Robert Schuman — Vrede door verbondenheid, Europese solidariteit en de voorwaarden voor een gemeenschap van volken
Hoe kunnen staten die elkaar generaties lang hebben bestreden zo met elkaar worden verbonden dat vrede niet alleen wenselijk, maar institutioneel verankerd wordt?
Robert Schuman behoort tot de belangrijkste politieke
grondleggers van de Europese integratie. Hij was minder een systematisch
politiek filosoof dan een staatsman die fundamentele ideeën over vrede,
solidariteit, democratie en menselijke waardigheid in concrete instituties
probeerde te vertalen. Zijn blijvende betekenis ligt vooral in zijn inzicht dat
duurzame vrede niet uitsluitend kan berusten op goede bedoelingen, diplomatieke
verdragen of een tijdelijk machtsevenwicht. Vrede moet worden ingebouwd in de wijze
waarop landen hun belangen, bevoegdheden en onderlinge afhankelijkheden
organiseren.
Schumans levensloop maakte hem bijzonder gevoelig voor de
betrekkelijkheid van nationale grenzen. Hij werd in 1886 in Luxemburg geboren,
groeide op als Duits staatsburger en werd na de Eerste Wereldoorlog Frans toen
Elzas-Lotharingen weer aan Frankrijk werd toegevoegd. Na de Tweede Wereldoorlog
vervulde hij verschillende hoge politieke functies in Frankrijk. Hij was onder
meer minister van Financiën, minister-president en minister van Buitenlandse
Zaken. In 1958 werd hij gekozen tot voorzitter van de Europese Parlementaire
Vergadering, de voorloper van het huidige Europees Parlement. De Europese Unie
en het Europees Parlement beschouwen hem als een van de grondleggers van het
Europese integratieproject.
Zijn denken kan niet los worden gezien van de
vernietiging die twee wereldoorlogen hadden veroorzaakt. De traditionele
Europese orde, gebaseerd op nationale soevereiniteit, militaire afschrikking en
wisselende bondgenootschappen, had niet kunnen voorkomen dat staten telkens
opnieuw tegenover elkaar kwamen te staan. Voor Schuman was het daarom
onvoldoende om na 1945 opnieuw verdragen te sluiten en vervolgens te hopen dat
landen zich daaraan zouden houden. De verhoudingen tussen Europese staten
moesten structureel veranderen.
Dit inzicht kreeg zijn bekendste uitdrukking in de
Schumanverklaring van 9 mei 1950. De verklaring was voorbereid in nauwe
samenwerking met Jean Monnet en diens medewerkers, maar Schuman nam als Franse
minister van Buitenlandse Zaken de politieke verantwoordelijkheid voor het
voorstel. Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland zouden hun productie van
kolen en staal onderbrengen bij een gemeenschappelijke Hoge Autoriteit. Ook
andere Europese landen konden zich aansluiten. De zes deelnemende landen richtten
vervolgens de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op, de eerste van de
supranationale instellingen waaruit uiteindelijk de Europese Unie zou ontstaan.
De keuze voor kolen en staal was niet toevallig. Deze
grondstoffen vormden de materiële basis van zowel industriële ontwikkeling als
militaire macht. Door de productie gezamenlijk te beheren, zouden Frankrijk en
Duitsland niet langer zelfstandig de middelen voor een nieuwe oorlog kunnen
mobiliseren. Oorlog moest daardoor, zoals de verklaring stelde, niet alleen
ondenkbaar maar ook materieel onmogelijk worden. De volledige Schumanverklaring
laat zien dat economische samenwerking vanaf het begin een politieke
vredesstrategie was.
De kern van Schumans denken ligt daarmee in het idee van
institutioneel voortgebrachte solidariteit. Solidariteit is bij hem niet
uitsluitend een gevoel van verbondenheid of een morele oproep aan staten om
zich verantwoordelijk te gedragen. Zij ontstaat wanneer mensen en politieke
gemeenschappen zodanig met elkaar worden verbonden dat hun belangen,
beslissingen en toekomstperspectieven niet langer volledig van elkaar kunnen
worden gescheiden.
Daarmee levert Schuman een belangrijk inzicht voor het
relationele mens- en samenlevingswordingsmodel. Mensen en gemeenschappen
veranderen mede door de relaties waarin zij worden geplaatst. Frankrijk en
Duitsland hoefden niet eerst hun historische herinneringen, nationale
identiteiten en onderlinge wantrouwen volledig te overwinnen voordat
samenwerking mogelijk werd. Door instituties te ontwerpen die samenwerking
noodzakelijk en wederzijds voordelig maakten, konden ook hun verwachtingen,
gedragingen en onderlinge beeldvorming veranderen.
Verzoening is vanuit dit perspectief niet alleen een
morele ommekeer in individuele personen. Zij kan eveneens voortkomen uit een
langdurig maatschappelijk proces waarin voormalige tegenstanders leren elkaar
als partners binnen een gedeelde orde te behandelen. Instituties registreren
dan niet alleen reeds bestaande solidariteit, maar helpen haar ook ontstaan.
Schuman verbond dit aan een stapsgewijze methode van
Europese integratie. Europa kon volgens hem niet in één keer of volgens één
omvattend plan worden gevormd. Het moest groeien door concrete
verwezenlijkingen die eerst een feitelijke solidariteit tot stand brachten. Hij
koos daarom niet voor de onmiddellijke oprichting van één Europese staat, maar
voor een beperkte, strategische samenwerking op een terrein waarop nationale
beslissingen directe gevolgen hadden voor andere landen.
Deze benadering kan worden omschreven als institutioneel
pragmatisme. Grote idealen krijgen pas betekenis wanneer zij worden vertaald in
concrete bevoegdheden, besluitvormingsprocedures en wederzijdse verplichtingen.
Schuman begon bij een praktisch probleem, maar ontwierp de oplossing zo dat
daaruit een bredere politieke gemeenschap kon groeien. Samenwerking rond kolen
en staal moest vertrouwen scheppen, nieuwe gezamenlijke belangen voortbrengen
en verdere integratie mogelijk maken.
Voor het mens- en samenlevingswordingsmodel is deze
methode belangrijk. Maatschappelijke verandering ontstaat zelden uitsluitend
door het formuleren van abstracte beginselen. Zij vereist praktijken waarin
mensen daadwerkelijk leren samenwerken, verantwoordelijkheid delen en
conflicten vreedzaam oplossen. Instituties kunnen zulke leerprocessen
bevorderen wanneer zij samenwerking niet alleen aanbevelen, maar duurzaam
organiseren.
Tegelijk ging Schumans voorstel verder dan gewone
internationale samenwerking. Bij een traditioneel verdrag behouden staten in
beginsel hun volledige beslissingsmacht en werken zij alleen samen zolang zij
daarmee afzonderlijk instemmen. De voorgestelde Hoge Autoriteit zou daarentegen
onafhankelijk optreden en besluiten nemen die bindend waren voor de deelnemende
landen. De staten legden zichzelf dus gezamenlijk beperkingen op om een
gemeenschappelijk doel te beschermen.
Hierin ligt het vernieuwende karakter van
supranationaliteit. Nationale soevereiniteit werd niet eenvoudig afgeschaft of
overgedragen aan een nieuwe Europese superstaat. Een deel van de nationale
beslissingsmacht werd gezamenlijk uitgeoefend op het niveau waarop het
onderlinge probleem daadwerkelijk kon worden aangepakt. De verklaring voorzag
bovendien in parlementaire ratificatie van het verdrag en in mogelijkheden van
beroep tegen besluiten van de Hoge Autoriteit.
Dit sluit aan bij het beginsel van schaalconsistentie
binnen een polycentrisch corrigeerbare democratie. Problemen die nationale
grenzen overschrijden, kunnen niet effectief worden beheerst wanneer ieder land
uitsluitend vanuit zijn eigen kortetermijnbelang handelt. Macht moet worden
georganiseerd op het niveau waarop oorzaken, gevolgen en verantwoordelijkheden
samenkomen. Tegelijk moet dat hogere niveau zelf democratisch, rechtsstatelijk
en corrigeerbaar blijven.
Schumans Europa was daarom niet bedoeld als een
ontkenning van nationale gemeenschappen. Europese eenwording moest landen niet
beroven van hun geschiedenis, cultuur of politieke eigenheid. Zij moesten leren
hun zelfstandigheid te verbinden met verantwoordelijkheid voor een grotere
gemeenschap. Europese integratie veronderstelde een meervoudige verbondenheid:
mensen konden zich thuis voelen in lokale, nationale en Europese verbanden
zonder dat één identiteit alle andere hoefde te verdringen.
Ook dit past bij een relationeel mensbeeld. Identiteit is
niet noodzakelijk exclusief of eendimensionaal. Mensen maken tegelijkertijd
deel uit van families, steden, regio’s, landen, culturele tradities en
politieke gemeenschappen. Een menswaardige politieke orde hoeft deze
verbondenheden niet tot één uniforme identiteit terug te brengen. Zij moet
institutionele vormen ontwikkelen waarin verschillende loyaliteiten naast
elkaar kunnen bestaan en elkaar kunnen aanvullen.
Schumans denken werd sterk beïnvloed door
christendemocratische en personalistische ideeën. Menselijke waardigheid,
verantwoordelijkheid, solidariteit en dienstbaarheid aan de gemeenschap stonden
daarin centraal. Politiek moest volgens deze traditie niet uitsluitend worden
begrepen als strijd om macht of als optelsom van individuele belangen. Zij
moest voorwaarden scheppen waaronder personen en gemeenschappen zich in
vrijheid en verantwoordelijkheid konden ontwikkelen. Het Europees Parlement
benadrukt dat Schumans Europese visie sterk door christelijke waarden werd
beïnvloed; academische duidingen plaatsen hem bovendien in een bredere
christelijk-humanistische en personalistische traditie.
Voor een relationeel mens- en samenlevingswordingsmodel
is vooral het personalistische element relevant. De mens is geen geïsoleerd
individu, maar evenmin slechts een onderdeel van een collectief. Mensen worden
persoon binnen relaties, maar behouden tegelijkertijd een eigen waardigheid die
niet aan de gemeenschap mag worden opgeofferd. De politieke gemeenschap moet
daarom zowel persoonlijke vrijheid als sociale verbondenheid beschermen.
Schuman zag democratie niet alleen als een procedure voor
het kiezen van machthebbers. Zij moest in dienst staan van de menselijke
persoon en gedragen worden door verantwoordelijkheid, gelijkwaardigheid en
respect. Europese samenwerking kon daarom niet duurzaam worden gebaseerd op
economische voordelen alleen. Zij vereiste uiteindelijk ook een gemeenschap van
waarden en een bereidheid om het lot van andere volkeren niet als een externe
aangelegenheid te behandelen.
Daarmee krijgt solidariteit bij Schuman een gelaagde
betekenis. Zij omvat economische samenwerking, maar gaat daar niet in op. De
Schumanverklaring sprak niet alleen over productiviteit en marktintegratie,
maar ook over verbetering van de levensomstandigheden van werknemers, gelijke
toegang tot grondstoffen, modernisering en het tegengaan van kartelvorming.
Economische ordening moest bijdragen aan vrede en maatschappelijke
ontwikkeling, niet uitsluitend aan winst of nationale machtsvorming.
Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel is dat een
essentieel uitgangspunt. Economische instituties zijn nooit louter technisch.
Zij bepalen mede welke groepen zekerheid krijgen, wie afhankelijk wordt, hoe
risico’s worden verdeeld en welke vormen van samenwerking mogelijk zijn. De
ordening van kolen en staal veranderde niet alleen handelsstromen, maar ook de
politieke relaties tussen staten, ondernemingen, werknemers en samenlevingen.
Hier raakt Schumans gedachtegoed direct aan
corrigeerbaarheid. Europese instituties moesten nationale machtsconcentraties
begrenzen en voorkomen dat strategische economische sectoren opnieuw voor
nationalistische en militaire doeleinden konden worden ingezet. Wederzijdse
openheid, gemeenschappelijke regels en een onafhankelijke autoriteit maakten
het moeilijker voor één staat om eenzijdig te handelen. Europese samenwerking
werd zo een systeem van wederzijdse beperking.
Een polycentrisch corrigeerbare democratie kan op deze
gedachte voortbouwen. Nationale democratieën blijven noodzakelijk, maar zij
zijn niet altijd in staat grensoverschrijdende macht, economische
afhankelijkheid, veiligheidsrisico’s of ecologische schade zelfstandig te
beheersen. Supranationale instituties kunnen dan een aanvullende correctielaag
vormen. Zij beschermen landen tegen de gevolgen van elkaars eenzijdige
beslissingen en burgers tegen problemen die nationale instituties afzonderlijk
niet meer kunnen oplossen.
Schumans benadering laat bovendien zien dat
corrigeerbaarheid niet alleen bestaat uit toezicht achteraf. Zij kan preventief
in de structuur van instituties worden ingebouwd. Door de middelen voor
oorlogsvoering gezamenlijk te beheren, werd geprobeerd de mogelijkheid van
destructief nationaal handelen vooraf te verkleinen. Institutioneel ontwerp
veranderde de handelingsruimte van staten voordat een nieuwe crisis of oorlog
ontstond.
Deze gedachte is ook buiten de oorspronkelijke context
relevant. Hedendaagse Europese landen zijn wederzijds afhankelijk op het gebied
van energie, klimaat, financiële markten, migratie, digitale infrastructuur,
defensie en grondstoffen. Schumans methode zou betekenen dat landen bij zulke
vraagstukken niet wachten totdat nationale conflicten escaleren, maar concrete
vormen van gedeelde verantwoordelijkheid ontwikkelen.
Daarbij moet Schuman wel kritisch worden gelezen. Zijn
stapsgewijze integratiemethode kon effectief zijn doordat zij begon met een
afgebakend economisch vraagstuk en de directe politieke confrontatie over een
Europese federatie vermeed. Maar juist deze methode droeg ook het risico in
zich dat Europese integratie zich sneller ontwikkelde dan de Europese
democratie.
Wanneer steeds meer beslissingsmacht wordt ondergebracht
bij onafhankelijke, gespecialiseerde of moeilijk doorgrondelijke instellingen,
kan voor burgers onduidelijk worden wie verantwoordelijk is en hoe besluiten
kunnen worden gecorrigeerd. Feitelijke resultaten – vrede, stabiliteit en
economische groei – kunnen democratische betrokkenheid niet volledig vervangen.
Een politieke orde is niet alleen legitiem omdat zij goede uitkomsten
produceert, maar ook omdat burgers invloed kunnen uitoefenen, machthebbers ter
verantwoording kunnen roepen en alternatieve richtingen kunnen kiezen.
Vanuit het polycentrisch corrigeerbaar democratiemodel
moet Schumans supranationale benadering daarom worden aangevuld met sterke
parlementaire controle, openbaarheid, publieke deliberatie, toegang tot de
rechter en effectieve burgerparticipatie. Iedere overdracht of gezamenlijke
uitoefening van bevoegdheden moet gepaard gaan met nieuwe mogelijkheden om die
macht te controleren en te corrigeren. Anders kan Europese samenwerking wel de
macht van nationale staten begrenzen, maar tegelijkertijd nieuwe machtsconcentraties
op Europees niveau creëren.
Een tweede beperking ligt in het vertrouwen dat
economische verwevenheid bijna vanzelf tot politieke solidariteit leidt.
Onderlinge afhankelijkheid kan samenwerking bevorderen, maar zij kan ook nieuwe
machtsverschillen en afhankelijkheidsrelaties voortbrengen. Niet alle landen,
regio’s, ondernemingen en burgers profiteren in gelijke mate van economische
integratie. Wanneer de voordelen zich concentreren en de kosten ongelijk worden
verdeeld, kan verwevenheid juist ressentiment en conflict oproepen.
Feitelijke solidariteit vereist daarom meer dan
gezamenlijke markten. Zij vraagt om eerlijke verdeling van lasten en voordelen,
sociale bescherming, regionale ondersteuning en procedures waarin zwakkere
partijen daadwerkelijk invloed hebben. Solidariteit moet niet alleen tussen
staten bestaan, maar ook tussen burgers, regio’s, generaties en sociale
groepen.
Een derde kritische vraag betreft Schumans christelijk
geïnspireerde visie op Europa. Zijn nadruk op menselijke waardigheid,
verzoening en solidariteit blijft waardevol. Maar in een religieus en
levensbeschouwelijk pluralistische samenleving kunnen deze beginselen niet
afhankelijk worden gemaakt van instemming met één religieuze traditie. Zij
moeten worden vertaald in een openbare taal waarin ook niet-christelijke,
andersgelovige en niet-religieuze burgers zich kunnen herkennen.
Een relationeel mens- en samenlevingswordingsmodel neemt
daarom de humanistische inhoud van Schumans denken over, maar verbindt deze met
gelijkwaardige levensbeschouwelijke pluraliteit. Europese verbondenheid kan
niet duurzaam rusten op een vermeend homogene beschaving. Zij moet ontstaan uit
gedeelde politieke beginselen die ruimte laten voor verschillende bronnen van
betekenis.
Een vierde beperking betreft de verhouding van Europa tot
de rest van de wereld. De Schumanverklaring sprak over de ontwikkeling van het
Afrikaanse continent als een Europese taak. Vanuit hedendaags perspectief kan
daarin een paternalistische en koloniale verhouding worden herkend: Europa
verschijnt als handelende actor en Afrika als voorwerp van ontwikkeling. Dat is
een kritische gevolgtrekking uit de bewoordingen van de verklaring zelf, die
ontstond in een periode waarin verschillende Europese staten nog koloniale
machten waren.
Een hedendaagse toepassing van Schumans
solidariteitsbeginsel moet daarom verder gaan dan interne Europese vrede. Zij
moet ook mondiale machtsongelijkheid, koloniale erfenissen, ongelijke
handelsverhoudingen en ecologische verantwoordelijkheid omvatten. Een Europese
gemeenschap die intern solidariteit organiseert maar externe kosten afwentelt
op andere samenlevingen, handelt in strijd met de universele menselijke
waardigheid waarop zij zich beroept.
Een vijfde actualisering betreft de ecologische dimensie.
Schuman koos kolen en staal omdat deze sectoren in 1950 centraal stonden in
oorlog, wederopbouw en industriële ontwikkeling. Inmiddels behoren juist
fossiele energie, zware industrie en grondstoffengebruik tot de belangrijkste
oorzaken van klimaatverandering en ecologische ontwrichting.
De logica van zijn methode blijft echter bruikbaar. Zoals
kolen en staal gezamenlijk werden beheerd om oorlog te voorkomen, zouden
energie, kritieke grondstoffen, technologische infrastructuur en
klimaatrisico’s gezamenlijk kunnen worden geordend om ecologische ontwrichting
en nieuwe geopolitieke conflicten te voorkomen. Feitelijke solidariteit moet
dan niet alleen tussen huidige staten en burgers ontstaan, maar ook met
toekomstige generaties en mensen buiten Europa.
Ondanks deze beperkingen blijft Schumans bijdrage
uitzonderlijk. Hij begreep dat vijandschap niet uitsluitend kan worden
overwonnen door morele oproepen. De institutionele omstandigheden die wantrouwen,
rivaliteit en machtsstrijd in stand houden, moeten worden veranderd. Mensen en
politieke gemeenschappen kunnen anders leren handelen wanneer zij in andere
relaties tot elkaar worden geplaatst.
Voor menswording betekent Schuman dat menselijke
identiteit niet opgesloten hoeft te blijven in overgeleverde tegenstellingen.
Mensen kunnen nationale herinneringen en culturele verbondenheden behouden en
tegelijkertijd nieuwe vormen van solidariteit ontwikkelen. Verzoening is
mogelijk wanneer instituties ontmoeting, samenwerking en wederzijdse
afhankelijkheid ondersteunen.
Voor samenlevingswording betekent hij dat politieke
gemeenschappen niet vanzelf ontstaan door een gedeelde identiteit of abstract
ideaal. Zij groeien door gezamenlijke praktijken, concrete
verantwoordelijkheden en ervaringen van wederkerigheid. Europa wordt dan geen
vooraf gegeven beschaving, maar een voortdurend proces van gemeenschapsvorming.
Voor instituties betekent Schuman dat vrede, solidariteit
en samenwerking in bevoegdheden, procedures en materiële verhoudingen moeten
worden verankerd. Goede bedoelingen zijn onvoldoende wanneer institutionele
prikkels landen telkens opnieuw tot concurrentie, uitsluiting of confrontatie
bewegen.
Voor corrigeerbaarheid levert hij het inzicht dat staten
bereid moeten zijn hun eigen macht wederzijds te begrenzen wanneer afzonderlijk
handelen schade veroorzaakt die zij niet alleen kunnen beheersen.
Supranationale instituties zijn dan geen ontkenning van democratie, maar kunnen
een noodzakelijke uitbreiding van democratische verantwoordelijkheid vormen –
mits ook die instituties zelf controleerbaar, transparant en veranderbaar
blijven.
De blijvende waarde van Robert Schuman ligt in zijn
vermogen morele verzoening te verbinden met institutionele vernieuwing. Hij
maakte van solidariteit geen vrijblijvende deugd, maar een beginsel dat in
concrete gemeenschappelijke praktijken moest worden georganiseerd. Zijn
beperking ligt in het onvoldoende uitgewerkte democratische, mondiale en
ecologische karakter van de supranationale orde die uit zijn methode kon
ontstaan.
Een relationeel en corrigeerbaar mens- en
samenlevingsmodel neemt daarom Schumans methode serieus, maar verbreedt haar.
Institutionele verwevenheid moet niet alleen vrede tussen staten bevorderen,
maar ook menselijke waardigheid, sociale gelijkwaardigheid, democratische
participatie, mondiale rechtvaardigheid en ecologische duurzaamheid beschermen.
De hedendaagse vraag luidt daarom: bouwen wij Europa
verder uit als een technisch en economisch samenwerkingsverband dat vooral door
deskundigen en regeringen wordt bestuurd — of ontwikkelen wij een werkelijk
democratische gemeenschap waarin burgers, landen en generaties hun vrijheid
verbinden met wederzijdse verantwoordelijkheid en corrigeerbare gedeelde macht
.jpg)
Reacties
Een reactie posten