Moeten we vermogen belasten — of vooral de bron van het rendement?
Eigendom,
vermogen en belastingmix
1 Van fiscale
rechtvaardigheid naar economische ordening
Het voorafgaande hoofdstuk heeft de
normatieve en juridische grondslagen van fiscale rechtvaardigheid uitvoerig
behandeld. Daar is uiteengezet waarom een rechtvaardige belastingmix arbeid,
vermogen, kapitaalinkomen, nalatenschappen, economische rente en negatieve
externaliteiten in samenhang moet bezien. Ook zijn de verhouding tot het eigendomsrecht,
de juridische houdbaarheid van verschillende heffingen, de Nederlandse
vormgeving en een indicatief begrotingsscenario besproken. Die analyse hoeft
hier niet te worden herhaald.
In dit hoofdstuk staat een andere vraag
centraal: welke economische orde wordt door eigendomsrechten,
vermogensstructuren en fiscale prikkels voortgebracht? Belastingen zijn binnen
die benadering geen zelfstandig onderwerp, maar een onderdeel van de institutionele
inrichting van de economie. Zij beïnvloeden welke vormen van bezit
aantrekkelijk zijn, hoe kapitaal wordt ingezet, waar rendement ontstaat, welke
kosten kunnen worden afgewenteld en in welke mate economische macht zich
concentreert.
De centrale these van deze paragraaf
luidt daarom:
Een menswordings-economie belast
vermogen niet uitsluitend naar juridische vorm of nominale omvang, maar
onderscheidt de economische bronnen van rendement. Productieve investeringen,
normale vermogensvorming en ondernemingsrisico vragen een andere behandeling
dan grondrente, monopoliewinsten, erfelijke machtsconcentratie, financiële
arbitrage en rendement dat ontstaat door de afwenteling van maatschappelijke of
ecologische kosten.
Dat uitgangspunt betekent niet dat ieder
productief genoemd vermogen fiscaal moet worden ontzien. Het betekent evenmin
dat passief sparen of beleggen op zichzelf maatschappelijk ongewenst is.
Pensioenbesparingen, langetermijnbeleggingen en risicospreiding kunnen juist
belangrijke economische functies vervullen. Omgekeerd kan actief beheerd
ondernemingsvermogen sterk extractief werken, bijvoorbeeld wanneer rendement
vooral wordt gerealiseerd door monopolievorming, schuldfinanciering,
belastingarbitrage, grondschaarste of het afwentelen van milieu- en
arbeidskosten.
Het onderscheid tussen actief en passief
vermogen is daarom slechts bruikbaar wanneer het wordt verfijnd tot een analyse
van de economische functie en de bron van het rendement. Niet het etiket van
het vermogensbestanddeel, maar de onderliggende waardevorming moet centraal
staan.
2 Eigendom als
juridisch gecodeerde economische macht
Eigendom wordt in het economische denken
vaak voorgesteld als een vooraf gegeven recht waarbinnen markten vervolgens
kunnen functioneren. Institutioneel bezien is de volgorde omgekeerd. Eigendom
bestaat doordat de rechtsorde bepaalt welke aanspraken worden erkend, tegenover
wie zij kunnen worden ingeroepen, hoe lang zij voortduren, hoe zij kunnen
worden overgedragen en welke voorrang zij hebben boven concurrerende
aanspraken.
Katharina Pistor laat in The Code of
Capital zien dat activa niet uitsluitend door hun fysieke of economische
eigenschappen kapitaal worden. Zij worden kapitaal doordat het recht hun
specifieke eigenschappen verleent. Pistor onderscheidt daarbij onder meer
prioriteit, duurzaamheid, universaliteit en convertibiliteit. Door deze
juridische codering kan een aanspraak voorrang krijgen boven andere aanspraken,
worden beschermd tegen tijdsverloop of faillissement, tegenover derden worden
afgedwongen en zo nodig worden omgezet in door de staat gegarandeerde
betaalmiddelen. Land, ondernemingen, intellectuele-eigendomsrechten, effecten,
derivaten en andere financiële aanspraken verkrijgen hun economische waarde
daardoor mede via privaatrecht, ondernemingsrecht, insolventierecht en
internationaal privaatrecht. Pistors analyse maakt zichtbaar dat kapitaal geen
louter economisch bezit is, maar ook een door de rechtsorde georganiseerde
machtspositie.
Dit inzicht verdiept de analyses van
Rawls en Piketty uit het voorafgaande hoofdstuk. Rawls beschouwt eigendom als
onderdeel van de basisstructuur van de samenleving. De vraag is niet alleen of
afzonderlijke transacties vrijwillig plaatsvinden, maar of de
achtergrondinstituties waarbinnen die transacties plaatsvinden eerlijke kansen
en de reële waarde van politieke vrijheden beschermen. Zijn voorkeur voor een property-owning
democracy berust daarom op een spreiding van productieve hulpbronnen
voorafgaand aan de marktuitkomsten, en niet uitsluitend op inkomensoverdrachten
achteraf.
Piketty laat vervolgens zien hoe eenmaal
opgebouwde vermogensposities zichzelf kunnen versterken. Wanneer rendementen op
vermogen langdurig hoger zijn dan de groei van inkomen en productie, en de
eigendom van vermogen sterk geconcentreerd is, kan reeds bestaand bezit sneller
groeien dan inkomen uit arbeid. De formule (r>g) is geen natuurwet en
voorspelt niet automatisch een bepaalde mate van ongelijkheid. Zij benoemt een
accumulatiemechanisme waarvan de uitkomst afhangt van instituties, belastingen,
besparingsgedrag, economische groei, erfenissen en politieke
machtsverhoudingen. Juist daarom benadrukken Piketty, Saez en Zucman dat
belastingen op kapitaalinkomen, zeer grote vermogens en nalatenschappen als
complementaire instrumenten moeten worden beoordeeld. Hun analyse onderstreept
tegelijk dat de afweging tussen gelijkheid, opbrengst, ontwijking en
economische dynamiek niet met één belasting kan worden opgelost.
Pistor voegt hieraan een belangrijke
institutionele waarschuwing toe. Wanneer het belastingrecht uitsluitend kijkt
naar formele categorieën, kunnen vermogensbezitters hun aanspraken opnieuw
coderen. Arbeidsinkomen wordt dan kapitaalinkomen, persoonlijk vermogen wordt
ondernemingsvermogen, eigendom wordt ondergebracht in een trust, stichting of
fonds en een belastbare opbrengst wordt omgezet in een lening, derivaat of
ongerealiseerde waardestijging. Een economisch consistente belastingmix vereist
daarom:
- registratie van de uiteindelijk belanghebbende;
- samenhang tussen belastingrecht, ondernemingsrecht en
insolventierecht;
- waardering van economisch gelijkwaardige aanspraken volgens
vergelijkbare maatstaven;
- algemene anti-misbruikregels en toepassing van het beginsel dat de
economische werkelijkheid boven de juridische verpakking gaat;
- democratische controle op de wijze waarop nieuwe vermogensrechten
juridisch worden gecodeerd.
Daarbij blijft rechtszekerheid
essentieel. Een economische benadering mag niet ontaarden in onvoorspelbare
belastingheffing achteraf. Belastbare feiten, waarderingsmethoden, termijnen en
rechtsgevolgen moeten vooraf kenbaar zijn en onderworpen blijven aan
onafhankelijke rechtsbescherming. De les van Pistor is niet dat
privaatrechtelijke autonomie moet verdwijnen, maar dat de maatschappelijke
gevolgen van juridische vermogensconstructies niet buiten het bereik van
democratische besluitvorming mogen worden geplaatst.
3 Van actief en
passief vermogen naar bronnen van rendement
De tweedeling tussen actief en passief
vermogen is conceptueel aantrekkelijk, maar juridisch en economisch onvoldoende
scherp. Zij wekt de indruk dat ieder ondernemingsvermogen productief is en
ieder beleggingsvermogen passief. De werkelijkheid is complexer.
Een aandelenbelang van een oprichter kan
innovatie en ondernemingsrisico vertegenwoordigen, maar hetzelfde
aandelenbelang kan na verloop van tijd vooral marktmacht of erfelijk bezit
belichamen. Een institutionele belegger kan passief lijken, maar via langetermijnfinanciering
productieve investeringen mogelijk maken. Een vastgoedondernemer kan woningen
bouwen en verduurzamen, maar ook rendement behalen uit kunstmatig in stand
gehouden schaarste. Private equity kan management en productiviteit verbeteren,
maar eveneens opbrengsten realiseren door excessieve leverage, verkoop van
activa en verschuiving van risico’s naar werknemers, schuldeisers en de
overheid.
De private opbrengst van vermogen kan
analytisch worden ontleed in verschillende componenten:
- (r_nK) voor het normale rendement op geïnvesteerd kapitaal;
- (\pi_i) voor tijdelijke innovatiewinst;
- (\rho_l) voor locatie- en schaarsterente;
- (\rho_m) voor rendement uit markt- of monopoliemacht;
- (\rho_j) voor rendement uit juridische privileges of fiscale
arbitrage;
- (C_a) voor kosten die op werknemers, consumenten, de samenleving,
andere landen of de ecologie worden afgewenteld.
Deze ontleding is geen rechtstreeks
toepasbare boekhoudkundige identiteit. De componenten zijn niet altijd exact
van elkaar te scheiden. Zij biedt wel een betere grondslag voor institutioneel
ontwerp dan het enkele onderscheid tussen actief en passief bezit.
|
Bron van het rendement |
Economische betekenis |
Maatschappelijke
beoordeling |
Passende institutionele
reactie |
|
Normaal rendement op
kapitaal |
Vergoeding voor uitstel
van consumptie, risico en financiering |
Nodig voor investeringen
en vermogensvorming |
Consistente belasting van
werkelijk rendement; voorkom willekeur tussen financieringsvormen |
|
Tijdelijke innovatiewinst |
Beloning voor succesvolle
vernieuwing en onzeker ondernemingsrisico |
Kan innovatie stimuleren,
maar mag niet onbeperkt worden bestendigd |
Tijdelijke bescherming;
voorwaarden bij publieke financiering; mededinging na afloop |
|
Grond- en locatierente |
Rendement door schaarste,
infrastructuur en bestemmingsbesluiten |
Veelal collectief
gecreëerde waardestijging |
Grondwaardebelasting,
baatbelasting of afroming bij bestemmingswijziging |
|
Monopolie- en
platformrente |
Rendement door marktmacht,
netwerkeffecten of uitsluiting |
Kan innovatiebeloning
overschrijden en afhankelijkheid creëren |
Mededingingsrecht,
interoperabiliteit en aanvullende belasting op overwinst |
|
Juridische en fiscale
rente |
Rendement door exclusieve
rechten, voorrang, arbitrage of belastingconstructies |
Berust mede op
institutionele privileges |
Anti-misbruikregels,
transparantie en neutraliteit tussen rechtsvormen |
|
Financiële arbitrage |
Rendement uit zeer korte
prijsverschillen, leverage of regelgevingsverschillen |
Kan liquiditeit leveren,
maar ook instabiliteit en extractie vergroten |
Financiële regulering,
hefboomlimieten en eventueel een beperkte transactiebelasting |
|
Afgewentelde kosten |
Privaat rendement doordat
sociale of ecologische schade niet wordt betaald |
Geen maatschappelijke
waardecreatie, maar kostenverschuiving |
Schadeheffing, normering,
aansprakelijkheid en absolute ecologische grenzen |
|
Geërfde vermogensmacht |
Toegang tot rendement en
invloed zonder eigen economische prestatie |
Kan kansengelijkheid en
democratische gelijkwaardigheid aantasten |
Progressieve
verkrijgersbelasting en brede vermogensvorming |
De tabel maakt duidelijk waarom een
algemene vrijstelling voor “actief vermogen” problematisch is. Zodra de fiscale
behandeling afhankelijk wordt van een juridische kwalificatie als
ondernemingsvermogen, ontstaat een sterke prikkel om passieve beleggingen in
ondernemingsstructuren onder te brengen. Bovendien zegt actieve betrokkenheid
van de eigenaar nog weinig over de maatschappelijke waarde van de activiteit.
Een actief geëxploiteerd vervuilend monopolie wordt niet productief in
normatieve zin doordat de eigenaar er veel tijd aan besteedt.
Een robuuster onderscheid sluit aan bij
de bron van het rendement, de gelopen risico’s, de duur van de investering, de
additionele productie die tot stand komt en de maatschappelijke kosten die
ermee verbonden zijn. Waar precieze differentiatie niet uitvoerbaar is,
verdient een brede en zo neutraal mogelijke belastinggrondslag de voorkeur,
aangevuld met gerichte faciliteiten voor aantoonbare liquiditeitsproblemen,
investeringen of maatschappelijke prestaties. Uitstel van betaling is daarbij
vaak beter dan een permanente vrijstelling: het beschermt de continuïteit van
een onderneming zonder het onderliggende vermogen definitief buiten de
belastinggrondslag te plaatsen.
4 Mariana
Mazzucato: wie creëert waarde en wie ontvangt het rendement?
Mariana Mazzucato bekritiseert het
economische uitgangspunt dat publieke instituties pas in beeld komen wanneer
een vooraf bestaande markt faalt. Overheden investeren in onderwijs,
fundamenteel onderzoek, infrastructuur, gezondheidszorg, digitale technologie
en energietransitie. Zij corrigeren markten dus niet uitsluitend, maar creëren
en sturen mede de voorwaarden waaronder private waardeontwikkeling mogelijk
wordt. Publieke waarde ontstaat volgens Mazzucato wanneer publieke en private
actoren gezamenlijk markten vormgeven in de richting van democratisch
vastgestelde doelen. Haar benadering van publieke waarde verbindt economische
innovatie daarom met publieke doelgerichtheid en institutionele capaciteit.
Deze analyse heeft een belangrijke
consequentie voor eigendom en fiscaliteit. Wanneer de overheid alleen de
risico’s van innovatie draagt, terwijl succesvolle opbrengsten volledig worden
geprivatiseerd, ontstaat een asymmetrische verdeling. Mislukte investeringen
komen voor rekening van de gemeenschap; succesvolle innovaties leveren private
monopoliewinsten op. Een belasting achteraf kan een deel van deze opbrengsten
terughalen, maar is niet altijd het meest doelmatige instrument.
De verdeling van risico en rendement
moet daarom al bij de investering worden geregeld. Mogelijke instrumenten zijn:
- terugbetalings- en winstdelingsclausules bij succesvolle publiek
gefinancierde innovaties;
- publieke aandelenbelangen of royaltyrechten;
- prijs- en toegankelijkheidsvoorwaarden bij subsidies voor
geneesmiddelen, energie of digitale infrastructuur;
- open licenties wanneer fundamentele kennis grotendeels publiek is
gefinancierd;
- terugvorderingsclausules wanneer ondernemingen publieke steun
gebruiken voor dividend, aandeleninkoop of belastingontwijking;
- voorwaarden inzake arbeidskwaliteit, emissiereductie en kennisdeling.
Dit is geen pleidooi voor een overheid
die zelfstandig bepaalt welke onderneming maatschappelijk waardevol is.
Publieke investeringen kunnen mislukken, politiek worden gekaapt of gevestigde
ondernemingen beschermen. Juist daarom moeten publieke financieringsbesluiten
transparant zijn, toetsbare doelen bevatten, periodiek worden geëvalueerd en
corrigeerbaar blijven. Mazzucato’s bijdrage is niet de stelling dat publieke
actoren per definitie waarde creëren, maar dat de publieke bijdrage aan
innovatie niet uit de economische analyse mag worden weggeschreven zodra
private winst ontstaat.
Een menswordings-economie combineert
daarom belastingheffing met een voorafgaande ordening van eigendoms- en
rendementsrechten. Zij vraagt niet alleen hoeveel belasting over een private
opbrengst moet worden geheven, maar ook of die opbrengst volledig privaat
behoort te zijn wanneer de onderliggende waarde door publieke kennis,
infrastructuur, bescherming of financiering tot stand is gebracht.
5 Glen Weyl en
Eric Posner: eigendom als institutioneel ontwerp
Glen Weyl en Eric Posner benaderen
eigendom vanuit de economische spanning tussen investeringszekerheid en
allocatieve efficiëntie. Sterke eigendomsrechten geven bezitters zekerheid en
stimuleren onderhoud en investeringen, maar kunnen ook leiden tot onderbenutting,
speculatief vasthouden en monopoliemacht. Een eigenaar kan een schaars goed
aanhouden, ook wanneer een ander er aanzienlijk meer maatschappelijke of
economische waarde mee zou kunnen creëren.
Als experimentele oplossing stellen
Posner en Weyl een Common Ownership Self-Assessed Tax voor. De eigenaar
bepaalt periodiek zelf de waarde van het goed, betaalt belasting over die
opgegeven waarde en moet bereid zijn het goed tegen die prijs aan een ander te
verkopen. Wie een lage waarde opgeeft, betaalt weinig belasting maar loopt een
groter risico het goed te moeten verkopen. Wie het goed beslist wil behouden,
moet een hogere waarde opgeven en betaalt daardoor meer belasting. Het
mechanisme combineert zo zelfwaardering met een markttoets. Hun oorspronkelijke
voorstel is bedoeld om strategische onderwaardering en het inefficiënt
vasthouden van schaarse goederen tegen te gaan.
Als algemeen eigendomsregime is dit
voorstel moeilijk verenigbaar met persoonlijke autonomie en bestaanszekerheid.
Een woning, familiebezit of klein bedrijf heeft vaak een waarde die niet in een
marktprijs kan worden uitgedrukt. Een permanente verkoopplicht kan
investeringen ontmoedigen en mensen in een fundamenteel onzekere positie
plaatsen. Bovendien beschikken kapitaalkrachtige partijen over meer
mogelijkheden om goederen op te kopen dan burgers met beperkte financiële
middelen.
Het voorstel is echter waardevol als
gedachte-experiment en kan selectief bruikbaar zijn voor vermogensrechten die:
- door de overheid worden gecreëerd;
- schaars en overdraagbaar zijn;
- geen sterke persoonlijke gebondenheid kennen;
- gevoelig zijn voor speculatief vasthouden;
- periodiek opnieuw kunnen worden toegewezen.
Voorbeelden zijn frequentierechten,
concessies, winningsrechten, bepaalde ontwikkelrechten en ongebruikte
commerciële grondposities. Bij dergelijke rechten kan een periodieke veiling,
gebruiksplicht, aflopende vergunning of zelfwaarderingsmechanisme voorkomen dat
een tijdelijk verleend exclusief recht verandert in een onbeperkte private
rente.
De bredere les is dat eigendom niet
uitsluitend kan worden geordend door de keuze tussen volledig privaat of
volledig publiek bezit. Er bestaat een spectrum van eigendomsvormen:
individueel eigendom, coöperatief bezit, werknemersaandelen, gemeenschappelijk
beheer, tijdelijke concessies, publieke deelnemingen, gebruiksrechten en
voorwaardelijke licenties. De keuze tussen deze vormen moet afhangen van de
aard van het goed, de investeringsbehoefte, de schaarste, de maatschappelijke
afhankelijkheid en de mogelijkheid van machtsmisbruik.
6 De
belastingmix als economisch portfolio
Het voorafgaande hoofdstuk heeft reeds
een normatief en begrotingstechnisch scenario voor een rechtvaardige
belastingmix ontwikkeld. Het zou verwarrend zijn hier een tweede stelsel van
tarieven, vrijstellingen en geraamde opbrengsten naast te plaatsen. Deze
paragraaf vult die analyse daarom aan met een economische functiematrix.
Een belastingmix lijkt op een portfolio.
Iedere belastinggrondslag heeft een eigen opbrengstprofiel, verdelingseffect en
gedragsreactie. Arbeid en consumptie vormen relatief brede en stabiele
grondslagen, maar belastingen daarop kunnen de koopkracht en arbeidsparticipatie
aan de onderkant aantasten. Belastingen op mobiele winsten en financiële
vermogens kunnen progressiever zijn, maar zijn gevoeliger voor verplaatsing,
uitstel en juridische herstructurering. Grond is immobiel en daardoor efficiënt
belastbaar. Milieuheffingen behoren hun eigen grondslag juist te verkleinen.
Een belasting op financiële transacties kan bepaalde handelsstrategieën
afremmen, maar vormt geen stabiele hoofdpijler voor de overheidsfinanciën.
Bij de beoordeling zijn vijf economische
criteria van belang.
Ten eerste:
belastingincidentie. De partij die de belasting juridisch afdraagt, draagt
niet noodzakelijk de economische last. Een werkgeversheffing kan gedeeltelijk
in lagere lonen terechtkomen; een winstbelasting kan drukken op aandeelhouders,
werknemers of consumenten; een milieubelasting kan via prijzen worden
doorberekend. De uiteindelijke verdeling hangt af van marktstructuur en van de
elasticiteit van vraag en aanbod. Bij grond is het aanbod vrijwel vast, zodat
de last van een grondwaardebelasting in belangrijke mate bij de eigenaar
terechtkomt en zich mede kapitaliseert in een lagere grondprijs.
Ten tweede: gedragsreacties.
Hogere tarieven kunnen arbeid, consumptie, investeringen, financieringsvormen,
vestigingsplaatsen en juridische structuren beïnvloeden. Een statische
opbrengstraming, waarin de belastinggrondslag onveranderd blijft, is daarom
onvoldoende. Tegelijkertijd mag niet iedere gedragsreactie als economisch
verlies worden beschouwd. Wanneer een vervuilingsheffing emissies vermindert of
een leegstandsheffing grond sneller beschikbaar maakt, is de afname van de
belastinggrondslag juist onderdeel van het beleidsdoel.
Ten derde: economische
rente. Belastingen op opbrengsten boven het voor investering
noodzakelijke rendement zijn in beginsel minder verstorend dan belastingen op
de normale vergoeding voor arbeid en kapitaal. Dat maakt grondrente,
monopoliewinsten, winningsrechten en bepaalde locatievoordelen relatief
geschikte grondslagen.
Ten vierde:
complementariteit. Een belasting op werkelijk kapitaalinkomen, een beperkte
belasting op zeer grote nettovermogens en een erfbelasting vervullen
verschillende functies. De eerste belast het rendement, de tweede begrenst
extreme vermogens- en machtsconcentratie en de derde beperkt dynastieke
overdracht. Geen van deze belastingen kan de andere volledig vervangen.
Ten vijfde: bestuurlijke
robuustheid. Een theoretisch optimaal tarief is van weinig waarde
wanneer de grondslag niet kan worden vastgesteld, de uitvoering structureel
tekortschiet of belastingplichtigen eenvoudig kunnen uitwijken naar een andere
juridische categorie. Eenvoud, gegevenskwaliteit, internationale
informatie-uitwisseling en effectieve rechtsbescherming behoren daarom tot het
economische ontwerp zelf.
|
Belastinggrondslag |
Plaats
in de mix |
Voornaamste
economische functie |
Gewenste
richting |
Belangrijkste
waarborg |
|
Arbeid
en persoonlijk inkomen |
Brede
financieringsbasis |
Financiering
van publieke voorzieningen en sociale zekerheid |
Lagere
effectieve druk aan de onder- en middenkant; voorkom marginale-drukpieken |
Integratie
met inkomensondersteuning en sociale premies |
|
Consumptie |
Stabiele
aanvullende basis |
Brede
financiering en eventuele sturing van schadelijke consumptie |
Brede
grondslag; gerichte compensatie in plaats van veel verlaagde tarieven |
Bescherming
van lage inkomens |
|
Werkelijk
kapitaalinkomen en ondernemingswinst |
Reguliere
draagkrachtbasis |
Belasten
van gerealiseerd en aangegroeid rendement |
Meer
neutraliteit tussen rechts- en financieringsvormen |
Verliesverrekening,
waarderingsregels en anti-arbitrage |
|
Zeer
grote nettovermogens |
Gerichte
correctieve basis |
Begrenzen
van extreme concentratie en vergroten van transparantie |
Hoge
vrijstellingsdrempel, progressieve heffing en brede grondslag |
Uitstel
bij aantoonbare illiquiditeit; weinig categorale vrijstellingen |
|
Schenkingen
en nalatenschappen |
Intergenerationele
correctie |
Beschermen
van kansengelijkheid en tegengaan van dynastieke concentratie |
Cumulatieve
verkrijgersbelasting met progressie |
Betalingsfaciliteit
voor reële bedrijfscontinuïteit |
|
Grond-
en locatiewaarde |
Structureel
belangrijkere basis |
Afromen
van collectief gecreëerde schaarste- en locatierente |
Groter
aandeel; waar mogelijk in plaats van transactiebelastingen |
Regelmatige
waardering, bezwaar en uitstel voor liquiditeitsarme bewoners |
|
Ecologische
schade en grondstoffengebruik |
Correctieve
en tijdelijk opbrengstgevende basis |
Internaliseren
van schade en sturen van fysieke productie |
Oplopend
zolang schade onvoldoende is beprijsd |
Sociale
terugsluis, alternatieven en koppeling aan absolute normen |
|
Multinationale
overwinst |
Internationale
ondergrens |
Tegengaan
van winstverschuiving en schadelijke belastingconcurrentie |
Effectieve
minimumheffing en bronheffing |
Landenrapportage
en internationale samenwerking |
|
Financiële
transacties en sectorale financiële rente |
Beperkte
aanvullende basis |
Afremmen
van zeer kortetermijnhandel en belasten van financiële infrastructuur |
Lage,
brede en internationaal gecoördineerde heffing |
Bescherming
van reële financiering, pensioenopbouw en marktliquiditeit |
De mix moet dus niet worden opgevat als
een vast percentage dat onafhankelijk van tijd en plaats kan worden afgeleid.
De omvang van iedere grondslag hangt af van de economische structuur, de
publieke uitgaven, de vermogensverdeling en internationale afspraken. De tabel
geeft een functionele richting: minder afhankelijkheid van arbeid, een grotere
rol voor moeilijk verplaatsbare en uit rente bestaande grondslagen, een
consistente belasting van kapitaalinkomen en een correctieve beprijzing van
ecologische schade.
7 Vermogen en
nalatenschappen: economische verfijning van de fiscale analyse
De normatieve rechtvaardiging en de
juridische vormgeving van vermogens- en erfbelasting zijn in het voorafgaande
hoofdstuk behandeld. Economisch verdient nog één punt nadruk: een belasting op
vermogen is niet gelijk aan een belasting op het rendement daarvan.
Bij een vermogen (W), een rendement (r)
en een jaarlijkse vermogensbelasting (\tau_w) bedraagt de heffing:
Hieruit volgt niet dat een
vermogensbelasting onwenselijk is. Zij kan een zelfstandige functie hebben bij
zeer grote vermogens, omdat omvangrijk bezit naast inkomen ook zekerheid,
toegang, onderhandelingsmacht en politieke invloed vertegenwoordigt. Wel volgt
eruit dat tarieven niet los van rendement en liquiditeit kunnen worden
vastgesteld.
Categorale vrijstellingen voor
ondernemingsvermogen bieden daarbij slechts schijnbaar een oplossing. Zij
stimuleren de omzetting van beleggingsvermogen in fiscaal ondernemingsvermogen
en bevoordelen bezitters die toegang hebben tot gespecialiseerde juridische
structuren. Economisch is het zuiverder om:
- een hoge algemene vrijstellingsdrempel te hanteren;
- de grondslag breed te houden;
- normale bedrijfsverliezen en schulden volgens consistente regels te
verwerken;
- uitstel of gespreide betaling toe te staan bij aantoonbare
illiquiditeit;
- uitzonderingen te verbinden aan controleerbare continuïteits- en
investeringsvoorwaarden;
- passieve vermogensbestanddelen binnen ondernemingen niet automatisch
als productief aan te merken.
Voor de erfbelasting geldt een
vergelijkbare redenering. Een verkrijgersbelasting die rekening houdt met wat
iemand gedurende zijn leven cumulatief ontvangt, sluit beter aan bij
kansengelijkheid dan een heffing die uitsluitend naar de omvang van één nalatenschap
of de juridische relatie met één erflater kijkt. De OECD-analyse van
erfbelasting concludeert dat een goed ontworpen heffing op grotere
vermogensoverdrachten zowel vermogensconcentratie als kansenongelijkheid kan
verminderen en relatief beperkte efficiëntiekosten kan hebben.
Voor familiebedrijven verdient
betalingsuitstel meestal de voorkeur boven een ruime definitieve vrijstelling.
Uitstel beschermt de liquiditeit en continuïteit van de onderneming. Een
permanente vrijstelling maakt daarentegen ook de overdracht van zeer grote
vermogens belastingvrij en creëert een structureel verschil tussen
ondernemerskinderen en andere erfgenamen.
8
Grondwaardebelasting: collectief gecreëerde waarde terughalen
Een grondwaardebelasting sluit bijzonder
goed aan bij het onderscheid tussen waardecreatie en economische rente. De
waarde van een gebouw kan toenemen door onderhoud, investering en verbetering
door de eigenaar. De waarde van de onderliggende grond stijgt daarentegen vaak
door bevolkingsgroei, publieke infrastructuur, bereikbaarheid, voorzieningen,
planologische besluiten en algemene maatschappelijke ontwikkeling.
De belastinggrondslag bestaat daarom uit
de onverbeterde waarde van de grond:
Economisch heeft deze heffing
verschillende voordelen. Grond kan niet naar een andere jurisdictie worden
verplaatst. De belasting vermindert het fysieke aanbod niet en wordt in
belangrijke mate verwerkt in de prijs die een koper voor de grond wil betalen.
Zij kan speculatief vasthouden en langdurige onderbenutting ontmoedigen,
terwijl investeringen in gebouwen relatief worden ontzien. Het IMF wijst erop
dat een heffing op grondwaarde sterke prikkels kan geven voor efficiënt
grondgebruik, juist doordat het aanbod van grond vrijwel vastligt.
De voordelen ontstaan echter alleen bij
een zorgvuldige vormgeving. Nodig zijn:
- een actueel en openbaar waarderingsstelsel;
- afzonderlijke raming van grond- en opstalwaarde;
- periodieke herwaardering;
- laagdrempelige bezwaar- en beroepsmogelijkheden;
- gefaseerde invoering om plotselinge vermogensschokken te beperken;
- uitstel van betaling voor bewoners met een laag inkomen en een hoge
grondwaarde, waarbij de belastingschuld eventueel pas bij overdracht wordt
voldaan;
- afstemming met bestaande onroerendezaak- en overdrachtsbelastingen.
De grondwaardebelasting is ook het
terrein waarop de voorstellen van Weyl en Posner selectief betekenis kunnen
hebben. Voor braakliggende ontwikkellocaties, concessies en bepaalde
commerciële grondposities kan zelfwaardering met een koop- of gebruiksverplichting
een aanvullende prikkel bieden. Voor de eigen woning ligt een reguliere
publieke waardering echter meer voor de hand vanwege woonzekerheid en
persoonlijke gebondenheid.
9 Ecologische
belastingen: van opbrengst naar fysieke begrenzing
Jason Hickel brengt een dimensie naar
voren die in conventionele belastingtheorie gemakkelijk wordt onderschat. Het
ecologische probleem bestaat niet alleen uit verkeerd geprijsde afzonderlijke
transacties, maar uit de totale omvang van energie- en materiaalgebruik. Zijn
begrip degrowth verwijst niet simpelweg naar een daling van het bbp,
maar naar een democratisch geplande vermindering van energie- en
materiaaldoorvoer in economieën die ecologische grenzen overschrijden,
gecombineerd met verbetering van welzijn en vermindering van ongelijkheid.
Hickels wetenschappelijke toelichting richt zich daarmee op fysieke doorvoer,
niet op economische krimp als zelfstandig doel.
Daaruit volgt een belangrijke beperking
van ecologische belastingen. Een prijsprikkel is effectief wanneer producenten
en consumenten reële alternatieven hebben en voldoende op de prijs reageren.
Wanneer de vraag weinig elastisch is, alternatieven ontbreken of een planetaire
grens niet mag worden overschreden, biedt een belasting onvoldoende zekerheid.
Dan zijn absolute emissienormen, productieplafonds, vergunningen of verboden
noodzakelijk.
De keuze tussen belasting en normering
hangt samen met onzekerheid. Een belasting biedt vooraf meer zekerheid over de
prijs van vervuiling, maar minder over de uiteindelijke hoeveelheid. Een
emissieplafond biedt meer zekerheid over de hoeveelheid, maar kan tot
fluctuerende prijzen leiden. Hybride instrumenten combineren daarom:
- een dalend emissie- of grondstoffenbudget;
- verhandelbare en geveilde rechten;
- een minimum- en eventueel maximumprijs;
- technische normen voor activiteiten waarbij ernstige of onomkeerbare
schade dreigt;
- belastingen voor resterende schade buiten het plafond.
Ecologische belastingen mogen bovendien
niet worden beoordeeld aan de hand van hun opbrengst alleen. Wanneer zij
succesvol zijn, neemt de vervuilende grondslag af. Structurele voorzieningen
kunnen daarom niet blijvend afhankelijk worden gemaakt van inkomsten uit
fossiele energie, emissies of schadelijk grondstoffengebruik. De opbrengsten
zijn vooral geschikt voor:
- tijdelijke compensatie van kwetsbare huishoudens;
- woningisolatie en duurzame mobiliteit;
- omscholing en regionale transitie;
- natuurherstel;
- ondersteuning van bedrijven en huishoudens die anders niet kunnen
verduurzamen.
Hickel verbindt ecologische grenzen
tevens met mondiale verdeling. Rijke economieën kunnen hun territoriale
uitstoot verminderen terwijl zij materiaalgebruik en vervuilende productie
verplaatsen naar landen met lagere lonen en zwakkere milieunormen. Onderzoek
van Hickel en anderen naar mondiale arbeidsstromen laat zien hoe internationale
productieketens met grote asymmetrieën in beloning en zeggenschap gepaard gaan.
De studie naar ongelijke mondiale arbeidsuitwisseling onderstreept dat
nationale consumptie niet los kan worden gezien van arbeids- en
hulpbronnengebruik elders.
Een ecologisch rechtvaardige
belastingmix moet daarom zowel territoriale productie als
consumptiegerelateerde voetafdrukken volgen. Grenscorrecties kunnen
koolstoflekkage beperken, maar mogen niet uitsluitend dienen om de
concurrentiepositie van rijke landen te beschermen. Een deel van de opbrengsten
behoort beschikbaar te komen voor klimaatadaptatie, schadeherstel,
technologieoverdracht en duurzame infrastructuur in landen die weinig aan de
historische vervuiling hebben bijgedragen.
10 Een
internationale minimumbelasting: noodzakelijke ondergrens, geen eindpunt
Nationale belastingstelsels verliezen
corrigerend vermogen wanneer multinationale ondernemingen winsten kunnen
toerekenen aan jurisdicties waar nauwelijks reële economische activiteiten
plaatsvinden. Belastingconcurrentie verschuift de druk dan naar minder mobiele
grondslagen, waaronder arbeid, consumptie en kleine binnenlandse ondernemingen.
De mondiale minimumbelasting onder
Pijler Twee van het OECD/G20-project vormt een institutionele reactie. De
regels beogen dat grote multinationale groepen per jurisdictie ten minste een
effectieve belastingdruk van 15% ondervinden; wanneer de effectieve druk lager
is, kan een aanvullende heffing worden toegepast. De OECD beschrijft de actuele
GloBE-systematiek als een gecoördineerde ondergrens voor grote multinationale
ondernemingen.
Economisch verkleint een minimumtarief
het voordeel van zuivere winstverschuiving. Het verandert de vestigingskeuze
echter niet volledig. Reële investeringen, infrastructuur, personeel,
marktomvang en innovatiecapaciteit blijven relevante factoren, terwijl
uitzonderingen voor economische substantie ruimte laten voor concurrentie. De
minimumbelasting moet daarom worden beschouwd als een vloer en niet als een
volledige oplossing voor de verdeling van heffingsrechten.
Een verdergaande ordening vraagt om:
- openbare landenrapportages over omzet, winst, personeel en betaalde
belasting;
- consistente vaststelling van uiteindelijk belanghebbenden;
- beperking van aftrek voor kunstmatige interne rente- en
royaltybetalingen;
- bronheffingen op betalingen naar laagbelaste jurisdicties;
- waarborgen dat productielanden en ontwikkelingslanden voldoende
heffingsrechten behouden;
- periodieke evaluatie van effectieve tarieven in plaats van uitsluitend
wettelijke tarieven.
Vanuit Pistor bezien is vooral van
belang dat immateriële activa en financiële aanspraken niet onbeperkt kunnen
worden verplaatst door juridische hercodering. Vanuit Mazzucato moet bovendien
worden voorkomen dat ondernemingen die substantieel profiteren van publieke
kennis en infrastructuur hun winsten fiscaal losmaken van de samenlevingen die
deze waarde mede mogelijk maakten.
11
Financiële-transactiebelasting: bruikbaar, maar geen wondermiddel
Een financiële-transactiebelasting heft
een klein percentage over de aan- en verkoop van financiële instrumenten. Het
economische uitgangspunt is dat een zeer laag tarief nauwelijks van betekenis
is voor langetermijninvesteringen, maar relatief zwaar kan wegen voor
strategieën die op grote aantallen transacties met minimale marges zijn
gebaseerd.
Bij een tarief (t) bedraagt de directe
belasting op één aankoop en één verkoop ongeveer (2t), afgezien van
koersverschillen en andere transactiekosten. Voor een pensioenfonds dat een
aandeel jarenlang aanhoudt is dit een geringe eenmalige last. Voor een algoritmische
strategie die dezelfde positie voortdurend opent en sluit, kan de cumulatieve
last substantieel zijn.
Een dergelijke heffing kan drie doelen
dienen:
- een bijdrage van de financiële sector aan publieke middelen;
- vermindering van maatschappelijk weinig waardevolle handelsvolumes;
- afremming van strategieën die uitsluitend rendabel zijn door extreem
hoge omloopsnelheid.
De wetenschappelijke literatuur geeft
echter geen eenduidig antwoord op de effecten. Minder handelsvolume betekent
niet automatisch minder volatiliteit. Een transactiebelasting kan ook de
liquiditeit en prijsvorming verminderen, handelsactiviteiten naar andere
jurisdicties verplaatsen en via lagere vermogenswaarden gedeeltelijk
terechtkomen bij pensioenfondsen en andere langetermijnbeleggers. IMF-onderzoek
waarschuwt dat effecten op liquiditeit, volatiliteit en informatieverwerking
sterk afhangen van de markt en de vormgeving.
Daarom moet een
financiële-transactiebelasting aan strikte ontwerpvoorwaarden voldoen:
- een laag tarief;
- een brede grondslag die economisch vergelijkbare aandelen, obligaties
en derivaten omvat;
- aangepaste maatstaven voor derivaten, zodat niet zonder meer de
volledige nominale waarde wordt belast;
- toepassing op basis van zowel vestigingsplaats van partijen als plaats
van uitgifte;
- registratie via handelsplatformen en centrale tegenpartijen;
- uitsluiting van primaire aandelen- en obligatie-emissies en gewone
betalingstransacties;
- nauwe begrenzing van uitzonderingen om nieuwe ontwijkingsroutes te
voorkomen;
- internationale of ten minste Europese coördinatie.
De Europese ervaring toont hoe
belangrijk die laatste voorwaarde is. Het voorstel voor een gezamenlijke
Europese financiële-transactiebelasting bereikte geen overeenstemming; de
Europese Commissie vermeldt dat zij in haar werkprogramma voor 2026 voornemens
was het voorstel wegens gebrek aan voortgang in te trekken. De officiële stand
van zaken illustreert dat een mobiele belastinggrondslag nauwelijks door een
beperkte groep landen kan worden belast zonder risico op verplaatsing.
Een transactiebelasting vervangt
bovendien geen prudentiële regulering. Kapitaal- en liquiditeitseisen,
margeregels, toezicht op schaduwbankieren, beperkingen op hefboomfinanciering
en afwikkelingsregimes zijn directer gericht op financiële stabiliteit. Wanneer
het doel vooral bestaat uit het belasten van financiële overwinst of
systeemrisico, kunnen een bankenheffing of een belasting op de som van winsten
en hoge beloningen gerichter zijn. De financiële-transactiebelasting heeft
daarom een beperkte, aanvullende plaats in de belastingmix.
12
Tegenargumenten en institutionele antwoorden
Een economisch geloofwaardige benadering
moet de bezwaren tegen de voorgestelde verschuiving serieus nemen.
|
Tegenargument |
Beoordeling |
Institutionele
consequentie |
|
Hogere
belastingen op vermogen verminderen investeringen |
Dit
risico is reëel wanneer ook het normale rendement en jonge ondernemingen
zwaar worden geraakt. Het is kleiner bij hoge drempels, economische rente en
immobiele grondslagen |
Bescherm
liquiditeit en verliesverrekening; belast rente en extreme concentratie
zwaarder dan normale investeringen |
|
Vermogen
en erfenissen zijn al uit belast inkomen gevormd |
Juridisch
kan sprake zijn van opeenvolgende heffingen, maar economisch ontstaan
verschillende belastbare gebeurtenissen: inkomen, rendement, bezit en
verkrijging |
Beoordeel
de cumulatieve effectieve druk en voorkom disproportionele samenloop |
|
Het
onderscheid actief/passief is niet uitvoerbaar |
Als
binaire juridische categorie is dat bezwaar terecht |
Gebruik
brede grondslagen en objectiveer rendement naar risico, investering, rente,
marktmacht en externaliteiten |
|
Een
grondwaardebelasting treft huishoudens die niet over liquide middelen
beschikken |
Waardestijging
en betalingscapaciteit vallen niet altijd samen |
Bied
uitstel tot verkoop of nalatenschap, maar stel de waardestijging niet
definitief vrij |
|
Milieubelastingen
zijn regressief |
Lagere
inkomens besteden relatief veel aan energie en basisconsumptie |
Combineer
de heffing met een klimaatdividend, publieke alternatieven en gerichte
inkomenssteun |
|
Internationale
belastingen leiden tot verplaatsing |
Bij
mobiele grondslagen is dit een wezenlijk risico |
Coördineer
minimumtarieven, informatie-uitwisseling, bronheffingen en
anti-misbruikregels |
|
De
overheid kan maatschappelijke waarde niet objectief vaststellen |
Ook
dit risico is reëel; politiek kan door gevestigde belangen worden beïnvloed |
Werk
met meetbare missies, openbare voorwaarden, onafhankelijke evaluatie en
horizonbepalingen |
|
Iedere
beperking van eigendom tast investeringszekerheid aan |
Sterke
en voorspelbare rechten bevorderen investeringen, maar absolute rechten
kunnen schaarste en dominantie bestendigen |
Kies
per vermogensrecht tussen permanent eigendom, tijdelijke concessie,
gebruiksplicht, medegebruik en publieke deelname |
Deze antwoorden nemen de economische
risico’s niet weg. Zij maken wel duidelijk dat de relevante keuze zelden luidt:
belasten of niet belasten. De werkelijke keuze gaat tussen verschillende
grondslagen, verschillende vormen van eigendom en verschillende verdelingen van
risico, rendement en maatschappelijke kosten.
13 Macht,
transitie en uitvoerbaarheid
Een verschuiving van belasting op arbeid
naar grondrente, extreme vermogensconcentratie, vervuiling en internationale
winsten is niet uitsluitend een technisch vraagstuk. Zij verandert economische
posities en roept daarom georganiseerd verzet op. Vermogende huishoudens,
grondbezitters, financiële instellingen en multinationale ondernemingen
beschikken doorgaans over meer mogelijkheden om hun belangen juridisch,
politiek en communicatief te verdedigen dan de diffuse groepen die van de
hervorming profiteren.
Pistors analyse verklaart waarom
complexiteit hierbij een machtsbron is. Wie toegang heeft tot gespecialiseerde
adviseurs kan vermogensrechten hercoderen en uitzonderingen benutten. Iedere
bijzondere faciliteit creëert daardoor niet alleen een economisch voordeel,
maar ook een markt voor nieuwe ontwijkingsstructuren. Eenvoud en transparantie
zijn om die reden verdelingsinstrumenten.
Een uitvoerbare overgang vraagt om een
vaste volgorde.
Eerste fase: informatie en
grondslagen. De overheid brengt uiteindelijk belanghebbenden, grote
vermogens, grondwaarden, internationale winsttoerekening, fiscale
uitzonderingen en fysieke materiaal- en emissiestromen in kaart. Zonder deze
infrastructuur is een nieuwe belastingmix niet controleerbaar.
Tweede fase: moeilijk
verplaatsbare rente. Grond- en locatierente, winningsrechten en andere
plaatsgebonden voordelen worden eerder hervormd dan zeer mobiele financiële
grondslagen. Tegelijkertijd kunnen overdrachtsbelastingen en lasten op lage
arbeidsinkomens geleidelijk worden verlaagd.
Derde fase:
vermogensoverdracht en concentratie. De reeds in het fiscale
hoofdstuk uitgewerkte vermogens- en erfbelasting worden ingevoerd met ruime
overgangstermijnen, actuele waarderingsregels en betalingsuitstel waar
liquiditeitsproblemen aantoonbaar zijn. Tijdelijke overgangsregelingen mogen
niet veranderen in permanente uitzonderingen.
Vierde fase: ecologische
prijs- en hoeveelheidssturing. Ecologische heffingen
worden gekoppeld aan dalende emissie- en materiaalbudgetten. Voordat tarieven
sterk stijgen, moeten huishoudens en ondernemingen toegang krijgen tot
isolatie, openbaar vervoer, energie-infrastructuur, financiering en omscholing.
Vijfde fase: internationale
coördinatie. Minimumheffingen, bronbelastingen en eventuele
financiële-transactiebelastingen worden zoveel mogelijk op Europees of mondiaal
niveau georganiseerd. Nationale maatregelen blijven mogelijk, maar moeten
worden getoetst op ontwijking, verplaatsing en gevolgen voor
ontwikkelingslanden
14 Een
economisch dashboard voor eigendom en belastingmix
De werking van de belastingmix kan niet
worden beoordeeld aan de hand van de opbrengst alleen. Aansluitend bij het in
paragraaf 2 ontwikkelde menswordingsdashboard is een afzonderlijke economische
module nodig.
|
Dimensie |
Kernindicatoren |
Waarschuwingssignaal |
|
Vermogensspreiding |
Aandeel
top 1% en top 0,1%; mediaan vermogen; vermogen naar leeftijd en herkomst |
Vermogensconcentratie
groeit structureel sneller dan brede vermogensvorming |
|
Kansengelijkheid |
Omvang
erfenissen naar inkomensgroep; aandeel vermogen uit erfenis; toegang tot
woning en ondernemingskapitaal |
Afkomst
bepaalt in toenemende mate opleiding, woningbezit en ondernemingskansen |
|
Productieve
investering |
Netto-investeringen,
onderzoek en ontwikkeling, startersfinanciering, bedrijfsdynamiek |
Fiscale
hervorming gaat samen met structurele daling van productieve investeringen |
|
Economische
rente |
Grondprijs
ten opzichte van bouwkosten; monopoliewinsten; overwinst; leegstand |
Rendement
verschuift van innovatie naar schaarste en marktmacht |
|
Fiscale
neutraliteit |
Effectieve
druk op arbeid, kapitaalinkomen, ondernemingswinst en verschillende
rechtsvormen |
Economisch
gelijkwaardige inkomsten worden sterk verschillend belast |
|
Ecologische
werking |
Territoriale
én consumptiegerelateerde emissies; materiaalvoetafdruk; biodiversiteitsdruk |
Belastingopbrengst
blijft hoog terwijl fysieke schade niet voldoende daalt |
|
Internationale
rechtvaardigheid |
Effectieve
belastingdruk per land; winst versus personeel en omzet; grondstoffen- en
arbeidsstromen |
Winsten
blijven geconcentreerd in landen zonder evenredige reële activiteit |
|
Financiële
stabiliteit |
Handelsomloopsnelheid,
leverage, kredietgroei, grond- en vermogensprijsinflatie |
Financiële
transacties en activaprijzen groeien langdurig sneller dan de reële economie |
|
Uitvoerbaarheid |
Tax
gap, waarderingsgeschillen, administratieve lasten, gebruik van uitzonderingen |
Complexiteit
en ontwijking nemen sneller toe dan de opbrengst |
|
Democratische
corrigeerbaarheid |
Openbaarheid
van fiscale uitgaven, periodieke evaluatie, parlementaire heroverweging |
Faciliteiten
blijven bestaan zonder aantoonbare maatschappelijke werking |
Vooraf moeten democratisch
toetsingswaarden worden vastgesteld. Een stijging van productieve investeringen
kan bijvoorbeeld niet zonder meer als succes gelden wanneer tegelijk de
materiaalvoetafdruk en monopolievorming toenemen. Evenmin is een dalende opbrengst
van een vervuilingsheffing een probleem wanneer de uitstoot overeenkomstig
afneemt. De indicatoren moeten daarom in samenhang worden beoordeeld.
Elke grote fiscale faciliteit of nieuwe
belastinggrondslag behoort bovendien een evaluatietermijn te krijgen. De
wetgever moet periodiek vaststellen:
- wie de economische last daadwerkelijk draagt;
- welk gedrag is veranderd;
- welke opbrengst na gedragseffecten resteert;
- welke ontwijkingsroutes zijn ontstaan;
- of de maatregel de concentratie van economische macht vermindert;
- of de maatregel verenigbaar blijft met sociale en ecologische onder-
en bovengrenzen.
15 Conclusie
Eigendom is geen statische verhouding
tussen een persoon en een zaak, maar een juridisch georganiseerde bundel van
aanspraken, bevoegdheden en voorrangsposities. Vermogen is evenmin een homogene
voorraad. Het kan productieve investeringen, persoonlijke zekerheid en
ondernemingsrisico vertegenwoordigen, maar ook grondrente, monopoliewinst,
juridische privileges, erfelijke macht en afgewentelde maatschappelijke kosten.
Rawls en Piketty bieden, zoals in het
fiscale hoofdstuk is uitgewerkt, de normatieve en empirische grondslag voor het
begrenzen van vermogensconcentratie. Pistor maakt zichtbaar hoe het recht economische
macht produceert en beschermt. Mazzucato laat zien dat waarde vaak collectief
wordt gecreëerd en dat de verdeling van rendement daarom al bij publieke
investeringen moet worden geregeld. Weyl en Posner tonen dat eigendomsrechten
ook anders kunnen worden ontworpen wanneer schaarse activa inefficiënt worden
vastgehouden. Hickel voegt daaraan toe dat belastingheffing niet alleen de
verdeling van geld, maar ook de fysieke omvang en mondiale verdeling van
productie en hulpbronnengebruik moet beïnvloeden.
Daaruit volgt geen maximalisering van
belastingheffing. Het resultaat is een verschuiving in grondslagen en
institutionele prioriteiten. Arbeid, normale vermogensvorming en productieve
investeringen moeten voldoende ruimte behouden. Grondrente, monopoliewinsten,
dynastieke vermogensoverdracht, internationale winstverschuiving, zeer
kortetermijngerichte financiële handel en ecologische schade rechtvaardigen een
zwaardere correctie.
Een menswordings-economie beschermt
eigendom daarom als voorwaarde voor autonomie en verantwoordelijkheid, maar
voorkomt dat eigendom verandert in een onaantastbaar recht op economische
rente, politieke dominantie of kostenafwenteling. De kwaliteit van de
belastingmix wordt uiteindelijk niet bepaald door de hoogte van één tarief,
maar door de vraag of zij productieve waardecreatie mogelijk maakt, economische
macht spreidt, collectief gecreëerde waarde rechtvaardig verdeelt en de sociale
en ecologische voorwaarden van toekomstige vrijheid beschermt.
Lees het volledige onderzoek:

Reacties
Een reactie posten