Wanneer creëert een onderneming werkelijk maatschappelijke waarde?

 

Ondernemingen en maatschappelijke waardecreatie

1 De onderneming als economische en maatschappelijke institutie

Ondernemingen vormen de organisatorische kern van de moderne economie. Zij combineren arbeid, kapitaal, kennis, technologie en ondernemerschap om goederen en diensten voort te brengen. Zij organiseren investeringen over langere perioden, verdelen risico’s, ontwikkelen vakmanschap en brengen innovaties van ontwerp naar toepassing. Zonder ondernemingen zouden veel vormen van complexe productie en technologische ontwikkeling nauwelijks mogelijk zijn.

De economische theorie biedt verschillende verklaringen voor het bestaan en functioneren van ondernemingen. In de transactiekostentheorie ontstaat de onderneming omdat niet iedere economische handeling efficiënt via afzonderlijke marktcontracten kan worden georganiseerd. Binnen een onderneming kunnen activiteiten worden gecoördineerd zonder over iedere stap opnieuw te onderhandelen. De onderneming vervangt de markt niet volledig, maar vormt een alternatieve wijze van economische coördinatie.

De agencytheorie legt een ander accent. Wanneer eigendom en leiding van elkaar gescheiden zijn, kunnen bestuurders andere belangen nastreven dan degenen die kapitaal beschikbaar stellen. Michael Jensen en William Meckling analyseerden de onderneming daarom als een samenstel van contractuele relaties waarin monitoring, prikkels en eigendomsstructuren de zogeheten agencykosten moeten beperken. Hun theorie van de onderneming heeft grote invloed gehad op corporate governance, bestuurdersbeloning en het streven om bestuurders sterker aan aandeelhoudersbelangen te binden.

Beide benaderingen verklaren belangrijke onderdelen van ondernemingsgedrag, maar geven geen volledig beeld. Een onderneming is meer dan een verzameling contracten tussen vooraf gevormde individuen. Werknemers ontwikkelen bedrijfsspecifieke kennis, leveranciers passen productieprocessen aan, overheden investeren in infrastructuur en onderzoek, en lokale gemeenschappen dragen bij aan de sociale stabiliteit waarbinnen de onderneming functioneert. Veel van deze bijdragen kunnen niet volledig vooraf in contracten worden vastgelegd.

Bovendien berust de onderneming op juridische instituties. Rechtspersoonlijkheid, beperkte aansprakelijkheid, continuïteit, eigendomsbescherming, faillissementsrecht en toegang tot kapitaalmarkten zijn geen natuurlijke eigenschappen van economische samenwerking. Zij worden door de rechtsorde geschapen en gehandhaafd. De moderne onderneming is daarom niet uitsluitend een private vereniging van kapitaalverschaffers, maar een institutionele constructie waaraan de samenleving bepaalde bevoegdheden en beschermingsmechanismen toekent.

Ha-Joon Chang benadrukt dat er geen institutioneel neutrale of volledig ‘vrije’ markt bestaat. Welke eigendomsrechten worden erkend, welke ondernemingsvormen beschikbaar zijn, hoe werknemers worden vertegenwoordigd en welke verantwoordelijkheden aan economische macht worden verbonden, zijn politieke en juridische keuzes. Ook ontwikkelen instituties en ondernemingen zich wederzijds: instituties beïnvloeden economische ontwikkeling, maar economische ontwikkeling verandert op haar beurt de machtsverhoudingen en de vraag naar nieuwe instituties. Chang beschrijft deze wisselwerking als een historisch en wederkerig proces.

Vanuit dat perspectief is de onderneming tegelijk:

  • een productieve organisatie;
  • een juridische institutie;
  • een gemeenschap van samenwerking;
  • een verdelingsmechanisme;
  • een bron van innovatie;
  • een mogelijke machtspositie;
  • een actor die maatschappelijke en ecologische gevolgen veroorzaakt.

Een theorie van maatschappelijke waardecreatie moet al deze functies met elkaar verbinden.

2 Wat creëert een onderneming?

In de financiële verslaggeving wordt het succes van een onderneming in belangrijke mate beoordeeld op omzet, winst, kasstroom, rendement en marktwaarde. Deze indicatoren zijn essentieel. Zonder voldoende opbrengsten kan een onderneming haar werknemers, leveranciers, kredietverstrekkers en belastingen niet betalen. Winst vervult bovendien een informatiefunctie: zij kan aangeven dat afnemers de geproduceerde goederen of diensten hoger waarderen dan de marktgeprijsde middelen die daarvoor zijn ingezet.

Toch is financiële winst geen volledige maatstaf voor economische, laat staan maatschappelijke waarde. Een onderneming kan haar winst verhogen door kosten af te wentelen op werknemers, leveranciers, consumenten, publieke voorzieningen of natuurlijke systemen. Wanneer schade niet in de marktprijs wordt opgenomen, kan financieel rendement stijgen terwijl de netto maatschappelijke waarde afneemt.

Een nuttig economisch vertrekpunt is de toegevoegde waarde:

waarbij:

  • (TW) staat voor toegevoegde waarde;
  • (O) voor de waarde van de geproduceerde output;
  • (I) voor de waarde van de ingekochte intermediaire goederen en diensten.

De toegevoegde waarde wordt vervolgens verdeeld over werknemers, kredietverstrekkers, overheid, aandeelhouders en de onderneming zelf in de vorm van ingehouden winsten. Deze verdeling maakt zichtbaar dat waardecreatie niet uitsluitend aan de aandeelhouder toekomt. Zij ontstaat uit de gezamenlijke inzet van arbeid, kapitaal, kennis, infrastructuur en institutionele zekerheid.

Ook deze berekening blijft echter beperkt. Marktprijzen kunnen positieve en negatieve externe effecten missen. Investeringen in opleiding kunnen meer waarde creëren dan in de boekhouding zichtbaar wordt. Uitputting van werknemers, verlies aan biodiversiteit of gebruik van publiek gefinancierde kennis wordt mogelijk niet als kostenpost geregistreerd. Een onderneming kan haar financiële kapitaal vergroten terwijl zij menselijk, natuurlijk of institutioneel kapitaal verbruikt.

Een conceptueel vollediger begrip kan als volgt worden weergegeven:

Daarbij zijn:

  • (MW): netto maatschappelijke waarde;
  • (TW): financieel-economische toegevoegde waarde;
  • (PE): positieve externe effecten;
  • (NE): negatieve externe effecten;
  • (D): niet-gecompenseerde aantasting van menselijke, natuurlijke of institutionele vermogens.

Deze formule is geen oproep om alle maatschappelijke waarden in geld om te zetten. Gezondheid, biodiversiteit, autonomie en democratische openheid zijn niet volledig monetariseerbaar. De formule maakt vooral zichtbaar dat financiële toegevoegde waarde slechts één onderdeel vormt van maatschappelijke waardecreatie.

3 Een vierrekeningenmodel voor maatschappelijke waarde

Om te voorkomen dat maatschappelijke waardecreatie een vrijblijvende marketingterm wordt, kan de beoordeling van ondernemingen worden opgebouwd rond vier samenhangende rekeningen.

De productierekening

De productierekening laat zien welke goederen, diensten, kennis en productieve vermogens de onderneming voortbrengt. Zij omvat niet alleen omzet en winst, maar ook investeringen, arbeidsproductiviteit, innovatie, onderzoek, scholing en de veerkracht van de onderneming.

De relevante vraag is of de onderneming haar productieve capaciteit duurzaam ontwikkelt. Een hoge winst die voortkomt uit verkoop van activa, tijdelijke marktmacht of verwaarlozing van onderhoud vertegenwoordigt een ander type waarde dan winst die berust op innovatie, kwaliteit en productieve investeringen.

De verdelingsrekening

De verdelingsrekening laat zien hoe de gecreëerde waarde wordt verdeeld over werknemers, bestuurders, leveranciers, overheid, kredietverstrekkers, aandeelhouders en toekomstige investeringen.

Daarbij zijn onder meer relevant:

  • lonen en loonverhoudingen;
  • bestuurdersbeloningen;
  • belastingbetalingen;
  • rentelasten;
  • dividend;
  • aandeleninkoop;
  • investeringen in onderzoek en scholing;
  • betalingstermijnen voor leveranciers;
  • ontvangen subsidies en publieke garanties.

Deze rekening maakt zichtbaar of productiviteitsgroei wordt gedeeld of voornamelijk bij één groep terechtkomt. Zij laat ook zien of publieke steun leidt tot aanvullende investeringen of vooral tot hogere uitkeringen aan aandeelhouders.

De vermogensrekening

De vermogensrekening meet wat de onderneming toevoegt aan of onttrekt aan menselijke, sociale, natuurlijke en institutionele vermogens.

Daaronder vallen:

  • ontwikkeling en behoud van kennis en vakmanschap;
  • kwaliteit, gezondheid en veiligheid van arbeid;
  • emissies en materiaalgebruik;
  • biodiversiteits- en waterimpact;
  • gegevensbescherming en digitale autonomie;
  • vertrouwen van consumenten en leveranciers;
  • bijdrage aan regionale economische ecosystemen;
  • onderhoud van fysieke en digitale infrastructuur.

De centrale vraag is of de onderneming haar financiële resultaten realiseert door vermogens op te bouwen of door bestaande vermogens te verbruiken.

De machts- en corrigeerbaarheidsrekening

De vierde rekening brengt de institutionele macht van de onderneming in beeld. Economische waardecreatie kan gepaard gaan met marktmacht, informatiecontrole, politieke invloed of afhankelijkheid van werknemers en leveranciers.

Relevante indicatoren zijn:

  • marktaandeel en concentratie;
  • toetredings- en overstapkosten;
  • controle over essentiële infrastructuur of data;
  • overnames van potentiële concurrenten;
  • lobbyactiviteiten en politieke financiering;
  • fiscale structuren;
  • klachten- en herstelmechanismen;
  • medezeggenschap en stakeholdervertegenwoordiging;
  • naleving en opgelegde sancties.

De vier rekeningen kunnen niet zonder meer tot één totaalscore worden samengevoegd. Een onderneming kan hoge economische waarde creëren en tegelijk een harde ecologische norm overschrijden of fundamentele arbeidsrechten schenden. Bepaalde ondergrenzen en bovengrenzen functioneren daarom als niet-compenseerbare randvoorwaarden.

4 De economische logica van aandeelhouderswaarde

Het aandeelhoudersmodel is niet zonder reden invloedrijk geworden. Aandeelhouders stellen risicodragend kapitaal beschikbaar en ontvangen pas een resterende aanspraak nadat werknemers, leveranciers, kredietverstrekkers en belastingen zijn betaald. Omdat aandeelhouders geen contractueel gegarandeerd rendement hebben, zouden zij een sterke prikkel hebben om de totale waarde van de onderneming te bewaken.

Een duidelijke doelstelling kan bovendien de bestuurlijke verantwoording verbeteren. Wanneer bestuurders zich op allerlei moeilijk meetbare maatschappelijke doelen kunnen beroepen, ontstaat het risico dat zij vooral hun eigen positie, beloning of reputatie beschermen. Het streven naar aandeelhouderswaarde kan dan functioneren als discipline tegen inefficiënt bestuur, overmatige expansie en verspilling van ondernemingsmiddelen.

Kapitaalmarkten vervullen eveneens een allocatieve functie. Ondernemingen die naar verwachting duurzame winstgevende activiteiten ontwikkelen, kunnen gemakkelijker kapitaal aantrekken. Ondernemingen die structureel waarde vernietigen, ondervinden druk van aandeelhouders, overnamekandidaten en kredietverstrekkers. Vanuit dit perspectief helpt aandeelhoudersgericht bestuur middelen te verplaatsen naar productieve toepassingen.

Deze argumenten moeten serieus worden genomen. Een stakeholdermodel zonder duidelijke verantwoordelijkheden kan bestuurders inderdaad te veel discretionaire ruimte geven. Ook kan een onderneming niet duurzaam maatschappelijke waarde creëren wanneer zij economisch niet levensvatbaar is.

Maar uit het belang van aandeelhouders volgt niet dat maximalisatie van de actuele beurswaarde het enige juiste ondernemingsdoel is. De onderneming produceert door samenwerking tussen meerdere groepen die bedrijfsspecifieke investeringen doen. Werknemers investeren tijd, kennis en loopbaanmogelijkheden. Leveranciers passen hun processen aan. Overheden financieren onderwijs, onderzoek en infrastructuur. Gemeenschappen dragen de gevolgen wanneer een onderneming vertrekt of milieuschade veroorzaakt.

Aandeelhouders kunnen hun investering doorgaans gemakkelijker spreiden en verkopen dan werknemers hun bedrijfsspecifieke kennis of lokale gemeenschappen hun leefomgeving kunnen verplaatsen. Het is daarom te eenvoudig om alleen aandeelhouders als risicodragers te beschouwen.

5 Van aandeelhoudersoriëntatie naar shorttermism

Aandeelhoudersgericht bestuur hoeft niet noodzakelijk kortetermijngericht te zijn. Ook aandeelhouders hebben belang bij innovatie, reputatie, werknemerskwaliteit en continuïteit. Een langetermijnaandeelhouder kan juist druk uitoefenen op bestuurders die resultaten uitstellen of bedrijfsmiddelen inefficiënt gebruiken.

Toch kunnen verschillende mechanismen een korte tijdshorizon bevorderen:

  • beloning van bestuurders op basis van aandelenkoers of winst per aandeel;
  • frequente vergelijking met marktbenchmarks;
  • druk van activistische beleggers;
  • korte mandaten van vermogensbeheerders;
  • kwartaalgerichte financiële communicatie;
  • hoge verhandelbaarheid van aandelen;
  • analistenverwachtingen en relatieve rendementsdoelen;
  • het gebruik van schuldfinanciering om uitkeringen aan aandeelhouders te vergroten.

Deze prikkels kunnen ertoe leiden dat investeringen in onderzoek, scholing, onderhoud en veerkracht worden uitgesteld omdat de kosten onmiddellijk zichtbaar zijn en de baten pas later ontstaan. Hetzelfde geldt voor preventie van ecologische en sociale risico’s waarvan de financiële gevolgen onzeker of ver in de toekomst liggen.

Aandeleninkoop vormt een illustratief voorbeeld. Inkoop van eigen aandelen kan economisch rationeel zijn wanneer een onderneming over meer kapitaal beschikt dan zij productief kan investeren. Het teruggeven van overtollige middelen kan voorkomen dat bestuurders prestigeprojecten financieren en kan kapitaal beschikbaar maken voor andere ondernemingen.

Aandeleninkoop wordt problematisch wanneer zij:

  • noodzakelijke investeringen verdringt;
  • met extra schulden wordt gefinancierd;
  • vooral de winst per aandeel verhoogt;
  • de waarde van aandelenbeloningen van bestuurders beïnvloedt;
  • plaatsvindt terwijl de onderneming publieke steun ontvangt;
  • onderhoud, pensioenverplichtingen of werknemersontwikkeling worden verwaarloosd.

Onderzoek naar aandeleninkoop laat geen eenvoudige conclusie toe dat iedere inkoop schadelijk is. De Bank for International Settlements wijst erop dat aandeleninkoop zowel een rationele manier kan zijn om overtollig kapitaal terug te geven als een risico voor langetermijnwaarde wanneer zij wordt gebruikt om beloningsprikkels of de aandelenkoers te beïnvloeden.

Het relevante institutionele antwoord is daarom niet noodzakelijk een algemeen verbod, maar transparantie en voorwaarden. Ondernemingen zouden bij omvangrijke aandeleninkoop moeten rapporteren over:

  • beschikbare investeringsmogelijkheden;
  • ontwikkeling van lonen en pensioenverplichtingen;
  • onderzoek en kapitaalinvesteringen;
  • schuldfinanciering;
  • bestuurdersbeloning;
  • ontvangen publieke steun;
  • gevolgen voor solvabiliteit en veerkracht.

6 Stakeholderbenaderingen

R. Edward Freeman heeft de onderneming benaderd als een netwerk van relaties met groepen die de onderneming kunnen beïnvloeden of door haar worden beïnvloed. Tot de stakeholders behoren onder meer werknemers, klanten, leveranciers, aandeelhouders, kredietverstrekkers, overheden en gemeenschappen.

Stakeholdertheorie is niet uitsluitend een ethisch pleidooi om naast winst ook maatschappelijke belangen te respecteren. Zij bevat een economische analyse van waardecreatie. Ondernemingen functioneren duurzaam wanneer de relaties waarop zij berusten voldoende wederkerig en betrouwbaar zijn. Werknemers investeren meer in bedrijfsspecifieke kennis wanneer zij vertrouwen hebben in een eerlijke behandeling. Leveranciers investeren in kwaliteit wanneer contractuele relaties niet louter op prijsdruk berusten. Klanten blijven wanneer producten betrouwbaar zijn en klachten worden hersteld.

In Freemans benadering bestaat ondernemingsstrategie daarom uit het opbouwen en integreren van duurzame stakeholderrelaties, niet uit het maximaliseren van één geïsoleerde variabele. Zijn stakeholderbenadering verwerpt de scheiding tussen economische strategie en ethische of politieke verantwoordelijkheid.

De teamproductietheorie van Margaret Blair en Lynn Stout biedt een verwante economische verklaring. De onderneming ontstaat doordat verschillende actoren investeringen doen die in teamverband meer waarde opleveren dan afzonderlijk. Omdat de precieze bijdrage van ieder teamlid moeilijk meetbaar is en contracten onvolledig zijn, kan geen enkele groep zonder risico vooraf alle opbrengsten opeisen. Het bestuur fungeert dan als een bemiddelende institutionele hiërarchie die de gezamenlijke productie en continuïteit bewaakt. Blair en Stout beschouwen het bestuur daarom niet uitsluitend als agent van de aandeelhouders, maar als beheerder van het gezamenlijke ondernemingsverband.

Stakeholderbenaderingen kennen echter een reëel verantwoordingsprobleem. Wanneer bestuurders alle belangen mogen afwegen zonder duidelijke normen, kan achteraf vrijwel iedere beslissing worden gerechtvaardigd. Werknemers, consumenten en toekomstige generaties hebben bovendien niet vanzelf dezelfde mogelijkheden als aandeelhouders om bestuurders ter verantwoording te roepen.

Een institutioneel serieus stakeholdermodel vereist daarom meer dan een ruime doelomschrijving. Het vraagt om:

  • wettelijk beschermde stakeholderrechten;
  • heldere bestuursplichten;
  • werknemersmedezeggenschap;
  • transparante afwegingscriteria;
  • klachten- en herstelmechanismen;
  • onafhankelijke informatie;
  • toetsing van harde sociale en ecologische normen;
  • verantwoording over de verdeling van waarde;
  • duidelijkheid over wie bestuurders kan corrigeren.

7 Een hiërarchie van ondernemingsverantwoordelijkheden

Niet ieder stakeholderbelang kan bij iedere beslissing volledig worden gehonoreerd. Belangen kunnen botsen. Hogere lonen kunnen de ruimte voor investeringen beperken. Strengere milieumaatregelen kunnen op korte termijn prijzen verhogen. Behoud van werkgelegenheid kan conflicteren met noodzakelijke technologische vernieuwing.

Om te voorkomen dat stakeholderbestuur in vrije bestuurlijke afweging oplost, is een inhoudelijke rangorde nodig.

Eerste niveau: harde rechtsstatelijke en ecologische grenzen

De onderneming moet grondrechten, arbeidsrechten, mededingingsregels, consumentenbescherming en ecologische grenswaarden respecteren. Deze normen kunnen niet worden weggestreept tegen hogere winst of andere maatschappelijke baten.

Tweede niveau: continuïteit en solvabiliteit

Een onderneming moet financieel levensvatbaar blijven. Structurele verliezen ondermijnen uiteindelijk ook de belangen van werknemers, leveranciers en samenleving. Continuïteit is echter geen absoluut recht van iedere bestaande onderneming. Wanneer een bedrijfsmodel alleen levensvatbaar is door schadelijke afwenteling, ontbreekt een duurzame maatschappelijke grondslag.

Derde niveau: eerlijke verdeling en wederkerigheid

De onderneming moet inzichtelijk maken hoe gecreëerde waarde en risico’s worden verdeeld. Stakeholders die langdurige, bedrijfsspecifieke bijdragen leveren, mogen niet uitsluitend als variabele kostenpost worden behandeld.

Vierde niveau: ontwikkeling van maatschappelijke vermogens

Binnen de voorgaande grenzen moet de onderneming investeren in innovatie, vakmanschap, kwaliteit, kennis, weerbaarheid en ecologische verbetering.

Vijfde niveau: uitkering van het residu

Dividend, aandeleninkoop en andere vermogensuitkeringen zijn gerechtvaardigd voor zover aan de voorgaande verantwoordelijkheden is voldaan en voldoende ruimte blijft voor continuïteit en productieve investeringen.

Deze rangorde maakt winst niet onbelangrijk. Zij plaatst winst binnen de institutionele voorwaarden waaronder zij maatschappelijk legitiem wordt verdiend.

8 Van duurzaamheidsverslag naar maatschappelijke waarderapportage

Rapportage is noodzakelijk omdat maatschappelijke effecten anders onzichtbaar blijven voor aandeelhouders, werknemers, consumenten, financiers en toezichthouders. Maar rapportage kan verschillende doelen dienen.

De IFRS-duurzaamheidsstandaarden richten zich primair op informatie over duurzaamheidsrisico’s en -kansen die de kasstromen, toegang tot financiering of kapitaalkosten van de onderneming kunnen beïnvloeden. IFRS S1 en S2 zijn daarmee vooral gebaseerd op financiële materialiteit vanuit het perspectief van kapitaalverschaffers. De IFRS Foundation omschrijft het doel als het verschaffen van besluitrelevante informatie over risico’s en kansen voor de vooruitzichten van de onderneming.

De Europese duurzaamheidsrapportage gebruikt daarnaast het beginsel van dubbele materialiteit. Niet alleen de gevolgen van duurzaamheid voor de onderneming tellen, maar ook de gevolgen van de onderneming voor mens en milieu. In juli 2026 heeft de Europese Commissie herziene European Sustainability Reporting Standards vastgesteld, met minder datapunten en een vereenvoudigde opzet. De standaarden blijven informatie omvatten over zowel duurzaamheidsrisico’s voor ondernemingen als hun effecten op mensen en milieu. De herziene ESRS illustreren daarmee zowel het belang van dubbele materialiteit als de noodzaak rapportagelasten te begrenzen.

Voor maatschappelijke waardecreatie is dubbele materialiteit noodzakelijk, maar nog niet voldoende. Een geloofwaardige rapportagestandaard moet minimaal aan de volgende eisen voldoen:

  • gemeenschappelijke definities en meetmethoden;
  • absolute prestaties én intensiteitscijfers;
  • uitsplitsing naar groepen en geografische gebieden;
  • aandacht voor de gehele waardeketen;
  • vergelijking door de tijd;
  • sectorale indicatoren;
  • onafhankelijke assurance;
  • digitale toegankelijkheid van gegevens;
  • uitleg van onzekerheden en schattingen;
  • zichtbare koppeling met strategie, investeringen en beloning.

Absolute waarden zijn essentieel. Een onderneming kan haar uitstoot per geproduceerd product verminderen terwijl haar totale uitstoot stijgt. Hetzelfde geldt voor materiaalgebruik, water, afval en dataverzameling. Intensiteitsverbetering is relevant, maar kan een overschrijding van het totale ecologische budget niet compenseren.

9 Een kernset van ondernemingsindicatoren

Een algemene rapportagestandaard zou de volgende structuur kunnen volgen:

 

Rekening

Economische kernvraag

Voorbeelden van indicatoren

Productie

Bouwt de onderneming duurzame productieve capaciteit op?

Toegevoegde waarde, productiviteit, investeringen, R&D, innovatie, onderhoud, solvabiliteit, leveringszekerheid

Verdeling

Hoe worden opbrengsten en risico’s verdeeld?

Lonen, loonverhouding, bestuurdersbeloning, belastingen, rente, dividend, aandeleninkoop, leveranciersvoorwaarden, publieke steun

Menselijke vermogens

Versterkt de onderneming capabilities en arbeidskwaliteit?

Scholing, werkzekerheid, arbeidsongevallen, autonomie, werkdruk, medezeggenschap, gelijke beloning, zorgmogelijkheden

Natuurlijke vermogens

Blijft de onderneming binnen ecologische grenzen?

Absolute uitstoot, materiaal-, water- en landgebruik, biodiversiteit, afval, circulariteit en herstel

Kennis en innovatie

Vergroot en verspreidt zij maatschappelijk waardevolle kennis?

Onderzoek, octrooien, publieke financiering, licenties, open standaarden, samenwerking met kennisinstellingen

Macht en marktordening

Blijft de onderneming betwistbaar en corrigeerbaar?

Marktaandeel, overnames, overstapkosten, interoperabiliteit, dataconcentratie, lobby en fiscale structuren

Rechtsbescherming

Kunnen betrokkenen misstanden signaleren en herstel verkrijgen?

Klachten, doorlooptijden, herstelbetalingen, meldersbescherming, sancties en naleving

 

De indicatoren moeten naar omvang en risico van de onderneming worden gedifferentieerd. Een kleine lokale onderneming mag niet met dezelfde verslaglasten worden geconfronteerd als een mondiaal platform of financiële instelling. Een proportioneel stelsel kan bestaan uit:

  • een beperkte vrijwillige standaard voor kleine ondernemingen;
  • een uitgebreidere standaard voor grote of beursgenoteerde ondernemingen;
  • aanvullende sectorstandaarden voor activiteiten met grote maatschappelijke of ecologische risico’s;
  • specifieke rapportage voor ondernemingen die substantiële publieke steun ontvangen of essentiële infrastructuur beheren.

Rapportageverplichtingen mogen bovendien niet onbeperkt via de waardeketen op kleinere leveranciers worden afgewenteld. Grote ondernemingen behoren primair zelf verantwoordelijk te blijven voor het verzamelen, modelleren en verifiëren van de informatie die zij nodig hebben.

10 Rapportage zonder gevolgen is onvoldoende

Transparantie verandert niet vanzelf de onderliggende prikkels. Een onderneming kan uitvoerig rapporteren over klimaatrisico’s en tegelijk haar schadelijke activiteiten uitbreiden. Ook kunnen grote ondernemingen met gespecialiseerde afdelingen beter aan complexe verslagregels voldoen dan innovatieve nieuwkomers. Rapportage kan dan onbedoeld een toetredingsbarrière worden.

Daarom moet maatschappelijke waarderapportage worden verbonden met concrete institutionele gevolgen. De gegevens kunnen worden gebruikt bij:

  • publieke inkoop;
  • subsidieverlening;
  • vergunningen;
  • belastingfaciliteiten;
  • financiering en kredietvoorwaarden;
  • bestuurdersbeloning;
  • aandeelhoudersstemming;
  • mededingingstoezicht;
  • ketenaansprakelijkheid;
  • evaluatie van publieke steun.

Dit betekent niet dat iedere slechte indicator automatisch tot een sanctie leidt. Een onderneming in een transitie kan tijdelijk hoge emissies hebben terwijl zij aantoonbaar investeert in afbouw. Wel moet iedere materiële afwijking leiden tot uitleg, een verbeterpad en toetsbare mijlpalen.

De waarde van rapportage ligt daarmee niet in het produceren van steeds meer gegevens, maar in het verbeteren van de corrigeerbaarheid van ondernemingsgedrag.

11 Platformondernemingen als nieuwe institutionele machtscentra

Digitale platforms illustreren waarom ondernemingen niet uitsluitend naar hun producten of winst kunnen worden beoordeeld. Platforms brengen verschillende groepen gebruikers bij elkaar: consumenten en aanbieders, adverteerders en mediagebruikers, appontwikkelaars en apparaatbezitters, werknemers en opdrachtgevers. Zij verminderen zoek- en transactiekosten en maken nieuwe vormen van economische samenwerking mogelijk.

Hun economische kracht berust op een combinatie van:

  • directe en indirecte netwerkeffecten;
  • schaal- en scopevoordelen;
  • accumulatie van gegevens;
  • hoge overstapkosten;
  • controle over standaarden en toegang;
  • verticale integratie;
  • de mogelijkheid verschillende diensten te bundelen.

Bij een tweezijdige of meerzijdige markt kan een dienst aan één gebruikersgroep tegen een zeer lage of zelfs nulprijs worden aangeboden, omdat de waarde elders wordt verdiend. Een zoekdienst kan bijvoorbeeld voor gebruikers kosteloos lijken, terwijl aandacht, profilering en toegang tot adverteerders de feitelijke economische grondslag vormen. Een klassieke prijsanalyse kan platformmacht daardoor onderschatten.

Een succesvol platform creëert reële maatschappelijke waarde. Het kan kleine ondernemingen toegang tot grote markten geven, consumenten keuze bieden en nieuwe innovaties mogelijk maken. Tegelijkertijd kan het platform regels vaststellen voor toegang, rangschikking, gegevensgebruik, betaling en geschilbeslechting. De onderneming wordt dan niet alleen marktdeelnemer, maar ook private marktmeester.

Problemen ontstaan wanneer het platform:

  • eigen producten of diensten bevoordeelt;
  • zakelijke gebruikers afhankelijk maakt van toegang tot het platform;
  • gegevens uit verschillende rollen combineert;
  • overstappen praktisch bemoeilijkt;
  • potentiële concurrenten vroegtijdig overneemt;
  • toegang tot technische functies beperkt;
  • algoritmen inzet zonder voldoende transparantie of rechtsbescherming;
  • risico’s afwentelt op platformwerkers en kleine aanbieders.

Het mededingingsrecht blijft noodzakelijk, maar kan bij snel veranderende en reeds gekantelde markten te traag zijn. Daarom heeft de Europese Unie met de Digital Markets Act vooraf geldende verplichtingen en verboden geïntroduceerd voor aangewezen poortwachters. De Digital Markets Act vult het gewone mededingingsrecht aan met regels voor grote kernplatformdiensten.

Een menswordingsgerichte regulering van platforms omvat ten minste vijf sporen.

Betwistbaarheid

Interoperabiliteit, dataportabiliteit, open technische interfaces en toegang tot essentiële functies kunnen overstappen en toetreding vergemakkelijken. De Europese Commissie verbindt interoperabiliteit expliciet met het tegengaan van lock-in en het vergroten van innovatie door zakelijke gebruikers.

Eerlijke toegang

Platforms die tegelijk marktmeester en marktdeelnemer zijn, moeten transparante en niet-discriminerende voorwaarden hanteren. Zelfbevoordeling, koppelverkoop en het strategisch gebruiken van gegevens van zakelijke gebruikers vragen bijzondere aandacht.

Overnamecontrole

Bij digitale markten kan de omzet van een jonge onderneming laag zijn terwijl haar data, technologie of toekomstige concurrentiepotentieel groot is. Overnametoezicht moet daarom niet uitsluitend naar actuele omzet en marktaandeel kijken, maar ook naar innovatiepotentieel en mogelijke uitschakeling van toekomstige concurrentie.

Gegevens- en algoritmische rechten

Gebruikers, werknemers en zakelijke aanbieders moeten kunnen begrijpen welke gegevens worden verzameld en welke gevolgen geautomatiseerde rangschikking of besluitvorming heeft. Bij ingrijpende beslissingen zijn uitleg, menselijke beoordeling en bezwaar nodig.

Functionele of structurele scheiding

Wanneer gedragsregels structureel onvoldoende blijken, kan scheiding tussen platformbeheer en concurrerende eigen diensten worden overwogen. Ontvlechting is een zwaar instrument en vereist een zorgvuldige proportionaliteitsanalyse, maar mag niet principieel worden uitgesloten.

Platformregulering kent ook risico’s. Technische interoperabiliteit kan privacy- en veiligheidsproblemen veroorzaken. Zeer complexe nalevingsregels kunnen juist grote gevestigde ondernemingen bevoordelen. Regulering moet daarom technologisch deskundig, experimenteel en periodiek herzienbaar zijn.

12 Intellectuele eigendom als tijdelijk innovatie-instrument

Kennis heeft economisch bijzondere eigenschappen. Zij is vaak niet-rivaliserend: wanneer één persoon een idee gebruikt, blijft het in beginsel voor anderen beschikbaar. Tegelijkertijd kunnen onderzoek en ontwikkeling kostbaar en risicovol zijn. Wanneer een uitvinding onmiddellijk kosteloos kan worden gekopieerd, kan de oorspronkelijke investeerder onvoldoende opbrengst behalen om onderzoek te financieren.

Intellectuele-eigendomsrechten proberen dit appropriatieprobleem op te lossen door tijdelijk exclusieve rechten toe te kennen. Een octrooi kan investeringen aantrekken, licentieverlening mogelijk maken en openbaarmaking van technische kennis bevorderen. De World Intellectual Property Organization beschrijft het octrooistelsel als een afweging tussen prikkels voor kenniscreatie en de maatschappelijke verspreiding van kennis.

Deze afweging betreft statische en dynamische efficiëntie. Vanuit statisch perspectief verhoogt exclusiviteit prijzen en beperkt zij het gebruik van bestaande kennis. Vanuit dynamisch perspectief kan de verwachting van tijdelijke exclusiviteit nieuwe investeringen en innovatie uitlokken. De optimale bescherming is daarom niet maximaal, maar voldoende om innovatie te stimuleren zonder vervolginnovatie en toegang onnodig te belemmeren.

Problemen ontstaan onder meer bij:

  • te ruime of kwalitatief zwakke octrooien;
  • overlappende octrooirechten en patent thickets;
  • strategische octrooien die vooral toetreding blokkeren;
  • weigering essentiële technologie te licentiëren;
  • overnames waarmee concurrerende onderzoeksprogramma’s verdwijnen;
  • buitensporige prijzen voor essentiële producten;
  • exclusieve toe-eigening van hoofdzakelijk publiek gefinancierde kennis.

Innovatie is bovendien cumulatief. Nieuwe kennis bouwt doorgaans voort op bestaande kennis. Exclusieve rechten kunnen daarom zowel innovatie mogelijk maken als vervolginnovatie blokkeren. WIPO wijst op het risico dat complexe octrooilandschappen, holdup en hoge transactiekosten de ontwikkeling van nieuwe toepassingen bemoeilijken.

Een institutioneel evenwichtig stelsel kan gebruikmaken van:

  • strenge eisen aan nieuwheid en inventiviteit;
  • duidelijke afbakening van de beschermingsomvang;
  • periodieke vernieuwingstaksen;
  • onderzoeks- en interoperabiliteitsexcepties;
  • mededingingstoezicht op strategisch gebruik;
  • redelijke en niet-discriminerende licentievoorwaarden;
  • octrooipools voor complementaire technologieën;
  • open licenties voor publiek gefinancierde kennis;
  • innovatieprijzen en publieke onderzoeksfinanciering;
  • dwanglicenties bij zwaarwegende publieke belangen.

Het internationale recht kent ruimte voor dergelijke correcties. De WTO bevestigt dat dwanglicenties onderdeel zijn van de flexibiliteiten van het TRIPS-verdrag en onder voorwaarden kunnen worden ingezet zonder toestemming van de rechthebbende. De WTO-uitleg maakt duidelijk dat intellectuele eigendom geen absoluut recht is, maar binnen publieke verantwoordelijkheden functioneert.

Maatschappelijke waarderapportage rond intellectuele eigendom zou daarom zichtbaar moeten maken:

  • hoeveel publieke financiering aan onderzoek is voorafgegaan;
  • welke octrooien daadwerkelijk worden gebruikt;
  • welke licentievoorwaarden gelden;
  • hoe prijzen zich verhouden tot onderzoeks- en productiekosten;
  • welke toegang tot essentiële producten bestaat;
  • of overnames onderzoeksprogramma’s hebben beëindigd;
  • hoe kennis wordt gedeeld met universiteiten, start-ups en maatschappelijke instellingen.

13 Pensioenfondsen als langetermijnaandeelhouders

Pensioenfondsen beheren vermogen namens deelnemers die vaak pas decennia later aanspraak maken op hun pensioen. Daardoor beschikken zij in beginsel over een langere tijdshorizon dan veel andere marktpartijen. Bovendien zijn pensioenportefeuilles doorgaans breed gespreid. Schade aan klimaat, financiële stabiliteit, volksgezondheid of algemene productiviteit kan niet eenvoudig worden vermeden door één onderneming te verkopen wanneer die schade de gehele economie treft.

Pensioenfondsen en andere grote institutionele beleggers kunnen daarom optreden als langetermijnbewakers van ondernemingskwaliteit. Zij kunnen:

  • stemmen over bestuurders en beloningsbeleid;
  • in gesprek gaan met ondernemingen;
  • aandeelhoudersvoorstellen indienen;
  • transparantie en transitieplannen verlangen;
  • tegen overmatige aandeleninkoop of beloning stemmen;
  • samenwerking zoeken met andere beleggers;
  • hun vermogensbeheerders aan langetermijndoelen binden.

De Europese regels voor aandeelhoudersrechten verlangen van institutionele beleggers en vermogensbeheerders dat zij een beleid voor aandeelhoudersbetrokkenheid publiceren of uitleggen waarom zij dat niet doen. Dat beleid moet onder meer beschrijven hoe betrokkenheid in de beleggingsstrategie wordt geïntegreerd en hoe belangenconflicten worden beheerst. De Shareholder Rights Directive beoogt daarmee langetermijnbetrokkenheid te versterken.

De invloed van pensioenfondsen wordt echter vaak uitgeoefend via een keten van tussenpersonen:

Deelnemer › pensioenfonds › vermogensbeheerder › proxy-adviseur › onderneming

In iedere schakel kunnen informatieproblemen en afwijkende prikkels ontstaan. Een vermogensbeheerder kan worden afgerekend op kortetermijnprestaties ten opzichte van een benchmark. Een proxy-adviseur kan gestandaardiseerde aanbevelingen doen zonder voldoende kennis van de onderneming. Het pensioenfonds kan een ambitieus beleid formuleren zonder te controleren hoe stemmen daadwerkelijk worden uitgebracht.

De OECD-analyse van stewardship wijst daarom op informatieasymmetrie tussen uiteindelijke vermogensbezitters en vermogensbeheerders en op de noodzaak de effectiviteit van engagement te beoordelen.

Een geloofwaardig stewardshipbeleid vraagt om:

  • openbaarmaking van stemgedrag;
  • duidelijke mandaten aan vermogensbeheerders;
  • rapportage over resultaten, niet alleen aantallen gesprekken;
  • een escalatieladder bij uitblijvende verbetering;
  • inzicht in belangenconflicten;
  • periodieke betrokkenheid van pensioendeelnemers;
  • aansluiting tussen beleggingshorizon en beloning van beheerders;
  • beoordeling van systeemrisico’s en niet alleen ondernemingsrisico’s.

Pensioenfondsen mogen daarbij niet de plaats van democratische politiek innemen. Het vaststellen van bindende arbeids-, klimaat- en mededingingsnormen blijft een publieke verantwoordelijkheid. Stewardship kan ondernemingsgedrag binnen die normen verbeteren, maar mag niet uitgroeien tot private regelgeving door enkele grote vermogensbeheerders zonder democratische verantwoording.

Ook uitsluiting is niet altijd het effectiefste instrument. Verkoop van aandelen verandert de onderneming niet noodzakelijk en draagt het eigendom over aan een andere belegger. Engagement kan meer invloed bieden, maar verliest geloofwaardigheid wanneer geen consequenties volgen. Een gefaseerde strategie kan daarom lopen van dialoog en stemming naar aandeelhoudersvoorstellen, tegenstemmen, aanpassing van mandaten en uiteindelijk desinvestering.

14 Tegenargumenten en institutionele antwoorden

Een bredere ondernemingsverantwoordelijkheid roept verschillende bezwaren op.

Het eerste bezwaar luidt dat meerdere doelen de bestuurlijke verantwoordelijkheid vertroebelen. Dat risico is reëel. Het antwoord ligt niet in het reduceren van de onderneming tot aandeelhouderswaarde, maar in het juridisch en meetbaar maken van stakeholderverantwoordelijkheden.

Het tweede bezwaar betreft rapportagelasten. Uitgebreide rapportage kan vooral kleine ondernemingen onevenredig belasten. Daarom zijn proportionaliteit, sectorale relevantie, hergebruik van bestaande gegevens en begrenzing van ketenverzoeken noodzakelijk.

Het derde bezwaar is dat maatschappelijke eisen de internationale concurrentiepositie kunnen verzwakken. Dat kan gebeuren wanneer ondernemingen met hoge standaarden concurreren met bedrijven die kosten naar werknemers of ecosystemen afwentelen. Juist daarom zijn internationale standaarden, ketenverantwoordelijkheid en grensoverschrijdende samenwerking nodig. Concurrentiekracht die uitsluitend berust op niet-geprijsde maatschappelijke schade vertegenwoordigt geen duurzame efficiëntie.

Het vierde bezwaar is dat pensioenfondsen worden gepolitiseerd. Pensioenvermogen is bestemd voor de belangen van deelnemers en mag niet vrij voor ieder politiek doel worden ingezet. Maar financiële verantwoordelijkheid vereist eveneens aandacht voor klimaatrisico’s, marktmacht, arbeidskwaliteit en institutionele instabiliteit wanneer deze de langetermijnrendementen en de economie als geheel beïnvloeden.

Het vijfde bezwaar is dat zwakkere intellectuele-eigendomsrechten innovatie ondermijnen. Dat kan in sommige sectoren inderdaad gebeuren. De juiste vraag is daarom niet of intellectuele eigendom sterk of zwak moet zijn, maar welke combinatie van bescherming, publieke financiering, licenties en toegang in een specifieke sector de grootste duurzame innovatie oplevert.

15 De ondernemingstoets voor maatschappelijke waardecreatie

Een onderneming creëert maatschappelijke waarde wanneer zij aan ten minste vijf voorwaarden voldoet.

  1. Productieve additionaliteit
    Zij brengt goederen, diensten, kennis of infrastructuur voort die daadwerkelijk maatschappelijke of economische mogelijkheden vergroten.
  2. Eerlijke verdeling
    De opbrengsten en risico’s worden niet eenzijdig bij aandeelhouders, werknemers, leveranciers, consumenten of overheid neergelegd.
  3. Behoud van vermogens
    Financieel resultaat wordt niet gerealiseerd door uitputting van menselijke, natuurlijke of institutionele hulpbronnen.
  4. Begrensde macht
    De onderneming gebruikt schaal, data, intellectuele eigendom en politieke invloed niet om concurrentie en maatschappelijke correctie structureel uit te schakelen.
  5. Corrigeerbaarheid
    Effecten zijn meetbaar, besluitvorming is verantwoordbaar, betrokkenen beschikken over stem en rechtsbescherming en schadelijke praktijken kunnen tijdig worden aangepast.

Deze toets vervangt financiële verslaggeving niet. Zij plaatst financiële resultaten binnen de maatschappelijke voorwaarden waaronder zij betekenis krijgen.

16 Conclusie

Ondernemingen zijn geen externe bezoekers van de samenleving. Zij bestaan dankzij juridische vormen, publieke infrastructuur, opgeleide werknemers, collectieve kennis, stabiel geld en rechtsstatelijke bescherming. Tegelijkertijd zijn zij onmisbaar voor productie, innovatie, investeringen en maatschappelijke ontwikkeling.

Aandeelhouderskapitalisme heeft belangrijke economische functies zichtbaar gemaakt. Risicodragend kapitaal vraagt om rendement, bestuurders moeten worden gecontroleerd en ondernemingsmiddelen mogen niet zonder discipline worden verspild. Maar de gelijkstelling van ondernemingsbelang met maximalisatie van actuele aandeelhouderswaarde doet onvoldoende recht aan de gezamenlijke en institutionele aard van waardecreatie.

Stakeholderbenaderingen maken zichtbaar dat ondernemingen berusten op relaties met werknemers, leveranciers, klanten, gemeenschappen, overheden en natuurlijke systemen. Chang voegt daaraan toe dat de onderneming altijd functioneert binnen historisch gevormde instituties en zelf bijdraagt aan de ontwikkeling of uitholling daarvan.

Maatschappelijke waardecreatie vraagt daarom om een productierekening, een verdelingsrekening, een vermogensrekening en een machts- en corrigeerbaarheidsrekening. Rapportagestandaarden moeten zowel financiële materialiteit als impactmaterialiteit omvatten, maar rapportage alleen is onvoldoende. Informatie moet worden verbonden met bestuur, beloning, publieke steun, inkoop, toezicht en rechtsbescherming.

Platformondernemingen maken duidelijk hoe economische coördinatie kan uitgroeien tot private marktordening. Intellectuele eigendom laat zien dat tijdelijke exclusiviteit innovatie kan stimuleren maar ook toegang en vervolginnovatie kan blokkeren. Pensioenfondsen beschikken over een bijzondere mogelijkheid om langetermijnwaarde te bewaken, maar moeten hun invloed transparant, professioneel en namens hun deelnemers uitoefenen.

De legitimiteit van de onderneming wordt uiteindelijk niet alleen bepaald door de winst die zij realiseert, maar door de wijze waarop die winst ontstaat, wordt verdeeld en wordt gebruikt. Een onderneming is maatschappelijk productief wanneer zij financiële continuïteit weet te verbinden met menselijke ontwikkeling, kennisopbouw, ecologische begrenzing en institutionele openheid. Daarmee vormt zij niet slechts een private vermogensdrager, maar een centrale institutie van een vrije, productieve en corrigeerbare samenleving.

 



Lees het volledige onderzoek:

https://www.researchgate.net/publication/414160039_De_institutionele_architectuur_van_een_democratische_sufficiency-economie

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties