Waarom kan een Nederlandse rechter een wet wel aan een mensenrechtenverdrag toetsen, maar niet aan de Grondwet?

 

Huidige constitutionele regeling

De Nederlandse Grondwet bevat verschillende bepalingen die gezamenlijk het kader vormen voor de beoordeling van wetgeving aan hogere normen. De belangrijkste zijn de artikelen 91, 93, 94 en 120. Deze regeling berust op een fundamenteel onderscheid tussen toetsing aan de nationale Grondwet en toetsing aan internationaal en Europees recht. Terwijl de rechter formele wetten onder voorwaarden buiten toepassing kan laten wegens strijd met rechtstreeks werkend verdragsrecht of Unierecht, verbiedt artikel 120 hem de grondwettigheid van diezelfde wetten te beoordelen. Hierdoor is een asymmetrisch stelsel ontstaan waarin internationale grondrechten rechterlijk sterker kunnen doorwerken dan de grondrechten uit de nationale constitutie.

Het toetsingsverbod van artikel 120

Artikel 120 bepaalt dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. Onder “wetten” worden in dit verband wetten in formele zin verstaan: regelingen die gezamenlijk door regering en Staten-Generaal volgens de grondwettelijke wetgevingsprocedure zijn vastgesteld. Het verbod geldt ongeacht de inhoud van de wet en ongeacht de aard van de grondwetsbepaling waaraan zou worden getoetst.

De rechter mag daarom niet beoordelen of een formele wet verenigbaar is met:

·       de klassieke grondrechten van hoofdstuk 1;

·       sociale grondrechten;

·       constitutionele bevoegdheidsverdelingen;

·       grondwettelijke procedurevoorschriften;

·       institutionele waarborgen;

·       ongeschreven constitutionele beginselen.

Het verbod heeft niet alleen betrekking op de uiteindelijke inhoud van de wet, maar in beginsel ook op de vraag of de wet volgens de grondwettelijk voorgeschreven procedure tot stand is gekomen. De rechter kan een formele wet dus niet buiten toepassing laten omdat hij van oordeel is dat de wetgever een grondwettelijke procedure, zoals een gekwalificeerde meerderheid of een voorgeschreven betrokkenheid van een ander orgaan, niet correct heeft nageleefd.

Artikel 120 berust op het uitgangspunt dat de formele wetgever zelf verantwoordelijk is voor de beoordeling van de grondwettigheid van zijn handelen. Constitutionele controle vindt daarom voornamelijk vooraf plaats. Ministeries beoordelen wetsvoorstellen op grondwettigheid, de Afdeling advisering van de Raad van State adviseert over constitutionele aspecten en beide Kamers kunnen grondwettelijke bezwaren bij de parlementaire behandeling betrekken. Na de inwerkingtreding van de wet ontbreekt echter een onafhankelijke rechterlijke instantie die de uitkomst van deze beoordeling kan corrigeren.

Geen toetsing aan ongeschreven fundamentele rechtsbeginselen

Het toetsingsverbod kan niet eenvoudig worden omzeild door een formele wet in plaats van aan de Grondwet aan ongeschreven rechtsbeginselen te toetsen. In het Harmonisatiewetarrest heeft de Hoge Raad aanvaard dat de rechter wetten in formele zin niet buiten toepassing mag laten wegens strijd met fundamentele rechtsbeginselen. Een andere opvatting zou het toetsingsverbod grotendeels uithollen, omdat grondwettelijke normen dan via ongeschreven beginselen alsnog tegenover de formele wetgever zouden kunnen worden gehandhaafd.

Dit sluit niet uit dat rechtsbeginselen betekenis hebben bij de uitleg van wetgeving. De rechter kan een wettelijke bepaling zoveel mogelijk uitleggen in overeenstemming met grondrechten, rechtszekerheid, evenredigheid en andere fundamentele beginselen. Die interpretatieve ruimte eindigt echter waar tekst, systematiek en uitdrukkelijke bedoeling van de wet geen grondrechtenconforme uitleg toelaten. De rechter mag niet onder het mom van interpretatie een ondubbelzinnige wettelijke regel vervangen door een inhoudelijk andere regeling.

In uitzonderlijke omstandigheden kan bovendien betekenis toekomen aan feiten en omstandigheden die de wetgever bij de totstandkoming van de wet niet heeft verdisconteerd. Ook deze mogelijkheid vormt echter geen algemene bevoegdheid om formele wetgeving aan de Grondwet of algemene rechtsbeginselen te toetsen. Wanneer de wetgever een gevolg uitdrukkelijk heeft voorzien en aanvaard, blijft de rechter in beginsel aan die keuze gebonden.

Toetsing van lagere regelgeving

Artikel 120 verhindert niet dat lagere regelgeving aan de Grondwet wordt getoetst. Algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen, provinciale verordeningen, gemeentelijke verordeningen en andere algemeen verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn, kunnen door de rechter worden beoordeeld op verenigbaarheid met hogere nationale normen.

De rechter kan dergelijke regelgeving onder meer toetsen aan:

·       de Grondwet;

·       wetten in formele zin;

·       algemene rechtsbeginselen;

·       algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

·       rechtstreeks werkend internationaal en Europees recht.

Wanneer een lagere regeling in strijd is met een hogere norm, kan de rechter haar in het concrete geval buiten toepassing laten. Afhankelijk van het procesrecht kan de bestuursrechter daarnaast een besluit vernietigen dat op de onrechtmatige regeling berust. De rechter vernietigt de lagere regeling doorgaans niet met algemene werking, maar zijn uitspraak kan er in de praktijk toe leiden dat de regeling niet langer houdbaar of toepasbaar is.

Deze mogelijkheid leidt tot een verschil in bescherming dat moeilijk vanuit de ernst van de inbreuk kan worden verklaard. Een gemeentelijke verordening die een grondrecht onevenredig beperkt, kan buiten toepassing worden gelaten. Wanneer precies dezelfde beperking rechtstreeks in een formele wet is opgenomen, verhindert artikel 120 een toetsing aan de Grondwet. De juridische vorm van de regeling is daardoor bepalend voor de beschikbare grondrechtenbescherming.

De toetsing van lagere regelgeving kan ook indirect de formele wet raken, maar zij kan het toetsingsverbod niet doorbreken. Wanneer een lagere regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit een dwingende formeel-wettelijke opdracht, kan de rechter niet via de beoordeling van die regeling alsnog de constitutionele houdbaarheid van de achterliggende wet beslissen. Bestaat daarentegen beleids- of regelgevingsruimte, dan kan worden getoetst of die ruimte grondrechtenconform is gebruikt.

Toetsing aan verdragsrecht

Tegenover het verbod van artikel 120 staat artikel 94 Grondwet. Deze bepaling schrijft voor dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden wanneer die toepassing onverenigbaar is met eenieder verbindende bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het begrip “wettelijke voorschriften” omvat ook wetten in formele zin.

Artikel 93 bepaalt dat verdragsbepalingen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt. Of een bepaling eenieder verbindend is, hangt in het bijzonder af van de inhoud, formulering en strekking ervan. De norm moet voldoende onvoorwaardelijk en nauwkeurig zijn om zonder nadere politieke of wetgevende concretisering door de rechter te kunnen worden toegepast.

Op deze grondslag kunnen formele wetten onder meer worden getoetst aan rechtstreeks werkende bepalingen van het EVRM, het IVBPR en andere mensenrechtenverdragen. Bij een geconstateerde onverenigbaarheid laat de rechter de nationale wettelijke bepaling in het concrete geval buiten toepassing. De wet blijft formeel bestaan, maar kan niet worden toegepast voor zover dat tot strijd met de hogere internationale norm leidt.

Voor het recht van de Europese Unie geldt een gedeeltelijk andere constitutionele structuur. De voorrang en effectieve werking van het Unierecht berusten op de autonome rechtsorde van de Unie. Binnen de werkingssfeer van het Unierecht moet de nationale rechter een strijdige nationale bepaling buiten toepassing laten wanneer dat voor de volle werking van het Unierecht noodzakelijk is. Die verplichting geldt eveneens tegenover wetten in formele zin en kan niet afhankelijk worden gemaakt van voorafgaande intrekking of constitutionele vernietiging.

Verdragen en artikel 91 Grondwet

Artikel 91, derde lid, bepaalt dat een verdrag dat bepalingen bevat die afwijken van de Grondwet of tot zodanig afwijken noodzaken, alleen met ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen in beide Kamers kan worden goedgekeurd. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat de bijzondere grondwetsherzieningsprocedure langs verdragsrechtelijke weg eenvoudig wordt omzeild.

Artikel 120 verhindert de rechter echter ook om in de grondwettigheid van verdragen te treden. De vraag of een verdrag afwijkt van de Grondwet en daarom volgens artikel 91, derde lid, met een gekwalificeerde meerderheid had moeten worden goedgekeurd, wordt uiteindelijk door de politieke organen beoordeeld. Wanneer achteraf discussie ontstaat over de gevolgde procedure, ontbreekt een rechterlijke correctiemogelijkheid.

Hierdoor kent ook de internationale dimensie van het toetsingsverbod een lacune. Verdragsbepalingen kunnen diep ingrijpen in de nationale constitutionele orde en op grond van de artikelen 93 en 94 voorrang krijgen boven nationale wetgeving, terwijl de rechter niet kan beoordelen of bij de parlementaire goedkeuring de daarvoor geldende constitutionele voorwaarden zijn nageleefd.

Spanning tussen nationale en internationale grondrechtenbescherming

De combinatie van de artikelen 94 en 120 heeft ertoe geleid dat internationale grondrechten een sterkere rechterlijke positie innemen dan nationale grondrechten. Een burger kan een formele wet bijvoorbeeld wel laten toetsen aan artikel 8 EVRM, maar niet rechtstreeks aan artikel 10 Grondwet. Toetsing aan artikel 14 EVRM of artikel 26 IVBPR is mogelijk, terwijl toetsing van een formele wet aan artikel 1 Grondwet is uitgesloten. Een wettelijke beperking van toegang tot de rechter kan worden beoordeeld aan de hand van artikel 6 EVRM of artikel 47 EU-Handvest, maar niet rechtstreeks aan artikel 17 Grondwet.

Internationale grondrechtenbescherming heeft hierdoor een belangrijke compenserende functie gekregen. Zij biedt echter geen volledige vervanging voor constitutionele toetsing. In de eerste plaats dekken internationale verdragen niet alle nationale constitutionele rechten en beginselen. In de tweede plaats zijn niet alle verdragsbepalingen eenieder verbindend. Vooral sociale, ecologische en institutionele normen laten vaak beleidsruimte en bieden daarom niet altijd een rechtstreeks toepasbare maatstaf.

In de derde plaats kan de Nederlandse Grondwet bewust een hoger of specifieker beschermingsniveau beogen dan internationale minimumstandaarden. Nationale grondrechten kunnen aansluiten bij de eigen constitutionele geschiedenis, institutionele inrichting en maatschappelijke context. Wanneer zij niet tegenover formele wetgeving kunnen worden ingeroepen, blijft deze aanvullende bescherming in belangrijke mate afhankelijk van politieke zelfbinding.

De huidige regeling bevordert daardoor een externalisering van de grondrechtenbescherming. Burgers, advocaten en rechters formuleren constitutionele problemen hoofdzakelijk in de taal van het EVRM en het Unierecht, omdat die normen rechterlijk kunnen worden gehandhaafd. De Grondwet zelf vervult minder sterk de functie van gemeenschappelijk juridisch referentiekader voor de verhouding tussen burger en overheid.

Relatie met de voorgestelde artikelen 1a–1d

De spanning wordt scherper door de voorgestelde algemene grondrechtensystematiek. Artikel 1a bepaalt dat grondrechten de wetgever, het bestuur en de rechter binden. Artikel 1b formuleert algemene eisen voor beperkingen van grondrechten en beschermt hun wezenlijke inhoud. Artikel 1c erkent positieve beschermingsverplichtingen en het recht op een doeltreffende voorziening. Artikel 1d bevat een non-regressiebeginsel voor substantiële achteruitgang van sociale en ecologische grondrechten.

Zonder herziening van artikel 120 ontstaat een verschil tussen normatieve binding en rechterlijke afdwingbaarheid. De formele wetgever is dan constitutioneel aan de artikelen 1a–1d gebonden, maar de rechter mag niet vaststellen dat hij die binding heeft geschonden. De bepalingen hebben wel betekenis voor wetgevingsadvisering, parlementaire beoordeling en grondrechtenconforme interpretatie, maar kunnen niet rechtstreeks leiden tot het buiten toepassing laten van een strijdige formele wet.

Dit probleem manifesteert zich op verschillende niveaus:

·       Een formele wet kan een grondrecht beperken zonder te voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid, terwijl rechterlijke toetsing aan artikel 1b ontbreekt.

·       Een wettelijke regeling kan de wezenlijke inhoud van een grondrecht aantasten zonder dat de rechter daaraan een constitutioneel rechtsgevolg kan verbinden.

·       De wetgever kan noodzakelijke beschermingsmaatregelen achterwege laten, terwijl artikel 1c niet tegenover formele wetgeving kan worden gehandhaafd.

·       Een wet kan een bereikt sociaal of ecologisch beschermingsniveau substantieel verminderen zonder rechterlijke toetsing aan artikel 1d.

·       Het recht op een doeltreffende voorziening verliest een deel van zijn betekenis wanneer de rechter de wettelijke bron van de schending niet mag beoordelen.

De voorgestelde artikelen zouden wel volledig kunnen doorwerken bij toetsing van lagere regelgeving, bestuursbesluiten, feitelijk overheidshandelen en rechterlijke beslissingen. Juist daardoor zou echter een nieuwe asymmetrie ontstaan: alle overheidsorganen zijn aan dezelfde grondrechtennormen gebonden, maar alleen het handelen van de formele wetgever blijft grotendeels aan rechterlijke beoordeling onttrokken.

Lacunes van de bestaande regeling

De huidige constitutionele regeling kent daarmee vijf samenhangende lacunes. Ten eerste ontbreekt een onafhankelijke rechterlijke beoordeling van de grondwettigheid van wetten in formele zin. Ten tweede is de rechtsbescherming afhankelijk van de toevallige beschikbaarheid van een rechtstreeks werkende internationale of Europese norm. Ten derde kunnen nationale grondrechten geen zelfstandig hoger beschermingsniveau tegenover de formele wetgever waarborgen. Ten vierde ontbreekt een rechterlijk rechtsgevolg bij schending van grondwettelijke wetgevings- of goedkeuringsprocedures. Ten vijfde dreigen nieuwe grondrechten en algemene bepalingen zonder herziening van artikel 120 gedeeltelijk programmatisch te blijven.

Dit betekent niet dat de bestaande preventieve constitutionele controle moet worden vervangen. Wetgevingskwaliteit, constitutionele advisering en parlementaire toetsing blijven de eerste verdedigingslinie. Het huidige stelsel mist echter een aanvullende correctie wanneer deze waarborgen tekortschieten of de ongrondwettigheid pas bij concrete toepassing zichtbaar wordt. Een herziening van artikel 120 moet die leemte opvullen en tegelijkertijd bepalen welke normen toetsbaar zijn, welke rechter bevoegd is en welke rechtsgevolgen aan een geconstateerde schending kunnen worden verbonden.

Internationaal en rechtsvergelijkend perspectief

Constitutionele toetsing kent internationaal geen uniform model. Sommige rechtsstelsels kennen een gespecialiseerd constitutioneel hof, andere laten alle rechters wetgeving aan de constitutie toetsen en weer andere leggen het zwaartepunt bij preventieve parlementaire controle. Ook de rechtsgevolgen lopen uiteen: vernietiging met algemene werking, buiten toepassing laten in het concrete geval, uitgestelde onverbindendheid en een niet-bindende verklaring van onverenigbaarheid komen naast elkaar voor.

Internationale mensenrechtenverdragen schrijven niet voor dat staten een constitutioneel hof moeten instellen of wetten op een bepaalde wijze aan de nationale constitutie moeten toetsen. Zij verlangen wel dat verdragsrechten daadwerkelijk worden beschermd en dat bij schending effectieve nationale rechtsmiddelen beschikbaar zijn. De institutionele vorm blijft in beginsel aan de staten, zolang de bescherming praktisch, onafhankelijk en doeltreffend is.

Het EVRM

Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens berust op het uitgangspunt dat de verdragsstaten primair verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de daarin opgenomen rechten. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens fungeert subsidiair: het treedt in beginsel pas op nadat nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Dat veronderstelt dat nationale rechtsordes zelf beschikken over procedures waarin gestelde mensenrechtenschendingen effectief kunnen worden onderzocht en hersteld.

Artikel 13 EVRM waarborgt een daadwerkelijk rechtsmiddel voor ieder die stelt dat zijn verdragsrechten zijn geschonden. Dit rechtsmiddel hoeft niet noodzakelijk door een rechter te worden geboden, maar de instantie moet voldoende onafhankelijk zijn en over bevoegdheden beschikken waarmee passend herstel kan worden gerealiseerd. Naarmate de aard en ernst van een schending toenemen, worden hogere eisen gesteld aan de onafhankelijkheid en effectiviteit van de voorziening.

Artikel 6 EVRM beschermt het recht op een eerlijk proces bij de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen en bij de beoordeling van een strafvervolging. Het stelt eisen aan toegang tot de rechter, onafhankelijkheid, onpartijdigheid, openbaarheid, hoor en wederhoor en behandeling binnen een redelijke termijn. Het artikel creëert echter geen algemeen recht op constitutionele toetsing van wetgeving. Constitutionele procedures vallen alleen onder artikel 6 voor zover zij beslissend zijn voor burgerlijke rechten of verplichtingen of samenhangen met een strafrechtelijke beschuldiging.

Het EVRM verplicht staten dus niet om rechters de bevoegdheid te geven nationale wetten te vernietigen. Een verklaring van onverenigbaarheid, grondrechtenconforme interpretatie, wetgevingsherstel of een andere effectieve voorziening kan onder omstandigheden voldoende zijn. De verdragsstaat blijft op grond van artikel 1 verantwoordelijk voor de naleving van het Verdrag en is op grond van artikel 46 gebonden aan definitieve uitspraken van het Europees Hof. Het nationale institutionele model mag er daarom niet toe leiden dat een vastgestelde verdragschending duurzaam zonder herstel blijft. Het EVRM laat de keuze van het nationale toetsingsmodel grotendeels open.

Voor Nederland is vooral van belang dat constitutionele toetsing de subsidiariteit van het EVRM kan versterken. Wanneer nationale rechters formele wetten rechtstreeks aan vergelijkbare of verdergaande grondwettelijke rechten kunnen toetsen, hoeven burgers minder snel hun bescherming uitsluitend in Straatsburg te zoeken. De Nederlandse Grondwet kan dan opnieuw als primair grondrechtenkader functioneren, terwijl het EVRM de internationale ondergrens blijft bepalen.

Het EU-Handvest en effectieve rechterlijke bescherming

Het recht van de Europese Unie kent een verdergaand stelsel van rechterlijke toetsing. Artikel 47 van het EU-Handvest waarborgt voor eenieder wiens door het Unierecht gegarandeerde rechten zijn geschonden een doeltreffende voorziening in rechte. Het artikel beschermt tevens een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht, alsmede toegang tot advies, verdediging, vertegenwoordiging en, wanneer noodzakelijk, rechtsbijstand.

Het Handvest bindt de lidstaten uitsluitend wanneer zij binnen de werkingssfeer van het Unierecht handelen. Artikel 51 breidt de bevoegdheden van de Unie niet uit en maakt het Handvest niet tot een algemene grondrechtencatalogus voor zuiver nationale situaties. Binnen zijn toepassingsgebied moet de nationale rechter echter effectieve bescherming bieden.

De voorrang en effectieve werking van het Unierecht brengen mee dat iedere bevoegde nationale rechter een strijdige nationale regel zo nodig buiten toepassing moet laten. Dit geldt ook voor wetten in formele zin. Daarvoor hoeft niet te worden gewacht op intrekking door de wetgever of vernietiging door een constitutioneel hof. Nationale rechters fungeren daarmee als decentrale Unierechters.

Daarnaast kunnen en moeten nationale rechters onder de voorwaarden van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg en geldigheid van Unierecht. De geldigheid van handelingen van de Unie wordt uiteindelijk centraal door het Hof van Justitie beoordeeld, terwijl de verenigbaarheid van nationaal recht met Unierecht in eerste instantie decentraal door nationale rechters kan worden vastgesteld.

Een nationaal stelsel van constitutionele toetsing moet deze Europese structuur respecteren. Een verplichte prejudiciële verwijzing naar een nationaal constitutioneel hof mag gewone rechters niet verhinderen om:

·       zelf strijdig nationaal recht buiten toepassing te laten wanneer het Unierecht dat verlangt;

·       voorlopige bescherming te bieden;

·       prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen;

·       na beantwoording daarvan volledig uitvoering te geven aan het Unierecht.

Nationale grondrechten mogen een hoger beschermingsniveau bieden, maar niet wanneer daardoor de voorrang, eenheid en effectieve werking van het Unierecht worden aangetast. Voor een Nederlands toetsingsmodel betekent dit dat constitutionele en Unierechtelijke toetsing naast elkaar moeten kunnen functioneren. Een nationale prejudiciële procedure moet worden gecoördineerd met, maar mag niet in de plaats treden van, de procedure bij het Hof van Justitie.

Het IVBPR en andere internationale verdragen

Artikel 2, derde lid, IVBPR verplicht staten een effectief rechtsmiddel te bieden aan personen wier verdragsrechten zijn geschonden. Artikel 14 beschermt gelijkheid voor rechterlijke instanties en het recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige rechter die bij wet is ingesteld.

Ook het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het VN-Vrouwenverdrag, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van rassendiscriminatie, het Kinderrechtenverdrag en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap verplichten staten om rechten juridisch en institutioneel te verwezenlijken. Deze verdragen verlangen wetgevende, bestuurlijke en soms rechterlijke maatregelen, maar schrijven niet één constitutioneel toetsingsmodel voor.

Voor sociale rechten is van belang dat hun geleidelijke verwezenlijking niet betekent dat zij geheel aan rechterlijke beoordeling zijn onttrokken. Rechters kunnen onder meer toetsen of:

·       een onmiddellijk geldende minimumnorm wordt geëerbiedigd;

·       discriminatie plaatsvindt;

·       een besluit op voldoende onderzoek berust;

·       beschikbare middelen redelijk en niet-willekeurig worden ingezet;

·       substantiële achteruitgang toereikend is gemotiveerd;

·       bijzonder kwetsbare groepen onevenredig worden getroffen.

De rechter behoeft daarbij niet zelf begrotingen vast te stellen of sociaal beleid te ontwerpen. Internationale normen laten ruimte voor institutionele differentiatie tussen toetsing van klassieke afweerrechten en beoordeling van sociale, economische en ecologische verplichtingen.

Duitsland: geconcentreerde constitutionele rechtspraak

Duitsland kent een sterk geconcentreerd model rond het Bundesverfassungsgericht. Dit hof behandelt onder meer geschillen tussen constitutionele organen, abstracte toetsing van federale en deelstatelijke wetgeving, concrete normcontrole en individuele constitutionele klachten. Iedere persoon die stelt door openbaar gezag in bepaalde grondrechten te zijn geschonden, kan onder voorwaarden een constitutionele klacht indienen[1].

Bij concrete normcontrole kan een gewone rechter die ervan overtuigd is dat een voor het geschil beslissende wet ongrondwettig is, de procedure schorsen en de constitutionele vraag aan het Bundesverfassungsgericht voorleggen. De gewone rechter beoordeelt dus of een constitutioneel probleem bestaat, maar het gespecialiseerde hof beslist met gezag over de geldigheid van de wet.

Het Duitse model combineert verschillende functies:

·       geconcentreerde beoordeling van de geldigheid van formele wetten;

·       individuele toegang via de constitutionele klacht;

·       abstracte toetsing op verzoek van politieke of federale organen;

·       constitutionele rechtseenheid door één gespecialiseerd hof;

·       mogelijkheid tot tijdelijke en gedifferentieerde rechtsgevolgen.

Het Bundesverfassungsgericht kan een bepaling nietig verklaren, maar ook vaststellen dat zij onverenigbaar is met het Grundgesetz en de wetgever tijd geven voor herstel. Deze flexibiliteit voorkomt dat iedere schending onmiddellijk een juridisch vacuüm veroorzaakt. Het model biedt sterke constitutionele rechtsbescherming, maar brengt tevens het risico mee dat één hof een zeer grote constitutionele en politieke verantwoordelijkheid krijgt. Toelatingscriteria en selectie van klachten zijn noodzakelijk om overbelasting te voorkomen. Duitse wet op het Bundesverfassungsgericht kent daarom een afzonderlijke toelatingsprocedure.

België: vernietiging en prejudiciële verwijzing

België kent een Grondwettelijk Hof dat exclusief bevoegd is om normen met wetgevende kracht te toetsen aan de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling en aan een omschreven groep grondrechten en constitutionele bepalingen. Het Hof kan worden benaderd door middel van een beroep tot vernietiging en door prejudiciële vragen van andere rechters.

Een natuurlijke of rechtspersoon met een gerechtvaardigd belang kan een beroep tot vernietiging instellen. Daarnaast moeten gewone rechters onder bepaalde voorwaarden een prejudiciële vraag stellen wanneer de verenigbaarheid van een wet, decreet of ordonnantie met een toetsingsnorm voor de beslissing van het geschil relevant is. Daarmee wordt individuele rechtsbescherming gekoppeld aan geconcentreerde constitutionele beoordeling.

Bij een gegrond vernietigingsberoep kan het Hof de wettelijke norm geheel of gedeeltelijk vernietigen. De vernietiging heeft in beginsel algemene en retroactieve werking, maar het Hof kan de gevolgen van de vernietigde norm handhaven om de rechtszekerheid en belangen van derden te beschermen. Bij prejudiciële uitspraken blijft de formele norm bestaan, maar mag zij in het concrete geschil en vergelijkbare situaties niet op de ongrondwettige wijze worden toegepast[2].

Het Belgische model is voor Nederland bijzonder relevant. Beide rechtsordes kennen een civielrechtelijke traditie, een sterke rol voor de formele wetgever en een onderscheid tussen toetsing van wetgeving en toetsing van bestuurshandelen. België laat zien dat geconcentreerde toetsing kan worden gecombineerd met de bestaande gewone rechterlijke organisatie. Tegelijkertijd maakt het model duidelijk dat precieze regels nodig zijn over verwijzingsplicht, ontvankelijkheid, temporele werking en de verhouding tussen prejudiciële uitspraken en vernietigingsarresten.

Frankrijk: voorafgaande toetsing en de QPC

Frankrijk kende lange tijd hoofdzakelijk preventieve constitutionele toetsing. De Conseil constitutionnel beoordeelde wetten vóór hun afkondiging op verzoek van aangewezen politieke organen. Sinds de constitutionele hervorming van 2008 en de invoering van de question prioritaire de constitutionnalité in 2010 kunnen procespartijen ook tijdens een lopende procedure aanvoeren dat een reeds geldende wettelijke bepaling de constitutioneel gewaarborgde rechten en vrijheden schendt.

De vraag bereikt de Conseil constitutionnel via de Conseil d’État of de Cour de cassation. Deze hoogste rechtscolleges vervullen een filterfunctie. Zij beoordelen onder meer of de bepaling op het geschil van toepassing is, of zij niet reeds grondwettig is verklaard behoudens gewijzigde omstandigheden en of de vraag nieuw of voldoende ernstig is[3].

Wanneer de Conseil constitutionnel een bepaling ongrondwettig verklaart, wordt zij ingetrokken vanaf de publicatie van de beslissing of vanaf een door de Conseil vastgesteld later tijdstip. De Conseil kan bepalen onder welke voorwaarden eerdere rechtsgevolgen kunnen worden aangevochten. Daardoor kan onmiddellijk rechtsherstel worden geboden, maar kan vernietiging ook worden uitgesteld wanneer directe intrekking kennelijk buitensporige gevolgen zou hebben.

Het Franse model toont de waarde van een combinatie van voorafgaande en concrete toetsing. Preventieve constitutionele controle blijft bestaan, maar wordt aangevuld met een correctiemogelijkheid wanneer de gevolgen van wetgeving pas na inwerkingtreding zichtbaar worden. De filterfunctie beschermt het constitutionele orgaan tegen een onbeheersbare instroom, maar kan tevens de directe toegang van burgers beperken.

Canada: sterke toetsing met politieke correctiemogelijkheid

Canada kent een decentraal model waarin gewone rechters wetgeving aan de Canadian Charter of Rights and Freedoms kunnen toetsen. Rechten kunnen op grond van artikel 1 worden beperkt wanneer die beperking bij wet is voorzien en aantoonbaar gerechtvaardigd is in een vrije en democratische samenleving. Artikel 24 geeft de bevoegde rechter de mogelijkheid een passend en rechtvaardig rechtsmiddel te bieden. De Constitution Act bepaalt daarnaast dat de Grondwet de hoogste rechtsnorm is en dat daarmee onverenigbare wetgeving geen werking heeft.

Opvallend is artikel 33, de zogenoemde notwithstanding clause. Het federale parlement en provinciale wetgevers kunnen voor bepaalde Charterrechten uitdrukkelijk bepalen dat een wet ondanks die rechten geldt. Een dergelijke verklaring is tijdelijk en vervalt na maximaal vijf jaar, tenzij zij opnieuw wordt vastgesteld. De uitzondering geldt niet voor alle constitutionele rechten. De Canadese Constitution Act 1982 combineert zo rechterlijke toetsing met een formeel geregelde mogelijkheid voor politieke heroverweging.

Het Canadese model wordt vaak beschreven als een constitutionele dialoog tussen rechter en wetgever. Een rechterlijke uitspraak beëindigt het politieke proces niet noodzakelijk. De wetgever kan een regeling aanpassen, een beperking beter rechtvaardigen of in bepaalde gevallen gebruikmaken van de notwithstanding clause. Voor Nederland is vooral de combinatie van een algemene proportionaliteitsbepaling en flexibele rechtsmiddelen relevant. Een Nederlandse mogelijkheid om grondrechten tijdelijk opzij te zetten zou echter afzonderlijke en zware constitutionele rechtvaardiging vereisen en ligt niet vanzelfsprekend voor de hand.

Zuid-Afrika: sociale rechten en flexibele rechtsgevolgen

De Zuid-Afrikaanse Grondwet kent een sterk toetsingsmodel waarin gewone hogere gerechten en het Constitutionele Hof wetgeving aan de Grondwet kunnen toetsen. Wanneer een bevoegde rechter vaststelt dat wetgeving of overheidshandelen onverenigbaar is met de Grondwet, moet hij de norm of handeling ongeldig verklaren voor zover de strijdigheid reikt.

Artikel 172 geeft rechters daarnaast de bevoegdheid iedere rechtvaardige en billijke voorziening te treffen. Daaronder vallen beperking van de terugwerkende kracht en opschorting van de ongeldigheidsverklaring om de bevoegde wetgever gelegenheid te geven het gebrek te herstellen.

Het Zuid-Afrikaanse model is relevant omdat de Grondwet niet alleen klassieke, maar ook sociale rechten beschermt. De rechter onderzoekt doorgaans niet zelf welke beleidskeuze optimaal is, maar beoordeelt of het overheidsbeleid redelijk, inclusief en voldoende gericht is op de daadwerkelijke verwezenlijking van constitutionele rechten. Hierdoor ontstaat ruimte voor rechterlijke bescherming zonder dat de rechter de volledige beleidsvorming overneemt.

Voor de voorgestelde Nederlandse sociale, ecologische en positieve grondrechten laat dit model zien dat toetsbaarheid en beleidsruimte niet onverenigbaar zijn. De intensiteit van toetsing en de aard van het rechtsgevolg kunnen worden afgestemd op de betrokken norm. Een verklaring van onverenigbaarheid, hersteltermijn of structurele rapportageverplichting kan bij positieve verplichtingen passender zijn dan onmiddellijke buitenwerkingstelling.

Finland: parlementaire toetsing met een rechterlijk vangnet

Finland heeft het zwaartepunt traditioneel gelegd bij voorafgaande constitutionele controle binnen het parlement. De Constitutionele Commissie beoordeelt wetsvoorstellen op verenigbaarheid met de Grondwet en internationale mensenrechtenverplichtingen. De gewone rechter kan echter op grond van artikel 106 van de Finse Grondwet in een concreet geval voorrang geven aan de Grondwet wanneer toepassing van een wet tot een evidente strijdigheid zou leiden.

Dit model combineert politieke constitutionele toetsing met een beperkt rechterlijk vangnet. De eis van evidente strijdigheid houdt de rechterlijke interventie terughoudend en laat de primaire verantwoordelijkheid bij de wetgever. Het nadeel is dat subtielere of structurele schendingen mogelijk buiten rechterlijke correctie blijven. Voor Nederland kan dit model als een minimale hervormingsvariant worden beschouwd, maar het biedt minder bescherming dan een volwaardige proportionaliteitstoets.

Het Verenigd Koninkrijk: verklaring van onverenigbaarheid

Het Verenigd Koninkrijk kent geen gecodificeerde constitutie met een algemene bevoegdheid voor rechters om Acts of Parliament ongeldig te verklaren. Onder de Human Rights Act kunnen hogere rechters wel vaststellen dat primaire wetgeving onverenigbaar is met een verdragsrecht. Een dergelijke verklaring van onverenigbaarheid tast de geldigheid en toepasselijkheid van de wet niet aan. Het is vervolgens aan regering en parlement om te bepalen hoe de strijdigheid wordt hersteld.

Dit model respecteert de formele soevereiniteit van het parlement en maakt constitutionele problemen publiek en juridisch zichtbaar. Het biedt echter geen garantie dat de individuele procespartij onmiddellijk rechtsherstel ontvangt. De effectiviteit hangt af van de bereidheid van de politieke organen om op de uitspraak te reageren.

Een vergelijkbare verklaring van onverenigbaarheid kan binnen een Nederlands stelsel nuttig zijn bij complexe structurele gebreken of positieve verplichtingen, maar is als enig rechtsgevolg onvoldoende. Bij ernstige aantasting van klassieke grondrechten moet de rechter ook effectief individueel herstel kunnen bieden.

Vergelijkende conclusies

Uit de internationale en buitenlandse modellen volgt allereerst dat constitutionele toetsing niet noodzakelijk tot één institutionele vorm leidt. De kernkeuzes betreffen telkens vier afzonderlijke vragen:

1.      Toegang: kan alleen een politiek of rechterlijk orgaan een zaak aanbrengen, of ook een individuele burger?

2.      Bevoegde rechter: toetsen alle rechters, een constitutioneel hof of beide via een verwijzingsmodel?

3.      Toetsingsmaatstaf: wordt aan alle constitutionele bepalingen getoetst of alleen aan een afgebakende groep grondrechten en bevoegdheidsnormen?

4.      Rechtsgevolg: leidt strijdigheid tot buiten toepassing laten, vernietiging, uitgestelde ongeldigheid of een verklaring van onverenigbaarheid?

Ten tweede blijkt dat concrete en abstracte toetsing verschillende functies vervullen. Abstracte toetsing kan een ongrondwettige wet vroegtijdig uit de rechtsorde verwijderen, maar mist soms zicht op de gevolgen in de praktijk. Concrete toetsing sluit aan bij een daadwerkelijk geschil en maakt beoordeling van feitelijke effecten mogelijk, maar kan leiden tot versnippering en rechtsongelijkheid wanneer iedere rechter zelfstandig definitieve uitspraken over geldigheid doet.

Ten derde is differentiatie van rechtsgevolgen noodzakelijk. Automatische vernietiging met volledige terugwerkende kracht kan de rechtszekerheid, begrotingen en belangen van derden ernstig aantasten. Een modern toetsingsstelsel moet daarom ruimte bieden voor:

·       buiten toepassing laten in het concrete geval;

·       vernietiging met algemene werking;

·       beperking van terugwerkende kracht;

·       tijdelijke handhaving van rechtsgevolgen;

·       uitgestelde ongeldigheid;

·       een verklaring van onverenigbaarheid;

·       een hersteltermijn voor de wetgever;

·       onmiddellijk individueel herstel waar dat noodzakelijk is.

Ten vierde bevestigt de rechtsvergelijking dat rechterlijke toetsing en democratische besluitvorming niet als absolute tegenpolen hoeven te worden opgevat. Verschillende systemen creëren een constitutionele dialoog waarin de rechter de grens vaststelt, maar de wetgever in beginsel ruimte behoudt om binnen die grens een nieuwe regeling te ontwerpen. De rechter bepaalt dan niet noodzakelijk welke beleidsoplossing moet worden gekozen, maar voorkomt dat een constitutionele schending zonder erkenning of herstel voortduurt.

Voor Nederland ligt daarom een gemengd model voor de hand waarin concrete toegang, gespecialiseerde constitutionele beoordeling, rechtseenheid en flexibele rechtsgevolgen worden gecombineerd. De uiteindelijke ontwerpkeuze moet aansluiten bij de bestaande rechterlijke organisatie en bij de Nederlandse traditie van toetsing aan verdrags- en Unierecht. Internationale verplichtingen schrijven die keuze niet volledig voor, maar stellen wel een functionele ondergrens: grondrechten moeten praktisch en effectief worden beschermd, een onafhankelijke rechter moet bereikbaar zijn en een vastgestelde schending moet kunnen leiden tot passend rechtsherstel.

Lees hier het volledige voorstel: (PDF) Een Grondwet die werkelijk beschermt 


Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties