Van wie is ons geld en aan welke samenleving moet het dienstbaar zijn?

 

Geld, banken en financiële stabiliteit

Deze paragraaf beperkt zich niet tot de normatieve vraag waartoe geld moet dienen. Zij onderscheidt de balansmechanica van geldschepping, de transmissie naar inflatie en werkgelegenheid, de internationale hiërarchie van liquiditeit en de institutionele keuze tussen rente-, begrotings-, prudentiële en hervormingsinstrumenten

1 Geld als publieke en private institutie

Geld wordt in het dagelijks leven gebruikt alsof het een neutraal ruilmiddel is. Economisch en institutioneel is het veel meer. Geld is tegelijkertijd rekeneenheid, betaalmiddel, opslag van waarde en middel om schulden definitief af te wikkelen. Wie geld kan creëren, wie toegang heeft tot krediet en welke betalingsbeloften in een crisis door de overheid worden gegarandeerd, beïnvloedt de verdeling van investeringen, risico’s en economische macht.

In moderne economieën ontstaat het grootste deel van het geld niet doordat de centrale bank bankbiljetten drukt, maar doordat commerciële banken kredieten verstrekken. Wanneer een bank een lening van (L) verstrekt, ontstaat op haar balans gelijktijdig een actief en een verplichting:

waarbij (D) het nieuwe bankdeposito van de kredietnemer is. De bank hoeft dit deposito niet eerst bij een andere spaarder te hebben opgehaald. Zij creëert met de kredietverlening een nieuwe betalingsbelofte. De ruimte daarvoor is echter niet onbeperkt. Banken worden begrensd door kapitaal- en liquiditeitseisen, kredietrisico, winstverwachtingen, de vraag naar leningen, beschikbaar onderpand, toezicht en de noodzaak om betalingen aan andere banken in centralebankgeld af te wikkelen.

Daarmee ontstaat een gemengd geldstelsel. Munten, bankbiljetten en reserves zijn verplichtingen van de centrale bank. Bankdeposito’s zijn verplichtingen van commerciële banken die tegen publiek geld inwisselbaar behoren te zijn. Geldmarktfondsen, repotransacties, stablecoins en andere liquide financiële aanspraken bevinden zich verder naar beneden in de hiërarchie. In normale omstandigheden worden deze vormen bijna als geld behandeld; in een crisis blijkt plotseling dat niet iedere betalingsbelofte even zeker is.

De centrale these van deze paragraaf luidt:

Geld is geen neutrale sluier over de reële economie, maar een institutioneel stelsel van publiek gegarandeerde en privaat gecreëerde betalingsbeloften. Een rechtvaardige monetaire orde waarborgt prijs- en financiële stabiliteit, maar beoordeelt tevens welke kredietverlening wordt gestimuleerd, wie toegang heeft tot liquiditeit, hoe crisisverliezen worden verdeeld en onder welke democratische voorwaarden publieke geldmacht wordt ingezet.

Dit betekent niet dat de centrale bank iedere kredietbeslissing moet nemen of geld rechtstreeks over alle maatschappelijke doelen moet verdelen. Een volledig gepolitiseerd kredietstelsel kan leiden tot cliëntelisme, inflatie en verkeerde investeringen. Het betekent wel dat geldcreatie en financiële stabiliteit niet buiten de democratische en rechtsstatelijke ordening kunnen worden geplaatst.

2 Monetaire theorieën: verschillende antwoorden op de vraag wat geld is

Monetaire theorieën verschillen niet alleen over technische details. Zij verschillen over de aard van geld, de oorzaken van inflatie, de effectiviteit van monetair beleid en de verhouding tussen staat, banken en markten.

Benadering

Kernopvatting

Beleidsmatige betekenis

Belangrijkste beperking

Metallistische en klassieke theorie

Geld ontleent zijn waarde uiteindelijk aan schaarste of dekking door een goed

Benadrukt begrenzing van geldcreatie en vertrouwen

Verklaart moderne ongedekte staatsvaluta en bankgeld onvoldoende

Kwantiteitstheorie en monetarisme

Prijsniveau hangt op langere termijn samen met de hoeveelheid geld ten opzichte van productie

Waarschuwt voor aanhoudende monetaire overexpansie

Geldhoeveelheid, omloopsnelheid en krediet zijn niet stabiel of volledig door de centrale bank controleerbaar

Keynesiaanse theorie

Rente, verwachtingen en effectieve vraag bepalen productie en werkgelegenheid

Rechtvaardigt stabilisatie bij vraaguitval en coördinatie van monetair en begrotingsbeleid

Kan financiële balansen en kredietdynamiek onderschatten

Nieuw-Keynesiaanse theorie

Centrale banken sturen vraag en inflatie via de beleidsrente, verwachtingen en financiële condities

Vormt de basis voor modern inflatiedoelbeleid

Veronderstelt vaak een te gestileerde financiële sector

Chartalisme

Geld ontleent zijn maatschappelijke geldigheid mede aan de staat, die belastingen in die rekeneenheid heft

Benadrukt de publieke en juridische grondslag van geld

Kan de autonome dynamiek van privaat krediet onvoldoende verklaren

Endogene geld- en krediettheorie

Banken creëren deposito’s door kredietverlening; reserves volgen mede uit het betalingsverkeer

Vestigt aandacht op kredietkwaliteit, bankenregulering en financiële cycli

Biedt niet zelfstandig een norm voor de gewenste kredietverdeling

Modern Monetary Theory

Een monetair soevereine staat wordt niet financieel begrensd als een huishouden, maar door inflatie en reële hulpbronnen

Vergroot de denkruimte voor begrotingsbeleid, werkgelegenheid en publieke investeringen

Minder rechtstreeks toepasbaar op muntunies en landen met hoge schulden in vreemde valuta

Soeverein-geldtheorie

Transactiegeld behoort rechtstreeks door een publieke monetaire autoriteit te worden uitgegeven

Wil geldcreatie scheiden van commerciële kredietverlening

Kredietrisico’s kunnen naar nieuwe financiële constructies verschuiven

Money View

Geld vormt een hiërarchie van betalingsbeloften; liquiditeit en afwikkeling staan centraal

Verklaart crisisdynamiek, repomarkten, dealers en centrale-bankinterventies

Is sterker als diagnose dan als normatieve verdelingstheorie

Ecologische en postgroeitheorie

Geld- en schuldstructuren moeten functioneren zonder permanente materiële expansie

Richt krediet op transitie en vermindert structurele groeiafhankelijkheid

Moet preciezer uitwerken hoe inflatie, schuld en financiële stabiliteit tijdens krimp worden beheerst

 

Geen van deze benaderingen kan afzonderlijk de volledige monetaire werkelijkheid verklaren. De kwantiteitstheorie herinnert eraan dat nominale bestedingen niet onbeperkt sneller kunnen groeien dan reële productie. De Keynesiaanse theorie verklaart waarom een economie bij onvoldoende vraag langdurig onder haar capaciteit kan blijven. Endogene geldtheorie laat zien dat commerciële banken de geldhoeveelheid mede bepalen. MMT maakt duidelijk dat een muntuitgevende staat andere financiële mogelijkheden heeft dan een huishouden. Mehrlings Money View toont waarom liquiditeit, onderpand en betalingshiërarchie in crises centraal staan. Ecologische economie voegt daaraan toe dat reële capaciteit niet alleen door arbeid en machines, maar ook door energie, materialen en planetaire grenzen wordt bepaald.

Een institutioneel bruikbare monetaire theorie moet deze inzichten combineren zonder hun onderlinge spanningen weg te redeneren.

3 Van kredietverlening naar inflatie, werkgelegenheid en internationale kapitaalstromen

Dat commerciële banken deposito’s creëren wanneer zij krediet verlenen, zegt nog niet welk macro-economisch effect volgt. Beslissend is wie leent, waarvoor het krediet wordt gebruikt, welke reële capaciteit beschikbaar is en hoe balansen onderling zijn verbonden[1]. Krediet voor nieuwe productie, woningisolatie of infrastructuur kan capaciteit en toekomstige besparingen vergroten. Krediet voor de aankoop van bestaande woningen, grond of effecten verhoogt in eerste instantie vooral de vraag naar reeds bestaande activa. Dezelfde geldschepping kan daardoor leiden tot productieve investering, vermogensprijsinflatie of een combinatie van beide[2].

De centrale bank stuurt deze kredietdynamiek indirect. Een hogere beleidsrente verhoogt doorgaans financieringskosten, verlaagt de contante waarde van activa en remt rentegevoelige bestedingen. De transmissie is echter ongelijk. Huishoudens met variabele schulden, jonge bedrijven en woningbouw reageren sterker dan ondernemingen met veel kasmiddelen of marktmacht. Banken kunnen kredietvoorwaarden aanscherpen bovenop de renteverhoging. Een rentestap werkt bovendien met vertraging en kan aanbodcapaciteit beschadigen wanneer noodzakelijke investeringen uitvallen. Monetair beleid heeft dus niet alleen een gemiddeld effect op de vraag, maar ook sectorale en verdelingseffecten[3].

Inflatie vereist daarom een diagnose vóór een instrument wordt gekozen. Vraaginflatie ontstaat wanneer nominale bestedingen langdurig sneller groeien dan de beschikbare productiecapaciteit. Aanbodinflatie kan voortkomen uit energie- en grondstoffenschokken, misoogsten, verstoring van ketens of beperkte netcapaciteit. Geïmporteerde inflatie hangt samen met wereldmarktprijzen en wisselkoersen. Loon- en margeverhogingen kunnen een tijdelijke schok bestendigen, maar hun relatieve betekenis moet empirisch worden vastgesteld. Verwachtingen beïnvloeden loon-, prijs- en contractvorming, zonder dat iedere prijsstijging primair een verwachtingsprobleem is. Een algemene renteverhoging kan passende vraaginflatie afremmen, maar produceert geen gas, chips, woningen of elektriciteitsnetten. Bij aanbodknelpunten zijn gerichte investeringen, tijdelijke inkomensbescherming, concurrentietoezicht en besparingsmaatregelen noodzakelijk naast een geloofwaardige nominale verankering[4].

Ook werkloosheid heeft verschillende oorzaken. Bij een vraagtekort kunnen productieve middelen ongebruikt blijven doordat huishoudens en ondernemingen tegelijk hun uitgaven verminderen. Tijdens een ecologische transitie kan sectorale werkloosheid ontstaan wanneer vervuilende activiteiten sneller krimpen dan schone alternatieven, scholing en regionale investeringen groeien. Mismatch kan voortkomen uit vaardigheden, locatie, zorgverantwoordelijkheden of discriminatie. Het aggregaat ‘werkloosheid’ verhult daardoor welke institutie moet handelen. Rentebeleid kan oververhitting temperen, maar gerichte arbeidsbemiddeling, publieke investeringen, inkomensgarantie, werktijdverkorting en regionale transitiecapaciteit bepalen of een noodzakelijke herstructurering in massawerkloosheid uitmondt[5].

In open economieën loopt de transmissie tevens via internationale kapitaalstromen. Renteverschillen, risicopercepties en wisselkoersverwachtingen kunnen grote in- en uitstromen veroorzaken. Kapitaalinstroom kan productieve investering financieren, maar ook krediet- en vastgoedbubbels voeden. Een plotselinge omkering — een sudden stop — dwingt banken, ondernemingen of staten tot abrupte balansverkorting[6]. Het risico is groter wanneer schulden in vreemde valuta luiden, reserves beperkt zijn of korte externe financiering langlopende binnenlandse activa dekt. De hiërarchie van internationaal geld betekent bovendien dat toegang tot dollarswaplijnen of andere noodliquiditeit niet gelijk over landen is verdeeld[7].

De eurozone kent een eigen variant. Eén beleidsrente moet doorwerken in economieën met verschillende schuldposities, bankstelsels en conjuncturen. Wanneer risicopremies uiteenlopen door zelfversterkende twijfel over de muntunie, kan de transmissie fragmenteren. Instrumenten zoals het Transmission Protection Instrument zijn bedoeld om een gemeenschappelijke monetaire koers ordelijk te laten doorwerken[8]; zij mogen niet worden verward met een algemene garantie voor ieder nationaal begrotingspad. De democratische opgave is voorwaarden zo te ontwerpen dat onordelijke financiële dynamiek wordt begrensd zonder monetair beleid tot verborgen verdelingspolitiek zonder verantwoording te maken.

Een menswordings-economie combineert daarom instrumenten. De beleidsrente bewaakt de nominale verankering, maar wordt aangevuld met contracyclische kapitaalbuffers, loan-to-value- en debt-service-to-incomegrenzen, sectorale risicowegingen, toezicht op niet-bancaire hefboomwerking en, waar nodig, maatregelen voor het beheer van destabiliserende kapitaalstromen[9]. Automatische begrotingsstabilisatoren beschermen inkomen en vraag. Publieke ontwikkelingsbanken, gerichte garanties en transitiefondsen ondersteunen investeringen met hoge maatschappelijke baten die private financiers wegens lange looptijd of onzeker rendement onderfinancieren[10]. Internationaal zijn swap- en repoarrangementen, tijdelijke schuldmoratoria en ordelijke herstructurering nodig om liquiditeitsproblemen niet tot sociale en ecologische bezuinigingscrises te laten escaleren[11].

De institutionele kern is diagnosegebonden proportionaliteit. Niet iedere inflatie vraagt dezelfde rente, niet iedere kredietgroei is productief, niet iedere kapitaalinstroom is stabiel en niet iedere werkloosheid kan met algemene vraagstimulering worden opgelost. Monetaire, begrotings-, prudentiële, arbeidsmarkt- en industriepolitiek moeten daarom gezamenlijk worden beoordeeld op prijsstabiliteit, werkgelegenheid, financiële veerkracht, verdeling en ecologische capaciteit[12].

 

Schok

Diagnose

Eerste instrumenten

Verdelingswaarborg

Breed vraagoverschot

Bestedingen lopen voor op capaciteit; brede prijs- en loonontwikkeling

Beleidsrente en begrotingsnormalisatie

Bescherm lage inkomens; voorkom disproportioneel baanverlies

Energie- of aanbodschok

Importprijs, fysieke schaarste, marges en doorwerking

Besparing, diversificatie, tijdelijke steun, mededinging; rente alleen tegen tweede-ronde-effecten

Gerichte compensatie, geen algemene prijsbevriezing zonder rantsoenering

Vastgoed-/activabubbel

Kredietgroei, LTV/DTI, hefboom, prijs-inkomensratio

Borrower-based en kapitaalmaatregelen; grond- en woningaanbod

Voorkom dat starters alle correctielasten dragen

Vraagrecessie

Onderbenutting, werkloosheid, kredietkrimp

Renteverlaging/QE indien ruimte; automatische stabilisatoren en publieke investering

Steun inkomen, behoud productieve capaciteit

Sudden stop/valutaschok

Korte externe schuld, vreemde valuta, reserves

Liquiditeit, kapitaalstroombeheer, schuldherstructurering

Bescherm essentiële import en sociale bodem

Eurofragmentatie

Uiteenlopende risicopremies zonder fundamentele rechtvaardiging

TPI/OMT-achtige bescherming onder transparante voorwaarden

Parlementaire en juridische verantwoording van voorwaarden

 

4 Perry Mehrling: de hiërarchie van geld

Perry Mehrling benadert het financiële stelsel vanuit betalingsbeloften. Een bankdeposito is een belofte van een commerciële bank om op verzoek in centralebankgeld te betalen. Een repolening is een kortlopende belofte met effecten als onderpand. Een obligatie is een belofte om op een later moment geld te betalen. Een stablecoin is een private belofte dat een digitaal token tegen een officiële valuta kan worden ingewisseld.

Deze beloften staan niet op hetzelfde niveau. Bovenaan de nationale hiërarchie staat centralebankgeld, omdat dit het middel vormt waarin banken onderlinge betalingen definitief afwikkelen. In het internationale financiële stelsel staat de Amerikaanse dollar bovenaan veel grensoverschrijdende betalings- en financieringsketens. Daardoor kunnen ook banken en ondernemingen buiten de Verenigde Staten afhankelijk zijn van toegang tot dollars.

In normale tijden blijft deze hiërarchie grotendeels onzichtbaar. Marktpartijen gaan ervan uit dat deposito’s, geldmarktfondsen, repo’s en andere korte aanspraken tegen nominale waarde kunnen worden omgezet. In een crisis willen veel partijen gelijktijdig omhoog in de hiërarchie: van risicovolle effecten naar deposito’s, van deposito’s naar reserves en van andere valuta naar dollars. Wat eerst liquide leek, wordt dan onverkoopbaar of alleen met grote verliezen verkoopbaar.

Mehrling onderscheidt daarom naast de traditionele lender of last resort ook de dealer of last resort. De centrale bank ondersteunt dan niet uitsluitend afzonderlijke banken, maar herstelt de verhandelbaarheid van cruciale markten door zelf activa te kopen, financiering beschikbaar te stellen of zekerheid te bieden aan marktdealers. Mehrlings colleges over de lender en dealer of last resort maken duidelijk waarom moderne crises niet kunnen worden begrepen door alleen naar bankdeposito’s te kijken.

Dit perspectief heeft een belangrijke democratische consequentie. Wie in een crisis toegang krijgt tot de bovenkant van de geldhiërarchie, ontvangt een publiek voordeel. Een liquiditeitsfaciliteit kan technisch worden gepresenteerd als tijdelijke marktinterventie, maar bepaalt feitelijk welke markten en instellingen worden beschermd. Toegang tot noodliquiditeit behoort daarom vooraf aan voorwaarden te worden verbonden: toezicht, transparantie, voldoende onderpand, beperking van dividend en beloningen en een geloofwaardig afwikkelingsregime wanneer de instelling insolvent blijkt.

5 De ECB en de Federal Reserve

De Europese Centrale Bank en de Amerikaanse Federal Reserve vervullen vergelijkbare functies, maar opereren binnen verschillende constitutionele en economische structuren.

Kenmerk

Europese Centrale Bank

Federal Reserve

Monetaire ruimte

Negentien plus lidstaten binnen één muntunie en meerdere nationale begrotingen

Eén federale staat met één munt, één federale begroting en een grote geïntegreerde kapitaalmarkt

Hoofddoel

Primaire opdracht tot prijsstabiliteit; ondersteuning van algemene EU-doelen voor zover dit prijsstabiliteit niet schaadt

Congresmandaat van maximale werkgelegenheid en stabiele prijzen

Inflatiedoel

Symmetrisch 2% op middellange termijn

2% inflatie op langere termijn

Belangrijk institutioneel risico

Fragmentatie tussen nationale financiële markten en uiteenlopende financieringskosten van lidstaten

Spanning tussen inflatie, werkgelegenheid en financiële stabiliteit binnen één federale economie

Begrotingspartner

Meerdere nationale regeringen en een relatief beperkte EU-begroting

Eén federale Treasury

Internationale rol

Euro is een belangrijke internationale valuta

Dollar vormt het dominante mondiale financierings- en reservestelsel

Crisisinstrumenten

Rente, herfinanciering, activa-aankopen, liquiditeitssteun en instrumenten tegen onordelijke fragmentatie

Rente, discount window, activa-aankopen, noodfaciliteiten en internationale dollarswaplijnen

De ECB bevestigde in haar strategiebeoordeling van 2025 het symmetrische inflatiedoel van 2% op middellange termijn. De strategie besteedt tevens aandacht aan financiële stabiliteit, monetaire en kredietontwikkelingen en structurele veranderingen die het inflatieproces beïnvloeden. De ECB-strategie van 2025 noemt onder meer geopolitieke fragmentatie, kunstmatige intelligentie, demografie en ecologische risico’s.

De Federal Reserve heeft een wettelijk dubbelmandaat. De in 2025 herziene strategie bevestigt de doelstellingen van maximale werkgelegenheid en stabiele prijzen en handhaaft 2% als inflatiedoel op langere termijn. De herziene Fed-strategie benadrukt dat goed verankerde inflatieverwachtingen noodzakelijk zijn om beide doelstellingen te kunnen nastreven.

Het verschil is belangrijk. De ECB voert één monetair beleid voor economieën met verschillende productiestructuren, schuldniveaus en conjuncturele posities. Een renteniveau dat voor de ene lidstaat passend is, kan voor een andere lidstaat te ruim of te restrictief zijn. Bovendien kan twijfel over de houdbaarheid van één staatsschuld de financieringskosten verhogen, waarna banken die veel van die staatsobligaties bezitten eveneens onder druk komen. Deze wederzijdse afhankelijkheid tussen banken en nationale staten maakt de eurozone kwetsbaar.

De Fed opereert binnen een vollediger fiscale unie en beschikt over een federale begrotingspartner. Tegelijkertijd draagt zij door de mondiale positie van de dollar verantwoordelijkheden die ver buiten de Verenigde Staten doorwerken. Wanneer wereldwijd een tekort aan dollarliquiditeit ontstaat, bepalen dollarswaplijnen en noodfaciliteiten welke centrale banken en financiële markten toegang krijgen tot de mondiale veiligheidsvoorziening.

6 Centrale-bankonafhankelijkheid en democratische legitimiteit

Centrale-bankonafhankelijkheid is bedoeld om te voorkomen dat regeringen vlak voor verkiezingen de economie kunstmatig stimuleren, begrotingstekorten onbeperkt monetair financieren of inflatiebestrijding uitstellen. Operationele onafhankelijkheid kan daardoor geloofwaardigheid en continuïteit bevorderen.

Onafhankelijkheid betekent echter niet dat monetair beleid apolitiek is. Rentebesluiten beïnvloeden werkloosheid, lonen, woningprijzen, overheidsschuld, wisselkoersen en vermogenswaarden. Aankoopprogramma’s bepalen welke activa liquide en schaars worden. Onderpandregels beïnvloeden welke ondernemingen goedkoop via banken kunnen worden gefinancierd. Noodsteun bepaalt welke instellingen een crisis overleven.

De democratische oplossing is niet dat ministers dagelijks de beleidsrente vaststellen. Dat zou de tijdshorizon van het beleid verkorten en monetaire besluitvorming vatbaar maken voor directe politieke druk. Nodig is een onderscheid tussen doelonafhankelijkheid en instrumentonafhankelijkheid:

  • de wetgever bepaalt het mandaat, de hiërarchie tussen doelen en de rechtsstatelijke grenzen;
  • de centrale bank kiest binnen dat mandaat zelfstandig de instrumenten;
  • uitzonderlijke crisisbevoegdheden zijn vooraf wettelijk omschreven;
  • besluiten worden gemotiveerd en achteraf publiek en parlementair verantwoord;
  • verdelings-, klimaat- en financiële-stabiliteitseffecten worden zichtbaar gemaakt;
  • benoemingsprocedures waarborgen deskundigheid én pluraliteit;
  • noodprogramma’s bevatten horizonbepalingen en evaluatiemomenten.

Een democratische monetaire politiek is daarmee geen gepolitiseerde rentevorming, maar een stelsel van gedelegeerde bevoegdheden, transparante doelen en corrigeerbare instrumenten.

7 Krugman: liquiditeitsval en de grenzen van de beleidsrente

Paul Krugmans analyse van de Japanse liquiditeitsval maakte opnieuw duidelijk dat renteverlagingen hun werking kunnen verliezen wanneer de nominale rente haar effectieve ondergrens bereikt. Wanneer burgers en financiële instellingen verwachten dat de economie zwak blijft en de prijzen nauwelijks stijgen of dalen, kunnen zij extra geld aanhouden zonder hun bestedingen voldoende te verhogen. Kortlopende staatsobligaties en centralebankgeld worden dan bijna volkomen substituten.

In zo’n situatie is het niet voldoende dat de centrale bank tijdelijk meer reserves creëert. Marktpartijen moeten geloven dat toekomstige nominale bestedingen en prijzen daadwerkelijk hoger zullen zijn. Krugman benadrukte daarom verwachtingen, toekomstige monetaire verruiming en de mogelijke rol van begrotingsbeleid. Zijn analyse van de Japanse liquiditeitsval vormde een belangrijke theoretische basis voor latere discussies over onconventioneel monetair beleid.

De liquiditeitsval laat zien dat monetair en begrotingsbeleid niet altijd onafhankelijk van elkaar kunnen worden beoordeeld. Wanneer huishoudens en bedrijven niet willen lenen en banken terughoudend zijn, kan extra centralebankliquiditeit in het financiële stelsel blijven circuleren zonder voldoende reële bestedingen uit te lokken. Publieke investeringen of inkomensondersteuning kunnen dan directer vraag creëren.

De omgekeerde situatie is eveneens mogelijk. Bij aanbodschokken, energieschaarste of verstoring van productieketens kan inflatie oplopen terwijl productie achterblijft. Een centrale bank kan de vraag afremmen, maar geen gas, woningen, halfgeleiders of zorgpersoneel produceren. Een algemene renteverhoging kan de inflatie verminderen door bestedingen en werkgelegenheid te drukken, maar kan tegelijk investeringen in de oplossing van de schaarste ontmoedigen.

Daarom moet bij iedere inflatiegolf worden onderscheiden tussen:

  • vraaginflatie door bestedingen boven de beschikbare capaciteit;
  • kosteninflatie door energie, lonen, importprijzen of grondstoffen;
  • marge-inflatie door ondernemingen met marktmacht;
  • activaprijsinflatie op aandelen-, obligatie-, grond- en woningmarkten;
  • tijdelijke prijsstijgingen door aanpassing aan ecologische normen.

Eén beleidsrente kan deze oorzaken niet afzonderlijk behandelen. Monetair beleid moet worden aangevuld met begrotingsbeleid, mededinging, loonvorming, energiebeleid, woningbouw en gerichte regulering.

8 Financiële crises: liquiditeit, solvabiliteit en politieke keuzes

Een fundamenteel onderscheid bestaat tussen liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen.

Een instelling is illiquide wanneer zij op korte termijn onvoldoende betaalmiddelen heeft, terwijl de waarde van haar activa in beginsel groter is dan haar verplichtingen. Zij is insolvent wanneer de economische waarde van haar activa duurzaam lager is dan haar verplichtingen:


Bij een zuiver liquiditeitsprobleem kan tijdelijke centralebankfinanciering een paniekreactie stoppen. Bij insolventie schuift extra krediet het verlies slechts vooruit en kan het publieke risico vergroten. Dan zijn afschrijving, bail-in, herstructurering, nieuw eigen vermogen of ordelijke afwikkeling nodig.

In de praktijk is het onderscheid tijdens een crisis moeilijk vast te stellen. Marktprijzen kunnen tijdelijk instorten, terwijl de toekomstige opbrengst van activa onzeker is. Bovendien kan een liquiditeitscrisis insolventie veroorzaken: gedwongen verkoop tegen lage prijzen verlaagt de vermogenspositie, roept nieuwe margin calls op en leidt tot verdere verkopen.

Adam Tooze beschrijft in Crashed hoe de crisis van 2008 niet kan worden begrepen als een verzameling nationale bankproblemen. Europese banken hadden grote dollarbalansen, Amerikaanse hypotheekrisico’s waren wereldwijd verspreid en centrale banken moesten grensoverschrijdende betalingsketens ondersteunen. De crisisrespons was daardoor niet alleen economisch, maar ook geopolitiek. De Federal Reserve functioneerde via haar swaplijnen als mondiale leverancier van dollarliquiditeit, terwijl niet iedere centrale bank dezelfde toegang tot deze veiligheidsvoorziening kreeg.

Tooze maakt tevens zichtbaar dat crisisbeleid altijd verdelingskeuzes bevat. Banken en markten kunnen binnen enkele dagen worden gestabiliseerd, terwijl huishoudens jarenlang te maken houden met werkloosheid, woningverlies, bezuinigingen en problematische schulden. Het redden van het betalingsstelsel kan noodzakelijk zijn, maar rechtvaardigt niet dat aandeelhouders, bestuurders en risicovolle schuldeisers volledig worden beschermd.

Een rechtvaardige crisisarchitectuur volgt daarom een verliesvolgorde:

  1. bestaande aandeelhouders dragen als eerste verlies;
  2. achtergestelde en daarvoor aangewezen schuldeisers worden aangesproken;
  3. bestuurders worden vervangen wanneer hun beleid wezenlijk aan de crisis heeft bijgedragen;
  4. tijdelijke publieke herkapitalisatie geeft de gemeenschap zeggenschaps- en winstrechten;
  5. depositohouders en essentiële betalingsfuncties worden beschermd;
  6. publieke steun wordt terugverdiend wanneer de instelling herstelt;
  7. huishoudens en kleine ondernemingen krijgen tijdige toegang tot herstructurering.

Het doel is continuïteit van essentiële financiële functies, niet continuïteit van iedere bestaande financiële onderneming.

9 Quantitative easing: werking en verdeling

Quantitative easing is de grootschalige aankoop van obligaties en andere activa door de centrale bank. De centrale bank betaalt door nieuwe reserves te creëren. Wanneer zij een obligatie van een niet-bank koopt, verloopt de transactie via diens commerciële bank:

Balanspost

Verandering

Centrale bank

Activa: obligatie omhoog; passiva: bankreserves omhoog

Commerciële bank

Activa: reserves omhoog; passiva: deposito verkoper omhoog

Verkoper

Obligaties omlaag; bankdeposito omhoog

De verkoper ontvangt dus geen nieuw nettovermogen ter grootte van de aankoop; hij wisselt in eerste instantie een obligatie om voor een liquide deposito. QE beïnvloedt de economie via andere kanalen:

  • schaarste van aangekochte obligaties drukt de lange rente;
  • beleggers verschuiven naar andere activa;
  • hogere activaprijzen verbeteren balansen en onderpand;
  • lagere financieringskosten stimuleren krediet en investeringen;
  • het programma geeft informatie over de toekomstige beleidskoers;
  • in crisissituaties kan de centrale bank vastgelopen markten herstellen.

QE is daarmee niet hetzelfde als een begrotingsoverdracht aan huishoudens of ondernemingen. Bij een begrotingsuitgave ontvangt de private sector rechtstreeks inkomen of een publiek goed. Bij QE verandert vooral de samenstelling en looptijd van financiële activa.

De werking heeft verdelingseffecten. Stijgende aandelen- en obligatieprijzen bevoordelen in eerste instantie bezitters van financiële activa. Lagere hypotheekrente kan woningprijzen verhogen en daarmee bestaande eigenaren bevoordelen boven starters en huurders. Tegelijkertijd kan monetair herstel werkgelegenheid en lonen ondersteunen, waarvan juist huishoudens met weinig vermogen profiteren. Het uiteindelijke verdelingseffect is daarom empirisch en contextafhankelijk.

De ECB erkent dat activa-aankopen vermogensprijzen kunnen verhogen en daarmee zowel financiële-stabiliteitsrisico’s als vermogensongelijkheid kunnen vergroten. De ECB-evaluatie van kosten en baten van activa-aankopen benadrukt dat deze neveneffecten naast de effecten op groei, werkgelegenheid en inflatie moeten worden beoordeeld.

Een verantwoord QE-kader vereist daarom:

  • een duidelijk onderscheid tussen marktstabilisatie en conjuncturele stimulering;
  • vooraf bepaalde geschiktheids- en risicocriteria;
  • rapportage over gevolgen voor woning-, aandelen- en obligatieprijzen;
  • analyse van verdelingseffecten naar inkomen, vermogen, leeftijd en regio;
  • coördinatie met macroprudentieel woning- en kredietbeleid;
  • een transparante strategie voor afbouw of kwantitatieve verkrapping;
  • parlementaire verantwoording zonder politieke sturing van individuele aankopen.

Gerichte monetaire financiering van publieke uitgaven is institutioneel iets anders dan QE en moet als zodanig democratisch en juridisch worden beoordeeld. Het mag niet via technische balansoperaties worden ingevoerd zonder expliciet besluit over omvang, doelen en inflatierisico’s.

10 Bubbels en de krediet-collateraalcyclus

Financiële bubbels ontstaan niet uitsluitend doordat beleggers irrationeel optimistisch worden. Krediet en onderpand kunnen zichzelf versterkende processen veroorzaken.

Wanneer de prijs (P) van woningen of effecten stijgt, neemt de waarde van het onderpand toe. Banken en andere financiers zijn daardoor bereid meer krediet (C) te verstrekken. Dat extra krediet vergroot de vraag en verhoogt opnieuw de prijs.

Wanneer verwachtingen omslaan, werkt hetzelfde mechanisme omgekeerd. Dalende prijzen verminderen onderpandwaarden, leiden tot margin calls en kredietbeperking en veroorzaken gedwongen verkopen. Hierdoor kan een beperkte prijscorrectie veranderen in een balansrecessie.

De beleidsrente is een te grof instrument om iedere bubbel te bestrijden. Een sterke renteverhoging die de woningmarkt afremt, kan tegelijkertijd investeringen, werkgelegenheid en de energietransitie raken. Gerichte macroprudentiële instrumenten zijn daarom noodzakelijk:

  • grenzen aan de verhouding tussen lening en onderpandwaarde;
  • grenzen aan schuld ten opzichte van inkomen;
  • contracyclische kapitaalbuffers;
  • hogere risicogewichten voor snel groeiende kredietcategorieën;
  • beperkingen op aflossingsvrije en zeer langlopende leningen;
  • stresstests met prijs-, rente- en klimaatschokken;
  • sectorale krediet- en concentratielimieten;
  • registratie van leverage en derivatenposities;
  • regulering van variabele beloning die kortetermijnrisico stimuleert.

Ook het woning- en grondbeleid is relevant. Wanneer het aanbod structureel tekortschiet en fiscaal beleid schuldgefinancierd woningbezit stimuleert, kan monetair beleid de onderliggende schaarste niet oplossen. Financiële stabiliteit vraagt dan tevens om woningbouw, grondbeleid, huurregulering en een andere fiscale behandeling van grond- en locatierente.

11 Schaduwbankieren en niet-banciële financiële intermediairs

De term schaduwbankieren verwijst naar krediet- en liquiditeitsfuncties buiten traditionele depositobanken. Hieronder vallen onder meer geldmarktfondsen, hedgefondsen, securitisatievehikels, financieringsmaatschappijen, private-creditfondsen en bepaalde activiteiten van verzekeraars en pensioenfondsen.

Deze instellingen vervullen nuttige functies. Zij diversifiëren financiering, bieden langetermijnkapitaal en kunnen risico’s buiten het bankwezen spreiden. Het probleem ontstaat wanneer zij bankachtige risico’s nemen zonder vergelijkbare kapitaal-, liquiditeits- en resolutie-eisen.

Vier kwetsbaarheden staan centraal:

  1. looptijdtransformatie: kortlopende financiering wordt gebruikt voor langlopende activa;
  2. liquiditeitstransformatie: beleggers kunnen snel uitstappen terwijl onderliggende activa moeilijk verkoopbaar zijn;
  3. leverage: kleine prijsbewegingen veroorzaken grote vermogensverliezen en margin calls;
  4. interconnectedness: banken financieren niet-banken, leveren derivaten en kredietlijnen en raken daardoor alsnog aan hun verliezen blootgesteld.

Het Financial Stability Board monitort deze sector inmiddels structureel. De sector vertegenwoordigt ongeveer de helft van de mondiale financiële activa, al omvat dit brede cijfer ook relatief stabiele verzekerings- en pensioenactiviteiten. Het FSB-monitoringprogramma richt zich daarom specifiek op activiteiten met bankachtige liquiditeits- en kredietrisico’s. In 2025 publiceerde het FSB aanvullende aanbevelingen voor de monitoring en begrenzing van leverage bij niet-banken. Die aanbevelingen benadrukken gegevensuitwisseling, tegenpartijrisico, consistente regulering en internationale samenwerking.

Een effectief regime combineert entiteits- en activiteitstoezicht:

  • minimumliquiditeit voor fondsen met dagelijkse uitstapmogelijkheid;
  • swing pricing of andere mechanismen waardoor vertrekkende beleggers hun liquiditeitskosten dragen;
  • grenzen aan leverage en concentratie;
  • uniforme rapportage van repo-, derivaten- en onderpandposities;
  • centrale clearing waar dit systeemrisico vermindert;
  • minimumvereisten voor marginpraktijken;
  • herstel- en afwikkelingsplannen voor systeemrelevante niet-banken;
  • regulering van bankkredietlijnen aan fondsen;
  • internationale consistentie om verplaatsing te voorkomen.

Wanneer niet-banken in een crisis toegang krijgen tot centralebankliquiditeit, moeten daar structurele verplichtingen tegenover staan. Publieke liquiditeitsverzekering zonder voorafgaand toezicht creëert een prikkel om risico’s buiten het gereguleerde bankwezen te plaatsen.

12 Modern Monetary Theory en Stephanie Kelton

Modern Monetary Theory vertrekt vanuit het onderscheid tussen een staat die zijn eigen munt uitgeeft en een gebruiker van die munt. Een monetair soevereine staat met een vrij zwevende wisselkoers en schulden in de eigen valuta kan technisch altijd betalingen in die valuta verrichten. Hij kan daarom niet op dezelfde manier zonder geld komen te zitten als een huishouden, onderneming of decentrale overheid.

Stephanie Kelton gebruikt dit inzicht om de gebruikelijke voorstelling van de overheidsbegroting te bekritiseren. De primaire beperking voor publieke uitgaven is volgens MMT niet de voorafgaande beschikbaarheid van belastingopbrengsten, maar de beschikbaarheid van arbeid, productiecapaciteit, energie, grondstoffen en technologie. Wanneer extra publieke vraag de reële capaciteit overschrijdt, ontstaat inflatie.

MMT wijst daarnaast op de sectorale balansidentiteit:

waarbij:

  • (G-T) het overheidstekort is;
  • (S-I) het financiële overschot van de binnenlandse private sector;
  • (M-X) het tekort op de lopende rekening.

De identiteit laat zien dat financiële saldi van sectoren elkaar noodzakelijk spiegelen. Een overheidstekort creëert, gegeven de externe positie, een financieel overschot elders. Daaruit volgt echter niet dat ieder overheidstekort wenselijk is. De identiteit bepaalt niet de richting van causaliteit, de inflatoire gevolgen, de verdeling van het private overschot of de kwaliteit van de publieke besteding.

De belangrijkste verdiensten van MMT zijn:

  • zij maakt duidelijk dat een muntuitgevende staat niet als huishouden moet worden gemodelleerd;
  • zij verplaatst de aandacht van nominale financiering naar reële capaciteit;
  • zij benadrukt de rol van begrotingsbeleid bij volledige werkgelegenheid;
  • zij maakt zichtbaar dat belastingen ook vraag reguleren en economische macht verdelen;
  • zij doorbreekt de veronderstelling dat publieke investeringen altijd vooraf door hogere belastingen of private besparingen moeten worden “gevonden”.

De theorie kent ook belangrijke grenzen.

Ten eerste geldt monetaire soevereiniteit gradueel. Een land dat afhankelijk is van importen, schulden in buitenlandse valuta heeft of weinig vertrouwen in zijn munt geniet, kan door wisselkoersverlies en geïmporteerde inflatie worden begrensd lang voordat alle binnenlandse arbeid is benut.

Ten tweede is inflatie niet eenvoudig achteraf met belastingen weg te nemen. Belastingwetgeving vergt politieke besluitvorming en uitvoering, terwijl inflatieverwachtingen snel kunnen veranderen. Automatische stabilisatoren, vooraf vastgelegde belastingmechanismen en aanbodbeleid zijn daarom noodzakelijk.

Ten derde zijn lidstaten van de eurozone geen individuele uitgevers van de valuta waarin zij lenen. Zij beschikken niet afzonderlijk over een eigen centrale bank die onbeperkt hun schuld kan garanderen. MMT kan daarom niet zonder institutionele vertaling op Nederland of een andere eurolidstaat worden toegepast. De relevante monetaire soevereiniteit ligt op het niveau van het Eurosysteem, terwijl begrotingsbevoegdheden grotendeels nationaal zijn gebleven.

Ten vierde mag de consolidatie van schatkist en centrale bank als analytisch hulpmiddel niet verhullen dat hun juridische scheiding een functie vervult. Onafhankelijke monetaire beoordeling, begrotingsautorisatie door het parlement en controle op publieke uitgaven zijn rechtsstatelijke waarborgen.

MMT verruimt dus terecht de vraag wat financieel mogelijk is, maar vervangt niet de democratische vraag welke uitgaven wenselijk zijn, welke reële capaciteit beschikbaar is en hoe inflatie en ecologische druk worden begrensd.

13 Joseph Huber en de soeverein-geldtheorie

Joseph Huber bepleit een fundamentelere scheiding tussen geldschepping en commerciële kredietverlening. In een soeverein-geldstelsel zou giraal transactiegeld niet langer een schuld van een commerciële bank zijn, maar rechtstreeks publiek geld. Banken zouden krediet verstrekken uit eigen vermogen, langlopende financiering of middelen die spaarders expliciet voor kredietverlening beschikbaar stellen.

Het beoogde voordeel is dat betalingsgeld ook bij het faillissement van een bank volledig veilig blijft en dat de publieke gemeenschap de seigniorage van geldcreatie ontvangt. Bovendien zou de centrale bank meer rechtstreekse controle krijgen over de hoeveelheid transactiegeld. Hubers vergelijking van MMT en soeverein-geldtheorie maakt duidelijk dat hij de commerciële creatie van giraal geld als een centrale bron van kredietcycli en machtsconcentratie beschouwt.

Het voorstel heeft echter geen eenvoudige relatie met financiële stabiliteit. Ook wanneer banken geen betaaldeposito’s meer creëren, kunnen zij en andere instellingen kortlopende schulden uitgeven die door marktpartijen als geldachtig worden behandeld. Geldmarktfondsen, repo’s, stablecoins en securitisaties kunnen de functie van bankgeld gedeeltelijk overnemen. Krediet en leverage verdwijnen dus niet; zij kunnen naar minder zichtbare delen van het stelsel verschuiven.

Daarnaast roept soeverein geld overgangsvragen op:

  • hoe worden bestaande bankdeposito’s omgezet?
  • wie financiert kredietverlening tijdens de overgang?
  • hoe wordt voorkomen dat de centrale bank indirect de allocatie van krediet gaat bepalen?
  • welke rente- en winstgevolgen ontstaan voor banken?
  • hoe worden grensoverschrijdende geldstromen behandeld?
  • welke nieuwe geldachtige instrumenten moeten worden gereguleerd?

Hubers voorstel is vooral waardevol omdat het duidelijk maakt dat de tweelaagse geldorde een keuze is en geen natuurgegeven. Een volledige vervanging van bankgeld is echter niet noodzakelijk om de publieke geldfunctie te versterken. Veilige publieke betaalrekeningen, een CBDC, strengere kredietregulering en een ruimere publieke betalingsinfrastructuur kunnen minder ingrijpende tussenvarianten bieden.

14 CBDC: digitaal publiek geld

Een central bank digital currency is een digitale verplichting van de centrale bank. Een wholesale-CBDC is bedoeld voor financiële instellingen en afwikkeling van grote transacties. Een retail-CBDC maakt digitaal centralebankgeld toegankelijk voor burgers en ondernemingen, vergelijkbaar met contant geld maar in digitale vorm.

 

Geldvorm

Uitgever

Juridische aanspraak

Waardeanker

Belangrijkste risico

Contant geld

Centrale bank/staat

Directe publieke geldvordering

Nominale waarde

Verlies, diefstal en afnemende bruikbaarheid in digitale handel

Retail-CBDC

Centrale bank

Directe digitale aanspraak op centrale bank

Nominale waarde

Surveillance, cyberrisico en verplaatsing van bankdeposito’s

Bankdeposito

Commerciële bank

Aanspraak op bank, ondersteund door toezicht en depositogarantie

Inwisselbaarheid in centralebankgeld

Bankrun en kredietverlies

Stablecoin

Private uitgever

Contractuele aanspraak op uitgever of reserves

Toegezegde koppeling aan valuta of activa

Reservetekort, juridisch onduidelijke claim en run

Ongeankerde crypto

Protocol en netwerk

Geen vaste aanspraak op officiële uitgever

Marktverwachting

Volatiliteit, verlies van sleutels, manipulatie en liquiditeitsrisico

Een publieke digitale munt kan verschillende doelen dienen:

  • behoud van toegang tot publiek geld in een digitale economie;
  • minder afhankelijkheid van internationale kaartmaatschappijen en technologieplatforms;
  • financiële inclusie;
  • goedkope en weerbare betalingsinfrastructuur;
  • concurrentie en innovatie in het betalingsverkeer;
  • versterking van monetaire soevereiniteit.

Daartegenover staan risico’s. Burgers kunnen in een crisis bankdeposito’s met één handeling omzetten in risicoloos centralebankgeld. Dat kan digitale bankruns versnellen. Banken kunnen een deel van hun stabiele depositofinanciering verliezen en afhankelijker worden van marktfinanciering of de centrale bank. Een centraal betalingssysteem kan bovendien misbruik mogelijk maken voor toezicht op transacties.

De vormgeving is daarom beslissend. Een democratisch aanvaardbare CBDC vereist:

  • een duidelijke wettelijke grondslag;
  • privacybescherming die technisch én juridisch is ingebouwd;
  • een offline betaalmogelijkheid met een hoge mate van anonimiteit;
  • behoud van contant geld;
  • een verbod op commerciële exploitatie van betaalgegevens;
  • beperkte en wettelijk omschreven toegang voor opsporing;
  • holdinglimieten of gedifferentieerde rente om bankruns te beperken;
  • een intermediair model waarin publieke en private betaaldiensten kunnen samenwerken;
  • toegankelijkheid voor mensen zonder smartphone of uitgebreide digitale vaardigheden;
  • geen programmeerbaarheid waarmee de overheid bepaalt waaraan regulier geld mag worden besteed.

De ECB besloot in oktober 2025 de voorbereidingen voor de digitale euro voort te zetten. Het Eurosysteem bouwt technische capaciteit op voor een mogelijke uitgifte, afhankelijk van Europese wetgeving. Een eventuele eerste uitgifte wordt op basis van de huidige planning niet vóór 2029 voorzien. Het afsluitende ECB-rapport over de voorbereidingsfase benadrukt dat een besluit over feitelijke uitgifte nog afzonderlijk moet worden genomen.

De Federal Reserve heeft volgens haar officiële informatie nog geen besluit genomen over een digitale dollar en stelt dat uitgifte een machtigingswet vereist. De positie van de Federal Reserve illustreert terecht dat een CBDC niet louter als technisch centralebankproject kan worden ingevoerd.

15 Crypto en stablecoins

Ongeankerde cryptovaluta vervullen de klassieke functies van geld slechts gedeeltelijk. Hun waarde kan sterk fluctueren, prijzen worden zelden stabiel in crypto uitgedrukt en betalingen vereisen vaak alsnog omzetting in officiële valuta. Zij functioneren daardoor eerder als speculatief actief of technologisch netwerk dan als algemeen geld.

Dat betekent niet dat alle onderliggende technologie zonder betekenis is. Gedistribueerde registers kunnen nuttig zijn voor afwikkeling, eigendomsregistratie en programmeerbare transacties. Decentrale systemen kunnen bovendien een reactie zijn op reële zorgen over financiële uitsluiting, inflatie, surveillance en afhankelijkheid van banken. Deze voordelen moeten echter worden onderscheiden van de waarde van specifieke tokens.

Stablecoins proberen volatiliteit te beperken door een vaste verhouding met een officiële valuta te beloven. Economisch lijken zij daardoor op private geldmarktfondsen of depositobanken. De centrale vraag is of de reserves werkelijk aanwezig, veilig, liquide en juridisch afgescheiden zijn. Wanneer gebruikers twijfelen aan terugbetaling tegen nominale waarde, kan een run ontstaan.

Een consistent regelgevingsbeginsel luidt: dezelfde activiteit en hetzelfde risico vereisen vergelijkbare regulering. Voor stablecoins betekent dit:

  • een afdwingbaar recht op tijdige terugbetaling tegen nominale waarde;
  • liquide en hoogwaardige reserveactiva;
  • scheiding van klantactiva en ondernemingsvermogen;
  • onafhankelijk toezicht en controle van reserves;
  • kapitaal- en liquiditeitsvereisten;
  • herstel- en afwikkelingsplannen;
  • bescherming tegen marktmanipulatie en belangenconflicten;
  • regels voor witwassen, sancties en terrorismefinanciering;
  • internationale samenwerking bij grensoverschrijdende systemen.

Het FSB constateerde in 2025 dat vooruitgang is geboekt, maar dat de mondiale uitvoering van regels voor cryptoactiva en stablecoins nog aanzienlijke verschillen en leemten vertoont. De thematische FSB-evaluatie waarschuwt dat deze inconsistenties reguleringsarbitrage en financiële-stabiliteitsrisico’s kunnen vergroten.

Vanuit ecologisch perspectief moet tevens het energie- en materiaalgebruik van cryptosystemen worden beoordeeld. Vooral consensusmechanismen die grote hoeveelheden rekenkracht vereisen, moeten aantonen dat hun maatschappelijke functie opweegt tegen hun energiegebruik. Dat rechtvaardigt niet noodzakelijk een verbod op iedere cryptotoepassing, maar wel rapportage, energie-eisen en beprijzing van de veroorzaakte milieuschade.

16 Schuldencrises: wanneer liquiditeit en rechtvaardigheid botsen

Schuld maakt het mogelijk toekomstige inkomsten naar het heden te halen. Zij financiert woningen, ondernemingen, infrastructuur en publieke investeringen. Tegelijkertijd creëert schuld vaste nominale verplichtingen in een onzekere wereld. Wanneer inkomsten dalen, rente stijgt of de munt deprecieert, blijven rente en aflossing verschuldigd.

Voor overheidsschuld kan de ontwikkeling van de schuldquote bij benadering worden weergegeven als:

waarbij:

  • (d) de overheidsschuld als percentage van het bbp is;
  • (r) de effectieve rente;
  • (g) de nominale economische groei;
  • (pb) het primaire begrotingsoverschot als percentage van het bbp.

Wanneer (r>g), stijgt de schuldquote zonder primair overschot. Wanneer (g>r), kan de schuldquote dalen ondanks een beperkt primair tekort. Deze verhouding is echter geen volledige maatstaf voor houdbaarheid. Looptijd, valuta, binnenlands of buitenlands houderschap, belastingcapaciteit, productieve kwaliteit van uitgaven en vertrouwen zijn eveneens bepalend.

Er moet worden onderscheiden tussen:

  • een tijdelijke liquiditeitscrisis;
  • structurele insolventie;
  • schulden in eigen valuta;
  • schulden in buitenlandse valuta;
  • overheidsschuld, private schuld en bankschuld;
  • individuele betalingsproblemen en systeemcrises.

Een monetair soevereine staat kan nominale betalingen in de eigen munt in beginsel voortzetten, maar kan worden begrensd door inflatie, wisselkoersverlies en verlies van toegang tot importen. Een staat met schulden in vreemde valuta kan daadwerkelijk zonder het benodigde betaalmiddel komen te zitten. Een eurolidstaat bevindt zich tussen deze posities: de schuld luidt in de gemeenschappelijke munt, maar de nationale overheid beheerst de uitgifte daarvan niet.

Bij onhoudbare schuld is snelle herstructurering vaak beter dan jarenlange noodfinanciering en bezuiniging. Uitstel kan ertoe leiden dat publieke leningen vooral worden gebruikt om bestaande private crediteuren af te betalen, terwijl de economie verder verzwakt.

Een institutioneel mechanisme voor schuldencrises behoort te voorzien in:

  1. volledige registratie en openbaarheid van publieke schulden en zekerheden;
  2. een tijdelijk betalingsmoratorium tijdens de beoordeling;
  3. een onafhankelijke schuldhoudbaarheidsanalyse;
  4. bescherming van minimale uitgaven voor gezondheid, onderwijs en bestaanszekerheid;
  5. collectieve besluitvorming waardoor gekwalificeerde meerderheden ook hold-outcrediteuren kunnen binden;
  6. vergelijkbare behandeling van bilaterale, multilaterale en private crediteuren;
  7. verlenging van looptijden, renteverlaging en waar nodig afschrijving van hoofdsom;
  8. klimaatresistente en andere toestandsafhankelijke schuldinstrumenten;
  9. tijdelijke kapitaalmaatregelen wanneer ongecontroleerde uitstroom de herstructurering onmogelijk maakt;
  10. herstel van markttoegang nadat de schuld daadwerkelijk houdbaar is geworden.

Het internationale stelsel kent nog geen volwaardig mondiaal insolventierecht voor staten. Het IMF constateerde in 2025 dat recente herstructureringen vooruitgang tonen, maar dat coördinatie, informatie en de behandeling van verschillende crediteuren complex blijven. De IMF-inventarisatie van de internationale schuldarchitectuur bespreekt onder meer de groeiende rol van toestandsafhankelijke schuldinstrumenten.

Voor lage- en middeninkomenslanden is de situatie mede een mondiale rechtvaardigheidsvraag. Zij lenen vaker in buitenlandse valuta, betalen hogere risicopremies en worden zwaarder geraakt door renteverhogingen in grote valutagebieden. Volgens het International Debt Report 2025 van de Wereldbank is de externe schuldendienst voor veel ontwikkelingslanden een steeds zwaardere beperking op publieke investeringen.

Schuldkwijtschelding of een modern jubileum kan gerechtvaardigd zijn wanneer schulden aantoonbaar onhoudbaar zijn, zijn aangegaan door niet-representatieve regimes, voortvloeien uit uitzonderlijke rampen of alleen kunnen worden betaald door fundamentele sociale en ecologische ondergrenzen te schenden. Een generieke periodieke kwijtschelding van alle schulden zou daarentegen kredietverlening ontwrichten en nieuwe morele risico’s creëren.

De rechtvaardige oplossing is een wettelijk en voorspelbaar herstructureringsmechanisme waarin verliezen worden verdeeld op basis van risico, draagkracht en verantwoordelijkheid. Schuldverlichting voor klimaatkwetsbare landen kan worden gecombineerd met klimaatresistente schuldclausules, concessionele financiering en subsidies. Debt-for-climate-swaps kunnen nuttig zijn, maar alleen wanneer zij aanvullende middelen opleveren, transparant zijn en geen nieuwe afhankelijkheid of verlies van zeggenschap over natuurlijke hulpbronnen veroorzaken.

17 Groei, rente en de postgroei-economie

Binnen postgroei- en degrowthliteratuur wordt soms gesteld dat een economie vanwege rentedragende schuld noodzakelijk moet groeien. In die algemene vorm is deze stelling onjuist. Rente is binnen de economie ook een inkomensoverdracht van schuldenaar naar schuldeiser. Voor de betaling van rente hoeft niet voor iedere lening afzonderlijk nieuw geld te worden gecreëerd; de schuldenaar kan inkomsten verwerven uit de bestaande geldcirculatie.

Dat betekent niet dat een hoog gefinancialiseerde economie gemakkelijk zonder groei kan functioneren. Schuldcontracten leggen vaste nominale verplichtingen vast, ondernemingen moeten rendement behalen, pensioenfondsen rekenen op opbrengsten en overheden zijn gewend dat groei de schuldquote en sociale lasten draaglijker maakt. Wanneer productie en inkomen niet groeien, worden verdelingsconflicten zichtbaarder. De betaling van rente en aflossing vereist dan een groter aandeel van bestaande inkomens.

Timothée Parrique, Jason Hickel, Samuel Alexander en Christian Kerschner benaderen postgroei daarom niet als een spontane recessie, maar als een geplande transitie. Parrique onderzoekt de politieke economie van het verminderen van productie en consumptie in ecologisch overbelaste sectoren. Zijn proefschrift benadrukt dat degrowth een institutionele herordening vereist en niet simpelweg een dalend bbp betekent.

Samuel Alexander spreekt van geplande economische contractie in rijke economieën waar verdere materiële groei ecologisch en sociaal contraproductief wordt. Zijn analyse verbindt deze contractie met herverdeling, eenvoud en een andere organisatie van productie. Christian Kerschner onderscheidt degrowth als overgangsproces van de steady-state-economie als mogelijke stabiele bestemming. Kerschners vergelijking maakt duidelijk dat een vermindering van materiaalgebruik vooraf kan gaan aan een toestand waarin fysieke voorraden en stromen op een houdbaar niveau worden gestabiliseerd.

Hickel en medeauteurs verbinden dit met MMT. Staten met voldoende monetaire soevereiniteit kunnen de publieke investeringen voor een rechtvaardige transitie financieren zonder dat die uitgaven eerst door economische groei hoeven te worden “verdiend”. Tegelijkertijd moet MMT volgens hen worden aangevuld met ecologische grenzen: niet alleen arbeid en productiemiddelen, maar ook koolstofbudgetten, energie, materialen en ecosystemen begrenzen de reële bestedingsruimte. Hun artikel over MMT en degrowth brengt beide theorieën op dit punt samen.

Een monetair stelsel dat zonder permanente materiële groei moet functioneren, vraagt om:

  • lagere private en publieke leverage;
  • meer eigen vermogen en risicodelende financiering;
  • langere looptijden;
  • schuldcontracten die meebewegen met inkomen, productie of natuurrampen;
  • minder afhankelijkheid van stijgende grond- en woningprijzen;
  • pensioenstelsels die niet uitsluitend op hoge financiële rendementen zijn gebaseerd;
  • publieke investeringsbanken en transitie-instrumenten;
  • automatische stabilisatoren die werkloosheid en armoede bij sectorale krimp voorkomen;
  • ordelijke afbouw van ecologisch schadelijke activa;
  • bescherming van essentiële productie tegen algemene kredietverkrapping.

De overgang is monetair moeilijk. Het afbouwen van fossiele productie kan tijdelijk tot prijsstijgingen leiden, terwijl hoge rente investeringen in energie, isolatie en infrastructuur ontmoedigt. Een centrale bank die iedere ecologische transitiekost als gewone oververhitting bestrijdt, kan de aanbodcapaciteit van de duurzame economie verzwakken. Omgekeerd mag groene investeringsbehoefte niet als rechtvaardiging dienen voor onbeperkte geldcreatie wanneer arbeid, energie en materialen al volledig zijn benut.

Een gecoördineerd beleid verschuift daarom reële capaciteit van ecologisch schadelijke naar noodzakelijke en duurzame activiteiten. Belastingen, normering en selectieve kredietbeperking verminderen vraag naar vervuilende productie; publieke investeringen, garanties en infrastructuur vergroten het aanbod van duurzame alternatieven.

18 Monetair beleid en ecologische doelen

Centrale banken kunnen klimaatverandering niet zelfstandig oplossen. Zij beschikken niet over een democratisch mandaat om productiequota, energiebronnen of verdelingsbeleid vast te stellen. Klimaatbeleid behoort primair tot de verantwoordelijkheid van wetgever, regering en internationale samenwerking.

Centrale banken kunnen evenmin doen alsof ecologische risico’s buiten hun mandaat vallen. Klimaatschade, biodiversiteitsverlies, transitierisico’s en gestrande activa beïnvloeden inflatie, onderpandwaarden, verzekerbaarheid, kredietrisico en financiële stabiliteit. Een zogenoemd marktneutraal aankoop- of onderpandbeleid kan bestaande koolstofintensieve marktstructuren reproduceren en is daardoor niet werkelijk neutraal.

Binnen een duidelijk wettelijk kader kunnen centrale banken:

  • klimaatrisico opnemen in toezicht en stresstests;
  • hogere risicowaarden hanteren voor activa die kwetsbaar zijn voor fysieke of transitierisico’s;
  • betrouwbare transitiedata en openbaarmaking verlangen;
  • onderpandvoorwaarden aanpassen;
  • financiële instellingen verplichten concentraties in fossiele activa te beheersen;
  • voorkomen dat abrupte afwaarderingen het betalingsstelsel ontwrichten;
  • de gevolgen van klimaatbeleid voor inflatie en financiële transmissie expliciet modelleren.

De ECB besloot in 2025 een klimaatfactor in haar onderpandkader op te nemen om rekening te houden met mogelijke waardedalingen door transitierisico’s. De ECB-maatregel is primair als risicobeheer vormgegeven. Dat is institutioneel verdedigbaar: de centrale bank beschermt haar balans en de werking van het monetaire beleid. Verdergaande sturing van krediet naar specifieke sectoren vereist een explicieter democratisch mandaat en nauwe afstemming met begrotings- en industriebeleid.

19 Een institutioneel crisisprotocol

Financiële crises vereisen snelheid. Democratische controle kan daarom niet uitsluitend achteraf worden georganiseerd. De voorwaarden voor ingrijpen moeten vóór de crisis wettelijk zijn vastgelegd.

 

Fase

Probleem

Primaire interventie

Voorwaarde

Preventie

Snelle kredietgroei, leverage en activabubbels

Kapitaalbuffers, kredietnormen, stresstests en gegevensrapportage

Tijdige toepassing, ook wanneer markten optimistisch zijn

Liquiditeitsstress

Solvabele instelling kan betalingen tijdelijk niet verrichten

Noodliquiditeit tegen geschikt onderpand

Verhoogd tarief, toezicht en beperking van uitkeringen

Marktstilstand

Cruciale effectenmarkt functioneert niet

Tijdelijke dealer-of-last-resortinterventie

Breed marktcriterium, vooraf bepaalde exitstrategie

Insolventie

Activa zijn structureel minder waard dan verplichtingen

Afschrijving, bail-in, herkapitalisatie of resolutie

Aandeelhouders en risicodragende crediteuren eerst

Systeemcrisis

Meerdere instellingen en markten raken tegelijk ontregeld

Gecoördineerd monetair, prudentieel en begrotingsbeleid

Tijdelijkheid, parlementaire rapportage en verdelingsanalyse

Huishoudschuld

Inkomen valt weg en massa-executies dreigen

Betalingspauze, renteaanpassing en schuldherstructurering

Bescherming van woning en bestaansminimum

Staatsschuldcrisis

Schuld is onhoudbaar of externe liquiditeit ontbreekt

Standstill, noodfinanciering en ordelijke herstructurering

Onafhankelijke analyse en bescherming van sociale ondergrenzen

Herstel

Publieke steun stabiliseert het systeem

Terugbetaling, winstdeling, bestuurswijziging en strengere regels

Geen terugkeer naar de oude risicostructuur

 

Het protocol voorkomt twee tegengestelde fouten. Te laat ingrijpen kan een liquiditeitsprobleem laten uitgroeien tot een depressie. Onvoorwaardelijk ingrijpen beloont daarentegen risicovol gedrag en privatiseert winsten terwijl verliezen worden gesocialiseerd.

20 Een besliskader voor geldhervorming

Geldhervorming wordt soms gepresenteerd alsof één institutionele wijziging — staatsgeld, een CBDC, volledige-reservebankieren of cryptovaluta — tegelijk financiële instabiliteit, ongelijkheid en ecologische schade kan oplossen. Dat is onwaarschijnlijk. Het geldstelsel vervult verschillende functies: veilig betalen, krediet alloceren, liquiditeit verschaffen, sparen mogelijk maken en macro-economische stabilisatie ondersteunen. Een hervorming die één functie veiliger maakt, kan elders krediet naar minder gereguleerde constructies verplaatsen of nieuwe concentratie van publieke macht veroorzaken[13].

De beoordeling moet daarom functioneel zijn. Een publiek digitaal betaalmiddel kan burgers een veilige aanspraak op de centrale bank geven en concurrentie in het betalingsverkeer vergroten, maar vraagt harde waarborgen voor privacy, cyberveiligheid en de rol van commerciële banken. Soeverein-geld- of full-reservevoorstellen kunnen het transactiegeld van bankrisico scheiden, maar moeten verklaren wie krediet beoordeelt, hoe de overgangsbalans wordt gefinancierd en hoe uitwijking naar schaduwbankieren wordt voorkomen[14]. Publieke ontwikkelingsbanken kunnen langetermijninvesteringen richten, maar vereisen professionele kredietanalyse, transparantie en bescherming tegen politieke bevoordeling[15].

Complementaire of lokale valuta kunnen lokale ruil en gemeenschapsvorming ondersteunen, maar vervangen geen nationale rekeneenheid, belastingcapaciteit of internationale liquiditeit[16]. Private cryptoactiva kunnen technologische functies bieden, maar voldoen door volatiliteit, energiegebruik, governance- en stabiliteitsrisico’s meestal niet aan alle eisen van geld. Stablecoins maken de afhankelijkheid van veilige reserves juist zichtbaar: hun geloofwaardigheid berust op de activa en publieke betalingsinfrastructuur waartegen zij inwisselbaar zijn[17].

Daarom ligt een modulaire hervormingsstrategie meer voor de hand. Zij combineert publiek gegarandeerde toegang tot betalingen, strengere scheiding van betaal- en risicofuncties waar nodig, betere afwikkeling van falende banken, macroprudentiële begrenzing van kredietbubbels, publieke financieringscapaciteit voor transitie en een ordelijk schuldenmechanisme. Experimenten met CBDC of complementair geld krijgen limieten, evaluatiedata en een terugvaloptie. Geen enkel experiment mag de toegang tot contant of anderszins privacyvriendelijk geld voortijdig beëindigen[18].

De menswordingstoets voor geldhervorming vraagt uiteindelijk: wordt betalen veiliger en toegankelijker; wordt productief en sociaal wenselijk krediet beter beschikbaar; neemt de kans op runs en publieke redding af; worden privacy en rechtsbescherming versterkt; verschuift beslissingsmacht op controleerbare wijze; en kan het stelsel tijdens de overgang blijven functioneren? Een hervorming die uitsluitend de juridische uitgever van geld verandert, maar kredietmacht, vermogensconcentratie en internationale afhankelijkheid ongemoeid laat, is onvoldoende[19].

 

Optie

Publieke belofte

Hoofdrisico

Ontwerpvoorwaarde

CBDC / publiek digitaal geld

Veilig publiek betaalmiddel; inclusie

Bankdeposito-uitstroom, privacy, cyberrisico

Limieten, privacy by design, contant geld behouden

Soeverein geld / full reserve

Betaalgeld scheiden van kredietrisico

Overgangsfinanciering; uitwijking schaduwbankieren

Gefaseerde pilot, consolidatiebalans, perimeter-toezicht

Publieke ontwikkelingsbank

Langlopende transitie-investering

Politieke capture en verborgen verliezen

Open mandaat, onafhankelijke toets, publieke rendementen

Complementaire valuta

Lokale veerkracht en circulatie

Beperkte schaal en inwisselbaarheid

Vrijwillig, begrensd, interoperabel

Crypto/stablecoin

Technologische innovatie

Volatiliteit, run-, reserve- en governance-risico

Zelfde functie, zelfde regel; reserve- en afwikkelingseisen

Schuldmechanisme

Vroege, ordelijke herstructurering

Moral hazard en juridisch conflict

Standstill, transparantie, onafhankelijke houdbaarheidsanalyse

 

21 Tegenargumenten

“Een bredere opdracht maakt centrale banken minder geloofwaardig”

Te veel gelijkwaardige doelen kunnen inderdaad onduidelijk maken waarop een centrale bank wordt afgerekend. Daarom is een wettelijke hiërarchie nodig. Prijsstabiliteit, werkgelegenheid en financiële stabiliteit moeten helder worden geordend. Klimaat- en verdelingseffecten hoeven niet altijd zelfstandige doelen te zijn, maar moeten wel worden onderzocht wanneer zij de primaire doelen of de proportionaliteit van instrumenten beïnvloeden.

“Crisissteun veroorzaakt altijd moreel risico”

Verwachte redding kan risicogedrag stimuleren. Maar het weigeren van liquiditeit tijdens een systeemcrisis kan maatschappelijke schade veroorzaken die veel groter is dan de disciplinerende werking van faillissement. De oplossing is niet afzien van crisissteun, maar steun combineren met verlies voor aandeelhouders, vervanging van bestuur, voorwaarden en structureel toezicht.

“QE is uitsluitend geld drukken voor financiële markten”

QE creëert reserves en beïnvloedt financiële condities, maar is geen rechtstreekse inkomensoverdracht aan vermogensbezitters. Het kan werkgelegenheid en inkomens ondersteunen. Tegelijkertijd kunnen hogere activaprijzen ongelijkheid en bubbels versterken. Beide effecten moeten empirisch worden beoordeeld.

“MMT bewijst dat overheidstekorten er niet toe doen”

MMT stelt niet dat reële tekorten zonder grens zijn. De theorie verschuift de grens van nominale financiering naar inflatie, wisselkoers en beschikbare hulpbronnen. Het bezwaar blijft dat politieke besluitvorming mogelijk te traag reageert wanneer deze grenzen worden overschreden. Daarom zijn institutionele inflatieregels en automatische stabilisatie noodzakelijk.

“Soeverein geld voorkomt financiële crises”

Het kan de veiligheid van betalingsgeld vergroten, maar kredietcycli, leverage en geldachtige private verplichtingen blijven mogelijk. Zonder regulering van het bredere financiële stelsel verplaatst het risico zich.

“Een CBDC leidt noodzakelijk tot totale financiële surveillance”

Dat risico bestaat, maar volgt niet noodzakelijk uit de technologie. Offline betalingen, gegevensminimalisatie, onafhankelijke tussenpersonen, wettelijke doelbinding en behoud van contant geld kunnen de privacy beschermen. Zonder harde juridische en technische waarborgen moet een retail-CBDC echter niet worden ingevoerd.

“Crypto maakt publieke geldinstituties overbodig”

Cryptotechnologie kan alternatieve betalings- en eigendomsstructuren mogelijk maken, maar verwijdert krediet-, liquiditeits- en frauderisico niet. Wanneer tokens tegen officiële valuta worden gewaardeerd en daarin moeten kunnen worden ingewisseld, blijven zij afhankelijk van de publieke monetaire orde.

“Schuldkwijtschelding beloont onverantwoord beleid”

Dit risico rechtvaardigt voorwaarden, transparantie en hervorming. Het rechtvaardigt niet dat een evident onhoudbare schuld jarenlang wordt voortgezet ten koste van burgers die geen invloed hadden op de oorspronkelijke leningen. Ook crediteuren dragen verantwoordelijkheid voor hun risicoanalyse.

22 Dashboard voor geld en financiële stabiliteit

Domein

Kernindicatoren

Waarschuwingssignaal

Prijsstabiliteit

Kern- en totale inflatie, inflatieverwachtingen, prijsbijdragen per sector

Aanhoudende afwijking zonder duidelijke analyse van vraag- en aanbodbron

Werkgelegenheid

Werkloosheid, onderbenutting en loonontwikkeling

Monetaire verkrapping veroorzaakt disproportioneel verlies van werk en inkomen

Kredietgroei

Krediet aan huishoudens, vastgoed, ondernemingen en financiële sector

Krediet groeit langdurig sneller dan inkomen en productieve investering

Activaprijzen

Prijs-inkomensverhouding woningen, waarderingen, grondprijzen

Prijzen raken los van kasstromen, inkomens of gebruikswaarde

Bankweerbaarheid

Kapitaal, liquiditeit, probleemleningen, concentraties

Buffers dalen tijdens de opgaande financiële cyclus

Schaduwbankieren

Leverage, looptijdtransformatie, margin calls en bankverbindingen

Niet-bancaire risico’s groeien buiten toezicht en resolutie

Verdeling

Rente- en QE-effecten naar inkomens- en vermogensgroep

Vermogenswinsten concentreren zich zonder brede inkomensverbetering

Publieke liquiditeit

Gebruik van noodfaciliteiten en onderpandkwaliteit

Tijdelijke steun wordt structureel of beschermt insolvente instellingen

Monetaire soevereiniteit

Valutasamenstelling schuld, externe financieringsbehoefte en swaptoegang

Grote afhankelijkheid van vreemde valuta en kortlopende buitenlandse schuld

Staatsschuld

Rente-groeiverschil, looptijd, primair saldo en sociale uitgaven

Schuldendienst verdringt essentiële publieke voorzieningen

CBDC en betalingen

Bereik, privacyincidenten, bankdepositoverschuiving en storingen

Digitale uitsluiting, snelle runs of concentratie van betaalgegevens

Crypto en stablecoins

Reservekwaliteit, leverage, marktconcentratie en inwisselbaarheid

Runs, ongedekte claims en verwevenheid met systeembanken

Ecologische stabiliteit

Klimaatrisico’s in krediet en onderpand, financiering van fossiele uitbreiding

Financiële instellingen bouwen posities op die alleen houdbaar zijn bij overschrijding van klimaatdoelen

Democratische controle

Motivering, parlementaire rapportage, evaluatie en looptijd noodmaatregelen

Permanente uitbreiding van bevoegdheden zonder nieuw mandaat

Deze indicatoren moeten niet tot één monetaire totaalscore worden samengevoegd. Prijsstabiliteit kan niet eenvoudig worden uitgeruild tegen ernstige financiële instabiliteit, en een stabiele bankensector kan niet als duurzaam worden aangemerkt wanneer haar activa afhankelijk zijn van ecologisch onhoudbare productie. Het dashboard is bedoeld om spanningen zichtbaar te maken en tijdige democratische correctie af te dwingen.

23 Conclusie

Geld, banken en financiële markten vormen de circulatie- en kredietinfrastructuur van de economie. Zonder betrouwbare betalingen, krediet en spaargeld kunnen huishoudens, ondernemingen en publieke instellingen niet functioneren. Juist daarom kan deze infrastructuur niet worden behandeld als een zuiver private markt.

Krugman laat zien dat de beleidsrente haar werking kan verliezen en dat monetair en begrotingsbeleid in een liquiditeitsval moeten samenwerken. Tooze maakt zichtbaar dat financiële crises grensoverschrijdende politieke gebeurtenissen zijn en dat toegang tot centrale-bankliquiditeit de mondiale machtsverhoudingen weerspiegelt. Mehrling verklaart de hiërarchie van betalingsbeloften en de rol van de centrale bank als lender en dealer of last resort. Kelton en MMT verruimen het begrip van publieke financieringsmogelijkheden, maar moeten worden aangevuld met institutionele inflatiebeheersing, wisselkoersrisico en ecologische grenzen. Huber maakt duidelijk dat commerciële geldcreatie geen vanzelfsprekend institutioneel gegeven is, al lost soeverein geld kredietcycli niet automatisch op. Parrique, Hickel, Alexander en Kerschner tonen dat een stabiel monetair stelsel ook moet kunnen functioneren wanneer materiële productie niet permanent groeit.

De institutionele opdracht bestaat uit vijf delen. Geld moet betrouwbaar en algemeen toegankelijk blijven. Krediet moet productieve en maatschappelijk noodzakelijke activiteiten kunnen financieren zonder bubbels en overmatige leverage te creëren. Crisisliquiditeit moet snel beschikbaar zijn, maar mag aandeelhouders en bestuurders niet tegen verlies beschermen. Digitale publieke en private geldvormen moeten aan privacy-, stabiliteits- en rechtsstatelijke voorwaarden voldoen. Ten slotte moet schuld kunnen worden geherstructureerd wanneer voortzetting ervan grotere maatschappelijke schade veroorzaakt dan ordelijke afschrijving.

Een democratische monetaire politiek politiseert niet ieder rentebesluit. Zij legt vooraf vast welke doelen de centrale bank dient, welke instellingen toegang krijgen tot publieke liquiditeit, hoe verliezen worden verdeeld en wanneer noodbevoegdheden eindigen. De uiteindelijke maatstaf is niet de omvang van de centralebankbalans of de hoeveelheid gecreëerd geld, maar de vraag of het monetaire stelsel prijsstabiliteit, bestaanszekerheid, productieve investering, ecologische houdbaarheid en democratische gelijkwaardigheid ondersteunt.

 


Lees het volledige onderzoek:

https://www.researchgate.net/publication/414160039_De_institutionele_architectuur_van_een_democratische_sufficiency-economie



[1] Michael McLeay, Amar Radia en Ryland Thomas, ‘Money Creation in the Modern Economy’, Bank of England Quarterly Bulletin 54, nr. 1 (2014): 14–27, https://www.bankofengland.co.uk/quarterly-bulletin/2014/q1/money-creation-in-the-modern-economy.

[2] Dirk Bezemer, Maria Grydaki en Lu Zhang, ‘More Mortgages, Lower Growth?’, Economic Inquiry 54, nr. 1 (2016): 652–674, https://doi.org/10.1111/ecin.12254.

[3] Adrien Auclert, ‘Monetary Policy and the Redistribution Channel’, American Economic Review 109, nr. 6 (2019): 2333–2367, https://doi.org/10.1257/aer.20160137

[4] Ben S. Bernanke en Olivier J. Blanchard, ‘An Analysis of Pandemic-Era Inflation in 11 Economies’, NBER Working Paper 32532 (Cambridge, MA: National Bureau of Economic Research, 2024), https://doi.org/10.3386/w32532.

[5] International Labour Organization, Guidelines for a Just Transition towards Environmentally Sustainable Economies and Societies for All (Geneva: ILO, 2015), 12–20.

[6] Guillermo A. Calvo, ‘Capital Flows and Capital-Market Crises: The Simple Economics of Sudden Stops’, Journal of Applied Economics 1, nr. 1 (1998): 35–54, https://doi.org/10.1080/15140326.1998.12040516.

[7] Hélène Rey, ‘Dilemma not Trilemma: The Global Financial Cycle and Monetary Policy Independence’, NBER Working Paper 21162 (Cambridge, MA: National Bureau of Economic Research, 2015), https://doi.org/10.3386/w21162.

[8] Europese Centrale Bank, ‘The Transmission Protection Instrument’, persbericht, 21 juli 2022, https://www.ecb.europa.eu/press/pr/date/2022/html/ecb.pr220721~973e6e7273.

[9] Basel Committee on Banking Supervision, ‘Countercyclical Capital Buffer (CCyB)’, Bank for International Settlements, https://www.bis.org/bcbs/ccyb/; Europese Centrale Bank, ‘A Decade of Borrower-Based Measures in the Banking Union’, Macroprudential Bulletin, 5 juni 2025; International Monetary Fund, Toward an Integrated Policy Framework, IMF Policy Paper 2020/046 (Washington, DC: IMF, 2020).

[10] Mariana Mazzucato en Caetano C.R. Penna, ‘Beyond Market Failures: The Market Creating and Shaping Roles of State Investment Banks’, Journal of Economic Policy Reform 19, nr. 4 (2016): 305–326, https://doi.org/10.1080/17487870.2016.1216416.

[11] Verenigde Naties, Algemene Vergadering, Resolutie 69/319, Basic Principles on Sovereign Debt Restructuring Processes, 10 september 2015; Martin Guzman, José Antonio Ocampo en Joseph E. Stiglitz, red., Too Little, Too Late: The Quest to Resolve Sovereign Debt Crises (New York: Columbia University Press, 2016).

[12] International Monetary Fund, Toward an Integrated Policy Framework.

[13] Bank for International Settlements, Bank of Canada, European Central Bank e.a., Central Bank Digital Currencies: Foundational Principles and Core Features (Basel: BIS, 2020), 1–12, https://www.bis.org/publ/othp33.htm.

[14] Joseph Huber, Sovereign Money: Beyond Reserve Banking (Cham: Palgrave Macmillan, 2017), https://doi.org/10.1007/978-3-319-42174-2; Jaromir Benes en Michael Kumhof, ‘The Chicago Plan Revisited’, IMF Working Paper 12/202 (Washington, DC: International Monetary Fund, 2012), https://doi.org/10.5089/9781475505528.001.

[15] Mazzucato en Penna, ‘Beyond Market Failures’, 305–326.

[16] Gill Seyfang en Noel Longhurst, ‘Growing Green Money? Mapping Community Currencies for Sustainable Development’, Ecological Economics 86 (2013): 65–77, https://doi.org/10.1016/j.ecolecon.2012.11.003.

[17] Bank for International Settlements, ‘The Future Monetary System’, in Annual Economic Report 2022 (Basel: BIS, 2022), hfdst. III, https://www.bis.org/publ/arpdf/ar2022e3.htm; Financial Stability Board, High-Level Recommendations for the Regulation, Supervision and Oversight of Crypto-Asset Activities and Markets (Basel: FSB, 2023).

[18] Bank for International Settlements e.a., Central Bank Digital Currencies, 4–6; Europese Centrale Bank, ‘FAQs on the Digital Euro’.

[19] Bank for International Settlements e.a., Central Bank Digital Currencies, 7–18; Rey, ‘Dilemma not Trilemma’.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties