Robert Michels – Oligarchie, organisatie en de kwetsbaarheid van de moderne democratie


Waarom dreigen democratische organisaties juist door hun groei, professionalisering en succes in handen van een kleine leiding te komen?

Robert Michels behoort tot de klassieke denkers over politieke partijen, organisatie en elitevorming. Zijn bekendste werk, Political Parties: A Sociological Study of the Oligarchical Tendencies of Modern Democracy, verscheen oorspronkelijk in 1911 in het Duits en in 1915 in het Engels. Daarin onderzoekt hij een ongemakkelijke paradox: organisaties die worden opgericht om democratie, gelijkheid of emancipatie te bevorderen, ontwikkelen zelf vaak hiërarchische structuren waarin een kleine groep leiders een steeds sterkere positie verwerft.

Waar Robert Dahl vooral laat zien hoe pluralisme, oppositie en institutionele concurrentie democratische correctie mogelijk maken, richt Michels de aandacht op wat er binnen democratische organisaties gebeurt. Zijn vraag is niet alleen of burgers mogen stemmen of zich mogen organiseren, maar wie in de praktijk de agenda bepaalt, over informatie beschikt, kandidaten selecteert, vergaderingen voorbereidt en besluiten uitvoert. Juist daar, in de dagelijkse organisatie van democratie, kan formele gelijkheid langzaam plaatsmaken voor feitelijke machtsconcentratie.

Zijn denken is daarom bijzonder relevant voor een relationeel en corrigeerbaar mens- en samenlevingsmodel. Michels laat zien dat goede bedoelingen en democratische statuten niet voldoende zijn. Ook organisaties die gelijkwaardigheid nastreven, kunnen door hun eigen werkwijze afhankelijk worden van professionele bestuurders, deskundigen en permanente apparaten. Democratie vraagt daarom niet alleen om democratische doelen, maar ook om een voortdurende institutionele organisatie van tegenspraak, controle en vervangbaarheid.

De kern van Michels’ denken ligt in zijn beroemde ijzeren wet van de oligarchie. Deze houdt in dat iedere omvangrijke en complexe organisatie de neiging heeft macht te concentreren bij een kleine minderheid. Wie organisatie zegt, zegt volgens Michels uiteindelijk oligarchie. Niet noodzakelijk omdat alle leiders vanaf het begin uit zijn op overheersing, maar omdat organisatie arbeidsdeling, delegatie, coördinatie, deskundigheid en snelle besluitvorming vereist.

Een grote politieke partij kan niet voortdurend al haar leden over iedere beslissing laten vergaderen. Zij heeft bestuurders, woordvoerders, medewerkers, financiële beheerders en campagneorganisatoren nodig. Naarmate de organisatie groeit, neemt de behoefte aan gespecialiseerde functies toe. Wat aanvankelijk een praktische taak is, verandert vervolgens in een duurzame machtspositie. Tijdelijke vertegenwoordigers worden professionele leiders; ondersteunende diensten ontwikkelen een eigen institutioneel gewicht; kennis en contacten raken geconcentreerd bij degenen die dagelijks met de organisatie bezig zijn.

Daarmee ontstaat een structurele informatievoorsprong. Leiders weten meer over procedures, financiën, strategie, onderhandelingen en interne verhoudingen dan gewone leden. Zij bepalen vaak welke informatie wordt verspreid, welke onderwerpen op de agenda komen en welke alternatieven als realistisch worden gepresenteerd. Omdat zij bovendien beter kunnen spreken, schrijven, onderhandelen en organiseren, beschikken zij over vaardigheden waarmee zij hun positie tegenover incidenteel actieve leden kunnen versterken.

Macht ontstaat hier dus niet uitsluitend door formele bevoegdheden. Zij groeit ook uit tijd, aandacht, deskundigheid, toegang en organisatorisch geheugen. Wie vergaderstukken opstelt, voorstellen formuleert en de communicatiekanalen beheert, beïnvloedt de besluitvorming al voordat er formeel wordt gestemd. Daardoor kan een organisatie democratische procedures behouden, terwijl de reële keuzeruimte steeds sterker door een kleine kring wordt bepaald.

Michels verbindt dit met professionalisering. Bestuurders die hun inkomen, status en maatschappelijke positie aan de organisatie ontlenen, ontwikkelen belangen die niet volledig samenvallen met die van de achterban. Het voortbestaan van de organisatie wordt ook het voortbestaan van hun eigen functie. Daardoor kan een verschuiving plaatsvinden van doel naar middel: de partij, vakbond of beweging die ooit werd opgericht om maatschappelijke verandering te bereiken, gaat haar eigen continuïteit als hoogste belang behandelen.

Dit proces wordt tegenwoordig vaak aangeduid als doelverschuiving. De organisatie was aanvankelijk een middel om een bepaalde waarde of maatschappelijke opdracht te verwezenlijken, maar wordt geleidelijk een doel op zichzelf. Risico’s worden vermeden omdat zij electorale posities, subsidies, ledenaantallen of bestuurlijke toegang kunnen bedreigen. Radicale uitgangspunten worden aangepast aan wat voor de organisatie bestuurlijk hanteerbaar is. Kritiek van leden wordt dan niet langer gezien als een bron van leren, maar als een bedreiging voor eenheid, reputatie en slagvaardigheid.

Michels onderzocht deze ontwikkeling vooral bij de Duitse sociaaldemocratische partij en de vakbeweging. Juist deze organisaties waren voor hem analytisch belangrijk omdat zij gelijkheid, arbeidersemancipatie en massaparticipatie nastreefden. Wanneer zelfs zij oligarchische tendensen vertoonden, leek dat erop te wijzen dat het probleem niet uitsluitend voortkwam uit een conservatieve ideologie, maar uit de logica van organisatie zelf.

Hier verschijnt de fundamentele democratische paradox van Michels. Mensen die afzonderlijk weinig macht hebben, moeten zich organiseren om tegenover economische en politieke machthebbers invloed te kunnen uitoefenen. Organisatie is, zoals Michels zelf erkent, een wapen van de zwakken in hun strijd met de sterken. Maar dezelfde organisatie die collectieve macht mogelijk maakt, schept nieuwe interne machtsverschillen tussen leiding en leden.

Zonder organisatie blijven mensen versnipperd en machteloos. Met organisatie ontstaat het gevaar dat degenen die namens hen handelen zich van hen losmaken. Democratische emancipatie kan dus niet zonder vertegenwoordiging, coördinatie en expertise, maar juist deze noodzakelijke middelen kunnen de oorspronkelijke gelijkwaardigheid aantasten. Het probleem is daarom niet eenvoudigweg dat er leiders bestaan, maar dat leiderschap zich kan afsluiten, bestendigen en aan effectieve controle onttrekken.

Michels voegt hier een psychologische verklaring aan toe. Volgens hem zijn veel leden slechts beperkt bereid of in staat om voortdurend aan organisatorische besluitvorming deel te nemen. Zij hebben weinig tijd, missen gespecialiseerde kennis of geven er de voorkeur aan verantwoordelijkheden aan leiders over te laten. Leiders kunnen op hun beurt gehecht raken aan status, erkenning en macht. Passiviteit aan de basis en machtsstreven aan de top versterken elkaar vervolgens.

Dit deel van zijn theorie moet kritisch worden gelezen. Michels spreekt soms paternalistisch over de massa en behandelt politieke passiviteit te gemakkelijk als een vrijwel onveranderlijke menselijke eigenschap. Daarmee onderschat hij dat niet-deelname ook institutioneel wordt geproduceerd. Mensen haken af wanneer besluitvorming weinig toegankelijk is, informatie te laat beschikbaar komt, vergaderingen voornamelijk door ingewijden worden beheerst of hun bijdrage zelden gevolgen heeft. Apathie is dan niet alleen de oorzaak van oligarchie, maar ook het resultaat ervan.

Vanuit een relationeel mensbeeld is dit onderscheid wezenlijk. Mensen zijn niet van nature actief of passief, democratisch bekwaam of onbekwaam. Hun handelingsvermogen ontwikkelt zich binnen sociale en institutionele verhoudingen. Een organisatie die leden uitsluitend benadert als achterban, consument of stemvee, bevordert afhankelijkheid. Een organisatie die toegang tot kennis biedt, ruimte voor initiatief schept en tegenspraak daadwerkelijk laat doorwerken, helpt mensen zich als actieve mede-eigenaren van het gezamenlijke project te ontwikkelen.

