Waarom belasten we arbeid zwaarder dan economische macht?
Het fiscale stelsel in
veel westerse samenlevingen, waaronder Nederland, wordt gekenmerkt door een
structurele asymmetrie in de wijze waarop verschillende inkomens- en vermogensbronnen
worden belast. Arbeid vormt in de praktijk de primaire belastinggrondslag,
terwijl vermogen en kapitaalinkomsten relatief lichter worden aangesproken.
Deze asymmetrie manifesteert zich zowel in de effectieve belastingdruk als in
de mogelijkheden tot fiscale optimalisatie, internationale belastingplanning en
uitstel van belastingheffing, die voor kapitaalinkomsten doorgaans aanzienlijk
groter zijn dan voor arbeidsinkomen.
Vanuit een
politiek-economisch perspectief heeft deze configuratie cumulatieve effecten.
Doordat arbeid zwaarder wordt belast dan vermogen, wordt vermogensopbouw
relatief bevoordeeld voor huishoudens en actoren die al over kapitaal
beschikken. Hierdoor ontstaat een zichzelf versterkend proces waarin bestaande
vermogensverschillen zich over generaties kunnen verdiepen. Vermogen genereert
immers niet alleen directe inkomsten uit rente, dividend, huur en koerswinsten,
maar biedt tevens toegang tot investeringen, ondernemerschap, kwalitatief
onderwijs, betere huisvesting, professionele netwerken en mogelijkheden tot
risicospreiding. Economisch kapitaal wordt daardoor steeds gemakkelijker
omgezet in sociaal, cultureel en uiteindelijk ook politiek kapitaal.
Deze dynamiek is vanuit
uiteenlopende wetenschappelijke tradities beschreven. Thomas Piketty laat zien
dat wanneer het rendement op vermogen structureel hoger ligt dan de economische
groei, vermogensconcentratie vrijwel automatisch toeneemt, tenzij deze ontwikkeling
wordt gecorrigeerd door belastingen of andere institutionele mechanismen[1]. Anthony B. Atkinson benadrukt eveneens dat
belastingstelsels niet uitsluitend dienen om overheidsuitgaven te financieren,
maar mede bepalen hoe economische kansen, welvaart en maatschappelijke invloed
worden verdeeld[2]. Vanuit een institutioneel-economisch perspectief
wijzen Daron Acemoglu en James A. Robinson erop dat economische ongelijkheid
zich gemakkelijk vertaalt in politieke ongelijkheid, doordat economische elites
meer mogelijkheden hebben om instituties naar hun hand te zetten en
hervormingen die hun positie bedreigen te blokkeren[3].
Ook de sociologische
literatuur beschrijft deze cumulatieve werking. Volgens Pierre Bourdieu bestaat
maatschappelijke macht uit een voortdurende wisselwerking tussen economisch,
sociaal, cultureel en symbolisch kapitaal. Vermogensongelijkheid blijft daardoor
niet beperkt tot verschillen in inkomen of bezit, maar vertaalt zich
geleidelijk in ongelijke toegang tot onderwijs, gezondheid, maatschappelijke
netwerken, politieke invloed en culturele legitimiteit. Ongelijkheid
reproduceert zich daarmee niet uitsluitend via markten, maar ook via
instituties die ogenschijnlijk neutraal functioneren[4].
Vanuit de democratische
theorie vormt deze ontwikkeling eveneens een fundamenteel probleem. Robert A.
Dahl waarschuwde reeds dat grote economische ongelijkheid onvermijdelijk leidt
tot ongelijke politieke invloed en daarmee de democratische gelijkheid aantast[5]. Empirisch onderzoek van Martin Gilens en
Benjamin I. Page laat zien dat beleidsuitkomsten in belangrijke mate
overeenkomen met de voorkeuren van hogere-inkomensgroepen, terwijl de invloed
van midden- en lagere inkomens aanzienlijk beperkter is. Daarmee verschuift de
feitelijke machtsbalans van de democratische rechtsstaat geleidelijk richting
economische elites[6].
Ook vanuit de
republikeinse politieke filosofie wordt deze ontwikkeling problematisch geacht.
Volgens Philip Pettit bestaat vrijheid niet uitsluitend uit de afwezigheid van
overheidsdwang, maar vooral uit de afwezigheid van dominantie. Niet alleen de
overheid, maar ook particuliere economische machtsconcentraties kunnen burgers
in afhankelijkheidsrelaties brengen waarin zij hun vrijheid slechts onder
voorwaarden kunnen uitoefenen. Een democratische rechtsstaat dient daarom niet
alleen publieke macht, maar ook private machtsconcentraties institutioneel te
begrenzen[7].
Een veelgehoord bezwaar
tegen een verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar vermogen is dat een
dergelijke hervorming zou leiden tot kapitaalvlucht, een verslechtering van het
vestigingsklimaat, lagere investeringen en uiteindelijk minder economische
groei. Deze bezwaren verdienen serieuze aandacht, maar worden in het publieke
debat vaak algemener geformuleerd dan de beschikbare empirische literatuur
rechtvaardigt.
Internationaal economisch
onderzoek laat zien dat vestigingsbeslissingen van ondernemingen door een breed
scala aan factoren worden bepaald. Belastingdruk vormt daarbij slechts één
element naast de kwaliteit van de fysieke en digitale infrastructuur, de beschikbaarheid
van goed opgeleide werknemers, politieke en juridische stabiliteit, betrouwbare
instituties, toegang tot internationale markten, innovatie-ecosystemen,
energievoorziening en de kwaliteit van het openbaar bestuur. Juist
hoogontwikkelde kenniseconomieën blijken hun concurrentiekracht in belangrijke
mate te ontlenen aan deze institutionele factoren en niet uitsluitend aan lage
belastingtarieven[8].
Vanuit de economische
wetenschap wordt bovendien steeds vaker onderscheid gemaakt tussen belastingen
die productieve economische activiteit verstoren en belastingen die vooral
economische renten treffen. Belastingen op arbeid kunnen de kosten van arbeid verhogen
en daarmee invloed uitoefenen op arbeidsparticipatie, ondernemerschap en
werkgelegenheid. Belastingen op economische renten zoals grondrenten,
monopoliewinsten, uitzonderlijk hoge vermogensrendementen, speculatieve
waardestijgingen of grote nalatenschappen, worden daarentegen veelal beschouwd
als minder verstorend, omdat zij in beperktere mate betrekking hebben op nieuwe
productieve investeringen en vaker voortkomen uit bestaande vermogensposities,
schaarste of marktmacht.
Deze benadering sluit aan
bij het werk van Joseph E. Stiglitz, die benadrukt dat belastingstelsels
onderscheid moeten maken tussen productieve waardecreatie en rent-seeking:
activiteiten waarbij inkomen niet primair wordt verdiend door het creëren van
nieuwe economische waarde, maar door het verwerven of beschermen van bestaande
economische privileges of marktmacht[9]. Ook Peter Diamond en Emmanuel Saez laten zien
dat progressieve belastingen op hoge inkomens en vermogens niet noodzakelijk
leiden tot substantiële economische schade wanneer zij zorgvuldig worden
vormgegeven, internationale ontwijkingsmogelijkheden worden beperkt en
investeringen in productieve activiteiten niet onevenredig worden ontmoedigd[10].
Ook Thomas Piketty en
Anthony B. Atkinson wijzen erop dat langdurige vermogensconcentratie zelf
economische nadelen kan veroorzaken. Wanneer een steeds groter deel van het
nationale vermogen terechtkomt bij een relatief kleine groep huishoudens, neemt
niet alleen de economische ongelijkheid toe, maar kunnen ook concurrentie,
sociale mobiliteit, innovatie en de allocatie van kapitaal onder druk komen te
staan. Vermogensconcentratie vormt daarmee niet uitsluitend een
verdelingsvraagstuk, maar kan uiteindelijk ook de productieve dynamiek van de
economie aantasten[11].
Internationale
organisaties komen tot vergelijkbare conclusies. De Organisation for Economic
Co-operation and Development heeft in meerdere studies gewezen op de voordelen
van een belastingmix waarin arbeid minder zwaar wordt belast en een groter deel
van de belastingopbrengst wordt verkregen uit minder verstorende
belastinggrondslagen, zoals bepaalde vormen van vermogens-, vastgoed- en
grondbelasting[12]. Ook het International Monetary Fund heeft erop
gewezen dat een evenwichtiger belastingstructuur economische groei,
arbeidsdeelname en een rechtvaardiger inkomensverdeling met elkaar kan
combineren wanneer belastingontwijking effectief wordt bestreden en
internationale samenwerking wordt versterkt[13].
Het doel is niet om
vermogen als zodanig zwaarder te belasten, noch om ondernemerschap of
productieve investeringen te ontmoedigen. Integendeel, een goed ontworpen
belastingstelsel behoort juist productieve economische activiteit, innovatie,
ondernemerschap en langetermijninvesteringen te stimuleren. De verschuiving van
belastingdruk richt zich primair op economische renten en excessieve
vermogensconcentraties die niet of slechts beperkt bijdragen aan nieuwe
maatschappelijke waardecreatie, maar wel leiden tot een toenemende concentratie
van economische en politieke macht.
Daarmee verschuift ook de
normatieve vraag. Niet de hoogte van de belastingdruk staat centraal, maar de
vraag welke vormen van economische activiteit de democratische rechtsstaat wil
stimuleren. Een belastingstelsel dat productieve arbeid en ondernemerschap
relatief zwaar belast, terwijl passieve vermogensgroei, monopoliewinsten of
speculatieve waardestijgingen relatief worden ontzien, creëert prikkels die
moeilijk verenigbaar zijn met een economie waarin innovatie, maatschappelijke
waardecreatie en brede welvaartsontwikkeling centraal staan.
Vanuit het mens- en
samenlevingswordingsmodel krijgt deze afweging bovendien een institutionele
dimensie. Een verschuiving van belastingdruk van arbeid naar zorgvuldig
vormgegeven belastingen op economische renten en grote vermogens draagt niet
alleen bij aan bestaanszekerheid en een evenwichtiger verdeling van economische
kansen, maar voorkomt tevens dat economische machtsconcentraties zich steeds
verder vertalen in maatschappelijke en politieke dominantie. Belastingen worden
daarmee niet uitsluitend een instrument van inkomstenverwerving of
herverdeling, maar een essentieel onderdeel van het institutionele ontwerp van
een democratische rechtsstaat waarin economische macht, politieke invloed en
corrigeerbaarheid duurzaam met elkaar in evenwicht worden gehouden.
Vanuit het mens- en
samenlevingswordingsmodel kan belastingheffing niet uitsluitend worden
beschouwd als een instrument voor de financiering van collectieve voorzieningen
of als middel voor inkomensherverdeling. Belastingen maken deel uit van het
institutionele ontwerp van de samenleving. Zij bepalen mede hoe kansen, macht,
verantwoordelijkheden en ontwikkelingsmogelijkheden tussen burgers worden
verdeeld en beïnvloeden daarmee rechtstreeks de voorwaarden waaronder
menswording kan plaatsvinden.
Het uitgangspunt van dit
model is dat mensen zich slechts kunnen ontwikkelen wanneer zij beschikken over
een minimale bestaansbasis, toegang hebben tot onderwijs, gezondheidszorg,
huisvesting, rechtsbescherming en daadwerkelijke mogelijkheden om maatschappelijk
te participeren. Deze voorwaarden ontstaan niet vanzelf, maar worden mede
gedragen door collectieve instituties. Belastingheffing vormt daarom geen
beperking van vrijheid, maar een noodzakelijke institutionele voorwaarde voor
de vrijheid van allen. Zonder voldoende collectieve middelen kunnen de sociale
en institutionele voorwaarden die menswording mogelijk maken niet duurzaam
worden gegarandeerd.
Vanuit dit perspectief
verschuift ook het begrip rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid betekent niet dat
iedere burger exact hetzelfde bezit of hetzelfde inkomen heeft, maar dat iedere
burger beschikt over voldoende reële mogelijkheden om zich als persoon te
ontwikkelen, verantwoordelijkheid te dragen en volwaardig deel te nemen aan de
samenleving. Extreme concentraties van vermogen zijn daarom niet uitsluitend
problematisch vanwege de ongelijkheid zelf, maar omdat zij de institutionele
voorwaarden aantasten waaronder anderen hun mogelijkheden kunnen ontwikkelen.
Wanneer economische macht zich langdurig concentreert, ontstaan steeds grotere
verschillen in toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, juridische bescherming,
politieke invloed, ondernemerschap en maatschappelijke participatie. Daarmee
wordt niet alleen economische gelijkheid, maar ook de gelijkwaardigheid van
burgers als deelnemers aan de democratische rechtsstaat onder druk gezet.
Deze gedachte sluit aan
bij verschillende rechtvaardigheidstheorieën. John Rawls verdedigt in zijn
verschilbeginsel dat sociale en economische ongelijkheden slechts
gerechtvaardigd zijn wanneer zij ook ten goede komen aan de minst
bevoordeelden. Ronald Dworkin benadrukt dat een rechtvaardige samenleving
burgers als gelijken moet behandelen en ongelijke uitgangsposities zoveel
mogelijk moet neutraliseren zonder individuele verantwoordelijkheid uit te
schakelen. De capability-benadering van Amartya Sen en Martha C. Nussbaum
verlegt de aandacht vervolgens van formele rechten naar de daadwerkelijke
mogelijkheden waarover mensen beschikken om deze rechten te realiseren. Hoewel
deze benaderingen onderling verschillen, delen zij het uitgangspunt dat
rechtvaardigheid uiteindelijk betrekking heeft op de reële mogelijkheden die
mensen hebben om een menswaardig leven te leiden.
Het mens- en
samenlevingswordingsmodel bouwt op deze inzichten voort, maar voegt daaraan een
institutionele dimensie toe. Niet alleen individuele ontwikkelingsmogelijkheden
verdienen bescherming, maar ook de instituties die deze mogelijkheden duurzaam
mogelijk maken. Belastingen dienen daarom niet uitsluitend om ongelijkheid te
corrigeren, maar ook om de institutionele voorwaarden voor menswording,
democratische participatie en corrigeerbaarheid in stand te houden. Een
belastingstelsel wordt daarmee onderdeel van de constitutionele infrastructuur
van de democratische rechtsstaat.
Vanuit dit perspectief
krijgt ook de verhouding tussen arbeid en vermogen een andere betekenis. Arbeid
vertegenwoordigt in de eerste plaats menselijke inspanning, creativiteit,
samenwerking en maatschappelijke waardecreatie. Vermogen vertegenwoordigt daarentegen
een reeds opgebouwde economische positie die nieuwe mogelijkheden kan genereren
zonder dat daar noodzakelijkerwijs een evenredige nieuwe bijdrage aan de
maatschappelijke productie tegenover staat. Dat betekent niet dat vermogen
onrechtmatig is of geen maatschappelijke functie vervult. Integendeel,
investeringen, ondernemerschap en kapitaalvorming zijn onmisbare voorwaarden
voor economische ontwikkeling. Wel betekent het dat een democratische
rechtsstaat onderscheid mag maken tussen het beschermen van productieve
waardecreatie en het begrenzen van cumulatieve machtsconcentraties die zich
over generaties blijven versterken.
Vanuit het
rechtvaardigheidsperspectief is een verschuiving van belastingdruk van arbeid
naar vermogen daarom geen straf op succes en evenmin een streven naar volledige
economische gelijkheid. Zij vormt een institutioneel mechanisme waarmee de
samenleving voorkomt dat economische machtsconcentraties zich geleidelijk
vertalen in ongelijke ontwikkelingskansen, ongelijke politieke invloed en
ongelijke toegang tot corrigeermechanismen. Belastingen worden daarmee
onderdeel van de institutionele architectuur die de vrijheid, gelijkwaardigheid
en ontwikkelingsmogelijkheden van alle burgers beschermt.
Deze benadering leidt
uiteindelijk tot een ander normatief uitgangspunt dan veel klassieke
belastingtheorieën. De centrale vraag luidt niet hoeveel belasting economisch
optimaal is, maar welk belastingstelsel de voorwaarden creëert waaronder zoveel
mogelijk mensen zich kunnen ontwikkelen, verantwoordelijkheid kunnen dragen,
maatschappelijk kunnen participeren en tegelijkertijd geen enkele
machtsconcentratie zodanig groot wordt dat zij de corrigeerbaarheid van de
democratische rechtsstaat ondermijnt. Vanuit dat perspectief vormt een
evenwichtiger verdeling van de belastingdruk tussen arbeid en vermogen geen
louter economisch beleidsinstrument, maar een uitwerking van het bredere
streven naar een rechtvaardige, democratische en op menswording gerichte
samenleving.
Vanuit het mens- en
samenlevingswordingsmodel kan belastingheffing niet uitsluitend worden
beschouwd als een instrument voor de financiering van collectieve voorzieningen
of als middel voor inkomensherverdeling. Belastingen maken deel uit van het
institutionele ontwerp van de samenleving. Zij bepalen mede hoe kansen, macht,
verantwoordelijkheden en ontwikkelingsmogelijkheden tussen burgers worden
verdeeld en beïnvloeden daarmee rechtstreeks de voorwaarden waaronder
menswording kan plaatsvinden.
Het uitgangspunt van dit
model is dat mensen zich slechts kunnen ontwikkelen wanneer zij beschikken over
een minimale bestaansbasis, toegang hebben tot onderwijs, gezondheidszorg,
huisvesting, rechtsbescherming en daadwerkelijke mogelijkheden om maatschappelijk
te participeren. Deze voorwaarden ontstaan niet vanzelf, maar worden mede
gedragen door collectieve instituties. Belastingheffing vormt daarom geen
beperking van vrijheid, maar een noodzakelijke institutionele voorwaarde voor
de vrijheid van allen. Zonder voldoende collectieve middelen kunnen de sociale
en institutionele voorwaarden die menswording mogelijk maken niet duurzaam
worden gegarandeerd.
Vanuit dit perspectief
verschuift ook het begrip rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid betekent niet dat
iedere burger exact hetzelfde bezit of hetzelfde inkomen heeft, maar dat iedere
burger beschikt over voldoende reële mogelijkheden om zich als persoon te
ontwikkelen, verantwoordelijkheid te dragen en volwaardig deel te nemen aan de
samenleving. Extreme concentraties van vermogen zijn daarom niet uitsluitend
problematisch vanwege de ongelijkheid zelf, maar omdat zij de institutionele
voorwaarden aantasten waaronder anderen hun mogelijkheden kunnen ontwikkelen.
Wanneer economische macht zich langdurig concentreert, ontstaan steeds grotere
verschillen in toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, juridische bescherming,
politieke invloed, ondernemerschap en maatschappelijke participatie. Daarmee
wordt niet alleen economische gelijkheid, maar ook de gelijkwaardigheid van
burgers als deelnemers aan de democratische rechtsstaat onder druk gezet.
Deze gedachte sluit aan
bij verschillende rechtvaardigheidstheorieën. John Rawls verdedigt in zijn
verschilbeginsel dat sociale en economische ongelijkheden slechts
gerechtvaardigd zijn wanneer zij ook ten goede komen aan de minst bevoordeelden[14]. . Ronald Dworkin benadrukt dat een rechtvaardige
samenleving burgers als gelijken moet behandelen en ongelijke uitgangsposities
zoveel mogelijk moet neutraliseren zonder individuele verantwoordelijkheid uit
te schakelen[15]. De capability-benadering van Amartya Sen en
Martha C. Nussbaum verlegt de aandacht vervolgens van formele rechten naar de
daadwerkelijke mogelijkheden waarover mensen beschikken om deze rechten te
realiseren. Hoewel deze benaderingen onderling verschillen, delen zij het
uitgangspunt dat rechtvaardigheid uiteindelijk betrekking heeft op de reële
mogelijkheden die mensen hebben om een menswaardig leven te leiden[16]. Daarbij sluit ook een breed gedragen inzicht uit
de welzijnseconomie en de gelukseconomie aan dat de maatschappelijke en
persoonlijke meerwaarde van extra inkomen en vermogen afneemt naarmate mensen
over meer middelen beschikken[17]. Voor huishoudens die moeite hebben hun
basisbehoeften te vervullen, kan een beperkte inkomens- of vermogensverbetering
een groot verschil maken voor gezondheid, bestaanszekerheid, autonomie en
ontwikkelingsmogelijkheden. Naarmate vermogens echter verder toenemen, draagt
iedere extra euro gemiddeld steeds minder bij aan individueel welzijn, terwijl
verdere vermogensconcentratie wel kan leiden tot grotere economische,
maatschappelijke en politieke machtsverschillen. Vanuit het mens- en
samenlevingswordingsmodel vormt dit een aanvullende rechtvaardiging voor een
evenwichtiger verdeling van de belastingdruk tussen arbeid en vermogen. Een
dergelijke verschuiving vergroot niet alleen de ontwikkelingsmogelijkheden van
burgers die zich rond de minimale bestaansvoorwaarden bevinden, maar beperkt
tevens de cumulatieve concentratie van economische macht zonder dat daarmee
noodzakelijkerwijs een evenredig verlies aan individueel welzijn ontstaat.
Het mens- en
samenlevingswordingsmodel bouwt op deze inzichten voort, maar voegt daaraan een
institutionele dimensie toe. Niet alleen individuele ontwikkelingsmogelijkheden
verdienen bescherming, maar ook de instituties die deze mogelijkheden duurzaam
mogelijk maken. Belastingen dienen daarom niet uitsluitend om ongelijkheid te
corrigeren, maar ook om de institutionele voorwaarden voor menswording,
democratische participatie en corrigeerbaarheid in stand te houden. Een
belastingstelsel wordt daarmee onderdeel van de constitutionele infrastructuur
van de democratische rechtsstaat.
Vanuit dit perspectief
krijgt ook de verhouding tussen arbeid en vermogen een andere betekenis. Arbeid
vertegenwoordigt in de eerste plaats menselijke inspanning, creativiteit,
samenwerking en maatschappelijke waardecreatie. Vermogen vertegenwoordigt daarentegen
een reeds opgebouwde economische positie die nieuwe mogelijkheden kan genereren
zonder dat daar noodzakelijkerwijs een evenredige nieuwe bijdrage aan de
maatschappelijke productie tegenover staat. Dat betekent niet dat vermogen
onrechtmatig is of geen maatschappelijke functie vervult. Integendeel,
investeringen, ondernemerschap en kapitaalvorming zijn onmisbare voorwaarden
voor economische ontwikkeling. Wel betekent het dat een democratische
rechtsstaat onderscheid mag maken tussen het beschermen van productieve
waardecreatie en het begrenzen van cumulatieve machtsconcentraties die zich
over generaties blijven versterken.
Een verschuiving van
belastingdruk van arbeid naar vermogen is daarom geen straf op succes en
evenmin een streven naar volledige economische gelijkheid. Zij vormt een
institutioneel mechanisme waarmee de samenleving voorkomt dat economische
machtsconcentraties zich geleidelijk vertalen in ongelijke ontwikkelingskansen,
ongelijke politieke invloed en ongelijke toegang tot corrigeermechanismen.
Belastingen worden daarmee onderdeel van de institutionele architectuur die de
vrijheid, gelijkwaardigheid en ontwikkelingsmogelijkheden van alle burgers
beschermt.
Deze benadering leidt
uiteindelijk tot een ander normatief uitgangspunt dan veel klassieke
belastingtheorieën. De centrale vraag luidt niet hoeveel belasting economisch
optimaal is, maar welk belastingstelsel de voorwaarden creëert waaronder zoveel
mogelijk mensen zich kunnen ontwikkelen, verantwoordelijkheid kunnen dragen,
maatschappelijk kunnen participeren en tegelijkertijd geen enkele
machtsconcentratie zodanig groot wordt dat zij de corrigeerbaarheid van de
democratische rechtsstaat ondermijnt. Vanuit dat perspectief vormt een
evenwichtiger verdeling van de belastingdruk tussen arbeid en vermogen geen
louter economisch beleidsinstrument, maar een uitwerking van het bredere
streven naar een rechtvaardige, democratische en op menswording gerichte samenleving.
Vanuit het mens- en
samenlevingswordingsmodel krijgt deze problematiek nog een aanvullende
dimensie. Ongelijke vermogensverdeling beïnvloedt niet uitsluitend de verdeling
van inkomen of welvaart, maar ook de verdeling van corrigeerbaarheid binnen de
samenleving. Financiële middelen vergroten immers de mogelijkheden om
juridische procedures te voeren, gespecialiseerde rechtsbijstand in te
schakelen, beleidsbeïnvloeding te organiseren, wetenschappelijk onderzoek te
financieren, mediacampagnes op te zetten of langdurige maatschappelijke
belangenbehartiging te bekostigen. Economisch vermogen vergroot daarmee niet
alleen de handelingsvrijheid van individuen en organisaties, maar ook hun
vermogen om maatschappelijke, politieke en juridische correctiemechanismen effectief
te benutten.
Ook corrigeerbaarheid
zelf is ongelijk verdeeld. Een belastingstelsel beïnvloedt daarom niet alleen
de verdeling van inkomens en vermogens, maar ook de verdeling van feitelijke
toegang tot de instituties waarmee macht kan worden gecontroleerd en gecorrigeerd.
Belastingen zijn daarmee niet uitsluitend een financieel instrument, maar
tevens een fundamenteel onderdeel van het institutionele ontwerp van de
democratische rechtsstaat. De wijze waarop arbeid en vermogen worden belast,
bepaalt mede hoe economische macht zich ontwikkelt en in welke mate burgers
daadwerkelijk in staat zijn gebruik te maken van hun grondrechten, politieke
participatiemogelijkheden en rechtsbescherming.
Deze gedachte sluit aan
bij het werk van Elinor Ostrom, die laat zien dat duurzame instituties
afhankelijk zijn van een evenwichtige spreiding van macht en wederzijdse
controle[18], en bij Douglass C. North, die benadrukt dat
economische en politieke instituties elkaar voortdurend wederzijds vormen[19]. Vanuit deze benadering is een belastingstelsel
niet slechts een mechanisme voor inkomstenverwerving, maar een institutioneel
instrument waarmee de samenleving de verdeling van economische macht en daarmee
ook de verdeling van corrigeerbaarheid mede vormgeeft.
Tegen deze achtergrond
impliceert een heroriëntatie van het fiscale stelsel niet primair een streven
naar volledige inkomens- of vermogensgelijkheid, maar naar een evenwichtiger
verdeling van de lasten tussen arbeid en vermogen. Een verschuiving van belastingdruk
van arbeid naar vermogen kan vanuit het pcd-model langs vier samenhangende
doelstellingen worden gerechtvaardigd. Zij versterkt de bestaanszekerheid van
werkenden doordat arbeid minder zwaar wordt belast; zij beperkt de cumulatieve
groei van vermogensongelijkheid; zij voorkomt dat economische macht zich steeds
verder vertaalt in maatschappelijke en politieke dominantie; en zij draagt bij
aan een evenwichtiger fiscale verdeling van corrigeerbaarheid, doordat burgers
minder afhankelijk worden van ongelijke economische machtsposities om hun
rechten effectief uit te oefenen, deel te nemen aan democratische
besluitvorming en toegang te verkrijgen tot juridische en politieke
correctiemechanismen.
Vanuit deze optiek krijgt
belastingheffing een bredere constitutionele betekenis. Zij dient niet
uitsluitend ter financiering van collectieve voorzieningen of herverdeling van
inkomen, maar vormt tevens een institutioneel mechanisme waarmee de democratische
rechtsstaat de voorwaarden beschermt waaronder macht corrigeerbaar blijft. Een
fiscaal stelsel dat structureel bijdraagt aan de concentratie van economische
macht ondermijnt uiteindelijk ook de evenwichtige verdeling van
maatschappelijke invloed, rechtsbescherming en democratische participatie.
Omgekeerd kan een evenwichtiger belastingstelsel bijdragen aan een samenleving
waarin niet alleen welvaart, maar ook de feitelijke mogelijkheden om macht te
controleren, instituties te beïnvloeden en grondrechten te effectueren
rechtvaardiger zijn verdeeld. Juist daarom vormt de fiscale verdeling van
corrigeerbaarheid geen louter economisch vraagstuk, maar een essentieel
onderdeel van het institutionele ontwerp van een democratische rechtsstaat die
duurzaam rechtvaardig, veerkrachtig en op menswording gericht wil zijn.
Deze analyse impliceert
een fundamentele heroriëntatie van het fiscale stelsel. Belastingen dienen niet
uitsluitend ter financiering van collectieve voorzieningen of ter correctie van
inkomensverschillen, maar vormen een essentieel onderdeel van het
institutionele ontwerp van een democratische rechtsstaat. Zij bepalen mede hoe
economische kansen, maatschappelijke invloed, ontwikkelingsmogelijkheden en
corrigeerbaarheid over de samenleving worden verdeeld. Een rechtvaardig
belastingstelsel richt zich daarom niet alleen op economische efficiëntie, maar
ook op het bevorderen van menswording, het beperken van structurele
machtsconcentraties en het versterken van de institutionele voorwaarden
waaronder burgers daadwerkelijk als gelijken kunnen deelnemen aan de
samenleving.
In de eerste plaats
vraagt dit om een substantiële verlaging van de belastingdruk op arbeid, met
name aan de onder- en middenkant van de inkomensverdeling. Arbeid
vertegenwoordigt menselijke inspanning, creativiteit, samenwerking en
maatschappelijke waardecreatie. Een belastingstelsel dat arbeid relatief zwaar
belast, terwijl passieve vermogensgroei relatief wordt ontzien, creëert
prikkels die moeilijk verenigbaar zijn met een samenleving waarin participatie,
ondernemerschap en menselijke ontwikkeling centraal staan. Een lagere
belastingdruk op arbeid vergroot de netto-inkomens van werkenden, versterkt de
bestaanszekerheid van huishoudens en vermindert de afhankelijkheid van complexe
inkomensondersteunende regelingen. Daarmee neemt niet alleen de financiële
autonomie van burgers toe, maar ook hun feitelijke handelingsruimte om zich
maatschappelijk, economisch en politiek te ontplooien.
In de tweede plaats
impliceert deze heroriëntatie een evenwichtiger belasting van grote vermogens,
kapitaalinkomsten en omvangrijke vermogensoverdrachten. Daarbij gaat het niet
om het ontmoedigen van ondernemerschap, investeringen of productieve kapitaalvorming,
maar om het beperken van cumulatieve vermogensconcentraties die zich over
generaties blijven versterken en uiteindelijk ook leiden tot concentraties van
maatschappelijke en politieke macht. Een zorgvuldig vormgegeven belasting op
grote vermogens, vermogensrendementen en kapitaalinkomsten draagt ertoe bij dat
economische renten en passieve vermogensgroei een evenrediger bijdrage leveren
aan de financiering van de samenleving, zonder productieve waardecreatie
onnodig te belemmeren.
Een bijzondere plaats
komt daarbij toe aan de belasting van grote nalatenschappen en schenkingen.
Vanuit een rechtvaardigheidsperspectief vertegenwoordigen omvangrijke
erfenissen geen beloning voor eigen inspanning, maar een overdracht van reeds
opgebouwde vermogensposities tussen generaties. Hoewel ouders de vrijheid
moeten behouden hun kinderen financieel te ondersteunen, kan een onbeperkte
intergenerationele overdracht van zeer grote vermogens ertoe leiden dat
maatschappelijke kansen, economische macht en politieke invloed zich over
generaties concentreren, los van individuele verdiensten of maatschappelijke
bijdrage. Een progressieve belasting op grote nalatenschappen draagt daarom
niet alleen bij aan een evenwichtiger vermogensverdeling, maar voorkomt tevens
dat economische machtsposities zich vrijwel onbeperkt reproduceren.
Tegelijkertijd blijft ruimte bestaan voor substantiële vrijstellingen voor
kleinere nalatenschappen, zodat gezinsvorming, ondernemerschap en
intergenerationele solidariteit niet onnodig worden belemmerd.
In de derde plaats dient
het belastingstelsel onderscheid te maken tussen productieve waardecreatie en
economische renten. Belastingen behoren innovatie, ondernemerschap,
investeringen in de reële economie en duurzame waardecreatie zoveel mogelijk te
ontzien of zelfs te stimuleren. Daartegenover staat dat economische voordelen
die hoofdzakelijk voortvloeien uit marktmacht, grondrenten, monopoliewinsten,
speculatieve waardestijgingen of langdurige vermogensaccumulatie zwaarder
kunnen worden belast, omdat zij in beperktere mate bijdragen aan nieuwe
maatschappelijke waardecreatie. Daarmee verschuift het fiscale uitgangspunt van
een algemene belasting op kapitaal naar een meer gerichte belasting van
economische machtsconcentraties en niet-productieve economische renten.
In de vierde plaats
vervult deze belastingverschuiving een belangrijke institutionele functie. Door
een groter deel van de belastingopbrengsten te baseren op grote vermogens,
kapitaalinkomsten en omvangrijke vermogensoverdrachten ontstaat ruimte om de belastingdruk
op arbeid te verlagen en tegelijkertijd te investeren in de publieke
instituties die menswording mogelijk maken. Investeringen in onderwijs,
gezondheidszorg, rechtsbescherming, infrastructuur, wetenschap, innovatie en
sociale zekerheid vergroten niet alleen de economische productiviteit, maar
versterken tevens de institutionele kwaliteit van de democratische rechtsstaat.
Juist deze collectieve voorzieningen vormen immers de maatschappelijke
infrastructuur waarbinnen burgers hun mogelijkheden kunnen ontwikkelen en hun
grondrechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
Deze fiscale
heroriëntatie heeft bovendien een directe betekenis voor de verdeling van
corrigeerbaarheid. Economische middelen bepalen mede in hoeverre burgers
toegang hebben tot juridische procedures, maatschappelijke belangenbehartiging,
politieke participatie, hoogwaardige informatie en professionele ondersteuning.
Een belastingstelsel dat langdurige concentratie van economische macht afremt
en tegelijkertijd investeert in brede maatschappelijke
ontwikkelingsmogelijkheden draagt daarom niet alleen bij aan een eerlijkere
verdeling van welvaart, maar ook aan een evenwichtiger verdeling van de
feitelijke mogelijkheden om macht te controleren, instituties te beïnvloeden en
fundamentele rechten te effectueren. Daarmee wordt niet alleen de economische
ongelijkheid beperkt, maar ook de ongelijkheid in maatschappelijke en
institutionele invloed.
Vanuit normatief
perspectief kan deze fiscale heroriëntatie worden opgevat als een verschuiving
van een belastingstelsel dat primair is gericht op economische efficiëntie en
inkomstenverwerving naar een belastingstelsel dat tevens expliciet rekening
houdt met rechtvaardigheid, menswording en institutionele duurzaamheid.
Economische groei blijft daarbij een belangrijk doel, maar wordt ingebed binnen
een institutioneel kader dat voorkomt dat accumulatie van economische macht
uiteindelijk de democratische rechtsstaat en haar corrigeerbaarheid ondermijnt.
Belastingen worden daarmee niet uitsluitend een financieel instrument, maar een
constitutioneel onderdeel van het institutionele ontwerp van een rechtvaardige
samenleving.
Samenvattend betreft een
verschuiving van de belastingdruk van arbeid naar grote vermogens,
kapitaalinkomsten en omvangrijke nalatenschappen geen louter technische fiscale
hervorming, maar een fundamentele heroriëntatie van de economische orde. Zij
beoogt niet uitsluitend een evenwichtiger verdeling van inkomen en vermogen,
maar versterkt tevens de institutionele voorwaarden waaronder vrijheid,
gelijkwaardigheid, maatschappelijke participatie en democratische
corrigeerbaarheid duurzaam kunnen worden gerealiseerd. Vanuit het mens- en
samenlevingswordingsmodel vormt een dergelijke fiscale inrichting daarom een
wezenlijk onderdeel van het bredere institutionele ontwerp van een
democratische rechtsstaat die niet alleen economisch productief, maar ook
rechtvaardig, veerkrachtig en op menswording gericht is.
Daaruit volgt tevens een
fiscaal rechtvaardigheidsbeginsel dat inhoudt dat productieve waardecreatie,
menswording en maatschappelijke participatie wordt bevorderd, terwijl de
cumulatieve concentratie van economische macht wordt begrensd voor zover deze de
gelijkwaardige ontwikkelingskansen, democratische participatie en
corrigeerbaarheid van de samenleving ondermijnt. Belastingen zijn daarmee niet
slechts een financieel instrument, maar een constitutief onderdeel van het
institutionele ontwerp van een rechtvaardige, democratische en duurzame
rechtsstaat. Belastingen behoren niet uitsluitend te worden beoordeeld op hun
bijdrage aan economische efficiëntie of de financiering van publieke
voorzieningen, maar ook op hun bijdrage aan de voorwaarden waaronder mensen
zich daadwerkelijk kunnen ontwikkelen en als gelijken aan de samenleving kunnen
deelnemen. Een rechtvaardig belastingstelsel stimuleert daarom productieve
arbeid, ondernemerschap, innovatie en duurzame waardecreatie, terwijl het
tegelijkertijd voorkomt dat economische macht zich zodanig concentreert dat zij
zich vertaalt in ongelijke ontwikkelingskansen, maatschappelijke dominantie of
onevenredige politieke invloed. Belastingen zijn daarmee niet slechts een
instrument van inkomstenverwerving of herverdeling, maar een essentieel
onderdeel van het institutionele ontwerp van een democratische rechtsstaat. Hun
normatieve functie is het waarborgen van een evenwichtige verdeling van
economische kansen, maatschappelijke invloed en corrigeerbaarheid, zodat vrijheid,
gelijkwaardigheid en menswording niet uitsluitend formeel worden gegarandeerd,
maar voor alle burgers ook daadwerkelijk realiseerbaar blijven.
Lees nu dit actuele boek:
https://www.researchgate.net/publication/410776080_Democratie_herontworpen
[1] Thomas Piketty, Capital in the
Twenty-First Century (Harvard University Press 2014), hoofdstukken 10–12. Piketty ontwikkelt
hierin de bekende stelling dat wanneer het gemiddelde rendement op vermogen (r)
structureel hoger ligt dan de economische groei (g), vermogens zich
sneller ophopen dan arbeidsinkomens kunnen meegroeien. Hierdoor neemt
vermogensconcentratie op lange termijn toe, tenzij deze ontwikkeling wordt
begrensd door institutionele factoren, zoals progressieve belastingheffing,
erfbelasting, inflatie, economische schokken of andere vormen van herverdeling.
Zijn analyse vormt een belangrijke empirische onderbouwing voor de stelling dat
belastingstelsels mede bepalen hoe economische macht zich over generaties
ontwikkelt.
[2] Zie Anthony B. Atkinson, Inequality: What
Can Be Done? (Harvard University Press 2015), waarin wordt betoogd dat belastingstelsels
een centrale rol spelen bij de vormgeving van de economische en
maatschappelijke orde. Belastingen dienen volgens Atkinson niet uitsluitend om
publieke uitgaven te financieren, maar ook om de verdeling van inkomen,
vermogen, economische kansen en maatschappelijke invloed te beïnvloeden.
Daarmee maken zij integraal deel uit van het institutionele ontwerp van een
rechtvaardige samenleving en vormen zij een belangrijk instrument om
cumulatieve ongelijkheid en concentratie van economische macht te beperken.
[3] Zie Daron Acemoglu en
James A. Robinson, Why Nations Fail (2012) en The Narrow Corridor (2019). De
auteurs laten zien dat economische ongelijkheid niet alleen een
verdelingsvraagstuk is, maar ook een institutioneel vraagstuk. Economische
elites beschikken doorgaans over meer middelen om politieke processen,
wetgeving en publieke besluitvorming te beïnvloeden en kunnen daardoor
hervormingen blokkeren die hun economische positie aantasten. Democratische en
rechtsstatelijke instituties blijven volgens hen slechts duurzaam functioneren
wanneer economische en politieke macht elkaar wederzijds begrenzen en geen van
beide structureel dominant wordt.
[4] Zie Pierre Bourdieu, The Forms of Capital,
in: Handbook of Theory and Research for the Sociology of Education
(1986), en Distinction: A Social Critique of the Judgement of Taste (1984). Bourdieu laat zien dat
maatschappelijke ongelijkheid niet uitsluitend wordt bepaald door economisch
kapitaal, maar door de wisselwerking tussen economisch, sociaal, cultureel en
symbolisch kapitaal. Deze verschillende kapitaalvormen kunnen elkaar wederzijds
versterken en worden mede gereproduceerd via instituties zoals onderwijs, de
arbeidsmarkt en de staat. Daardoor vertaalt vermogensongelijkheid zich
geleidelijk in verschillen in maatschappelijke invloed, politieke participatie,
culturele legitimiteit en toegang tot kansen, ook wanneer formele
rechtsgelijkheid bestaat.
[5] Zie Robert A. Dahl, A Preface to Economic
Democracy (1985) en On Democracy (1998). Dahl benadrukt dat duurzame democratie niet uitsluitend
vrije verkiezingen vereist, maar ook een redelijke spreiding van economische
hulpbronnen. Wanneer economische macht zich sterk concentreert, neemt ook de
mogelijkheid toe om politieke besluitvorming, belangenbehartiging,
informatievoorziening en beleidsvorming onevenredig te beïnvloeden. Economische
ongelijkheid vormt daardoor niet alleen een sociaal of economisch vraagstuk,
maar ook een bedreiging voor de politieke gelijkheid die aan een democratische
rechtsstaat ten grondslag ligt.
[6] Zie Martin Gilens en Benjamin I. Page, Testing
Theories of American Politics: Elites, Interest Groups, and Average Citizens,
Perspectives on Politics 12(3), 2014, p. 564–581. De auteurs onderzoeken
de invloed van verschillende maatschappelijke groepen op beleidsvorming en
concluderen dat beleidsuitkomsten veel sterker overeenkomen met de voorkeuren
van economische elites en georganiseerde belangengroepen dan met die van gemiddelde
burgers wanneer deze uiteenlopen. Hoewel het onderzoek betrekking heeft op de
Verenigde Staten en de resultaten niet zonder meer kunnen worden
gegeneraliseerd naar andere democratische rechtsstaten, vormt het een
belangrijke empirische aanwijzing dat een sterke concentratie van economische
middelen kan leiden tot een ongelijke verdeling van politieke invloed en
daarmee de democratische gelijkheid onder druk kan zetten.
[7] Zie Philip Pettit, Republicanism: A Theory
of Freedom and Government (1997) en On the People's Terms: A Republican Theory
and Model of Democracy (2012). Pettit betoogt dat vrijheid bestaat uit non-dominatie:
burgers zijn pas werkelijk vrij wanneer zij niet onderworpen zijn aan de
willekeurige macht van anderen. Die dominantie kan zowel uitgaan van de
overheid als van private machtsconcentraties. Een democratische rechtsstaat
moet daarom instituties ontwikkelen die niet alleen publieke macht controleren,
maar ook voorkomen dat economische machtsconcentraties burgers structureel
afhankelijk maken. Deze republikeinse benadering sluit nauw aan bij het in dit
boek ontwikkelde uitgangspunt dat corrigeerbaarheid gericht moet zijn op het
begrenzen van alle vormen van geconcentreerde macht, ongeacht of deze publiek
of privaat van aard zijn.
[8] Michael E. Porter heeft in Michael E. Porter, The
Competitive Advantage of Nations (1990), overtuigend betoogd dat duurzame
internationale concurrentiekracht primair voortkomt uit productiviteit,
innovatie, hoogwaardige kennisinfrastructuur, gespecialiseerde toeleveranciers,
sterke instituties en een goed functionerend ondernemingsklimaat, en niet uit
lage belastingen of lage loonkosten alleen.Zie ook Organisation for Economic Co-operation and
Development, Tax Policy Reform and Economic Growth (2010) en Tax
Policy Reforms 2024 (2024); World Economic Forum, The Global
Competitiveness Report 2019; en World Bank, World Development Report
2022. Deze rapporten laten zien dat het vestigingsklimaat voor
ondernemingen niet uitsluitend wordt bepaald door het niveau van de
belastingdruk, maar vooral door de kwaliteit van instituties, rechtszekerheid,
infrastructuur, menselijk kapitaal, innovatievermogen, toegang tot markten en
goed openbaar bestuur. Juist hoogproductieve kenniseconomieën ontlenen hun
concurrentievermogen in belangrijke mate aan deze institutionele en
maatschappelijke randvoorwaarden. Een goed functionerende publieke sector,
gefinancierd door een stabiel belastingstelsel, kan daarmee zelf een
belangrijke vestigingsfactor vormen.
[9] Zie Joseph E. Stiglitz, The Price of
Inequality (2012), The Great Divide (2015) en People, Power, and Profits
(2019). Stiglitz
betoogt dat markten niet uitsluitend waarde creëren, maar ook mogelijkheden
bieden voor rent-seeking: het verwerven van inkomen of vermogen via marktmacht,
politieke beïnvloeding, reguleringsvoordelen of andere institutionele
privileges, zonder een evenredige bijdrage aan de maatschappelijke welvaart.
Vanuit dit perspectief dient een belastingstelsel niet alleen inkomsten te
genereren, maar ook onderscheid te maken tussen productieve economische
activiteiten die innovatie en brede welvaart bevorderen en economische renten
die vooral bijdragen aan de concentratie van economische en politieke macht.
[10] Zie Peter Diamond en Emmanuel Saez, The
Case for a Progressive Tax: From Basic Research to Policy Recommendations, Journal
of Economic Perspectives 25(4), 2011, p. 165–190, en The Formula for
Optimal Top Labor Income Taxation, American Economic Journal: Economic
Policy 3(1), 2011, p. 230–271. Diamond en Saez betogen op basis van de theorie van
optimale belastingheffing dat progressieve belastingen op hoge inkomens
economisch efficiënt kunnen zijn wanneer zij zorgvuldig worden vormgegeven. De
uiteindelijke economische effecten hangen niet uitsluitend af van het
belastingtarief, maar ook van de breedte van de belastinggrondslag, de
mogelijkheden tot belastingontwijking en -ontduiking, de internationale
mobiliteit van kapitaal en arbeid en de mate waarin productieve investeringen
en ondernemerschap behouden blijven. Hun analyse ondersteunt daarmee de
gedachte dat een evenwichtiger belastingmix mogelijk is zonder dat dit
noodzakelijkerwijs ten koste gaat van economische dynamiek.
[11] Zie Thomas Piketty, Capital in the
Twenty-First Century (2014) en Capital and Ideology (2020), en Anthony B.
Atkinson, Inequality: What Can Be Done? (2015). Piketty en Atkinson betogen dat een langdurige
concentratie van vermogen niet alleen de ongelijkheid vergroot, maar ook
economische dynamiek kan ondermijnen doordat kapitaal zich steeds sterker
concentreert bij een beperkte groep, sociale mobiliteit afneemt en economische
kansen ongelijker worden verdeeld. Hierdoor kunnen concurrentie, innovatie,
ondernemerschap en een efficiënte allocatie van kapitaal onder druk komen te
staan. Vermogensconcentratie vormt daarmee niet alleen een vraagstuk van
verdelende rechtvaardigheid, maar ook van economische efficiëntie en de
institutionele kwaliteit van de samenleving.
[12] Zie Organisation for Economic Co-operation
and Development, Tax Policy Reform and Economic Growth (2010), The
Role and Design of Net Wealth Taxes in the OECD (2018) en Tax Policy
Reforms 2024 (2024). De OESO betoogt dat belastingstelsels economisch
efficiënter kunnen worden ingericht door de belastingdruk minder op arbeid en
meer op belastinggrondslagen te leggen die de economische besluitvorming
relatief beperkt verstoren, zoals bepaalde vormen van vastgoed-, grond- en
vermogensbelasting. Tegelijkertijd benadrukt de OESO dat een dergelijke
verschuiving zorgvuldig moet worden vormgegeven, onder meer door een brede
belastinggrondslag, effectieve bestrijding van belastingontwijking en
internationale coördinatie, zodat negatieve effecten op investeringen, ondernemerschap
en internationale concurrentiekracht zoveel mogelijk worden beperkt.
[13] Zie International Monetary Fund, Fiscal
Monitor: Taxing Times (2013), Fiscal Monitor: Tackling Inequality
(2017) en Fiscal Monitor: Fiscal Policy from Pandemic to War (2022). Het IMF concludeert
dat belastingstelsels zodanig kunnen worden vormgegeven dat zij economische
groei, werkgelegenheid en een rechtvaardiger inkomensverdeling gelijktijdig
ondersteunen. Volgens het IMF vereist dit een evenwichtige belastingmix,
effectieve bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking, internationale
fiscale samenwerking en een doelgerichte inzet van belastingopbrengsten voor
productieve publieke investeringen, zoals onderwijs, infrastructuur en
innovatie. Een zorgvuldig ontworpen belastingstructuur hoeft daarmee niet
noodzakelijk ten koste te gaan van economische dynamiek, maar kan juist
bijdragen aan een stabielere, inclusievere en duurzamere economische
ontwikkeling.
[14] Zie John Rawls, A Theory of Justice
(1971/1999) en Justice as Fairness: A Restatement (Harvard University Press
2001). Rawls
verdedigt het verschilbeginsel, dat inhoudt dat sociale en economische
ongelijkheden slechts rechtvaardig zijn wanneer zij samenhangen met gelijke
kansen op maatschappelijke functies én de positie van de minst bevoordeelden
verbeteren. Het verschilbeginsel biedt daarmee een normatieve rechtvaardiging
voor institutionele arrangementen die ongelijkheid begrenzen zonder economische
dynamiek of individuele verantwoordelijkheid uit te sluiten.
[15] Zie Ronald Dworkin, Sovereign Virtue: The
Theory and Practice of Equality (2000) en Justice for Hedgehogs (2011). Dworkin betoogt dat
een rechtvaardige samenleving burgers met gelijke zorg en respect moet
behandelen en daarom institutionele ongelijkheden die voortvloeien uit
omstandigheden buiten de invloedssfeer van individuen zoveel mogelijk behoort
te neutraliseren. Tegelijkertijd blijft ruimte bestaan voor verschillen die
voortkomen uit autonome keuzes en individuele verantwoordelijkheid. Deze
benadering ondersteunt het uitgangspunt dat belastingen en andere instituties
niet zijn gericht op het gelijkmaken van uitkomsten, maar op het creëren van
eerlijke uitgangsvoorwaarden waaronder mensen hun eigen leven kunnen vormgeven.
[16] Amartya Sen, Development as Freedom
(Oxford University Press 1999) en The Idea of Justice (Allen Lane 2009),
alsmede Martha C. Nussbaum, Women and Human Development (Cambridge University
Press 2000) en Creating Capabilities (Harvard University Press 2011). De
capability-benadering verschuift de aandacht van de formele toekenning van
rechten en middelen naar de feitelijke vermogens (capabilities) waarover
mensen beschikken om een leven te leiden dat zij waardevol achten.
Rechtvaardigheid wordt daarmee niet uitsluitend beoordeeld aan de hand van
formele gelijkheid of de verdeling van hulpbronnen, maar vooral aan de hand van
de reële mogelijkheden die mensen hebben om fundamentele vrijheden
daadwerkelijk te benutten. Hoewel Sen en Nussbaum verschillen in de mate waarin
zij een universele lijst van centrale capabilities verdedigen, delen zij het
uitgangspunt dat instituties zo moeten worden ingericht dat mensen
daadwerkelijk in staat worden gesteld een menswaardig en volwaardig leven te
leiden.
[17] Daniel Bernoulli, Specimen
Theoriae Novae de Mensura Sortis (1738), waarin het beginsel van de
afnemende marginale nutswaarde van inkomen wordt geïntroduceerd; Arthur Cecil
Pigou, The Economics of Welfare (1920); Richard Easterlin, Does Economic
Growth Improve the Human Lot? (1974); en Daniel Kahneman en Angus Deaton, High Income
Improves Evaluation of Life but Not Emotional Well-Being, Proceedings of
the National Academy of Sciences 107(38), 2010. Hoewel de precieze
relatie tussen inkomen en welzijn onderwerp van wetenschappelijk debat blijft,
bestaat brede overeenstemming dat de marginale bijdrage van extra inkomen en
vermogen aan welzijn afneemt naarmate mensen reeds over meer middelen
beschikken.
[18] Elinor Ostrom, Governing the Commons
(1990) en Understanding Institutional Diversity (2005). Ostrom betoogt dat
duurzame instituties worden gekenmerkt door een evenwichtige spreiding van
bevoegdheden, wederzijdse controle, voortdurende monitoring, mogelijkheden tot
correctie en institutioneel leren. Polycentrische bestuursarrangementen
vergroten volgens haar de veerkracht en het aanpassingsvermogen van complexe
systemen doordat verschillende, deels autonome besluitvormingscentra elkaar
kunnen aanvullen, corrigeren en van elkaar leren. Deze inzichten sluiten nauw
aan bij het in dit boek ontwikkelde uitgangspunt van polycentrische
corrigeerbaarheid, waarin duurzame legitimiteit niet berust op één centraal
machtscentrum, maar op een institutioneel netwerk van wederzijds corrigeerbare
machts- en besluitvormingsstructuren.
[19] Douglass C. North, Institutions,
Institutional Change and Economic Performance (1990) en Violence and Social
Orders (2009). North laat zien dat economische prestaties niet uitsluitend worden bepaald
door markten of technologie, maar in belangrijke mate door de kwaliteit van
instituties. Economische en politieke instituties ontwikkelen zich daarbij in
voortdurende wisselwerking: instituties beïnvloeden de verdeling van
economische kansen en macht, terwijl economische machtsverhoudingen op hun
beurt de inrichting en ontwikkeling van politieke en juridische instituties
mede bepalen. Deze wederkerigheid ondersteunt het uitgangspunt dat economische
ordening en institutionele corrigeerbaarheid niet los van elkaar kunnen worden
ontworpen, maar gezamenlijk de voorwaarden vormen voor een duurzame,
rechtvaardige en democratische samenleving.

Reacties
Een reactie posten