Macht, transitie en corrigeerbaarheid: Hoe bouwen we een rechtvaardige economie?
Macht, transitie
en corrigeerbaarheid
Een economische transitie is nooit
uitsluitend een technisch proces waarin betere beleidsinstrumenten geleidelijk
minder doeltreffende instrumenten vervangen. Iedere ingrijpende hervorming
verandert de verdeling van inkomen, vermogen, risico, zeggenschap en
toekomstkansen. Zij creëert nieuwe mogelijkheden, maar tast ook bestaande
posities aan. De vraag is daarom niet alleen welke economische ordening
wenselijk is, maar ook wie de overgang kan versnellen, vertragen, ombuigen of
blokkeren.
Dat geldt in het bijzonder voor de
overgang naar een economie waarin groei niet langer het hoogste
ordeningsprincipe is. Ondernemingen die afhankelijk zijn van fossiele energie,
grondstoffengebruik, financiële hefboomwerking, goedkope arbeid of monopolistische
intellectuele eigendomsrechten zullen niet vanzelf plaatsmaken voor duurzamere
alternatieven. Hun marktpositie is doorgaans verbonden met politieke invloed,
juridische rechten, toegang tot krediet, kennisvoorsprongen en verwachtingen
van toekomstige winst. Tegelijkertijd kunnen werknemers, regio’s en huishoudens
voor hun bestaanszekerheid afhankelijk zijn geworden van dezelfde activiteiten.
Daardoor ontstaat een fundamenteel onderscheid tussen het beschermen van mensen
en het beschermen van bestaande verdienmodellen.
Een menswordings-economie vereist daarom
een theorie van verandering die ten minste vijf vragen beantwoordt:
- Welke groepen winnen en verliezen bij een hervorming?
- Over welke machtsmiddelen beschikken zij?
- In welke volgorde moeten hervormingen worden ingevoerd?
- Hoe worden kwetsbare groepen beschermd zonder economische renten te
bestendigen?
- Hoe wordt vastgesteld of beleid werkt en wanneer het moet worden
aangepast of beëindigd?
Corrigeerbaarheid betekent daarbij niet
dat iedere politieke keuze voortdurend ter discussie moet staan. Een transitie
heeft juist een combinatie nodig van een vaste richting en aanpasbare middelen.
Grondrechten, sociale ondergrenzen en ecologische bovengrenzen behoren tot het
stabiele normatieve kader; subsidies, belastingen, uitvoeringsregelingen en
institutionele bevoegdheden moeten kunnen veranderen wanneer zij niet
functioneren.
De transitieanalyse wordt hieronder
uitgewerkt in vier lagen: machts- en belangenanalyse, hervormingsvolgorde,
implementatie naar termijn en actor, en een correctiecyclus met vooraf
vastgelegde beslisregels. Het gaat dus niet om één blauwdruk, maar om een
institutioneel pad dat richtingvast en instrumenteel aanpasbaar is.
1 Transitie als
herverdeling van kansen en verliezen
De gevolgen van een hervorming kunnen niet uitsluitend worden afgemeten aan het nationale inkomen of aan de gemiddelde koopkracht. Voor iedere maatschappelijke groep (g) moet afzonderlijk worden onderzocht hoe haar positie verandert:
Deze grootheden kunnen niet zonder meer tot één geldbedrag worden teruggebracht. Het verlies van een baan, de sluiting van de belangrijkste werkgever in een regio en de aantasting van gezondheid of leefomgeving zijn kwalitatief verschillende gevolgen. Een transitieanalyse moet daarom naast inkomenseffecten ook werkzekerheid, gezondheid, tijdsbesteding, regionale afhankelijkheid, toegang tot basisvoorzieningen en politieke zeggenschap meten.
Daarbij moet worden onderscheiden tussen
verschillende soorten verlies.
- Bestaansverlies treft werknemers, kleine
ondernemers en huishoudens die niet gemakkelijk kunnen uitwijken.
- Vermogensverlies ontstaat wanneer aandelen,
woningen, pensioenrechten of bedrijfsbezittingen in waarde dalen.
- Rentverlies betreft het verdwijnen van inkomsten uit
marktmacht, schaarstecreatie, belastingvoordelen of vervuiling die
voorheen op de samenleving werd afgewenteld.
- Statusverlies ontstaat wanneer beroepen,
consumptiepatronen of ondernemingsvormen hun maatschappelijke prestige
verliezen.
- Machtsverlies treedt op wanneer ondernemingen of
vermogensbezitters minder invloed krijgen op investeringen,
arbeidsverhoudingen of publieke besluitvorming.
Niet ieder verlies schept een even
sterke aanspraak op compensatie. Een werknemer die na de sluiting van een
kolenmijn zijn inkomen, vakmanschap en sociale omgeving dreigt te verliezen,
heeft een andere morele en institutionele positie dan een aandeelhouder die
verwachte winsten uit toekomstige fossiele winning ziet verdwijnen. De eerste
heeft bescherming en nieuwe handelingsmogelijkheden nodig; de tweede kan niet
verlangen dat de overheid de volledige marktwaarde van een maatschappelijk
onhoudbaar verdienmodel garandeert.
Een rechtvaardige transitie compenseert
daarom primair mensen, gemeenschappen en opgebouwde afhankelijkheden, niet
automatisch de verwachte winst van ondernemingen.
2 De
verschillende vormen van economische macht
Economische macht is meer dan het bezit
van geld. Zij omvat het vermogen om beslissingen van anderen te beïnvloeden,
hervormingen te vertragen en bepaalde opties als onrealistisch of onbetaalbaar
te presenteren.
|
Vorm van macht |
Werkingsmechanisme |
Voorbeelden |
Institutioneel tegenwicht |
|
Structurele macht |
Dreiging investeringen, werkgelegenheid
of krediet terug te trekken |
Kapitaalvlucht,
investeringsstaking, verplaatsing productie |
Publieke
investeringsbanken, kapitaalbuffers, internationale coördinatie |
|
Instrumentele macht |
Directe beïnvloeding van
politiek en regelgeving |
Lobby, partijfinanciering,
draaideurconstructies |
Lobbyregister,
openbaarmaking, afkoelperiodes, parlementaire controle |
|
Marktmacht |
Prijzen, toegang en
voorwaarden eenzijdig bepalen |
Monopolies, platforms,
octrooiposities |
Mededingingsbeleid,
interoperabiliteit, publieke alternatieven |
|
Juridische macht |
Eigendoms- en
contractrechten inzetten tegen verandering |
Claims over onteigening,
investeringsarbitrage, octrooigeschillen |
Heldere
publieke-belangclausules, herziening verdragen, onafhankelijke rechtspraak |
|
Kennis- en datamacht |
Bepalen welke informatie
beschikbaar is |
Bedrijfsgeheimen,
algoritmen, selectieve effectstudies |
Publieke data,
onafhankelijke wetenschap, algoritmetoezicht |
|
Discursieve macht |
Bepalen wat als normaal of
mogelijk geldt |
“Er is geen alternatief”,
“groei betaalt alles” |
Pluriform onderzoek,
burgerberaden, transparante scenarioanalyse |
|
Infrastructuurmacht |
Controle over essentiële
netwerken en standaarden |
Energie, betalingsverkeer,
digitale platforms |
Publiek of coöperatief
eigendom, toegangsverplichtingen |
|
Organisatiemacht |
Collectief optreden
mogelijk maken |
Werkgeversorganisaties,
vakbonden, sociale bewegingen |
Verenigingsvrijheid,
medezeggenschap, collectieve onderhandelingen |
Thomas Piketty laat zien dat
ongelijkheid niet alleen een ongelijke verdeling van middelen is. Vermogen
verschaft toegang tot onderwijs, media, politieke netwerken en de mogelijkheid
om economische risico’s af te wentelen. Eigendomsregimes worden bovendien
ondersteund door verhalen die deze verdeling rechtvaardigen. In Capital and
Ideology benadrukt hij dat ongelijkheid voortkomt uit politieke en
ideologische keuzes en niet uit een economisch natuurverschijnsel.
Dat inzicht heeft directe gevolgen voor
transitiebeleid. Wanneer economische macht sterk geconcentreerd blijft, kunnen
zelfs ambitieuze hervormingen zo worden ingericht dat zij bestaande
vermogensposities beschermen. Subsidies voor verduurzaming kunnen bijvoorbeeld
hoofdzakelijk terechtkomen bij grote ondernemingen of vermogende
woningbezitters. Nieuwe markten voor emissierechten, data of duurzame
technologie kunnen nieuwe vormen van renteniersmacht creëren. De inhoud van een
hervorming kan dan veranderen zonder dat de onderliggende machtsverhoudingen
wezenlijk verschuiven.
Herverdeling achteraf is daarom
onvoldoende. Ook de verdeling van eigendom, investeringsmacht, kennis en
zeggenschap moet onderdeel van de transitie zijn. Piketty’s voorstellen voor
progressieve vermogensbelasting, medezeggenschap en een bredere vermogensspreiding
zijn in deze paragraaf niet primair fiscale maatregelen, maar instrumenten om
politieke en economische macht te democratiseren.
3 Transitie is
geen automatisch gevolg van minder groei
Het artikel Degrowth futures as power struggles: Scenarios of accumulation, sabotage, and resistance van Julien Vastenaekels waarschuwt tegen de gedachte dat een economie met minder groei vanzelf minder kapitalistisch, gelijker of duurzamer wordt. Ook bij stagnatie kunnen dominante ondernemingen winstgevend blijven door schaarste te organiseren, concurrenten uit te sluiten, prijzen te verhogen of publieke middelen naar zich toe te trekken.
Het artikel gebruikt de benadering van capital
as power. De waarde van een onderneming kan daarin worden voorgesteld als
de contante waarde van verwachte toekomstige winsten:
Vastenaekels onderscheidt vier mogelijke
ontwikkelingsrichtingen:
|
Scenario |
Kenmerk |
Politiek-economisch
risico |
|
Gesaboteerde transitie |
Hervormingen worden
overgenomen en afgezwakt door gevestigde belangen |
Groene subsidies en
keurmerken legitimeren voortgaande accumulatie |
|
Postgroei-accumulatie |
Lage groei gaat samen met
blijvende of stijgende renten |
Schaarste, monopolies en
hoge prijzen versterken dominante ondernemingen |
|
Betwiste transformatie |
Maatschappelijke
tegenmacht confronteert bestaande accumulatie |
Toenemende conflicten,
desinvestering en politieke polarisatie |
|
Systemische herordening |
Nieuwe eigendoms- en
machtsverhoudingen worden dominant |
Institutionele
onzekerheid, maar ook ruimte voor democratisering |
De belangrijke conclusie is dat een
afname van materiaalgebruik of bbp-groei op zichzelf geen machtstransitie
vormt. Een succesvolle postgroei- of sufficiencytransitie moet tegelijk:
- routes naar monopoliewinst en rente-extractie beperken;
- publieke, coöperatieve en gemeenschapsalternatieven uitbreiden;
- werknemers en burgers zeggenschap over investeringen geven;
- de afhankelijkheid van huishoudens en overheden van permanente groei
verminderen;
- voorkomen dat kunstmatige schaarste nieuwe bronnen van accumulatie
creëert.
Minder groei zonder herverdeling van
macht kan uitmonden in een economie van hoge prijzen, dalende publieke
voorzieningen en geconcentreerd vermogen. Dat is geen menswordings-economie,
maar een rentenierseconomie zonder dynamiek.
4 Ha-Joon Chang:
transitie door institutionele opbouw
Ha-Joon Chang verzet zich tegen het idee dat ontwikkeling ontstaat wanneer de overheid zich terugtrekt en marktprijzen ongehinderd hun werk doen. Historisch zijn succesvolle ontwikkelingsprocessen vrijwel altijd verbonden geweest met industriebeleid, publieke investeringen, kennisopbouw, bescherming van opkomende sectoren en gerichte kredietverlening. Zijn analyse van industriebeleid benadrukt dat de relevante vraag niet is óf overheden economische structuren beïnvloeden, maar met welk doel, onder welke voorwaarden en met welke correctiemechanismen zij dat doen.
Voor een ecologische en sociale
transitie betekent dit dat het onvoldoende is vervuilende productie uitsluitend
duurder te maken. Mensen en ondernemingen moeten toegang krijgen tot reële
alternatieven. Een verbod op fossiele verwarming werkt pas rechtvaardig wanneer
warmtenetten, woningisolatie, betaalbare elektriciteit en voldoende geschoolde
installateurs beschikbaar zijn. Een heffing op autogebruik is problematisch
wanneer perifere regio’s niet over bruikbaar openbaar vervoer beschikken.
Industriebeleid brengt echter zelf
machtsrisico’s mee. Overheden kunnen worden gevangen door de ondernemingen die
zij ondersteunen. Tijdelijke bescherming kan permanent worden en subsidies
kunnen ondernemingswinsten verhogen zonder publieke tegenprestatie. Chang pleit
daarom voor discipline en wederkerigheid. Publieke steun moet worden gekoppeld
aan controleerbare prestaties, zoals:
- emissiereductie per eenheid productie;
- kennisdeling en opleiding;
- fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden;
- beperking van dividenduitkeringen en aandeleninkoop tijdens de
steunperiode;
- tijdige terugbetaling of publieke winstdeling;
- regionale werkgelegenheid;
- open technische standaarden;
- terugvordering wanneer doelen niet worden gehaald.
Industriebeleid wordt zo geen systeem
waarin de overheid “winnaars kiest”, maar een proces waarin maatschappelijke
problemen worden gekozen en ondernemingen moeten aantonen dat zij aan de
oplossing bijdragen.
5 Tim Jackson:
de macro-economische afhankelijkheid van groei afbouwen
Tim Jackson benadrukt dat een
postgroei-economie niet eenvoudig ontstaat door het groeitempo te verlagen.
Moderne economieën zijn institutioneel afhankelijk gemaakt van groei.
Werkgelegenheid, schuldaflossing, belastinginkomsten, pensioenverwachtingen en
ondernemingswaarderingen veronderstellen dikwijls dat productie en consumptie
blijven stijgen. De centrale opgave is daarom economische en sociale
stabiliteit te behouden wanneer de groei van materiële consumptie afneemt.
De arbeidsmarkt maakt dit probleem
zichtbaar. Vereenvoudigd geldt:
Een postgroeitransitie vereist daarom
een combinatie van:
- kortere gemiddelde arbeidsduur;
- investeringen in arbeidsintensieve sectoren als zorg, onderwijs,
onderhoud en natuurherstel;
- inkomenszekerheid buiten voltijdse loonarbeid;
- lagere vaste lasten voor wonen, energie, zorg en vervoer;
- vermindering van private schuldenafhankelijkheid;
- pensioenstelsels die niet uitsluitend op hoge financiële rendementen
steunen;
- publieke investeringen die op maatschappelijke opbrengsten worden
beoordeeld.
Jackson beschrijft welvaart als de
mogelijkheid om betekenisvol aan het maatschappelijke leven deel te nemen, niet
uitsluitend als de mogelijkheid meer goederen te consumeren. Tim Jackson, An
Economy That Works Daarmee verschuift ook de transitiepolitiek. Zij moet
niet alleen kosten verdelen, maar burgers zichtbare verbeteringen bieden: meer
tijd, gezondere leefomgevingen, betrouwbare publieke voorzieningen, zinvol werk
en minder economische onzekerheid.
6 Paul
Schenderling: van abstracte postgroei naar een politieke coalitie
Paul Schenderling vertaalt postgroei
naar de Nederlandse context. Zijn benadering combineert vermindering van
materiaalgebruik met een verschuiving naar kwaliteit, langere
productlevensduur, minder betaalde arbeidsuren en meer beschikbare tijd. Hij
stelt onder meer voor belasting op arbeid te verlagen en consumptie naar
ecologische impact zwaarder te belasten.
De politieke betekenis hiervan is dat
postgroei niet uitsluitend als beperking wordt gepresenteerd. Minder
kwantitatieve consumptie wordt gekoppeld aan:
- lagere druk op arbeid;
- meer tijd voor zorg en sociale relaties;
- duurzamere en repareerbare producten;
- versterking van lokaal ondernemerschap;
- minder afhankelijkheid van reclame en statusconsumptie.
Een dergelijke strategie kan een bredere
coalitie vormen dan een beleid dat alleen uit verboden en prijsverhogingen
bestaat. Zij verbindt ecologische doelen met arbeidskwaliteit,
bestaanszekerheid en ondernemingskansen.
Tegelijkertijd is een generieke
belasting op consumptie sociaal riskant. Lage inkomens besteden een groter deel
van hun inkomen aan consumptie en beschikken vaak over minder duurzame
alternatieven. Een postgroeiheffing moet daarom worden gedifferentieerd naar
ecologische impact en worden gecombineerd met inkomenscompensatie, lage prijzen
voor basisvoorzieningen en collectieve alternatieven. Schenderlings voorstel om
de heffing jaarlijks via de inkomstenbelasting te verrekenen en te koppelen aan
lagere belasting op arbeid is mede bedoeld om dit verdelingsprobleem te
ondervangen.
Politiek overtuigend wordt deze
benadering pas wanneer huishoudens eerst ervaren dat duurzame alternatieven
bereikbaar zijn. Een belasting op vliegen heeft een andere legitimiteit wanneer
internationale treinverbindingen beschikbaar zijn; hogere energieprijzen zijn
beter verdedigbaar nadat huurwoningen zijn geïsoleerd. Ook hier is de
hervormingsvolgorde doorslaggevend.
7 Winnaars,
verliezers en rechtvaardige compensatie
Een transitie-effectrapportage moet per
groep ten minste vier kenmerken vaststellen:
- Verantwoordelijkheid: in welke mate heeft de
groep bijgedragen aan het probleem?
- Afhankelijkheid: in welke mate is zij voor inkomen
of voorzieningen afhankelijk van de activiteit?
- Aanpassingsvermogen: beschikt zij over
vermogen, opleiding en alternatieven?
- Zeggenschap: kon zij invloed uitoefenen op de beslissingen die
de afhankelijkheid hebben veroorzaakt?
|
Groep |
Mogelijk verlies |
Mogelijke winst |
Passende
overgangsmaatregel |
|
Werknemers in
krimpsectoren |
Baan, vakidentiteit,
pensioenopbouw |
Nieuwe beroepen, schoner
werk |
Inkomensgarantie,
scholing, baangarantie, zeggenschap |
|
Afhankelijke regio’s |
Belastingbasis,
voorzieningen, lokale bedrijvigheid |
Nieuwe infrastructuur en
sectoren |
Langjarig regionaal
transitiefonds |
|
Lage inkomens |
Hogere energie- en
consumptieprijzen |
Lagere vaste lasten,
betere publieke diensten |
Voorafgaande compensatie
en sociale tarieven |
|
Kleine ondernemingen |
Aanpassingskosten en
administratieve lasten |
Toegang tot nieuwe markten |
Technische hulp, krediet
en proportionele rapportage |
|
Pensioenfondsen |
Afwaardering van vervuilende
activa |
Minder langetermijnrisico |
Geleidelijke
portefeuilletransitie en transparantie |
|
Incumbente ondernemingen |
Marktmacht en fossiele
activa |
Mogelijkheden tot
omschakeling |
Voorwaardelijke steun,
geen garantie van oude winsten |
|
Nieuwe en coöperatieve
ondernemingen |
Financierings- en
toetredingsbarrières |
Groeiende vraag naar
duurzame diensten |
Publiek krediet, toegang
tot infrastructuur |
|
Toekomstige generaties |
Geen directe politieke
vertegenwoordiging |
Minder ecologische en financiële
schade |
Wettelijke
vertegenwoordiging en bindende grenzen |
|
Mondiale Zuiden |
Exportverlies en hoge
transitiekosten |
Technologie, schonere
ontwikkeling |
Financiering,
schuldverlichting en technologieoverdracht |
Compensatie moet aan vijf regels
voldoen.
Ten eerste:
bescherming wordt gericht op mensen en gemeenschappen, niet op het volledig
veiligstellen van aandeelhouderswaarde.
Ten tweede:
compensatie is zo veel mogelijk toekomstgericht. Scholing zonder banen is
onvoldoende; zij moet worden verbonden met concrete investeringen,
infrastructuur en werkgelegenheid.
Ten derde:
steun aan ondernemingen is tijdelijk, voorwaardelijk en terugvorderbaar. Zij
mag niet worden gebruikt voor bonussen, dividend of aandeleninkoop.
Ten vierde: de
sterkste vervuilers en grootste vermogens dragen relatief het meest bij aan de
financiering.
Ten vijfde:
voorzienbare schade geeft een zwakkere aanspraak op vergoeding. Een onderneming
die na jaren van aangekondigd klimaatbeleid nieuwe fossiele activa ontwikkelt,
kan niet dezelfde bescherming verlangen als een huishouden dat geen reële keuze
had.
8 Weerstand en
transitiesabotage
Weerstand tegen verandering is niet
altijd kwaadaardig. Werknemers kunnen rationeel vrezen voor baanverlies,
huishoudens voor hogere lasten en kleine ondernemingen voor onuitvoerbare
regels. Zulke weerstand bevat informatie over werkelijke verdelings- en
uitvoeringsproblemen.
Andere vormen van weerstand zijn gericht
op het behouden van macht of economische renten. Veelgebruikte strategieën
zijn:
- twijfel zaaien over wetenschappelijke kennis;
- maatregelen voortdurend uitstellen in afwachting van toekomstige
technologie;
- werknemers en milieubewegingen tegenover elkaar plaatsen;
- uitzonderingen en gratis rechten bedingen;
- vrijwillige keurmerken inzetten om bindende normen te voorkomen;
- dreigen met vertrek, ontslagen of prijsverhogingen;
- hervormingen juridisch aanvechten;
- publieke subsidies verkrijgen zonder het verdienmodel te veranderen;
- duurzame taal gebruiken terwijl investeringspatronen gelijk blijven;
- schaarste creëren en de resulterende prijsstijging als onvermijdelijk
presenteren.
De passende reactie is niet alle
tegenstand als onrechtmatig af te wijzen. Er is een institutionele triage
nodig.
|
Type weerstand |
Beoordeling |
Reactie |
|
Bestaansonzekerheid |
Legitiem |
Bescherming,
onderhandeling en alternatieven |
|
Uitvoeringsprobleem |
Informatief |
Ontwerp aanpassen en
capaciteit vergroten |
|
Botsing van publieke
waarden |
Democratisch legitiem |
Openbare afweging en rechtsbescherming |
|
Bescherming van
economische renten |
Zwakke aanspraak |
Transparantie, mededinging
en afbouw privileges |
|
Misleiding of verborgen
beïnvloeding |
Onrechtmatig |
Openbaarmaking, sancties
en onafhankelijk toezicht |
|
Strategische vertraging
bij onomkeerbare schade |
Hoog maatschappelijk
risico |
Bindende termijnen en
voorzorgsbeginsel |
9 Een
geloofwaardige hervormingsvolgorde
Losse hervormingen kunnen elkaar
tegenwerken. Een abrupte prijsverhoging zonder alternatieven veroorzaakt
verzet; langdurige subsidies zonder einddatum bestendigen afhankelijkheid. De
volgorde moet daarom zowel ecologisch geloofwaardig als sociaal uitvoerbaar
zijn.
|
Fase |
Hoofdopgave |
Voorbeelden |
|
1. Diagnose en mandaat |
Grenzen, afhankelijkheden
en machtsposities zichtbaar maken |
Materiaalboekhouding,
lobbyregister, regionale risicoanalyse |
|
2. Sociale bodem |
Kwetsbare groepen vooraf
beschermen |
Minimuminkomen,
schuldhulp, sociale energie- en vervoertarieven |
|
3. Alternatieven opbouwen |
Keuzemogelijkheden creëren |
Openbaar vervoer,
isolatie, zorg, reparatie-infrastructuur |
|
4. Lock-ins stoppen |
Nieuwe afhankelijkheden
voorkomen |
Geen nieuwe fossiele
subsidies of infrastructuur |
|
5. Prikkels verschuiven |
Prijzen, krediet en
regelgeving aanpassen |
CO₂-prijs, normen, groene
kredietvoorwaarden |
|
6. Onhoudbare activiteiten
uitfaseren |
Duidelijke einddata en
dalende plafonds |
Verboden, emissieplafonds,
afbouw gratis rechten |
|
7. Macht en eigendom
hervormen |
Nieuwe concentratie
voorkomen |
Medezeggenschap,
mededinging, publieke en coöperatieve eigendom |
|
8. Evalueren en corrigeren |
Effecten toetsen en
instrumenten aanpassen |
Periodieke evaluatie,
terugvordering, herzieningsclausules |
De fasen hoeven niet overal volledig na
elkaar plaats te vinden. Wel gelden drie ordeningsprincipes:
- bouw alternatieven eerder op dan dat oude voorzieningen verdwijnen;
- kondig einddoelen vroeg aan, zodat investeringen zich kunnen
aanpassen;
- voer inkomensbescherming eerder in dan prijsverhogingen huishoudens
bereiken.
Deze volgorde vermindert onzekerheid
zonder beleid star te maken. De richting is voorspelbaar, maar het tempo en de
instrumenten kunnen worden aangepast.
10
Implementatiematrix: termijnen, actoren en beslismomenten
De acht fasen vormen geen universeel
kalenderplan. Ecologische urgentie, institutionele capaciteit en bestaande
sociale bescherming verschillen per sector en land. Wel kan de
hervormingsvolgorde worden vertaald in bestuurlijke termijnen,
verantwoordelijke actoren en vooraf bepaalde beslismomenten. Daardoor wordt duidelijk
wie binnen welke periode moet handelen en wanneer uitstel of koerswijziging
gemotiveerd moet worden[1].
In de eerste twee jaar ligt de nadruk op
wettelijke richting, gegevens en bescherming. Parlement en regering leggen
sociale ondergrenzen, reductiepaden en verboden op nieuwe lock-ins vast[2].
Toezichthouders brengen eigendom, krediet, emissies en ketenafhankelijkheid in
kaart. Gemeenten en uitvoeringsorganisaties identificeren groepen die prijs- of
baanrisico lopen. Automatische inkomenssteun, schuldhulp en basisvoorzieningen
worden versterkt voordat lasten breed stijgen[3].
Tussen jaar twee en vijf worden
alternatieven opgeschaald. Nationale en Europese investeringscapaciteit
financiert netten, renovatie, openbaar vervoer, zorg, scholing en regionale
transitie. Belastingen, kredietvoorwaarden en aanbesteding verschuiven geleidelijk.
Sectorale afspraken bevatten dalende plafonds, einddata en publieke
tegenprestaties. Sociale partners onderhandelen over werktijd, scholing, loon
en verdeling van productiviteitswinst. Gemeenten en coöperaties krijgen ruimte
om voorzieningsmodellen te testen[4].
Tussen jaar vijf en tien worden
structurele machts- en eigendomsvragen doorslaggevend. Tijdelijke subsidies
lopen af of worden omgezet in publiek rendement. Activiteiten die ondanks
beschikbare alternatieven de grenzen blijven overschrijden, worden
uitgefaseerd. Mededingings-, platform- en eigendomsinstrumenten voorkomen dat
nieuwe groene of digitale monopolies ontstaan[5].
Internationale afspraken over belasting, grondstoffen, technologie en schuld
worden verdiept om verplaatsing van schade en kapitaalvlucht te beperken.
Tijdens alle fasen geldt een jaarlijkse
transitiebalans en een zwaardere evaluatie om de drie tot vijf jaar. De
evaluatie kan leiden tot doorgaan, opschalen, aanpassen, opschorten of
beëindigen[6].
Doelen en rechten blijven stabiel; instrumenten worden gewijzigd wanneer zij
niet werken of regressief uitpakken. Bij onomkeerbare schade geldt een
versnelde route: een voorzorgsmaatregel kan onmiddellijk ingaan, terwijl
sociale compensatie en alternatieven parallel worden opgebouwd[7].
De matrix voorkomt twee misverstanden.
Zij maakt de transitie concreter dan een visie zonder uitvoerder, maar
suggereert niet dat politiek conflict door planning verdwijnt. Iedere fase
heeft winnaars, verliezers en mogelijke blokkades. Daarom worden lobbycontacten,
uitzonderingen, compensatie en publieke steun openbaar gemaakt en krijgen
parlement, rechter, rekenkamer, sociale partners en burgerfora onderscheiden
rollen in mandaat, uitvoering en correctie[8].
|
Horizon |
Hoofdopgave |
Primaire
actoren |
Beslismoment |
|
0–2 jaar |
Mandaat, data, sociale
bodem, stop nieuwe lock-ins |
EU/nationaal parlement,
kabinet, toezichthouders, gemeenten |
Zijn grenzen juridisch,
data bruikbaar en kwetsbare groepen beschermd? |
|
2–5 jaar |
Alternatieven, investeringen,
prikkelverschuiving, sectorpaden |
EU/nationale fondsen, regio’s,
netbeheerders, sociale partners |
Zijn alternatieven
toegankelijk en verdelingseffecten aanvaardbaar? |
|
5–10 jaar |
Uitfasering, eigendom/macht,
internationale verdieping |
Wetgever, mededinging,
financiële toezichthouders, internationale coalities |
Worden plafonds gehaald
zonder nieuwe concentratie of afwenteling? |
|
Jaarlijks |
Transitiebalans en uitvoering |
Kabinet, Rekenkamer/planbureaus,
parlement |
Doorgaan, aanpassen,
opschorten of herstellen? |
|
3–5-jaarlijks |
Zware stelselevaluatie |
Onafhankelijke commissie +
burgerberaad + rechterlijke toets |
Zijn doelen, bevoegdheden
en instrumentmix nog coherent? |
11 Lessen uit
historische en actuele transities
De twintigste-eeuwse welvaartsstaat
De naoorlogse welvaartsstaat laat zien
dat brede hervormingen mogelijk worden wanneer economische groei,
arbeidsorganisatie, progressieve belastingheffing en publieke voorzieningen in
één politiek compromis worden verbonden. Productiviteitswinsten werden niet
automatisch gedeeld; sterke vakbonden, collectieve onderhandelingen en
politieke partijen organiseerden de macht die voor verdeling nodig was.
Historisch onderzoek van de ILO wijst op de samenhang tussen arbeidsmacht,
collectieve onderhandelingen en een gelijkmatiger inkomensverdeling.
Dit model had ook ernstige beperkingen.
Het steunde vaak op het mannelijke kostwinnersmodel, onderschatte onbetaalde
zorg, veronderstelde voortdurende groei en was mede afhankelijk van goedkope
energie en grondstoffen. Vanaf de jaren tachtig verzwakten vakbonden, werden
kapitaalmarkten geliberaliseerd en nam internationale belastingconcurrentie
toe. Herverdeling werd daardoor defensiever en ingewikkelder.
De les is niet dat de welvaartsstaat is
mislukt, maar dat sociale rechten zonder blijvende organisatorische macht
kwetsbaar zijn. Een nieuwe welvaartsstaat moet daarom ecologische grenzen,
gendergelijkheid, vermogensspreiding en democratische zeggenschap over
investeringen integreren.
Zweden: een geleidelijk oplopende koolstofbelasting
Zweden voerde in 1991 een
koolstofbelasting in als onderdeel van een bredere belastinghervorming. Het
tarief begon relatief laag, werd geleidelijk verhoogd en ging samen met
aanpassingen in andere belastingen en investeringen in alternatieven. Het
Zweedse ministerie benadrukt zowel de stapsgewijze invoering als de combinatie
met lagere belasting op arbeid.
Het succes berustte niet op één
prijsinstrument. Langdurige geloofwaardigheid, bestuurlijke uitvoerbaarheid,
energiealternatieven en periodieke aanscherping waren minstens zo belangrijk.
Tegelijk laat de aanvankelijke differentiatie voor de industrie zien dat
politieke acceptatie soms wordt gekocht met uitzonderingen. Zulke
uitzonderingen kunnen tijdelijk functioneel zijn, maar moeten een vooraf
vastgelegde einddatum hebben.
Frankrijk: de gele-hesjesprotesten
De Franse brandstofheffing werd door
veel huishoudens buiten de grote steden ervaren als een maatregel die hen
direct trof, terwijl vermogende groepen en grote ondernemingen werden ontzien.
De verhoging was aanvankelijk niet verbonden met voldoende zichtbare
compensatie voor lage inkomens. De OECD beschrijft dit als een kernprobleem
achter de weerstand.
De les is niet dat koolstofbeprijzing
onmogelijk is. Zij is dat objectieve verdelingseffecten, de waargenomen
eerlijkheid en het democratische proces alle drie bepalend zijn. Een
beleidsmaatregel kan economisch efficiënt zijn en toch politiek instorten wanneer
burgers geen alternatief hebben, de opbrengsten niet vertrouwen en andere
groepen zichtbaar worden ontzien.
Het Europese emissiehandelssysteem
Het EU-ETS kampte in zijn beginjaren met
een groot overschot aan emissierechten en daardoor een zwak prijssignaal. De
Europese Unie corrigeerde dit onder meer door aanscherping van het plafond en
de invoering van de Market Stability Reserve, die overschotten uit de markt kan
nemen.
Deze casus toont dat een instrument niet
moet worden beoordeeld alsof het oorspronkelijke ontwerp onveranderlijk is.
Institutionele correctie kan de werking verbeteren. Tegelijk moet worden
onderzocht wie van het eerdere ontwerp heeft geprofiteerd, bijvoorbeeld door
gratis verkregen emissierechten of windfall profits. Corrigeren betekent niet
alleen het technische mechanisme repareren, maar ook onbedoelde
vermogensoverdrachten zichtbaar maken.
Duitsland: de kolentransitie
De Duitse kolencommissie combineerde
onderhandelingen over uitfasering met steun voor werknemers en regio’s. Zij
stelde tientallen miljarden euro’s aan regionale overgangssteun voor.
Deze aanpak erkent dat een mijnsluiting
een gehele regionale economie kan raken. Tegelijk bestaat het risico dat
omvangrijke compensatie aan ondernemingen het uitfaseringstempo vertraagt en
vervuilende activa alsnog publiek worden vergoed. Een rechtvaardige
transitiecommissie heeft daarom transparante waarderingsregels nodig en moet
werknemers- en gemeenschapssteun onderscheiden van aandeelhouderscompensatie.
Het Montrealprotocol
Het Montrealprotocol combineerde
bindende internationale reductieverplichtingen met technologiebeoordeling,
verschillende termijnen voor ontwikkelde en ontwikkelingslanden en een
multilateraal fonds voor financiële en technische ondersteuning. Het fonds werd
in 1991 opgericht om ontwikkelingslanden te helpen aan hun verplichtingen te
voldoen.
Deze casus laat zien dat mondiale
transities haalbaarder worden wanneer grenzen bindend zijn, kennis periodiek
wordt bijgewerkt en landen met minder financiële en technologische capaciteit
ondersteuning krijgen. De combinatie van normering, financiering en
institutioneel leren is belangrijker dan één universele prijs.
12 Duflo en de
corrigeerbare overheid
Esther Duflo’s experimentele benadering
vertrekt vanuit epistemische bescheidenheid: beleidsmakers weten vooraf vaak
niet precies waarom mensen bepaald gedrag vertonen of welk uitvoeringsdetail
beslissend is. Veldexperimenten kunnen causale effecten zichtbaar maken die in
algemene theorieën verborgen blijven. Haar Nobellezing presenteert
experimenteren daarom als onderdeel van de dagelijkse praktijk van beleid.
Voor een transitiebeleid zijn
experimenten vooral nuttig bij vragen als:
- welke isolatiesubsidie bereikt huurders met lage inkomens?
- welke scholingsvorm vergroot werkelijk de kans op nieuw werk?
- welke terugleververgoeding stimuleert lokale energiecoöperaties?
- welke communicatie vermindert wantrouwen?
- welke inkomensgarantie voorkomt armoede zonder hoge uitvoeringskosten?
Experimenten kunnen echter niet bepalen
welke ecologische grens rechtvaardig is, hoeveel ongelijkheid aanvaardbaar is
of welke rechten burgers behoren te hebben. Evenmin kunnen lokale
gerandomiseerde proeven zonder meer de macro-economische gevolgen van een
landelijke belastinghervorming, bankencrisis of industriële transitie
voorspellen. Machtsverhoudingen, algemene-evenwichtseffecten en institutionele
terugkoppelingen laten zich niet altijd randomiseren.
Een corrigeerbare overheid gebruikt
daarom een methodenpluralisme.
|
Vraagtype |
Geschikte
methode |
Beperking |
|
Werkt
een afgebakende interventie? |
Gerandomiseerd
experiment |
Externe
geldigheid en schaalbaarheid |
|
Wat
is het effect van bestaande wetgeving? |
Difference-in-differences,
regressiediscontinuïteit |
Vereist
geloofwaardige vergelijkingsgroep |
|
Wat
zijn macro-economische gevolgen? |
Scenario-
en systeemmodellering |
Afhankelijk
van aannames |
|
Waarom
werkt uitvoering niet? |
Procesevaluatie
en kwalitatief onderzoek |
Minder
geschikt voor exacte effectgrootte |
|
Hoe
verandert macht? |
Netwerk-,
eigendoms- en lobbyanalyse |
Informele
invloed blijft deels onzichtbaar |
|
Is
beleid legitiem? |
Burgerpanels,
enquêtes en deliberatie |
Voorkeuren
zijn contextgevoelig |
|
Worden
grenzen gerespecteerd? |
Fysieke
materiaal- en emissieboekhouding |
Toerekening
aan ketens kan onzeker zijn |
De samenwerking tussen J-PAL en de
regering van Tamil Nadu laat zien dat evidence-informed beleid meer vereist dan
één evaluatie. Monitoring, administratieve data, opleiding van ambtenaren en
een institutionele cultuur waarin uitkomsten daadwerkelijk worden gebruikt,
zijn eveneens nodig.
13 Een
transitiedashboard
Iedere grote hervorming behoort te
worden gevolgd met een dashboard dat niet alleen gemiddelde economische
uitkomsten, maar ook verdeling, macht en uitvoering zichtbaar maakt.
|
Dimensie |
Kernindicatoren |
Mogelijke
correctiedrempel |
|
Ecologisch
resultaat |
Absolute
emissies, materiaalvoetafdruk, land- en watergebruik |
Overschrijding
wettelijk reductiepad |
|
Sociale
ondergrens |
Armoede,
energiearmoede, woningzekerheid, toegang tot zorg |
Verslechtering
bij laagste inkomensgroepen |
|
Arbeid |
Banenverlies,
nieuwe banen, loonkwaliteit, scholingsresultaat |
Structureel
baanverlies zonder plaatsing |
|
Verdeling |
Effect
per inkomensdeciel, gender, regio en huishoudtype |
Regressief
netto-effect |
|
Macht |
Marktconcentratie,
lobbycontacten, eigendomsconcentratie |
Toenemende
concentratie in transitieve sector |
|
Uitvoering |
Bereik,
doorlooptijd, administratieve lasten |
Achterblijvend
bereik of excessieve uitval |
|
Begroting |
Kosten,
vermeden schade, terugvloeiing en risico’s |
Structurele
overschrijding zonder resultaat |
|
Legitimiteit |
Vertrouwen,
participatie en ervaren eerlijkheid |
Sterke
daling vertrouwen bij getroffen groepen |
|
Veerkracht |
Schuldpositie,
energiezekerheid, importafhankelijkheid |
Nieuwe
kritieke afhankelijkheid |
|
Mondiale
effecten |
Geïmporteerde
emissies, arbeidsrechten, grondstoffenwinning |
Afwenteling
naar kwetsbare landen |
Vooraf moeten niet alleen doelen maar
ook beslisregels worden vastgelegd:
- doorgaan wanneer doelen worden gehaald zonder
grensoverschrijdende nevenschade;
- opschalen wanneer positieve effecten robuust en overdraagbaar
zijn;
- aanpassen wanneer uitvoering of verdeling tekortschiet;
- opschorten wanneer ernstige schade ontstaat die herstelbaar
is;
- beëindigen en herstellen wanneer het instrument
structureel ineffectief, onrechtmatig of maatschappelijk schadelijk
blijkt.
Deze beslisregels voorkomen dat
evaluatie een ritueel wordt waarin beleid altijd als “veelbelovend” wordt
beoordeeld. Zij beperken ook de neiging van politieke organisaties om
mislukkingen te verbergen vanwege reputatieverlies.
14
Institutionele organisatie van correctie
Corrigeerbaarheid vraagt om tegenmacht
binnen de overheid. De instantie die beleid ontwerpt en uitvoert, kan niet als
enige verantwoordelijk zijn voor de evaluatie ervan. Tegelijk moet voorkomen
worden dat een volledig nieuw bestuursapparaat ontstaat.
Een werkbare architectuur bestaat uit:
- een wettelijk vastgelegde transitie-effectrapportage vóór grote
hervormingen;
- een onafhankelijke evaluatiefunctie bij de Rekenkamer, planbureaus of
een vergelijkbare instantie;
- jaarlijkse parlementaire behandeling van een Transitiebalans;
- openbare gegevens over subsidies, lobbycontacten, eigendom en bereikte
resultaten;
- vertegenwoordiging van werknemers, kwetsbare groepen en getroffen
regio’s;
- een ombudspersoon voor toekomstige generaties;
- rechterlijke toetsing aan grondrechten en wettelijke ecologische
grenzen;
- periodieke burgerberaden over verdelingsvragen;
- herzieningsclausules met een vaste evaluatiedatum;
- een openbaar register van uitzonderingen, inclusief motivering en
einddatum.
De Transitiebalans moet niet alleen
rapporteren hoeveel geld is besteed en hoeveel projecten zijn gestart. Zij moet
zichtbaar maken:
- welke ecologische resultaten zijn bereikt;
- welke groepen baten en lasten dragen;
- welke ondernemingen publieke steun ontvangen;
- welke vermogens- en machtsverschuivingen optreden;
- welke aannames onjuist bleken;
- welke instrumenten worden aangepast of beëindigd.
15 Stabiele
doelen en flexibele instrumenten
Een veelgehoord bezwaar is dat
voortdurende evaluatie beleidszekerheid ondermijnt. Ondernemingen zouden niet
investeren wanneer regels steeds kunnen veranderen. Dit bezwaar is terecht
wanneer ook de einddoelen voortdurend wisselen. Corrigeerbaarheid moet daarom
niet worden verward met bestuurlijke wispelturigheid.
Het onderscheid is:
- doelzekerheid: wettelijk vastgelegde sociale en
ecologische grenzen;
- padzekerheid: vooraf aangekondigde
reductietrajecten en termijnen;
- instrumentflexibiliteit: mogelijkheid
belastingen, subsidies en uitvoeringsregels te verbeteren;
- rechtszekerheid: voorspelbare procedures, beroep en
overgangstermijnen;
- geen rentezekerheid: geen garantie dat
bestaande winsten of marktposities intact blijven.
Een onderneming mag weten welke
emissiereductie in 2035 vereist is, zonder erop te kunnen vertrouwen dat zij
tot 2035 dezelfde subsidie ontvangt. Deze combinatie bevordert innovatie: het
doel staat vast, maar betere manieren om het te bereiken blijven mogelijk.
16
Tegenargumenten
“Een geleidelijke transitie is te langzaam voor
urgente ecologische problemen.”
Geleidelijkheid mag geen uitstelstrategie worden. Bij dreigende onomkeerbare
schade zijn bindende plafonds en snelle verboden gerechtvaardigd. De sociale
voorbereiding moet dan worden versneld, niet de ecologische grens verzwakt.
“Compensatie beloont vervuilers.”
Dat risico bestaat wanneer ondernemingswaarde volledig wordt vergoed.
Compensatie moet daarom werknemers, huishoudens en regio’s volgen. Steun aan
ondernemingen is alleen gerechtvaardigd wanneer zij aantoonbaar omschakelen en
publieke tegenprestaties leveren.
“Experimenteren maakt democratische politiek
technocratisch.”
Experimenten kunnen middelen beoordelen, maar niet de maatschappelijke doelen
vaststellen. Democratische besluitvorming bepaalt welke waarden en grenzen
gelden; onderzoek helpt vervolgens vaststellen of gekozen instrumenten die
doelen bereiken.
“Machtsanalyse leidt tot wantrouwen tegenover alle
ondernemingen.”
Niet iedere onderneming heeft hetzelfde belang of dezelfde machtspositie. Een
goede analyse onderscheidt productieve ondernemingen, innovatieve nieuwkomers,
kleine bedrijven, coöperaties en rentenierende incumbenten. Juist dat
onderscheid voorkomt generiek wantrouwen.
“Een nationaal postgroeibeleid leidt alleen tot
vertrek van bedrijven.”
Mobiliteit van kapitaal is een reëel machtsmiddel. Daarom zijn Europese en
mondiale afspraken, grenscorrecties, minimumbelastingen en voorwaarden aan
markttoegang nodig. Voor essentiële sectoren kunnen publieke financiering en
gedeeltelijk publiek eigendom de afhankelijkheid van vertreigdreiging
verminderen.
“Postgroei is slechts een andere naam voor recessie.”
Een recessie is een ongeplande krimp waarbij werkloosheid, faillissementen en
onzekerheid toenemen. Postgroei is een geplande vermindering van ecologische
belasting, gecombineerd met inkomenszekerheid, werktijdverkorting, publieke
investeringen en herverdeling. Zonder deze institutionele voorzieningen zou
postgroei inderdaad in recessie kunnen ontaarden.
17
Institutioneel voorstel: de democratische transitiecyclus
De voorgaande inzichten kunnen worden
samengebracht in een vaste beleidscyclus.
1. Publieke probleemstelling
Het parlement legt vast welk sociaal of ecologisch probleem moet worden
opgelost en welke grens niet mag worden overschreden.
2. Machts- en
verdelingsanalyse
Vooraf wordt onderzocht wie kosten draagt, wie profiteert, welke
afhankelijkheden bestaan en welke actoren hervorming kunnen blokkeren.
3. Opbouw van capabilities
Infrastructuur, kennis, inkomen en alternatieven worden ontwikkeld voordat
verplichtingen volledig ingaan.
4. Wetgeving met
wederkerigheid
Rechten, subsidies en bescherming worden gekoppeld aan controleerbare
maatschappelijke prestaties.
5. Gefaseerde invoering
Tarieven, plafonds en normen volgen een aangekondigd pad, met sterkere
bescherming voor groepen met weinig aanpassingsvermogen.
6. Onafhankelijke monitoring
Resultaten worden gemeten op ecologische, sociale, economische en
institutionele dimensies.
7. Democratische evaluatie
Parlement, burgers, werknemers en onafhankelijke deskundigen beoordelen zowel
effecten als ervaren rechtvaardigheid.
8. Correctie en herstel
Instrumenten worden voortgezet, aangepast, opgeschaald of beëindigd. Wanneer
beleid schade heeft veroorzaakt, wordt ook herstel georganiseerd.
18 Conclusie:
transitie als democratische leerpraktijk
De overgang naar een
menswordings-economie kan niet worden ontworpen alsof alle actoren hetzelfde
belang hebben. Grenzen aan vervuiling, vermogensconcentratie, platformmacht en
financiële speculatie zullen bestaande posities aantasten. Wie die machtsdimensie
negeert, loopt het risico dat hervormingen worden vertraagd, afgezwakt of
omgevormd tot nieuwe bronnen van accumulatie.
Piketty maakt zichtbaar hoe eigendom,
ideologie en politieke macht elkaar versterken. Chang laat zien dat transitie
productieve capaciteiten en een competente, lerende overheid vereist. Jackson
analyseert hoe werkgelegenheid, schuld en publieke financiën minder afhankelijk
kunnen worden gemaakt van groei. Schenderling verbindt postgroei met kwaliteit,
tijd en een politiek herkenbaar toekomstbeeld. Duflo biedt instrumenten om
beleid toetsbaar en corrigeerbaar te maken. Vastenaekels waarschuwt ten slotte dat
minder groei zonder verandering van machtsverhoudingen zelfs tot nieuwe vormen
van schaarste en renteniersmacht kan leiden.
De kern van corrigeerbaarheid is daarom
niet dat de samenleving geen duurzame verplichtingen aangaat. Zij betekent dat
instituties in staat zijn fouten te herkennen, macht zichtbaar te maken,
schadelijke neveneffecten te herstellen en ineffectieve instrumenten
daadwerkelijk te beëindigen.
Een menswordings-economie is daarmee
geen vooraf voltooid institutioneel ontwerp. Zij is een democratisch
georganiseerde leerpraktijk met een vaste morele richting: bestaanszekerheid
voor iedereen, macht die verantwoordingsplichtig blijft en economische ontwikkeling
binnen sociale en ecologische grenzen.
Lees het volledige onderzoek:
[1] OECD, Recommendation of the Council on Public
Policy Evaluation, OECD/LEGAL/0478, 6 juli 2022.
[2] Karen C. Seto,
Steven J. Davis, Ronald B. Mitchell, Eleanor C. Stokes, Gregory Unruh en Diana
Ürge-Vorsatz, ‘Carbon Lock-In: Types, Causes, and Policy Implications’, Annual Review of Environment and Resources
41 (2016): 425–452, https://doi.org/10.1146/annurev-environ-110615-085934.
[3] International
Labour Organization, Guidelines for a Just Transition, 12–20.
[4] Mazzucato en
Penna, ‘Beyond Market Failures’, 305–326; International Labour Organization, Guidelines for a Just Transition, 13–19.
[5] Frank W. Geels,
‘Regime Resistance against Low-Carbon Transitions: Introducing Politics and
Power into the Multi-Level Perspective’, Theory,
Culture & Society 31, nr. 5 (2014): 21–40, https://doi.org/10.1177/0263276414531627; Jonas
Meckling, Nina Kelsey, Eric Biber en John Zysman, ‘Winning Coalitions for
Climate Policy’, Science 349, nr.
6253 (2015): 1170–1171, https://doi.org/10.1126/science.aab1336.
[6] Recommendation on Public Policy Evaluation;
Esther Duflo, ‘Field Experiments and the Practice of Policy’, American Economic Review 110, nr. 7
(2020): 1952–1973, https://doi.org/10.1257/aer.110.7.1952.
[7]
erdrag betreffende de werking van de Europese Unie, art. 191, lid 2; Seto e.a.,
‘Carbon Lock-In’, 425–452.
[8] David
Klenert, Linus Mattauch, Emmanuel Combet, Ottmar Edenhofer, Cameron Hepburn,
Ryan Rafaty en Nicholas Stern, ‘Making Carbon Pricing Work for Citizens’, Nature Climate Change 8 (2018): 669–677,
https://doi.org/10.1038/s41558-018-0201-2; Geels, ‘Regime Resistance’, 21–40.
.jpg)
Reacties
Een reactie posten