Waarom belasten we arbeid zwaarder dan economische macht?

 

Het fiscale stelsel in veel westerse samenlevingen, waaronder Nederland, wordt gekenmerkt door een structurele asymmetrie in de wijze waarop verschillende inkomens- en vermogensbronnen worden belast. Arbeid vormt in de praktijk de primaire belastinggrondslag, terwijl vermogen en kapitaalinkomsten relatief lichter worden aangesproken. Deze asymmetrie manifesteert zich zowel in de effectieve belastingdruk als in de mogelijkheden tot fiscale optimalisatie, internationale belastingplanning en uitstel van belastingheffing, die voor kapitaalinkomsten doorgaans aanzienlijk groter zijn dan voor arbeidsinkomen.

Vanuit een politiek-economisch perspectief heeft deze configuratie cumulatieve effecten. Doordat arbeid zwaarder wordt belast dan vermogen, wordt vermogensopbouw relatief bevoordeeld voor huishoudens en actoren die al over kapitaal beschikken. Hierdoor ontstaat een zichzelf versterkend proces waarin bestaande vermogensverschillen zich over generaties kunnen verdiepen. Vermogen genereert immers niet alleen directe inkomsten uit rente, dividend, huur en koerswinsten, maar biedt tevens toegang tot investeringen, ondernemerschap, kwalitatief onderwijs, betere huisvesting, professionele netwerken en mogelijkheden tot risicospreiding. Economisch kapitaal wordt daardoor steeds gemakkelijker omgezet in sociaal, cultureel en uiteindelijk ook politiek kapitaal.

Deze dynamiek is vanuit uiteenlopende wetenschappelijke tradities beschreven. Thomas Piketty laat zien dat wanneer het rendement op vermogen structureel hoger ligt dan de economische groei, vermogensconcentratie vrijwel automatisch toeneemt, tenzij deze ontwikkeling wordt gecorrigeerd door belastingen of andere institutionele mechanismen[1]. Anthony B. Atkinson benadrukt eveneens dat belastingstelsels niet uitsluitend dienen om overheidsuitgaven te financieren, maar mede bepalen hoe economische kansen, welvaart en maatschappelijke invloed worden verdeeld[2]. Vanuit een institutioneel-economisch perspectief wijzen Daron Acemoglu en James A. Robinson erop dat economische ongelijkheid zich gemakkelijk vertaalt in politieke ongelijkheid, doordat economische elites meer mogelijkheden hebben om instituties naar hun hand te zetten en hervormingen die hun positie bedreigen te blokkeren[3].

Ook de sociologische literatuur beschrijft deze cumulatieve werking. Volgens Pierre Bourdieu bestaat maatschappelijke macht uit een voortdurende wisselwerking tussen economisch, sociaal, cultureel en symbolisch kapitaal. Vermogensongelijkheid blijft daardoor niet beperkt tot verschillen in inkomen of bezit, maar vertaalt zich geleidelijk in ongelijke toegang tot onderwijs, gezondheid, maatschappelijke netwerken, politieke invloed en culturele legitimiteit. Ongelijkheid reproduceert zich daarmee niet uitsluitend via markten, maar ook via instituties die ogenschijnlijk neutraal functioneren[4].

Vanuit de democratische theorie vormt deze ontwikkeling eveneens een fundamenteel probleem. Robert A. Dahl waarschuwde reeds dat grote economische ongelijkheid onvermijdelijk leidt tot ongelijke politieke invloed en daarmee de democratische gelijkheid aantast[5]. Empirisch onderzoek van Martin Gilens en Benjamin I. Page laat zien dat beleidsuitkomsten in belangrijke mate overeenkomen met de voorkeuren van hogere-inkomensgroepen, terwijl de invloed van midden- en lagere inkomens aanzienlijk beperkter is. Daarmee verschuift de feitelijke machtsbalans van de democratische rechtsstaat geleidelijk richting economische elites[6].

Ook vanuit de republikeinse politieke filosofie wordt deze ontwikkeling problematisch geacht. Volgens Philip Pettit bestaat vrijheid niet uitsluitend uit de afwezigheid van overheidsdwang, maar vooral uit de afwezigheid van dominantie. Niet alleen de overheid, maar ook particuliere economische machtsconcentraties kunnen burgers in afhankelijkheidsrelaties brengen waarin zij hun vrijheid slechts onder voorwaarden kunnen uitoefenen. Een democratische rechtsstaat dient daarom niet alleen publieke macht, maar ook private machtsconcentraties institutioneel te begrenzen[7].

Een veelgehoord bezwaar tegen een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar vermogen is dat een dergelijke hervorming zou leiden tot kapitaalvlucht, een verslechtering van het vestigingsklimaat, lagere investeringen en uiteindelijk minder economische groei. Deze bezwaren verdienen serieuze aandacht, maar worden in het publieke debat vaak algemener geformuleerd dan de beschikbare empirische literatuur rechtvaardigt.

Internationaal economisch onderzoek laat zien dat vestigingsbeslissingen van ondernemingen door een breed scala aan factoren worden bepaald. Belastingdruk vormt daarbij slechts één element naast de kwaliteit van de fysieke en digitale infrastructuur, de beschikbaarheid van goed opgeleide werknemers, politieke en juridische stabiliteit, betrouwbare instituties, toegang tot internationale markten, innovatie-ecosystemen, energievoorziening en de kwaliteit van het openbaar bestuur. Juist hoogontwikkelde kenniseconomieën blijken hun concurrentiekracht in belangrijke mate te ontlenen aan deze institutionele factoren en niet uitsluitend aan lage belastingtarieven[8].

Vanuit de economische wetenschap wordt bovendien steeds vaker onderscheid gemaakt tussen belastingen die productieve economische activiteit verstoren en belastingen die vooral economische renten treffen. Belastingen op arbeid kunnen de kosten van arbeid verhogen en daarmee invloed uitoefenen op arbeidsparticipatie, ondernemerschap en werkgelegenheid. Belastingen op economische renten zoals grondrenten, monopoliewinsten, uitzonderlijk hoge vermogensrendementen, speculatieve waardestijgingen of grote nalatenschappen, worden daarentegen veelal beschouwd als minder verstorend, omdat zij in beperktere mate betrekking hebben op nieuwe productieve investeringen en vaker voortkomen uit bestaande vermogensposities, schaarste of marktmacht.

Deze benadering sluit aan bij het werk van Joseph E. Stiglitz, die benadrukt dat belastingstelsels onderscheid moeten maken tussen productieve waardecreatie en rent-seeking: activiteiten waarbij inkomen niet primair wordt verdiend door het creëren van nieuwe economische waarde, maar door het verwerven of beschermen van bestaande economische privileges of marktmacht[9]. Ook Peter Diamond en Emmanuel Saez laten zien dat progressieve belastingen op hoge inkomens en vermogens niet noodzakelijk leiden tot substantiële economische schade wanneer zij zorgvuldig worden vormgegeven, internationale ontwijkingsmogelijkheden worden beperkt en investeringen in productieve activiteiten niet onevenredig worden ontmoedigd[10].

Ook Thomas Piketty en Anthony B. Atkinson wijzen erop dat langdurige vermogensconcentratie zelf economische nadelen kan veroorzaken. Wanneer een steeds groter deel van het nationale vermogen terechtkomt bij een relatief kleine groep huishoudens, neemt niet alleen de economische ongelijkheid toe, maar kunnen ook concurrentie, sociale mobiliteit, innovatie en de allocatie van kapitaal onder druk komen te staan. Vermogensconcentratie vormt daarmee niet uitsluitend een verdelingsvraagstuk, maar kan uiteindelijk ook de productieve dynamiek van de economie aantasten[11].

Internationale organisaties komen tot vergelijkbare conclusies. De Organisation for Economic Co-operation and Development heeft in meerdere studies gewezen op de voordelen van een belastingmix waarin arbeid minder zwaar wordt belast en een groter deel van de belastingopbrengst wordt verkregen uit minder verstorende belastinggrondslagen, zoals bepaalde vormen van vermogens-, vastgoed- en grondbelasting[12]. Ook het International Monetary Fund heeft erop gewezen dat een evenwichtiger belastingstructuur economische groei, arbeidsdeelname en een rechtvaardiger inkomensverdeling met elkaar kan combineren wanneer belastingontwijking effectief wordt bestreden en internationale samenwerking wordt versterkt[13].

Het doel is niet om vermogen als zodanig zwaarder te belasten, noch om ondernemerschap of productieve investeringen te ontmoedigen. Integendeel, een goed ontworpen belastingstelsel behoort juist productieve economische activiteit, innovatie, ondernemerschap en langetermijninvesteringen te stimuleren. De verschuiving van belastingdruk richt zich primair op economische renten en excessieve vermogensconcentraties die niet of slechts beperkt bijdragen aan nieuwe maatschappelijke waardecreatie, maar wel leiden tot een toenemende concentratie van economische en politieke macht.

Daarmee verschuift ook de normatieve vraag. Niet de hoogte van de belastingdruk staat centraal, maar de vraag welke vormen van economische activiteit de democratische rechtsstaat wil stimuleren. Een belastingstelsel dat productieve arbeid en ondernemerschap relatief zwaar belast, terwijl passieve vermogensgroei, monopoliewinsten of speculatieve waardestijgingen relatief worden ontzien, creëert prikkels die moeilijk verenigbaar zijn met een economie waarin innovatie, maatschappelijke waardecreatie en brede welvaartsontwikkeling centraal staan.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel krijgt deze afweging bovendien een institutionele dimensie. Een verschuiving van belastingdruk van arbeid naar zorgvuldig vormgegeven belastingen op economische renten en grote vermogens draagt niet alleen bij aan bestaanszekerheid en een evenwichtiger verdeling van economische kansen, maar voorkomt tevens dat economische machtsconcentraties zich steeds verder vertalen in maatschappelijke en politieke dominantie. Belastingen worden daarmee niet uitsluitend een instrument van inkomstenverwerving of herverdeling, maar een essentieel onderdeel van het institutionele ontwerp van een democratische rechtsstaat waarin economische macht, politieke invloed en corrigeerbaarheid duurzaam met elkaar in evenwicht worden gehouden.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel kan belastingheffing niet uitsluitend worden beschouwd als een instrument voor de financiering van collectieve voorzieningen of als middel voor inkomensherverdeling. Belastingen maken deel uit van het institutionele ontwerp van de samenleving. Zij bepalen mede hoe kansen, macht, verantwoordelijkheden en ontwikkelingsmogelijkheden tussen burgers worden verdeeld en beïnvloeden daarmee rechtstreeks de voorwaarden waaronder menswording kan plaatsvinden.

Het uitgangspunt van dit model is dat mensen zich slechts kunnen ontwikkelen wanneer zij beschikken over een minimale bestaansbasis, toegang hebben tot onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, rechtsbescherming en daadwerkelijke mogelijkheden om maatschappelijk te participeren. Deze voorwaarden ontstaan niet vanzelf, maar worden mede gedragen door collectieve instituties. Belastingheffing vormt daarom geen beperking van vrijheid, maar een noodzakelijke institutionele voorwaarde voor de vrijheid van allen. Zonder voldoende collectieve middelen kunnen de sociale en institutionele voorwaarden die menswording mogelijk maken niet duurzaam worden gegarandeerd.

Vanuit dit perspectief verschuift ook het begrip rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid betekent niet dat iedere burger exact hetzelfde bezit of hetzelfde inkomen heeft, maar dat iedere burger beschikt over voldoende reële mogelijkheden om zich als persoon te ontwikkelen, verantwoordelijkheid te dragen en volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Extreme concentraties van vermogen zijn daarom niet uitsluitend problematisch vanwege de ongelijkheid zelf, maar omdat zij de institutionele voorwaarden aantasten waaronder anderen hun mogelijkheden kunnen ontwikkelen. Wanneer economische macht zich langdurig concentreert, ontstaan steeds grotere verschillen in toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, juridische bescherming, politieke invloed, ondernemerschap en maatschappelijke participatie. Daarmee wordt niet alleen economische gelijkheid, maar ook de gelijkwaardigheid van burgers als deelnemers aan de democratische rechtsstaat onder druk gezet.

Deze gedachte sluit aan bij verschillende rechtvaardigheidstheorieën. John Rawls verdedigt in zijn verschilbeginsel dat sociale en economische ongelijkheden slechts gerechtvaardigd zijn wanneer zij ook ten goede komen aan de minst bevoordeelden. Ronald Dworkin benadrukt dat een rechtvaardige samenleving burgers als gelijken moet behandelen en ongelijke uitgangsposities zoveel mogelijk moet neutraliseren zonder individuele verantwoordelijkheid uit te schakelen. De capability-benadering van Amartya Sen en Martha C. Nussbaum verlegt de aandacht vervolgens van formele rechten naar de daadwerkelijke mogelijkheden waarover mensen beschikken om deze rechten te realiseren. Hoewel deze benaderingen onderling verschillen, delen zij het uitgangspunt dat rechtvaardigheid uiteindelijk betrekking heeft op de reële mogelijkheden die mensen hebben om een menswaardig leven te leiden.

Het mens- en samenlevingswordingsmodel bouwt op deze inzichten voort, maar voegt daaraan een institutionele dimensie toe. Niet alleen individuele ontwikkelingsmogelijkheden verdienen bescherming, maar ook de instituties die deze mogelijkheden duurzaam mogelijk maken. Belastingen dienen daarom niet uitsluitend om ongelijkheid te corrigeren, maar ook om de institutionele voorwaarden voor menswording, democratische participatie en corrigeerbaarheid in stand te houden. Een belastingstelsel wordt daarmee onderdeel van de constitutionele infrastructuur van de democratische rechtsstaat.

Vanuit dit perspectief krijgt ook de verhouding tussen arbeid en vermogen een andere betekenis. Arbeid vertegenwoordigt in de eerste plaats menselijke inspanning, creativiteit, samenwerking en maatschappelijke waardecreatie. Vermogen vertegenwoordigt daarentegen een reeds opgebouwde economische positie die nieuwe mogelijkheden kan genereren zonder dat daar noodzakelijkerwijs een evenredige nieuwe bijdrage aan de maatschappelijke productie tegenover staat. Dat betekent niet dat vermogen onrechtmatig is of geen maatschappelijke functie vervult. Integendeel, investeringen, ondernemerschap en kapitaalvorming zijn onmisbare voorwaarden voor economische ontwikkeling. Wel betekent het dat een democratische rechtsstaat onderscheid mag maken tussen het beschermen van productieve waardecreatie en het begrenzen van cumulatieve machtsconcentraties die zich over generaties blijven versterken.

Vanuit het rechtvaardigheidsperspectief is een verschuiving van belastingdruk van arbeid naar vermogen daarom geen straf op succes en evenmin een streven naar volledige economische gelijkheid. Zij vormt een institutioneel mechanisme waarmee de samenleving voorkomt dat economische machtsconcentraties zich geleidelijk vertalen in ongelijke ontwikkelingskansen, ongelijke politieke invloed en ongelijke toegang tot corrigeermechanismen. Belastingen worden daarmee onderdeel van de institutionele architectuur die de vrijheid, gelijkwaardigheid en ontwikkelingsmogelijkheden van alle burgers beschermt.

Deze benadering leidt uiteindelijk tot een ander normatief uitgangspunt dan veel klassieke belastingtheorieën. De centrale vraag luidt niet hoeveel belasting economisch optimaal is, maar welk belastingstelsel de voorwaarden creëert waaronder zoveel mogelijk mensen zich kunnen ontwikkelen, verantwoordelijkheid kunnen dragen, maatschappelijk kunnen participeren en tegelijkertijd geen enkele machtsconcentratie zodanig groot wordt dat zij de corrigeerbaarheid van de democratische rechtsstaat ondermijnt. Vanuit dat perspectief vormt een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk tussen arbeid en vermogen geen louter economisch beleidsinstrument, maar een uitwerking van het bredere streven naar een rechtvaardige, democratische en op menswording gerichte samenleving.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel kan belastingheffing niet uitsluitend worden beschouwd als een instrument voor de financiering van collectieve voorzieningen of als middel voor inkomensherverdeling. Belastingen maken deel uit van het institutionele ontwerp van de samenleving. Zij bepalen mede hoe kansen, macht, verantwoordelijkheden en ontwikkelingsmogelijkheden tussen burgers worden verdeeld en beïnvloeden daarmee rechtstreeks de voorwaarden waaronder menswording kan plaatsvinden.

Het uitgangspunt van dit model is dat mensen zich slechts kunnen ontwikkelen wanneer zij beschikken over een minimale bestaansbasis, toegang hebben tot onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, rechtsbescherming en daadwerkelijke mogelijkheden om maatschappelijk te participeren. Deze voorwaarden ontstaan niet vanzelf, maar worden mede gedragen door collectieve instituties. Belastingheffing vormt daarom geen beperking van vrijheid, maar een noodzakelijke institutionele voorwaarde voor de vrijheid van allen. Zonder voldoende collectieve middelen kunnen de sociale en institutionele voorwaarden die menswording mogelijk maken niet duurzaam worden gegarandeerd.

Vanuit dit perspectief verschuift ook het begrip rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid betekent niet dat iedere burger exact hetzelfde bezit of hetzelfde inkomen heeft, maar dat iedere burger beschikt over voldoende reële mogelijkheden om zich als persoon te ontwikkelen, verantwoordelijkheid te dragen en volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Extreme concentraties van vermogen zijn daarom niet uitsluitend problematisch vanwege de ongelijkheid zelf, maar omdat zij de institutionele voorwaarden aantasten waaronder anderen hun mogelijkheden kunnen ontwikkelen. Wanneer economische macht zich langdurig concentreert, ontstaan steeds grotere verschillen in toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, juridische bescherming, politieke invloed, ondernemerschap en maatschappelijke participatie. Daarmee wordt niet alleen economische gelijkheid, maar ook de gelijkwaardigheid van burgers als deelnemers aan de democratische rechtsstaat onder druk gezet.

Deze gedachte sluit aan bij verschillende rechtvaardigheidstheorieën. John Rawls verdedigt in zijn verschilbeginsel dat sociale en economische ongelijkheden slechts gerechtvaardigd zijn wanneer zij ook ten goede komen aan de minst bevoordeelden[14]. . Ronald Dworkin benadrukt dat een rechtvaardige samenleving burgers als gelijken moet behandelen en ongelijke uitgangsposities zoveel mogelijk moet neutraliseren zonder individuele verantwoordelijkheid uit te schakelen[15]. De capability-benadering van Amartya Sen en Martha C. Nussbaum verlegt de aandacht vervolgens van formele rechten naar de daadwerkelijke mogelijkheden waarover mensen beschikken om deze rechten te realiseren. Hoewel deze benaderingen onderling verschillen, delen zij het uitgangspunt dat rechtvaardigheid uiteindelijk betrekking heeft op de reële mogelijkheden die mensen hebben om een menswaardig leven te leiden[16]. Daarbij sluit ook een breed gedragen inzicht uit de welzijnseconomie en de gelukseconomie aan dat de maatschappelijke en persoonlijke meerwaarde van extra inkomen en vermogen afneemt naarmate mensen over meer middelen beschikken[17]. Voor huishoudens die moeite hebben hun basisbehoeften te vervullen, kan een beperkte inkomens- of vermogensverbetering een groot verschil maken voor gezondheid, bestaanszekerheid, autonomie en ontwikkelingsmogelijkheden. Naarmate vermogens echter verder toenemen, draagt iedere extra euro gemiddeld steeds minder bij aan individueel welzijn, terwijl verdere vermogensconcentratie wel kan leiden tot grotere economische, maatschappelijke en politieke machtsverschillen. Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel vormt dit een aanvullende rechtvaardiging voor een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk tussen arbeid en vermogen. Een dergelijke verschuiving vergroot niet alleen de ontwikkelingsmogelijkheden van burgers die zich rond de minimale bestaansvoorwaarden bevinden, maar beperkt tevens de cumulatieve concentratie van economische macht zonder dat daarmee noodzakelijkerwijs een evenredig verlies aan individueel welzijn ontstaat.

Het mens- en samenlevingswordingsmodel bouwt op deze inzichten voort, maar voegt daaraan een institutionele dimensie toe. Niet alleen individuele ontwikkelingsmogelijkheden verdienen bescherming, maar ook de instituties die deze mogelijkheden duurzaam mogelijk maken. Belastingen dienen daarom niet uitsluitend om ongelijkheid te corrigeren, maar ook om de institutionele voorwaarden voor menswording, democratische participatie en corrigeerbaarheid in stand te houden. Een belastingstelsel wordt daarmee onderdeel van de constitutionele infrastructuur van de democratische rechtsstaat.

Vanuit dit perspectief krijgt ook de verhouding tussen arbeid en vermogen een andere betekenis. Arbeid vertegenwoordigt in de eerste plaats menselijke inspanning, creativiteit, samenwerking en maatschappelijke waardecreatie. Vermogen vertegenwoordigt daarentegen een reeds opgebouwde economische positie die nieuwe mogelijkheden kan genereren zonder dat daar noodzakelijkerwijs een evenredige nieuwe bijdrage aan de maatschappelijke productie tegenover staat. Dat betekent niet dat vermogen onrechtmatig is of geen maatschappelijke functie vervult. Integendeel, investeringen, ondernemerschap en kapitaalvorming zijn onmisbare voorwaarden voor economische ontwikkeling. Wel betekent het dat een democratische rechtsstaat onderscheid mag maken tussen het beschermen van productieve waardecreatie en het begrenzen van cumulatieve machtsconcentraties die zich over generaties blijven versterken.

Een verschuiving van belastingdruk van arbeid naar vermogen is daarom geen straf op succes en evenmin een streven naar volledige economische gelijkheid. Zij vormt een institutioneel mechanisme waarmee de samenleving voorkomt dat economische machtsconcentraties zich geleidelijk vertalen in ongelijke ontwikkelingskansen, ongelijke politieke invloed en ongelijke toegang tot corrigeermechanismen. Belastingen worden daarmee onderdeel van de institutionele architectuur die de vrijheid, gelijkwaardigheid en ontwikkelingsmogelijkheden van alle burgers beschermt.

Deze benadering leidt uiteindelijk tot een ander normatief uitgangspunt dan veel klassieke belastingtheorieën. De centrale vraag luidt niet hoeveel belasting economisch optimaal is, maar welk belastingstelsel de voorwaarden creëert waaronder zoveel mogelijk mensen zich kunnen ontwikkelen, verantwoordelijkheid kunnen dragen, maatschappelijk kunnen participeren en tegelijkertijd geen enkele machtsconcentratie zodanig groot wordt dat zij de corrigeerbaarheid van de democratische rechtsstaat ondermijnt. Vanuit dat perspectief vormt een evenwichtiger verdeling van de belastingdruk tussen arbeid en vermogen geen louter economisch beleidsinstrument, maar een uitwerking van het bredere streven naar een rechtvaardige, democratische en op menswording gerichte samenleving.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel krijgt deze problematiek nog een aanvullende dimensie. Ongelijke vermogensverdeling beïnvloedt niet uitsluitend de verdeling van inkomen of welvaart, maar ook de verdeling van corrigeerbaarheid binnen de samenleving. Financiële middelen vergroten immers de mogelijkheden om juridische procedures te voeren, gespecialiseerde rechtsbijstand in te schakelen, beleidsbeïnvloeding te organiseren, wetenschappelijk onderzoek te financieren, mediacampagnes op te zetten of langdurige maatschappelijke belangenbehartiging te bekostigen. Economisch vermogen vergroot daarmee niet alleen de handelingsvrijheid van individuen en organisaties, maar ook hun vermogen om maatschappelijke, politieke en juridische correctiemechanismen effectief te benutten.

Ook corrigeerbaarheid zelf is ongelijk verdeeld. Een belastingstelsel beïnvloedt daarom niet alleen de verdeling van inkomens en vermogens, maar ook de verdeling van feitelijke toegang tot de instituties waarmee macht kan worden gecontroleerd en gecorrigeerd. Belastingen zijn daarmee niet uitsluitend een financieel instrument, maar tevens een fundamenteel onderdeel van het institutionele ontwerp van de democratische rechtsstaat. De wijze waarop arbeid en vermogen worden belast, bepaalt mede hoe economische macht zich ontwikkelt en in welke mate burgers daadwerkelijk in staat zijn gebruik te maken van hun grondrechten, politieke participatiemogelijkheden en rechtsbescherming.

Deze gedachte sluit aan bij het werk van Elinor Ostrom, die laat zien dat duurzame instituties afhankelijk zijn van een evenwichtige spreiding van macht en wederzijdse controle[18], en bij Douglass C. North, die benadrukt dat economische en politieke instituties elkaar voortdurend wederzijds vormen[19]. Vanuit deze benadering is een belastingstelsel niet slechts een mechanisme voor inkomstenverwerving, maar een institutioneel instrument waarmee de samenleving de verdeling van economische macht en daarmee ook de verdeling van corrigeerbaarheid mede vormgeeft.

Tegen deze achtergrond impliceert een heroriëntatie van het fiscale stelsel niet primair een streven naar volledige inkomens- of vermogensgelijkheid, maar naar een evenwichtiger verdeling van de lasten tussen arbeid en vermogen. Een verschuiving van belastingdruk van arbeid naar vermogen kan vanuit het pcd-model langs vier samenhangende doelstellingen worden gerechtvaardigd. Zij versterkt de bestaanszekerheid van werkenden doordat arbeid minder zwaar wordt belast; zij beperkt de cumulatieve groei van vermogensongelijkheid; zij voorkomt dat economische macht zich steeds verder vertaalt in maatschappelijke en politieke dominantie; en zij draagt bij aan een evenwichtiger fiscale verdeling van corrigeerbaarheid, doordat burgers minder afhankelijk worden van ongelijke economische machtsposities om hun rechten effectief uit te oefenen, deel te nemen aan democratische besluitvorming en toegang te verkrijgen tot juridische en politieke correctiemechanismen.

Vanuit deze optiek krijgt belastingheffing een bredere constitutionele betekenis. Zij dient niet uitsluitend ter financiering van collectieve voorzieningen of herverdeling van inkomen, maar vormt tevens een institutioneel mechanisme waarmee de democratische rechtsstaat de voorwaarden beschermt waaronder macht corrigeerbaar blijft. Een fiscaal stelsel dat structureel bijdraagt aan de concentratie van economische macht ondermijnt uiteindelijk ook de evenwichtige verdeling van maatschappelijke invloed, rechtsbescherming en democratische participatie. Omgekeerd kan een evenwichtiger belastingstelsel bijdragen aan een samenleving waarin niet alleen welvaart, maar ook de feitelijke mogelijkheden om macht te controleren, instituties te beïnvloeden en grondrechten te effectueren rechtvaardiger zijn verdeeld. Juist daarom vormt de fiscale verdeling van corrigeerbaarheid geen louter economisch vraagstuk, maar een essentieel onderdeel van het institutionele ontwerp van een democratische rechtsstaat die duurzaam rechtvaardig, veerkrachtig en op menswording gericht wil zijn.

Deze analyse impliceert een fundamentele heroriëntatie van het fiscale stelsel. Belastingen dienen niet uitsluitend ter financiering van collectieve voorzieningen of ter correctie van inkomensverschillen, maar vormen een essentieel onderdeel van het institutionele ontwerp van een democratische rechtsstaat. Zij bepalen mede hoe economische kansen, maatschappelijke invloed, ontwikkelingsmogelijkheden en corrigeerbaarheid over de samenleving worden verdeeld. Een rechtvaardig belastingstelsel richt zich daarom niet alleen op economische efficiëntie, maar ook op het bevorderen van menswording, het beperken van structurele machtsconcentraties en het versterken van de institutionele voorwaarden waaronder burgers daadwerkelijk als gelijken kunnen deelnemen aan de samenleving.

In de eerste plaats vraagt dit om een substantiële verlaging van de belastingdruk op arbeid, met name aan de onder- en middenkant van de inkomensverdeling. Arbeid vertegenwoordigt menselijke inspanning, creativiteit, samenwerking en maatschappelijke waardecreatie. Een belastingstelsel dat arbeid relatief zwaar belast, terwijl passieve vermogensgroei relatief wordt ontzien, creëert prikkels die moeilijk verenigbaar zijn met een samenleving waarin participatie, ondernemerschap en menselijke ontwikkeling centraal staan. Een lagere belastingdruk op arbeid vergroot de netto-inkomens van werkenden, versterkt de bestaanszekerheid van huishoudens en vermindert de afhankelijkheid van complexe inkomensondersteunende regelingen. Daarmee neemt niet alleen de financiële autonomie van burgers toe, maar ook hun feitelijke handelingsruimte om zich maatschappelijk, economisch en politiek te ontplooien.

In de tweede plaats impliceert deze heroriëntatie een evenwichtiger belasting van grote vermogens, kapitaalinkomsten en omvangrijke vermogensoverdrachten. Daarbij gaat het niet om het ontmoedigen van ondernemerschap, investeringen of productieve kapitaalvorming, maar om het beperken van cumulatieve vermogensconcentraties die zich over generaties blijven versterken en uiteindelijk ook leiden tot concentraties van maatschappelijke en politieke macht. Een zorgvuldig vormgegeven belasting op grote vermogens, vermogensrendementen en kapitaalinkomsten draagt ertoe bij dat economische renten en passieve vermogensgroei een evenrediger bijdrage leveren aan de financiering van de samenleving, zonder productieve waardecreatie onnodig te belemmeren.

Een bijzondere plaats komt daarbij toe aan de belasting van grote nalatenschappen en schenkingen. Vanuit een rechtvaardigheidsperspectief vertegenwoordigen omvangrijke erfenissen geen beloning voor eigen inspanning, maar een overdracht van reeds opgebouwde vermogensposities tussen generaties. Hoewel ouders de vrijheid moeten behouden hun kinderen financieel te ondersteunen, kan een onbeperkte intergenerationele overdracht van zeer grote vermogens ertoe leiden dat maatschappelijke kansen, economische macht en politieke invloed zich over generaties concentreren, los van individuele verdiensten of maatschappelijke bijdrage. Een progressieve belasting op grote nalatenschappen draagt daarom niet alleen bij aan een evenwichtiger vermogensverdeling, maar voorkomt tevens dat economische machtsposities zich vrijwel onbeperkt reproduceren. Tegelijkertijd blijft ruimte bestaan voor substantiële vrijstellingen voor kleinere nalatenschappen, zodat gezinsvorming, ondernemerschap en intergenerationele solidariteit niet onnodig worden belemmerd.

In de derde plaats dient het belastingstelsel onderscheid te maken tussen productieve waardecreatie en economische renten. Belastingen behoren innovatie, ondernemerschap, investeringen in de reële economie en duurzame waardecreatie zoveel mogelijk te ontzien of zelfs te stimuleren. Daartegenover staat dat economische voordelen die hoofdzakelijk voortvloeien uit marktmacht, grondrenten, monopoliewinsten, speculatieve waardestijgingen of langdurige vermogensaccumulatie zwaarder kunnen worden belast, omdat zij in beperktere mate bijdragen aan nieuwe maatschappelijke waardecreatie. Daarmee verschuift het fiscale uitgangspunt van een algemene belasting op kapitaal naar een meer gerichte belasting van economische machtsconcentraties en niet-productieve economische renten.

In de vierde plaats vervult deze belastingverschuiving een belangrijke institutionele functie. Door een groter deel van de belastingopbrengsten te baseren op grote vermogens, kapitaalinkomsten en omvangrijke vermogensoverdrachten ontstaat ruimte om de belastingdruk op arbeid te verlagen en tegelijkertijd te investeren in de publieke instituties die menswording mogelijk maken. Investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, rechtsbescherming, infrastructuur, wetenschap, innovatie en sociale zekerheid vergroten niet alleen de economische productiviteit, maar versterken tevens de institutionele kwaliteit van de democratische rechtsstaat. Juist deze collectieve voorzieningen vormen immers de maatschappelijke infrastructuur waarbinnen burgers hun mogelijkheden kunnen ontwikkelen en hun grondrechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

Deze fiscale heroriëntatie heeft bovendien een directe betekenis voor de verdeling van corrigeerbaarheid. Economische middelen bepalen mede in hoeverre burgers toegang hebben tot juridische procedures, maatschappelijke belangenbehartiging, politieke participatie, hoogwaardige informatie en professionele ondersteuning. Een belastingstelsel dat langdurige concentratie van economische macht afremt en tegelijkertijd investeert in brede maatschappelijke ontwikkelingsmogelijkheden draagt daarom niet alleen bij aan een eerlijkere verdeling van welvaart, maar ook aan een evenwichtiger verdeling van de feitelijke mogelijkheden om macht te controleren, instituties te beïnvloeden en fundamentele rechten te effectueren. Daarmee wordt niet alleen de economische ongelijkheid beperkt, maar ook de ongelijkheid in maatschappelijke en institutionele invloed.

Vanuit normatief perspectief kan deze fiscale heroriëntatie worden opgevat als een verschuiving van een belastingstelsel dat primair is gericht op economische efficiëntie en inkomstenverwerving naar een belastingstelsel dat tevens expliciet rekening houdt met rechtvaardigheid, menswording en institutionele duurzaamheid. Economische groei blijft daarbij een belangrijk doel, maar wordt ingebed binnen een institutioneel kader dat voorkomt dat accumulatie van economische macht uiteindelijk de democratische rechtsstaat en haar corrigeerbaarheid ondermijnt. Belastingen worden daarmee niet uitsluitend een financieel instrument, maar een constitutioneel onderdeel van het institutionele ontwerp van een rechtvaardige samenleving.

Samenvattend betreft een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar grote vermogens, kapitaalinkomsten en omvangrijke nalatenschappen geen louter technische fiscale hervorming, maar een fundamentele heroriëntatie van de economische orde. Zij beoogt niet uitsluitend een evenwichtiger verdeling van inkomen en vermogen, maar versterkt tevens de institutionele voorwaarden waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid, maatschappelijke participatie en democratische corrigeerbaarheid duurzaam kunnen worden gerealiseerd. Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel vormt een dergelijke fiscale inrichting daarom een wezenlijk onderdeel van het bredere institutionele ontwerp van een democratische rechtsstaat die niet alleen economisch productief, maar ook rechtvaardig, veerkrachtig en op menswording gericht is.

Daaruit volgt tevens een fiscaal rechtvaardigheidsbeginsel dat inhoudt dat productieve waardecreatie, menswording en maatschappelijke participatie wordt bevorderd, terwijl de cumulatieve concentratie van economische macht wordt begrensd voor zover deze de gelijkwaardige ontwikkelingskansen, democratische participatie en corrigeerbaarheid van de samenleving ondermijnt. Belastingen zijn daarmee niet slechts een financieel instrument, maar een constitutief onderdeel van het institutionele ontwerp van een rechtvaardige, democratische en duurzame rechtsstaat. Belastingen behoren niet uitsluitend te worden beoordeeld op hun bijdrage aan economische efficiëntie of de financiering van publieke voorzieningen, maar ook op hun bijdrage aan de voorwaarden waaronder mensen zich daadwerkelijk kunnen ontwikkelen en als gelijken aan de samenleving kunnen deelnemen. Een rechtvaardig belastingstelsel stimuleert daarom productieve arbeid, ondernemerschap, innovatie en duurzame waardecreatie, terwijl het tegelijkertijd voorkomt dat economische macht zich zodanig concentreert dat zij zich vertaalt in ongelijke ontwikkelingskansen, maatschappelijke dominantie of onevenredige politieke invloed. Belastingen zijn daarmee niet slechts een instrument van inkomstenverwerving of herverdeling, maar een essentieel onderdeel van het institutionele ontwerp van een democratische rechtsstaat. Hun normatieve functie is het waarborgen van een evenwichtige verdeling van economische kansen, maatschappelijke invloed en corrigeerbaarheid, zodat vrijheid, gelijkwaardigheid en menswording niet uitsluitend formeel worden gegarandeerd, maar voor alle burgers ook daadwerkelijk realiseerbaar blijven.

Lees nu dit actuele boek:

https://www.researchgate.net/publication/410776080_Democratie_herontworpen





[1] Thomas Piketty, Capital in the Twenty-First Century (Harvard University Press 2014), hoofdstukken 10–12. Piketty ontwikkelt hierin de bekende stelling dat wanneer het gemiddelde rendement op vermogen (r) structureel hoger ligt dan de economische groei (g), vermogens zich sneller ophopen dan arbeidsinkomens kunnen meegroeien. Hierdoor neemt vermogensconcentratie op lange termijn toe, tenzij deze ontwikkeling wordt begrensd door institutionele factoren, zoals progressieve belastingheffing, erfbelasting, inflatie, economische schokken of andere vormen van herverdeling. Zijn analyse vormt een belangrijke empirische onderbouwing voor de stelling dat belastingstelsels mede bepalen hoe economische macht zich over generaties ontwikkelt.

[2] Zie Anthony B. Atkinson, Inequality: What Can Be Done? (Harvard University Press 2015), waarin wordt betoogd dat belastingstelsels een centrale rol spelen bij de vormgeving van de economische en maatschappelijke orde. Belastingen dienen volgens Atkinson niet uitsluitend om publieke uitgaven te financieren, maar ook om de verdeling van inkomen, vermogen, economische kansen en maatschappelijke invloed te beïnvloeden. Daarmee maken zij integraal deel uit van het institutionele ontwerp van een rechtvaardige samenleving en vormen zij een belangrijk instrument om cumulatieve ongelijkheid en concentratie van economische macht te beperken.

[3] Zie Daron Acemoglu en James A. Robinson, Why Nations Fail (2012) en The Narrow Corridor (2019). De auteurs laten zien dat economische ongelijkheid niet alleen een verdelingsvraagstuk is, maar ook een institutioneel vraagstuk. Economische elites beschikken doorgaans over meer middelen om politieke processen, wetgeving en publieke besluitvorming te beïnvloeden en kunnen daardoor hervormingen blokkeren die hun economische positie aantasten. Democratische en rechtsstatelijke instituties blijven volgens hen slechts duurzaam functioneren wanneer economische en politieke macht elkaar wederzijds begrenzen en geen van beide structureel dominant wordt.

[4] Zie Pierre Bourdieu, The Forms of Capital, in: Handbook of Theory and Research for the Sociology of Education (1986), en Distinction: A Social Critique of the Judgement of Taste (1984). Bourdieu laat zien dat maatschappelijke ongelijkheid niet uitsluitend wordt bepaald door economisch kapitaal, maar door de wisselwerking tussen economisch, sociaal, cultureel en symbolisch kapitaal. Deze verschillende kapitaalvormen kunnen elkaar wederzijds versterken en worden mede gereproduceerd via instituties zoals onderwijs, de arbeidsmarkt en de staat. Daardoor vertaalt vermogensongelijkheid zich geleidelijk in verschillen in maatschappelijke invloed, politieke participatie, culturele legitimiteit en toegang tot kansen, ook wanneer formele rechtsgelijkheid bestaat.

[5] Zie Robert A. Dahl, A Preface to Economic Democracy (1985) en On Democracy (1998). Dahl benadrukt dat duurzame democratie niet uitsluitend vrije verkiezingen vereist, maar ook een redelijke spreiding van economische hulpbronnen. Wanneer economische macht zich sterk concentreert, neemt ook de mogelijkheid toe om politieke besluitvorming, belangenbehartiging, informatievoorziening en beleidsvorming onevenredig te beïnvloeden. Economische ongelijkheid vormt daardoor niet alleen een sociaal of economisch vraagstuk, maar ook een bedreiging voor de politieke gelijkheid die aan een democratische rechtsstaat ten grondslag ligt.

[6] Zie Martin Gilens en Benjamin I. Page, Testing Theories of American Politics: Elites, Interest Groups, and Average Citizens, Perspectives on Politics 12(3), 2014, p. 564–581. De auteurs onderzoeken de invloed van verschillende maatschappelijke groepen op beleidsvorming en concluderen dat beleidsuitkomsten veel sterker overeenkomen met de voorkeuren van economische elites en georganiseerde belangengroepen dan met die van gemiddelde burgers wanneer deze uiteenlopen. Hoewel het onderzoek betrekking heeft op de Verenigde Staten en de resultaten niet zonder meer kunnen worden gegeneraliseerd naar andere democratische rechtsstaten, vormt het een belangrijke empirische aanwijzing dat een sterke concentratie van economische middelen kan leiden tot een ongelijke verdeling van politieke invloed en daarmee de democratische gelijkheid onder druk kan zetten.

[7] Zie Philip Pettit, Republicanism: A Theory of Freedom and Government (1997) en On the People's Terms: A Republican Theory and Model of Democracy (2012). Pettit betoogt dat vrijheid bestaat uit non-dominatie: burgers zijn pas werkelijk vrij wanneer zij niet onderworpen zijn aan de willekeurige macht van anderen. Die dominantie kan zowel uitgaan van de overheid als van private machtsconcentraties. Een democratische rechtsstaat moet daarom instituties ontwikkelen die niet alleen publieke macht controleren, maar ook voorkomen dat economische machtsconcentraties burgers structureel afhankelijk maken. Deze republikeinse benadering sluit nauw aan bij het in dit boek ontwikkelde uitgangspunt dat corrigeerbaarheid gericht moet zijn op het begrenzen van alle vormen van geconcentreerde macht, ongeacht of deze publiek of privaat van aard zijn.

[8] Michael E. Porter heeft in Michael E. Porter, The Competitive Advantage of Nations (1990), overtuigend betoogd dat duurzame internationale concurrentiekracht primair voortkomt uit productiviteit, innovatie, hoogwaardige kennisinfrastructuur, gespecialiseerde toeleveranciers, sterke instituties en een goed functionerend ondernemingsklimaat, en niet uit lage belastingen of lage loonkosten alleen.Zie ook  Organisation for Economic Co-operation and Development, Tax Policy Reform and Economic Growth (2010) en Tax Policy Reforms 2024 (2024); World Economic Forum, The Global Competitiveness Report 2019; en World Bank, World Development Report 2022. Deze rapporten laten zien dat het vestigingsklimaat voor ondernemingen niet uitsluitend wordt bepaald door het niveau van de belastingdruk, maar vooral door de kwaliteit van instituties, rechtszekerheid, infrastructuur, menselijk kapitaal, innovatievermogen, toegang tot markten en goed openbaar bestuur. Juist hoogproductieve kenniseconomieën ontlenen hun concurrentievermogen in belangrijke mate aan deze institutionele en maatschappelijke randvoorwaarden. Een goed functionerende publieke sector, gefinancierd door een stabiel belastingstelsel, kan daarmee zelf een belangrijke vestigingsfactor vormen.

[9] Zie Joseph E. Stiglitz, The Price of Inequality (2012), The Great Divide (2015) en People, Power, and Profits (2019). Stiglitz betoogt dat markten niet uitsluitend waarde creëren, maar ook mogelijkheden bieden voor rent-seeking: het verwerven van inkomen of vermogen via marktmacht, politieke beïnvloeding, reguleringsvoordelen of andere institutionele privileges, zonder een evenredige bijdrage aan de maatschappelijke welvaart. Vanuit dit perspectief dient een belastingstelsel niet alleen inkomsten te genereren, maar ook onderscheid te maken tussen productieve economische activiteiten die innovatie en brede welvaart bevorderen en economische renten die vooral bijdragen aan de concentratie van economische en politieke macht.

[10] Zie Peter Diamond en Emmanuel Saez, The Case for a Progressive Tax: From Basic Research to Policy Recommendations, Journal of Economic Perspectives 25(4), 2011, p. 165–190, en The Formula for Optimal Top Labor Income Taxation, American Economic Journal: Economic Policy 3(1), 2011, p. 230–271. Diamond en Saez betogen op basis van de theorie van optimale belastingheffing dat progressieve belastingen op hoge inkomens economisch efficiënt kunnen zijn wanneer zij zorgvuldig worden vormgegeven. De uiteindelijke economische effecten hangen niet uitsluitend af van het belastingtarief, maar ook van de breedte van de belastinggrondslag, de mogelijkheden tot belastingontwijking en -ontduiking, de internationale mobiliteit van kapitaal en arbeid en de mate waarin productieve investeringen en ondernemerschap behouden blijven. Hun analyse ondersteunt daarmee de gedachte dat een evenwichtiger belastingmix mogelijk is zonder dat dit noodzakelijkerwijs ten koste gaat van economische dynamiek.

[11] Zie Thomas Piketty, Capital in the Twenty-First Century (2014) en Capital and Ideology (2020), en Anthony B. Atkinson, Inequality: What Can Be Done? (2015). Piketty en Atkinson betogen dat een langdurige concentratie van vermogen niet alleen de ongelijkheid vergroot, maar ook economische dynamiek kan ondermijnen doordat kapitaal zich steeds sterker concentreert bij een beperkte groep, sociale mobiliteit afneemt en economische kansen ongelijker worden verdeeld. Hierdoor kunnen concurrentie, innovatie, ondernemerschap en een efficiënte allocatie van kapitaal onder druk komen te staan. Vermogensconcentratie vormt daarmee niet alleen een vraagstuk van verdelende rechtvaardigheid, maar ook van economische efficiëntie en de institutionele kwaliteit van de samenleving.

[12] Zie Organisation for Economic Co-operation and Development, Tax Policy Reform and Economic Growth (2010), The Role and Design of Net Wealth Taxes in the OECD (2018) en Tax Policy Reforms 2024 (2024). De OESO betoogt dat belastingstelsels economisch efficiënter kunnen worden ingericht door de belastingdruk minder op arbeid en meer op belastinggrondslagen te leggen die de economische besluitvorming relatief beperkt verstoren, zoals bepaalde vormen van vastgoed-, grond- en vermogensbelasting. Tegelijkertijd benadrukt de OESO dat een dergelijke verschuiving zorgvuldig moet worden vormgegeven, onder meer door een brede belastinggrondslag, effectieve bestrijding van belastingontwijking en internationale coördinatie, zodat negatieve effecten op investeringen, ondernemerschap en internationale concurrentiekracht zoveel mogelijk worden beperkt.

[13] Zie International Monetary Fund, Fiscal Monitor: Taxing Times (2013), Fiscal Monitor: Tackling Inequality (2017) en Fiscal Monitor: Fiscal Policy from Pandemic to War (2022). Het IMF concludeert dat belastingstelsels zodanig kunnen worden vormgegeven dat zij economische groei, werkgelegenheid en een rechtvaardiger inkomensverdeling gelijktijdig ondersteunen. Volgens het IMF vereist dit een evenwichtige belastingmix, effectieve bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking, internationale fiscale samenwerking en een doelgerichte inzet van belastingopbrengsten voor productieve publieke investeringen, zoals onderwijs, infrastructuur en innovatie. Een zorgvuldig ontworpen belastingstructuur hoeft daarmee niet noodzakelijk ten koste te gaan van economische dynamiek, maar kan juist bijdragen aan een stabielere, inclusievere en duurzamere economische ontwikkeling.

[14] Zie John Rawls, A Theory of Justice (1971/1999) en Justice as Fairness: A Restatement (Harvard University Press 2001). Rawls verdedigt het verschilbeginsel, dat inhoudt dat sociale en economische ongelijkheden slechts rechtvaardig zijn wanneer zij samenhangen met gelijke kansen op maatschappelijke functies én de positie van de minst bevoordeelden verbeteren. Het verschilbeginsel biedt daarmee een normatieve rechtvaardiging voor institutionele arrangementen die ongelijkheid begrenzen zonder economische dynamiek of individuele verantwoordelijkheid uit te sluiten.

[15] Zie Ronald Dworkin, Sovereign Virtue: The Theory and Practice of Equality (2000) en Justice for Hedgehogs (2011). Dworkin betoogt dat een rechtvaardige samenleving burgers met gelijke zorg en respect moet behandelen en daarom institutionele ongelijkheden die voortvloeien uit omstandigheden buiten de invloedssfeer van individuen zoveel mogelijk behoort te neutraliseren. Tegelijkertijd blijft ruimte bestaan voor verschillen die voortkomen uit autonome keuzes en individuele verantwoordelijkheid. Deze benadering ondersteunt het uitgangspunt dat belastingen en andere instituties niet zijn gericht op het gelijkmaken van uitkomsten, maar op het creëren van eerlijke uitgangsvoorwaarden waaronder mensen hun eigen leven kunnen vormgeven.

[16] Amartya Sen, Development as Freedom (Oxford University Press 1999) en The Idea of Justice (Allen Lane 2009), alsmede Martha C. Nussbaum, Women and Human Development (Cambridge University Press 2000) en Creating Capabilities (Harvard University Press 2011). De capability-benadering verschuift de aandacht van de formele toekenning van rechten en middelen naar de feitelijke vermogens (capabilities) waarover mensen beschikken om een leven te leiden dat zij waardevol achten. Rechtvaardigheid wordt daarmee niet uitsluitend beoordeeld aan de hand van formele gelijkheid of de verdeling van hulpbronnen, maar vooral aan de hand van de reële mogelijkheden die mensen hebben om fundamentele vrijheden daadwerkelijk te benutten. Hoewel Sen en Nussbaum verschillen in de mate waarin zij een universele lijst van centrale capabilities verdedigen, delen zij het uitgangspunt dat instituties zo moeten worden ingericht dat mensen daadwerkelijk in staat worden gesteld een menswaardig en volwaardig leven te leiden.

[17] Daniel Bernoulli, Specimen Theoriae Novae de Mensura Sortis (1738), waarin het beginsel van de afnemende marginale nutswaarde van inkomen wordt geïntroduceerd; Arthur Cecil Pigou, The Economics of Welfare (1920); Richard Easterlin, Does Economic Growth Improve the Human Lot? (1974); en Daniel Kahneman en Angus Deaton, High Income Improves Evaluation of Life but Not Emotional Well-Being, Proceedings of the National Academy of Sciences 107(38), 2010. Hoewel de precieze relatie tussen inkomen en welzijn onderwerp van wetenschappelijk debat blijft, bestaat brede overeenstemming dat de marginale bijdrage van extra inkomen en vermogen aan welzijn afneemt naarmate mensen reeds over meer middelen beschikken.

[18] Elinor Ostrom, Governing the Commons (1990) en Understanding Institutional Diversity (2005). Ostrom betoogt dat duurzame instituties worden gekenmerkt door een evenwichtige spreiding van bevoegdheden, wederzijdse controle, voortdurende monitoring, mogelijkheden tot correctie en institutioneel leren. Polycentrische bestuursarrangementen vergroten volgens haar de veerkracht en het aanpassingsvermogen van complexe systemen doordat verschillende, deels autonome besluitvormingscentra elkaar kunnen aanvullen, corrigeren en van elkaar leren. Deze inzichten sluiten nauw aan bij het in dit boek ontwikkelde uitgangspunt van polycentrische corrigeerbaarheid, waarin duurzame legitimiteit niet berust op één centraal machtscentrum, maar op een institutioneel netwerk van wederzijds corrigeerbare machts- en besluitvormingsstructuren.

[19] Douglass C. North, Institutions, Institutional Change and Economic Performance (1990) en Violence and Social Orders (2009). North laat zien dat economische prestaties niet uitsluitend worden bepaald door markten of technologie, maar in belangrijke mate door de kwaliteit van instituties. Economische en politieke instituties ontwikkelen zich daarbij in voortdurende wisselwerking: instituties beïnvloeden de verdeling van economische kansen en macht, terwijl economische machtsverhoudingen op hun beurt de inrichting en ontwikkeling van politieke en juridische instituties mede bepalen. Deze wederkerigheid ondersteunt het uitgangspunt dat economische ordening en institutionele corrigeerbaarheid niet los van elkaar kunnen worden ontworpen, maar gezamenlijk de voorwaarden vormen voor een duurzame, rechtvaardige en democratische samenleving.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties