Macht, transitie en corrigeerbaarheid: Hoe bouwen we een rechtvaardige economie?

 

Macht, transitie en corrigeerbaarheid

Een economische transitie is nooit uitsluitend een technisch proces waarin betere beleidsinstrumenten geleidelijk minder doeltreffende instrumenten vervangen. Iedere ingrijpende hervorming verandert de verdeling van inkomen, vermogen, risico, zeggenschap en toekomstkansen. Zij creëert nieuwe mogelijkheden, maar tast ook bestaande posities aan. De vraag is daarom niet alleen welke economische ordening wenselijk is, maar ook wie de overgang kan versnellen, vertragen, ombuigen of blokkeren.

Dat geldt in het bijzonder voor de overgang naar een economie waarin groei niet langer het hoogste ordeningsprincipe is. Ondernemingen die afhankelijk zijn van fossiele energie, grondstoffengebruik, financiële hefboomwerking, goedkope arbeid of monopolistische intellectuele eigendomsrechten zullen niet vanzelf plaatsmaken voor duurzamere alternatieven. Hun marktpositie is doorgaans verbonden met politieke invloed, juridische rechten, toegang tot krediet, kennisvoorsprongen en verwachtingen van toekomstige winst. Tegelijkertijd kunnen werknemers, regio’s en huishoudens voor hun bestaanszekerheid afhankelijk zijn geworden van dezelfde activiteiten. Daardoor ontstaat een fundamenteel onderscheid tussen het beschermen van mensen en het beschermen van bestaande verdienmodellen.

Een menswordings-economie vereist daarom een theorie van verandering die ten minste vijf vragen beantwoordt:

  1. Welke groepen winnen en verliezen bij een hervorming?
  2. Over welke machtsmiddelen beschikken zij?
  3. In welke volgorde moeten hervormingen worden ingevoerd?
  4. Hoe worden kwetsbare groepen beschermd zonder economische renten te bestendigen?
  5. Hoe wordt vastgesteld of beleid werkt en wanneer het moet worden aangepast of beëindigd?

Corrigeerbaarheid betekent daarbij niet dat iedere politieke keuze voortdurend ter discussie moet staan. Een transitie heeft juist een combinatie nodig van een vaste richting en aanpasbare middelen. Grondrechten, sociale ondergrenzen en ecologische bovengrenzen behoren tot het stabiele normatieve kader; subsidies, belastingen, uitvoeringsregelingen en institutionele bevoegdheden moeten kunnen veranderen wanneer zij niet functioneren.

De transitieanalyse wordt hieronder uitgewerkt in vier lagen: machts- en belangenanalyse, hervormingsvolgorde, implementatie naar termijn en actor, en een correctiecyclus met vooraf vastgelegde beslisregels. Het gaat dus niet om één blauwdruk, maar om een institutioneel pad dat richtingvast en instrumenteel aanpasbaar is.

1 Transitie als herverdeling van kansen en verliezen

De gevolgen van een hervorming kunnen niet uitsluitend worden afgemeten aan het nationale inkomen of aan de gemiddelde koopkracht. Voor iedere maatschappelijke groep (g) moet afzonderlijk worden onderzocht hoe haar positie verandert:

Deze grootheden kunnen niet zonder meer tot één geldbedrag worden teruggebracht. Het verlies van een baan, de sluiting van de belangrijkste werkgever in een regio en de aantasting van gezondheid of leefomgeving zijn kwalitatief verschillende gevolgen. Een transitieanalyse moet daarom naast inkomenseffecten ook werkzekerheid, gezondheid, tijdsbesteding, regionale afhankelijkheid, toegang tot basisvoorzieningen en politieke zeggenschap meten.

Daarbij moet worden onderscheiden tussen verschillende soorten verlies.

  • Bestaansverlies treft werknemers, kleine ondernemers en huishoudens die niet gemakkelijk kunnen uitwijken.
  • Vermogensverlies ontstaat wanneer aandelen, woningen, pensioenrechten of bedrijfsbezittingen in waarde dalen.
  • Rentverlies betreft het verdwijnen van inkomsten uit marktmacht, schaarstecreatie, belastingvoordelen of vervuiling die voorheen op de samenleving werd afgewenteld.
  • Statusverlies ontstaat wanneer beroepen, consumptiepatronen of ondernemingsvormen hun maatschappelijke prestige verliezen.
  • Machtsverlies treedt op wanneer ondernemingen of vermogensbezitters minder invloed krijgen op investeringen, arbeidsverhoudingen of publieke besluitvorming.

Niet ieder verlies schept een even sterke aanspraak op compensatie. Een werknemer die na de sluiting van een kolenmijn zijn inkomen, vakmanschap en sociale omgeving dreigt te verliezen, heeft een andere morele en institutionele positie dan een aandeelhouder die verwachte winsten uit toekomstige fossiele winning ziet verdwijnen. De eerste heeft bescherming en nieuwe handelingsmogelijkheden nodig; de tweede kan niet verlangen dat de overheid de volledige marktwaarde van een maatschappelijk onhoudbaar verdienmodel garandeert.

Een rechtvaardige transitie compenseert daarom primair mensen, gemeenschappen en opgebouwde afhankelijkheden, niet automatisch de verwachte winst van ondernemingen.

2 De verschillende vormen van economische macht

Economische macht is meer dan het bezit van geld. Zij omvat het vermogen om beslissingen van anderen te beïnvloeden, hervormingen te vertragen en bepaalde opties als onrealistisch of onbetaalbaar te presenteren.

 

  

Vorm van macht

Werkingsmechanisme

Voorbeelden

Institutioneel tegenwicht

Structurele macht

Dreiging investeringen, werkgelegenheid of krediet terug te trekken

Kapitaalvlucht, investeringsstaking, verplaatsing productie

Publieke investeringsbanken, kapitaalbuffers, internationale coördinatie

Instrumentele macht

Directe beïnvloeding van politiek en regelgeving

Lobby, partijfinanciering, draaideurconstructies

Lobbyregister, openbaarmaking, afkoelperiodes, parlementaire controle

Marktmacht

Prijzen, toegang en voorwaarden eenzijdig bepalen

Monopolies, platforms, octrooiposities

Mededingingsbeleid, interoperabiliteit, publieke alternatieven

Juridische macht

Eigendoms- en contractrechten inzetten tegen verandering

Claims over onteigening, investeringsarbitrage, octrooigeschillen

Heldere publieke-belangclausules, herziening verdragen, onafhankelijke rechtspraak

Kennis- en datamacht

Bepalen welke informatie beschikbaar is

Bedrijfsgeheimen, algoritmen, selectieve effectstudies

Publieke data, onafhankelijke wetenschap, algoritmetoezicht

Discursieve macht

Bepalen wat als normaal of mogelijk geldt

“Er is geen alternatief”, “groei betaalt alles”

Pluriform onderzoek, burgerberaden, transparante scenarioanalyse

Infrastructuurmacht

Controle over essentiële netwerken en standaarden

Energie, betalingsverkeer, digitale platforms

Publiek of coöperatief eigendom, toegangsverplichtingen

Organisatiemacht

Collectief optreden mogelijk maken

Werkgeversorganisaties, vakbonden, sociale bewegingen

Verenigingsvrijheid, medezeggenschap, collectieve onderhandelingen

 

Thomas Piketty laat zien dat ongelijkheid niet alleen een ongelijke verdeling van middelen is. Vermogen verschaft toegang tot onderwijs, media, politieke netwerken en de mogelijkheid om economische risico’s af te wentelen. Eigendomsregimes worden bovendien ondersteund door verhalen die deze verdeling rechtvaardigen. In Capital and Ideology benadrukt hij dat ongelijkheid voortkomt uit politieke en ideologische keuzes en niet uit een economisch natuurverschijnsel.

Dat inzicht heeft directe gevolgen voor transitiebeleid. Wanneer economische macht sterk geconcentreerd blijft, kunnen zelfs ambitieuze hervormingen zo worden ingericht dat zij bestaande vermogensposities beschermen. Subsidies voor verduurzaming kunnen bijvoorbeeld hoofdzakelijk terechtkomen bij grote ondernemingen of vermogende woningbezitters. Nieuwe markten voor emissierechten, data of duurzame technologie kunnen nieuwe vormen van renteniersmacht creëren. De inhoud van een hervorming kan dan veranderen zonder dat de onderliggende machtsverhoudingen wezenlijk verschuiven.

Herverdeling achteraf is daarom onvoldoende. Ook de verdeling van eigendom, investeringsmacht, kennis en zeggenschap moet onderdeel van de transitie zijn. Piketty’s voorstellen voor progressieve vermogensbelasting, medezeggenschap en een bredere vermogensspreiding zijn in deze paragraaf niet primair fiscale maatregelen, maar instrumenten om politieke en economische macht te democratiseren.

3 Transitie is geen automatisch gevolg van minder groei

Het artikel Degrowth futures as power struggles: Scenarios of accumulation, sabotage, and resistance van Julien Vastenaekels waarschuwt tegen de gedachte dat een economie met minder groei vanzelf minder kapitalistisch, gelijker of duurzamer wordt. Ook bij stagnatie kunnen dominante ondernemingen winstgevend blijven door schaarste te organiseren, concurrenten uit te sluiten, prijzen te verhogen of publieke middelen naar zich toe te trekken. 

Het artikel gebruikt de benadering van capital as power. De waarde van een onderneming kan daarin worden voorgesteld als de contante waarde van verwachte toekomstige winsten:

Politieke hervormingen beïnvloeden zowel de verwachte winst (\pi_t) als de risicovoet (r_t). Een verbod op fossiele winning, een strengere arbeidsnorm of een beperking van platformmacht verlaagt niet alleen de actuele omzet, maar verandert de verwachtingen waarop aandelenkoersen, kredietverlening en investeringsstrategieën zijn gebaseerd. Ondernemingen hebben daardoor een sterke prikkel om de geloofwaardigheid van hervormingen aan te tasten.

Vastenaekels onderscheidt vier mogelijke ontwikkelingsrichtingen:

Scenario

Kenmerk

Politiek-economisch risico

Gesaboteerde transitie

Hervormingen worden overgenomen en afgezwakt door gevestigde belangen

Groene subsidies en keurmerken legitimeren voortgaande accumulatie

Postgroei-accumulatie

Lage groei gaat samen met blijvende of stijgende renten

Schaarste, monopolies en hoge prijzen versterken dominante ondernemingen

Betwiste transformatie

Maatschappelijke tegenmacht confronteert bestaande accumulatie

Toenemende conflicten, desinvestering en politieke polarisatie

Systemische herordening

Nieuwe eigendoms- en machtsverhoudingen worden dominant

Institutionele onzekerheid, maar ook ruimte voor democratisering

De belangrijke conclusie is dat een afname van materiaalgebruik of bbp-groei op zichzelf geen machtstransitie vormt. Een succesvolle postgroei- of sufficiencytransitie moet tegelijk:

  • routes naar monopoliewinst en rente-extractie beperken;
  • publieke, coöperatieve en gemeenschapsalternatieven uitbreiden;
  • werknemers en burgers zeggenschap over investeringen geven;
  • de afhankelijkheid van huishoudens en overheden van permanente groei verminderen;
  • voorkomen dat kunstmatige schaarste nieuwe bronnen van accumulatie creëert.

Minder groei zonder herverdeling van macht kan uitmonden in een economie van hoge prijzen, dalende publieke voorzieningen en geconcentreerd vermogen. Dat is geen menswordings-economie, maar een rentenierseconomie zonder dynamiek.

4 Ha-Joon Chang: transitie door institutionele opbouw

Ha-Joon Chang verzet zich tegen het idee dat ontwikkeling ontstaat wanneer de overheid zich terugtrekt en marktprijzen ongehinderd hun werk doen. Historisch zijn succesvolle ontwikkelingsprocessen vrijwel altijd verbonden geweest met industriebeleid, publieke investeringen, kennisopbouw, bescherming van opkomende sectoren en gerichte kredietverlening. Zijn analyse van industriebeleid benadrukt dat de relevante vraag niet is óf overheden economische structuren beïnvloeden, maar met welk doel, onder welke voorwaarden en met welke correctiemechanismen zij dat doen. 

Voor een ecologische en sociale transitie betekent dit dat het onvoldoende is vervuilende productie uitsluitend duurder te maken. Mensen en ondernemingen moeten toegang krijgen tot reële alternatieven. Een verbod op fossiele verwarming werkt pas rechtvaardig wanneer warmtenetten, woningisolatie, betaalbare elektriciteit en voldoende geschoolde installateurs beschikbaar zijn. Een heffing op autogebruik is problematisch wanneer perifere regio’s niet over bruikbaar openbaar vervoer beschikken.

Industriebeleid brengt echter zelf machtsrisico’s mee. Overheden kunnen worden gevangen door de ondernemingen die zij ondersteunen. Tijdelijke bescherming kan permanent worden en subsidies kunnen ondernemingswinsten verhogen zonder publieke tegenprestatie. Chang pleit daarom voor discipline en wederkerigheid. Publieke steun moet worden gekoppeld aan controleerbare prestaties, zoals:

  • emissiereductie per eenheid productie;
  • kennisdeling en opleiding;
  • fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden;
  • beperking van dividenduitkeringen en aandeleninkoop tijdens de steunperiode;
  • tijdige terugbetaling of publieke winstdeling;
  • regionale werkgelegenheid;
  • open technische standaarden;
  • terugvordering wanneer doelen niet worden gehaald.

Industriebeleid wordt zo geen systeem waarin de overheid “winnaars kiest”, maar een proces waarin maatschappelijke problemen worden gekozen en ondernemingen moeten aantonen dat zij aan de oplossing bijdragen.

5 Tim Jackson: de macro-economische afhankelijkheid van groei afbouwen

Tim Jackson benadrukt dat een postgroei-economie niet eenvoudig ontstaat door het groeitempo te verlagen. Moderne economieën zijn institutioneel afhankelijk gemaakt van groei. Werkgelegenheid, schuldaflossing, belastinginkomsten, pensioenverwachtingen en ondernemingswaarderingen veronderstellen dikwijls dat productie en consumptie blijven stijgen. De centrale opgave is daarom economische en sociale stabiliteit te behouden wanneer de groei van materiële consumptie afneemt.

De arbeidsmarkt maakt dit probleem zichtbaar. Vereenvoudigd geldt:

waarbij (g_Y) de groei van de productie is, (g_p) de productiviteitsgroei en (g_H) de groei van het totale aantal gewerkte uren. Wanneer de productie niet groeit maar de arbeidsproductiviteit wel stijgt, neemt de benodigde arbeid af. Zonder verkorting en herverdeling van werktijd vertaalt dit zich in werkloosheid.

Een postgroeitransitie vereist daarom een combinatie van:

  • kortere gemiddelde arbeidsduur;
  • investeringen in arbeidsintensieve sectoren als zorg, onderwijs, onderhoud en natuurherstel;
  • inkomenszekerheid buiten voltijdse loonarbeid;
  • lagere vaste lasten voor wonen, energie, zorg en vervoer;
  • vermindering van private schuldenafhankelijkheid;
  • pensioenstelsels die niet uitsluitend op hoge financiële rendementen steunen;
  • publieke investeringen die op maatschappelijke opbrengsten worden beoordeeld.

Jackson beschrijft welvaart als de mogelijkheid om betekenisvol aan het maatschappelijke leven deel te nemen, niet uitsluitend als de mogelijkheid meer goederen te consumeren. Tim Jackson, An Economy That Works Daarmee verschuift ook de transitiepolitiek. Zij moet niet alleen kosten verdelen, maar burgers zichtbare verbeteringen bieden: meer tijd, gezondere leefomgevingen, betrouwbare publieke voorzieningen, zinvol werk en minder economische onzekerheid.

6 Paul Schenderling: van abstracte postgroei naar een politieke coalitie

Paul Schenderling vertaalt postgroei naar de Nederlandse context. Zijn benadering combineert vermindering van materiaalgebruik met een verschuiving naar kwaliteit, langere productlevensduur, minder betaalde arbeidsuren en meer beschikbare tijd. Hij stelt onder meer voor belasting op arbeid te verlagen en consumptie naar ecologische impact zwaarder te belasten.

De politieke betekenis hiervan is dat postgroei niet uitsluitend als beperking wordt gepresenteerd. Minder kwantitatieve consumptie wordt gekoppeld aan:

  • lagere druk op arbeid;
  • meer tijd voor zorg en sociale relaties;
  • duurzamere en repareerbare producten;
  • versterking van lokaal ondernemerschap;
  • minder afhankelijkheid van reclame en statusconsumptie.

Een dergelijke strategie kan een bredere coalitie vormen dan een beleid dat alleen uit verboden en prijsverhogingen bestaat. Zij verbindt ecologische doelen met arbeidskwaliteit, bestaanszekerheid en ondernemingskansen.

Tegelijkertijd is een generieke belasting op consumptie sociaal riskant. Lage inkomens besteden een groter deel van hun inkomen aan consumptie en beschikken vaak over minder duurzame alternatieven. Een postgroeiheffing moet daarom worden gedifferentieerd naar ecologische impact en worden gecombineerd met inkomenscompensatie, lage prijzen voor basisvoorzieningen en collectieve alternatieven. Schenderlings voorstel om de heffing jaarlijks via de inkomstenbelasting te verrekenen en te koppelen aan lagere belasting op arbeid is mede bedoeld om dit verdelingsprobleem te ondervangen.

Politiek overtuigend wordt deze benadering pas wanneer huishoudens eerst ervaren dat duurzame alternatieven bereikbaar zijn. Een belasting op vliegen heeft een andere legitimiteit wanneer internationale treinverbindingen beschikbaar zijn; hogere energieprijzen zijn beter verdedigbaar nadat huurwoningen zijn geïsoleerd. Ook hier is de hervormingsvolgorde doorslaggevend.

7 Winnaars, verliezers en rechtvaardige compensatie

Een transitie-effectrapportage moet per groep ten minste vier kenmerken vaststellen:

  1. Verantwoordelijkheid: in welke mate heeft de groep bijgedragen aan het probleem?
  2. Afhankelijkheid: in welke mate is zij voor inkomen of voorzieningen afhankelijk van de activiteit?
  3. Aanpassingsvermogen: beschikt zij over vermogen, opleiding en alternatieven?
  4. Zeggenschap: kon zij invloed uitoefenen op de beslissingen die de afhankelijkheid hebben veroorzaakt?

 

Groep

Mogelijk verlies

Mogelijke winst

Passende overgangsmaatregel

Werknemers in krimpsectoren

Baan, vakidentiteit, pensioenopbouw

Nieuwe beroepen, schoner werk

Inkomensgarantie, scholing, baangarantie, zeggenschap

Afhankelijke regio’s

Belastingbasis, voorzieningen, lokale bedrijvigheid

Nieuwe infrastructuur en sectoren

Langjarig regionaal transitiefonds

Lage inkomens

Hogere energie- en consumptieprijzen

Lagere vaste lasten, betere publieke diensten

Voorafgaande compensatie en sociale tarieven

Kleine ondernemingen

Aanpassingskosten en administratieve lasten

Toegang tot nieuwe markten

Technische hulp, krediet en proportionele rapportage

Pensioenfondsen

Afwaardering van vervuilende activa

Minder langetermijnrisico

Geleidelijke portefeuilletransitie en transparantie

Incumbente ondernemingen

Marktmacht en fossiele activa

Mogelijkheden tot omschakeling

Voorwaardelijke steun, geen garantie van oude winsten

Nieuwe en coöperatieve ondernemingen

Financierings- en toetredingsbarrières

Groeiende vraag naar duurzame diensten

Publiek krediet, toegang tot infrastructuur

Toekomstige generaties

Geen directe politieke vertegenwoordiging

Minder ecologische en financiële schade

Wettelijke vertegenwoordiging en bindende grenzen

Mondiale Zuiden

Exportverlies en hoge transitiekosten

Technologie, schonere ontwikkeling

Financiering, schuldverlichting en technologieoverdracht

Compensatie moet aan vijf regels voldoen.

Ten eerste: bescherming wordt gericht op mensen en gemeenschappen, niet op het volledig veiligstellen van aandeelhouderswaarde.

Ten tweede: compensatie is zo veel mogelijk toekomstgericht. Scholing zonder banen is onvoldoende; zij moet worden verbonden met concrete investeringen, infrastructuur en werkgelegenheid.

Ten derde: steun aan ondernemingen is tijdelijk, voorwaardelijk en terugvorderbaar. Zij mag niet worden gebruikt voor bonussen, dividend of aandeleninkoop.

Ten vierde: de sterkste vervuilers en grootste vermogens dragen relatief het meest bij aan de financiering.

Ten vijfde: voorzienbare schade geeft een zwakkere aanspraak op vergoeding. Een onderneming die na jaren van aangekondigd klimaatbeleid nieuwe fossiele activa ontwikkelt, kan niet dezelfde bescherming verlangen als een huishouden dat geen reële keuze had.

8 Weerstand en transitiesabotage

Weerstand tegen verandering is niet altijd kwaadaardig. Werknemers kunnen rationeel vrezen voor baanverlies, huishoudens voor hogere lasten en kleine ondernemingen voor onuitvoerbare regels. Zulke weerstand bevat informatie over werkelijke verdelings- en uitvoeringsproblemen.

Andere vormen van weerstand zijn gericht op het behouden van macht of economische renten. Veelgebruikte strategieën zijn:

  • twijfel zaaien over wetenschappelijke kennis;
  • maatregelen voortdurend uitstellen in afwachting van toekomstige technologie;
  • werknemers en milieubewegingen tegenover elkaar plaatsen;
  • uitzonderingen en gratis rechten bedingen;
  • vrijwillige keurmerken inzetten om bindende normen te voorkomen;
  • dreigen met vertrek, ontslagen of prijsverhogingen;
  • hervormingen juridisch aanvechten;
  • publieke subsidies verkrijgen zonder het verdienmodel te veranderen;
  • duurzame taal gebruiken terwijl investeringspatronen gelijk blijven;
  • schaarste creëren en de resulterende prijsstijging als onvermijdelijk presenteren.

De passende reactie is niet alle tegenstand als onrechtmatig af te wijzen. Er is een institutionele triage nodig.

 

  

Type weerstand

Beoordeling

Reactie

Bestaansonzekerheid

Legitiem

Bescherming, onderhandeling en alternatieven

Uitvoeringsprobleem

Informatief

Ontwerp aanpassen en capaciteit vergroten

Botsing van publieke waarden

Democratisch legitiem

Openbare afweging en rechtsbescherming

Bescherming van economische renten

Zwakke aanspraak

Transparantie, mededinging en afbouw privileges

Misleiding of verborgen beïnvloeding

Onrechtmatig

Openbaarmaking, sancties en onafhankelijk toezicht

Strategische vertraging bij onomkeerbare schade

Hoog maatschappelijk risico

Bindende termijnen en voorzorgsbeginsel

 

9 Een geloofwaardige hervormingsvolgorde

Losse hervormingen kunnen elkaar tegenwerken. Een abrupte prijsverhoging zonder alternatieven veroorzaakt verzet; langdurige subsidies zonder einddatum bestendigen afhankelijkheid. De volgorde moet daarom zowel ecologisch geloofwaardig als sociaal uitvoerbaar zijn.

 

Fase

Hoofdopgave

Voorbeelden

1. Diagnose en mandaat

Grenzen, afhankelijkheden en machtsposities zichtbaar maken

Materiaalboekhouding, lobbyregister, regionale risicoanalyse

2. Sociale bodem

Kwetsbare groepen vooraf beschermen

Minimuminkomen, schuldhulp, sociale energie- en vervoertarieven

3. Alternatieven opbouwen

Keuzemogelijkheden creëren

Openbaar vervoer, isolatie, zorg, reparatie-infrastructuur

4. Lock-ins stoppen

Nieuwe afhankelijkheden voorkomen

Geen nieuwe fossiele subsidies of infrastructuur

5. Prikkels verschuiven

Prijzen, krediet en regelgeving aanpassen

CO₂-prijs, normen, groene kredietvoorwaarden

6. Onhoudbare activiteiten uitfaseren

Duidelijke einddata en dalende plafonds

Verboden, emissieplafonds, afbouw gratis rechten

7. Macht en eigendom hervormen

Nieuwe concentratie voorkomen

Medezeggenschap, mededinging, publieke en coöperatieve eigendom

8. Evalueren en corrigeren

Effecten toetsen en instrumenten aanpassen

Periodieke evaluatie, terugvordering, herzieningsclausules


De fasen hoeven niet overal volledig na elkaar plaats te vinden. Wel gelden drie ordeningsprincipes:

  • bouw alternatieven eerder op dan dat oude voorzieningen verdwijnen;
  • kondig einddoelen vroeg aan, zodat investeringen zich kunnen aanpassen;
  • voer inkomensbescherming eerder in dan prijsverhogingen huishoudens bereiken.

Deze volgorde vermindert onzekerheid zonder beleid star te maken. De richting is voorspelbaar, maar het tempo en de instrumenten kunnen worden aangepast.

10 Implementatiematrix: termijnen, actoren en beslismomenten

De acht fasen vormen geen universeel kalenderplan. Ecologische urgentie, institutionele capaciteit en bestaande sociale bescherming verschillen per sector en land. Wel kan de hervormingsvolgorde worden vertaald in bestuurlijke termijnen, verantwoordelijke actoren en vooraf bepaalde beslismomenten. Daardoor wordt duidelijk wie binnen welke periode moet handelen en wanneer uitstel of koerswijziging gemotiveerd moet worden[1].

In de eerste twee jaar ligt de nadruk op wettelijke richting, gegevens en bescherming. Parlement en regering leggen sociale ondergrenzen, reductiepaden en verboden op nieuwe lock-ins vast[2]. Toezichthouders brengen eigendom, krediet, emissies en ketenafhankelijkheid in kaart. Gemeenten en uitvoeringsorganisaties identificeren groepen die prijs- of baanrisico lopen. Automatische inkomenssteun, schuldhulp en basisvoorzieningen worden versterkt voordat lasten breed stijgen[3].

Tussen jaar twee en vijf worden alternatieven opgeschaald. Nationale en Europese investeringscapaciteit financiert netten, renovatie, openbaar vervoer, zorg, scholing en regionale transitie. Belastingen, kredietvoorwaarden en aanbesteding verschuiven geleidelijk. Sectorale afspraken bevatten dalende plafonds, einddata en publieke tegenprestaties. Sociale partners onderhandelen over werktijd, scholing, loon en verdeling van productiviteitswinst. Gemeenten en coöperaties krijgen ruimte om voorzieningsmodellen te testen[4].

Tussen jaar vijf en tien worden structurele machts- en eigendomsvragen doorslaggevend. Tijdelijke subsidies lopen af of worden omgezet in publiek rendement. Activiteiten die ondanks beschikbare alternatieven de grenzen blijven overschrijden, worden uitgefaseerd. Mededingings-, platform- en eigendomsinstrumenten voorkomen dat nieuwe groene of digitale monopolies ontstaan[5]. Internationale afspraken over belasting, grondstoffen, technologie en schuld worden verdiept om verplaatsing van schade en kapitaalvlucht te beperken.

Tijdens alle fasen geldt een jaarlijkse transitiebalans en een zwaardere evaluatie om de drie tot vijf jaar. De evaluatie kan leiden tot doorgaan, opschalen, aanpassen, opschorten of beëindigen[6]. Doelen en rechten blijven stabiel; instrumenten worden gewijzigd wanneer zij niet werken of regressief uitpakken. Bij onomkeerbare schade geldt een versnelde route: een voorzorgsmaatregel kan onmiddellijk ingaan, terwijl sociale compensatie en alternatieven parallel worden opgebouwd[7].

De matrix voorkomt twee misverstanden. Zij maakt de transitie concreter dan een visie zonder uitvoerder, maar suggereert niet dat politiek conflict door planning verdwijnt. Iedere fase heeft winnaars, verliezers en mogelijke blokkades. Daarom worden lobbycontacten, uitzonderingen, compensatie en publieke steun openbaar gemaakt en krijgen parlement, rechter, rekenkamer, sociale partners en burgerfora onderscheiden rollen in mandaat, uitvoering en correctie[8].

 

Horizon

Hoofdopgave

Primaire actoren

Beslismoment

0–2 jaar

Mandaat, data, sociale bodem, stop nieuwe lock-ins

EU/nationaal parlement, kabinet, toezichthouders, gemeenten

Zijn grenzen juridisch, data bruikbaar en kwetsbare groepen beschermd?

2–5 jaar

Alternatieven, investeringen, prikkelverschuiving, sectorpaden

EU/nationale fondsen, regio’s, netbeheerders, sociale partners

Zijn alternatieven toegankelijk en verdelingseffecten aanvaardbaar?

5–10 jaar

Uitfasering, eigendom/macht, internationale verdieping

Wetgever, mededinging, financiële toezichthouders, internationale coalities

Worden plafonds gehaald zonder nieuwe concentratie of afwenteling?

Jaarlijks

Transitiebalans en uitvoering

Kabinet, Rekenkamer/planbureaus, parlement

Doorgaan, aanpassen, opschorten of herstellen?

3–5-jaarlijks

Zware stelselevaluatie

Onafhankelijke commissie + burgerberaad + rechterlijke toets

Zijn doelen, bevoegdheden en instrumentmix nog coherent?

 

11 Lessen uit historische en actuele transities

De twintigste-eeuwse welvaartsstaat

De naoorlogse welvaartsstaat laat zien dat brede hervormingen mogelijk worden wanneer economische groei, arbeidsorganisatie, progressieve belastingheffing en publieke voorzieningen in één politiek compromis worden verbonden. Productiviteitswinsten werden niet automatisch gedeeld; sterke vakbonden, collectieve onderhandelingen en politieke partijen organiseerden de macht die voor verdeling nodig was. Historisch onderzoek van de ILO wijst op de samenhang tussen arbeidsmacht, collectieve onderhandelingen en een gelijkmatiger inkomensverdeling.

Dit model had ook ernstige beperkingen. Het steunde vaak op het mannelijke kostwinnersmodel, onderschatte onbetaalde zorg, veronderstelde voortdurende groei en was mede afhankelijk van goedkope energie en grondstoffen. Vanaf de jaren tachtig verzwakten vakbonden, werden kapitaalmarkten geliberaliseerd en nam internationale belastingconcurrentie toe. Herverdeling werd daardoor defensiever en ingewikkelder.

De les is niet dat de welvaartsstaat is mislukt, maar dat sociale rechten zonder blijvende organisatorische macht kwetsbaar zijn. Een nieuwe welvaartsstaat moet daarom ecologische grenzen, gendergelijkheid, vermogensspreiding en democratische zeggenschap over investeringen integreren.

Zweden: een geleidelijk oplopende koolstofbelasting

Zweden voerde in 1991 een koolstofbelasting in als onderdeel van een bredere belastinghervorming. Het tarief begon relatief laag, werd geleidelijk verhoogd en ging samen met aanpassingen in andere belastingen en investeringen in alternatieven. Het Zweedse ministerie benadrukt zowel de stapsgewijze invoering als de combinatie met lagere belasting op arbeid.

Het succes berustte niet op één prijsinstrument. Langdurige geloofwaardigheid, bestuurlijke uitvoerbaarheid, energiealternatieven en periodieke aanscherping waren minstens zo belangrijk. Tegelijk laat de aanvankelijke differentiatie voor de industrie zien dat politieke acceptatie soms wordt gekocht met uitzonderingen. Zulke uitzonderingen kunnen tijdelijk functioneel zijn, maar moeten een vooraf vastgelegde einddatum hebben.

Frankrijk: de gele-hesjesprotesten

De Franse brandstofheffing werd door veel huishoudens buiten de grote steden ervaren als een maatregel die hen direct trof, terwijl vermogende groepen en grote ondernemingen werden ontzien. De verhoging was aanvankelijk niet verbonden met voldoende zichtbare compensatie voor lage inkomens. De OECD beschrijft dit als een kernprobleem achter de weerstand.

De les is niet dat koolstofbeprijzing onmogelijk is. Zij is dat objectieve verdelingseffecten, de waargenomen eerlijkheid en het democratische proces alle drie bepalend zijn. Een beleidsmaatregel kan economisch efficiënt zijn en toch politiek instorten wanneer burgers geen alternatief hebben, de opbrengsten niet vertrouwen en andere groepen zichtbaar worden ontzien.

Het Europese emissiehandelssysteem

Het EU-ETS kampte in zijn beginjaren met een groot overschot aan emissierechten en daardoor een zwak prijssignaal. De Europese Unie corrigeerde dit onder meer door aanscherping van het plafond en de invoering van de Market Stability Reserve, die overschotten uit de markt kan nemen.

Deze casus toont dat een instrument niet moet worden beoordeeld alsof het oorspronkelijke ontwerp onveranderlijk is. Institutionele correctie kan de werking verbeteren. Tegelijk moet worden onderzocht wie van het eerdere ontwerp heeft geprofiteerd, bijvoorbeeld door gratis verkregen emissierechten of windfall profits. Corrigeren betekent niet alleen het technische mechanisme repareren, maar ook onbedoelde vermogensoverdrachten zichtbaar maken.

Duitsland: de kolentransitie

De Duitse kolencommissie combineerde onderhandelingen over uitfasering met steun voor werknemers en regio’s. Zij stelde tientallen miljarden euro’s aan regionale overgangssteun voor.

Deze aanpak erkent dat een mijnsluiting een gehele regionale economie kan raken. Tegelijk bestaat het risico dat omvangrijke compensatie aan ondernemingen het uitfaseringstempo vertraagt en vervuilende activa alsnog publiek worden vergoed. Een rechtvaardige transitiecommissie heeft daarom transparante waarderingsregels nodig en moet werknemers- en gemeenschapssteun onderscheiden van aandeelhouderscompensatie.

Het Montrealprotocol

Het Montrealprotocol combineerde bindende internationale reductieverplichtingen met technologiebeoordeling, verschillende termijnen voor ontwikkelde en ontwikkelingslanden en een multilateraal fonds voor financiële en technische ondersteuning. Het fonds werd in 1991 opgericht om ontwikkelingslanden te helpen aan hun verplichtingen te voldoen.

Deze casus laat zien dat mondiale transities haalbaarder worden wanneer grenzen bindend zijn, kennis periodiek wordt bijgewerkt en landen met minder financiële en technologische capaciteit ondersteuning krijgen. De combinatie van normering, financiering en institutioneel leren is belangrijker dan één universele prijs.

12 Duflo en de corrigeerbare overheid

Esther Duflo’s experimentele benadering vertrekt vanuit epistemische bescheidenheid: beleidsmakers weten vooraf vaak niet precies waarom mensen bepaald gedrag vertonen of welk uitvoeringsdetail beslissend is. Veldexperimenten kunnen causale effecten zichtbaar maken die in algemene theorieën verborgen blijven. Haar Nobellezing presenteert experimenteren daarom als onderdeel van de dagelijkse praktijk van beleid.

Voor een transitiebeleid zijn experimenten vooral nuttig bij vragen als:

  • welke isolatiesubsidie bereikt huurders met lage inkomens?
  • welke scholingsvorm vergroot werkelijk de kans op nieuw werk?
  • welke terugleververgoeding stimuleert lokale energiecoöperaties?
  • welke communicatie vermindert wantrouwen?
  • welke inkomensgarantie voorkomt armoede zonder hoge uitvoeringskosten?

Experimenten kunnen echter niet bepalen welke ecologische grens rechtvaardig is, hoeveel ongelijkheid aanvaardbaar is of welke rechten burgers behoren te hebben. Evenmin kunnen lokale gerandomiseerde proeven zonder meer de macro-economische gevolgen van een landelijke belastinghervorming, bankencrisis of industriële transitie voorspellen. Machtsverhoudingen, algemene-evenwichtseffecten en institutionele terugkoppelingen laten zich niet altijd randomiseren.

Een corrigeerbare overheid gebruikt daarom een methodenpluralisme.

 

Vraagtype

Geschikte methode

Beperking

Werkt een afgebakende interventie?

Gerandomiseerd experiment

Externe geldigheid en schaalbaarheid

Wat is het effect van bestaande wetgeving?

Difference-in-differences, regressiediscontinuïteit

Vereist geloofwaardige vergelijkingsgroep

Wat zijn macro-economische gevolgen?

Scenario- en systeemmodellering

Afhankelijk van aannames

Waarom werkt uitvoering niet?

Procesevaluatie en kwalitatief onderzoek

Minder geschikt voor exacte effectgrootte

Hoe verandert macht?

Netwerk-, eigendoms- en lobbyanalyse

Informele invloed blijft deels onzichtbaar

Is beleid legitiem?

Burgerpanels, enquêtes en deliberatie

Voorkeuren zijn contextgevoelig

Worden grenzen gerespecteerd?

Fysieke materiaal- en emissieboekhouding

Toerekening aan ketens kan onzeker zijn

De samenwerking tussen J-PAL en de regering van Tamil Nadu laat zien dat evidence-informed beleid meer vereist dan één evaluatie. Monitoring, administratieve data, opleiding van ambtenaren en een institutionele cultuur waarin uitkomsten daadwerkelijk worden gebruikt, zijn eveneens nodig.

13 Een transitiedashboard

Iedere grote hervorming behoort te worden gevolgd met een dashboard dat niet alleen gemiddelde economische uitkomsten, maar ook verdeling, macht en uitvoering zichtbaar maakt.

 

Dimensie

Kernindicatoren

Mogelijke correctiedrempel

Ecologisch resultaat

Absolute emissies, materiaalvoetafdruk, land- en watergebruik

Overschrijding wettelijk reductiepad

Sociale ondergrens

Armoede, energiearmoede, woningzekerheid, toegang tot zorg

Verslechtering bij laagste inkomensgroepen

Arbeid

Banenverlies, nieuwe banen, loonkwaliteit, scholingsresultaat

Structureel baanverlies zonder plaatsing

Verdeling

Effect per inkomensdeciel, gender, regio en huishoudtype

Regressief netto-effect

Macht

Marktconcentratie, lobbycontacten, eigendomsconcentratie

Toenemende concentratie in transitieve sector

Uitvoering

Bereik, doorlooptijd, administratieve lasten

Achterblijvend bereik of excessieve uitval

Begroting

Kosten, vermeden schade, terugvloeiing en risico’s

Structurele overschrijding zonder resultaat

Legitimiteit

Vertrouwen, participatie en ervaren eerlijkheid

Sterke daling vertrouwen bij getroffen groepen

Veerkracht

Schuldpositie, energiezekerheid, importafhankelijkheid

Nieuwe kritieke afhankelijkheid

Mondiale effecten

Geïmporteerde emissies, arbeidsrechten, grondstoffenwinning

Afwenteling naar kwetsbare landen

Vooraf moeten niet alleen doelen maar ook beslisregels worden vastgelegd:

  • doorgaan wanneer doelen worden gehaald zonder grensoverschrijdende nevenschade;
  • opschalen wanneer positieve effecten robuust en overdraagbaar zijn;
  • aanpassen wanneer uitvoering of verdeling tekortschiet;
  • opschorten wanneer ernstige schade ontstaat die herstelbaar is;
  • beëindigen en herstellen wanneer het instrument structureel ineffectief, onrechtmatig of maatschappelijk schadelijk blijkt.

Deze beslisregels voorkomen dat evaluatie een ritueel wordt waarin beleid altijd als “veelbelovend” wordt beoordeeld. Zij beperken ook de neiging van politieke organisaties om mislukkingen te verbergen vanwege reputatieverlies.

14 Institutionele organisatie van correctie

Corrigeerbaarheid vraagt om tegenmacht binnen de overheid. De instantie die beleid ontwerpt en uitvoert, kan niet als enige verantwoordelijk zijn voor de evaluatie ervan. Tegelijk moet voorkomen worden dat een volledig nieuw bestuursapparaat ontstaat.

Een werkbare architectuur bestaat uit:

  • een wettelijk vastgelegde transitie-effectrapportage vóór grote hervormingen;
  • een onafhankelijke evaluatiefunctie bij de Rekenkamer, planbureaus of een vergelijkbare instantie;
  • jaarlijkse parlementaire behandeling van een Transitiebalans;
  • openbare gegevens over subsidies, lobbycontacten, eigendom en bereikte resultaten;
  • vertegenwoordiging van werknemers, kwetsbare groepen en getroffen regio’s;
  • een ombudspersoon voor toekomstige generaties;
  • rechterlijke toetsing aan grondrechten en wettelijke ecologische grenzen;
  • periodieke burgerberaden over verdelingsvragen;
  • herzieningsclausules met een vaste evaluatiedatum;
  • een openbaar register van uitzonderingen, inclusief motivering en einddatum.

De Transitiebalans moet niet alleen rapporteren hoeveel geld is besteed en hoeveel projecten zijn gestart. Zij moet zichtbaar maken:

  1. welke ecologische resultaten zijn bereikt;
  2. welke groepen baten en lasten dragen;
  3. welke ondernemingen publieke steun ontvangen;
  4. welke vermogens- en machtsverschuivingen optreden;
  5. welke aannames onjuist bleken;
  6. welke instrumenten worden aangepast of beëindigd.

15 Stabiele doelen en flexibele instrumenten

Een veelgehoord bezwaar is dat voortdurende evaluatie beleidszekerheid ondermijnt. Ondernemingen zouden niet investeren wanneer regels steeds kunnen veranderen. Dit bezwaar is terecht wanneer ook de einddoelen voortdurend wisselen. Corrigeerbaarheid moet daarom niet worden verward met bestuurlijke wispelturigheid.

Het onderscheid is:

  • doelzekerheid: wettelijk vastgelegde sociale en ecologische grenzen;
  • padzekerheid: vooraf aangekondigde reductietrajecten en termijnen;
  • instrumentflexibiliteit: mogelijkheid belastingen, subsidies en uitvoeringsregels te verbeteren;
  • rechtszekerheid: voorspelbare procedures, beroep en overgangstermijnen;
  • geen rentezekerheid: geen garantie dat bestaande winsten of marktposities intact blijven.

Een onderneming mag weten welke emissiereductie in 2035 vereist is, zonder erop te kunnen vertrouwen dat zij tot 2035 dezelfde subsidie ontvangt. Deze combinatie bevordert innovatie: het doel staat vast, maar betere manieren om het te bereiken blijven mogelijk.

16 Tegenargumenten

“Een geleidelijke transitie is te langzaam voor urgente ecologische problemen.”
Geleidelijkheid mag geen uitstelstrategie worden. Bij dreigende onomkeerbare schade zijn bindende plafonds en snelle verboden gerechtvaardigd. De sociale voorbereiding moet dan worden versneld, niet de ecologische grens verzwakt.

“Compensatie beloont vervuilers.”
Dat risico bestaat wanneer ondernemingswaarde volledig wordt vergoed. Compensatie moet daarom werknemers, huishoudens en regio’s volgen. Steun aan ondernemingen is alleen gerechtvaardigd wanneer zij aantoonbaar omschakelen en publieke tegenprestaties leveren.

“Experimenteren maakt democratische politiek technocratisch.”
Experimenten kunnen middelen beoordelen, maar niet de maatschappelijke doelen vaststellen. Democratische besluitvorming bepaalt welke waarden en grenzen gelden; onderzoek helpt vervolgens vaststellen of gekozen instrumenten die doelen bereiken.

“Machtsanalyse leidt tot wantrouwen tegenover alle ondernemingen.”
Niet iedere onderneming heeft hetzelfde belang of dezelfde machtspositie. Een goede analyse onderscheidt productieve ondernemingen, innovatieve nieuwkomers, kleine bedrijven, coöperaties en rentenierende incumbenten. Juist dat onderscheid voorkomt generiek wantrouwen.

“Een nationaal postgroeibeleid leidt alleen tot vertrek van bedrijven.”
Mobiliteit van kapitaal is een reëel machtsmiddel. Daarom zijn Europese en mondiale afspraken, grenscorrecties, minimumbelastingen en voorwaarden aan markttoegang nodig. Voor essentiële sectoren kunnen publieke financiering en gedeeltelijk publiek eigendom de afhankelijkheid van vertreigdreiging verminderen.

“Postgroei is slechts een andere naam voor recessie.”
Een recessie is een ongeplande krimp waarbij werkloosheid, faillissementen en onzekerheid toenemen. Postgroei is een geplande vermindering van ecologische belasting, gecombineerd met inkomenszekerheid, werktijdverkorting, publieke investeringen en herverdeling. Zonder deze institutionele voorzieningen zou postgroei inderdaad in recessie kunnen ontaarden.

17 Institutioneel voorstel: de democratische transitiecyclus

De voorgaande inzichten kunnen worden samengebracht in een vaste beleidscyclus.

1. Publieke probleemstelling
Het parlement legt vast welk sociaal of ecologisch probleem moet worden opgelost en welke grens niet mag worden overschreden.

2. Machts- en verdelingsanalyse
Vooraf wordt onderzocht wie kosten draagt, wie profiteert, welke afhankelijkheden bestaan en welke actoren hervorming kunnen blokkeren.

3. Opbouw van capabilities
Infrastructuur, kennis, inkomen en alternatieven worden ontwikkeld voordat verplichtingen volledig ingaan.

4. Wetgeving met wederkerigheid
Rechten, subsidies en bescherming worden gekoppeld aan controleerbare maatschappelijke prestaties.

5. Gefaseerde invoering
Tarieven, plafonds en normen volgen een aangekondigd pad, met sterkere bescherming voor groepen met weinig aanpassingsvermogen.

6. Onafhankelijke monitoring
Resultaten worden gemeten op ecologische, sociale, economische en institutionele dimensies.

7. Democratische evaluatie
Parlement, burgers, werknemers en onafhankelijke deskundigen beoordelen zowel effecten als ervaren rechtvaardigheid.

8. Correctie en herstel
Instrumenten worden voortgezet, aangepast, opgeschaald of beëindigd. Wanneer beleid schade heeft veroorzaakt, wordt ook herstel georganiseerd.

18 Conclusie: transitie als democratische leerpraktijk

De overgang naar een menswordings-economie kan niet worden ontworpen alsof alle actoren hetzelfde belang hebben. Grenzen aan vervuiling, vermogensconcentratie, platformmacht en financiële speculatie zullen bestaande posities aantasten. Wie die machtsdimensie negeert, loopt het risico dat hervormingen worden vertraagd, afgezwakt of omgevormd tot nieuwe bronnen van accumulatie.

Piketty maakt zichtbaar hoe eigendom, ideologie en politieke macht elkaar versterken. Chang laat zien dat transitie productieve capaciteiten en een competente, lerende overheid vereist. Jackson analyseert hoe werkgelegenheid, schuld en publieke financiën minder afhankelijk kunnen worden gemaakt van groei. Schenderling verbindt postgroei met kwaliteit, tijd en een politiek herkenbaar toekomstbeeld. Duflo biedt instrumenten om beleid toetsbaar en corrigeerbaar te maken. Vastenaekels waarschuwt ten slotte dat minder groei zonder verandering van machtsverhoudingen zelfs tot nieuwe vormen van schaarste en renteniersmacht kan leiden.

De kern van corrigeerbaarheid is daarom niet dat de samenleving geen duurzame verplichtingen aangaat. Zij betekent dat instituties in staat zijn fouten te herkennen, macht zichtbaar te maken, schadelijke neveneffecten te herstellen en ineffectieve instrumenten daadwerkelijk te beëindigen.

Een menswordings-economie is daarmee geen vooraf voltooid institutioneel ontwerp. Zij is een democratisch georganiseerde leerpraktijk met een vaste morele richting: bestaanszekerheid voor iedereen, macht die verantwoordingsplichtig blijft en economische ontwikkeling binnen sociale en ecologische grenzen.

 


Lees het volledige onderzoek:

https://www.researchgate.net/publication/414160039_De_institutionele_architectuur_van_een_democratische_sufficiency-economie



[1] OECD, Recommendation of the Council on Public Policy Evaluation, OECD/LEGAL/0478, 6 juli 2022.

[2] Karen C. Seto, Steven J. Davis, Ronald B. Mitchell, Eleanor C. Stokes, Gregory Unruh en Diana Ürge-Vorsatz, ‘Carbon Lock-In: Types, Causes, and Policy Implications’, Annual Review of Environment and Resources 41 (2016): 425–452, https://doi.org/10.1146/annurev-environ-110615-085934.

[3] International Labour Organization, Guidelines for a Just Transition, 12–20.

[4] Mazzucato en Penna, ‘Beyond Market Failures’, 305–326; International Labour Organization, Guidelines for a Just Transition, 13–19.

[5] Frank W. Geels, ‘Regime Resistance against Low-Carbon Transitions: Introducing Politics and Power into the Multi-Level Perspective’, Theory, Culture & Society 31, nr. 5 (2014): 21–40, https://doi.org/10.1177/0263276414531627; Jonas Meckling, Nina Kelsey, Eric Biber en John Zysman, ‘Winning Coalitions for Climate Policy’, Science 349, nr. 6253 (2015): 1170–1171, https://doi.org/10.1126/science.aab1336.

[6] Recommendation on Public Policy Evaluation; Esther Duflo, ‘Field Experiments and the Practice of Policy’, American Economic Review 110, nr. 7 (2020): 1952–1973, https://doi.org/10.1257/aer.110.7.1952.

[7] erdrag betreffende de werking van de Europese Unie, art. 191, lid 2; Seto e.a., ‘Carbon Lock-In’, 425–452.

[8] David Klenert, Linus Mattauch, Emmanuel Combet, Ottmar Edenhofer, Cameron Hepburn, Ryan Rafaty en Nicholas Stern, ‘Making Carbon Pricing Work for Citizens’, Nature Climate Change 8 (2018): 669–677, https://doi.org/10.1038/s41558-018-0201-2; Geels, ‘Regime Resistance’, 21–40.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties