Het recht om niet te vallen
Het recht om niet te vallen
Wanneer Eva op maandagochtend haar
bankrekening opent, ziet ze dat haar uitkering lager is dan verwacht.
Ze kijkt nog een keer.
Misschien heeft ze zich vergist.
Misschien komt er later op de dag nog
een bedrag bij.
Maar dat gebeurt niet.
In haar digitale berichtenbox staat een
besluit. Een deel van haar uitkering is verrekend met een eerdere
terugvordering. Volgens de administratie heeft zij enkele maanden te veel
ontvangen. Daarnaast is een bedrag ingehouden omdat zij niet op tijd op een
afspraak is verschenen.
Eva weet welke afspraak wordt bedoeld.
Op die dag was haar dochter ziek. Ze had
geprobeerd te bellen, maar kwam na lang wachten niet verder dan een keuzemenu.
Daarna stuurde ze een bericht via de website. Ze dacht dat daarmee duidelijk
was waarom ze niet kon komen.
Kennelijk was dat niet zo.
In de brief staat dat zij bezwaar kan
maken.
Binnen zes weken.
Met vermelding van het kenmerk.
Eva leest de brief opnieuw. De woorden
zijn Nederlands, maar toch begrijpt ze niet helemaal wat er van haar wordt
verwacht.
Op papier lijkt alles geregeld.
Er is een besluit.
Er is een motivering.
Er is een bezwaartermijn.
Er is zelfs een telefoonnummer.
Maar ondertussen moet de huur worden
betaald. De energierekening staat klaar voor automatische incasso. De koelkast
is bijna leeg. Haar dochter heeft nieuwe schoenen nodig en over twee dagen
wordt het eigen risico voor een medische behandeling afgeschreven.
Eva rekent.
Nog een keer.
En daarna opnieuw.
Het bedrag is niet voldoende.
Ze kan de huur betalen en bijna niets
overhouden.
Of ze kan eten kopen en een deel van de
huur laten liggen.
Of ze kan de energierekening terugboeken
en hopen dat de volgende maand beter wordt.
Geen van die keuzes is werkelijk een
keuze.
Dat is het moment waarop
bestaanszekerheid ophoudt een abstract politiek begrip te zijn.
Het wordt de vraag of iemand deze week
kan eten.
Of de verwarming aan kan blijven.
Of een kind mee kan doen op school.
Of iemand noodzakelijke zorg durft te
gebruiken.
Of de post nog wordt geopend.
En vooral: of er ergens in het geheel
van regels een grens bestaat waaronder niemand mag terechtkomen.
Eva heeft in beginsel recht op sociale
bescherming. Nederland beschikt over uitkeringen, toeslagen, gemeentelijke
voorzieningen, schuldhulpverlening en bijzondere bijstand. Voor vrijwel ieder
onderdeel van haar situatie bestaat een regeling.
Toch dreigt ze tussen al die regelingen
door te vallen.
Dat komt niet noodzakelijk doordat één
besluit evident onrechtmatig is. Het probleem ontstaat juist doordat
verschillende beslissingen zich opstapelen. Een terugvordering hier. Een
sanctie daar. Een hogere energierekening. Een toeslag die later wordt
vastgesteld. Een aanvraag die nog in behandeling is. Een beslaglegging waarmee
een andere instantie rekening houdt, maar niet volledig.
Iedere organisatie ziet een deel.
Niemand ziet het geheel.
De ene instantie kijkt naar de
uitkering.
De andere naar de toeslag.
De schuldeiser kijkt naar de openstaande
rekening.
De verhuurder naar de huurachterstand.
De zorgverzekeraar naar het eigen
risico.
Maar wie kijkt naar wat er uiteindelijk
voor Eva en haar dochter overblijft?
Dat is de centrale vraag achter het
recht op bestaanszekerheid.
Niet alleen: bestaan er sociale
regelingen?
Maar ook: voorkomen die regelingen
gezamenlijk dat iemand beneden een menswaardige ondergrens terechtkomt?
De huidige Grondwet bepaalt in artikel
20 dat bestaanszekerheid en spreiding van welvaart voorwerp van zorg van de
overheid zijn. Ook schrijft zij voor dat de wet regels stelt over sociale
zekerheid en dat Nederlanders die niet in hun bestaan kunnen voorzien recht
hebben op bijstand van overheidswege, volgens regels die de wet vaststelt.
Dat is belangrijk.
Maar het is vooral een opdracht aan de
overheid en de wetgever.
Het artikel zegt niet duidelijk dat
ieder mens een rechtstreeks inroepbaar recht heeft op een menswaardig
bestaansminimum. Het bepaalt evenmin ondubbelzinnig dat sancties,
terugvorderingen, verrekeningen en beslag nooit tot gevolg mogen hebben dat
iemand onder die grens zakt.
Daardoor kan een vreemde situatie
ontstaan.
Alle afzonderlijke regels kunnen formeel
kloppen.
En toch kan de uitkomst mensonwaardig
zijn.
Eva kan recht hebben op bijstand, maar
tijdelijk zonder inkomen zitten doordat haar aanvraag nog niet is afgehandeld.
Zij kan een uitkering ontvangen, maar na
verrekening te weinig overhouden voor noodzakelijke uitgaven.
Zij kan recht hebben op zorg, maar die
zorg vermijden omdat de bijkomende kosten niet meer in haar budget passen.
Zij kan recht hebben op huisvesting,
maar haar woning verliezen doordat verschillende betalingsproblemen zich
opstapelen.
Het sociale stelsel biedt dan wel
onderdelen van bescherming, maar geen garantie dat het geheel een mens overeind
houdt.
Daarom is een andere constitutionele
benadering nodig.
Een benadering waarin bestaanszekerheid
niet uitsluitend een politiek streven is, maar ook een juridische ondergrens.
Die ondergrens moet niet betekenen dat
de Grondwet voor iedereen hetzelfde inkomen vastlegt. Zij hoeft evenmin ieder
verschil in welvaart op te heffen of een onbeperkt recht op voorzieningen te
creëren.
Het gaat om iets fundamentelers.
Niemand mag verstoken raken van wat
noodzakelijk is om menswaardig te kunnen bestaan.
Daaronder vallen ten minste voeding,
kleding, onderdak, energie, drinkwater, hygiëne en noodzakelijke
gezondheidszorg. Maar een menswaardig bestaan is meer dan biologisch overleven.
Mensen moeten ook elementair kunnen communiceren, noodzakelijke informatie
verkrijgen, publieke voorzieningen bereiken en in enige mate aan de samenleving
deelnemen.
Wie geen telefoon of internetverbinding
heeft, kan steeds moeilijker een uitkering aanvragen, contact opnemen met een
arts, reageren op vacatures of een besluit aanvechten.
Wie geen vervoer kan betalen, heeft
weinig aan een ziekenhuis, school of overheidsloket dat formeel toegankelijk is
maar feitelijk onbereikbaar blijft.
Wie geen geld heeft om ergens naartoe te
gaan, een verjaardag te bezoeken of een eenvoudige activiteit met anderen te
ondernemen, kan langzaam uit het maatschappelijke leven verdwijnen.
Het menswaardige bestaansminimum is
daarom geen kaal overlevingsbedrag.
Het is de materiële en sociale basis die
nodig is om als persoon en als gelijkwaardig lid van de samenleving te kunnen
blijven functioneren.
Dat minimum kan niet voor altijd in één
bedrag worden vastgelegd. Kosten veranderen. De samenleving digitaliseert.
Huishoudens verschillen. Iemand met een beperking, chronische ziekte of hoge
noodzakelijke woonlasten kan meer nodig hebben dan een algemeen normbedrag
veronderstelt.
Daarom moet het minimum periodiek worden
bepaald aan de hand van werkelijke kosten en betrouwbare gegevens.
Niet alleen gemiddelden tellen.
Ook onvermijdbare verschillen moeten
worden gezien.
Voor Eva betekent dit dat niet
uitsluitend naar haar uitkeringsbedrag mag worden gekeken. Ook haar huur,
energielasten, zorgkosten, schulden, gezinsomstandigheden en de gevolgen van
verschillende inhoudingen zijn relevant.
Bestaanszekerheid gaat bovendien niet
alleen over de hoogte van het inkomen.
Het gaat ook over continuïteit.
Over voorspelbaarheid.
Over de mogelijkheid om verder te kijken
dan het einde van de week.
Een bedrag kan op papier toereikend zijn
en toch onvoldoende zekerheid bieden wanneer betalingen voortdurend wisselen,
aanvragen maanden duren of onverwachte terugvorderingen ieder moment mogelijk
zijn.
Wie nooit weet hoeveel er de volgende
maand binnenkomt, kan nauwelijks plannen.
Geen opleiding.
Geen verhuizing.
Geen herstelperiode na ziekte.
Geen stap naar ander werk.
Geen reservering voor een kapotte
wasmachine.
Formele vrijheid bestaat dan nog wel,
maar de feitelijke mogelijkheid om die vrijheid te gebruiken wordt steeds
kleiner.
Daarom is bestaanszekerheid ook een
voorwaarde voor autonomie.
Mensen worden niet vrij doordat de
overheid hen volledig met rust laat. Zij hebben ook een stabiele basis nodig
van waaruit zij keuzes kunnen maken, verantwoordelijkheid kunnen dragen en aan
de samenleving kunnen deelnemen.
Dat roept een moeilijke vraag op.
Als bestaanszekerheid een afdwingbaar
grondrecht wordt, gaat de rechter dan bepalen hoe hoog uitkeringen moeten zijn?
Gaat de rechter de begroting opstellen?
Beslist de rechter straks hoeveel
woningen moeten worden gebouwd, hoeveel zorg beschikbaar moet zijn en welke
sociale regeling voorrang krijgt?
Dat hoeft niet.
Er ligt een belangrijke ruimte tussen
een volledig vrijblijvende overheidsopdracht en volledige rechterlijke sturing.
Die ruimte ontstaat door sociale
grondrechten gelaagd vorm te geven.
De eerste laag is de onmiddellijke
minimumkern.
Wanneer iemand niet meer beschikt over
de noodzakelijke voorwaarden voor een menswaardig bestaan, moet bescherming
direct beschikbaar zijn. Een rechter moet dan kunnen ingrijpen. Niet om het
gehele sociale stelsel opnieuw te ontwerpen, maar om te voorkomen dat een
concreet persoon onder de constitutionele ondergrens terechtkomt of daar
blijft.
De tweede laag betreft de toegang tot
bestaande voorzieningen.
Wanneer de overheid een regeling heeft
ingesteld, moet die regeling daadwerkelijk toegankelijk zijn. Een recht dat
niemand kent, een aanvraag die bijna niet kan worden voltooid of een digitale
procedure zonder bruikbaar alternatief biedt slechts bescherming op papier.
De derde laag bestaat uit de
geleidelijke verbetering van sociale bescherming.
Niet iedere woning kan onmiddellijk
beschikbaar worden gemaakt. Zorgcapaciteit kan niet onbeperkt van de ene dag op
de andere worden uitgebreid. Armoede en sociale uitsluiting verdwijnen niet
door één rechterlijke uitspraak.
De overheid moet op die terreinen wel
concrete en redelijke maatregelen nemen, voortgang onderzoeken en beleid
aanpassen wanneer resultaten structureel uitblijven.
Geleidelijke verwezenlijking mag tijd
kosten.
Maar zij mag geen ander woord worden
voor stilzitten.
De vierde laag omvat de algemene
inrichting van het stelsel. De keuze tussen verzekeringen, belastingen,
toeslagen, publieke voorzieningen en andere vormen van ondersteuning blijft in
beginsel bij de wetgever en het bestuur. Zij beschikken over democratische
legitimatie, begrotingsverantwoordelijkheid en uitvoeringskennis.
De Grondwet bepaalt dan niet precies hoe
het huis moet worden gebouwd.
Zij bepaalt wel dat niemand door de
vloer mag zakken.
In een herzien artikel 20 zou daarom
kunnen worden vastgelegd dat ieder recht heeft op bestaanszekerheid en op de
sociale bescherming die nodig is voor een menswaardig bestaan en daadwerkelijke
deelname aan de samenleving.
De overheid moet zorg dragen voor een
toegankelijk, toereikend, samenhangend en bestendig stelsel van sociale
zekerheid en sociale bijstand.
Wie niet in de noodzakelijke kosten van
het bestaan kan voorzien, moet recht hebben op ondersteuning die ten minste het
menswaardige bestaansminimum waarborgt.
En bij het opleggen van voorwaarden en
sancties, maar ook bij verrekening, beslag en terugvordering, moet die
ondergrens worden geëerbiedigd.
Dat laatste is essentieel.
Het heeft weinig betekenis wanneer de
overheid eerst een bestaansminimum toekent en het daarna via andere regels weer
wegneemt.
Natuurlijk mogen aan sociale
voorzieningen voorwaarden worden verbonden. Van mensen kan worden verlangd dat
zij juiste informatie verstrekken, beschikbare middelen gebruiken en naar
vermogen meewerken. Fraude mag worden bestreden. Onverschuldigd betaalde
bedragen mogen worden teruggevorderd. Ook schuldeisers hebben gerechtvaardigde
belangen.
Maar geen van deze belangen maakt
menselijke waardigheid ongedaan.
Een sanctie mag corrigeren.
Zij mag niet ontmenselijken.
Een terugvordering mag een schuld
herstellen.
Zij mag iemand niet iedere mogelijkheid
ontnemen om te eten, wonen of noodzakelijke zorg te ontvangen.
Eigen verantwoordelijkheid blijft
bestaan.
Maar zij mag geen argument worden om een
mens volledig los te laten.
Dat geldt ook wanneer iemand fouten
heeft gemaakt.
Of afspraken niet is nagekomen.
Of onverstandige financiële keuzes heeft
gemaakt.
Een sociale rechtsstaat hoeft niet
iedere consequentie van menselijk handelen weg te nemen. Hij moet wel een grens
stellen aan de gevolgen die iemand kunnen worden opgelegd.
Juist op het moment dat iemand faalt,
wordt zichtbaar of menselijke waardigheid werkelijk een recht is of slechts een
beloning voor wie aan alle verwachtingen voldoet.
Eva hoeft daarom niet van iedere
verantwoordelijkheid te worden ontslagen. Zij kan uitleg moeten geven. Zij kan
een betalingsregeling moeten treffen. Er kunnen voorwaarden gelden voor verdere
ondersteuning.
Maar zij en haar dochter mogen niet
zonder noodzakelijke bestaansmiddelen achterblijven.
Dat vraagt meer dan een nieuwe zin in de
Grondwet.
Een grondrecht werkt pas wanneer
instituties het kunnen uitvoeren.
Brieven moeten begrijpelijk zijn.
Aanvragen moeten toegankelijk zijn.
Gegevens moeten kloppen.
Mensen moeten kunnen zien welke
informatie over hen wordt gebruikt.
Er moet menselijke tussenkomst mogelijk
zijn wanneer een geautomatiseerd systeem een besluit neemt dat inkomen,
huisvesting of zorg raakt.
Een medewerker moet dan niet alleen
mogen controleren of het systeem de regels juist heeft toegepast. Die
medewerker moet ook bevoegd zijn een onredelijke of mensonwaardige uitkomst te
corrigeren.
Er zijn hardheidsclausules nodig.
Maar die moeten meer zijn dan
nooduitgangen die in theorie bestaan en in de praktijk gesloten blijven.
Uitvoerders moeten weten wanneer zij
ervan gebruik kunnen maken. Burgers moeten kunnen begrijpen dat een
uitzondering mogelijk is. Besluiten moeten worden gemotiveerd en vergelijkbare
gevallen moeten op vergelijkbare wijze worden behandeld.
Maatwerk mag willekeur niet vervangen.
Ook het niet-gebruik van voorzieningen
verdient aandacht.
Wanneer veel mensen een toeslag,
uitkering of tegemoetkoming waarop zij recht hebben niet aanvragen, is het te
eenvoudig om te zeggen dat zij daar kennelijk zelf voor hebben gekozen.
Misschien kennen zij de regeling niet.
Misschien begrijpen zij de aanvraag
niet.
Misschien wegen de administratieve
lasten nauwelijks op tegen het bedrag.
Misschien zijn zij bang voor
terugvorderingen.
Misschien schamen zij zich.
Misschien vertrouwen zij de overheid
niet meer.
Een recht dat een groot deel van de
doelgroep niet bereikt, kan institutioneel ontoegankelijk zijn.
Daarom moet niet-gebruik worden gemeten
en onderzocht. Waar mogelijk kunnen voorzieningen eenvoudiger of proactief
worden toegekend. Mensen hoeven dan niet telkens opnieuw te bewijzen dat zij
ondersteuning nodig hebben terwijl de overheid al over de relevante gegevens
beschikt.
Daar staat tegenover dat gegevensgebruik
zorgvuldig moet blijven. Efficiëntie mag niet leiden tot ondoorzichtige
profielen, foutieve koppelingen of automatische verdenking. Mensen mogen niet
worden gereduceerd tot een risicoscore.
Zij zijn geen dossier.
Geen fraudecategorie.
Geen kostenpost.
Zij zijn rechtssubjecten.
Dat betekent dat zij moeten kunnen
begrijpen wat er gebeurt, fouten moeten kunnen corrigeren en hun eigen
omstandigheden naar voren moeten kunnen brengen.
Een nieuw recht op bestaanszekerheid
roept ook de vraag op voor wie het geldt.
Het woord “ieder” betekent niet dat
iedere persoon, waar ook ter wereld, zonder verdere band recht krijgt op alle
Nederlandse sociale voorzieningen.
Er kan onderscheid worden gemaakt.
De universele minimumkern beschermt in
beginsel ieder die zich onder Nederlandse rechtsmacht bevindt tegen een
mensonwaardige noodsituatie. Niemand behoort volledig verstoken te blijven van
noodzakelijke voeding, onderdak, hygiëne of medische noodhulp.
Voor reguliere bijstand kunnen
voorwaarden gelden die verband houden met verblijf, woonplaats en feitelijke
verbondenheid met Nederland.
Voor sociale verzekeringen kunnen
arbeid, premiebetaling en ingezetenschap bepalend zijn.
Universaliteit en begrenzing kunnen dus
samengaan.
Niet iedereen heeft recht op iedere
voorziening.
Maar menselijke waardigheid houdt niet
op bij nationaliteit, verzekeringsverleden of een administratieve categorie.
Het recht op bestaanszekerheid staat
bovendien niet alleen.
Een toereikend inkomen lost niet ieder
maatschappelijk tekort op.
Als er geen woning beschikbaar is, biedt
een hogere uitkering niet vanzelf een thuis.
Als noodzakelijke zorg ontbreekt, kan
een financiële tegemoetkoming geen behandeling creëren.
Als een kind nergens passend onderwijs
krijgt, wordt dat probleem niet opgelost door alleen het gezinsinkomen te
verhogen.
Daarom zijn zelfstandige sociale
grondrechten nodig voor zorg, huisvesting, maatschappelijke en culturele
deelname en onderwijs. Artikel 20 biedt de algemene financiële en sociale
ondergrond. Andere grondrechten stellen eigen eisen aan de beschikbaarheid,
toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van essentiële voorzieningen.
Die rechten moeten in samenhang worden
gelezen.
Hoge woonlasten kunnen het
bestaansminimum aantasten.
Een gebrek aan inkomen kan zorg
onbereikbaar maken.
Dakloosheid kan toegang tot werk,
onderwijs en sociale zekerheid blokkeren.
Onderwijsachterstand kan
bestaansonzekerheid van generatie op generatie voortzetten.
Geen enkel onderdeel staat op zichzelf.
Dat is ook wat Eva ervaart.
Haar probleem is niet alleen een te lage
betaling.
Het is de combinatie van inkomen, zorg,
wonen, schulden, digitale communicatie en institutionele versnippering.
Een overheid die ieder onderdeel
afzonderlijk beoordeelt, kan de mens achter het geheel uit het oog verliezen.
Daarom moet iemand verantwoordelijkheid
dragen voor de uiteindelijke uitkomst.
Niet alleen voor de vraag of iedere
afzonderlijke stap volgens de regels is gezet.
Maar ook voor de vraag wat al die
stappen samen met een mens doen.
Een constitutioneel recht op
bestaanszekerheid zal niet ieder probleem oplossen.
Het creëert geen woningen.
Het werft geen zorgpersoneel.
Het vult geen gemeentelijke begroting.
Het maakt ingewikkelde uitvoering niet
vanzelf eenvoudig.
Er zijn ook reële risico’s.
Een te vage norm kan leiden tot
onvoorspelbare rechtspraak. Een te ruime rechterlijke rol kan politieke en
budgettaire keuzes verschuiven naar de rechtszaal. Nieuwe rechten zonder
voldoende uitvoeringscapaciteit kunnen verwachtingen wekken die niet worden
waargemaakt. Gemeenten en uitvoeringsorganisaties kunnen vastlopen wanneer
verantwoordelijkheden toenemen zonder structurele financiering.
Die bezwaren moeten serieus worden
genomen.
Juist daarom moet de bescherming
zorgvuldig worden afgebakend.
Een harde, smalle minimumkern.
Een ruimere opdracht tot geleidelijke
verbetering.
Landelijke ondergrenzen waar dat nodig
is.
Lokale ruimte waar verschillen
gerechtvaardigd zijn.
Onafhankelijke monitoring.
Periodieke parlementaire verantwoording.
Betrouwbare gegevens.
Menselijke beoordeling.
En een rechter die de constitutionele
grens bewaakt zonder zelf het gehele sociale beleid over te nemen.
Ook achteruitgang moet mogelijk blijven
wanneer omstandigheden dat werkelijk noodzakelijk maken. Sociale bescherming
kan niet volledig worden bevroren. Economische crises, demografische
veranderingen en nieuwe maatschappelijke prioriteiten kunnen aanpassing
verlangen.
Maar een substantiële verslechtering mag
niet geruisloos plaatsvinden.
De overheid moet uitleggen welk
zwaarwegend doel ermee wordt gediend.
Of minder ingrijpende alternatieven zijn
onderzocht.
Hoe kwetsbare groepen worden beschermd.
En of de menswaardige ondergrens intact
blijft.
Een eenmaal bereikt beschermingsniveau
is niet onaantastbaar.
Maar het is ook niet betekenisloos.
Aan het einde van de week krijgt Eva hulp
van een medewerker die verder kijkt dan het afzonderlijke besluit.
De medewerker ziet dat verschillende
inhoudingen samen tot een onhoudbare situatie leiden. De sanctie wordt opnieuw
beoordeeld. Er komt een tijdelijke voorziening. De terugvordering wordt
aangepast aan haar draagkracht. Iemand legt haar uit wat zij nog moet doen en
bij welke organisatie zij terechtkan.
De oplossing is niet spectaculair.
Er wordt geen nieuw stelsel gebouwd.
Geen begroting herschreven.
Geen politieke keuze door een rechter
vervangen.
Er wordt eenvoudigweg voorkomen dat Eva
en haar dochter beneden de grens van een menswaardig bestaan terechtkomen.
Dat is de kern.
Een sociale rechtsstaat hoeft niet te
beloven dat niemand ooit struikelt.
Mensen zullen hun baan verliezen.
Relaties kunnen eindigen.
Bedrijven kunnen failliet gaan.
Ziekte, schulden en tegenslag zullen
blijven bestaan.
Maar een samenleving kan wel afspreken
dat niemand door een opeenstapeling van regels, fouten en omstandigheden zo
diep valt dat menselijke waardigheid haar praktische betekenis verliest.
Het recht op bestaanszekerheid is daarom
geen recht op een leven zonder risico.
Het is het recht op een bodem.
Op een samenleving die niet pas reageert
wanneer iemand volledig is gevallen, maar die institutionele grenzen stelt aan
de diepte van de val.
Een samenleving die verantwoordelijkheid
vraagt, maar niemand prijsgeeft.
Die solidariteit organiseert zonder
mensen afhankelijk en stemloos te maken.
Die de wetgever ruimte laat, maar
politieke keuzes begrenst waar het menswaardige minimum wordt bedreigd.
Die de rechter laat beschermen, zonder
hem tot bestuurder te maken.
En die niet alleen vraagt of iedere
regel afzonderlijk klopt, maar ook of het geheel nog voor mensen werkt.
Misschien is dat uiteindelijk wat
artikel 20 zou moeten uitdrukken.
Niet dat de overheid ieder mens voor
iedere tegenslag kan behoeden.
Wel dat niemand tussen wetten, loketten
en instituties mag verdwijnen.
Niet dat iedereen op dezelfde hoogte
moet staan.
Wel dat er een ondergrens bestaat
waaronder niemand wordt losgelaten.
Niet het recht om nooit te struikelen.
Maar het recht om niet te vallen zonder
dat de samenleving probeert je op te vangen.
Lees hier het volledige voorstel: https://www.academia.edu/176249769/Het_recht_om_niet_te_vallen_Voorstel_tot_wijziging_van_de_Grondwet_ter_erkenning_van_bestaanszekerheid?source=swp_share

Reacties
Een reactie posten