Voor menswording betekent Michels daarom dat participatie meer moet zijn dan periodieke instemming. Mensen ontwikkelen autonomie, verantwoordelijkheidsbesef en publiek oordeelsvermogen door betekenisvol mee te doen aan besluitvorming. Wanneer belangrijke beslissingen structureel bij een kleine professionele kern liggen, verliezen leden niet alleen invloed. Zij missen ook de gelegenheid om democratische vermogens te oefenen en gezamenlijk verantwoordelijkheid te dragen.

Voor instituties laat Michels zien dat formele democratie en feitelijke machtsverdeling uit elkaar kunnen lopen. Een organisatie kan congressen, ledenraden, verkiezingen en inspraakprocedures hebben, terwijl de leiding de kandidaatstelling, informatievoorziening, vergaderorde en uitvoeringscapaciteit beheerst. De juiste vraag is daarom niet alleen welke democratische organen op papier bestaan, maar of leden over voldoende informatie, tijd, middelen en tegenmacht beschikken om de leiding werkelijk te controleren en zo nodig te vervangen.

Voor corrigeerbaarheid is zijn analyse nog indringender. Een systeem is niet corrigeerbaar wanneer leiders formeel kunnen worden weggestemd, maar in de praktijk de voorwaarden van die stemming beheersen. Correctie vereist dat fouten zichtbaar kunnen worden gemaakt, alternatieven zich kunnen organiseren en machtsposities daadwerkelijk betwistbaar blijven. Zodra de leiding de communicatiekanalen, personele selectie, deskundigheid en financiële middelen monopoliseert, kan zij ook de mechanismen waarmee zij zou moeten worden gecorrigeerd naar haar hand zetten.

Michels’ inzicht reikt daarmee verder dan politieke partijen. Ook vakbonden, maatschappelijke organisaties, coöperaties, universiteiten, kerken, ondernemingen en overheidsbureaucratieën kunnen dezelfde ontwikkeling doormaken. Oprichters, bestuurders en professionele stafleden beschikken vaak over meer informatie en continuïteit dan leden, vrijwilligers, werknemers of gebruikers. Daardoor kunnen organisaties die formeel dienstbaar zijn aan een gemeenschap zich geleidelijk boven die gemeenschap plaatsen.

Binnen de overheid verschijnt deze spanning in de verhouding tussen democratische sturing en ambtelijke deskundigheid. Complexe maatschappelijke problemen vereisen professionele kennis en institutioneel geheugen. Zonder deskundige ambtenaren wordt bestuur willekeurig, kortzichtig en afhankelijk van externe belangen. Maar wanneer expertise onvoldoende transparant of te moeilijk tegenspreekbaar wordt, kan noodzakelijke deskundigheid omslaan in technocratische afsluiting. Michels herinnert ons eraan dat kennis een publieke functie kan vervullen, maar tegelijk een machtsbron is.

De juiste reactie is daarom niet het verwerpen van professionaliteit. Een moderne samenleving kan niet zonder gespecialiseerde kennis. De opgave is expertise institutioneel dienstbaar en corrigeerbaar te houden. Dat vraagt om openbaarheid van relevante informatie, navolgbare motivering, pluriforme advisering, onafhankelijke toetsing en werkelijke mogelijkheden voor burgers en vertegenwoordigers om alternatieven aan te dragen. Deskundigen moeten invloed kunnen uitoefenen op grond van kennis, maar mogen niet als enige bepalen welke waarden, belangen en risico’s meetellen.

Ook voor hedendaagse politieke partijen blijft Michels uiterst actueel. Partijen zijn vaak minder afhankelijk geworden van actieve leden en sterker afhankelijk van professionele campagnes, politieke medewerkers, opinieonderzoek, fondsenwerving en digitale communicatie. Kandidaten worden formeel democratisch geselecteerd, maar de partijtop kan door haar zichtbaarheid, netwerk en organisatorische informatie een beslissende voorsprong hebben. Personalisering kan die ontwikkeling verder versterken wanneer de partij zich steeds meer rond één leider organiseert.

Digitale technologie heft de ijzeren wet niet vanzelf op. Online platforms maken grootschalige participatie, raadpleging en horizontale samenwerking mogelijk, maar creëren ook nieuwe machtscentra. Degenen die software beheren, moderatieregels vaststellen, data analyseren of algoritmen ontwerpen, bepalen mede wie zichtbaar is, welke voorstellen aandacht krijgen en welk gedrag wordt beloond. De klassieke partijpers uit Michels’ tijd heeft in digitale organisaties plaatsgemaakt voor controle over platformarchitectuur, gebruikersdata en informatiestromen.

Zelfs open-sourcegemeenschappen en gedecentraliseerde netwerken kunnen informele oligarchieën ontwikkelen. Een kleine groep zeer actieve deelnemers verwerft technische kennis, reputatie en beslissingsmacht. Formele openheid betekent dan nog niet dat nieuwe deelnemers feitelijk dezelfde invloed hebben. De hedendaagse toepassing van Michels vraagt daarom om aandacht voor zowel formele bevoegdheden als verborgen infrastructuren van macht.

Ook sociale bewegingen worden met dit dilemma geconfronteerd. Een spontane beweging kan veel energie, diversiteit en betrokkenheid mobiliseren, maar heeft voor duurzame invloed vaak organisatie, woordvoerders en financiering nodig. Zodra zij professionaliseert, ontstaat het risico dat de oorspronkelijke deelnemers op afstand raken en dat meetbare resultaten, institutionele toegang of reputatie belangrijker worden dan de ervaringen van de groepen voor wie de beweging zegt op te komen.

Ecologische en intergenerationele vraagstukken maken dit extra complex. Organisaties die toekomstige generaties, ecosystemen of mondiale belangen vertegenwoordigen, kunnen niet rechtstreeks door al hun belanghebbenden worden gecontroleerd. Zij hebben deskundigheid en langdurige strategie nodig, maar lopen daardoor ook het risico namens afwezige of kwetsbare groepen te spreken zonder voldoende verantwoording af te leggen. Vertegenwoordiging van stemlozen vereist daarom juist sterkere waarborgen tegen institutionele toe-eigening.

Toch moet Michels’ ijzeren wet niet als een onveranderlijk natuurverschijnsel worden aanvaard. Zijn empirische basis was beperkt en sterk verbonden met de massapartijen en vakbonden van zijn tijd. Hij maakt bovendien onvoldoende onderscheid tussen noodzakelijk leiderschap en oligarchie. Dat bepaalde mensen tijdelijk gespecialiseerde of vertegenwoordigende functies vervullen, betekent nog niet dat zij een gesloten en zelfreproducerende minderheid vormen. Delegatie wordt pas oligarchisch wanneer informatie, selectie, middelen en sanctiemacht zodanig worden geconcentreerd dat effectieve controle en vervanging verdwijnen.

Een tweede bezwaar is dat Michels vaak directe gelijkheid als maatstaf neemt en iedere duurzame scheiding tussen leiders en leden al snel als verlies van democratie beschouwt. Daardoor dreigt representatie vrijwel per definitie verdacht te worden. Democratische vertegenwoordiging kan echter legitiem blijven wanneer vertegenwoordigers een begrensd mandaat hebben, rekenschap afleggen, met tegenspraak worden geconfronteerd en daadwerkelijk kunnen worden vervangen.

Ook empirisch zijn tegenvoorbeelden gevonden. In Union Democracy onderzochten Seymour Martin Lipset, Martin Trow en James Coleman de International Typographical Union, waarin langdurige factievorming, lokale autonomie, competitieve verkiezingen en een actieve achterban interne democratie ondersteunden. Dit bewees niet dat oligarchische tendensen afwezig waren, maar wel dat zij niet steeds onvermijdelijk de uitkomst bepalen. Organisatorische omstandigheden kunnen macht zowel concentreren als begrenzen.

Robert Dahl formuleert een andere belangrijke correctie. Zelfs wanneer afzonderlijke partijen intern oligarchische kenmerken hebben, volgt daaruit nog niet dat het gehele politieke stelsel oligarchisch is. Concurrentie tussen partijen, vrije verkiezingen, onafhankelijke media en maatschappelijke pluraliteit kunnen leiders van buitenaf begrenzen. Tegelijk blijft Michels’ waarschuwing overeind: wanneer alle concurrerende organisaties intern door vergelijkbare professionele elites worden beheerst en dezelfde maatschappelijke groepen uitsluiten, kan formele concurrentie een beperkte circulatie binnen één bestuurlijke klasse worden.

Interessant is dat ook de vroegere Michels enige ruimte zag voor democratische tegenkrachten. Politieke vorming kon leden beter in staat stellen leiders kritisch te volgen, terwijl concurrentie tussen partijen en facties machtsconcentratie kon beperken. Daarmee kan zijn werk niet uitsluitend als een statische afwijzing van democratie worden gelezen. Het bevat tevens de aanzet tot een dynamische opvatting waarin oligarchische tendensen steeds opnieuw door tegenmacht moeten worden bestreden.

Zijn eigen politieke ontwikkeling maakt een kritische lezing echter noodzakelijk. Michels bewoog zich van het socialisme en revolutionaire syndicalisme in de richting van het Italiaanse fascisme en werd in de jaren twintig lid van Mussolini’s fascistische partij. Zijn democratische scepsis ging daardoor uiteindelijk samen met waardering voor sterk en charismatisch leiderschap. Dit laat zien hoe een empirische diagnose van elitevorming kan omslaan in politieke berusting of zelfs rechtvaardiging van autoritair leiderschap.

Precies daar moet een relationeel en corrigeerbaar model afstand nemen van Michels. Uit de voortdurende dreiging van oligarchie volgt niet dat democratie onmogelijk of zinloos is. Die conclusie zou bestaande machtsconcentratie tot natuurwet verheffen en pogingen tot democratisering bij voorbaat verdacht maken. Michels’ ijzeren wet kan beter worden begrepen als een ijzeren dreiging: een hardnekkige tendens waarmee ieder institutioneel ontwerp rekening moet houden, maar waarvan de uitkomst mede afhangt van menselijke keuzes, cultuur en tegenmacht.

Binnen een polycentrisch corrigeerbare democratie betekent dit dat macht nooit volledig aan één organisatorisch centrum mag worden toevertrouwd. Niet alleen de staat, maar ook politieke partijen, uitvoeringsorganisaties, bedrijven, platforms, vakbonden en maatschappelijke instellingen moeten worden beoordeeld op de vraag of hun besluitvorming open, betwistbaar en herstelbaar blijft. Polycentrisme voorkomt niet automatisch oligarchie — ook lokale of decentrale eenheden kunnen door kleine elites worden beheerst — maar maakt het wel mogelijk verschillende machtscentra elkaar te laten controleren en corrigeren.

Een corrigeerbaar ontwerp vraagt allereerst om zichtbaarheid van macht. Formele organogrammen zijn daarvoor onvoldoende. Ook zeggenschap over informatie, agenda’s, benoemingen, budgetten, digitale systemen en externe contacten moet worden onderzocht. Wie kan een onderwerp agenderen? Wie bepaalt welke gegevens beschikbaar zijn? Wie selecteert kandidaten en deskundigen? Wie kan een besluit laten heroverwegen? Door deze vragen systematisch te stellen, wordt informele macht beter herkenbaar.

Daarnaast moeten leidinggevende functies tijdelijk, begrensd en werkelijk vervangbaar zijn. Termijnlimieten, roulatie, open kandidaatstelling en transparante benoemingsprocedures kunnen voorkomen dat functies persoonlijk bezit worden. Tegelijk is alleen roulatie niet voldoende. Wanneer vertrekkende leiders hun opvolgers selecteren, informatie achterhouden of via informele netwerken invloed behouden, verandert de bezetting maar niet de machtsstructuur.

Een derde voorwaarde is een zelfstandige infrastructuur voor tegenspraak. Minderheden, interne oppositie en alternatieve kandidaten moeten toegang hebben tot leden, informatie en middelen. Onafhankelijke toezichts-, beroeps- en klachtenmechanismen kunnen misbruik zichtbaar maken. Ook beschermde ruimte voor klokkenluiders, vrije interne media en openbaarmaking van financiële en organisatorische gegevens zijn van belang. Tegenspraak mag niet afhankelijk zijn van toestemming door degene die wordt tegengesproken.

Een vierde voorwaarde betreft de spreiding van kennis en organisatorische capaciteit. Wanneer alleen beroepsbestuurders dossiers kunnen begrijpen of procedures kunnen gebruiken, blijft formele democratie leeg. Leden en burgers moeten tijdig begrijpelijke informatie krijgen en ondersteuning ontvangen om alternatieven te ontwikkelen. Democratische vorming is daarom geen decoratief educatieprogramma, maar een vorm van institutionele machtsverdeling.

Een vijfde voorwaarde is voortdurende evaluatie. Ook tegenmachten kunnen bureaucratiseren en toezichthouders kunnen op afstand raken van degenen die zij moeten beschermen. Nieuwe instituties zijn daarom niet vanzelf de oplossing. Iedere correctielaag moet zelf transparant, begrensd en corrigeerbaar zijn. Het doel is niet een zo groot mogelijk aantal organen, maar een samenhangend stelsel waarin functies duidelijk zijn, overlap bewust wordt vormgegeven en niemand zijn eigen controle volledig kan beheersen.

Hiermee raakt Michels aan een centraal uitgangspunt van het mens- en samenlevingswordingsmodel: instituties vormen niet alleen de omgeving waarin mensen handelen, maar mede de mensen die zij worden. Een oligarchische organisatie leert leden dat initiatief weinig zin heeft, dat deskundigheid uitsluitend bovenin aanwezig is en dat loyaliteit belangrijker is dan kritiek. Een democratische organisatie kan daarentegen zelfstandigheid, samenwerking, verantwoordelijkheid en het vermogen tot vreedzaam conflict bevorderen.

Voor menswording betekent Michels dat gelijkwaardigheid niet kan worden beperkt tot formeel lidmaatschap of stemrecht. Mensen moeten reële mogelijkheden hebben om kennis te verwerven, onderwerpen te agenderen, besluiten te betwisten en verantwoordelijkheid te dragen. Participatie moet invloed kunnen hebben; anders verandert zij in ritueel en bevordert zij eerder cynisme dan burgerschap.

Voor instituties betekent Michels dat organisaties steeds opnieuw moeten worden getoetst op de afstand tussen hun verklaarde doel en hun feitelijke machtsverhoudingen. Niet de naam van een organisatie — democratisch, publiek, coöperatief of maatschappelijk — is beslissend, maar de wijze waarop informatie, middelen, functies en correctiemogelijkheden zijn verdeeld.

Voor corrigeerbaarheid levert hij een blijvende waarschuwing: macht concentreert zich niet alleen door een openlijke greep naar de macht. Zij groeit vaak geleidelijk uit praktische afhankelijkheid, professionele routines en ongelijke beschikbaarheid van tijd en kennis. Juist daarom moet correctie vooraf institutioneel worden georganiseerd. Goede wil kan macht niet duurzaam begrenzen; daarvoor zijn rechten, tegenmacht, transparantie, democratische vaardigheden en een cultuur van tegenspraak nodig.

De blijvende waarde van Michels ligt in zijn scherpe analyse van de spanning tussen democratie en organisatie. Hij laat zien dat emancipatoire doelen zichzelf niet uitvoeren en dat iedere organisatie nieuwe machtsrelaties voortbrengt. Zijn beperking ligt in het fatalistische karakter van zijn ijzeren wet, zijn onderschatting van institutionele variatie en zijn soms elitaire mensbeeld. Zijn latere verbondenheid met het fascisme onderstreept bovendien het gevaar van een theorie die oligarchie als onontkoombaar beschouwt.

Een relationeel en corrigeerbaar mens- en samenlevingsmodel neemt Michels daarom ernstig, maar niet letterlijk. Het erkent dat leiderschap, specialisatie en delegatie telkens opnieuw machtsconcentratie kunnen veroorzaken. Tegelijk verwerpt het de gedachte dat democratische tegenmacht gedoemd is te mislukken. Democratie bestaat juist in het voortdurend zichtbaar maken, begrenzen en opnieuw verdelen van macht.

De hedendaagse vraag luidt daarom: bouwen wij organisaties waarin leiders tijdelijk verantwoordelijkheid dragen en door goed geïnformeerde leden kunnen worden gecorrigeerd — of creëren wij onder democratische namen professionele machtscentra die hun eigen agenda, opvolging en controle organiseren, terwijl burgers en leden slechts periodiek hun instemming mogen geven?



Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties