Kan een rechtvaardige samenleving ook financieel duurzaam zijn?
Een fundamentele
voorwaarde voor de legitimiteit van institutioneel ontwerp is dat normatieve
uitgangspunten niet alleen wenselijk, maar ook duurzaam uitvoerbaar zijn.
Rechtvaardigheid, bestaanszekerheid en menselijke ontwikkeling kunnen slechts
blijvend worden gerealiseerd wanneer zij steunen op een financieel houdbare en
economisch productieve institutionele orde. Financiële haalbaarheid vormt
daarom geen externe randvoorwaarde van institutioneel ontwerp, maar een
integraal onderdeel ervan.
Tegelijkertijd vraagt de
beoordeling van financiële haalbaarheid om een bredere benadering dan de
traditionele begrotingsanalyse. In het publieke debat worden maatschappelijke
hervormingen vaak beoordeeld aan de hand van hun directe budgettaire gevolgen.
Daarbij blijven de structurele effecten op economische productiviteit,
volksgezondheid, sociale cohesie, democratische stabiliteit en menselijke
ontwikkeling veelal buiten beeld. Een institutionele analyse vereist juist dat
deze wederzijdse beïnvloeding expliciet wordt meegenomen. Instituties bepalen
immers niet alleen hoe middelen worden verdeeld, maar beïnvloeden tevens de
ontwikkeling van de economische basis waarop toekomstige welvaart rust.
Vanuit deze systemische
benadering berust de voorgestelde hervorming op drie samenhangende
uitgangspunten.
Een evenwichtiger fiscale structuur
In de eerste plaats
vraagt een duurzame financiering om een evenwichtiger verdeling van de
belastingdruk tussen arbeid, vermogen en natuurlijke hulpbronnen. Gedurende de
afgelopen decennia is arbeid relatief zwaar belast gebleven, terwijl inkomsten
uit vermogen, vermogensgroei en grote erfenissen in verhouding gunstiger zijn
behandeld. Hierdoor ontstaat niet alleen een toenemende vermogensconcentratie,
maar wordt ook de factor belast die juist maatschappelijke waarde creëert door
arbeid, ondernemerschap, zorg en innovatie.
Een toekomstbestendig
belastingstelsel verschuift daarom geleidelijk een deel van de belastingdruk
van arbeid naar vermogen, kapitaalinkomsten, grote nalatenschappen en – waar
passend – het gebruik van schaarse natuurlijke hulpbronnen. Een dergelijke heroriëntatie
vergroot niet alleen de fiscale draagkracht, maar sluit tevens beter aan bij
het fiscale rechtvaardigheidsbeginsel dat de sterkste schouders de zwaarste
lasten behoren te dragen en dat belastingheffing maatschappelijke waardecreatie
niet onnodig moet ontmoedigen.
Vereenvoudiging van de sociale zekerheid
Een tweede pijler betreft
een fundamentele vereenvoudiging van het socialezekerheidsstelsel. Zoals eerder
uiteengezet, is het huidige stelsel sterk gefragmenteerd door een veelheid aan
inkomensafhankelijke regelingen, toeslagen en controlemechanismen. Deze
complexiteit leidt tot hoge uitvoeringskosten, administratieve lasten,
foutgevoeligheid en een omvangrijke bureaucratische infrastructuur.
Het uitgangspunt van de
voorgestelde hervorming is daarom niet noodzakelijk de invoering van één
specifiek instrument, zoals een universeel basisinkomen, maar de ontwikkeling
van een eenvoudiger en vertrouwen-gebaseerd stelsel van inkomenszekerheid. Door
regelingen te integreren, automatiseren en beter op elkaar af te stemmen kunnen
aanzienlijke uitvoeringskosten worden bespaard. Tegelijkertijd vermindert de
noodzaak van voortdurende controles, herberekeningen, terugvorderingen en
juridische procedures. Hierdoor ontstaan niet alleen financiële besparingen,
maar ook grotere rechtszekerheid en institutioneel vertrouwen.
Investeren in de maatschappelijke productiebasis
De derde pijler betreft
een andere manier van kijken naar publieke uitgaven. Veel uitgaven aan
onderwijs, kinderopvang, volksgezondheid, bestaanszekerheid, zorg, preventie en
sociale cohesie worden traditioneel beschouwd als consumptieve overheidsuitgaven.
Vanuit het relationele mens- en samenlevingsmodel moeten zij echter primair
worden begrepen als investeringen in de maatschappelijke productiebasis.
Menselijk kapitaal,
gezondheid, vertrouwen, sociale cohesie en democratische stabiliteit ontstaan
niet spontaan, maar zijn het resultaat van langdurige publieke en private
investeringen. Samenlevingen die investeren in vroege ontwikkeling, kwalitatief
onderwijs, preventieve gezondheidszorg en bestaanszekerheid beschikken
doorgaans over hogere arbeidsparticipatie, meer innovatievermogen, een
gezondere beroepsbevolking en een stabielere economische ontwikkeling. Deze
investeringen versterken daarmee uiteindelijk ook de belastinggrondslag waarop
de verzorgingsstaat rust.
Dynamische systeemeffecten
Vanuit institutioneel
perspectief moet financiële haalbaarheid daarom niet uitsluitend worden
beoordeeld aan de hand van statische begrotingsmodellen, maar ook aan de hand
van dynamische systeemeffecten. Instituties beïnvloeden gedrag,
kansenstructuren en maatschappelijke uitkomsten. Een eenvoudiger
socialezekerheidsstelsel kan de arbeidsparticipatie vergroten doordat
armoedevallen verminderen. Meer bestaanszekerheid verkleint de kans op
problematische schulden, langdurige stress en gezondheidsproblemen. Investeringen
in onderwijs en kinderopvang vergroten op langere termijn zowel de
arbeidsproductiviteit als de belastingopbrengsten. Een eerlijkere
vermogensverdeling versterkt bovendien de maatschappelijke stabiliteit en
vermindert de economische kosten van toenemende ongelijkheid.
Daarmee ontstaat een
positieve terugkoppeling. Institutionele hervormingen die menselijke
ontwikkeling bevorderen, vergroten op langere termijn tevens de economische
productiviteit en de fiscale draagkracht van de samenleving. Anders gezegd:
goed institutioneel ontwerp genereert mede de middelen die noodzakelijk zijn om
zichzelf duurzaam in stand te houden.
Financiële duurzaamheid als institutioneel ontwerpprincipe
Dit betekent niet dat
iedere voorgestelde maatregel automatisch budgetneutraal zal zijn. De precieze
effecten van fiscale hervormingen, vereenvoudiging van de sociale zekerheid en
investeringen in maatschappelijke reproductie zullen per land verschillen en
vragen om gedetailleerde economische modellering. Voor Nederland betekent dit
dat varianten van vermogensbelasting, erfbelasting, inkomensondersteuning en
uitvoeringsvereenvoudiging afzonderlijk moeten worden doorgerekend op hun
budgettaire, economische en gedragsmatige effecten.
De centrale these is
echter dat de voorgestelde hervormingen niet moeten worden opgevat als een
uitbreiding van de verzorgingsstaat, maar als een herconfiguratie van de
institutionele logica waarop zij rust. Het gaat niet primair om méér publieke
middelen, maar om een andere inzet van bestaande middelen, een eerlijkere
verdeling van fiscale lasten en een grotere effectiviteit van publieke
investeringen.
Financiële duurzaamheid
vormt daarmee geen begrenzing van normatief ontwerp, maar een van de criteria
waaraan goed institutioneel ontwerp moet voldoen. Een democratische rechtsstaat
is pas werkelijk robuust wanneer zij niet alleen rechtvaardig en democratisch
gelegitimeerd is, maar ook beschikt over een economische structuur die de
voorwaarden voor menswording, maatschappelijke reproductie en
intergenerationele continuïteit duurzaam kan dragen.
Lees nu dit actuele boek:
https://www.researchgate.net/publication/410776080_Democratie_herontworpen

Reacties
Een reactie posten