Van wie is ons geld en aan welke samenleving moet het dienstbaar zijn?
Geld, banken en
financiële stabiliteit
Deze paragraaf beperkt zich niet tot de
normatieve vraag waartoe geld moet dienen. Zij onderscheidt de balansmechanica
van geldschepping, de transmissie naar inflatie en werkgelegenheid, de
internationale hiërarchie van liquiditeit en de institutionele keuze tussen
rente-, begrotings-, prudentiële en hervormingsinstrumenten
1 Geld als
publieke en private institutie
Geld wordt in het dagelijks leven
gebruikt alsof het een neutraal ruilmiddel is. Economisch en institutioneel is
het veel meer. Geld is tegelijkertijd rekeneenheid, betaalmiddel, opslag van
waarde en middel om schulden definitief af te wikkelen. Wie geld kan creëren,
wie toegang heeft tot krediet en welke betalingsbeloften in een crisis door de
overheid worden gegarandeerd, beïnvloedt de verdeling van investeringen,
risico’s en economische macht.
In moderne economieën ontstaat het
grootste deel van het geld niet doordat de centrale bank bankbiljetten drukt,
maar doordat commerciële banken kredieten verstrekken. Wanneer een bank een
lening van (L) verstrekt, ontstaat op haar balans gelijktijdig een actief en
een verplichting:
waarbij (D) het nieuwe bankdeposito van
de kredietnemer is. De bank hoeft dit deposito niet eerst bij een andere
spaarder te hebben opgehaald. Zij creëert met de kredietverlening een nieuwe
betalingsbelofte. De ruimte daarvoor is echter niet onbeperkt. Banken worden
begrensd door kapitaal- en liquiditeitseisen, kredietrisico,
winstverwachtingen, de vraag naar leningen, beschikbaar onderpand, toezicht en
de noodzaak om betalingen aan andere banken in centralebankgeld af te wikkelen.
Daarmee ontstaat een gemengd
geldstelsel. Munten, bankbiljetten en reserves zijn verplichtingen van de
centrale bank. Bankdeposito’s zijn verplichtingen van commerciële banken die
tegen publiek geld inwisselbaar behoren te zijn. Geldmarktfondsen, repotransacties,
stablecoins en andere liquide financiële aanspraken bevinden zich verder naar
beneden in de hiërarchie. In normale omstandigheden worden deze vormen bijna
als geld behandeld; in een crisis blijkt plotseling dat niet iedere
betalingsbelofte even zeker is.
De centrale these van deze paragraaf
luidt:
Geld is geen neutrale sluier over de
reële economie, maar een institutioneel stelsel van publiek gegarandeerde en
privaat gecreëerde betalingsbeloften. Een rechtvaardige monetaire orde
waarborgt prijs- en financiële stabiliteit, maar beoordeelt tevens welke
kredietverlening wordt gestimuleerd, wie toegang heeft tot liquiditeit, hoe
crisisverliezen worden verdeeld en onder welke democratische voorwaarden
publieke geldmacht wordt ingezet.
Dit betekent niet dat de centrale bank
iedere kredietbeslissing moet nemen of geld rechtstreeks over alle
maatschappelijke doelen moet verdelen. Een volledig gepolitiseerd
kredietstelsel kan leiden tot cliëntelisme, inflatie en verkeerde
investeringen. Het betekent wel dat geldcreatie en financiële stabiliteit niet
buiten de democratische en rechtsstatelijke ordening kunnen worden geplaatst.
2 Monetaire
theorieën: verschillende antwoorden op de vraag wat geld is
Monetaire theorieën verschillen niet
alleen over technische details. Zij verschillen over de aard van geld, de
oorzaken van inflatie, de effectiviteit van monetair beleid en de verhouding
tussen staat, banken en markten.
|
Benadering |
Kernopvatting |
Beleidsmatige
betekenis |
Belangrijkste
beperking |
|
Metallistische
en klassieke theorie |
Geld
ontleent zijn waarde uiteindelijk aan schaarste of dekking door een goed |
Benadrukt
begrenzing van geldcreatie en vertrouwen |
Verklaart
moderne ongedekte staatsvaluta en bankgeld onvoldoende |
|
Kwantiteitstheorie
en monetarisme |
Prijsniveau
hangt op langere termijn samen met de hoeveelheid geld ten opzichte van
productie |
Waarschuwt
voor aanhoudende monetaire overexpansie |
Geldhoeveelheid,
omloopsnelheid en krediet zijn niet stabiel of volledig door de centrale bank
controleerbaar |
|
Keynesiaanse
theorie |
Rente,
verwachtingen en effectieve vraag bepalen productie en werkgelegenheid |
Rechtvaardigt
stabilisatie bij vraaguitval en coördinatie van monetair en begrotingsbeleid |
Kan
financiële balansen en kredietdynamiek onderschatten |
|
Nieuw-Keynesiaanse
theorie |
Centrale
banken sturen vraag en inflatie via de beleidsrente, verwachtingen en
financiële condities |
Vormt
de basis voor modern inflatiedoelbeleid |
Veronderstelt
vaak een te gestileerde financiële sector |
|
Chartalisme |
Geld
ontleent zijn maatschappelijke geldigheid mede aan de staat, die belastingen
in die rekeneenheid heft |
Benadrukt
de publieke en juridische grondslag van geld |
Kan
de autonome dynamiek van privaat krediet onvoldoende verklaren |
|
Endogene
geld- en krediettheorie |
Banken
creëren deposito’s door kredietverlening; reserves volgen mede uit het
betalingsverkeer |
Vestigt
aandacht op kredietkwaliteit, bankenregulering en financiële cycli |
Biedt
niet zelfstandig een norm voor de gewenste kredietverdeling |
|
Modern
Monetary Theory |
Een
monetair soevereine staat wordt niet financieel begrensd als een huishouden,
maar door inflatie en reële hulpbronnen |
Vergroot
de denkruimte voor begrotingsbeleid, werkgelegenheid en publieke
investeringen |
Minder
rechtstreeks toepasbaar op muntunies en landen met hoge schulden in vreemde
valuta |
|
Soeverein-geldtheorie |
Transactiegeld
behoort rechtstreeks door een publieke monetaire autoriteit te worden
uitgegeven |
Wil
geldcreatie scheiden van commerciële kredietverlening |
Kredietrisico’s
kunnen naar nieuwe financiële constructies verschuiven |
|
Money
View |
Geld
vormt een hiërarchie van betalingsbeloften; liquiditeit en afwikkeling staan
centraal |
Verklaart
crisisdynamiek, repomarkten, dealers en centrale-bankinterventies |
Is
sterker als diagnose dan als normatieve verdelingstheorie |
|
Ecologische
en postgroeitheorie |
Geld-
en schuldstructuren moeten functioneren zonder permanente materiële expansie |
Richt
krediet op transitie en vermindert structurele groeiafhankelijkheid |
Moet
preciezer uitwerken hoe inflatie, schuld en financiële stabiliteit tijdens
krimp worden beheerst |
Geen van deze benaderingen kan
afzonderlijk de volledige monetaire werkelijkheid verklaren. De
kwantiteitstheorie herinnert eraan dat nominale bestedingen niet onbeperkt
sneller kunnen groeien dan reële productie. De Keynesiaanse theorie verklaart
waarom een economie bij onvoldoende vraag langdurig onder haar capaciteit kan
blijven. Endogene geldtheorie laat zien dat commerciële banken de
geldhoeveelheid mede bepalen. MMT maakt duidelijk dat een muntuitgevende staat
andere financiële mogelijkheden heeft dan een huishouden. Mehrlings Money
View toont waarom liquiditeit, onderpand en betalingshiërarchie in crises
centraal staan. Ecologische economie voegt daaraan toe dat reële capaciteit
niet alleen door arbeid en machines, maar ook door energie, materialen en
planetaire grenzen wordt bepaald.
Een institutioneel bruikbare monetaire
theorie moet deze inzichten combineren zonder hun onderlinge spanningen weg te
redeneren.
3 Van
kredietverlening naar inflatie, werkgelegenheid en internationale
kapitaalstromen
Dat commerciële banken deposito’s
creëren wanneer zij krediet verlenen, zegt nog niet welk macro-economisch
effect volgt. Beslissend is wie leent, waarvoor het krediet wordt gebruikt,
welke reële capaciteit beschikbaar is en hoe balansen onderling zijn verbonden[1].
Krediet voor nieuwe productie, woningisolatie of infrastructuur kan capaciteit
en toekomstige besparingen vergroten. Krediet voor de aankoop van bestaande
woningen, grond of effecten verhoogt in eerste instantie vooral de vraag naar
reeds bestaande activa. Dezelfde geldschepping kan daardoor leiden tot
productieve investering, vermogensprijsinflatie of een combinatie van beide[2].
De centrale bank stuurt deze
kredietdynamiek indirect. Een hogere beleidsrente verhoogt doorgaans
financieringskosten, verlaagt de contante waarde van activa en remt
rentegevoelige bestedingen. De transmissie is echter ongelijk. Huishoudens met
variabele schulden, jonge bedrijven en woningbouw reageren sterker dan
ondernemingen met veel kasmiddelen of marktmacht. Banken kunnen
kredietvoorwaarden aanscherpen bovenop de renteverhoging. Een rentestap werkt
bovendien met vertraging en kan aanbodcapaciteit beschadigen wanneer
noodzakelijke investeringen uitvallen. Monetair beleid heeft dus niet alleen
een gemiddeld effect op de vraag, maar ook sectorale en verdelingseffecten[3].
Inflatie vereist daarom een diagnose
vóór een instrument wordt gekozen. Vraaginflatie ontstaat wanneer nominale
bestedingen langdurig sneller groeien dan de beschikbare productiecapaciteit.
Aanbodinflatie kan voortkomen uit energie- en grondstoffenschokken, misoogsten,
verstoring van ketens of beperkte netcapaciteit. Geïmporteerde inflatie hangt
samen met wereldmarktprijzen en wisselkoersen. Loon- en margeverhogingen kunnen
een tijdelijke schok bestendigen, maar hun relatieve betekenis moet empirisch
worden vastgesteld. Verwachtingen beïnvloeden loon-, prijs- en contractvorming,
zonder dat iedere prijsstijging primair een verwachtingsprobleem is. Een
algemene renteverhoging kan passende vraaginflatie afremmen, maar produceert
geen gas, chips, woningen of elektriciteitsnetten. Bij aanbodknelpunten zijn
gerichte investeringen, tijdelijke inkomensbescherming, concurrentietoezicht en
besparingsmaatregelen noodzakelijk naast een geloofwaardige nominale
verankering[4].
Ook werkloosheid heeft verschillende
oorzaken. Bij een vraagtekort kunnen productieve middelen ongebruikt blijven
doordat huishoudens en ondernemingen tegelijk hun uitgaven verminderen. Tijdens
een ecologische transitie kan sectorale werkloosheid ontstaan wanneer
vervuilende activiteiten sneller krimpen dan schone alternatieven, scholing en
regionale investeringen groeien. Mismatch kan voortkomen uit vaardigheden,
locatie, zorgverantwoordelijkheden of discriminatie. Het aggregaat
‘werkloosheid’ verhult daardoor welke institutie moet handelen. Rentebeleid kan
oververhitting temperen, maar gerichte arbeidsbemiddeling, publieke
investeringen, inkomensgarantie, werktijdverkorting en regionale
transitiecapaciteit bepalen of een noodzakelijke herstructurering in
massawerkloosheid uitmondt[5].
In open economieën loopt de transmissie
tevens via internationale kapitaalstromen. Renteverschillen, risicopercepties
en wisselkoersverwachtingen kunnen grote in- en uitstromen veroorzaken.
Kapitaalinstroom kan productieve investering financieren, maar ook krediet- en
vastgoedbubbels voeden. Een plotselinge omkering — een sudden stop — dwingt
banken, ondernemingen of staten tot abrupte balansverkorting[6].
Het risico is groter wanneer schulden in vreemde valuta luiden, reserves
beperkt zijn of korte externe financiering langlopende binnenlandse activa
dekt. De hiërarchie van internationaal geld betekent bovendien dat toegang tot
dollarswaplijnen of andere noodliquiditeit niet gelijk over landen is verdeeld[7].
De eurozone kent een eigen variant. Eén
beleidsrente moet doorwerken in economieën met verschillende schuldposities,
bankstelsels en conjuncturen. Wanneer risicopremies uiteenlopen door
zelfversterkende twijfel over de muntunie, kan de transmissie fragmenteren.
Instrumenten zoals het Transmission Protection Instrument zijn bedoeld om een
gemeenschappelijke monetaire koers ordelijk te laten doorwerken[8];
zij mogen niet worden verward met een algemene garantie voor ieder nationaal
begrotingspad. De democratische opgave is voorwaarden zo te ontwerpen dat
onordelijke financiële dynamiek wordt begrensd zonder monetair beleid tot
verborgen verdelingspolitiek zonder verantwoording te maken.
Een menswordings-economie combineert
daarom instrumenten. De beleidsrente bewaakt de nominale verankering, maar
wordt aangevuld met contracyclische kapitaalbuffers, loan-to-value- en
debt-service-to-incomegrenzen, sectorale risicowegingen, toezicht op niet-bancaire
hefboomwerking en, waar nodig, maatregelen voor het beheer van destabiliserende
kapitaalstromen[9].
Automatische begrotingsstabilisatoren beschermen inkomen en vraag. Publieke
ontwikkelingsbanken, gerichte garanties en transitiefondsen ondersteunen
investeringen met hoge maatschappelijke baten die private financiers wegens
lange looptijd of onzeker rendement onderfinancieren[10].
Internationaal zijn swap- en repoarrangementen, tijdelijke schuldmoratoria en
ordelijke herstructurering nodig om liquiditeitsproblemen niet tot sociale en
ecologische bezuinigingscrises te laten escaleren[11].
De institutionele kern is
diagnosegebonden proportionaliteit. Niet iedere inflatie vraagt dezelfde rente,
niet iedere kredietgroei is productief, niet iedere kapitaalinstroom is stabiel
en niet iedere werkloosheid kan met algemene vraagstimulering worden opgelost.
Monetaire, begrotings-, prudentiële, arbeidsmarkt- en industriepolitiek moeten
daarom gezamenlijk worden beoordeeld op prijsstabiliteit, werkgelegenheid,
financiële veerkracht, verdeling en ecologische capaciteit[12].
|
Schok |
Diagnose |
Eerste
instrumenten |
Verdelingswaarborg |
|
Breed vraagoverschot |
Bestedingen lopen voor op
capaciteit; brede prijs- en loonontwikkeling |
Beleidsrente en begrotingsnormalisatie |
Bescherm lage inkomens;
voorkom disproportioneel baanverlies |
|
Energie- of aanbodschok |
Importprijs, fysieke
schaarste, marges en doorwerking |
Besparing, diversificatie,
tijdelijke steun, mededinging; rente alleen tegen tweede-ronde-effecten |
Gerichte compensatie, geen
algemene prijsbevriezing zonder rantsoenering |
|
Vastgoed-/activabubbel |
Kredietgroei, LTV/DTI,
hefboom, prijs-inkomensratio |
Borrower-based en
kapitaalmaatregelen; grond- en woningaanbod |
Voorkom dat starters alle
correctielasten dragen |
|
Vraagrecessie |
Onderbenutting, werkloosheid,
kredietkrimp |
Renteverlaging/QE indien ruimte;
automatische stabilisatoren en publieke investering |
Steun inkomen, behoud
productieve capaciteit |
|
Sudden stop/valutaschok |
Korte externe schuld, vreemde
valuta, reserves |
Liquiditeit, kapitaalstroombeheer,
schuldherstructurering |
Bescherm essentiële import en sociale
bodem |
|
Eurofragmentatie |
Uiteenlopende
risicopremies zonder fundamentele rechtvaardiging |
TPI/OMT-achtige
bescherming onder transparante voorwaarden |
Parlementaire en
juridische verantwoording van voorwaarden |
4 Perry
Mehrling: de hiërarchie van geld
Perry Mehrling benadert het financiële
stelsel vanuit betalingsbeloften. Een bankdeposito is een belofte van een
commerciële bank om op verzoek in centralebankgeld te betalen. Een repolening
is een kortlopende belofte met effecten als onderpand. Een obligatie is een
belofte om op een later moment geld te betalen. Een stablecoin is een private
belofte dat een digitaal token tegen een officiële valuta kan worden
ingewisseld.
Deze beloften staan niet op hetzelfde
niveau. Bovenaan de nationale hiërarchie staat centralebankgeld, omdat dit het
middel vormt waarin banken onderlinge betalingen definitief afwikkelen. In het
internationale financiële stelsel staat de Amerikaanse dollar bovenaan veel
grensoverschrijdende betalings- en financieringsketens. Daardoor kunnen ook
banken en ondernemingen buiten de Verenigde Staten afhankelijk zijn van toegang
tot dollars.
In normale tijden blijft deze hiërarchie
grotendeels onzichtbaar. Marktpartijen gaan ervan uit dat deposito’s,
geldmarktfondsen, repo’s en andere korte aanspraken tegen nominale waarde
kunnen worden omgezet. In een crisis willen veel partijen gelijktijdig omhoog
in de hiërarchie: van risicovolle effecten naar deposito’s, van deposito’s naar
reserves en van andere valuta naar dollars. Wat eerst liquide leek, wordt dan
onverkoopbaar of alleen met grote verliezen verkoopbaar.
Mehrling onderscheidt daarom naast de
traditionele lender of last resort ook de dealer of last resort.
De centrale bank ondersteunt dan niet uitsluitend afzonderlijke banken, maar
herstelt de verhandelbaarheid van cruciale markten door zelf activa te kopen,
financiering beschikbaar te stellen of zekerheid te bieden aan marktdealers.
Mehrlings colleges over de lender en dealer of last resort maken duidelijk
waarom moderne crises niet kunnen worden begrepen door alleen naar
bankdeposito’s te kijken.
Dit perspectief heeft een belangrijke
democratische consequentie. Wie in een crisis toegang krijgt tot de bovenkant
van de geldhiërarchie, ontvangt een publiek voordeel. Een
liquiditeitsfaciliteit kan technisch worden gepresenteerd als tijdelijke
marktinterventie, maar bepaalt feitelijk welke markten en instellingen worden
beschermd. Toegang tot noodliquiditeit behoort daarom vooraf aan voorwaarden te
worden verbonden: toezicht, transparantie, voldoende onderpand, beperking van
dividend en beloningen en een geloofwaardig afwikkelingsregime wanneer de
instelling insolvent blijkt.
5 De ECB
en de Federal Reserve
De Europese Centrale Bank en de
Amerikaanse Federal Reserve vervullen vergelijkbare functies, maar opereren
binnen verschillende constitutionele en economische structuren.
|
Kenmerk |
Europese
Centrale Bank |
Federal
Reserve |
|
Monetaire
ruimte |
Negentien
plus lidstaten binnen één muntunie en meerdere nationale begrotingen |
Eén
federale staat met één munt, één federale begroting en een grote
geïntegreerde kapitaalmarkt |
|
Hoofddoel |
Primaire
opdracht tot prijsstabiliteit; ondersteuning van algemene EU-doelen voor
zover dit prijsstabiliteit niet schaadt |
Congresmandaat
van maximale werkgelegenheid en stabiele prijzen |
|
Inflatiedoel |
Symmetrisch
2% op middellange termijn |
2%
inflatie op langere termijn |
|
Belangrijk
institutioneel risico |
Fragmentatie
tussen nationale financiële markten en uiteenlopende financieringskosten van
lidstaten |
Spanning
tussen inflatie, werkgelegenheid en financiële stabiliteit binnen één
federale economie |
|
Begrotingspartner |
Meerdere
nationale regeringen en een relatief beperkte EU-begroting |
Eén
federale Treasury |
|
Internationale
rol |
Euro
is een belangrijke internationale valuta |
Dollar
vormt het dominante mondiale financierings- en reservestelsel |
|
Crisisinstrumenten |
Rente,
herfinanciering, activa-aankopen, liquiditeitssteun en instrumenten tegen
onordelijke fragmentatie |
Rente,
discount window, activa-aankopen, noodfaciliteiten en internationale
dollarswaplijnen |
De ECB bevestigde in haar
strategiebeoordeling van 2025 het symmetrische inflatiedoel van 2% op
middellange termijn. De strategie besteedt tevens aandacht aan financiële
stabiliteit, monetaire en kredietontwikkelingen en structurele veranderingen
die het inflatieproces beïnvloeden. De ECB-strategie van 2025 noemt onder meer
geopolitieke fragmentatie, kunstmatige intelligentie, demografie en ecologische
risico’s.
De Federal Reserve heeft een wettelijk
dubbelmandaat. De in 2025 herziene strategie bevestigt de doelstellingen van
maximale werkgelegenheid en stabiele prijzen en handhaaft 2% als inflatiedoel
op langere termijn. De herziene Fed-strategie benadrukt dat goed verankerde
inflatieverwachtingen noodzakelijk zijn om beide doelstellingen te kunnen
nastreven.
Het verschil is belangrijk. De ECB voert
één monetair beleid voor economieën met verschillende productiestructuren,
schuldniveaus en conjuncturele posities. Een renteniveau dat voor de ene
lidstaat passend is, kan voor een andere lidstaat te ruim of te restrictief
zijn. Bovendien kan twijfel over de houdbaarheid van één staatsschuld de
financieringskosten verhogen, waarna banken die veel van die staatsobligaties
bezitten eveneens onder druk komen. Deze wederzijdse afhankelijkheid tussen
banken en nationale staten maakt de eurozone kwetsbaar.
De Fed opereert binnen een vollediger
fiscale unie en beschikt over een federale begrotingspartner. Tegelijkertijd
draagt zij door de mondiale positie van de dollar verantwoordelijkheden die ver
buiten de Verenigde Staten doorwerken. Wanneer wereldwijd een tekort aan
dollarliquiditeit ontstaat, bepalen dollarswaplijnen en noodfaciliteiten welke
centrale banken en financiële markten toegang krijgen tot de mondiale
veiligheidsvoorziening.
6
Centrale-bankonafhankelijkheid en democratische legitimiteit
Centrale-bankonafhankelijkheid is
bedoeld om te voorkomen dat regeringen vlak voor verkiezingen de economie
kunstmatig stimuleren, begrotingstekorten onbeperkt monetair financieren of
inflatiebestrijding uitstellen. Operationele onafhankelijkheid kan daardoor
geloofwaardigheid en continuïteit bevorderen.
Onafhankelijkheid betekent echter niet
dat monetair beleid apolitiek is. Rentebesluiten beïnvloeden werkloosheid,
lonen, woningprijzen, overheidsschuld, wisselkoersen en vermogenswaarden. Aankoopprogramma’s
bepalen welke activa liquide en schaars worden. Onderpandregels beïnvloeden
welke ondernemingen goedkoop via banken kunnen worden gefinancierd. Noodsteun
bepaalt welke instellingen een crisis overleven.
De democratische oplossing is niet dat
ministers dagelijks de beleidsrente vaststellen. Dat zou de tijdshorizon van
het beleid verkorten en monetaire besluitvorming vatbaar maken voor directe
politieke druk. Nodig is een onderscheid tussen doelonafhankelijkheid en
instrumentonafhankelijkheid:
- de wetgever bepaalt het mandaat, de hiërarchie tussen doelen en de
rechtsstatelijke grenzen;
- de centrale bank kiest binnen dat mandaat zelfstandig de instrumenten;
- uitzonderlijke crisisbevoegdheden zijn vooraf wettelijk omschreven;
- besluiten worden gemotiveerd en achteraf publiek en parlementair
verantwoord;
- verdelings-, klimaat- en financiële-stabiliteitseffecten worden
zichtbaar gemaakt;
- benoemingsprocedures waarborgen deskundigheid én pluraliteit;
- noodprogramma’s bevatten horizonbepalingen en evaluatiemomenten.
Een democratische monetaire politiek is
daarmee geen gepolitiseerde rentevorming, maar een stelsel van gedelegeerde
bevoegdheden, transparante doelen en corrigeerbare instrumenten.
7 Krugman:
liquiditeitsval en de grenzen van de beleidsrente
Paul Krugmans analyse van de Japanse
liquiditeitsval maakte opnieuw duidelijk dat renteverlagingen hun werking
kunnen verliezen wanneer de nominale rente haar effectieve ondergrens bereikt.
Wanneer burgers en financiële instellingen verwachten dat de economie zwak
blijft en de prijzen nauwelijks stijgen of dalen, kunnen zij extra geld
aanhouden zonder hun bestedingen voldoende te verhogen. Kortlopende
staatsobligaties en centralebankgeld worden dan bijna volkomen substituten.
In zo’n situatie is het niet voldoende
dat de centrale bank tijdelijk meer reserves creëert. Marktpartijen moeten
geloven dat toekomstige nominale bestedingen en prijzen daadwerkelijk hoger
zullen zijn. Krugman benadrukte daarom verwachtingen, toekomstige monetaire
verruiming en de mogelijke rol van begrotingsbeleid. Zijn analyse van de
Japanse liquiditeitsval vormde een belangrijke theoretische basis voor latere
discussies over onconventioneel monetair beleid.
De liquiditeitsval laat zien dat
monetair en begrotingsbeleid niet altijd onafhankelijk van elkaar kunnen worden
beoordeeld. Wanneer huishoudens en bedrijven niet willen lenen en banken
terughoudend zijn, kan extra centralebankliquiditeit in het financiële stelsel
blijven circuleren zonder voldoende reële bestedingen uit te lokken. Publieke
investeringen of inkomensondersteuning kunnen dan directer vraag creëren.
De omgekeerde situatie is eveneens
mogelijk. Bij aanbodschokken, energieschaarste of verstoring van
productieketens kan inflatie oplopen terwijl productie achterblijft. Een
centrale bank kan de vraag afremmen, maar geen gas, woningen, halfgeleiders of
zorgpersoneel produceren. Een algemene renteverhoging kan de inflatie
verminderen door bestedingen en werkgelegenheid te drukken, maar kan tegelijk
investeringen in de oplossing van de schaarste ontmoedigen.
Daarom moet bij iedere inflatiegolf
worden onderscheiden tussen:
- vraaginflatie door bestedingen boven de beschikbare capaciteit;
- kosteninflatie door energie, lonen, importprijzen of grondstoffen;
- marge-inflatie door ondernemingen met marktmacht;
- activaprijsinflatie op aandelen-, obligatie-, grond- en woningmarkten;
- tijdelijke prijsstijgingen door aanpassing aan ecologische normen.
Eén beleidsrente kan deze oorzaken niet
afzonderlijk behandelen. Monetair beleid moet worden aangevuld met
begrotingsbeleid, mededinging, loonvorming, energiebeleid, woningbouw en
gerichte regulering.
8 Financiële
crises: liquiditeit, solvabiliteit en politieke keuzes
Een fundamenteel onderscheid bestaat
tussen liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen.
Een instelling is illiquide wanneer zij
op korte termijn onvoldoende betaalmiddelen heeft, terwijl de waarde van haar
activa in beginsel groter is dan haar verplichtingen. Zij is insolvent wanneer
de economische waarde van haar activa duurzaam lager is dan haar
verplichtingen:
In de praktijk is het onderscheid
tijdens een crisis moeilijk vast te stellen. Marktprijzen kunnen tijdelijk
instorten, terwijl de toekomstige opbrengst van activa onzeker is. Bovendien
kan een liquiditeitscrisis insolventie veroorzaken: gedwongen verkoop tegen
lage prijzen verlaagt de vermogenspositie, roept nieuwe margin calls op en
leidt tot verdere verkopen.
Adam Tooze beschrijft in Crashed
hoe de crisis van 2008 niet kan worden begrepen als een verzameling nationale
bankproblemen. Europese banken hadden grote dollarbalansen, Amerikaanse
hypotheekrisico’s waren wereldwijd verspreid en centrale banken moesten
grensoverschrijdende betalingsketens ondersteunen. De crisisrespons was
daardoor niet alleen economisch, maar ook geopolitiek. De Federal Reserve
functioneerde via haar swaplijnen als mondiale leverancier van
dollarliquiditeit, terwijl niet iedere centrale bank dezelfde toegang tot deze
veiligheidsvoorziening kreeg.
Tooze maakt tevens zichtbaar dat
crisisbeleid altijd verdelingskeuzes bevat. Banken en markten kunnen binnen
enkele dagen worden gestabiliseerd, terwijl huishoudens jarenlang te maken
houden met werkloosheid, woningverlies, bezuinigingen en problematische
schulden. Het redden van het betalingsstelsel kan noodzakelijk zijn, maar
rechtvaardigt niet dat aandeelhouders, bestuurders en risicovolle schuldeisers
volledig worden beschermd.
Een rechtvaardige crisisarchitectuur
volgt daarom een verliesvolgorde:
- bestaande aandeelhouders dragen als eerste verlies;
- achtergestelde en daarvoor aangewezen schuldeisers worden
aangesproken;
- bestuurders worden vervangen wanneer hun beleid wezenlijk aan de
crisis heeft bijgedragen;
- tijdelijke publieke herkapitalisatie geeft de gemeenschap
zeggenschaps- en winstrechten;
- depositohouders en essentiële betalingsfuncties worden beschermd;
- publieke steun wordt terugverdiend wanneer de instelling herstelt;
- huishoudens en kleine ondernemingen krijgen tijdige toegang tot
herstructurering.
Het doel is continuïteit van essentiële
financiële functies, niet continuïteit van iedere bestaande financiële
onderneming.
9 Quantitative
easing: werking en verdeling
Quantitative easing is de grootschalige
aankoop van obligaties en andere activa door de centrale bank. De centrale bank
betaalt door nieuwe reserves te creëren. Wanneer zij een obligatie van een
niet-bank koopt, verloopt de transactie via diens commerciële bank:
|
Balanspost |
Verandering |
|
Centrale bank |
Activa: obligatie omhoog;
passiva: bankreserves omhoog |
|
Commerciële bank |
Activa: reserves omhoog;
passiva: deposito verkoper omhoog |
|
Verkoper |
Obligaties omlaag;
bankdeposito omhoog |
De verkoper ontvangt dus geen nieuw
nettovermogen ter grootte van de aankoop; hij wisselt in eerste instantie een
obligatie om voor een liquide deposito. QE beïnvloedt de economie via andere
kanalen:
- schaarste van aangekochte obligaties drukt de lange rente;
- beleggers verschuiven naar andere activa;
- hogere activaprijzen verbeteren balansen en onderpand;
- lagere financieringskosten stimuleren krediet en investeringen;
- het programma geeft informatie over de toekomstige beleidskoers;
- in crisissituaties kan de centrale bank vastgelopen markten
herstellen.
QE is daarmee niet hetzelfde als een
begrotingsoverdracht aan huishoudens of ondernemingen. Bij een
begrotingsuitgave ontvangt de private sector rechtstreeks inkomen of een
publiek goed. Bij QE verandert vooral de samenstelling en looptijd van
financiële activa.
De werking heeft verdelingseffecten.
Stijgende aandelen- en obligatieprijzen bevoordelen in eerste instantie
bezitters van financiële activa. Lagere hypotheekrente kan woningprijzen
verhogen en daarmee bestaande eigenaren bevoordelen boven starters en huurders.
Tegelijkertijd kan monetair herstel werkgelegenheid en lonen ondersteunen,
waarvan juist huishoudens met weinig vermogen profiteren. Het uiteindelijke
verdelingseffect is daarom empirisch en contextafhankelijk.
De ECB erkent dat activa-aankopen
vermogensprijzen kunnen verhogen en daarmee zowel
financiële-stabiliteitsrisico’s als vermogensongelijkheid kunnen vergroten. De
ECB-evaluatie van kosten en baten van activa-aankopen benadrukt dat deze
neveneffecten naast de effecten op groei, werkgelegenheid en inflatie moeten
worden beoordeeld.
Een verantwoord QE-kader vereist daarom:
- een duidelijk onderscheid tussen marktstabilisatie en conjuncturele
stimulering;
- vooraf bepaalde geschiktheids- en risicocriteria;
- rapportage over gevolgen voor woning-, aandelen- en obligatieprijzen;
- analyse van verdelingseffecten naar inkomen, vermogen, leeftijd en
regio;
- coördinatie met macroprudentieel woning- en kredietbeleid;
- een transparante strategie voor afbouw of kwantitatieve verkrapping;
- parlementaire verantwoording zonder politieke sturing van individuele
aankopen.
Gerichte monetaire financiering van
publieke uitgaven is institutioneel iets anders dan QE en moet als zodanig
democratisch en juridisch worden beoordeeld. Het mag niet via technische
balansoperaties worden ingevoerd zonder expliciet besluit over omvang, doelen
en inflatierisico’s.
10 Bubbels en de
krediet-collateraalcyclus
Financiële bubbels ontstaan niet
uitsluitend doordat beleggers irrationeel optimistisch worden. Krediet en
onderpand kunnen zichzelf versterkende processen veroorzaken.
Wanneer de prijs (P) van woningen of
effecten stijgt, neemt de waarde van het onderpand toe. Banken en andere
financiers zijn daardoor bereid meer krediet (C) te verstrekken. Dat extra
krediet vergroot de vraag en verhoogt opnieuw de prijs.
Wanneer verwachtingen omslaan, werkt
hetzelfde mechanisme omgekeerd. Dalende prijzen verminderen onderpandwaarden,
leiden tot margin calls en kredietbeperking en veroorzaken gedwongen verkopen.
Hierdoor kan een beperkte prijscorrectie veranderen in een balansrecessie.
De beleidsrente is een te grof
instrument om iedere bubbel te bestrijden. Een sterke renteverhoging die de
woningmarkt afremt, kan tegelijkertijd investeringen, werkgelegenheid en de
energietransitie raken. Gerichte macroprudentiële instrumenten zijn daarom
noodzakelijk:
- grenzen aan de verhouding tussen lening en onderpandwaarde;
- grenzen aan schuld ten opzichte van inkomen;
- contracyclische kapitaalbuffers;
- hogere risicogewichten voor snel groeiende kredietcategorieën;
- beperkingen op aflossingsvrije en zeer langlopende leningen;
- stresstests met prijs-, rente- en klimaatschokken;
- sectorale krediet- en concentratielimieten;
- registratie van leverage en derivatenposities;
- regulering van variabele beloning die kortetermijnrisico stimuleert.
Ook het woning- en grondbeleid is
relevant. Wanneer het aanbod structureel tekortschiet en fiscaal beleid
schuldgefinancierd woningbezit stimuleert, kan monetair beleid de onderliggende
schaarste niet oplossen. Financiële stabiliteit vraagt dan tevens om
woningbouw, grondbeleid, huurregulering en een andere fiscale behandeling van
grond- en locatierente.
11
Schaduwbankieren en niet-banciële financiële intermediairs
De term schaduwbankieren verwijst naar
krediet- en liquiditeitsfuncties buiten traditionele depositobanken. Hieronder
vallen onder meer geldmarktfondsen, hedgefondsen, securitisatievehikels,
financieringsmaatschappijen, private-creditfondsen en bepaalde activiteiten van
verzekeraars en pensioenfondsen.
Deze instellingen vervullen nuttige
functies. Zij diversifiëren financiering, bieden langetermijnkapitaal en kunnen
risico’s buiten het bankwezen spreiden. Het probleem ontstaat wanneer zij
bankachtige risico’s nemen zonder vergelijkbare kapitaal-, liquiditeits- en
resolutie-eisen.
Vier kwetsbaarheden staan centraal:
- looptijdtransformatie: kortlopende
financiering wordt gebruikt voor langlopende activa;
- liquiditeitstransformatie: beleggers kunnen snel
uitstappen terwijl onderliggende activa moeilijk verkoopbaar zijn;
- leverage: kleine prijsbewegingen veroorzaken grote
vermogensverliezen en margin calls;
- interconnectedness: banken financieren
niet-banken, leveren derivaten en kredietlijnen en raken daardoor alsnog
aan hun verliezen blootgesteld.
Het Financial Stability Board monitort
deze sector inmiddels structureel. De sector vertegenwoordigt ongeveer de helft
van de mondiale financiële activa, al omvat dit brede cijfer ook relatief
stabiele verzekerings- en pensioenactiviteiten. Het FSB-monitoringprogramma
richt zich daarom specifiek op activiteiten met bankachtige liquiditeits- en
kredietrisico’s. In 2025 publiceerde het FSB aanvullende aanbevelingen voor de
monitoring en begrenzing van leverage bij niet-banken. Die aanbevelingen
benadrukken gegevensuitwisseling, tegenpartijrisico, consistente regulering en
internationale samenwerking.
Een effectief regime combineert
entiteits- en activiteitstoezicht:
- minimumliquiditeit voor fondsen met dagelijkse uitstapmogelijkheid;
- swing pricing of andere mechanismen waardoor vertrekkende beleggers
hun liquiditeitskosten dragen;
- grenzen aan leverage en concentratie;
- uniforme rapportage van repo-, derivaten- en onderpandposities;
- centrale clearing waar dit systeemrisico vermindert;
- minimumvereisten voor marginpraktijken;
- herstel- en afwikkelingsplannen voor systeemrelevante niet-banken;
- regulering van bankkredietlijnen aan fondsen;
- internationale consistentie om verplaatsing te voorkomen.
Wanneer niet-banken in een crisis
toegang krijgen tot centralebankliquiditeit, moeten daar structurele
verplichtingen tegenover staan. Publieke liquiditeitsverzekering zonder
voorafgaand toezicht creëert een prikkel om risico’s buiten het gereguleerde bankwezen
te plaatsen.
12
Modern Monetary Theory en Stephanie Kelton
Modern Monetary Theory vertrekt vanuit
het onderscheid tussen een staat die zijn eigen munt uitgeeft en een gebruiker
van die munt. Een monetair soevereine staat met een vrij zwevende wisselkoers
en schulden in de eigen valuta kan technisch altijd betalingen in die valuta
verrichten. Hij kan daarom niet op dezelfde manier zonder geld komen te zitten
als een huishouden, onderneming of decentrale overheid.
Stephanie Kelton gebruikt dit inzicht om
de gebruikelijke voorstelling van de overheidsbegroting te bekritiseren. De
primaire beperking voor publieke uitgaven is volgens MMT niet de voorafgaande
beschikbaarheid van belastingopbrengsten, maar de beschikbaarheid van arbeid,
productiecapaciteit, energie, grondstoffen en technologie. Wanneer extra
publieke vraag de reële capaciteit overschrijdt, ontstaat inflatie.
MMT wijst daarnaast op de sectorale
balansidentiteit:
- (G-T) het overheidstekort is;
- (S-I) het financiële overschot van de binnenlandse private sector;
- (M-X) het tekort op de lopende rekening.
De identiteit laat zien dat financiële
saldi van sectoren elkaar noodzakelijk spiegelen. Een overheidstekort creëert,
gegeven de externe positie, een financieel overschot elders. Daaruit volgt
echter niet dat ieder overheidstekort wenselijk is. De identiteit bepaalt niet
de richting van causaliteit, de inflatoire gevolgen, de verdeling van het
private overschot of de kwaliteit van de publieke besteding.
De belangrijkste verdiensten van MMT
zijn:
- zij maakt duidelijk dat een muntuitgevende staat niet als huishouden
moet worden gemodelleerd;
- zij verplaatst de aandacht van nominale financiering naar reële
capaciteit;
- zij benadrukt de rol van begrotingsbeleid bij volledige
werkgelegenheid;
- zij maakt zichtbaar dat belastingen ook vraag reguleren en economische
macht verdelen;
- zij doorbreekt de veronderstelling dat publieke investeringen altijd
vooraf door hogere belastingen of private besparingen moeten worden
“gevonden”.
De theorie kent ook belangrijke grenzen.
Ten eerste geldt monetaire
soevereiniteit gradueel. Een land dat afhankelijk is van importen, schulden in
buitenlandse valuta heeft of weinig vertrouwen in zijn munt geniet, kan door
wisselkoersverlies en geïmporteerde inflatie worden begrensd lang voordat alle
binnenlandse arbeid is benut.
Ten tweede is inflatie niet eenvoudig
achteraf met belastingen weg te nemen. Belastingwetgeving vergt politieke
besluitvorming en uitvoering, terwijl inflatieverwachtingen snel kunnen
veranderen. Automatische stabilisatoren, vooraf vastgelegde
belastingmechanismen en aanbodbeleid zijn daarom noodzakelijk.
Ten derde zijn lidstaten van de eurozone
geen individuele uitgevers van de valuta waarin zij lenen. Zij beschikken niet
afzonderlijk over een eigen centrale bank die onbeperkt hun schuld kan
garanderen. MMT kan daarom niet zonder institutionele vertaling op Nederland of
een andere eurolidstaat worden toegepast. De relevante monetaire soevereiniteit
ligt op het niveau van het Eurosysteem, terwijl begrotingsbevoegdheden
grotendeels nationaal zijn gebleven.
Ten vierde mag de consolidatie van
schatkist en centrale bank als analytisch hulpmiddel niet verhullen dat hun
juridische scheiding een functie vervult. Onafhankelijke monetaire beoordeling,
begrotingsautorisatie door het parlement en controle op publieke uitgaven zijn
rechtsstatelijke waarborgen.
MMT verruimt dus terecht de vraag wat
financieel mogelijk is, maar vervangt niet de democratische vraag welke
uitgaven wenselijk zijn, welke reële capaciteit beschikbaar is en hoe inflatie
en ecologische druk worden begrensd.
13 Joseph Huber
en de soeverein-geldtheorie
Joseph Huber bepleit een fundamentelere
scheiding tussen geldschepping en commerciële kredietverlening. In een
soeverein-geldstelsel zou giraal transactiegeld niet langer een schuld van een
commerciële bank zijn, maar rechtstreeks publiek geld. Banken zouden krediet
verstrekken uit eigen vermogen, langlopende financiering of middelen die
spaarders expliciet voor kredietverlening beschikbaar stellen.
Het beoogde voordeel is dat
betalingsgeld ook bij het faillissement van een bank volledig veilig blijft en
dat de publieke gemeenschap de seigniorage van geldcreatie ontvangt. Bovendien
zou de centrale bank meer rechtstreekse controle krijgen over de hoeveelheid
transactiegeld. Hubers vergelijking van MMT en soeverein-geldtheorie maakt
duidelijk dat hij de commerciële creatie van giraal geld als een centrale bron
van kredietcycli en machtsconcentratie beschouwt.
Het voorstel heeft echter geen
eenvoudige relatie met financiële stabiliteit. Ook wanneer banken geen
betaaldeposito’s meer creëren, kunnen zij en andere instellingen kortlopende
schulden uitgeven die door marktpartijen als geldachtig worden behandeld. Geldmarktfondsen,
repo’s, stablecoins en securitisaties kunnen de functie van bankgeld
gedeeltelijk overnemen. Krediet en leverage verdwijnen dus niet; zij kunnen
naar minder zichtbare delen van het stelsel verschuiven.
Daarnaast roept soeverein geld
overgangsvragen op:
- hoe worden bestaande bankdeposito’s omgezet?
- wie financiert kredietverlening tijdens de overgang?
- hoe wordt voorkomen dat de centrale bank indirect de allocatie van
krediet gaat bepalen?
- welke rente- en winstgevolgen ontstaan voor banken?
- hoe worden grensoverschrijdende geldstromen behandeld?
- welke nieuwe geldachtige instrumenten moeten worden gereguleerd?
Hubers voorstel is vooral waardevol
omdat het duidelijk maakt dat de tweelaagse geldorde een keuze is en geen
natuurgegeven. Een volledige vervanging van bankgeld is echter niet
noodzakelijk om de publieke geldfunctie te versterken. Veilige publieke betaalrekeningen,
een CBDC, strengere kredietregulering en een ruimere publieke
betalingsinfrastructuur kunnen minder ingrijpende tussenvarianten bieden.
14 CBDC:
digitaal publiek geld
Een central bank digital currency is een
digitale verplichting van de centrale bank. Een wholesale-CBDC is bedoeld voor
financiële instellingen en afwikkeling van grote transacties. Een retail-CBDC
maakt digitaal centralebankgeld toegankelijk voor burgers en ondernemingen,
vergelijkbaar met contant geld maar in digitale vorm.
|
Geldvorm |
Uitgever |
Juridische aanspraak |
Waardeanker |
Belangrijkste risico |
|
Contant geld |
Centrale bank/staat |
Directe publieke
geldvordering |
Nominale waarde |
Verlies, diefstal en
afnemende bruikbaarheid in digitale handel |
|
Retail-CBDC |
Centrale bank |
Directe digitale aanspraak
op centrale bank |
Nominale waarde |
Surveillance, cyberrisico
en verplaatsing van bankdeposito’s |
|
Bankdeposito |
Commerciële bank |
Aanspraak op bank,
ondersteund door toezicht en depositogarantie |
Inwisselbaarheid in
centralebankgeld |
Bankrun en kredietverlies |
|
Stablecoin |
Private uitgever |
Contractuele aanspraak op
uitgever of reserves |
Toegezegde koppeling aan
valuta of activa |
Reservetekort, juridisch
onduidelijke claim en run |
|
Ongeankerde crypto |
Protocol en netwerk |
Geen vaste aanspraak op
officiële uitgever |
Marktverwachting |
Volatiliteit, verlies van
sleutels, manipulatie en liquiditeitsrisico |
Een publieke digitale munt kan
verschillende doelen dienen:
- behoud van toegang tot publiek geld in een digitale economie;
- minder afhankelijkheid van internationale kaartmaatschappijen en
technologieplatforms;
- financiële inclusie;
- goedkope en weerbare betalingsinfrastructuur;
- concurrentie en innovatie in het betalingsverkeer;
- versterking van monetaire soevereiniteit.
Daartegenover staan risico’s. Burgers
kunnen in een crisis bankdeposito’s met één handeling omzetten in risicoloos
centralebankgeld. Dat kan digitale bankruns versnellen. Banken kunnen een deel
van hun stabiele depositofinanciering verliezen en afhankelijker worden van
marktfinanciering of de centrale bank. Een centraal betalingssysteem kan
bovendien misbruik mogelijk maken voor toezicht op transacties.
De vormgeving is daarom beslissend. Een
democratisch aanvaardbare CBDC vereist:
- een duidelijke wettelijke grondslag;
- privacybescherming die technisch én juridisch is ingebouwd;
- een offline betaalmogelijkheid met een hoge mate van anonimiteit;
- behoud van contant geld;
- een verbod op commerciële exploitatie van betaalgegevens;
- beperkte en wettelijk omschreven toegang voor opsporing;
- holdinglimieten of gedifferentieerde rente om bankruns te beperken;
- een intermediair model waarin publieke en private betaaldiensten
kunnen samenwerken;
- toegankelijkheid voor mensen zonder smartphone of uitgebreide digitale
vaardigheden;
- geen programmeerbaarheid waarmee de overheid bepaalt waaraan regulier
geld mag worden besteed.
De ECB besloot in oktober 2025 de
voorbereidingen voor de digitale euro voort te zetten. Het Eurosysteem bouwt
technische capaciteit op voor een mogelijke uitgifte, afhankelijk van Europese
wetgeving. Een eventuele eerste uitgifte wordt op basis van de huidige planning
niet vóór 2029 voorzien. Het afsluitende ECB-rapport over de voorbereidingsfase
benadrukt dat een besluit over feitelijke uitgifte nog afzonderlijk moet worden
genomen.
De Federal Reserve heeft volgens haar
officiële informatie nog geen besluit genomen over een digitale dollar en stelt
dat uitgifte een machtigingswet vereist. De positie van de Federal Reserve
illustreert terecht dat een CBDC niet louter als technisch centralebankproject
kan worden ingevoerd.
15 Crypto en
stablecoins
Ongeankerde cryptovaluta vervullen de
klassieke functies van geld slechts gedeeltelijk. Hun waarde kan sterk
fluctueren, prijzen worden zelden stabiel in crypto uitgedrukt en betalingen
vereisen vaak alsnog omzetting in officiële valuta. Zij functioneren daardoor
eerder als speculatief actief of technologisch netwerk dan als algemeen geld.
Dat betekent niet dat alle onderliggende
technologie zonder betekenis is. Gedistribueerde registers kunnen nuttig zijn
voor afwikkeling, eigendomsregistratie en programmeerbare transacties.
Decentrale systemen kunnen bovendien een reactie zijn op reële zorgen over
financiële uitsluiting, inflatie, surveillance en afhankelijkheid van banken.
Deze voordelen moeten echter worden onderscheiden van de waarde van specifieke
tokens.
Stablecoins proberen volatiliteit te
beperken door een vaste verhouding met een officiële valuta te beloven.
Economisch lijken zij daardoor op private geldmarktfondsen of depositobanken.
De centrale vraag is of de reserves werkelijk aanwezig, veilig, liquide en
juridisch afgescheiden zijn. Wanneer gebruikers twijfelen aan terugbetaling
tegen nominale waarde, kan een run ontstaan.
Een consistent regelgevingsbeginsel
luidt: dezelfde activiteit en hetzelfde risico vereisen vergelijkbare
regulering. Voor stablecoins betekent dit:
- een afdwingbaar recht op tijdige terugbetaling tegen nominale waarde;
- liquide en hoogwaardige reserveactiva;
- scheiding van klantactiva en ondernemingsvermogen;
- onafhankelijk toezicht en controle van reserves;
- kapitaal- en liquiditeitsvereisten;
- herstel- en afwikkelingsplannen;
- bescherming tegen marktmanipulatie en belangenconflicten;
- regels voor witwassen, sancties en terrorismefinanciering;
- internationale samenwerking bij grensoverschrijdende systemen.
Het FSB constateerde in 2025 dat
vooruitgang is geboekt, maar dat de mondiale uitvoering van regels voor
cryptoactiva en stablecoins nog aanzienlijke verschillen en leemten vertoont.
De thematische FSB-evaluatie waarschuwt dat deze inconsistenties reguleringsarbitrage
en financiële-stabiliteitsrisico’s kunnen vergroten.
Vanuit ecologisch perspectief moet
tevens het energie- en materiaalgebruik van cryptosystemen worden beoordeeld.
Vooral consensusmechanismen die grote hoeveelheden rekenkracht vereisen, moeten
aantonen dat hun maatschappelijke functie opweegt tegen hun energiegebruik. Dat
rechtvaardigt niet noodzakelijk een verbod op iedere cryptotoepassing, maar wel
rapportage, energie-eisen en beprijzing van de veroorzaakte milieuschade.
16
Schuldencrises: wanneer liquiditeit en rechtvaardigheid botsen
Schuld maakt het mogelijk toekomstige
inkomsten naar het heden te halen. Zij financiert woningen, ondernemingen,
infrastructuur en publieke investeringen. Tegelijkertijd creëert schuld vaste
nominale verplichtingen in een onzekere wereld. Wanneer inkomsten dalen, rente
stijgt of de munt deprecieert, blijven rente en aflossing verschuldigd.
Voor overheidsschuld kan de ontwikkeling
van de schuldquote bij benadering worden weergegeven als:
waarbij:
- (d) de overheidsschuld als percentage van het bbp is;
- (r) de effectieve rente;
- (g) de nominale economische groei;
- (pb) het primaire begrotingsoverschot als percentage van het bbp.
Wanneer (r>g), stijgt de schuldquote
zonder primair overschot. Wanneer (g>r), kan de schuldquote dalen ondanks
een beperkt primair tekort. Deze verhouding is echter geen volledige maatstaf
voor houdbaarheid. Looptijd, valuta, binnenlands of buitenlands houderschap,
belastingcapaciteit, productieve kwaliteit van uitgaven en vertrouwen zijn
eveneens bepalend.
Er moet worden onderscheiden tussen:
- een tijdelijke liquiditeitscrisis;
- structurele insolventie;
- schulden in eigen valuta;
- schulden in buitenlandse valuta;
- overheidsschuld, private schuld en bankschuld;
- individuele betalingsproblemen en systeemcrises.
Een monetair soevereine staat kan
nominale betalingen in de eigen munt in beginsel voortzetten, maar kan worden
begrensd door inflatie, wisselkoersverlies en verlies van toegang tot importen.
Een staat met schulden in vreemde valuta kan daadwerkelijk zonder het benodigde
betaalmiddel komen te zitten. Een eurolidstaat bevindt zich tussen deze
posities: de schuld luidt in de gemeenschappelijke munt, maar de nationale
overheid beheerst de uitgifte daarvan niet.
Bij onhoudbare schuld is snelle
herstructurering vaak beter dan jarenlange noodfinanciering en bezuiniging.
Uitstel kan ertoe leiden dat publieke leningen vooral worden gebruikt om
bestaande private crediteuren af te betalen, terwijl de economie verder
verzwakt.
Een institutioneel mechanisme voor
schuldencrises behoort te voorzien in:
- volledige registratie en openbaarheid van publieke schulden en
zekerheden;
- een tijdelijk betalingsmoratorium tijdens de beoordeling;
- een onafhankelijke schuldhoudbaarheidsanalyse;
- bescherming van minimale uitgaven voor gezondheid, onderwijs en
bestaanszekerheid;
- collectieve besluitvorming waardoor gekwalificeerde meerderheden ook
hold-outcrediteuren kunnen binden;
- vergelijkbare behandeling van bilaterale, multilaterale en private
crediteuren;
- verlenging van looptijden, renteverlaging en waar nodig afschrijving
van hoofdsom;
- klimaatresistente en andere toestandsafhankelijke schuldinstrumenten;
- tijdelijke kapitaalmaatregelen wanneer ongecontroleerde uitstroom de
herstructurering onmogelijk maakt;
- herstel van markttoegang nadat de schuld daadwerkelijk houdbaar is
geworden.
Het internationale stelsel kent nog geen
volwaardig mondiaal insolventierecht voor staten. Het IMF constateerde in 2025
dat recente herstructureringen vooruitgang tonen, maar dat coördinatie,
informatie en de behandeling van verschillende crediteuren complex blijven. De
IMF-inventarisatie van de internationale schuldarchitectuur bespreekt onder
meer de groeiende rol van toestandsafhankelijke schuldinstrumenten.
Voor lage- en middeninkomenslanden is de
situatie mede een mondiale rechtvaardigheidsvraag. Zij lenen vaker in
buitenlandse valuta, betalen hogere risicopremies en worden zwaarder geraakt
door renteverhogingen in grote valutagebieden. Volgens het International Debt
Report 2025 van de Wereldbank is de externe schuldendienst voor veel
ontwikkelingslanden een steeds zwaardere beperking op publieke investeringen.
Schuldkwijtschelding of een modern
jubileum kan gerechtvaardigd zijn wanneer schulden aantoonbaar onhoudbaar zijn,
zijn aangegaan door niet-representatieve regimes, voortvloeien uit
uitzonderlijke rampen of alleen kunnen worden betaald door fundamentele sociale
en ecologische ondergrenzen te schenden. Een generieke periodieke
kwijtschelding van alle schulden zou daarentegen kredietverlening ontwrichten
en nieuwe morele risico’s creëren.
De rechtvaardige oplossing is een
wettelijk en voorspelbaar herstructureringsmechanisme waarin verliezen worden
verdeeld op basis van risico, draagkracht en verantwoordelijkheid.
Schuldverlichting voor klimaatkwetsbare landen kan worden gecombineerd met klimaatresistente
schuldclausules, concessionele financiering en subsidies.
Debt-for-climate-swaps kunnen nuttig zijn, maar alleen wanneer zij aanvullende
middelen opleveren, transparant zijn en geen nieuwe afhankelijkheid of verlies
van zeggenschap over natuurlijke hulpbronnen veroorzaken.
17 Groei, rente
en de postgroei-economie
Binnen postgroei- en degrowthliteratuur
wordt soms gesteld dat een economie vanwege rentedragende schuld noodzakelijk
moet groeien. In die algemene vorm is deze stelling onjuist. Rente is binnen de
economie ook een inkomensoverdracht van schuldenaar naar schuldeiser. Voor de
betaling van rente hoeft niet voor iedere lening afzonderlijk nieuw geld te
worden gecreëerd; de schuldenaar kan inkomsten verwerven uit de bestaande
geldcirculatie.
Dat betekent niet dat een hoog
gefinancialiseerde economie gemakkelijk zonder groei kan functioneren.
Schuldcontracten leggen vaste nominale verplichtingen vast, ondernemingen
moeten rendement behalen, pensioenfondsen rekenen op opbrengsten en overheden zijn
gewend dat groei de schuldquote en sociale lasten draaglijker maakt. Wanneer
productie en inkomen niet groeien, worden verdelingsconflicten zichtbaarder. De
betaling van rente en aflossing vereist dan een groter aandeel van bestaande
inkomens.
Timothée Parrique, Jason Hickel, Samuel
Alexander en Christian Kerschner benaderen postgroei daarom niet als een
spontane recessie, maar als een geplande transitie. Parrique onderzoekt de
politieke economie van het verminderen van productie en consumptie in
ecologisch overbelaste sectoren. Zijn proefschrift benadrukt dat degrowth een
institutionele herordening vereist en niet simpelweg een dalend bbp betekent.
Samuel Alexander spreekt van geplande
economische contractie in rijke economieën waar verdere materiële groei
ecologisch en sociaal contraproductief wordt. Zijn analyse verbindt deze
contractie met herverdeling, eenvoud en een andere organisatie van productie.
Christian Kerschner onderscheidt degrowth als overgangsproces van de
steady-state-economie als mogelijke stabiele bestemming. Kerschners
vergelijking maakt duidelijk dat een vermindering van materiaalgebruik vooraf
kan gaan aan een toestand waarin fysieke voorraden en stromen op een houdbaar
niveau worden gestabiliseerd.
Hickel en medeauteurs verbinden dit met
MMT. Staten met voldoende monetaire soevereiniteit kunnen de publieke
investeringen voor een rechtvaardige transitie financieren zonder dat die
uitgaven eerst door economische groei hoeven te worden “verdiend”. Tegelijkertijd
moet MMT volgens hen worden aangevuld met ecologische grenzen: niet alleen
arbeid en productiemiddelen, maar ook koolstofbudgetten, energie, materialen en
ecosystemen begrenzen de reële bestedingsruimte. Hun artikel over MMT en
degrowth brengt beide theorieën op dit punt samen.
Een monetair stelsel dat zonder
permanente materiële groei moet functioneren, vraagt om:
- lagere private en publieke leverage;
- meer eigen vermogen en risicodelende financiering;
- langere looptijden;
- schuldcontracten die meebewegen met inkomen, productie of
natuurrampen;
- minder afhankelijkheid van stijgende grond- en woningprijzen;
- pensioenstelsels die niet uitsluitend op hoge financiële rendementen
zijn gebaseerd;
- publieke investeringsbanken en transitie-instrumenten;
- automatische stabilisatoren die werkloosheid en armoede bij sectorale
krimp voorkomen;
- ordelijke afbouw van ecologisch schadelijke activa;
- bescherming van essentiële productie tegen algemene
kredietverkrapping.
De overgang is monetair moeilijk. Het
afbouwen van fossiele productie kan tijdelijk tot prijsstijgingen leiden,
terwijl hoge rente investeringen in energie, isolatie en infrastructuur
ontmoedigt. Een centrale bank die iedere ecologische transitiekost als gewone
oververhitting bestrijdt, kan de aanbodcapaciteit van de duurzame economie
verzwakken. Omgekeerd mag groene investeringsbehoefte niet als rechtvaardiging
dienen voor onbeperkte geldcreatie wanneer arbeid, energie en materialen al
volledig zijn benut.
Een gecoördineerd beleid verschuift
daarom reële capaciteit van ecologisch schadelijke naar noodzakelijke en
duurzame activiteiten. Belastingen, normering en selectieve kredietbeperking
verminderen vraag naar vervuilende productie; publieke investeringen, garanties
en infrastructuur vergroten het aanbod van duurzame alternatieven.
18 Monetair
beleid en ecologische doelen
Centrale banken kunnen
klimaatverandering niet zelfstandig oplossen. Zij beschikken niet over een
democratisch mandaat om productiequota, energiebronnen of verdelingsbeleid vast
te stellen. Klimaatbeleid behoort primair tot de verantwoordelijkheid van wetgever,
regering en internationale samenwerking.
Centrale banken kunnen evenmin doen
alsof ecologische risico’s buiten hun mandaat vallen. Klimaatschade,
biodiversiteitsverlies, transitierisico’s en gestrande activa beïnvloeden
inflatie, onderpandwaarden, verzekerbaarheid, kredietrisico en financiële stabiliteit.
Een zogenoemd marktneutraal aankoop- of onderpandbeleid kan bestaande
koolstofintensieve marktstructuren reproduceren en is daardoor niet werkelijk
neutraal.
Binnen een duidelijk wettelijk kader
kunnen centrale banken:
- klimaatrisico opnemen in toezicht en stresstests;
- hogere risicowaarden hanteren voor activa die kwetsbaar zijn voor
fysieke of transitierisico’s;
- betrouwbare transitiedata en openbaarmaking verlangen;
- onderpandvoorwaarden aanpassen;
- financiële instellingen verplichten concentraties in fossiele activa
te beheersen;
- voorkomen dat abrupte afwaarderingen het betalingsstelsel ontwrichten;
- de gevolgen van klimaatbeleid voor inflatie en financiële transmissie
expliciet modelleren.
De ECB besloot in 2025 een klimaatfactor
in haar onderpandkader op te nemen om rekening te houden met mogelijke
waardedalingen door transitierisico’s. De ECB-maatregel is primair als
risicobeheer vormgegeven. Dat is institutioneel verdedigbaar: de centrale bank
beschermt haar balans en de werking van het monetaire beleid. Verdergaande
sturing van krediet naar specifieke sectoren vereist een explicieter
democratisch mandaat en nauwe afstemming met begrotings- en industriebeleid.
19 Een
institutioneel crisisprotocol
Financiële crises vereisen snelheid.
Democratische controle kan daarom niet uitsluitend achteraf worden
georganiseerd. De voorwaarden voor ingrijpen moeten vóór de crisis wettelijk
zijn vastgelegd.
|
Fase |
Probleem |
Primaire interventie |
Voorwaarde |
|
Preventie |
Snelle kredietgroei,
leverage en activabubbels |
Kapitaalbuffers,
kredietnormen, stresstests en gegevensrapportage |
Tijdige toepassing, ook
wanneer markten optimistisch zijn |
|
Liquiditeitsstress |
Solvabele instelling kan
betalingen tijdelijk niet verrichten |
Noodliquiditeit tegen
geschikt onderpand |
Verhoogd tarief, toezicht
en beperking van uitkeringen |
|
Marktstilstand |
Cruciale effectenmarkt functioneert
niet |
Tijdelijke
dealer-of-last-resortinterventie |
Breed marktcriterium,
vooraf bepaalde exitstrategie |
|
Insolventie |
Activa zijn structureel
minder waard dan verplichtingen |
Afschrijving, bail-in,
herkapitalisatie of resolutie |
Aandeelhouders en risicodragende
crediteuren eerst |
|
Systeemcrisis |
Meerdere instellingen en
markten raken tegelijk ontregeld |
Gecoördineerd monetair,
prudentieel en begrotingsbeleid |
Tijdelijkheid,
parlementaire rapportage en verdelingsanalyse |
|
Huishoudschuld |
Inkomen valt weg en
massa-executies dreigen |
Betalingspauze,
renteaanpassing en schuldherstructurering |
Bescherming van woning en
bestaansminimum |
|
Staatsschuldcrisis |
Schuld is onhoudbaar of
externe liquiditeit ontbreekt |
Standstill,
noodfinanciering en ordelijke herstructurering |
Onafhankelijke analyse en
bescherming van sociale ondergrenzen |
|
Herstel |
Publieke steun
stabiliseert het systeem |
Terugbetaling,
winstdeling, bestuurswijziging en strengere regels |
Geen terugkeer naar de
oude risicostructuur |
Het protocol voorkomt twee tegengestelde
fouten. Te laat ingrijpen kan een liquiditeitsprobleem laten uitgroeien tot een
depressie. Onvoorwaardelijk ingrijpen beloont daarentegen risicovol gedrag en
privatiseert winsten terwijl verliezen worden gesocialiseerd.
20 Een
besliskader voor geldhervorming
Geldhervorming wordt soms gepresenteerd
alsof één institutionele wijziging — staatsgeld, een CBDC,
volledige-reservebankieren of cryptovaluta — tegelijk financiële instabiliteit,
ongelijkheid en ecologische schade kan oplossen. Dat is onwaarschijnlijk. Het
geldstelsel vervult verschillende functies: veilig betalen, krediet alloceren,
liquiditeit verschaffen, sparen mogelijk maken en macro-economische
stabilisatie ondersteunen. Een hervorming die één functie veiliger maakt, kan
elders krediet naar minder gereguleerde constructies verplaatsen of nieuwe
concentratie van publieke macht veroorzaken[13].
De beoordeling moet daarom functioneel
zijn. Een publiek digitaal betaalmiddel kan burgers een veilige aanspraak op de
centrale bank geven en concurrentie in het betalingsverkeer vergroten, maar
vraagt harde waarborgen voor privacy, cyberveiligheid en de rol van commerciële
banken. Soeverein-geld- of full-reservevoorstellen kunnen het transactiegeld
van bankrisico scheiden, maar moeten verklaren wie krediet beoordeelt, hoe de
overgangsbalans wordt gefinancierd en hoe uitwijking naar schaduwbankieren
wordt voorkomen[14].
Publieke ontwikkelingsbanken kunnen langetermijninvesteringen richten, maar
vereisen professionele kredietanalyse, transparantie en bescherming tegen
politieke bevoordeling[15].
Complementaire of lokale valuta kunnen
lokale ruil en gemeenschapsvorming ondersteunen, maar vervangen geen nationale
rekeneenheid, belastingcapaciteit of internationale liquiditeit[16].
Private cryptoactiva kunnen technologische functies bieden, maar voldoen door
volatiliteit, energiegebruik, governance- en stabiliteitsrisico’s meestal niet
aan alle eisen van geld. Stablecoins maken de afhankelijkheid van veilige
reserves juist zichtbaar: hun geloofwaardigheid berust op de activa en publieke
betalingsinfrastructuur waartegen zij inwisselbaar zijn[17].
Daarom ligt een modulaire
hervormingsstrategie meer voor de hand. Zij combineert publiek gegarandeerde
toegang tot betalingen, strengere scheiding van betaal- en risicofuncties waar
nodig, betere afwikkeling van falende banken, macroprudentiële begrenzing van
kredietbubbels, publieke financieringscapaciteit voor transitie en een ordelijk
schuldenmechanisme. Experimenten met CBDC of complementair geld krijgen
limieten, evaluatiedata en een terugvaloptie. Geen enkel experiment mag de
toegang tot contant of anderszins privacyvriendelijk geld voortijdig beëindigen[18].
De menswordingstoets voor geldhervorming
vraagt uiteindelijk: wordt betalen veiliger en toegankelijker; wordt productief
en sociaal wenselijk krediet beter beschikbaar; neemt de kans op runs en
publieke redding af; worden privacy en rechtsbescherming versterkt; verschuift
beslissingsmacht op controleerbare wijze; en kan het stelsel tijdens de
overgang blijven functioneren? Een hervorming die uitsluitend de juridische
uitgever van geld verandert, maar kredietmacht, vermogensconcentratie en
internationale afhankelijkheid ongemoeid laat, is onvoldoende[19].
|
Optie |
Publieke
belofte |
Hoofdrisico |
Ontwerpvoorwaarde |
|
CBDC / publiek digitaal geld |
Veilig publiek betaalmiddel; inclusie |
Bankdeposito-uitstroom, privacy,
cyberrisico |
Limieten, privacy by design, contant
geld behouden |
|
Soeverein geld / full reserve |
Betaalgeld scheiden van kredietrisico |
Overgangsfinanciering; uitwijking
schaduwbankieren |
Gefaseerde pilot,
consolidatiebalans, perimeter-toezicht |
|
Publieke ontwikkelingsbank |
Langlopende transitie-investering |
Politieke capture en
verborgen verliezen |
Open mandaat, onafhankelijke
toets, publieke rendementen |
|
Complementaire valuta |
Lokale veerkracht en circulatie |
Beperkte schaal en inwisselbaarheid |
Vrijwillig, begrensd, interoperabel |
|
Crypto/stablecoin |
Technologische innovatie |
Volatiliteit, run-, reserve- en
governance-risico |
Zelfde functie, zelfde
regel; reserve- en afwikkelingseisen |
|
Schuldmechanisme |
Vroege, ordelijke herstructurering |
Moral hazard en juridisch conflict |
Standstill, transparantie,
onafhankelijke houdbaarheidsanalyse |
21
Tegenargumenten
“Een bredere opdracht maakt centrale banken minder geloofwaardig”
Te veel gelijkwaardige doelen kunnen
inderdaad onduidelijk maken waarop een centrale bank wordt afgerekend. Daarom
is een wettelijke hiërarchie nodig. Prijsstabiliteit, werkgelegenheid en
financiële stabiliteit moeten helder worden geordend. Klimaat- en verdelingseffecten
hoeven niet altijd zelfstandige doelen te zijn, maar moeten wel worden
onderzocht wanneer zij de primaire doelen of de proportionaliteit van
instrumenten beïnvloeden.
“Crisissteun veroorzaakt altijd moreel risico”
Verwachte redding kan risicogedrag
stimuleren. Maar het weigeren van liquiditeit tijdens een systeemcrisis kan
maatschappelijke schade veroorzaken die veel groter is dan de disciplinerende
werking van faillissement. De oplossing is niet afzien van crisissteun, maar
steun combineren met verlies voor aandeelhouders, vervanging van bestuur,
voorwaarden en structureel toezicht.
“QE is uitsluitend geld drukken
voor financiële markten”
QE creëert reserves en beïnvloedt
financiële condities, maar is geen rechtstreekse inkomensoverdracht aan
vermogensbezitters. Het kan werkgelegenheid en inkomens ondersteunen.
Tegelijkertijd kunnen hogere activaprijzen ongelijkheid en bubbels versterken.
Beide effecten moeten empirisch worden beoordeeld.
“MMT bewijst dat overheidstekorten er niet toe doen”
MMT stelt niet dat reële tekorten zonder
grens zijn. De theorie verschuift de grens van nominale financiering naar
inflatie, wisselkoers en beschikbare hulpbronnen. Het bezwaar blijft dat
politieke besluitvorming mogelijk te traag reageert wanneer deze grenzen worden
overschreden. Daarom zijn institutionele inflatieregels en automatische
stabilisatie noodzakelijk.
“Soeverein geld voorkomt financiële crises”
Het kan de veiligheid van betalingsgeld
vergroten, maar kredietcycli, leverage en geldachtige private verplichtingen
blijven mogelijk. Zonder regulering van het bredere financiële stelsel
verplaatst het risico zich.
“Een CBDC leidt noodzakelijk tot totale financiële surveillance”
Dat risico bestaat, maar volgt niet
noodzakelijk uit de technologie. Offline betalingen, gegevensminimalisatie,
onafhankelijke tussenpersonen, wettelijke doelbinding en behoud van contant
geld kunnen de privacy beschermen. Zonder harde juridische en technische
waarborgen moet een retail-CBDC echter niet worden ingevoerd.
“Crypto maakt publieke geldinstituties overbodig”
Cryptotechnologie kan alternatieve
betalings- en eigendomsstructuren mogelijk maken, maar verwijdert krediet-,
liquiditeits- en frauderisico niet. Wanneer tokens tegen officiële valuta
worden gewaardeerd en daarin moeten kunnen worden ingewisseld, blijven zij
afhankelijk van de publieke monetaire orde.
“Schuldkwijtschelding beloont onverantwoord beleid”
Dit risico rechtvaardigt voorwaarden,
transparantie en hervorming. Het rechtvaardigt niet dat een evident onhoudbare
schuld jarenlang wordt voortgezet ten koste van burgers die geen invloed hadden
op de oorspronkelijke leningen. Ook crediteuren dragen verantwoordelijkheid
voor hun risicoanalyse.
22 Dashboard
voor geld en financiële stabiliteit
|
Domein |
Kernindicatoren |
Waarschuwingssignaal |
|
Prijsstabiliteit |
Kern- en totale inflatie,
inflatieverwachtingen, prijsbijdragen per sector |
Aanhoudende afwijking zonder
duidelijke analyse van vraag- en aanbodbron |
|
Werkgelegenheid |
Werkloosheid,
onderbenutting en loonontwikkeling |
Monetaire verkrapping
veroorzaakt disproportioneel verlies van werk en inkomen |
|
Kredietgroei |
Krediet aan huishoudens,
vastgoed, ondernemingen en financiële sector |
Krediet groeit langdurig
sneller dan inkomen en productieve investering |
|
Activaprijzen |
Prijs-inkomensverhouding
woningen, waarderingen, grondprijzen |
Prijzen raken los van
kasstromen, inkomens of gebruikswaarde |
|
Bankweerbaarheid |
Kapitaal, liquiditeit,
probleemleningen, concentraties |
Buffers dalen tijdens de
opgaande financiële cyclus |
|
Schaduwbankieren |
Leverage,
looptijdtransformatie, margin calls en bankverbindingen |
Niet-bancaire risico’s
groeien buiten toezicht en resolutie |
|
Verdeling |
Rente- en QE-effecten naar
inkomens- en vermogensgroep |
Vermogenswinsten
concentreren zich zonder brede inkomensverbetering |
|
Publieke liquiditeit |
Gebruik van
noodfaciliteiten en onderpandkwaliteit |
Tijdelijke steun wordt
structureel of beschermt insolvente instellingen |
|
Monetaire soevereiniteit |
Valutasamenstelling
schuld, externe financieringsbehoefte en swaptoegang |
Grote afhankelijkheid van
vreemde valuta en kortlopende buitenlandse schuld |
|
Staatsschuld |
Rente-groeiverschil,
looptijd, primair saldo en sociale uitgaven |
Schuldendienst verdringt
essentiële publieke voorzieningen |
|
CBDC en betalingen |
Bereik, privacyincidenten,
bankdepositoverschuiving en storingen |
Digitale uitsluiting,
snelle runs of concentratie van betaalgegevens |
|
Crypto en stablecoins |
Reservekwaliteit,
leverage, marktconcentratie en inwisselbaarheid |
Runs, ongedekte claims en
verwevenheid met systeembanken |
|
Ecologische stabiliteit |
Klimaatrisico’s in krediet
en onderpand, financiering van fossiele uitbreiding |
Financiële instellingen
bouwen posities op die alleen houdbaar zijn bij overschrijding van
klimaatdoelen |
|
Democratische controle |
Motivering, parlementaire
rapportage, evaluatie en looptijd noodmaatregelen |
Permanente uitbreiding van
bevoegdheden zonder nieuw mandaat |
Deze indicatoren moeten niet tot één
monetaire totaalscore worden samengevoegd. Prijsstabiliteit kan niet eenvoudig
worden uitgeruild tegen ernstige financiële instabiliteit, en een stabiele
bankensector kan niet als duurzaam worden aangemerkt wanneer haar activa
afhankelijk zijn van ecologisch onhoudbare productie. Het dashboard is bedoeld
om spanningen zichtbaar te maken en tijdige democratische correctie af te
dwingen.
23 Conclusie
Geld, banken en financiële markten
vormen de circulatie- en kredietinfrastructuur van de economie. Zonder
betrouwbare betalingen, krediet en spaargeld kunnen huishoudens, ondernemingen
en publieke instellingen niet functioneren. Juist daarom kan deze infrastructuur
niet worden behandeld als een zuiver private markt.
Krugman laat zien dat de beleidsrente
haar werking kan verliezen en dat monetair en begrotingsbeleid in een
liquiditeitsval moeten samenwerken. Tooze maakt zichtbaar dat financiële crises
grensoverschrijdende politieke gebeurtenissen zijn en dat toegang tot
centrale-bankliquiditeit de mondiale machtsverhoudingen weerspiegelt. Mehrling
verklaart de hiërarchie van betalingsbeloften en de rol van de centrale bank
als lender en dealer of last resort. Kelton en MMT verruimen het begrip van
publieke financieringsmogelijkheden, maar moeten worden aangevuld met
institutionele inflatiebeheersing, wisselkoersrisico en ecologische grenzen.
Huber maakt duidelijk dat commerciële geldcreatie geen vanzelfsprekend
institutioneel gegeven is, al lost soeverein geld kredietcycli niet automatisch
op. Parrique, Hickel, Alexander en Kerschner tonen dat een stabiel monetair
stelsel ook moet kunnen functioneren wanneer materiële productie niet permanent
groeit.
De institutionele opdracht bestaat uit
vijf delen. Geld moet betrouwbaar en algemeen toegankelijk blijven. Krediet
moet productieve en maatschappelijk noodzakelijke activiteiten kunnen
financieren zonder bubbels en overmatige leverage te creëren. Crisisliquiditeit
moet snel beschikbaar zijn, maar mag aandeelhouders en bestuurders niet tegen
verlies beschermen. Digitale publieke en private geldvormen moeten aan
privacy-, stabiliteits- en rechtsstatelijke voorwaarden voldoen. Ten slotte
moet schuld kunnen worden geherstructureerd wanneer voortzetting ervan grotere
maatschappelijke schade veroorzaakt dan ordelijke afschrijving.
Een democratische monetaire politiek
politiseert niet ieder rentebesluit. Zij legt vooraf vast welke doelen de
centrale bank dient, welke instellingen toegang krijgen tot publieke
liquiditeit, hoe verliezen worden verdeeld en wanneer noodbevoegdheden eindigen.
De uiteindelijke maatstaf is niet de omvang van de centralebankbalans of de
hoeveelheid gecreëerd geld, maar de vraag of het monetaire stelsel
prijsstabiliteit, bestaanszekerheid, productieve investering, ecologische
houdbaarheid en democratische gelijkwaardigheid ondersteunt.
Lees het volledige onderzoek:
[1] Michael McLeay,
Amar Radia en Ryland Thomas, ‘Money Creation in the Modern Economy’, Bank of
England Quarterly Bulletin 54, nr. 1 (2014): 14–27, https://www.bankofengland.co.uk/quarterly-bulletin/2014/q1/money-creation-in-the-modern-economy.
[2] Dirk Bezemer,
Maria Grydaki en Lu Zhang, ‘More Mortgages, Lower Growth?’, Economic Inquiry 54, nr. 1 (2016):
652–674, https://doi.org/10.1111/ecin.12254.
[3] Adrien Auclert,
‘Monetary Policy and the Redistribution Channel’, American Economic Review 109, nr. 6 (2019): 2333–2367, https://doi.org/10.1257/aer.20160137
[4] Ben S. Bernanke
en Olivier J. Blanchard, ‘An Analysis of Pandemic-Era Inflation in 11
Economies’, NBER Working Paper 32532 (Cambridge, MA: National Bureau of
Economic Research, 2024), https://doi.org/10.3386/w32532.
[5] International
Labour Organization, Guidelines for a
Just Transition towards Environmentally Sustainable Economies and Societies for
All (Geneva: ILO, 2015), 12–20.
[6] Guillermo A.
Calvo, ‘Capital Flows and Capital-Market Crises: The Simple Economics of Sudden
Stops’, Journal of Applied Economics
1, nr. 1 (1998): 35–54, https://doi.org/10.1080/15140326.1998.12040516.
[7] Hélène Rey,
‘Dilemma not Trilemma: The Global Financial Cycle and Monetary Policy
Independence’, NBER Working Paper 21162 (Cambridge, MA: National Bureau of
Economic Research, 2015), https://doi.org/10.3386/w21162.
[8] Europese
Centrale Bank, ‘The Transmission Protection Instrument’, persbericht, 21 juli
2022, https://www.ecb.europa.eu/press/pr/date/2022/html/ecb.pr220721~973e6e7273.
[9] Basel Committee
on Banking Supervision, ‘Countercyclical Capital Buffer (CCyB)’, Bank for
International Settlements, https://www.bis.org/bcbs/ccyb/; Europese
Centrale Bank, ‘A Decade of Borrower-Based Measures in the Banking Union’, Macroprudential Bulletin, 5 juni 2025;
International Monetary Fund, Toward an
Integrated Policy Framework, IMF Policy Paper 2020/046 (Washington, DC:
IMF, 2020).
[10] Mariana
Mazzucato en Caetano C.R. Penna, ‘Beyond Market Failures: The Market Creating
and Shaping Roles of State Investment Banks’, Journal of Economic Policy Reform 19, nr. 4 (2016): 305–326, https://doi.org/10.1080/17487870.2016.1216416.
[11] Verenigde
Naties, Algemene Vergadering, Resolutie 69/319, Basic Principles on Sovereign Debt Restructuring Processes, 10
september 2015; Martin Guzman, José Antonio Ocampo en Joseph E. Stiglitz, red.,
Too Little, Too Late: The Quest to
Resolve Sovereign Debt Crises (New York: Columbia University Press, 2016).
[12] International
Monetary Fund, Toward an Integrated
Policy Framework.
[13] Bank for
International Settlements, Bank of Canada, European Central Bank e.a., Central Bank Digital Currencies:
Foundational Principles and Core Features (Basel: BIS, 2020), 1–12,
https://www.bis.org/publ/othp33.htm.
[14] Joseph Huber, Sovereign Money: Beyond Reserve Banking
(Cham: Palgrave Macmillan, 2017), https://doi.org/10.1007/978-3-319-42174-2; Jaromir Benes
en Michael Kumhof, ‘The Chicago Plan Revisited’, IMF Working Paper 12/202
(Washington, DC: International Monetary Fund, 2012), https://doi.org/10.5089/9781475505528.001.
[15] Mazzucato en
Penna, ‘Beyond Market Failures’, 305–326.
[16] Gill Seyfang en
Noel Longhurst, ‘Growing Green Money? Mapping Community Currencies for
Sustainable Development’, Ecological
Economics 86 (2013): 65–77, https://doi.org/10.1016/j.ecolecon.2012.11.003.
[17] Bank for
International Settlements, ‘The Future Monetary System’, in Annual Economic Report 2022 (Basel: BIS,
2022), hfdst. III, https://www.bis.org/publ/arpdf/ar2022e3.htm; Financial
Stability Board, High-Level
Recommendations for the Regulation, Supervision and Oversight of Crypto-Asset
Activities and Markets (Basel: FSB, 2023).
[18] Bank for
International Settlements e.a., Central
Bank Digital Currencies, 4–6; Europese Centrale Bank, ‘FAQs on the Digital
Euro’.
[19] Bank for
International Settlements e.a., Central
Bank Digital Currencies, 7–18; Rey, ‘Dilemma not Trilemma’.

Reacties
Een reactie posten