Hoeveel markt of overheid hebben we nodig — of stellen we daarmee de verkeerde vraag?

 

Markten, marktfalen en institutionele keuzes

1 Markten als krachtige maar voorwaardelijke instituties

Markten behoren tot de belangrijkste coördinatiemechanismen van moderne samenlevingen. Zij brengen verspreide informatie over voorkeuren, kosten, schaarste en technologische mogelijkheden bijeen zonder dat één centrale actor al deze kennis hoeft te bezitten. Prijzen geven signalen waarop huishoudens en ondernemingen hun beslissingen kunnen aanpassen. Concurrentie kan inefficiënte producenten onder druk zetten, innovatie bevorderen en ruimte scheppen voor nieuwe ondernemingen en nieuwe producten.

Friedrich Hayek heeft deze epistemische functie van markten scherp uiteengezet. Het economische probleem bestaat volgens hem niet uitsluitend uit de allocatie van gegeven middelen, maar uit het benutten van kennis die verspreid, onvolledig en soms tegenstrijdig over vele actoren is verdeeld. Geen centrale instantie beschikt over alle lokale kennis over behoeften, productiemogelijkheden en veranderende omstandigheden. Het prijsmechanisme maakt het mogelijk een deel van deze kennis te gebruiken zonder haar eerst centraal te verzamelen. Hayeks analyse vormt daarom een blijvende waarschuwing tegen de pretentie dat economische ordening volledig vanuit één centrum kan worden ontworpen.

De erkenning van deze kracht betekent echter niet dat marktuitkomsten vanzelf maatschappelijk optimaal, rechtvaardig of ecologisch houdbaar zijn. De efficiëntie-eigenschappen die in economische modellen aan concurrerende markten worden toegeschreven, berusten op veeleisende voorwaarden. Er moet onder meer sprake zijn van voldoende concurrentie, volledige of adequate informatie, goed omschreven rechten, afdwingbare contracten, afwezigheid van relevante externe effecten en voldoende mogelijkheden voor actoren om op prijsveranderingen te reageren.

Ook veronderstelt de klassieke analyse dat alle maatschappelijk relevante kosten en baten in marktprijzen tot uitdrukking komen. Juist daarvan is in de werkelijkheid vaak geen sprake. Klimaatschade, kennisverspreiding, volksgezondheid, maatschappelijke stabiliteit, democratische macht en de kwaliteit van toekomstige ecosystemen worden niet vanzelf volledig in private transacties meegenomen.

Marktfalen moet daarom niet worden opgevat als een uitzonderlijke storing in een verder natuurlijke marktorde. Markten bestaan altijd binnen juridische en institutionele structuren. Eigendom, aansprakelijkheid, ondernemingsvormen, geld, faillissementsrecht, consumentenbescherming, mededinging en toegang tot informatie bepalen mede welke kosten zichtbaar worden, welke risico’s kunnen worden afgewenteld en welke actoren onder welke voorwaarden kunnen deelnemen.

De relevante tegenstelling is dan ook niet die tussen een natuurlijke markt en een kunstmatig ingrijpende overheid. De werkelijke keuze gaat tussen verschillende institutionele ordeningen van economische activiteit.

2 Marktfalen als analytisch begrip

Binnen de welvaartseconomie verwijst marktfalen naar situaties waarin gedecentraliseerde marktbeslissingen niet leiden tot een efficiënte allocatie van middelen. In de meest strikte betekenis gaat het om een afwijking van de voorwaarden waaronder een competitief marktevenwicht Pareto-efficiënt is: een situatie waarin niemand erop vooruit kan gaan zonder dat iemand anders erop achteruitgaat.

Deze definitie is analytisch nuttig, maar normatief beperkt. Pareto-efficiëntie zegt niets over de rechtvaardigheid van de uitgangspositie of de verdeling van de uitkomst. Een samenleving waarin één persoon vrijwel alle middelen bezit, kan in technische zin Pareto-efficiënt zijn wanneer herverdeling die persoon enig nadeel zou bezorgen. Efficiëntie kan daarom niet zelfstandig bepalen of een economische orde rechtvaardig is.

De theorie maakt bovendien vaak onderscheid tussen efficiëntie en verdeling. Volgens het tweede fundamentele welvaartstheorema zou een samenleving eerst via forfaitaire overdrachten een gewenste verdeling van middelen kunnen realiseren en daarna markten hun allocatieve functie kunnen laten vervullen. In de werkelijkheid zijn volledig neutrale forfaitaire overdrachten nauwelijks beschikbaar. Belastingen beïnvloeden gedrag, vermogens zijn moeilijk waar te nemen of mobiel, en de oorspronkelijke verdeling beïnvloedt toegang tot onderwijs, krediet, informatie, rechtsbijstand en politieke invloed.

Marktfalen moet daarom in een bredere institutionele analyse worden verbonden met minstens zes problemen:

  • publieke goederen;
  • externe effecten;
  • informatieasymmetrie;
  • marktmacht en toenemende schaalopbrengsten;
  • ongelijkheid en ongelijke onderhandelingsmacht;
  • coördinatieproblemen en ontbrekende markten.

Deze problemen vragen niet automatisch om dezelfde interventie. Soms is publieke financiering nodig, soms normering, belastingheffing, aansprakelijkheid, mededingingstoezicht, informatieverplichtingen, collectieve zelforganisatie of tijdelijke industriële ondersteuning. De aard van het probleem bepaalt welke institutionele reactie kansrijk is.

3 Publieke goederen en het probleem van collectieve voorziening

Een zuiver publiek goed wordt in de economische theorie gekenmerkt door twee eigenschappen: niet-rivaliteit en niet-uitsluitbaarheid.

Niet-rivaliteit betekent dat het gebruik door de één het gebruik door een ander niet of nauwelijks vermindert. Niet-uitsluitbaarheid betekent dat mensen moeilijk van gebruik kunnen worden uitgesloten wanneer het goed eenmaal beschikbaar is. Klassieke voorbeelden zijn nationale veiligheid, bepaalde vormen van fundamentele kennis, algemene rechtszekerheid, epidemiologische informatie en sommige vormen van milieubescherming.

Bij private goederen kan een producent betaling vragen door het gebruik afhankelijk te maken van koop. Bij publieke goederen is dat moeilijker. Mensen kunnen profiteren zonder vrijwillig bij te dragen. Hierdoor ontstaat het vrijbuitersprobleem: iedereen kan er individueel belang bij hebben anderen te laten betalen, waardoor het goed collectief te weinig wordt gefinancierd of helemaal niet tot stand komt.

Paul Samuelson heeft dit formeel uitgedrukt in zijn theorie van publieke uitgaven. Bij een privaat goed moet de marginale waardering van iedere consument aansluiten bij de marktprijs. Bij een zuiver publiek goed is de efficiënte hoeveelheid bereikt wanneer de som van de marginale waarderingen van alle betrokkenen gelijk is aan de marginale kosten van het voortbrengen van het goed. Omdat mensen een prikkel hebben hun werkelijke betalingsbereidheid te verbergen, kan een markt deze som niet eenvoudig ontdekken.

Daaruit volgt niet dat de overheid ieder publiek goed zelf moet produceren. Publieke verantwoordelijkheid kan verschillende vormen aannemen:

  • directe publieke productie;
  • publieke financiering met private of maatschappelijke uitvoering;
  • gezamenlijke financiering via belastingen of heffingen;
  • wettelijke verplichtingen tot deelname;
  • subsidiering van activiteiten met grote collectieve baten;
  • open toegang tot publiek gefinancierde kennis;
  • institutionele ondersteuning van coöperatieve zelforganisatie.

Het onderscheid tussen financiering en uitvoering is belangrijk. Een particuliere onderneming kan wegen onderhouden, laboratoriumonderzoek verrichten of digitale infrastructuur beheren. De collectieve verantwoordelijkheid betreft vooral de vraag of het goed in voldoende omvang, kwaliteit en toegankelijkheid beschikbaar komt.

Ook moet onderscheid worden gemaakt tussen publieke goederen en gemeenschappelijke hulpbronnen. Visbestanden, grondwater en bepaalde ecosystemen zijn moeilijk uitsluitbaar, maar wel rivaliserend: wat de één gebruikt, is niet langer voor een ander beschikbaar. Daar ontstaat niet primair onderproductie, maar het risico van overgebruik. De passende institutionele reactie kan dan bestaan uit gebruiksrechten, quota, gemeenschapsbeheer, toezicht of een combinatie daarvan.

Een menswordings-economie beschouwt onderwijs, rechtsstaat, volksgezondheid, kennisinfrastructuur en ecologische stabiliteit niet slechts als uitgaven die door een productieve marktsector moeten worden gedragen. Zij vormen mede de publieke infrastructuur waarbinnen markten, ondernemingen en menselijke capabilities kunnen functioneren.

4 Pigou en de maatschappelijke kosten van economische activiteit

Arthur Pigou legde een belangrijk fundament voor de moderne analyse van externe effecten. In The Economics of Welfare onderzocht hij situaties waarin het marginale private product of de marginale private kosten afwijken van het marginale maatschappelijke product of de maatschappelijke kosten. In zulke gevallen worden niet alle gevolgen van een economische handeling in de beslissing van producent en consument meegenomen. Pigou’s oorspronkelijke analyse vormde de basis voor wat later Pigouviaanse belastingen en subsidies zijn gaan heten.

Een negatief extern effect doet zich voor wanneer een economische activiteit kosten veroorzaakt voor derden zonder dat de veroorzaker daarvoor volledig betaalt. Luchtvervuiling, geluid, klimaatschade, verkeerscongestie en aantasting van biodiversiteit zijn duidelijke voorbeelden.

In vereenvoudigde vorm geldt:

MSC(q)=MPC(q)+MD(q)

Daarbij zijn:

  • (MSC): de marginale maatschappelijke kosten;
  • (MPC): de marginale private kosten;
  • (MD): de marginale schade voor derden.

Een ongereguleerde producent baseert zijn beslissing in beginsel op de marginale private kosten. De maatschappelijk efficiënte hoeveelheid ligt echter waar de marginale baten gelijk zijn aan de marginale maatschappelijke kosten. Wanneer de marginale schade niet in de prijs is opgenomen, zal meer worden geproduceerd dan maatschappelijk wenselijk is.

Een Pigouviaanse heffing probeert deze afwijking te corrigeren. In het theoretische optimum is de heffing per eenheid gelijk aan de marginale externe schade bij de maatschappelijk gewenste productiehoeveelheid:


De producent neemt de maatschappelijke kosten dan mee alsof het private kosten zijn. De heffing schrijft niet voor welke technologie moet worden gebruikt, maar verandert de prijsstructuur waarbinnen producenten en consumenten beslissingen nemen.

Positieve externe effecten werken in omgekeerde richting. Onderzoek, scholing, preventieve gezondheidszorg en sommige vormen van innovatie leveren baten op die niet volledig door de investeerder kunnen worden toegeëigend. De markt kan deze activiteiten daardoor te weinig voortbrengen. Subsidies, publieke financiering, kennisdeling of tijdelijke bescherming kunnen dan gerechtvaardigd zijn.

Pigou’s analyse maakt zichtbaar dat marktprijzen geen neutrale weergave zijn van maatschappelijke waarde zolang kosten en baten kunnen worden afgewenteld. Een product lijkt goedkoop wanneer vervuiling, gezondheidsrisico’s of toekomstige klimaatschade niet in de prijs zijn opgenomen. De lage prijs is dan geen bewijs van efficiëntie, maar het gevolg van een institutionele keuze over wie de kosten draagt.

5 De grenzen van Pigouviaanse correctie

Het Pigouviaanse model is krachtig, maar de praktische toepassing is complex. Om een optimale heffing te berekenen, moet de overheid de omvang van de marginale schade kennen. Bij lokale luchtvervuiling, biodiversiteitsverlies of klimaatverandering zijn schade, tijdshorizon en causaliteit vaak onzeker. Effecten verschillen bovendien naar plaats, bevolkingsgroep en kwetsbaarheid.

Een uniforme belasting kan daardoor te hoog zijn voor activiteiten met beperkte schade en te laag voor activiteiten met grote of onomkeerbare gevolgen. Ook kan een op zichzelf efficiënte heffing regressieve verdelingseffecten hebben wanneer huishoudens met lage inkomens relatief veel van hun inkomen besteden aan energie of mobiliteit. De opbrengstbestemming, compensatie en beschikbaarheid van alternatieven worden dan onderdeel van het institutionele ontwerp.

Bij harde ecologische plafonds kan een hoeveelheidsnorm geschikter zijn dan uitsluitend een prijsprikkel. Wanneer een bepaald emissie- of grondstoffenbudget niet mag worden overschreden, biedt een belasting geen zekerheid dat de gewenste hoeveelheid wordt bereikt. Normering, vergunningen, verhandelbare rechten of een combinatie van prijs- en hoeveelheidsinstrumenten kan dan effectiever zijn.

Ronald Coase leverde een invloedrijke kritiek op een te mechanische toepassing van Pigouviaanse correcties. Wanneer rechten duidelijk zijn vastgelegd en transactiekosten verwaarloosbaar zijn, kunnen partijen volgens de aan hem verbonden redenering onderling onderhandelen over een efficiënte oplossing, ongeacht de oorspronkelijke toedeling van het recht. Coase wilde daarmee niet aantonen dat instituties of overheid overbodig zijn. Zijn kernpunt was juist dat transactiekosten, rechtsregels en institutionele vormgeving beslissend zijn in de werkelijke wereld. De University of Chicago Law School benadrukt dat Coase zijn analyse zag als een oproep om de rol van transactiekosten in het ontwerp van economische instituties serieus te nemen.

Bij een conflict tussen twee naburige bedrijven kan onderhandeling soms mogelijk zijn. Bij klimaatverandering, diffuse luchtvervuiling of verlies aan biodiversiteit zijn miljoenen huidige en toekomstige betrokkenen niet in staat afzonderlijk te onderhandelen. De transactiekosten zijn dan zeer hoog, machtsverhoudingen ongelijk en rechten onvolledig. Bovendien is een efficiënte uitkomst niet automatisch rechtvaardig: de oorspronkelijke verdeling van rechten bepaalt wie moet betalen en wie vergoeding ontvangt.

Pigou en Coase moeten daarom niet als elkaar uitsluitende alternatieven worden behandeld. Pigou vraagt hoe externe kosten in private beslissingen kunnen worden geïnternaliseerd. Coase vraagt welke verdeling van rechten en welk institutioneel arrangement dit tegen de laagste maatschappelijke kosten mogelijk maakt. Beide analyses leiden tot een vergelijkende institutionele vraag: wanneer zijn belastingheffing, normering, aansprakelijkheid, onderhandeling, collectief beheer of publieke voorziening het meest geschikt?

6 Informatieproblemen en ontbrekend vertrouwen

Markten kunnen alleen goed functioneren wanneer deelnemers voldoende informatie hebben over prijs, kwaliteit, risico en contractvoorwaarden. In veel markten is informatie echter asymmetrisch verdeeld. Producenten weten meer over de kwaliteit van een product dan consumenten. Kredietnemers kennen hun eigen risico’s beter dan kredietverstrekkers. Werkgevers en werknemers beschikken ieder over informatie die de andere partij niet volledig kan waarnemen.

George Akerlof liet in The Market for “Lemons” zien dat onzekerheid over kwaliteit een markt kan aantasten. Wanneer kopers goede en slechte producten niet kunnen onderscheiden, zijn zij slechts bereid een prijs te betalen die op de gemiddelde verwachte kwaliteit is gebaseerd. Aanbieders van hoogwaardige producten trekken zich dan mogelijk terug, waardoor de gemiddelde kwaliteit verder daalt. In het uiterste geval kan de markt grotendeels verdwijnen. Akerlofs oorspronkelijke artikel maakte duidelijk dat slechte informatie niet alleen individuele consumenten benadeelt, maar de samenstelling en zelfs het bestaan van markten kan veranderen.

Informatieasymmetrie kan verschillende vormen aannemen:

  • averechtse selectie: ongunstige risico’s of lage kwaliteit zijn vóór het sluiten van de overeenkomst moeilijk herkenbaar;
  • moreel risico: gedrag verandert nadat risico’s geheel of gedeeltelijk bij een ander zijn neergelegd;
  • principaal-agentproblemen: degene die namens een ander handelt heeft andere belangen en meer informatie;
  • complexiteitsproblemen: informatie is formeel beschikbaar, maar voor burgers moeilijk te begrijpen of te vergelijken;
  • strategische ondoorzichtigheid: ondernemingen ontwerpen producten of contracten bewust zo dat kosten en risico’s moeilijk zichtbaar zijn.

Private instituties kunnen een deel van deze problemen oplossen. Merknamen, reputatie, keurmerken, garanties, accountants, verzekeringen en tussenpersonen produceren vertrouwen en informatie. Maar ook deze instituties kunnen falen of belangenconflicten kennen. Een keurmerk is slechts waardevol wanneer de certificerende instelling onafhankelijk is. Financieel advies beschermt de consument niet wanneer de adviseur door de aanbieder wordt betaald.

Publieke interventies kunnen bestaan uit:

  • gestandaardiseerde informatie en vergelijkingsregels;
  • productveiligheidsnormen;
  • wettelijke garanties;
  • vergunning- en deskundigheidseisen;
  • zorgplichten en fiduciaire verantwoordelijkheden;
  • toezicht op belangenconflicten;
  • aansprakelijkheid voor misleidende informatie;
  • publieke registraties en onafhankelijke certificering.

Ook hier is ‘meer informatie’ niet altijd voldoende. Lange documenten met juridisch volledige voorwaarden kunnen de feitelijke begrijpelijkheid juist verminderen. De relevante capability is niet de formele beschikbaarheid van informatie, maar het vermogen van mensen om de gevolgen van een beslissing te begrijpen en redelijke alternatieven te kiezen.

7 Marktmacht, schaalvoordelen en Krugmans nieuwe handelstheorie

De klassieke theorie van volledige mededinging veronderstelt dat individuele ondernemingen geen beslissende invloed op prijzen hebben. In veel sectoren is daarvan geen sprake. Hoge vaste kosten, schaalvoordelen, netwerkeffecten, toegang tot data, intellectuele-eigendomsrechten en controle over infrastructuur kunnen leiden tot oligopolies of monopolistische posities.

Marktmacht heeft verschillende gevolgen. Ondernemingen kunnen prijzen boven de marginale kosten vaststellen, de productie beperken, contractvoorwaarden eenzijdig bepalen en toetreding bemoeilijken. De maatschappelijke schade bestaat niet alleen uit hogere prijzen. Marktmacht kan ook de arbeidsvoorwaarden, innovatierichting, informatievoorziening en politieke besluitvorming beïnvloeden.

Paul Krugmans werk over toenemende schaalopbrengsten en monopolistische concurrentie heeft laten zien dat internationale handel niet uitsluitend wordt bepaald door vooraf bestaande comparatieve voordelen. Wanneer productie door schaalvoordelen goedkoper wordt naarmate een onderneming of sector groter wordt, kunnen historische toevalligheden, vroege investeringen en marktgrootte bepalen waar productie zich concentreert. Specialisatie is dan niet alleen het gevolg van gegeven nationale eigenschappen; zij kan door economische ontwikkeling en institutionele keuzes worden voortgebracht.

Dit inzicht heeft belangrijke gevolgen voor handel en industriebeleid. Wanneer een onderneming eenmaal een groot marktaandeel en leervoordeel heeft opgebouwd, kunnen nieuwe toetreders structureel op achterstand staan. Tijdelijke ondersteuning of coördinatie kan een land of regio in theorie in staat stellen een sector te ontwikkelen die zonder die interventie elders geconcentreerd zou blijven.

Krugman wees er echter tevens op dat deze theoretische mogelijkheid niet automatisch een praktisch pleidooi voor protectionisme oplevert. In zijn artikel Is Free Trade Passé? concludeerde hij dat nieuwe modellen met schaalvoordelen en imperfecte concurrentie de theoretische onschuld van vrijhandel hadden weggenomen, maar dat vrijhandel in de praktijk een belangrijke vuistregel bleef. De overheid beschikt immers niet vanzelf over voldoende informatie om de juiste sector te selecteren en kan onder druk komen te staan van georganiseerde belangen. De oorspronkelijke publicatie maakt zo zowel de theoretische ruimte voor strategisch beleid als de politieke grenzen daarvan zichtbaar.

8 Ongelijkheid: meer dan een verdelingsvraag achteraf

Ongelijkheid wordt in een strikte economische definitie niet altijd als marktfalen beschouwd. Een competitieve markt kan efficiënt functioneren en toch zeer ongelijke uitkomsten produceren. Dat laat vooral zien hoe beperkt een uitsluitend allocatieve definitie van efficiëntie is.

Ongelijkheid beïnvloedt de economie langs meerdere wegen.

Ten eerste bepaalt zij hoe mensen middelen in capabilities kunnen omzetten. Wie onvoldoende inkomen of vermogen heeft, kan minder investeren in onderwijs, gezondheid, huisvesting, mobiliteit of ondernemerschap. Talenten blijven dan onbenut, niet omdat zij economisch onproductief zijn, maar omdat toegang tot ontwikkelingsmogelijkheden ongelijk is verdeeld.

Ten tweede beïnvloedt ongelijkheid de onderhandelingspositie. Een werknemer zonder financiële buffer kan formeel vrij zijn een arbeidscontract te weigeren, maar beschikt in de praktijk over veel minder onderhandelingsmacht dan een werkgever of werknemer met ruime alternatieven. Hetzelfde geldt voor huurders, zelfstandigen, kleine leveranciers en schuldenaren.

Ten derde kan vermogensongelijkheid de werking van kredietmarkten verstoren. Productieve investeringen worden niet uitsluitend beoordeeld op hun maatschappelijke of economische potentieel, maar ook op de zekerheden die een aanvrager kan bieden. Wie al vermogen bezit, krijgt gemakkelijker toegang tot nieuw kapitaal. Daarmee kan de oorspronkelijke verdeling zichzelf reproduceren.

Ten vierde beïnvloedt ongelijkheid de vraagstructuur. Markten reageren op koopkrachtige vraag, niet rechtstreeks op menselijke behoefte. Er kan daardoor veel productiecapaciteit worden gericht op luxeconsumptie terwijl noodzakelijke goederen voor lage inkomensgroepen onvoldoende toegankelijk blijven. Dat is vanuit marktperspectief geen tegenspraak: voorkeuren tellen naar de koopkracht waarmee zij worden ondersteund.

Ten vijfde kan economische ongelijkheid zich vertalen in politieke ongelijkheid. Vermogende actoren beschikken over meer mogelijkheden om onderzoek, lobby, juridische procedures, media en politieke campagnes te financieren. Economische macht beïnvloedt dan de regels waarbinnen toekomstige marktprocessen plaatsvinden.

Krugman heeft met name voor de Verenigde Staten benadrukt dat de sterke stijging van topinkomens niet uitsluitend door technologie en scholingsverschillen kan worden verklaard. Politieke keuzes, afnemende organisatiekracht van werknemers, fiscale veranderingen en sociale normen rond topbeloningen hebben volgens hem mede de primaire inkomensverdeling veranderd. Zijn analyse is niet onomstreden, maar zij onderstreept een belangrijk institutioneel inzicht: verdeling ontstaat niet pas nadat de markt haar werk heeft gedaan. Arbeidsrecht, ondernemingsbestuur, belastingregels, onderwijs, mededinging en financiële instituties vormen mede de marktuitkomst.

Een menswordingsgerichte economische orde vraagt daarom niet alleen om herverdeling achteraf. Zij vraagt ook om een bredere spreiding van onderwijs, eigendom, onderhandelingsmacht, toegang tot kapitaal en economische zeggenschap.

9 Coördinatieproblemen en ontbrekende markten

Niet ieder marktfalen ontstaat doordat individuele actoren verkeerde prikkels krijgen. Soms kunnen investeringen alleen gezamenlijk rendabel worden, terwijl geen afzonderlijke onderneming de eerste stap wil zetten.

Een onderneming investeert bijvoorbeeld niet in een nieuwe technologie wanneer voldoende geschoolde werknemers ontbreken. Onderwijsinstellingen leiden geen mensen voor die technologie op wanneer er nog geen vraag van ondernemingen is. Infrastructuur wordt niet aangelegd zolang het toekomstige gebruik onzeker is. Financiers verstrekken geen kapitaal omdat de afzonderlijke projecten zonder de andere investeringen te risicovol zijn.

Iedere actor kan rationeel afwachten, terwijl gezamenlijke actie maatschappelijk voordelig zou zijn. Dit wordt een coördinatiefalen genoemd. Het kan zich voordoen bij energienetten, woningbouw, openbaar vervoer, industriële clusters, digitale infrastructuur, circulaire productieketens en de omschakeling naar nieuwe technologieën.

Daarnaast kunnen markten voor toekomstige of zeer onzekere activiteiten ontbreken. Fundamenteel onderzoek kent lange tijdshorizonten en onvoorspelbare opbrengsten. Klimaatadaptatie voorkomt toekomstige schade die niet altijd aan één betaler kan worden toegerekend. Investeringen in weerbaarheid leveren vooral waarde op wanneer een crisis optreedt. Private financiering kan zulke projecten onderwaarderen, zeker wanneer opbrengsten diffuus of moeilijk toe-eigenbaar zijn.

Industriebeleid kan in dergelijke omstandigheden worden opgevat als een institutioneel mechanisme waarmee de overheid:

  • complementaire investeringen coördineert;
  • kennis- en leereffecten ondersteunt;
  • tijdelijke financieringsrisico’s deelt;
  • standaarden en infrastructuur organiseert;
  • vraag naar nieuwe technologie helpt creëren;
  • strategische afhankelijkheden vermindert;
  • een ecologische transitie versnelt.

10 Ha-Joon Chang: ontwikkeling als institutionele en politieke keuze

Ha-Joon Chang verwerpt het beeld dat landen zich ontwikkelen door bestaande comparatieve voordelen passief te volgen. Productieve vermogens, technologie, ondernemingen en vaardigheden worden volgens hem historisch opgebouwd. Wat een land efficiënt kan produceren is mede het resultaat van eerdere investeringen, bescherming, scholing, kredietverlening, infrastructuur en institutionele keuzes.

In Kicking Away the Ladder laat Chang zien dat veel landen die later vrijhandel en beperkte staatsinterventie gingen aanbevelen, tijdens hun eigen ontwikkeling gebruikmaakten van bescherming, publieke investeringen en actieve ondersteuning van nieuwe industrieën. Zijn bredere punt is niet dat iedere vorm van protectionisme succesvol is, maar dat economische instituties en ontwikkelingsstrategieën niet los kunnen worden gezien van tijd, ontwikkelingsniveau en machtsverhoudingen.

In zijn studie Industrial Policy: Can We Go Beyond an Unproductive Confrontation? definieert Chang selectief industriebeleid als beleid dat bewust bepaalde sectoren bevoordeelt, soms tegen bestaande marktsignalen in, om productiviteit en toekomstige economische vermogens te ontwikkelen. Hij beschrijft hoe Oost-Aziatisch industriebeleid veel meer omvatte dan subsidies en invoerbescherming: ook coördinatie van investeringen, technologiebeleid, opleiding, exportondersteuning en publieke risicodeling speelden een rol. Changs analyse benadrukt bovendien dat overheidsbekwaamheid niet alleen een vooraf gegeven voorwaarde is, maar door opleiding, organisatorische hervorming en leren in de praktijk kan worden ontwikkeld.

Dit inzicht corrigeert twee simplificaties. De eerste is dat de staat slechts hoeft te corrigeren nadat een markt aantoonbaar heeft gefaald. Ook de markten, ondernemingen en productieve capaciteiten waarop ontwikkeling berust, moeten soms nog worden opgebouwd. De tweede simplificatie is dat ieder overheidsfalen bewijst dat industriebeleid onmogelijk is. Ook ondernemingen maken fouten, financiers volgen hypes en markten kunnen langdurig in een inefficiënt ontwikkelingspad blijven steken.

Tegelijkertijd mag Changs historische analyse niet worden vertaald in een algemeen vermoeden dat iedere sectorale subsidie gerechtvaardigd is. De ervaringen van Japan, Zuid-Korea en Taiwan vonden plaats onder specifieke geopolitieke, institutionele en vaak autoritaire omstandigheden. Selectie van sectoren kan leiden tot vriendjespolitiek, permanente bescherming, overcapaciteit en verdringing van productieve nieuwkomers.

Het relevante inzicht is daarom niet dat de overheid altijd beter weet welke sectoren moeten groeien. Het is dat iedere ontwikkelingsstrategie institutionele keuzes bevat en dat het nalaten van industriebeleid evenmin neutraal is. Ook algemene infrastructuur, fiscale voordelen, handelsregels, intellectuele eigendom en onderzoeksfinanciering bevoordelen bepaalde activiteiten boven andere.

11 Lessen uit de Oost-Aziatische ontwikkeling

De snelle ontwikkeling van verschillende Oost-Aziatische economieën vormt een belangrijke maar omstreden empirische bron voor het debat. De Wereldbank onderzocht in The East Asian Miracle acht sterk groeiende economieën en benadrukte onder meer macro-economische stabiliteit, menselijk kapitaal, relatief brede inkomensgroei, hoge besparingen en exportoriëntatie. Het rapport erkende ook selectieve interventies, maar bleef voorzichtig over de mogelijkheid die elders te reproduceren. Het Wereldbankrapport illustreert daarmee zowel de betekenis van publieke instituties als het blijvende debat over causaliteit.

Chang legt sterker de nadruk op gerichte kredietverlening, exportdiscipline, technologieoverdracht, scholing en tijdelijke bescherming. In zijn analyse moesten ondernemingen steun niet zonder voorwaarden ontvangen. Prestatiedoelen, rapportage, externe toetsing en de mogelijkheid steun aan te passen of te beëindigen waren essentieel. Exportprestaties fungeerden in sommige gevallen als relatief moeilijk manipuleerbare toets van internationale concurrentiekracht.

Uit deze geschiedenis kunnen geen eenvoudige recepten worden afgeleid. Wel volgen enkele algemene lessen:

  • ondersteuning moet gekoppeld zijn aan leren, investeren en aantoonbare prestaties;
  • bescherming zonder concurrentiedruk kan inefficiëntie bestendigen;
  • de overheid moet over technische en onderhandelingscapaciteit beschikken;
  • private kennis moet worden benut zonder beleid aan gevestigde bedrijven over te laten;
  • ondersteuning moet tijdelijk en herzienbaar zijn;
  • succes vraagt doorgaans om samenhang tussen onderwijs, financiering, infrastructuur, handel en technologiebeleid;
  • sociale en ecologische kosten moeten expliciet worden meegewogen.

Industriebeleid is daarmee geen verzameling subsidies, maar een institutionele leerstrategie.

12 Marktfalen garandeert geen succesvolle overheid

De constatering dat markten kunnen falen, bewijst nog niet dat een overheidsinterventie de uitkomst verbetert. Overheden worden eveneens geconfronteerd met beperkte informatie, tegengestelde belangen, uitvoeringsproblemen en politieke prikkels.

Ten minste zes vormen van overheidsfalen moeten serieus worden genomen.

Kennisproblemen. Beleidsmakers beschikken niet over alle lokale en technologische kennis. Zij kunnen toekomstige markten, kosten en innovaties verkeerd inschatten. Hayeks kennisprobleem geldt ook voor goedbedoelende overheden.

Regulatory capture. Georganiseerde ondernemingen hebben vaak meer informatie, middelen en toegang dan verspreide burgers of toekomstige toetreders. Regelgeving kan daardoor de belangen van gevestigde actoren beschermen en juist nieuwe toetreding belemmeren.

Rent-seeking. Wanneer subsidies, vergunningen of bescherming economisch waardevol zijn, kunnen ondernemingen middelen besteden aan politieke beïnvloeding in plaats van productieve innovatie.

Uitvoeringsfalen. Complexe regelingen kunnen hoge administratieve lasten, vertraging, fouten en strategisch gedrag veroorzaken. Een theoretisch optimaal instrument kan in de praktijk minder effectief zijn dan een eenvoudiger alternatief.

Politieke kortetermijngerichtheid. Verkiezingscycli kunnen zichtbare projecten bevoordelen boven onderhoud, preventie, fundamenteel onderzoek en andere investeringen met een lange tijdshorizon.

Internationale afwenteling. Nationaal industriebeleid kan subsidieconcurrentie, handelsconflicten en inefficiënte mondiale overcapaciteit veroorzaken.

Daarom moet niet worden gevraagd of markten dan wel overheden in abstracte zin beter functioneren. De vraag is welke institutionele ordening, gegeven het concrete probleem en de beschikbare capaciteit, de kleinste verwachte maatschappelijke schade en de grootste mogelijkheid tot correctie biedt.

Dit is een vorm van vergelijkende institutionele analyse. Een onvolmaakte markt moet niet worden vergeleken met een alwetende en belangeloze overheid. Maar een onvolmaakte overheid mag evenmin worden vergeleken met een theoretisch perfecte markt. Beide alternatieven moeten worden beoordeeld zoals zij werkelijk functioneren.


 

13 Een institutionele keuzematrix

Een systematische vergelijking kan als volgt worden opgebouwd:

Probleem

Economisch mechanisme

Mogelijke instrumenten

Belangrijkste risico’s

Te volgen indicatoren

Publieke goederen

Vrijbuitersgedrag en onvoldoende private financiering

Publieke financiering, gezamenlijke heffing, open toegang, publieke of maatschappelijke uitvoering

Overproductie, bureaucratie, onduidelijke kwaliteit

Bereik, gebruik, kwaliteit, kosten, maatschappelijke baten

Negatieve externe effecten

Private kosten lager dan maatschappelijke kosten

Heffing, norm, emissiebudget, aansprakelijkheid, vergunning, verbod

Verkeerde schadeprijs, regressieve effecten, ontwijking

Absolute schade, verdelingseffecten, naleving, substitutie

Positieve externe effecten

Private baten lager dan maatschappelijke baten

Subsidie, publieke R&D, kennisdeling, scholing, infrastructuur

Meeliften, subsidiëring van activiteiten die toch zouden plaatsvinden

Additionaliteit, kennisverspreiding, productiviteit, toegankelijkheid

Informatieasymmetrie

Averechtse selectie, moreel risico en complexiteit

Standaardisering, keurmerken, garanties, zorgplicht, toezicht, publieke informatie

Schijntransparantie, informatieoverlast, belangenconflicten

Begrijpelijkheid, klachten, prijs-kwaliteit, toetreding

Marktmacht

Schaalvoordelen, netwerkeffecten en toetredingsbarrières

Mededingingstoezicht, interoperabiliteit, toegangseisen, ontvlechting, prijsregulering

Onderinvestering, juridische traagheid, bescherming van incumbents

Concentratie, marges, toetreding, innovatie, overstapkosten

Ongelijkheid en afhankelijkheid

Ongelijke startposities, kredietbeperkingen en onderhandelingsmacht

Onderwijs, sociale zekerheid, arbeidsrecht, vermogensspreiding, progressieve belasting

Marginale druk, ontwijking, administratieve afhankelijkheid

Capabilities, mobiliteit, vermogensconcentratie, arbeidsinkomensquote

Coördinatiefalen

Wederzijdse afhankelijkheid van investeringen

Infrastructuur, standaarden, publieke inkoop, garanties, tijdelijke sectorsteun

Verkeerde selectie, capture, permanente bescherming

Private co-investering, leereffecten, mijlpalen, uitstroom uit steun

Deze matrix levert geen automatisch antwoord op. Zij dwingt wel tot precisie. Voor iedere interventie moet duidelijk zijn welk mechanisme wordt gecorrigeerd, waarom het gekozen instrument daarbij past, welke neveneffecten kunnen ontstaan en wanneer het beleid moet worden aangepast of beëindigd.

14 Corrigeerbaar industriebeleid

Industriebeleid is verenigbaar met een menswordings-economie wanneer het niet wordt ingericht als een permanente overdracht aan politiek invloedrijke ondernemingen, maar als een transparant en corrigeerbaar proces van maatschappelijke investering.

Daarvoor zijn ten minste de volgende ontwerpvoorwaarden nodig.

Een expliciete publieke opgave

Ondersteuning moet worden gekoppeld aan een duidelijk omschreven probleem, zoals kennisverspreiding, een ecologische transitie, ontbrekende infrastructuur, leveringszekerheid of strategische afhankelijkheid. Het algemene belang mag niet worden verward met het voortbestaan van een afzonderlijke onderneming.

Aantoonbare additionaliteit

De overheid moet onderzoeken of de ondersteunde investering zonder publieke bijdrage niet, later of op kleinere schaal zou plaatsvinden. Subsidies voor activiteiten die ondernemingen ook zonder steun zouden uitvoeren, leveren weinig maatschappelijke additionaliteit op.

Open en betwistbare selectie

Waar mogelijk moeten meerdere ondernemingen, consortia en technologieën kunnen meedingen. Ook jonge bedrijven en nieuwe toetreders moeten toegang hebben. Beleid dat uitsluitend bestaande marktleiders ondersteunt, kan marktmacht versterken en toekomstige innovatie blokkeren.

Voorwaarden aan publieke steun

Steun kan worden verbonden aan investeringen, scholing, kennisdeling, emissiereductie, werkgelegenheid, leveringszekerheid of redelijke toegang tot publiek gefinancierde innovaties. Bij niet-naleving moeten terugvordering, afbouw of omzetting in een publiek belang mogelijk zijn.

Mijlpalen en herziening

Doelen moeten vooraf meetbaar worden gemaakt, maar mogen niet zo star zijn dat leren onmogelijk wordt. Changs voorstel om prestaties, trends en externe toetsing te combineren is hierbij relevant. Langetermijnbeleid vraagt geduld, maar geen onbeperkt krediet.

Transparantie en tegengeluid

Begunstigden, bedragen, voorwaarden, lobbycontacten, fiscale risico’s en evaluaties moeten openbaar zijn. Onafhankelijke deskundigen, werknemers, regionale partijen, maatschappelijke organisaties en potentiële toetreders moeten invloed kunnen uitoefenen op beoordeling en bijsturing.

Behoud van concurrentie

Industriebeleid en mededingingsbeleid moeten elkaar aanvullen. Publieke ondersteuning mag niet leiden tot afgeschermde nationale kampioenen die innovatie, werknemers of afnemers vervolgens domineren. Ook het IMF benadrukt dat gericht innovatiebeleid vooral kansrijk is wanneer spillovers goed zijn onderbouwd, bestuurlijke capaciteit sterk is, fiscale risico’s worden bewaakt en concurrentie behouden blijft.

Een vooraf bepaalde beëindigingsroute

Tijdelijke ondersteuning moet een expliciet evaluatiemoment en een mogelijke einddatum kennen. Voortzetting vereist nieuwe motivering. Mislukking moet institutioneel mogelijk zijn zonder dat iedere tegenvaller wordt gevolgd door aanvullende steun om eerdere investeringen politiek te redden.

15 Institutionele keuzes vanuit het Menswordingsdashboard

De beoordeling van marktfalen mag niet beperkt blijven tot het bruto binnenlands product of de vraag of totale maatschappelijke baten de totale kosten overtreffen. Ook moet worden onderzocht hoe een interventie doorwerkt in de sociale ondergrenzen, ecologische plafonds en machtsverhoudingen uit het vorige hoofdstuk.

Voor iedere belangrijke marktordening of industriële interventie moeten daarom ten minste de volgende vragen worden beantwoord:

  1. Welk concreet markt- of coördinatiefalen wordt aangepakt?
  2. Welke groepen profiteren en welke groepen dragen de lasten?
  3. Welke capabilities worden versterkt of mogelijk verzwakt?
  4. Verandert de interventie de verdeling van economische en politieke macht?
  5. Past zij binnen de ecologische budgetten?
  6. Op welk schaalniveau kan het probleem het effectiefst worden aangepakt?
  7. Beschikt de verantwoordelijke overheid over voldoende uitvoeringscapaciteit?
  8. Welke informatie ontbreekt en hoe wordt daarvan geleerd?
  9. Welke indicatoren bepalen succes, aanpassing of beëindiging?
  10. Welke rechtsbescherming bestaat voor burgers en ondernemingen die worden geraakt?

Hierdoor krijgt corrigeerbaarheid een concrete economische betekenis. Zij bestaat uit de mogelijkheid om aannames te toetsen, informatie openbaar te maken, fouten te erkennen, instrumenten te wijzigen en steun te beëindigen wanneer de maatschappelijke rechtvaardiging wegvalt.

16 Een interventieladder tegen extractieve praktijken

Extractie ontstaat wanneer een actor duurzaam inkomen of macht verwerft zonder een evenredige maatschappelijke prestatie, doordat kosten worden afgewenteld, afhankelijkheid wordt uitgebuit of toegang tot een essentiële infrastructuur wordt gemonopoliseerd. Niet iedere hoge winst is daarom extractief en niet iedere regulering vereist dezelfde zwaarte. Een werkbare rechtsorde heeft een interventieladder nodig die het middel koppelt aan de ernst, omkeerbaarheid en machtsstructuur van het probleem[1].

De eerste trede is informatie en controleerbaarheid. Ondernemingen met grote keten-, platform- of milieurisico’s rapporteren gestandaardiseerd over eigendom, prijzen, contractvoorwaarden, fiscale positie en maatschappelijke effecten. Toezichthouders krijgen toegang tot onderliggende data en algoritmen, met bescherming van bedrijfsgeheimen die niet als schild tegen controle mag functioneren. Deze trede past wanneer schade vermoed wordt maar nog onvoldoende meetbaar is, of wanneer vergelijkbaarheid en publieke controle het gedrag waarschijnlijk kunnen verbeteren[2].

De tweede trede is zorgplicht en aansprakelijkheid. Waar ondernemingen invloed hebben op arbeidsomstandigheden, productveiligheid, ketenschade of datagebruik, worden preventieplichten, herstelplichten en effectieve civiel- of bestuursrechtelijke aansprakelijkheid vastgelegd. Het doel is niet iedere tegenslag juridisch toe te rekenen, maar te voorkomen dat winst centraal wordt geïncasseerd terwijl voorzienbare schade wordt verspreid over werknemers, consumenten, gemeenschappen of overheid[3].

De derde trede corrigeert prijzen en contracten. Pigouviaanse heffingen, royalty’s, congestieprijzen, een financiële-transactiebelasting en voorwaarden aan publieke steun kunnen maatschappelijke kosten in private beslissingen opnemen[4]. Contractrecht kan oneerlijke bedingen, koppelverkoop, buitensporige opzegkosten en eenzijdige wijziging begrenzen. Prijsinstrumenten zijn echter onvoldoende wanneer afnemers niet kunnen uitwijken of wanneer een onderneming de heffing eenvoudig doorberekent. Dan is aanvullende bescherming nodig[5].

De vierde trede waarborgt toegang en interoperabiliteit. Bij netwerkmarkten kunnen open standaarden, dataportabiliteit, toegang tot essentiële faciliteiten, non-discriminatie en interoperabiliteit de afhankelijkheid van één poortwachter verminderen. Tarieven en rangschikkingsregels worden controleerbaar. Deze trede sluit aan bij mededingingsrecht, maar richt zich niet alleen op prijs: ook controle over data, distributie en zichtbaarheid kan marktmacht vormen[6].

De vijfde trede verandert de marktstructuur of eigendomsvorm. Wanneer gedragsregels stelselmatig worden omzeild, kunnen concentratietoetsing, het terugdraaien van overnames, functionele scheiding, een verbod op zelfbevoordeling, maximale marktaandelen of publieke en coöperatieve alternatieven nodig zijn. Bij essentiële infrastructuren kan structurele scheiding tussen netwerk en commerciële diensten voorkomen dat de eigenaar concurrenten uitsluit[7].

De zesde trede is verbod, uitfasering of publieke voorziening. Activiteiten met onomkeerbare schade, een onaanvaardbaar risico voor grondrechten of een verdienmodel dat noodzakelijkerwijs op misleiding en afhankelijkheid berust, kunnen niet door rapportage of beprijzing worden gelegitimeerd. Voor fundamentele voorzieningen kan publieke, gemeenschappelijke of strikt gereguleerde non-profitorganisatie geschikter zijn dan concurrentie om koopkracht[8].

De keuze van de trede berust op vijf criteria: de ernst en omkeerbaarheid van de schade; de essentialiteit van het goed; de mate van markt- en informatiemacht; de mogelijkheid van effectieve keuze of exit; en de aantoonbare nalevingsgeschiedenis. Escalatie wordt gemotiveerd, periodiek geëvalueerd en rechterlijk toetsbaar gemaakt. Bij acute of onomkeerbare schade mag direct een hogere trede worden gekozen[9].

Regulering vergt ten slotte eigen institutionele kwaliteit. Toezichthouders moeten voldoende expertise, gegevensrechten, budget en sanctiebevoegdheid hebben. Draaideurconstructies, lobbycontacten en uitzonderingen worden openbaar. Sancties moeten het economisch voordeel van overtreding ten minste wegnemen; anders worden zij een bedrijfsuitgave. Zo wordt regulering geen opeenstapeling van regels, maar een proportioneel systeem dat van transparantie naar structurele correctie kan escaleren wanneer private macht publieke doelen blijvend ondermijnt[10].

17 Conclusie

Markten zijn krachtige mechanismen voor informatieverwerking, coördinatie, ondernemerschap en innovatie. Juist daarom verdienen zij bescherming tegen monopolievorming, afwenteling en institutionele uitholling. Een markt die door een beperkt aantal ondernemingen wordt beheerst, waarin consumenten essentiële informatie missen of waarin sociale en ecologische kosten niet in prijzen worden verwerkt, verliest een deel van haar coördinerende en emanciperende functie.

Pigou maakt zichtbaar dat private en maatschappelijke kosten en baten uiteen kunnen lopen. Zijn analyse rechtvaardigt belastingen, subsidies en andere instrumenten waarmee externe effecten worden geïnternaliseerd, maar vereist zorgvuldige kennis van schade, verdeling en alternatieven. Coase voegt daaraan toe dat rechten, transactiekosten en institutionele vormgeving beslissend zijn.

Krugman laat zien dat schaalvoordelen, imperfecte concurrentie en historische ontwikkeling de traditionele voorstelling van markten en internationale handel compliceren. Comparatieve voordelen zijn niet uitsluitend gegeven; zij kunnen door investeringen, leren en vroege marktposities worden gevormd. Daaruit ontstaat theoretische ruimte voor strategisch beleid, maar geen vrijbrief voor protectionisme.

Chang plaatst deze inzichten in een historische en institutionele ontwikkelingstheorie. Productieve vermogens worden opgebouwd door samenhangende keuzes over onderwijs, technologie, financiering, infrastructuur en handel. Industriebeleid kan daaraan bijdragen, mits publieke steun wordt gekoppeld aan prestaties, leren en daadwerkelijke maatschappelijke waarde.

Marktfalen vormt daarom geen bewijs dat de staat altijd moet ingrijpen. Overheidsfalen vormt evenmin een bewijs dat niet-ingrijpen neutraal of optimaal is. De centrale opgave is de vergelijking van onvolmaakte institutionele alternatieven.

Een menswordings-economie kiest niet tussen markt en overheid als concurrerende eindmodellen. Zij ontwerpt markten, publieke instituties en vormen van collectieve zelforganisatie zodanig dat economische dynamiek wordt verbonden met sociale ondergrenzen, ecologische plafonds, spreiding van macht en democratische corrigeerbaarheid. De vraag is uiteindelijk niet hoeveel markt of hoeveel overheid wenselijk is, maar welke institutionele combinatie mensen in staat stelt zich te ontwikkelen zonder kosten, risico’s en afhankelijkheden ongecorrigeerd op anderen af te wentelen.

 

Lees het volledige onderzoek:

https://www.researchgate.net/publication/414160039_De_institutionele_architectuur_van_een_democratische_sufficiency-economie






[1] Mariana Mazzucato, The Value of Everything: Making and Taking in the Global Economy (London: Allen Lane, 2018), hfdst. 1–3 en 7; Ian Ayres en John Braithwaite, Responsive Regulation: Transcending the Deregulation Debate (New York: Oxford University Press, 1992), 35–41.

[2] Richtlijn (EU) 2022/2464 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (CSRD), PbEU L 322, 16 december 2022, 15–80, zoals gewijzigd; Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/2772 van de Commissie van 31 juli 2023 betreffende standaarden voor duurzaamheidsrapportering (ESRS), PbEU L 2023/2772.

[3] Verenigde Naties, Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations ‘Protect, Respect and Remedy’ Framework (New York en Genève: United Nations, 2011), beginselen 17–24 en 25–31; OECD, OECD Due Diligence Guidance for Responsible Business Conduct (Paris: OECD Publishing, 2018), 20–34; Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid, PbEU L 2024/1760, zoals gewijzigd.

[4] A.C. Pigou, The Economics of Welfare (London: Macmillan, 1920), deel II, hfdst. 9.

[5] Ayres en Braithwaite, Responsive Regulation, 35–41 en 101–132.

[6] Verordening (EU) 2022/1925 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2022 betreffende betwistbare en eerlijke markten in de digitale sector (Digital Markets Act), PbEU L 265, 12 oktober 2022, 1–66, in het bijzonder art. 5–7

[7] Verordening (EU) 2022/1925, art. 18 (marktonderzoek naar systematische niet-naleving en gedrags- of structurele remedies).

[8] Gough, Heat, Greed and Human Need, hfdst. 7–8.

[9] Braithwaite, Responsive Regulation, 35–41; Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, art. 191, lid 2 (voorzorgsbeginsel).

[10] OECD, Recommendation of the Council on Regulatory Policy and Governance (Paris: OECD Publishing, 2012), 22–29; Ayres en Braithwaite, Responsive Regulation, 101–132.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties