Hoeveel markt of overheid hebben we nodig — of stellen we daarmee de verkeerde vraag?
Markten,
marktfalen en institutionele keuzes
1 Markten als
krachtige maar voorwaardelijke instituties
Markten behoren tot de belangrijkste
coördinatiemechanismen van moderne samenlevingen. Zij brengen verspreide
informatie over voorkeuren, kosten, schaarste en technologische mogelijkheden
bijeen zonder dat één centrale actor al deze kennis hoeft te bezitten. Prijzen
geven signalen waarop huishoudens en ondernemingen hun beslissingen kunnen
aanpassen. Concurrentie kan inefficiënte producenten onder druk zetten,
innovatie bevorderen en ruimte scheppen voor nieuwe ondernemingen en nieuwe
producten.
Friedrich Hayek heeft deze epistemische
functie van markten scherp uiteengezet. Het economische probleem bestaat
volgens hem niet uitsluitend uit de allocatie van gegeven middelen, maar uit
het benutten van kennis die verspreid, onvolledig en soms tegenstrijdig over
vele actoren is verdeeld. Geen centrale instantie beschikt over alle lokale
kennis over behoeften, productiemogelijkheden en veranderende omstandigheden.
Het prijsmechanisme maakt het mogelijk een deel van deze kennis te gebruiken
zonder haar eerst centraal te verzamelen. Hayeks analyse vormt daarom een
blijvende waarschuwing tegen de pretentie dat economische ordening volledig
vanuit één centrum kan worden ontworpen.
De erkenning van deze kracht betekent echter
niet dat marktuitkomsten vanzelf maatschappelijk optimaal, rechtvaardig of
ecologisch houdbaar zijn. De efficiëntie-eigenschappen die in economische
modellen aan concurrerende markten worden toegeschreven, berusten op
veeleisende voorwaarden. Er moet onder meer sprake zijn van voldoende
concurrentie, volledige of adequate informatie, goed omschreven rechten,
afdwingbare contracten, afwezigheid van relevante externe effecten en voldoende
mogelijkheden voor actoren om op prijsveranderingen te reageren.
Ook veronderstelt de klassieke analyse
dat alle maatschappelijk relevante kosten en baten in marktprijzen tot
uitdrukking komen. Juist daarvan is in de werkelijkheid vaak geen sprake.
Klimaatschade, kennisverspreiding, volksgezondheid, maatschappelijke stabiliteit,
democratische macht en de kwaliteit van toekomstige ecosystemen worden niet
vanzelf volledig in private transacties meegenomen.
Marktfalen moet daarom niet worden
opgevat als een uitzonderlijke storing in een verder natuurlijke marktorde.
Markten bestaan altijd binnen juridische en institutionele structuren.
Eigendom, aansprakelijkheid, ondernemingsvormen, geld, faillissementsrecht,
consumentenbescherming, mededinging en toegang tot informatie bepalen mede
welke kosten zichtbaar worden, welke risico’s kunnen worden afgewenteld en
welke actoren onder welke voorwaarden kunnen deelnemen.
De relevante tegenstelling is dan ook
niet die tussen een natuurlijke markt en een kunstmatig ingrijpende overheid.
De werkelijke keuze gaat tussen verschillende institutionele ordeningen van
economische activiteit.
2 Marktfalen als
analytisch begrip
Binnen de welvaartseconomie verwijst
marktfalen naar situaties waarin gedecentraliseerde marktbeslissingen niet
leiden tot een efficiënte allocatie van middelen. In de meest strikte betekenis
gaat het om een afwijking van de voorwaarden waaronder een competitief
marktevenwicht Pareto-efficiënt is: een situatie waarin niemand erop vooruit
kan gaan zonder dat iemand anders erop achteruitgaat.
Deze definitie is analytisch nuttig,
maar normatief beperkt. Pareto-efficiëntie zegt niets over de rechtvaardigheid
van de uitgangspositie of de verdeling van de uitkomst. Een samenleving waarin
één persoon vrijwel alle middelen bezit, kan in technische zin Pareto-efficiënt
zijn wanneer herverdeling die persoon enig nadeel zou bezorgen. Efficiëntie kan
daarom niet zelfstandig bepalen of een economische orde rechtvaardig is.
De theorie maakt bovendien vaak
onderscheid tussen efficiëntie en verdeling. Volgens het tweede fundamentele
welvaartstheorema zou een samenleving eerst via forfaitaire overdrachten een
gewenste verdeling van middelen kunnen realiseren en daarna markten hun
allocatieve functie kunnen laten vervullen. In de werkelijkheid zijn volledig
neutrale forfaitaire overdrachten nauwelijks beschikbaar. Belastingen
beïnvloeden gedrag, vermogens zijn moeilijk waar te nemen of mobiel, en de
oorspronkelijke verdeling beïnvloedt toegang tot onderwijs, krediet,
informatie, rechtsbijstand en politieke invloed.
Marktfalen moet daarom in een bredere
institutionele analyse worden verbonden met minstens zes problemen:
- publieke goederen;
- externe effecten;
- informatieasymmetrie;
- marktmacht en toenemende schaalopbrengsten;
- ongelijkheid en ongelijke onderhandelingsmacht;
- coördinatieproblemen en ontbrekende markten.
Deze problemen vragen niet automatisch
om dezelfde interventie. Soms is publieke financiering nodig, soms normering,
belastingheffing, aansprakelijkheid, mededingingstoezicht,
informatieverplichtingen, collectieve zelforganisatie of tijdelijke industriële
ondersteuning. De aard van het probleem bepaalt welke institutionele reactie
kansrijk is.
3 Publieke
goederen en het probleem van collectieve voorziening
Een zuiver publiek goed wordt in de
economische theorie gekenmerkt door twee eigenschappen: niet-rivaliteit en
niet-uitsluitbaarheid.
Niet-rivaliteit betekent dat het gebruik
door de één het gebruik door een ander niet of nauwelijks vermindert.
Niet-uitsluitbaarheid betekent dat mensen moeilijk van gebruik kunnen worden
uitgesloten wanneer het goed eenmaal beschikbaar is. Klassieke voorbeelden zijn
nationale veiligheid, bepaalde vormen van fundamentele kennis, algemene
rechtszekerheid, epidemiologische informatie en sommige vormen van
milieubescherming.
Bij private goederen kan een producent
betaling vragen door het gebruik afhankelijk te maken van koop. Bij publieke
goederen is dat moeilijker. Mensen kunnen profiteren zonder vrijwillig bij te
dragen. Hierdoor ontstaat het vrijbuitersprobleem: iedereen kan er individueel
belang bij hebben anderen te laten betalen, waardoor het goed collectief te
weinig wordt gefinancierd of helemaal niet tot stand komt.
Paul Samuelson heeft dit formeel
uitgedrukt in zijn theorie van publieke uitgaven. Bij een privaat goed moet de
marginale waardering van iedere consument aansluiten bij de marktprijs. Bij een
zuiver publiek goed is de efficiënte hoeveelheid bereikt wanneer de som van de
marginale waarderingen van alle betrokkenen gelijk is aan de marginale kosten
van het voortbrengen van het goed. Omdat mensen een prikkel hebben hun
werkelijke betalingsbereidheid te verbergen, kan een markt deze som niet
eenvoudig ontdekken.
Daaruit volgt niet dat de overheid ieder
publiek goed zelf moet produceren. Publieke verantwoordelijkheid kan
verschillende vormen aannemen:
- directe publieke productie;
- publieke financiering met private of maatschappelijke uitvoering;
- gezamenlijke financiering via belastingen of heffingen;
- wettelijke verplichtingen tot deelname;
- subsidiering van activiteiten met grote collectieve baten;
- open toegang tot publiek gefinancierde kennis;
- institutionele ondersteuning van coöperatieve zelforganisatie.
Het onderscheid tussen financiering en
uitvoering is belangrijk. Een particuliere onderneming kan wegen onderhouden,
laboratoriumonderzoek verrichten of digitale infrastructuur beheren. De
collectieve verantwoordelijkheid betreft vooral de vraag of het goed in
voldoende omvang, kwaliteit en toegankelijkheid beschikbaar komt.
Ook moet onderscheid worden gemaakt
tussen publieke goederen en gemeenschappelijke hulpbronnen. Visbestanden,
grondwater en bepaalde ecosystemen zijn moeilijk uitsluitbaar, maar wel
rivaliserend: wat de één gebruikt, is niet langer voor een ander beschikbaar.
Daar ontstaat niet primair onderproductie, maar het risico van overgebruik. De
passende institutionele reactie kan dan bestaan uit gebruiksrechten, quota,
gemeenschapsbeheer, toezicht of een combinatie daarvan.
Een menswordings-economie beschouwt
onderwijs, rechtsstaat, volksgezondheid, kennisinfrastructuur en ecologische
stabiliteit niet slechts als uitgaven die door een productieve marktsector
moeten worden gedragen. Zij vormen mede de publieke infrastructuur waarbinnen
markten, ondernemingen en menselijke capabilities kunnen functioneren.
4 Pigou en de
maatschappelijke kosten van economische activiteit
Arthur Pigou legde een belangrijk
fundament voor de moderne analyse van externe effecten. In The Economics of
Welfare onderzocht hij situaties waarin het marginale private product of de
marginale private kosten afwijken van het marginale maatschappelijke product of
de maatschappelijke kosten. In zulke gevallen worden niet alle gevolgen van een
economische handeling in de beslissing van producent en consument meegenomen. Pigou’s oorspronkelijke analyse vormde de basis voor
wat later Pigouviaanse belastingen en subsidies zijn gaan heten.
Een negatief extern effect doet zich
voor wanneer een economische activiteit kosten veroorzaakt voor derden zonder
dat de veroorzaker daarvoor volledig betaalt. Luchtvervuiling, geluid,
klimaatschade, verkeerscongestie en aantasting van biodiversiteit zijn
duidelijke voorbeelden.
In vereenvoudigde vorm geldt:
MSC(q)=MPC(q)+MD(q)
Daarbij zijn:
- (MSC): de marginale maatschappelijke kosten;
- (MPC): de marginale private kosten;
- (MD): de marginale schade voor derden.
Een ongereguleerde producent baseert
zijn beslissing in beginsel op de marginale private kosten. De maatschappelijk
efficiënte hoeveelheid ligt echter waar de marginale baten gelijk zijn aan de
marginale maatschappelijke kosten. Wanneer de marginale schade niet in de prijs
is opgenomen, zal meer worden geproduceerd dan maatschappelijk wenselijk is.
Een Pigouviaanse heffing probeert deze
afwijking te corrigeren. In het theoretische optimum is de heffing per eenheid
gelijk aan de marginale externe schade bij de maatschappelijk gewenste
productiehoeveelheid:
De producent neemt de maatschappelijke
kosten dan mee alsof het private kosten zijn. De heffing schrijft niet voor
welke technologie moet worden gebruikt, maar verandert de prijsstructuur
waarbinnen producenten en consumenten beslissingen nemen.
Positieve externe effecten werken in
omgekeerde richting. Onderzoek, scholing, preventieve gezondheidszorg en
sommige vormen van innovatie leveren baten op die niet volledig door de
investeerder kunnen worden toegeëigend. De markt kan deze activiteiten daardoor
te weinig voortbrengen. Subsidies, publieke financiering, kennisdeling of
tijdelijke bescherming kunnen dan gerechtvaardigd zijn.
Pigou’s analyse maakt zichtbaar dat
marktprijzen geen neutrale weergave zijn van maatschappelijke waarde zolang
kosten en baten kunnen worden afgewenteld. Een product lijkt goedkoop wanneer
vervuiling, gezondheidsrisico’s of toekomstige klimaatschade niet in de prijs
zijn opgenomen. De lage prijs is dan geen bewijs van efficiëntie, maar het
gevolg van een institutionele keuze over wie de kosten draagt.
5 De grenzen van
Pigouviaanse correctie
Het Pigouviaanse model is krachtig, maar
de praktische toepassing is complex. Om een optimale heffing te berekenen, moet
de overheid de omvang van de marginale schade kennen. Bij lokale
luchtvervuiling, biodiversiteitsverlies of klimaatverandering zijn schade,
tijdshorizon en causaliteit vaak onzeker. Effecten verschillen bovendien naar
plaats, bevolkingsgroep en kwetsbaarheid.
Een uniforme belasting kan daardoor te
hoog zijn voor activiteiten met beperkte schade en te laag voor activiteiten
met grote of onomkeerbare gevolgen. Ook kan een op zichzelf efficiënte heffing
regressieve verdelingseffecten hebben wanneer huishoudens met lage inkomens
relatief veel van hun inkomen besteden aan energie of mobiliteit. De
opbrengstbestemming, compensatie en beschikbaarheid van alternatieven worden
dan onderdeel van het institutionele ontwerp.
Bij harde ecologische plafonds kan een
hoeveelheidsnorm geschikter zijn dan uitsluitend een prijsprikkel. Wanneer een
bepaald emissie- of grondstoffenbudget niet mag worden overschreden, biedt een
belasting geen zekerheid dat de gewenste hoeveelheid wordt bereikt. Normering,
vergunningen, verhandelbare rechten of een combinatie van prijs- en
hoeveelheidsinstrumenten kan dan effectiever zijn.
Ronald Coase leverde een invloedrijke
kritiek op een te mechanische toepassing van Pigouviaanse correcties. Wanneer
rechten duidelijk zijn vastgelegd en transactiekosten verwaarloosbaar zijn,
kunnen partijen volgens de aan hem verbonden redenering onderling onderhandelen
over een efficiënte oplossing, ongeacht de oorspronkelijke toedeling van het
recht. Coase wilde daarmee niet aantonen dat instituties of overheid overbodig
zijn. Zijn kernpunt was juist dat transactiekosten, rechtsregels en
institutionele vormgeving beslissend zijn in de werkelijke wereld. De
University of Chicago Law School benadrukt dat Coase zijn analyse zag als een
oproep om de rol van transactiekosten in het ontwerp van economische
instituties serieus te nemen.
Bij een conflict tussen twee naburige
bedrijven kan onderhandeling soms mogelijk zijn. Bij klimaatverandering,
diffuse luchtvervuiling of verlies aan biodiversiteit zijn miljoenen huidige en
toekomstige betrokkenen niet in staat afzonderlijk te onderhandelen. De
transactiekosten zijn dan zeer hoog, machtsverhoudingen ongelijk en rechten
onvolledig. Bovendien is een efficiënte uitkomst niet automatisch rechtvaardig:
de oorspronkelijke verdeling van rechten bepaalt wie moet betalen en wie
vergoeding ontvangt.
Pigou en Coase moeten daarom niet als
elkaar uitsluitende alternatieven worden behandeld. Pigou vraagt hoe externe
kosten in private beslissingen kunnen worden geïnternaliseerd. Coase vraagt
welke verdeling van rechten en welk institutioneel arrangement dit tegen de
laagste maatschappelijke kosten mogelijk maakt. Beide analyses leiden tot een
vergelijkende institutionele vraag: wanneer zijn belastingheffing, normering,
aansprakelijkheid, onderhandeling, collectief beheer of publieke voorziening
het meest geschikt?
6
Informatieproblemen en ontbrekend vertrouwen
Markten kunnen alleen goed functioneren
wanneer deelnemers voldoende informatie hebben over prijs, kwaliteit, risico en
contractvoorwaarden. In veel markten is informatie echter asymmetrisch
verdeeld. Producenten weten meer over de kwaliteit van een product dan
consumenten. Kredietnemers kennen hun eigen risico’s beter dan
kredietverstrekkers. Werkgevers en werknemers beschikken ieder over informatie
die de andere partij niet volledig kan waarnemen.
George Akerlof liet in The Market for
“Lemons” zien dat onzekerheid over kwaliteit een markt kan aantasten.
Wanneer kopers goede en slechte producten niet kunnen onderscheiden, zijn zij
slechts bereid een prijs te betalen die op de gemiddelde verwachte kwaliteit is
gebaseerd. Aanbieders van hoogwaardige producten trekken zich dan mogelijk
terug, waardoor de gemiddelde kwaliteit verder daalt. In het uiterste geval kan
de markt grotendeels verdwijnen. Akerlofs oorspronkelijke artikel maakte
duidelijk dat slechte informatie niet alleen individuele consumenten benadeelt,
maar de samenstelling en zelfs het bestaan van markten kan veranderen.
Informatieasymmetrie kan verschillende
vormen aannemen:
- averechtse selectie: ongunstige risico’s
of lage kwaliteit zijn vóór het sluiten van de overeenkomst moeilijk
herkenbaar;
- moreel risico: gedrag verandert nadat risico’s
geheel of gedeeltelijk bij een ander zijn neergelegd;
- principaal-agentproblemen: degene die namens een
ander handelt heeft andere belangen en meer informatie;
- complexiteitsproblemen: informatie is formeel
beschikbaar, maar voor burgers moeilijk te begrijpen of te vergelijken;
- strategische ondoorzichtigheid: ondernemingen
ontwerpen producten of contracten bewust zo dat kosten en risico’s
moeilijk zichtbaar zijn.
Private instituties kunnen een deel van
deze problemen oplossen. Merknamen, reputatie, keurmerken, garanties,
accountants, verzekeringen en tussenpersonen produceren vertrouwen en
informatie. Maar ook deze instituties kunnen falen of belangenconflicten kennen.
Een keurmerk is slechts waardevol wanneer de certificerende instelling
onafhankelijk is. Financieel advies beschermt de consument niet wanneer de
adviseur door de aanbieder wordt betaald.
Publieke interventies kunnen bestaan
uit:
- gestandaardiseerde informatie en vergelijkingsregels;
- productveiligheidsnormen;
- wettelijke garanties;
- vergunning- en deskundigheidseisen;
- zorgplichten en fiduciaire verantwoordelijkheden;
- toezicht op belangenconflicten;
- aansprakelijkheid voor misleidende informatie;
- publieke registraties en onafhankelijke certificering.
Ook hier is ‘meer informatie’ niet
altijd voldoende. Lange documenten met juridisch volledige voorwaarden kunnen
de feitelijke begrijpelijkheid juist verminderen. De relevante capability is
niet de formele beschikbaarheid van informatie, maar het vermogen van mensen om
de gevolgen van een beslissing te begrijpen en redelijke alternatieven te
kiezen.
7 Marktmacht,
schaalvoordelen en Krugmans nieuwe handelstheorie
De klassieke theorie van volledige
mededinging veronderstelt dat individuele ondernemingen geen beslissende
invloed op prijzen hebben. In veel sectoren is daarvan geen sprake. Hoge vaste
kosten, schaalvoordelen, netwerkeffecten, toegang tot data,
intellectuele-eigendomsrechten en controle over infrastructuur kunnen leiden
tot oligopolies of monopolistische posities.
Marktmacht heeft verschillende gevolgen.
Ondernemingen kunnen prijzen boven de marginale kosten vaststellen, de
productie beperken, contractvoorwaarden eenzijdig bepalen en toetreding
bemoeilijken. De maatschappelijke schade bestaat niet alleen uit hogere
prijzen. Marktmacht kan ook de arbeidsvoorwaarden, innovatierichting,
informatievoorziening en politieke besluitvorming beïnvloeden.
Paul Krugmans werk over toenemende
schaalopbrengsten en monopolistische concurrentie heeft laten zien dat
internationale handel niet uitsluitend wordt bepaald door vooraf bestaande
comparatieve voordelen. Wanneer productie door schaalvoordelen goedkoper wordt
naarmate een onderneming of sector groter wordt, kunnen historische
toevalligheden, vroege investeringen en marktgrootte bepalen waar productie
zich concentreert. Specialisatie is dan niet alleen het gevolg van gegeven
nationale eigenschappen; zij kan door economische ontwikkeling en
institutionele keuzes worden voortgebracht.
Dit inzicht heeft belangrijke gevolgen
voor handel en industriebeleid. Wanneer een onderneming eenmaal een groot
marktaandeel en leervoordeel heeft opgebouwd, kunnen nieuwe toetreders
structureel op achterstand staan. Tijdelijke ondersteuning of coördinatie kan
een land of regio in theorie in staat stellen een sector te ontwikkelen die
zonder die interventie elders geconcentreerd zou blijven.
Krugman wees er echter tevens op dat
deze theoretische mogelijkheid niet automatisch een praktisch pleidooi voor
protectionisme oplevert. In zijn artikel Is Free Trade Passé?
concludeerde hij dat nieuwe modellen met schaalvoordelen en imperfecte
concurrentie de theoretische onschuld van vrijhandel hadden weggenomen, maar
dat vrijhandel in de praktijk een belangrijke vuistregel bleef. De overheid
beschikt immers niet vanzelf over voldoende informatie om de juiste sector te
selecteren en kan onder druk komen te staan van georganiseerde belangen. De
oorspronkelijke publicatie maakt zo zowel de theoretische ruimte voor
strategisch beleid als de politieke grenzen daarvan zichtbaar.
8 Ongelijkheid:
meer dan een verdelingsvraag achteraf
Ongelijkheid wordt in een strikte
economische definitie niet altijd als marktfalen beschouwd. Een competitieve
markt kan efficiënt functioneren en toch zeer ongelijke uitkomsten produceren.
Dat laat vooral zien hoe beperkt een uitsluitend allocatieve definitie van
efficiëntie is.
Ongelijkheid beïnvloedt de economie
langs meerdere wegen.
Ten eerste bepaalt zij hoe mensen
middelen in capabilities kunnen omzetten. Wie onvoldoende inkomen of vermogen
heeft, kan minder investeren in onderwijs, gezondheid, huisvesting, mobiliteit
of ondernemerschap. Talenten blijven dan onbenut, niet omdat zij economisch
onproductief zijn, maar omdat toegang tot ontwikkelingsmogelijkheden ongelijk
is verdeeld.
Ten tweede beïnvloedt ongelijkheid de
onderhandelingspositie. Een werknemer zonder financiële buffer kan formeel vrij
zijn een arbeidscontract te weigeren, maar beschikt in de praktijk over veel
minder onderhandelingsmacht dan een werkgever of werknemer met ruime
alternatieven. Hetzelfde geldt voor huurders, zelfstandigen, kleine
leveranciers en schuldenaren.
Ten derde kan vermogensongelijkheid de
werking van kredietmarkten verstoren. Productieve investeringen worden niet
uitsluitend beoordeeld op hun maatschappelijke of economische potentieel, maar
ook op de zekerheden die een aanvrager kan bieden. Wie al vermogen bezit,
krijgt gemakkelijker toegang tot nieuw kapitaal. Daarmee kan de oorspronkelijke
verdeling zichzelf reproduceren.
Ten vierde beïnvloedt ongelijkheid de
vraagstructuur. Markten reageren op koopkrachtige vraag, niet rechtstreeks op
menselijke behoefte. Er kan daardoor veel productiecapaciteit worden gericht op
luxeconsumptie terwijl noodzakelijke goederen voor lage inkomensgroepen
onvoldoende toegankelijk blijven. Dat is vanuit marktperspectief geen
tegenspraak: voorkeuren tellen naar de koopkracht waarmee zij worden
ondersteund.
Ten vijfde kan economische ongelijkheid
zich vertalen in politieke ongelijkheid. Vermogende actoren beschikken over
meer mogelijkheden om onderzoek, lobby, juridische procedures, media en
politieke campagnes te financieren. Economische macht beïnvloedt dan de regels
waarbinnen toekomstige marktprocessen plaatsvinden.
Krugman heeft met name voor de Verenigde
Staten benadrukt dat de sterke stijging van topinkomens niet uitsluitend door
technologie en scholingsverschillen kan worden verklaard. Politieke keuzes,
afnemende organisatiekracht van werknemers, fiscale veranderingen en sociale
normen rond topbeloningen hebben volgens hem mede de primaire inkomensverdeling
veranderd. Zijn analyse is niet onomstreden, maar zij onderstreept een
belangrijk institutioneel inzicht: verdeling ontstaat niet pas nadat de markt
haar werk heeft gedaan. Arbeidsrecht, ondernemingsbestuur, belastingregels,
onderwijs, mededinging en financiële instituties vormen mede de marktuitkomst.
Een menswordingsgerichte economische
orde vraagt daarom niet alleen om herverdeling achteraf. Zij vraagt ook om een
bredere spreiding van onderwijs, eigendom, onderhandelingsmacht, toegang tot
kapitaal en economische zeggenschap.
9
Coördinatieproblemen en ontbrekende markten
Niet ieder marktfalen ontstaat doordat
individuele actoren verkeerde prikkels krijgen. Soms kunnen investeringen
alleen gezamenlijk rendabel worden, terwijl geen afzonderlijke onderneming de
eerste stap wil zetten.
Een onderneming investeert bijvoorbeeld
niet in een nieuwe technologie wanneer voldoende geschoolde werknemers
ontbreken. Onderwijsinstellingen leiden geen mensen voor die technologie op
wanneer er nog geen vraag van ondernemingen is. Infrastructuur wordt niet
aangelegd zolang het toekomstige gebruik onzeker is. Financiers verstrekken
geen kapitaal omdat de afzonderlijke projecten zonder de andere investeringen
te risicovol zijn.
Iedere actor kan rationeel afwachten,
terwijl gezamenlijke actie maatschappelijk voordelig zou zijn. Dit wordt een
coördinatiefalen genoemd. Het kan zich voordoen bij energienetten, woningbouw,
openbaar vervoer, industriële clusters, digitale infrastructuur, circulaire
productieketens en de omschakeling naar nieuwe technologieën.
Daarnaast kunnen markten voor
toekomstige of zeer onzekere activiteiten ontbreken. Fundamenteel onderzoek
kent lange tijdshorizonten en onvoorspelbare opbrengsten. Klimaatadaptatie
voorkomt toekomstige schade die niet altijd aan één betaler kan worden toegerekend.
Investeringen in weerbaarheid leveren vooral waarde op wanneer een crisis
optreedt. Private financiering kan zulke projecten onderwaarderen, zeker
wanneer opbrengsten diffuus of moeilijk toe-eigenbaar zijn.
Industriebeleid kan in dergelijke
omstandigheden worden opgevat als een institutioneel mechanisme waarmee de
overheid:
- complementaire investeringen coördineert;
- kennis- en leereffecten ondersteunt;
- tijdelijke financieringsrisico’s deelt;
- standaarden en infrastructuur organiseert;
- vraag naar nieuwe technologie helpt creëren;
- strategische afhankelijkheden vermindert;
- een ecologische transitie versnelt.
10 Ha-Joon
Chang: ontwikkeling als institutionele en politieke keuze
Ha-Joon Chang verwerpt het beeld dat
landen zich ontwikkelen door bestaande comparatieve voordelen passief te
volgen. Productieve vermogens, technologie, ondernemingen en vaardigheden
worden volgens hem historisch opgebouwd. Wat een land efficiënt kan produceren
is mede het resultaat van eerdere investeringen, bescherming, scholing,
kredietverlening, infrastructuur en institutionele keuzes.
In Kicking Away the Ladder laat
Chang zien dat veel landen die later vrijhandel en beperkte staatsinterventie
gingen aanbevelen, tijdens hun eigen ontwikkeling gebruikmaakten van
bescherming, publieke investeringen en actieve ondersteuning van nieuwe
industrieën. Zijn bredere punt is niet dat iedere vorm van protectionisme
succesvol is, maar dat economische instituties en ontwikkelingsstrategieën niet
los kunnen worden gezien van tijd, ontwikkelingsniveau en machtsverhoudingen.
In zijn studie Industrial Policy: Can
We Go Beyond an Unproductive Confrontation? definieert Chang selectief
industriebeleid als beleid dat bewust bepaalde sectoren bevoordeelt, soms tegen
bestaande marktsignalen in, om productiviteit en toekomstige economische
vermogens te ontwikkelen. Hij beschrijft hoe Oost-Aziatisch industriebeleid
veel meer omvatte dan subsidies en invoerbescherming: ook coördinatie van
investeringen, technologiebeleid, opleiding, exportondersteuning en publieke
risicodeling speelden een rol. Changs analyse benadrukt bovendien dat
overheidsbekwaamheid niet alleen een vooraf gegeven voorwaarde is, maar door
opleiding, organisatorische hervorming en leren in de praktijk kan worden
ontwikkeld.
Dit inzicht corrigeert twee
simplificaties. De eerste is dat de staat slechts hoeft te corrigeren nadat een
markt aantoonbaar heeft gefaald. Ook de markten, ondernemingen en productieve
capaciteiten waarop ontwikkeling berust, moeten soms nog worden opgebouwd. De
tweede simplificatie is dat ieder overheidsfalen bewijst dat industriebeleid
onmogelijk is. Ook ondernemingen maken fouten, financiers volgen hypes en
markten kunnen langdurig in een inefficiënt ontwikkelingspad blijven steken.
Tegelijkertijd mag Changs historische
analyse niet worden vertaald in een algemeen vermoeden dat iedere sectorale
subsidie gerechtvaardigd is. De ervaringen van Japan, Zuid-Korea en Taiwan
vonden plaats onder specifieke geopolitieke, institutionele en vaak autoritaire
omstandigheden. Selectie van sectoren kan leiden tot vriendjespolitiek,
permanente bescherming, overcapaciteit en verdringing van productieve
nieuwkomers.
Het relevante inzicht is daarom niet dat
de overheid altijd beter weet welke sectoren moeten groeien. Het is dat iedere
ontwikkelingsstrategie institutionele keuzes bevat en dat het nalaten van
industriebeleid evenmin neutraal is. Ook algemene infrastructuur, fiscale
voordelen, handelsregels, intellectuele eigendom en onderzoeksfinanciering
bevoordelen bepaalde activiteiten boven andere.
11 Lessen uit de
Oost-Aziatische ontwikkeling
De snelle ontwikkeling van verschillende
Oost-Aziatische economieën vormt een belangrijke maar omstreden empirische bron
voor het debat. De Wereldbank onderzocht in The East Asian Miracle acht
sterk groeiende economieën en benadrukte onder meer macro-economische
stabiliteit, menselijk kapitaal, relatief brede inkomensgroei, hoge besparingen
en exportoriëntatie. Het rapport erkende ook selectieve interventies, maar
bleef voorzichtig over de mogelijkheid die elders te reproduceren. Het
Wereldbankrapport illustreert daarmee zowel de betekenis van publieke
instituties als het blijvende debat over causaliteit.
Chang legt sterker de nadruk op gerichte
kredietverlening, exportdiscipline, technologieoverdracht, scholing en
tijdelijke bescherming. In zijn analyse moesten ondernemingen steun niet zonder
voorwaarden ontvangen. Prestatiedoelen, rapportage, externe toetsing en de
mogelijkheid steun aan te passen of te beëindigen waren essentieel.
Exportprestaties fungeerden in sommige gevallen als relatief moeilijk
manipuleerbare toets van internationale concurrentiekracht.
Uit deze geschiedenis kunnen geen
eenvoudige recepten worden afgeleid. Wel volgen enkele algemene lessen:
- ondersteuning moet gekoppeld zijn aan leren, investeren en aantoonbare
prestaties;
- bescherming zonder concurrentiedruk kan inefficiëntie bestendigen;
- de overheid moet over technische en onderhandelingscapaciteit
beschikken;
- private kennis moet worden benut zonder beleid aan gevestigde
bedrijven over te laten;
- ondersteuning moet tijdelijk en herzienbaar zijn;
- succes vraagt doorgaans om samenhang tussen onderwijs, financiering,
infrastructuur, handel en technologiebeleid;
- sociale en ecologische kosten moeten expliciet worden meegewogen.
Industriebeleid is daarmee geen
verzameling subsidies, maar een institutionele leerstrategie.
12 Marktfalen
garandeert geen succesvolle overheid
De constatering dat markten kunnen
falen, bewijst nog niet dat een overheidsinterventie de uitkomst verbetert.
Overheden worden eveneens geconfronteerd met beperkte informatie, tegengestelde
belangen, uitvoeringsproblemen en politieke prikkels.
Ten minste zes vormen van overheidsfalen
moeten serieus worden genomen.
Kennisproblemen.
Beleidsmakers beschikken niet over alle lokale en technologische kennis. Zij
kunnen toekomstige markten, kosten en innovaties verkeerd inschatten. Hayeks
kennisprobleem geldt ook voor goedbedoelende overheden.
Regulatory capture.
Georganiseerde ondernemingen hebben vaak meer informatie, middelen en toegang
dan verspreide burgers of toekomstige toetreders. Regelgeving kan daardoor de
belangen van gevestigde actoren beschermen en juist nieuwe toetreding
belemmeren.
Rent-seeking.
Wanneer subsidies, vergunningen of bescherming economisch waardevol zijn,
kunnen ondernemingen middelen besteden aan politieke beïnvloeding in plaats van
productieve innovatie.
Uitvoeringsfalen.
Complexe regelingen kunnen hoge administratieve lasten, vertraging, fouten en
strategisch gedrag veroorzaken. Een theoretisch optimaal instrument kan in de
praktijk minder effectief zijn dan een eenvoudiger alternatief.
Politieke
kortetermijngerichtheid. Verkiezingscycli kunnen zichtbare
projecten bevoordelen boven onderhoud, preventie, fundamenteel onderzoek en
andere investeringen met een lange tijdshorizon.
Internationale afwenteling.
Nationaal industriebeleid kan subsidieconcurrentie, handelsconflicten en
inefficiënte mondiale overcapaciteit veroorzaken.
Daarom moet niet worden gevraagd of
markten dan wel overheden in abstracte zin beter functioneren. De vraag is
welke institutionele ordening, gegeven het concrete probleem en de beschikbare
capaciteit, de kleinste verwachte maatschappelijke schade en de grootste
mogelijkheid tot correctie biedt.
Dit is een vorm van vergelijkende
institutionele analyse. Een onvolmaakte markt moet niet worden vergeleken met
een alwetende en belangeloze overheid. Maar een onvolmaakte overheid mag
evenmin worden vergeleken met een theoretisch perfecte markt. Beide alternatieven
moeten worden beoordeeld zoals zij werkelijk functioneren.
13 Een institutionele
keuzematrix
Een systematische vergelijking kan als
volgt worden opgebouwd:
|
Probleem |
Economisch
mechanisme |
Mogelijke
instrumenten |
Belangrijkste
risico’s |
Te
volgen indicatoren |
|
Publieke
goederen |
Vrijbuitersgedrag
en onvoldoende private financiering |
Publieke
financiering, gezamenlijke heffing, open toegang, publieke of
maatschappelijke uitvoering |
Overproductie,
bureaucratie, onduidelijke kwaliteit |
Bereik,
gebruik, kwaliteit, kosten, maatschappelijke baten |
|
Negatieve
externe effecten |
Private
kosten lager dan maatschappelijke kosten |
Heffing,
norm, emissiebudget, aansprakelijkheid, vergunning, verbod |
Verkeerde
schadeprijs, regressieve effecten, ontwijking |
Absolute
schade, verdelingseffecten, naleving, substitutie |
|
Positieve
externe effecten |
Private
baten lager dan maatschappelijke baten |
Subsidie,
publieke R&D, kennisdeling, scholing, infrastructuur |
Meeliften,
subsidiëring van activiteiten die toch zouden plaatsvinden |
Additionaliteit,
kennisverspreiding, productiviteit, toegankelijkheid |
|
Informatieasymmetrie |
Averechtse
selectie, moreel risico en complexiteit |
Standaardisering,
keurmerken, garanties, zorgplicht, toezicht, publieke informatie |
Schijntransparantie,
informatieoverlast, belangenconflicten |
Begrijpelijkheid,
klachten, prijs-kwaliteit, toetreding |
|
Marktmacht |
Schaalvoordelen,
netwerkeffecten en toetredingsbarrières |
Mededingingstoezicht,
interoperabiliteit, toegangseisen, ontvlechting, prijsregulering |
Onderinvestering,
juridische traagheid, bescherming van incumbents |
Concentratie,
marges, toetreding, innovatie, overstapkosten |
|
Ongelijkheid
en afhankelijkheid |
Ongelijke
startposities, kredietbeperkingen en onderhandelingsmacht |
Onderwijs,
sociale zekerheid, arbeidsrecht, vermogensspreiding, progressieve belasting |
Marginale
druk, ontwijking, administratieve afhankelijkheid |
Capabilities,
mobiliteit, vermogensconcentratie, arbeidsinkomensquote |
|
Coördinatiefalen |
Wederzijdse
afhankelijkheid van investeringen |
Infrastructuur,
standaarden, publieke inkoop, garanties, tijdelijke sectorsteun |
Verkeerde
selectie, capture, permanente bescherming |
Private
co-investering, leereffecten, mijlpalen, uitstroom uit steun |
Deze matrix levert geen automatisch
antwoord op. Zij dwingt wel tot precisie. Voor iedere interventie moet
duidelijk zijn welk mechanisme wordt gecorrigeerd, waarom het gekozen
instrument daarbij past, welke neveneffecten kunnen ontstaan en wanneer het beleid
moet worden aangepast of beëindigd.
14 Corrigeerbaar
industriebeleid
Industriebeleid is verenigbaar met een
menswordings-economie wanneer het niet wordt ingericht als een permanente
overdracht aan politiek invloedrijke ondernemingen, maar als een transparant en
corrigeerbaar proces van maatschappelijke investering.
Daarvoor zijn ten minste de volgende
ontwerpvoorwaarden nodig.
Een expliciete publieke opgave
Ondersteuning moet worden gekoppeld aan
een duidelijk omschreven probleem, zoals kennisverspreiding, een ecologische
transitie, ontbrekende infrastructuur, leveringszekerheid of strategische
afhankelijkheid. Het algemene belang mag niet worden verward met het
voortbestaan van een afzonderlijke onderneming.
Aantoonbare additionaliteit
De overheid moet onderzoeken of de
ondersteunde investering zonder publieke bijdrage niet, later of op kleinere
schaal zou plaatsvinden. Subsidies voor activiteiten die ondernemingen ook
zonder steun zouden uitvoeren, leveren weinig maatschappelijke additionaliteit
op.
Open en betwistbare selectie
Waar mogelijk moeten meerdere
ondernemingen, consortia en technologieën kunnen meedingen. Ook jonge bedrijven
en nieuwe toetreders moeten toegang hebben. Beleid dat uitsluitend bestaande
marktleiders ondersteunt, kan marktmacht versterken en toekomstige innovatie
blokkeren.
Voorwaarden aan publieke steun
Steun kan worden verbonden aan
investeringen, scholing, kennisdeling, emissiereductie, werkgelegenheid,
leveringszekerheid of redelijke toegang tot publiek gefinancierde innovaties.
Bij niet-naleving moeten terugvordering, afbouw of omzetting in een publiek
belang mogelijk zijn.
Mijlpalen en herziening
Doelen moeten vooraf meetbaar worden
gemaakt, maar mogen niet zo star zijn dat leren onmogelijk wordt. Changs
voorstel om prestaties, trends en externe toetsing te combineren is hierbij
relevant. Langetermijnbeleid vraagt geduld, maar geen onbeperkt krediet.
Transparantie en tegengeluid
Begunstigden, bedragen, voorwaarden,
lobbycontacten, fiscale risico’s en evaluaties moeten openbaar zijn.
Onafhankelijke deskundigen, werknemers, regionale partijen, maatschappelijke
organisaties en potentiële toetreders moeten invloed kunnen uitoefenen op
beoordeling en bijsturing.
Behoud van concurrentie
Industriebeleid en mededingingsbeleid
moeten elkaar aanvullen. Publieke ondersteuning mag niet leiden tot
afgeschermde nationale kampioenen die innovatie, werknemers of afnemers
vervolgens domineren. Ook het IMF benadrukt dat gericht innovatiebeleid vooral
kansrijk is wanneer spillovers goed zijn onderbouwd, bestuurlijke capaciteit
sterk is, fiscale risico’s worden bewaakt en concurrentie behouden blijft.
Een vooraf bepaalde beëindigingsroute
Tijdelijke ondersteuning moet een
expliciet evaluatiemoment en een mogelijke einddatum kennen. Voortzetting
vereist nieuwe motivering. Mislukking moet institutioneel mogelijk zijn zonder
dat iedere tegenvaller wordt gevolgd door aanvullende steun om eerdere
investeringen politiek te redden.
15
Institutionele keuzes vanuit het Menswordingsdashboard
De beoordeling van marktfalen mag niet
beperkt blijven tot het bruto binnenlands product of de vraag of totale
maatschappelijke baten de totale kosten overtreffen. Ook moet worden onderzocht
hoe een interventie doorwerkt in de sociale ondergrenzen, ecologische plafonds
en machtsverhoudingen uit het vorige hoofdstuk.
Voor iedere belangrijke marktordening of
industriële interventie moeten daarom ten minste de volgende vragen worden
beantwoord:
- Welk concreet markt- of coördinatiefalen wordt aangepakt?
- Welke groepen profiteren en welke groepen dragen de lasten?
- Welke capabilities worden versterkt of mogelijk verzwakt?
- Verandert de interventie de verdeling van economische en politieke
macht?
- Past zij binnen de ecologische budgetten?
- Op welk schaalniveau kan het probleem het effectiefst worden
aangepakt?
- Beschikt de verantwoordelijke overheid over voldoende
uitvoeringscapaciteit?
- Welke informatie ontbreekt en hoe wordt daarvan geleerd?
- Welke indicatoren bepalen succes, aanpassing of beëindiging?
- Welke rechtsbescherming bestaat voor burgers en ondernemingen die
worden geraakt?
Hierdoor krijgt corrigeerbaarheid een
concrete economische betekenis. Zij bestaat uit de mogelijkheid om aannames te
toetsen, informatie openbaar te maken, fouten te erkennen, instrumenten te
wijzigen en steun te beëindigen wanneer de maatschappelijke rechtvaardiging
wegvalt.
16 Een
interventieladder tegen extractieve praktijken
Extractie ontstaat wanneer een actor
duurzaam inkomen of macht verwerft zonder een evenredige maatschappelijke
prestatie, doordat kosten worden afgewenteld, afhankelijkheid wordt uitgebuit
of toegang tot een essentiële infrastructuur wordt gemonopoliseerd. Niet iedere
hoge winst is daarom extractief en niet iedere regulering vereist dezelfde
zwaarte. Een werkbare rechtsorde heeft een interventieladder nodig die het
middel koppelt aan de ernst, omkeerbaarheid en machtsstructuur van het probleem[1].
De eerste trede is informatie en
controleerbaarheid. Ondernemingen met grote keten-, platform- of milieurisico’s
rapporteren gestandaardiseerd over eigendom, prijzen, contractvoorwaarden,
fiscale positie en maatschappelijke effecten. Toezichthouders krijgen toegang
tot onderliggende data en algoritmen, met bescherming van bedrijfsgeheimen die
niet als schild tegen controle mag functioneren. Deze trede past wanneer schade
vermoed wordt maar nog onvoldoende meetbaar is, of wanneer vergelijkbaarheid en
publieke controle het gedrag waarschijnlijk kunnen verbeteren[2].
De tweede trede is zorgplicht en
aansprakelijkheid. Waar ondernemingen invloed hebben op arbeidsomstandigheden,
productveiligheid, ketenschade of datagebruik, worden preventieplichten,
herstelplichten en effectieve civiel- of bestuursrechtelijke aansprakelijkheid
vastgelegd. Het doel is niet iedere tegenslag juridisch toe te rekenen, maar te
voorkomen dat winst centraal wordt geïncasseerd terwijl voorzienbare schade
wordt verspreid over werknemers, consumenten, gemeenschappen of overheid[3].
De derde trede corrigeert prijzen en
contracten. Pigouviaanse heffingen, royalty’s, congestieprijzen, een financiële-transactiebelasting
en voorwaarden aan publieke steun kunnen maatschappelijke kosten in private
beslissingen opnemen[4].
Contractrecht kan oneerlijke bedingen, koppelverkoop, buitensporige opzegkosten
en eenzijdige wijziging begrenzen. Prijsinstrumenten zijn echter onvoldoende
wanneer afnemers niet kunnen uitwijken of wanneer een onderneming de heffing
eenvoudig doorberekent. Dan is aanvullende bescherming nodig[5].
De vierde trede waarborgt toegang en
interoperabiliteit. Bij netwerkmarkten kunnen open standaarden,
dataportabiliteit, toegang tot essentiële faciliteiten, non-discriminatie en
interoperabiliteit de afhankelijkheid van één poortwachter verminderen. Tarieven
en rangschikkingsregels worden controleerbaar. Deze trede sluit aan bij
mededingingsrecht, maar richt zich niet alleen op prijs: ook controle over
data, distributie en zichtbaarheid kan marktmacht vormen[6].
De vijfde trede verandert de
marktstructuur of eigendomsvorm. Wanneer gedragsregels stelselmatig worden
omzeild, kunnen concentratietoetsing, het terugdraaien van overnames,
functionele scheiding, een verbod op zelfbevoordeling, maximale marktaandelen
of publieke en coöperatieve alternatieven nodig zijn. Bij essentiële
infrastructuren kan structurele scheiding tussen netwerk en commerciële
diensten voorkomen dat de eigenaar concurrenten uitsluit[7].
De zesde trede is verbod, uitfasering of
publieke voorziening. Activiteiten met onomkeerbare schade, een onaanvaardbaar
risico voor grondrechten of een verdienmodel dat noodzakelijkerwijs op
misleiding en afhankelijkheid berust, kunnen niet door rapportage of beprijzing
worden gelegitimeerd. Voor fundamentele voorzieningen kan publieke,
gemeenschappelijke of strikt gereguleerde non-profitorganisatie geschikter zijn
dan concurrentie om koopkracht[8].
De keuze van de trede berust op vijf
criteria: de ernst en omkeerbaarheid van de schade; de essentialiteit van het
goed; de mate van markt- en informatiemacht; de mogelijkheid van effectieve
keuze of exit; en de aantoonbare nalevingsgeschiedenis. Escalatie wordt
gemotiveerd, periodiek geëvalueerd en rechterlijk toetsbaar gemaakt. Bij acute
of onomkeerbare schade mag direct een hogere trede worden gekozen[9].
Regulering vergt ten slotte eigen
institutionele kwaliteit. Toezichthouders moeten voldoende expertise,
gegevensrechten, budget en sanctiebevoegdheid hebben. Draaideurconstructies,
lobbycontacten en uitzonderingen worden openbaar. Sancties moeten het economisch
voordeel van overtreding ten minste wegnemen; anders worden zij een
bedrijfsuitgave. Zo wordt regulering geen opeenstapeling van regels, maar een
proportioneel systeem dat van transparantie naar structurele correctie kan
escaleren wanneer private macht publieke doelen blijvend ondermijnt[10].
17 Conclusie
Markten zijn krachtige mechanismen voor
informatieverwerking, coördinatie, ondernemerschap en innovatie. Juist daarom
verdienen zij bescherming tegen monopolievorming, afwenteling en institutionele
uitholling. Een markt die door een beperkt aantal ondernemingen wordt beheerst,
waarin consumenten essentiële informatie missen of waarin sociale en
ecologische kosten niet in prijzen worden verwerkt, verliest een deel van haar
coördinerende en emanciperende functie.
Pigou maakt zichtbaar dat private en
maatschappelijke kosten en baten uiteen kunnen lopen. Zijn analyse
rechtvaardigt belastingen, subsidies en andere instrumenten waarmee externe
effecten worden geïnternaliseerd, maar vereist zorgvuldige kennis van schade,
verdeling en alternatieven. Coase voegt daaraan toe dat rechten, transactiekosten
en institutionele vormgeving beslissend zijn.
Krugman laat zien dat schaalvoordelen,
imperfecte concurrentie en historische ontwikkeling de traditionele
voorstelling van markten en internationale handel compliceren. Comparatieve
voordelen zijn niet uitsluitend gegeven; zij kunnen door investeringen, leren
en vroege marktposities worden gevormd. Daaruit ontstaat theoretische ruimte
voor strategisch beleid, maar geen vrijbrief voor protectionisme.
Chang plaatst deze inzichten in een
historische en institutionele ontwikkelingstheorie. Productieve vermogens
worden opgebouwd door samenhangende keuzes over onderwijs, technologie,
financiering, infrastructuur en handel. Industriebeleid kan daaraan bijdragen,
mits publieke steun wordt gekoppeld aan prestaties, leren en daadwerkelijke
maatschappelijke waarde.
Marktfalen vormt daarom geen bewijs dat
de staat altijd moet ingrijpen. Overheidsfalen vormt evenmin een bewijs dat
niet-ingrijpen neutraal of optimaal is. De centrale opgave is de vergelijking
van onvolmaakte institutionele alternatieven.
Een menswordings-economie kiest niet
tussen markt en overheid als concurrerende eindmodellen. Zij ontwerpt markten,
publieke instituties en vormen van collectieve zelforganisatie zodanig dat
economische dynamiek wordt verbonden met sociale ondergrenzen, ecologische
plafonds, spreiding van macht en democratische corrigeerbaarheid. De vraag is
uiteindelijk niet hoeveel markt of hoeveel overheid wenselijk is, maar welke
institutionele combinatie mensen in staat stelt zich te ontwikkelen zonder
kosten, risico’s en afhankelijkheden ongecorrigeerd op anderen af te wentelen.
Lees het volledige onderzoek:
[1] Mariana
Mazzucato, The Value of Everything:
Making and Taking in the Global Economy (London: Allen Lane, 2018), hfdst.
1–3 en 7; Ian Ayres en John Braithwaite, Responsive
Regulation: Transcending the Deregulation Debate (New York: Oxford
University Press, 1992), 35–41.
[2]
Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december
2022 betreffende duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (CSRD), PbEU L
322, 16 december 2022, 15–80, zoals gewijzigd; Gedelegeerde Verordening (EU)
2023/2772 van de Commissie van 31 juli 2023 betreffende standaarden voor
duurzaamheidsrapportering (ESRS), PbEU L 2023/2772.
[3]
Verenigde Naties, Guiding Principles on
Business and Human Rights: Implementing the United Nations ‘Protect, Respect
and Remedy’ Framework (New York en Genève: United Nations, 2011),
beginselen 17–24 en 25–31; OECD, OECD Due
Diligence Guidance for Responsible Business Conduct (Paris: OECD
Publishing, 2018), 20–34; Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake passende
zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid, PbEU L
2024/1760, zoals gewijzigd.
[4] A.C. Pigou, The
Economics of Welfare (London: Macmillan, 1920), deel II, hfdst. 9.
[5] Ayres
en Braithwaite, Responsive Regulation,
35–41 en 101–132.
[6]
Verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14
september 2022 betreffende betwistbare en eerlijke markten in de digitale
sector (Digital Markets Act), PbEU L 265, 12 oktober 2022, 1–66, in het
bijzonder art. 5–7
[7]
Verordening (EU) 2022/1925, art. 18 (marktonderzoek naar systematische
niet-naleving en gedrags- of structurele remedies).
[8] Gough, Heat, Greed and Human Need, hfdst. 7–8.
[9]
Braithwaite, Responsive Regulation,
35–41; Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, art. 191, lid 2
(voorzorgsbeginsel).
[10] OECD, Recommendation of the Council on Regulatory
Policy and Governance (Paris: OECD Publishing, 2012), 22–29; Ayres en
Braithwaite, Responsive Regulation,
101–132.

Reacties
Een reactie posten