Wat als we de economie beoordelen op wat zij mensen mogelijk maakt?
De economie als
dienstbare orde
De centrale vraag van dit hoofdstuk was
niet hoe de economie zo groot mogelijk kan worden, maar onder welke
institutionele voorwaarden economische activiteit bijdraagt aan menswording,
samenlevingsvorming en ecologische continuïteit. Productiviteit, innovatie,
ondernemerschap, handel en economische groei worden daarmee niet afgewezen. Zij
verliezen wel hun status als zelfstandige doelen. Hun legitimiteit hangt af van
wat zij voortbrengen, voor wie zij dat doen, welke machtsverhoudingen zij
creëren en welke sociale en ecologische kosten zij veroorzaken.
Een menswordings-economie kan daarom
worden omschreven als een economische orde die:
- iedereen in staat stelt fundamentele menselijke behoeften te
vervullen;
- reële vrijheden en capabilities vergroot;
- zorg, betekenisvol werk, sociale relaties en democratische
participatie ondersteunt;
- economische macht begrenst en corrigeerbaar maakt;
- fundamentele bestaansvoorwaarden niet afhankelijk maakt van
koopkracht;
- productie en consumptie binnen ecologische bovengrenzen brengt;
- rekening houdt met toekomstige generaties en mondiale
rechtvaardigheid.
De verschillende onderdelen van het
hoofdstuk vormen samen één institutionele redenering. Sociale ondergrenzen
bepalen wat voor iedereen moet worden gegarandeerd. Ecologische bovengrenzen
bepalen welke totale belasting niet mag worden overschreden. Markten zijn
bruikbaar waar zij informatie, diversiteit en innovatie bevorderen, maar moeten
worden begrensd waar publieke goederen, externe effecten, monopolies,
informatieproblemen of ongelijke machtsposities optreden. Ondernemingen
ontlenen hun legitimiteit niet uitsluitend aan winstgevendheid, maar aan
aantoonbare maatschappelijke waardecreatie. Eigendom en belastingheffing moeten
productieve inzet mogelijk maken zonder dat vermogen zich vertaalt in
onbeperkte economische en politieke macht. Arbeid omvat naast betaalde arbeid
ook zorg, opvoeding en maatschappelijke reproductie. Geld en krediet moeten de
reële economie dienen in plaats van speculatie en vermogensprijsinflatie aan te
jagen. De mondiale economie moet ecologische ruimte, technologie, belastinggrondslagen
en transitiekosten rechtvaardiger verdelen. Polycentrische instituties moeten
bevoegdheden op het juiste schaalniveau beleggen en conflicten volgens kenbare
regels beslechten. Ten slotte moet iedere hervorming worden verbonden met een
analyse van macht, weerstand, uitvoering en corrigeerbaarheid.
Het bbp meet vooral de geldstromen in
het middelste deel van deze keten. Het zegt weinig over de hoeveelheid
hulpbronnen aan het begin, de verdeling van goederen en diensten, de reële
vrijheden die mensen verwerven of de kwaliteit van het leven aan het einde. De
economische opdracht is daarom niet de geldstroom te maximaliseren, maar de
gehele keten zo in te richten dat met een rechtvaardige verdeling en een
verantwoord hulpbronnengebruik een hoog niveau van menselijk welzijn wordt
bereikt.
1 Van koopkracht
naar voorzieningszekerheid
Een van de meest concrete consequenties
is het systematisch de-commercialiseren van fundamentele levensbehoeften.
Daarmee wordt niet bedoeld dat iedere voorziening uitsluitend door de centrale
overheid moet worden geproduceerd. Decommercialisering betekent dat toegang
niet primair wordt bepaald door koopkracht, winstverwachting of de bereidheid
van commerciële aanbieders om een markt te bedienen. Zorg, huisvesting,
energie, water, onderwijs, basisvervoer en digitale toegang worden als sociale
infrastructuur georganiseerd.
Ian Gough onderbouwt deze benadering met
zijn pleidooi voor Universal Basic Services. Inkomen is belangrijk, maar
geld alleen garandeert geen toegang wanneer woningen schaars zijn,
zorgaanbieders ontbreken, energieprijzen sterk fluctueren of vervoer niet
beschikbaar is. Omdat menselijke behoeften uiteenlopen en van concrete sociale
en fysieke systemen afhankelijk zijn, zijn collectieve voorzieningen een
noodzakelijke aanvulling op inkomensbeleid.
Decommercialisering kan verschillende
institutionele vormen aannemen.
|
Sector |
Fundamentele aanspraak |
Mogelijke institutionele
vorm |
|
Zorg |
Toegang op basis van
behoefte |
Publieke of sociale
verzekering, niet-commerciële aanbieders, regionale zorgplicht |
|
Huisvesting |
Betaalbare, zekere en
passende woonruimte |
Sociale woningbouw,
wooncoöperaties, community land trusts, publieke grondpolitiek |
|
Energie |
Een gegarandeerde
hoeveelheid schone energie |
Sociaal basistarief,
publieke netten, lokale energiecoöperaties |
|
Water |
Universele toegang tot
voldoende schoon water |
Publiek eigendom,
progressief tarief boven basisgebruik |
|
Onderwijs |
Toegang tot ontwikkeling
en maatschappelijke participatie |
Publiek bekostigd
onderwijs en permanente scholingsrechten |
|
Mobiliteit |
Bereikbaarheid van werk en
basisvoorzieningen |
Openbaar vervoer als
nutsvoorziening, mobiliteitsgaranties |
|
Digitale toegang |
Toegang tot essentiële
digitale infrastructuur |
Publieke standaarden,
basisconnectiviteit, publieke digitale diensten |
De kern is niet noodzakelijk dat alle
productie buiten markten plaatsvindt. Ook gereguleerde private, coöperatieve of
maatschappelijke aanbieders kunnen een rol vervullen. Doorslaggevend is dat de
toegang tot de basisvoorziening als recht is georganiseerd en dat aanbieders
aan publieke voorwaarden zijn gebonden.
Decommercialisering vermindert
groeidwang op twee manieren. Huishoudens hoeven minder marktinkomen te
verwerven om hun bestaansvoorwaarden veilig te stellen. Tegelijk hoeven
aanbieders in fundamentele sectoren niet voortdurend verkoopvolumes,
vastgoedwaarden of winstmarges te verhogen. Wonen hoeft dan geen
beleggingsproduct te zijn, zorg geen groeimarkt en energiearmoede geen
consequentie van prijsvolatiliteit.
Dit betekent niet dat deze voorzieningen
kosteloos of zonder economische afwegingen kunnen worden aangeboden. Zij
vereisen arbeid, energie, grondstoffen, investeringen en bestuurlijke
capaciteit. De vraag verandert echter van: “Welke vraag is koopkrachtig?” naar:
“Welke voorziening is maatschappelijk noodzakelijk en hoe organiseren we haar
doelmatig en duurzaam?”
Om bureaucratisering en
kwaliteitsverlies te voorkomen, moeten gedecommercialiseerde voorzieningen
worden verbonden met:
- keuzevrijheid tussen verschillende publieke of maatschappelijke
aanbieders;
- professionele autonomie;
- zeggenschap van gebruikers en werknemers;
- transparante kwaliteitsnormen;
- onafhankelijke klachten- en beroepsprocedures;
- doelmatige gegevensuitwisseling;
- periodieke evaluatie van bereik, kwaliteit en ecologische belasting.
De keuze is dus niet tussen een volledig
commerciële en een volledig bureaucratische economie. Het gaat om
institutionele pluraliteit binnen een publieke opdracht.
2 Productie
binnen een sociale en ecologische corridor
Richard Bärnthaler en Ian Gough
omschrijven sufficiency als de ruimte tussen een ondergrens van
behoeftevervulling en een bovengrens van niet-generaliseerbare overdaad. Zij
passen dit niet alleen toe op consumptie, maar ook op productie. Daardoor kan
onderscheid worden gemaakt tussen essentiële productie, een veranderbare
tussencategorie en productie die weinig aan behoeftevervulling bijdraagt maar
wel een groot beslag op mens en natuur legt.
|
Productiegebied |
Beoordeling |
Transitierichting |
|
Essentiële economie |
Noodzakelijk voor
behoeften en capabilities |
Beschermen, verduurzamen
en waar nodig uitbreiden |
|
Tussengebied |
Kan waardevol zijn, maar
vorm en omvang zijn veranderbaar |
Repareren, delen, normeren
en circulair organiseren |
|
Excessieve economie |
Niet generaliseerbaar en
nauwelijks verbonden met behoeftevervulling |
Begrenzen, belasten en
waar nodig uitfaseren |
|
Schadelijke economie |
Ondermijnt gezondheid,
rechten of ecologische stabiliteit |
Verbieden of versneld
beëindigen |
Het criterium van generaliseerbaarheid
is hierbij belangrijk. Een consumptie- of productiepatroon is excessief wanneer
het niet voor iedereen toegankelijk kan worden gemaakt zonder sociale of
ecologische grenzen te overschrijden. Dat geldt bijvoorbeeld voor zeer
materiaalintensieve luxegoederen, extreem ruimtegebruik en vervoerspatronen die
alleen mogelijk zijn zolang het grootste deel van de wereldbevolking daarvan is
uitgesloten.
Andrew Fanning en Dan O’Neill laten zien
waarom niet alleen het niveau van hulpbronnengebruik maar ook de inrichting van
voorzieningssystemen bepalend is. Landen verschillen sterk in de mate waarin
zij energie en materialen omzetten in gezondheid, onderwijs, levensverwachting
en andere sociale uitkomsten. Kwalitatief goede publieke diensten, een
gelijkmatiger inkomensverdeling en democratische instituties kunnen de sociale
opbrengst van hulpbronnengebruik verbeteren.
Hun onderzoek met William Lamb en Julia
Steinberger laat tegelijkertijd zien hoe groot de opgave is: geen van de
onderzochte landen combineerde volledige behoeftevervulling met een
hulpbronnengebruik dat op mondiale schaal duurzaam generaliseerbaar was.
De relevante economische efficiëntie kan
daarom worden weergegeven als:
3 De
menswordingstoets voor economisch beleid
Om te voorkomen dat “menswording” een
abstract of vrijblijvend begrip blijft, moet ieder belangrijk economisch
beleidsvoorstel aan een vaste toets worden onderworpen. De toets bestaat uit
twee niveaus: niet-compenseerbare randvoorwaarden en een vergelijkende
beoordeling van beleidsalternatieven.
Eerste niveau: bindende randvoorwaarden
Een voorstel is niet toelaatbaar wanneer
het:
- grondrechten of menselijke waardigheid aantast;
- groepen onder een democratisch vastgestelde sociale ondergrens brengt;
- een wettelijk vastgelegde ecologische bovengrens doorbreekt;
- ernstige schade afwentelt op toekomstige generaties of kwetsbare
landen;
- niet voorziet in bescherming van groepen die buiten hun schuld
onevenredig worden getroffen.
Deze voorwaarden kunnen niet tegen
economische groei of hogere belastingopbrengsten worden weggestreept. Extra
inkomen compenseert geen onomkeerbare ecologische schade, rechteloosheid of
structurele uitsluiting.
Tweede niveau: de vergelijkende beleidstoets
Voor voorstellen die aan de
randvoorwaarden voldoen, wordt per dimensie een score toegekend:
- 0: negatief effect of onvoldoende bewijs;
- 1: gemengd of neutraal effect, met beheersbare
risico’s;
- 2: aantoonbaar positief effect.
|
Dimensie |
Centrale toetsvraag |
Vereist bewijs |
|
Behoeften en capabilities |
Vergroot het voorstel de
reële mogelijkheden om gezond, veilig en betekenisvol te leven? |
Effect op gezondheid,
onderwijs, tijd, participatie en bestaanszekerheid |
|
Sociale ondergrens |
Verbetert of beschermt het
de positie van de minst draagkrachtigen? |
Verdelingseffect per
inkomensgroep, regio, gender en huishoudtype |
|
Ecologische bovengrens |
Draagt het aantoonbaar bij
aan absolute vermindering van milieudruk? |
Ketenanalyse van emissies,
materiaal-, land- en watergebruik |
|
Basisvoorzieningen |
Vermindert het de
afhankelijkheid van koopkracht voor fundamentele behoeften? |
Betaalbaarheid, bereik,
leveringszekerheid en non-profit/publiek aandeel |
|
Arbeid en zorg |
Verbetert het kwaliteit,
autonomie en verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid? |
Lonen, werkzekerheid,
arbeidsduur, zeggenschap en zorgeffecten |
|
Macht en eigendom |
Vermindert het schadelijke
machtsconcentratie en rente-extractie? |
Marktconcentratie,
eigendomsstructuur, lobby- en vermogenseffecten |
|
Macro-economische
stabiliteit |
Is het uitvoerbaar zonder
onbeheersbare werkloosheid, schuld- of prijsrisico’s? |
Effect op werk, inflatie,
krediet, overheidsfinanciën en pensioenen |
|
Mondiale rechtvaardigheid |
Voorkomt het afwenteling
op andere landen en bevordert het eerlijke verdeling? |
Geïmporteerde voetafdruk,
ketenarbeid en technologietoegang |
|
Democratische kwaliteit |
Zijn betrokkenen werkelijk
in staat invloed uit te oefenen? |
Participatie,
transparantie, bezwaar, toegang tot informatie |
|
Corrigeerbaarheid |
Zijn resultaten meetbaar
en bestaan er vooraf vastgelegde correctieregels? |
Indicatoren,
evaluatiedatum, verantwoordelijke instantie en exitcriteria |
De totaalscore is alleen bedoeld om
beleidsalternatieven te vergelijken. Zij mag niet worden gebruikt om een
schending van de bindende randvoorwaarden te compenseren. Als praktische
beslisregel kan gelden:
- 16–20 punten: invoeren, met reguliere
monitoring;
- 11–15 punten: herontwerpen of eerst
gecontroleerd beproeven;
- 0–10 punten: afwijzen of fundamenteel herzien;
- een nul op behoeften, sociale ondergrens, ecologie of democratische
kwaliteit: geen invoering voordat het tekort is hersteld.
De precieze drempels moeten wettelijk en
democratisch worden vastgesteld. Belangrijker dan het getal is dat de
bewijslast wordt omgekeerd. Niet de samenleving hoeft aan te tonen dat een
investering schadelijk is; de initiatiefnemer moet aantonen dat zij binnen
maatschappelijke grenzen past.
4 Een
realistisch transitiepad
Een menswordings-economie kan niet in
één wetgevingsoperatie worden ingevoerd. Een onmiddellijke systeembreuk zou
bestaanszekerheid, productiecapaciteit en institutioneel vertrouwen kunnen
beschadigen. Een uitsluitend vrijwillige en geleidelijke benadering is echter
evenmin geloofwaardig, omdat investeringen dan in bestaande structuren
opgesloten blijven. Nodig is een gefaseerde transitie met vroeg vastgelegde
doelen en aanpasbare instrumenten.
|
Fase |
Periode |
Hoofdopgave |
Voorbeelden |
|
1. Zekerheid en
voorbereiding |
0–2 jaar |
Sociale bescherming,
meting en democratisch mandaat |
Menswordingsdashboard,
transitietoets, minimumvoorzieningen, stop op nieuwe schadelijke lock-ins |
|
2. Fundamentele
voorzieningen |
2–6 jaar |
Decommercialisering en
capaciteitsopbouw |
Sociale woningbouw,
zorginfrastructuur, isolatie, openbaar vervoer, basisenergie |
|
3. Productie en
financiering verschuiven |
3–10 jaar |
Kapitaal en arbeid naar essentiële
en duurzame sectoren leiden |
Voorwaardelijk
industriebeleid, belastingverschuiving, publieke investeringsbank,
arbeidsduurverkorting |
|
4. Ecologische plafonds
aanscherpen |
5–15 jaar |
Excessieve en schadelijke
productie afbouwen |
Dalende materiaal- en
emissieplafonds, uitfasering fossiele activiteiten |
|
5. Institutionele
verankering |
Doorlopend |
Macht democratiseren en
beleid corrigeren |
Medezeggenschap,
eigendomsspreiding, jaarlijkse Transitiebalans, internationale coördinatie |
De fasen overlappen. Hun volgorde wordt
bepaald door drie praktische regels:
- bescherm voordat lasten stijgen;
- bouw alternatieven voordat oude systemen verdwijnen;
- leg einddoelen vast voordat investeringsbeslissingen worden genomen.
In de eerste fase worden kwetsbare
huishoudens beschermd, ecologische en sociale indicatoren wettelijk vastgelegd
en nieuwe investeringen voorkomen die de samenleving nog decennia aan
onhoudbare infrastructuur binden.
In de tweede fase worden fundamentele
voorzieningen uitgebreid. Dit levert direct zichtbare maatschappelijke baten op
en vermindert de afhankelijkheid van marktinkomen. De transitie krijgt hierdoor
een materiële basis in plaats van uitsluitend een morele oproep te blijven.
In de derde fase verschuiven
belastingheffing, kredietverlening en publieke investeringen van vervuilende en
speculatieve activiteiten naar zorg, onderhoud, energiebesparing, reparatie,
circulaire productie en kennisontwikkeling. Werktijdverkorting helpt
productiviteitswinsten te verdelen wanneer de materiële productie niet langer
hoeft te groeien.
In de vierde fase kunnen ecologische
plafonds en uitfaseringsverplichtingen verder worden aangescherpt, omdat
alternatieven inmiddels beschikbaar zijn. De vijfde fase waarborgt dat nieuwe
sectoren niet opnieuw uitgroeien tot geconcentreerde machtsblokken.
5 Psychologische
weerstand begrijpen
Economische transities raken niet alleen
materiële belangen. Zij raken ook gewoonten, verwachtingen, identiteit en
status. Mensen beoordelen verandering bovendien niet symmetrisch: een dreigend
verlies weegt vaak zwaarder dan een even grote toekomstige winst. Onzekerheid
over een nieuw systeem kan daardoor meer weerstand oproepen dan bekende
tekortkomingen van het bestaande systeem.
|
Psychologisch mechanisme |
Mogelijke reactie |
Institutioneel antwoord |
|
Verliesaversie |
Sterke focus op wat
verdwijnt |
Baten vroeg zichtbaar
maken en verliezen vooraf opvangen |
|
Status-quo-effect |
Het bekende voelt veiliger |
Gefaseerde invoering,
proefprojecten en betrouwbare garanties |
|
Reactance |
Verzet tegen ervaren dwang |
Keuzeruimte, participatie
en lokale aanpassing |
|
Identiteitsdreiging |
Hervorming voelt als
afwijzing van levenswijze of beroep |
Erkenning van vakmanschap
en nieuwe toekomstrollen |
|
Schaarstestress |
Weinig mentale ruimte voor
langetermijnkeuzes |
Automatische rechten,
eenvoudige regelingen en lagere vaste lasten |
|
Wantrouwen |
Verwachting dat lasten
oneerlijk worden verdeeld |
Volledige transparantie en
zichtbare bijdrage van sterke groepen |
|
Statuscompetitie |
Consumptie wordt gebruikt
voor sociale erkenning |
Nieuwe normen rond
kwaliteit, zorg, vakmanschap en tijd |
|
Lage collectieve
effectiviteit |
Individuele inspanning
lijkt zinloos |
Collectieve infrastructuur
en publiek zichtbare resultaten |
Onderzoek naar steun voor klimaatbeleid
bevestigt dat meer informatie alleen onvoldoende is. In een meta-analyse van 89
datasets uit 33 landen bleken vooral ervaren verdelingsrechtvaardigheid en
verwachte effectiviteit bepalend voor publieke steun. Algemene kennis over
klimaatverandering hing veel zwakker met acceptatie samen.
Psychologische weerstand moet daarom
niet worden behandeld als irrationele onwil die met betere voorlichting kan
worden weggenomen. Zij kan wijzen op reële onzekerheid, verlies aan autonomie
of gebrek aan vertrouwen. Het meest overtuigende antwoord is beleid dat
aantoonbaar rechtvaardig werkt.
6 Nieuwe
narratieven
Een economische transitie heeft taal
nodig waarin mensen zichzelf, hun werk en hun toekomst kunnen herkennen. Het
dominante groeiverhaal is krachtig omdat het vooruitgang, individuele vrijheid
en sociale zekerheid met elkaar verbindt. Een alternatief verhaal kan daarom
niet uitsluitend spreken over minder productie, beperkingen en offers. Het moet
duidelijk maken welke vorm van vooruitgang ervoor in de plaats komt.
De noodzakelijke narratieve
verschuivingen zijn:
- van meer bezitten naar zeker kunnen beschikken over wat
nodig is;
- van individuele koopkracht naar collectieve
voorzieningszekerheid;
- van goedkope wegwerpproducten naar kwaliteit, onderhoud en
vakmanschap;
- van lange arbeidstijd en hoge consumptie naar tijd, zorg en
betekenisvol werk;
- van persoonlijke schuld naar gedeelde institutionele
verantwoordelijkheid;
- van ecologische beperking naar bescherming tegen onzekerheid
en ontwrichting;
- van overheidsingrijpen als verlies van vrijheid naar publieke
infrastructuur als voorwaarde voor reële vrijheid;
- van economische groei als bewijs van succes naar menselijke
en ecologische veerkracht als maatstaf van vooruitgang.
Een bruikbare kernzin is:
Meer van wat het leven draagt; minder
van wat mens en aarde uitput.
Een narratief kan materiële
onrechtvaardigheid echter niet compenseren. Wanneer hoge inkomens blijven
vliegen, beleggen en vervuilen terwijl lage inkomens hogere energierekeningen
betalen, zal geen communicatiecampagne de transitie geloofwaardig maken. Het
nieuwe verhaal moet zichtbaar worden in de volgorde van maatregelen, de
verdeling van lasten en het gedrag van publieke instituties.
Decommercialisering kan daarbij een
dragend verhaal bieden. Zij presenteert de transitie niet als het afnemen van
vrijheid, maar als het vergroten van vrijheid ten opzichte van marktprijzen,
schulden, werkgeversafhankelijkheid en bestaansonzekerheid. Een gegarandeerde
woning, zorg, energievoorziening of vervoersmogelijkheid vormt geen beperking
van individuele autonomie, maar de materiële voorwaarde ervoor.
7 De
uiteindelijke toets
De menswordings-economie kan
uiteindelijk worden teruggebracht tot vier samenhangende vragen:
- Kan ieder mens beschikken over de voorwaarden voor een waardig en
betekenisvol bestaan?
- Kan dit voorzieningsniveau voor iedereen worden gerealiseerd zonder
ecologische grenzen te overschrijden?
- Zijn de instituties die productie, eigendom, geld en verdeling
organiseren democratisch controleerbaar?
- Kan beleid worden gecorrigeerd wanneer aannames onjuist blijken of
macht zich opnieuw concentreert?
Economische activiteit is legitiem
wanneer deze vragen gezamenlijk positief kunnen worden beantwoord. Groei kan
dan wenselijk zijn in zorg, onderwijs, woningisolatie, natuurherstel en andere
activiteiten die behoeften vervullen zonder excessief hulpbronnengebruik. Krimp
is noodzakelijk waar productie maatschappelijke schade veroorzaakt,
afhankelijkheid vergroot of beslag legt op ecologische ruimte die niet
universeel beschikbaar kan zijn. Stabilisatie is passend waar een voldoende
voorzieningsniveau is bereikt.
De overgang vraagt daardoor niet om een
keuze tussen groei en krimp voor de economie als geheel. Zij vraagt om een
democratische herschikking.
De uitkomst is geen economie zonder
markten, ondernemerschap of technologische ontwikkeling. Het is een economie
waarin deze activiteiten zijn ingebed in rechten, publieke doelen, ecologische
grenzen en democratische tegenmacht. Fundamentele behoeften worden niet langer
gebruikt als bronnen van afhankelijkheid en winstextractie. Ondernemingen
krijgen ruimte waar zij maatschappelijke waarde creëren. Geld en krediet
ondersteunen de reële transitie. Werk wordt eerlijker verdeeld en zorg wordt
als economische kernactiviteit erkend. Internationale samenwerking voorkomt dat
sociale en ecologische kosten worden verplaatst naar landen met minder macht.
Daarmee verandert ook de betekenis van
economische vrijheid. Vrijheid is niet alleen de mogelijkheid om te kopen,
verkopen en investeren. Zij omvat de zekerheid dat ziekte niet tot uitsluiting
leidt, wonen niet volledig van vermogenspositie afhangt, energie beschikbaar
blijft, arbeid niet vernederend is en toekomstige generaties niet worden belast
met onherstelbare schade.
Een menswordings-economie beperkt de
markt daarom niet om menselijke vrijheid te verkleinen, maar om de
maatschappelijke voorwaarden van vrijheid voor iedereen veilig te stellen.
Economie wordt dan opnieuw wat zij behoort te zijn: geen autonoom systeem waaraan
mens en samenleving zich moeten aanpassen, maar een corrigeerbare
institutionele orde die het goede leven mogelijk maakt binnen de grenzen van
een gedeelde wereld.
Lees het volledige onderzoek:

Reacties
Een reactie posten