting te voorzien te
bevorderen.
Deze opbouw maakt onderscheid tussen drie
beschermingsniveaus. De onmisbare bestaansmiddelen en zorg vormen een
onmiddellijke individuele aanspraak. De basale inkomensbescherming bij sociale
risico’s moet bij wet worden verzekerd. Voor sociale en gezondheidsdiensten en
huisvesting geldt een ruimere institutionele opdracht, waarvan de inhoud mede
door wetgeving en beleid wordt bepaald. Onderwijs is afzonderlijk beschermd in
artikel 16, waarin onder meer het recht op kosteloos basisonderwijs is
vastgelegd.
De Finse constitutionele controle heeft een bijzondere
institutionele structuur. De grondwettigheid van wetgeving wordt in belangrijke
mate vooraf beoordeeld door de constitutionele commissie van het parlement.
Rechters kunnen in een concreet geval voorrang geven aan de Grondwet wanneer
toepassing van een formele wet daarmee evident in strijd zou zijn. Lagere
regelgeving die in strijd is met de Grondwet of een wet mag buiten toepassing
worden gelaten. De overheid heeft daarnaast op grond van artikel 22 de algemene
plicht de verwezenlijking van grondrechten en mensenrechten te waarborgen.
Het Finse model is relevant omdat het een rechtstreeks
beschermde bestaansondergrens combineert met verdergaande, wettelijk te
concretiseren socialezekerheidsrechten en sectorspecifieke overheidsopdrachten.
Niet ieder sociaal belang wordt tot een onmiddellijk opeisbare prestatie
gemaakt. Tegelijkertijd voorkomt de afzonderlijke minimumwaarborg dat de
wetgever de elementaire bestaansbescherming volledig afhankelijk kan maken van
gewone politieke beleidskeuzes.
2.3. Zwitserland: een beperkt maar hard recht op hulp in noodsituaties
Artikel 12 van de Zwitserse Bondsgrondwet bepaalt dat
personen die in nood verkeren en niet in staat zijn voor zichzelf te zorgen,
recht hebben op hulp, zorg en de middelen die onmisbaar zijn voor een
menswaardig bestaan. Het betreft een rechtstreeks afdwingbaar grondrecht dat
aan iedere persoon toekomt en niet uitsluitend aan Zwitserse staatsburgers.
De aanspraak is bewust beperkt. Zij waarborgt geen algemeen
recht op een bepaald welvaartsniveau en evenmin een volledige aanspraak op alle
onderdelen van sociale zekerheid. Het gaat om bescherming tegen acute
bestaansnood: voeding, kleding, onderdak, elementaire medische zorg en andere
voorzieningen die noodzakelijk zijn om een mensonwaardige situatie te
voorkomen. De concrete uitvoering ligt grotendeels bij de kantons.
Naast dit individuele recht bevat de Zwitserse Grondwet
sociale doelstellingen, onder meer op het gebied van sociale zekerheid,
gezondheid, huisvesting, arbeid en onderwijs. Deze doelstellingen geven
richting aan wetgeving en bestuur, maar scheppen in beginsel geen rechtstreeks
afdwingbare individuele aanspraken. Daarmee bestaat een scherp onderscheid
tussen een justitiabele noodhulpwaarborg en bredere sociale
beleidsdoelstellingen.
De kracht van het Zwitserse model is zijn duidelijkheid. De
rechter kan een concreet minimum beschermen zonder het algemene sociale beleid
over te nemen. De beperking is dat het recht voornamelijk reageert op reeds
ingetreden nood. Het biedt minder houvast voor preventie van armoede,
structurele sociale uitsluiting, geleidelijke verbetering van voorzieningen of
bescherming tegen substantiële achteruitgang boven het absolute minimum.
2.4. België: menswaardig leven en het standstillbeginsel
Artikel 23 van de Belgische Grondwet bepaalt dat ieder het
recht heeft een menswaardig leven te leiden. De federale en deelstatelijke
wetgevers moeten daartoe economische, sociale en culturele rechten waarborgen
en de voorwaarden voor de uitoefening daarvan bepalen. Het artikel noemt onder
meer arbeid, sociale zekerheid, gezondheidszorg, sociale, medische en
juridische bijstand, behoorlijke huisvesting, een gezond leefmilieu, culturele
en maatschappelijke ontplooiing en gezinsbijslagen. Onderwijs wordt afzonderlijk
en sterker beschermd in artikel 24.
Artikel 23 biedt doorgaans niet zonder wettelijke
concretisering een rechtstreeks recht op een specifieke uitkering, woning of
medische behandeling. De bepaling bindt de bevoegde wetgevers echter wel. Uit
de rechtspraak van het Belgische Grondwettelijk Hof volgt een
standstillverplichting: de wetgever mag het bestaande beschermingsniveau niet
aanzienlijk verminderen zonder dat daarvoor redenen van algemeen belang bestaan
en de achteruitgang toereikend kan worden gerechtvaardigd. De intensiteit van
de toetsing hangt af van de aard van het recht, de omvang van de achteruitgang
en de motivering van de maatregel. Het Hof heeft de standstillverplichting
onder meer toegepast op sociale bijstand, juridische bijstand en
milieubescherming[22].
Het Belgische model kent daarmee geen scherp omschreven
individuele minimumkern zoals Duitsland, Finland of Zwitserland. De centrale
waarborg ligt in de combinatie van menselijke waardigheid, wetgevende positieve
verplichtingen, gelijkheid en bescherming tegen ongerechtvaardigde
achteruitgang. De rechter beoordeelt vooral of de wetgever binnen zijn ruime
beleidsvrijheid is gebleven en het bestaande beschermingsniveau niet zonder
voldoende rechtvaardiging heeft verminderd.
Voor het Nederlandse voorstel is vooral de systematiek
relevant. Een algemene bepaling over menswaardig leven wordt verbonden met
afzonderlijk genoemde sociale rechten. Daardoor wordt voorkomen dat
bestaanszekerheid alle sectorspecifieke rechten absorbeert. Tegelijkertijd laat
het Belgische model zien dat een algemene formulering zonder een duidelijk
minimum en zonder nadere criteria voor vooruitgang en achteruitgang
betrekkelijk open kan blijven.
2.5 Zuid-Afrika: redelijke maatregelen en structurele beleidstoetsing
De Zuid-Afrikaanse Grondwet bevat rechtstreeks geformuleerde
sociale grondrechten. Artikel 26 beschermt het recht op toegang tot behoorlijke
huisvesting. Artikel 27 omvat toegang tot gezondheidszorg, voldoende voedsel en
water, sociale zekerheid en sociale bijstand. De staat moet redelijke
wettelijke en andere maatregelen treffen om deze rechten, binnen de beschikbare
middelen, geleidelijk te verwezenlijken. Artikel 29 beschermt het recht op
onderwijs, waarbij basisonderwijs een sterkere en onmiddellijker aanspraak
vormt.
Het Constitutionele Hof heeft deze rechten ontwikkeld aan de
hand van een redelijkheidstoets. In Grootboom oordeelde het Hof dat een
huisvestingsprogramma niet redelijk is wanneer het geen adequate voorziening
bevat voor mensen die in een acute noodsituatie verkeren. Een programma moet
samenhangend, flexibel, uitvoerbaar en behoorlijk gefinancierd zijn en rekening
houden met zowel korte- als langetermijnbehoeften. De rechter beoordeelt niet
alleen het bestaan van beleid, maar ook de inhoud, reikwijdte en daadwerkelijke
uitvoering daarvan[23].
In Treatment Action Campaign werd een overheidsbeleid
dat de beschikbaarheid van een geneesmiddel ter voorkoming van hiv-overdracht
van moeder op kind onredelijk beperkte, ongrondwettig verklaard. Het Hof
verplichtte de overheid de beperking op te heffen en het programma uit te breiden.
Tegelijkertijd verwierp het Hof een algemeen, zelfstandig afdwingbaar
minimumkernmodel. De minimumkern kan relevant zijn voor de beoordeling van
redelijkheid, maar de Grondwet geeft niet zonder meer ieder individu onmiddellijk
recht op een vooraf door de rechter bepaalde minimumhoeveelheid van iedere
voorziening[24].
Het Zuid-Afrikaanse model richt zich daardoor in sterke mate
op structurele toetsing. De rechter onderzoekt of de overheid een redelijk
programma heeft vastgesteld, of kwetsbare en dringend hulpbehoevende personen
daarin zijn betrokken, of verantwoordelijkheden duidelijk zijn verdeeld en of
het programma daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Beschikbare middelen zijn
relevant, maar vormen geen algemene ontsnappingsgrond. De overheid moet haar
keuzes onderbouwen en aantonen dat zij beschikbare middelen redelijk inzet.
De rechter kan wetgeving buiten toepassing stellen, beleid
onredelijk verklaren, uitsluitingen laten opheffen en de overheid verplichten
een programma te herzien. In passende gevallen kan hij de uitvoering blijven
volgen. Hij schrijft echter in beginsel niet zelf een volledige begroting of
sociaal programma voor. Zo wordt democratische beleidsruimte gecombineerd met
rechterlijke controle op uitsluiting, nalaten en institutionele incoherentie.
2.6 Portugal: een uitgebreide sociale constitutie
De Portugese Grondwet bevat een omvangrijke en
gedifferentieerde catalogus van economische, sociale en culturele rechten.
Artikel 63 waarborgt het recht op sociale zekerheid en verlangt een uniform en
gedecentraliseerd socialezekerheidsstelsel. Artikel 64 beschermt het recht op
gezondheid en verbindt dit aan een universele nationale gezondheidsdienst.
Artikel 65 erkent het recht op passende huisvesting en legt verbanden met
ruimtelijke ordening, sociale woningbouw en betaalbaarheid. De artikelen 73 en
74 beschermen onderwijs, cultuur, gelijke onderwijskansen en kosteloos
basisonderwijs. Daarnaast bestaan afzonderlijke bepalingen voor kinderen,
jongeren, personen met een beperking, ouderen en gezinnen[25].
Het Portugese model combineert individuele rechten met
gedetailleerde institutionele opdrachten. De Grondwet schrijft niet alleen
doelen voor, maar benoemt ook instrumenten en organisatievormen, zoals een
nationaal gezondheidsstelsel, sociale woningbouw, een gedecentraliseerd
socialezekerheidsstelsel en een publiek onderwijsnetwerk. Zij maakt daarmee
duidelijk welke publieke infrastructuur voor de verwezenlijking van sociale
rechten noodzakelijk wordt geacht.
Niet ieder onderdeel geeft echter recht op onmiddellijke
verstrekking van een concrete prestatie. De wetgever behoudt ruimte bij de
inrichting, financiering en fasering van sociale stelsels. Wel kunnen wetgeving
en bezuinigingsmaatregelen constitutioneel worden getoetst. Het Portugese
Constitutionele Hof heeft uit menselijke waardigheid en het recht op sociale
zekerheid een bescherming van een menswaardig minimuminkomen afgeleid. In
uitspraak 509/2002 erkende het Hof dat de wetgever vrijheid heeft bij de keuze
van instrumenten, maar niet de constitutionele bestaansondergrens mag wegnemen[26].
Het Constitutionele Hof kan normen in concrete en abstracte
procedures toetsen en de Grondwet kent bovendien toetsing van constitutioneel
nalaten. Remedies kunnen bestaan uit buiten toepassing laten, vernietiging met
algemene werking of het constateren van een wetgevingsverzuim. Het model biedt
daardoor zowel individuele als structurele bescherming. Het risico van de
Portugese benadering is dat een zeer gedetailleerde grondwettelijke regeling
verwachtingen kan oproepen die sterk afhankelijk blijven van wetgeving,
institutionele capaciteit en begrotingsmiddelen.
2.7 Spanje: sociale rechten als beginselen van sociaal en economisch beleid
De Spaanse Grondwet bevat in hoofdstuk III van titel I
zogenoemde beginselen van sociaal en economisch beleid. Daaronder vallen de
bescherming van gezinnen en kinderen, sociale zekerheid, gezondheid, cultuur,
milieu, huisvesting, ouderen en personen met een beperking. Artikel 41 verlangt
een publiek socialezekerheidsstelsel, artikel 43 erkent het recht op
bescherming van de gezondheid en artikel 47 het recht op behoorlijke en
passende huisvesting[27].
Volgens artikel 53, derde lid, geven deze beginselen
richting aan wetgeving, rechterlijke praktijk en overheidshandelen. Zij kunnen
echter slechts voor de rechter worden ingeroepen overeenkomstig de wetten die
hen nader uitwerken. Zij behoren niet tot de rechten waarvoor rechtstreeks het
bijzondere grondrechtenberoep van amparo openstaat.
De rechtstreekse afdwingbaarheid is daardoor beperkt. Zodra
de wetgever concrete aanspraken heeft gecreëerd, kunnen deze uiteraard voor de
rechter worden ingeroepen. Ook kunnen sociale beginselen een rol spelen bij
grondwetsconforme interpretatie, gelijkheidsbeoordeling en de afweging van
andere grondrechten. Zij bieden echter geen algemene individuele aanspraak op
een bepaalde sociale voorziening.
Het Spaanse model laat zien dat uitvoerige constitutionele
erkenning niet noodzakelijk tot sterke rechterlijke handhaving leidt. Het
waarborgt politieke en interpretatieve zichtbaarheid, maar laat de omvang van
bescherming grotendeels afhangen van gewone wetgeving. Een autonome minimumkern
of algemene non-regressienorm ontbreekt in de tekst van deze bepalingen.
2.8. Ierland: een terughoudend en niet-justitiabel model
Artikel 45 van de Ierse Grondwet bevat beginselen van
sociaal beleid, waaronder bevordering van algemeen welzijn,
bestaansmogelijkheden, bescherming van kwetsbare groepen en het voorkomen van
uitbuiting. De bepaling verklaart echter uitdrukkelijk dat deze beginselen
uitsluitend zijn bedoeld als algemene leiding voor de wetgever en niet door een
rechter kunnen worden beoordeeld.
De Ierse Grondwet bevat daarnaast wel afzonderlijk
afdwingbare rechten, onder meer op het terrein van onderwijs, gezin, gelijkheid
en persoonlijke rechten. Deze kunnen in concrete gevallen een sociale dimensie
hebben. Er bestaat echter geen algemene, rechtstreeks afdwingbare
constitutionele aanspraak op sociale zekerheid, gezondheidszorg, huisvesting of
een menswaardig bestaansminimum.
Dit model beschermt de begrotings- en beleidsvrijheid van
parlement en regering maximaal. Daar staat tegenover dat constitutionele
sociale beginselen weinig betekenis hebben wanneer de politieke meerderheid
langdurig tekortschiet of wanneer bepaalde groepen onvoldoende politieke
invloed hebben. Het model biedt daardoor slechts beperkte constitutionele
corrigeerbaarheid bij structurele sociale uitsluiting.
2.9. Vergelijkende beoordeling
De modellen kunnen als volgt worden samengevat:
|
Model |
Rechtstreekse aanspraak |
Minimumkern |
Geleidelijke verwezenlijking |
Rechterlijke toetsing en remedies |
|
Duitsland |
Ja, voor het menswaardige bestaansminimum |
Sterk en individueel |
Ruime beleidsvrijheid boven het minimum |
Inhoudelijke en procedurele toetsing; onverenigbaarheid,
hersteltermijn en tijdelijke voorziening |
|
Finland |
Ja, voor onmisbare bestaansmiddelen en zorg |
Uitdrukkelijk en individueel |
Verdere bescherming via wetgeving en overheidsopdrachten |
Vooral preventieve constitutionele controle; rechterlijke
voorrang bij evidente strijd |
|
Zwitserland |
Ja, voor hulp in acute nood |
Smal maar hard |
Brede sociale doelen niet rechtstreeks afdwingbaar |
Individueel herstel van elementaire nood |
|
België |
Beperkt zonder wettelijke concretisering |
Niet uitdrukkelijk afgebakend |
Positieve wetgevingsopdracht |
Standstilltoets, gelijkheidstoets en vernietiging |
|
Zuid-Afrika |
Recht op toegang en redelijke maatregelen |
Geen zelfstandige algemene minimumkernaanspraak |
Uitdrukkelijk, binnen beschikbare middelen |
Structurele redelijkheidstoets; herziening van beleid en
bindende herstelopdrachten |
|
Portugal |
Wisselend naar aard van het recht |
Menswaardig minimum mede uit waardigheid afgeleid |
Uitgebreide positieve en sectorspecifieke opdrachten |
Concrete en abstracte toetsing, vernietiging en
beoordeling van wetgevingsverzuim |
|
Spanje |
Vooral via uitvoeringswetgeving |
Geen algemene constitutionele minimumkern |
Beginselen sturen wetgever en bestuur |
Beperkte rechtstreekse inroepbaarheid; geen zelfstandig amparo |
|
Ierland |
In beginsel niet |
Geen algemene sociale minimumkern |
Politieke verantwoordelijkheid |
Sociale beleidsbeginselen zijn uitdrukkelijk
niet-justitiabel |
De vergelijking maakt drie fundamentele keuzes zichtbaar. De
eerste betreft het onderscheid tussen een onmiddellijke bestaansondergrens en
ruimere sociale bescherming. Duitsland, Finland en Zwitserland bieden
aanknopingspunten voor een rechtstreeks afdwingbaar menswaardig minimum.
Zuid-Afrika biedt vooral een model voor toetsing van het beleid waarmee verdergaande
sociale rechten geleidelijk worden verwezenlijkt.
De tweede keuze betreft de verhouding tussen algemene en
sectorspecifieke rechten. België en Portugal laten zien dat een algemene
waarborg voor menswaardig leven of sociale zekerheid kan worden gecombineerd
met afzonderlijke rechten op zorg, huisvesting en onderwijs. Deze
differentiatie voorkomt dat één algemene bepaling wordt overbelast en maakt het
mogelijk per sector andere eisen te stellen aan beschikbaarheid,
toegankelijkheid, betaalbaarheid, kwaliteit en continuïteit.
De derde keuze betreft de rechterlijke rol. Een rechter kan
de hoogte van uitkeringen en de inrichting van voorzieningen grotendeels aan de
wetgever laten en toch betekenisvolle controle uitoefenen. Hij kan toetsen of
een minimum wordt geëerbiedigd, of de besluitvorming op betrouwbare gegevens
berust, of kwetsbare groepen niet worden uitgesloten, of beleid samenhangend en
uitvoerbaar is en of substantiële achteruitgang voldoende wordt
gerechtvaardigd. Remedies kunnen worden afgestemd op de aard van de schending:
een individuele prestatie bij aantasting van het minimum, vernietiging of
buiten toepassing laten bij een onrechtmatige uitsluiting en een structurele
herstelopdracht bij gebrekkig beleid.
2.10 Betekenis voor het Nederlandse voorstel
Voor Nederland ligt een gecombineerd model het meest voor de
hand. Het Duitse, Finse en Zwitserse voorbeeld ondersteunt een rechtstreeks
afdwingbare constitutionele ondergrens: niemand mag door overheidsbeleid,
sanctionering, verrekening of terugvordering beneden het menswaardige
bestaansminimum terechtkomen. Het Zuid-Afrikaanse model biedt daarnaast een
bruikbaar kader voor verdergaande sociale bescherming: de overheid moet
redelijke en passende maatregelen treffen, beschikbare middelen doelgericht inzetten,
prioriteit geven aan ernstige nood en haar beleid voortdurend evalueren.
Het Belgische standstillmodel ondersteunt het voorgestelde
artikel 1d. Een aanzienlijke achteruitgang van sociale bescherming hoeft niet
absoluut te worden verboden, maar moet berusten op een voldoende wettelijke
grondslag, een zwaarwegende motivering en onderzoek naar minder bezwarende
alternatieven. Portugal laat ten slotte zien waarom algemene bestaanszekerheid
moet worden aangevuld met zelfstandige grondrechten op zorg, huisvesting en
onderwijs.
De Spaanse en Ierse modellen maken daarentegen duidelijk
welk risico ontstaat wanneer sociale rechten hoofdzakelijk als politieke
programmanormen worden geformuleerd. Zij kunnen richting geven aan beleid, maar
bieden weinig bescherming wanneer wetgeving achterblijft, bestaande
voorzieningen ontoegankelijk zijn of politieke besluitvorming structurele
uitsluiting onvoldoende corrigeert.
Voor de Nederlandse herziening verdient daarom een gelaagde
systematiek de voorkeur:
- een
onmiddellijk te waarborgen en rechtstreeks inroepbaar menswaardig
bestaansminimum;
- een
wettelijk te concretiseren recht op adequate sociale zekerheid en sociale
bijstand;
- een
verplichting tot redelijke en geleidelijke verwezenlijking van ruimere
sociale bescherming;
- afzonderlijke
grondrechten op zorg, huisvesting en onderwijs;
- bescherming
tegen ongerechtvaardigde regressie;
- gedifferentieerde
rechterlijke remedies, met behoud van democratische en budgettaire
beoordelingsruimte.
De rechter behoort daarbij niet zelf de sociale begroting
vast te stellen. Hij moet wel kunnen verlangen dat de wetgever het minimum
daadwerkelijk waarborgt, keuzes op betrouwbare gegevens baseert, de gevolgen
voor kwetsbare groepen onderzoekt en structurele tekortkomingen binnen een
redelijke termijn herstelt. Zo worden sociale grondrechten niet gereduceerd tot
symbolische beleidsdoelen, zonder dat de rechter de verantwoordelijkheid voor
sociaal en economisch beleid van de democratische wetgever overneemt.
3. Betekenis voor het Nederlandse ontwerp
Het internationale en rechtsvergelijkende materiaal
ondersteunt een gelaagde constitutionele bescherming van sociale grondrechten.
Daarbij moeten drie niveaus worden onderscheiden: een onmiddellijk te
beschermen minimumkern, een verplichting tot geleidelijke verwezenlijking van
ruimere sociale bescherming en zelfstandige sectorspecifieke rechten op zorg,
wonen en onderwijs. Deze driedeling voorkomt zowel dat sociale grondrechten
niet meer zijn dan vrijblijvende beleidsopdrachten als dat zij worden uitgelegd
als onbeperkte individuele aanspraken waarvan inhoud en omvang volledig door de
rechter zouden worden bepaald.
3.1. Een onmiddellijk te beschermen minimumkern
Het eerste uitgangspunt is dat ieder recht heeft op de
materiële voorwaarden die onmisbaar zijn voor een menswaardig bestaan. Het
Duitse, Finse en Zwitserse model laten zien dat een dergelijke ondergrens
constitutioneel kan worden beschermd zonder dat de rechter de gehele sociale
zekerheid of de rijksbegroting gaat vormgeven. Het gaat om een beperkte maar
harde waarborg tegen situaties waarin iemand niet langer kan beschikken over
noodzakelijke voeding, kleding, onderdak, energie, hygiëne, elementaire gezondheidszorg
en mogelijkheden tot minimale maatschappelijke participatie.
Deze minimumkern moet onmiddellijk worden geëerbiedigd. De
overheid kan zich bij een concrete aantasting daarvan niet uitsluitend beroepen
op geleidelijke verwezenlijking, uitvoeringsproblemen of algemene budgettaire
overwegingen. Dat betekent niet dat iedereen zonder voorwaarden recht heeft op
iedere denkbare voorziening. Bijstand mag afhankelijk worden gesteld van
behoefte, beschikbare eigen middelen en redelijke medewerkingsverplichtingen.
Ook kan de wetgever bepalen in welke vorm ondersteuning wordt verleend. De
toepassing van voorwaarden, sancties, verrekening, invordering en
terugvordering mag echter niet tot gevolg hebben dat het menswaardige
bestaansminimum feitelijk verloren gaat.
De minimumkern heeft zowel een financiële als een materiële
en procedurele dimensie. Een wettelijk vastgesteld bedrag is niet voldoende
wanneer de betrokkene de voorziening door ingewikkelde aanvraagprocedures,
lange beslistermijnen, gegevensfouten of digitale ontoegankelijkheid niet
daadwerkelijk ontvangt. De constitutionele ondergrens verlangt daarom ook
continuïteit, tijdige besluitvorming, de mogelijkheid van voorschotten en
snelle correctie van fouten. In acute gevallen moet voorlopige bescherming beschikbaar
zijn.
De rechter moet kunnen beoordelen of de ondergrens in een
concreet geval is aangetast. Daarbij hoeft hij niet zelfstandig een algemeen
sociaal minimum vast te stellen. Hij kan toetsen of de wettelijke
berekeningsmethode actueel, inzichtelijk en realistisch is, of noodzakelijke
behoeften zijn meegewogen en of de toepassing van de regeling in het
individuele geval menswaardige bestaansvoorwaarden intact laat. Bij een
schending kan rechtsherstel bestaan uit het buiten toepassing laten van een
sanctie of verrekening, het treffen van een voorlopige voorziening, het
herstellen van een uitkering of het opdragen van een nieuwe beoordeling.
3.2. Geleidelijke verwezenlijking van ruimere sociale bescherming
Het tweede uitgangspunt is dat sociale grondrechten niet bij
de minimumkern eindigen. Een samenleving die uitsluitend bescherming biedt
tegen acute ontbering, maar geen toegankelijke sociale zekerheid,
gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs organiseert, waarborgt onvoldoende
voorwaarden voor autonomie en maatschappelijke participatie. De overheid moet
daarom redelijke en passende maatregelen treffen om ruimere sociale bescherming
geleidelijk te verwezenlijken.
Geleidelijke verwezenlijking betekent niet dat de overheid
de uitvoering voor onbepaalde tijd mag uitstellen. Zij verlangt dat concrete,
doelgerichte en samenhangende maatregelen worden getroffen, dat prioriteiten
worden gemotiveerd en dat de voortgang periodiek wordt beoordeeld. Beleid moet
rekening houden met personen die de grootste achterstanden of de meest urgente
behoeften hebben. Ook moet worden onderzocht of financiële, fysieke, digitale,
regionale of administratieve drempels de feitelijke toegang tot voorzieningen
belemmeren.
De wetgever behoudt daarbij aanzienlijke beleids- en
begrotingsruimte. Hij bepaalt de vormgeving van socialezekerheidsstelsels, de
hoogte en financiering van voorzieningen, de verdeling van
verantwoordelijkheden en de verhouding tussen publieke en private uitvoering.
Constitutionele toetsing richt zich in de eerste plaats op de redelijkheid en
samenhang van deze keuzes. Relevante vragen zijn of de overheid daadwerkelijk
maatregelen heeft getroffen, of deze op betrouwbare informatie berusten, of
beschikbare middelen doelgericht worden ingezet, of ernstige uitsluitingen
worden voorkomen en of het beleid regelmatig wordt aangepast aan veranderende
omstandigheden.
Het internationaalrechtelijke begrip “maximaal beschikbare
middelen” kan niet ongewijzigd in de Grondwet worden overgenomen. Het begrip
biedt weinig houvast voor de verdeling van schaarse middelen over verschillende
publieke taken en zou de rechter kunnen dwingen algemene begrotingsprioriteiten
te beoordelen. Bovendien is moeilijk objectief vast te stellen wanneer de
beschikbare middelen maximaal zijn benut. Belastingen, schuldfinanciering,
herschikking van uitgaven en institutionele hervormingen maken de omvang van
beschikbare middelen mede afhankelijk van politieke keuzes.
Voor de Nederlandse Grondwet ligt daarom een formulering in
termen van “redelijke en passende maatregelen” meer voor de hand. Bij de
beoordeling daarvan kunnen beschikbare financiële en bestuurlijke middelen als
relevante factor worden meegewogen. Een beroep op beperkte middelen moet echter
concreet worden gemotiveerd. Het mag niet dienen als algemene rechtvaardiging
voor langdurig stilzitten, willekeurige uitsluiting of aantasting van het
menswaardige minimum. Naarmate de gevolgen ernstiger zijn en het betrokken
recht dichter bij zijn minimumkern komt, moet de motiveringslast zwaarder zijn.
Ook artikel 1d over non-regressie is hier van betekenis.
Geleidelijke verwezenlijking sluit beleidswijzigingen en bezuinigingen niet
uit. Een aanzienlijke vermindering van het bereikte beschermingsniveau vereist
echter een toereikende wettelijke grondslag en een zwaarwegende motivering. De
wetgever moet aantonen dat de maatregel noodzakelijk en evenredig is, dat
minder bezwarende alternatieven zijn onderzocht en dat de minimumkern behouden
blijft.
3.3. Zelfstandige sectorspecifieke rechten
Het derde uitgangspunt is dat algemene bestaanszekerheid
niet alle sociale grondrechten kan omvatten. Inkomen is een noodzakelijke, maar
niet voldoende voorwaarde voor toegang tot zorg, wonen en onderwijs. Wanneer
woningen niet beschikbaar zijn, zorgvoorzieningen ontoereikend zijn of scholen
feitelijk ontoegankelijk zijn, kan financiële ondersteuning het tekort niet
volledig compenseren. Deze domeinen vragen daarom om zelfstandige
grondwettelijke bescherming.
Artikel 20 moet zich concentreren op bestaanszekerheid,
sociale zekerheid, sociale bijstand en bescherming tegen armoede en sociale
uitsluiting. Het artikel kan de algemene financiële en sociale bestaansbasis
waarborgen, maar behoort geen gedetailleerde normen voor zorg, huisvesting en
onderwijs te bevatten. Anders zou het artikel te breed en juridisch
onoverzichtelijk worden en zouden de eigen kenmerken van deze voorzieningen
onvoldoende tot uitdrukking komen.
Voor gezondheid en zorg moet een afzonderlijke bepaling
eisen stellen aan beschikbaarheid, toegankelijkheid, betaalbaarheid, kwaliteit
en continuïteit. Het internationaalrechtelijke begrip “het hoogst haalbare
niveau van gezondheid” biedt daarbij een belangrijk richtsnoer, maar is als
zelfstandige Nederlandse grondwetsformulering te onbepaald. Gezondheid wordt
immers mede beïnvloed door individuele, biologische, sociale en ecologische
factoren die de overheid niet volledig kan beheersen. Een constitutioneel recht
kan daarom geen recht op gezondheid als resultaat waarborgen. Het moet
betrekking hebben op toegang tot passende gezondheidsbevordering, preventie,
behandeling, verzorging en ondersteuning.
Voor huisvesting moet de Grondwet verder gaan dan de
bestaande opdracht om voldoende woongelegenheid te bevorderen. Een afzonderlijk
recht op behoorlijke huisvesting kan betrekking hebben op beschikbaarheid,
betaalbaarheid, bewoonbaarheid, toegankelijkheid en woonzekerheid. Daaruit
volgt niet dat ieder individu onmiddellijk een woning van een zelfgekozen type
of op een zelfgekozen locatie kan opeisen. De bepaling verplicht de overheid
wel een samenhangend woonbeleid te voeren, dakloosheid en ernstige woonnood te
bestrijden en bij woningverlies de betrokken belangen en persoonlijke gevolgen
zorgvuldig af te wegen.
Het recht op onderwijs moet de institutionele vrijheid van
onderwijs verbinden met de individuele aanspraak op toegankelijk, inclusief en
kwalitatief toereikend onderwijs. Artikel 23 behoort daarom niet uitsluitend de
verhouding tussen openbaar en bijzonder onderwijs en de vrijheid van richting,
stichting en inrichting te regelen. Het moet tevens duidelijk maken dat ieder
recht heeft op onderwijs en op gelijkwaardige ontwikkelingsmogelijkheden. De
wettelijke uitwerking kan rekening houden met leeftijd, onderwijsniveau,
draagkracht en de bijzondere kenmerken van onderwijsinstellingen.
3.4. Constitutionele normering en wettelijke concretisering
Niet iedere internationale norm kan woordelijk in de
Grondwet worden opgenomen. Internationale verdragen zijn geschreven voor
uiteenlopende staten met verschillende bestuurlijke, economische en
constitutionele stelsels. Begrippen als “maximaal beschikbare middelen”,
“hoogst haalbare gezondheidsniveau”, “adequate huisvesting” en “voortdurende
verbetering van levensomstandigheden” bieden belangrijke interpretatieve
maatstaven, maar moeten worden aangepast aan de Nederlandse verhoudingen.
De Grondwet behoort de normatieve ondergrens, de richting
van ontwikkeling en de belangrijkste institutionele verantwoordelijkheden vast
te leggen. De wetgever blijft verantwoordelijk voor de precieze omvang van
aanspraken, financieringsmodellen, uitvoeringsorganisaties, kwaliteitseisen,
toelatingsvoorwaarden en verdeling van taken tussen Rijk, gemeenten,
zelfstandige bestuursorganen en private uitvoerders. Deze wettelijke
concretisering mag de grondwettelijke bescherming echter niet leegmaken.
Daarom moet bij ieder sociaal grondrecht worden
onderscheiden tussen:
- de
onmiddellijk te respecteren minimumkern;
- de
verdergaande positieve verplichting tot redelijke en geleidelijke
verwezenlijking;
- de
institutionele opdracht om een toegankelijk en bestendig stelsel in stand
te houden;
- de
beleids- en begrotingsruimte van wetgever en bestuur;
- de
rechtsbescherming tegen individuele en structurele schendingen.
De artikelen 1a–1d bieden hiervoor het algemene kader.
Artikel 1a bepaalt welke publieke organen zijn gebonden en wanneer bescherming
tegen private machtsuitoefening noodzakelijk is. Artikel 1b bevat het
beperkings- en proportionaliteitskader en beschermt de wezenlijke inhoud.
Artikel 1c erkent positieve verplichtingen en waarborgt effectief rechtsherstel.
Artikel 1d beschermt tegen ongerechtvaardigde achteruitgang. De artikelen 20,
22 en 23 concretiseren vervolgens de inhoud van de afzonderlijke sociale
grondrechten.
3.5. Gedifferentieerde rechterlijke toetsing
De gelaagde systematiek verlangt een eveneens
gedifferentieerde rechterlijke toetsing. Bij aantasting van het menswaardige
bestaansminimum moet de toetsing intensief zijn en effectief individueel
herstel mogelijk maken. Bij ruimere positieve verplichtingen moet de rechter
terughoudender beoordelen of de wetgever een redelijk, samenhangend en
niet-discriminerend stelsel heeft ingericht. Bij structurele tekortkomingen
ligt niet steeds een individuele prestatieopdracht voor de hand, maar kunnen
een verklaring van onverenigbaarheid, een hersteltermijn of een opdracht tot
heroverweging passend zijn.
De rechter beoordeelt daarmee niet welke sociale ordening
politiek optimaal is. Hij bewaakt of de constitutionele ondergrens wordt
geëerbiedigd, of de wetgever zijn verantwoordelijkheid daadwerkelijk neemt en
of beleids- en begrotingskeuzes voldoende rekening houden met menselijke
waardigheid, materiële gelijkwaardigheid en de positie van mensen die
afhankelijk zijn van publieke voorzieningen.
De internationale en rechtsvergelijkende analyse ondersteunt
zo een Nederlands model dat sterker is dan een uitsluitend programmatische
zorgplicht, maar terughoudender dan een stelsel waarin iedere sociale behoefte
onmiddellijk als individuele prestatie kan worden opgeëist. Het resultaat is
een constitutionele architectuur waarin het minimum direct wordt beschermd,
ruimere sociale bescherming doelgericht wordt ontwikkeld en zorg, wonen en
onderwijs ieder een eigen, juridisch herkenbare plaats behouden.
Lees het voledige voorstel:
[1] Kabinetsantwoord
over artikel 20, derde lid: https://www.denederlandsegrondwet.nl/node/16915
[3] UN
Committee On Economic, Social and Cultural Rights, General Comment no. 19: The
right to social security (art. 9) November 2007
[4] UN
International Human Rights instruments, Compilation of the general comments or
general recommendations adopted, respectively, by the Committee on Economic,
Social and Cultural Rights, the Human Rights Committee, the Committee on the
Elimination of Racial Discrimination, the Committee on the Elimination of
Discrimination against Women, the Committee against Torture and the Committee
on the Rights of the Child, 26 April 2001
[5] ILO,
Recommendation concerning national floors of social protection, 2012
[6] CESCR,
General Comment nr. 14
[7] Council
of Europe, Ensure healthy lives and promote well-being for all at all ages https://www.coe.int/en/web/un-agenda-2030/goal-3
[8]
UN, Committee on the Rights of the Child, General comment No. 15 (2013) on the
right of the child to the enjoyment of the highest attainable standard of
health (art. 24), 17 April 2013
[9] OHCH,
The human right to adequate housing: https://cambodia.ohchr.org/en/economic-social-rights/human-right-adequate-housing
[10] Council
of Europe, Make cities and human settlements inclusive, safe, resilient and
sustainable: https://www.coe.int/fr/web/un-agenda-2030/goal-11
[11]
European Court of Human Rights, Guide on Article 8 - Right to respect for
private and family life: https://ks.echr.coe.int/web/echr-ks/d/guide_art_8_eng
[12] UN
Committee on Economic, Social and Cultural Rights, the Human Rights
Committee, the Committee on the Elimination of Racial Discrimination, the
Committee on the Elimination of Discrimination against Women, the Committee
against Torture and the Committee on the Rights of the Child. The Committee
on Migrant Workers, Genaral Comments no. 4 and 7, 27 May 2008.
[13]
European Court of Human Rights, Guide on Article 2 of Protocol No. 1 - Right to
education: https://ks.echr.coe.int/web/echr-ks/d/guide_art_2_protocol_1_eng
[14] UN,
Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General comment No. 21:
Right of everyone to take part in cultural life (art. 15, para. 1 (a), of the
International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights), 21 December
2009
[15] Een overzicht van de
internationale arbeidsnormen: International Labour Standards: https://www.ilo.org/international-labour-standards
[16] UN,
Department of Economic and Social Affairs, Social Inclusion, Principles for
older persons, : https://social.desa.un.org/issues/ageing/resources/iyop-1999/conceptual-framework/principles-for-older-persons
[17] UN,
Second World Assembly on Ageing, 8-12 April 2002, Madrid: https://www.un.org/en/conferences/ageing/madrid2002
[18] Zie:
UN, Open-Ended Intergovernmental Working Group for the Elaboration of a Legally
Binding Instrument on the Promotion and Protection of the Human Rights of Older
Persons : resolution / adopted by the Human Rights Council on 3 April 2025: https://digitallibrary.un.org/record/4081193 en UN, General Assembly, Resolution adopted by
the Human Rights Council on 3 April 202 5, 4 April 2025: https://indico.un.org/event/1019020/attachments/25100/74026/HRC%20res%2058.13%20IGWG%20HROP%202025.pdf
[19] ILO,
International labour standards and labour migration: https://www.ilo.org/topics-and-sectors/labour-migration/international-labour-standards-and-labour-migration
[20] Zie de artikelen 1 en 20
van het Duitse Grundgesetz.
[21]
Bundesverfassungsgericht, 9 februari 2010, 1 BvL 1/09 e.a.: https://www.bundesverfassungsgericht.de/SharedDocs/Entscheidungen/EN/2010/02/ls20100209_1bvl000109en.html
[22]
ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.182
[23]
Constitutional Court, Government of the Republic of South Africa v Grootboom.: https://www.saflii.org/za/cases/ZACC/2000/19.html
[24]
Constitutional Court, Minister of Health v Treatment Action Campaign: https://www.saflii.org/za/cases/ZACC/2002/15.html
[25] Zie de Portugese Grondwet, in het
bijzonder de artikelen 63–75.
[26] Portugees Constitutioneel Hof, uitspraak
509/2002: https://www.tribunalconstitucional.pt/tc/en/acordaos/20020509s.html
[27] Zie de artikelen 39–52 van de Spaanse
Grondwet.

Reacties
Een reactie posten