Monique Kremer — Inclusieve verzorgingsstaat, migratie en de institutionele organisatie van solidariteit
Hoe kan solidariteit worden georganiseerd in een samenleving die steeds diverser, internationaler en complexer wordt?
Monique Kremer behoort tot de hedendaagse Nederlandse
denkers op het gebied van de verzorgingsstaat, migratie, arbeidsmarkt,
burgerschap en sociale cohesie. Als wetenschapper en voormalig lid van de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft zij zich intensief
beziggehouden met de vraag hoe solidariteit en sociale bescherming kunnen
worden georganiseerd in een samenleving die wordt gekenmerkt door
globalisering, migratie, flexibilisering van arbeid en toenemende diversiteit.
Voor een relationeel mens- en samenlevingswordingsmodel is Kremer bijzonder
relevant omdat zij laat zien dat sociale verbondenheid geen vanzelfsprekend
gegeven is, maar een institutionele opgave.
De kern van Kremers denken ligt in de overtuiging dat de
verzorgingsstaat niet alleen een economisch of bestuurlijk systeem is, maar ook
een morele en sociale infrastructuur. Sociale zekerheid, onderwijs, zorg,
huisvesting en arbeidsmarktbeleid organiseren niet alleen de verdeling van
middelen, maar beïnvloeden ook hoe mensen zich tot elkaar verhouden en in welke
mate zij zich onderdeel voelen van een gedeelde gemeenschap.
Daarmee raakt Kremer direct aan relationele
samenlevingswording. Mensen leven niet als geïsoleerde individuen naast elkaar.
Zij zijn verbonden door instituties die risico’s verdelen, kansen creëren en
wederzijdse afhankelijkheden organiseren. De vraag hoe solidariteit wordt
vormgegeven, is daarom tegelijk een vraag naar de kwaliteit van de samenleving.
Voor het relationeel-procesmatige model vormt dit een
fundamenteel inzicht. Samenlevingswording vereist instituties die niet alleen
individuele vrijheid beschermen, maar ook collectieve verantwoordelijkheid
mogelijk maken. Sociale cohesie ontstaat niet uitsluitend uit culturele
overeenstemming, maar ook uit gedeelde instituties die burgers het gevoel geven
dat zij deel uitmaken van dezelfde politieke gemeenschap.
Een belangrijk thema in Kremers werk is de relatie tussen
migratie en solidariteit. In veel politieke debatten worden deze begrippen
tegenover elkaar geplaatst. Volgens Kremer is de centrale vraag echter niet óf
migratie en solidariteit verenigbaar zijn, maar onder welke institutionele
voorwaarden dit mogelijk wordt. Diversiteit hoeft solidariteit niet
noodzakelijk te ondermijnen, maar vraagt wel om actief beleid dat inclusie,
participatie en wederzijdse betrokkenheid bevordert.
Voor het relationeel mens- en samenlevingswordingsmodel
is dit bijzonder relevant. Een samenleving wordt niet menselijker door
verschillen te ontkennen, maar door instituties te ontwikkelen die mensen met
verschillende achtergronden in staat stellen samen te leven als gelijken.
Samenlevingswording is daarom niet het verdwijnen van diversiteit, maar het
creëren van gedeelde kaders waarin diversiteit kan worden gedragen.
Kremer benadrukt daarnaast het belang van werk en
participatie. Arbeid is volgens haar niet alleen een bron van inkomen, maar ook
een belangrijke vorm van maatschappelijke betrokkenheid. Toegang tot werk
beïnvloedt sociale integratie, zelfrespect, sociale contacten en het gevoel
ergens bij te horen.
Hiermee sluit zij aan bij de dimensies van
bestaanszekerheid, ontwikkelingsruimte en gelijkwaardigheid binnen het
relationeel model. Mensen kunnen zich alleen volwaardig ontwikkelen wanneer zij
beschikken over reële mogelijkheden om deel te nemen aan het economische en
maatschappelijke leven.
Een tweede belangrijke bijdrage betreft haar analyse van
de toekomst van de verzorgingsstaat. Kremer laat zien dat traditionele vormen
van sociale bescherming onder druk staan door flexibilisering van arbeid,
platformeconomieën, migratie, vergrijzing en veranderende gezinsstructuren.
Hierdoor ontstaat de noodzaak om solidariteit opnieuw institutioneel vorm te
geven.
Voor het polycentrisch corrigeerbaar democratiemodel is
dit een belangrijk inzicht. Instituties moeten niet alleen bescherming bieden,
maar ook kunnen leren en zich aanpassen aan veranderende omstandigheden. Een
verzorgingsstaat die niet corrigeerbaar is, loopt het risico nieuwe vormen van
uitsluiting te creëren.
Kremer benadrukt daarom het belang van institutionele
innovatie. Sociale bescherming moet niet uitsluitend worden ontworpen voor de
standaardarbeider of het traditionele gezin, maar rekening houden met de
diversiteit van hedendaagse levenslopen. Hiermee draagt zij bij aan een
dynamisch begrip van rechtvaardigheid dat gevoelig is voor maatschappelijke
veranderingen.
Haar werk sluit nauw aan bij denkers als Marga Klompé,
Joan Tronto, Amartya Sen, Martha Nussbaum en Evelien Tonkens. Waar Klompé de
institutionele basis van sociale bescherming benadrukt, Tronto zorg centraal
stelt, Sen en Nussbaum ontwikkelingsmogelijkheden analyseren en Tonkens
aandacht vraagt voor burgerschap en participatie, laat Kremer zien hoe
solidariteit institutioneel kan worden georganiseerd in een diverse
samenleving.
Tegelijk moet Kremer kritisch worden gelezen. Haar nadruk
op institutionele inclusie en sociale samenhang moet worden aangevuld met
analyses van mondiale economische machtsverhoudingen, geopolitieke
ontwikkelingen en structurele ongelijkheid. Een relationeel model verbindt haar
inzichten daarom met bredere vragen over democratie, macht en rechtvaardigheid.
Desondanks blijft haar bijdrage bijzonder waardevol.
Kremer maakt zichtbaar dat solidariteit geen vanzelfsprekende emotie of
culturele eigenschap is, maar een institutioneel georganiseerde praktijk.
Samenlevingen blijven alleen stabiel en rechtvaardig wanneer zij mechanismen
ontwikkelen die wederzijdse betrokkenheid en gedeelde verantwoordelijkheid
ondersteunen.
Voor menswording betekent Kremer dat menselijke
ontwikkeling afhankelijk is van toegang tot werk, sociale bescherming,
erkenning en maatschappelijke participatie.
Voor samenlevingswording betekent dit dat solidariteit
actief moet worden georganiseerd via instituties die verschillen overbruggen en
mensen als gelijken behandelen.
Voor corrigeerbaarheid levert Kremer een fundamenteel
inzicht: een samenleving moet voortdurend onderzoeken of haar instituties nog
aansluiten bij de diversiteit van levenslopen, achtergronden en
maatschappelijke omstandigheden. Waar groepen structureel buiten de bescherming
van de gemeenschap vallen, is institutionele aanpassing noodzakelijk.
De blijvende waarde van Monique Kremer ligt in haar
vermogen om verzorgingsstaat, migratie, arbeid en solidariteit met elkaar te
verbinden. Zij laat zien dat sociale cohesie niet ontstaat ondanks diversiteit,
maar juist kan groeien wanneer instituties erin slagen diversiteit op een
rechtvaardige manier te organiseren.
Voor het relationeel mens- en samenlevingswordingsmodel
vormt zij daarom een belangrijke Nederlandse denker. Haar werk maakt zichtbaar
dat menswording en samenlevingswording afhankelijk zijn van instituties die
niet alleen vrijheid beschermen, maar ook verbondenheid, participatie en
gedeelde verantwoordelijkheid mogelijk maken.
De hedendaagse vraag luidt daarom: beschikken wij over
instituties die solidariteit kunnen dragen in een diverse en veranderende
samenleving — of laten wij maatschappelijke verschillen uitgroeien tot nieuwe
vormen van uitsluiting, onzekerheid en wederzijds wantrouwen?
Raadpleeg het volledige onderzoek:
Menswording in gesprek met grote denkers
https://www.researchgate.net/publication/410488178_Menswording_in_gesprek_met_grote_denkers

Reacties
Een reactie posten