Het recht om niet te vallen

 

Het recht om niet te vallen

Wanneer Eva op maandagochtend haar bankrekening opent, ziet ze dat haar uitkering lager is dan verwacht.

Ze kijkt nog een keer.

Misschien heeft ze zich vergist.

Misschien komt er later op de dag nog een bedrag bij.

Maar dat gebeurt niet.

In haar digitale berichtenbox staat een besluit. Een deel van haar uitkering is verrekend met een eerdere terugvordering. Volgens de administratie heeft zij enkele maanden te veel ontvangen. Daarnaast is een bedrag ingehouden omdat zij niet op tijd op een afspraak is verschenen.

Eva weet welke afspraak wordt bedoeld.

Op die dag was haar dochter ziek. Ze had geprobeerd te bellen, maar kwam na lang wachten niet verder dan een keuzemenu. Daarna stuurde ze een bericht via de website. Ze dacht dat daarmee duidelijk was waarom ze niet kon komen.

Kennelijk was dat niet zo.

In de brief staat dat zij bezwaar kan maken.

Binnen zes weken.

Met vermelding van het kenmerk.

Eva leest de brief opnieuw. De woorden zijn Nederlands, maar toch begrijpt ze niet helemaal wat er van haar wordt verwacht.

Op papier lijkt alles geregeld.

Er is een besluit.

Er is een motivering.

Er is een bezwaartermijn.

Er is zelfs een telefoonnummer.

Maar ondertussen moet de huur worden betaald. De energierekening staat klaar voor automatische incasso. De koelkast is bijna leeg. Haar dochter heeft nieuwe schoenen nodig en over twee dagen wordt het eigen risico voor een medische behandeling afgeschreven.

Eva rekent.

Nog een keer.

En daarna opnieuw.

Het bedrag is niet voldoende.

Ze kan de huur betalen en bijna niets overhouden.

Of ze kan eten kopen en een deel van de huur laten liggen.

Of ze kan de energierekening terugboeken en hopen dat de volgende maand beter wordt.

Geen van die keuzes is werkelijk een keuze.

Dat is het moment waarop bestaanszekerheid ophoudt een abstract politiek begrip te zijn.

Het wordt de vraag of iemand deze week kan eten.

Of de verwarming aan kan blijven.

Of een kind mee kan doen op school.

Of iemand noodzakelijke zorg durft te gebruiken.

Of de post nog wordt geopend.

En vooral: of er ergens in het geheel van regels een grens bestaat waaronder niemand mag terechtkomen.

Eva heeft in beginsel recht op sociale bescherming. Nederland beschikt over uitkeringen, toeslagen, gemeentelijke voorzieningen, schuldhulpverlening en bijzondere bijstand. Voor vrijwel ieder onderdeel van haar situatie bestaat een regeling.

Toch dreigt ze tussen al die regelingen door te vallen.

Dat komt niet noodzakelijk doordat één besluit evident onrechtmatig is. Het probleem ontstaat juist doordat verschillende beslissingen zich opstapelen. Een terugvordering hier. Een sanctie daar. Een hogere energierekening. Een toeslag die later wordt vastgesteld. Een aanvraag die nog in behandeling is. Een beslaglegging waarmee een andere instantie rekening houdt, maar niet volledig.

Iedere organisatie ziet een deel.

Niemand ziet het geheel.

De ene instantie kijkt naar de uitkering.

De andere naar de toeslag.

De schuldeiser kijkt naar de openstaande rekening.

De verhuurder naar de huurachterstand.

De zorgverzekeraar naar het eigen risico.

Maar wie kijkt naar wat er uiteindelijk voor Eva en haar dochter overblijft?

Dat is de centrale vraag achter het recht op bestaanszekerheid.

Niet alleen: bestaan er sociale regelingen?

Maar ook: voorkomen die regelingen gezamenlijk dat iemand beneden een menswaardige ondergrens terechtkomt?

De huidige Grondwet bepaalt in artikel 20 dat bestaanszekerheid en spreiding van welvaart voorwerp van zorg van de overheid zijn. Ook schrijft zij voor dat de wet regels stelt over sociale zekerheid en dat Nederlanders die niet in hun bestaan kunnen voorzien recht hebben op bijstand van overheidswege, volgens regels die de wet vaststelt.

Dat is belangrijk.

Maar het is vooral een opdracht aan de overheid en de wetgever.

Het artikel zegt niet duidelijk dat ieder mens een rechtstreeks inroepbaar recht heeft op een menswaardig bestaansminimum. Het bepaalt evenmin ondubbelzinnig dat sancties, terugvorderingen, verrekeningen en beslag nooit tot gevolg mogen hebben dat iemand onder die grens zakt.

Daardoor kan een vreemde situatie ontstaan.

Alle afzonderlijke regels kunnen formeel kloppen.

En toch kan de uitkomst mensonwaardig zijn.

Eva kan recht hebben op bijstand, maar tijdelijk zonder inkomen zitten doordat haar aanvraag nog niet is afgehandeld.

Zij kan een uitkering ontvangen, maar na verrekening te weinig overhouden voor noodzakelijke uitgaven.

Zij kan recht hebben op zorg, maar die zorg vermijden omdat de bijkomende kosten niet meer in haar budget passen.

Zij kan recht hebben op huisvesting, maar haar woning verliezen doordat verschillende betalingsproblemen zich opstapelen.

Het sociale stelsel biedt dan wel onderdelen van bescherming, maar geen garantie dat het geheel een mens overeind houdt.

Daarom is een andere constitutionele benadering nodig.

Een benadering waarin bestaanszekerheid niet uitsluitend een politiek streven is, maar ook een juridische ondergrens.

Die ondergrens moet niet betekenen dat de Grondwet voor iedereen hetzelfde inkomen vastlegt. Zij hoeft evenmin ieder verschil in welvaart op te heffen of een onbeperkt recht op voorzieningen te creëren.

Het gaat om iets fundamentelers.

Niemand mag verstoken raken van wat noodzakelijk is om menswaardig te kunnen bestaan.

Daaronder vallen ten minste voeding, kleding, onderdak, energie, drinkwater, hygiëne en noodzakelijke gezondheidszorg. Maar een menswaardig bestaan is meer dan biologisch overleven. Mensen moeten ook elementair kunnen communiceren, noodzakelijke informatie verkrijgen, publieke voorzieningen bereiken en in enige mate aan de samenleving deelnemen.

Wie geen telefoon of internetverbinding heeft, kan steeds moeilijker een uitkering aanvragen, contact opnemen met een arts, reageren op vacatures of een besluit aanvechten.

Wie geen vervoer kan betalen, heeft weinig aan een ziekenhuis, school of overheidsloket dat formeel toegankelijk is maar feitelijk onbereikbaar blijft.

Wie geen geld heeft om ergens naartoe te gaan, een verjaardag te bezoeken of een eenvoudige activiteit met anderen te ondernemen, kan langzaam uit het maatschappelijke leven verdwijnen.

Het menswaardige bestaansminimum is daarom geen kaal overlevingsbedrag.

Het is de materiële en sociale basis die nodig is om als persoon en als gelijkwaardig lid van de samenleving te kunnen blijven functioneren.

Dat minimum kan niet voor altijd in één bedrag worden vastgelegd. Kosten veranderen. De samenleving digitaliseert. Huishoudens verschillen. Iemand met een beperking, chronische ziekte of hoge noodzakelijke woonlasten kan meer nodig hebben dan een algemeen normbedrag veronderstelt.

Daarom moet het minimum periodiek worden bepaald aan de hand van werkelijke kosten en betrouwbare gegevens.

Niet alleen gemiddelden tellen.

Ook onvermijdbare verschillen moeten worden gezien.

Voor Eva betekent dit dat niet uitsluitend naar haar uitkeringsbedrag mag worden gekeken. Ook haar huur, energielasten, zorgkosten, schulden, gezinsomstandigheden en de gevolgen van verschillende inhoudingen zijn relevant.

Bestaanszekerheid gaat bovendien niet alleen over de hoogte van het inkomen.

Het gaat ook over continuïteit.

Over voorspelbaarheid.

Over de mogelijkheid om verder te kijken dan het einde van de week.

Een bedrag kan op papier toereikend zijn en toch onvoldoende zekerheid bieden wanneer betalingen voortdurend wisselen, aanvragen maanden duren of onverwachte terugvorderingen ieder moment mogelijk zijn.

Wie nooit weet hoeveel er de volgende maand binnenkomt, kan nauwelijks plannen.

Geen opleiding.

Geen verhuizing.

Geen herstelperiode na ziekte.

Geen stap naar ander werk.

Geen reservering voor een kapotte wasmachine.

Formele vrijheid bestaat dan nog wel, maar de feitelijke mogelijkheid om die vrijheid te gebruiken wordt steeds kleiner.

Daarom is bestaanszekerheid ook een voorwaarde voor autonomie.

Mensen worden niet vrij doordat de overheid hen volledig met rust laat. Zij hebben ook een stabiele basis nodig van waaruit zij keuzes kunnen maken, verantwoordelijkheid kunnen dragen en aan de samenleving kunnen deelnemen.

Dat roept een moeilijke vraag op.

Als bestaanszekerheid een afdwingbaar grondrecht wordt, gaat de rechter dan bepalen hoe hoog uitkeringen moeten zijn?

Gaat de rechter de begroting opstellen?

Beslist de rechter straks hoeveel woningen moeten worden gebouwd, hoeveel zorg beschikbaar moet zijn en welke sociale regeling voorrang krijgt?

Dat hoeft niet.

Er ligt een belangrijke ruimte tussen een volledig vrijblijvende overheidsopdracht en volledige rechterlijke sturing.

Die ruimte ontstaat door sociale grondrechten gelaagd vorm te geven.

De eerste laag is de onmiddellijke minimumkern.

Wanneer iemand niet meer beschikt over de noodzakelijke voorwaarden voor een menswaardig bestaan, moet bescherming direct beschikbaar zijn. Een rechter moet dan kunnen ingrijpen. Niet om het gehele sociale stelsel opnieuw te ontwerpen, maar om te voorkomen dat een concreet persoon onder de constitutionele ondergrens terechtkomt of daar blijft.

De tweede laag betreft de toegang tot bestaande voorzieningen.

Wanneer de overheid een regeling heeft ingesteld, moet die regeling daadwerkelijk toegankelijk zijn. Een recht dat niemand kent, een aanvraag die bijna niet kan worden voltooid of een digitale procedure zonder bruikbaar alternatief biedt slechts bescherming op papier.

De derde laag bestaat uit de geleidelijke verbetering van sociale bescherming.

Niet iedere woning kan onmiddellijk beschikbaar worden gemaakt. Zorgcapaciteit kan niet onbeperkt van de ene dag op de andere worden uitgebreid. Armoede en sociale uitsluiting verdwijnen niet door één rechterlijke uitspraak.

De overheid moet op die terreinen wel concrete en redelijke maatregelen nemen, voortgang onderzoeken en beleid aanpassen wanneer resultaten structureel uitblijven.

Geleidelijke verwezenlijking mag tijd kosten.

Maar zij mag geen ander woord worden voor stilzitten.

De vierde laag omvat de algemene inrichting van het stelsel. De keuze tussen verzekeringen, belastingen, toeslagen, publieke voorzieningen en andere vormen van ondersteuning blijft in beginsel bij de wetgever en het bestuur. Zij beschikken over democratische legitimatie, begrotingsverantwoordelijkheid en uitvoeringskennis.

De Grondwet bepaalt dan niet precies hoe het huis moet worden gebouwd.

Zij bepaalt wel dat niemand door de vloer mag zakken.

In een herzien artikel 20 zou daarom kunnen worden vastgelegd dat ieder recht heeft op bestaanszekerheid en op de sociale bescherming die nodig is voor een menswaardig bestaan en daadwerkelijke deelname aan de samenleving.

De overheid moet zorg dragen voor een toegankelijk, toereikend, samenhangend en bestendig stelsel van sociale zekerheid en sociale bijstand.

Wie niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien, moet recht hebben op ondersteuning die ten minste het menswaardige bestaansminimum waarborgt.

En bij het opleggen van voorwaarden en sancties, maar ook bij verrekening, beslag en terugvordering, moet die ondergrens worden geëerbiedigd.

Dat laatste is essentieel.

Het heeft weinig betekenis wanneer de overheid eerst een bestaansminimum toekent en het daarna via andere regels weer wegneemt.

Natuurlijk mogen aan sociale voorzieningen voorwaarden worden verbonden. Van mensen kan worden verlangd dat zij juiste informatie verstrekken, beschikbare middelen gebruiken en naar vermogen meewerken. Fraude mag worden bestreden. Onverschuldigd betaalde bedragen mogen worden teruggevorderd. Ook schuldeisers hebben gerechtvaardigde belangen.

Maar geen van deze belangen maakt menselijke waardigheid ongedaan.

Een sanctie mag corrigeren.

Zij mag niet ontmenselijken.

Een terugvordering mag een schuld herstellen.

Zij mag iemand niet iedere mogelijkheid ontnemen om te eten, wonen of noodzakelijke zorg te ontvangen.

Eigen verantwoordelijkheid blijft bestaan.

Maar zij mag geen argument worden om een mens volledig los te laten.

Dat geldt ook wanneer iemand fouten heeft gemaakt.

Of afspraken niet is nagekomen.

Of onverstandige financiële keuzes heeft gemaakt.

Een sociale rechtsstaat hoeft niet iedere consequentie van menselijk handelen weg te nemen. Hij moet wel een grens stellen aan de gevolgen die iemand kunnen worden opgelegd.

Juist op het moment dat iemand faalt, wordt zichtbaar of menselijke waardigheid werkelijk een recht is of slechts een beloning voor wie aan alle verwachtingen voldoet.

Eva hoeft daarom niet van iedere verantwoordelijkheid te worden ontslagen. Zij kan uitleg moeten geven. Zij kan een betalingsregeling moeten treffen. Er kunnen voorwaarden gelden voor verdere ondersteuning.

Maar zij en haar dochter mogen niet zonder noodzakelijke bestaansmiddelen achterblijven.

Dat vraagt meer dan een nieuwe zin in de Grondwet.

Een grondrecht werkt pas wanneer instituties het kunnen uitvoeren.

Brieven moeten begrijpelijk zijn.

Aanvragen moeten toegankelijk zijn.

Gegevens moeten kloppen.

Mensen moeten kunnen zien welke informatie over hen wordt gebruikt.

Er moet menselijke tussenkomst mogelijk zijn wanneer een geautomatiseerd systeem een besluit neemt dat inkomen, huisvesting of zorg raakt.

Een medewerker moet dan niet alleen mogen controleren of het systeem de regels juist heeft toegepast. Die medewerker moet ook bevoegd zijn een onredelijke of mensonwaardige uitkomst te corrigeren.

Er zijn hardheidsclausules nodig.

Maar die moeten meer zijn dan nooduitgangen die in theorie bestaan en in de praktijk gesloten blijven.

Uitvoerders moeten weten wanneer zij ervan gebruik kunnen maken. Burgers moeten kunnen begrijpen dat een uitzondering mogelijk is. Besluiten moeten worden gemotiveerd en vergelijkbare gevallen moeten op vergelijkbare wijze worden behandeld.

Maatwerk mag willekeur niet vervangen.

Ook het niet-gebruik van voorzieningen verdient aandacht.

Wanneer veel mensen een toeslag, uitkering of tegemoetkoming waarop zij recht hebben niet aanvragen, is het te eenvoudig om te zeggen dat zij daar kennelijk zelf voor hebben gekozen.

Misschien kennen zij de regeling niet.

Misschien begrijpen zij de aanvraag niet.

Misschien wegen de administratieve lasten nauwelijks op tegen het bedrag.

Misschien zijn zij bang voor terugvorderingen.

Misschien schamen zij zich.

Misschien vertrouwen zij de overheid niet meer.

Een recht dat een groot deel van de doelgroep niet bereikt, kan institutioneel ontoegankelijk zijn.

Daarom moet niet-gebruik worden gemeten en onderzocht. Waar mogelijk kunnen voorzieningen eenvoudiger of proactief worden toegekend. Mensen hoeven dan niet telkens opnieuw te bewijzen dat zij ondersteuning nodig hebben terwijl de overheid al over de relevante gegevens beschikt.

Daar staat tegenover dat gegevensgebruik zorgvuldig moet blijven. Efficiëntie mag niet leiden tot ondoorzichtige profielen, foutieve koppelingen of automatische verdenking. Mensen mogen niet worden gereduceerd tot een risicoscore.

Zij zijn geen dossier.

Geen fraudecategorie.

Geen kostenpost.

Zij zijn rechtssubjecten.

Dat betekent dat zij moeten kunnen begrijpen wat er gebeurt, fouten moeten kunnen corrigeren en hun eigen omstandigheden naar voren moeten kunnen brengen.

Een nieuw recht op bestaanszekerheid roept ook de vraag op voor wie het geldt.

Het woord “ieder” betekent niet dat iedere persoon, waar ook ter wereld, zonder verdere band recht krijgt op alle Nederlandse sociale voorzieningen.

Er kan onderscheid worden gemaakt.

De universele minimumkern beschermt in beginsel ieder die zich onder Nederlandse rechtsmacht bevindt tegen een mensonwaardige noodsituatie. Niemand behoort volledig verstoken te blijven van noodzakelijke voeding, onderdak, hygiëne of medische noodhulp.

Voor reguliere bijstand kunnen voorwaarden gelden die verband houden met verblijf, woonplaats en feitelijke verbondenheid met Nederland.

Voor sociale verzekeringen kunnen arbeid, premiebetaling en ingezetenschap bepalend zijn.

Universaliteit en begrenzing kunnen dus samengaan.

Niet iedereen heeft recht op iedere voorziening.

Maar menselijke waardigheid houdt niet op bij nationaliteit, verzekeringsverleden of een administratieve categorie.

Het recht op bestaanszekerheid staat bovendien niet alleen.

Een toereikend inkomen lost niet ieder maatschappelijk tekort op.

Als er geen woning beschikbaar is, biedt een hogere uitkering niet vanzelf een thuis.

Als noodzakelijke zorg ontbreekt, kan een financiële tegemoetkoming geen behandeling creëren.

Als een kind nergens passend onderwijs krijgt, wordt dat probleem niet opgelost door alleen het gezinsinkomen te verhogen.

Daarom zijn zelfstandige sociale grondrechten nodig voor zorg, huisvesting, maatschappelijke en culturele deelname en onderwijs. Artikel 20 biedt de algemene financiële en sociale ondergrond. Andere grondrechten stellen eigen eisen aan de beschikbaarheid, toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van essentiële voorzieningen.

Die rechten moeten in samenhang worden gelezen.

Hoge woonlasten kunnen het bestaansminimum aantasten.

Een gebrek aan inkomen kan zorg onbereikbaar maken.

Dakloosheid kan toegang tot werk, onderwijs en sociale zekerheid blokkeren.

Onderwijsachterstand kan bestaansonzekerheid van generatie op generatie voortzetten.

Geen enkel onderdeel staat op zichzelf.

Dat is ook wat Eva ervaart.

Haar probleem is niet alleen een te lage betaling.

Het is de combinatie van inkomen, zorg, wonen, schulden, digitale communicatie en institutionele versnippering.

Een overheid die ieder onderdeel afzonderlijk beoordeelt, kan de mens achter het geheel uit het oog verliezen.

Daarom moet iemand verantwoordelijkheid dragen voor de uiteindelijke uitkomst.

Niet alleen voor de vraag of iedere afzonderlijke stap volgens de regels is gezet.

Maar ook voor de vraag wat al die stappen samen met een mens doen.

Een constitutioneel recht op bestaanszekerheid zal niet ieder probleem oplossen.

Het creëert geen woningen.

Het werft geen zorgpersoneel.

Het vult geen gemeentelijke begroting.

Het maakt ingewikkelde uitvoering niet vanzelf eenvoudig.

Er zijn ook reële risico’s.

Een te vage norm kan leiden tot onvoorspelbare rechtspraak. Een te ruime rechterlijke rol kan politieke en budgettaire keuzes verschuiven naar de rechtszaal. Nieuwe rechten zonder voldoende uitvoeringscapaciteit kunnen verwachtingen wekken die niet worden waargemaakt. Gemeenten en uitvoeringsorganisaties kunnen vastlopen wanneer verantwoordelijkheden toenemen zonder structurele financiering.

Die bezwaren moeten serieus worden genomen.

Juist daarom moet de bescherming zorgvuldig worden afgebakend.

Een harde, smalle minimumkern.

Een ruimere opdracht tot geleidelijke verbetering.

Landelijke ondergrenzen waar dat nodig is.

Lokale ruimte waar verschillen gerechtvaardigd zijn.

Onafhankelijke monitoring.

Periodieke parlementaire verantwoording.

Betrouwbare gegevens.

Menselijke beoordeling.

En een rechter die de constitutionele grens bewaakt zonder zelf het gehele sociale beleid over te nemen.

Ook achteruitgang moet mogelijk blijven wanneer omstandigheden dat werkelijk noodzakelijk maken. Sociale bescherming kan niet volledig worden bevroren. Economische crises, demografische veranderingen en nieuwe maatschappelijke prioriteiten kunnen aanpassing verlangen.

Maar een substantiële verslechtering mag niet geruisloos plaatsvinden.

De overheid moet uitleggen welk zwaarwegend doel ermee wordt gediend.

Of minder ingrijpende alternatieven zijn onderzocht.

Hoe kwetsbare groepen worden beschermd.

En of de menswaardige ondergrens intact blijft.

Een eenmaal bereikt beschermingsniveau is niet onaantastbaar.

Maar het is ook niet betekenisloos.

Aan het einde van de week krijgt Eva hulp van een medewerker die verder kijkt dan het afzonderlijke besluit.

De medewerker ziet dat verschillende inhoudingen samen tot een onhoudbare situatie leiden. De sanctie wordt opnieuw beoordeeld. Er komt een tijdelijke voorziening. De terugvordering wordt aangepast aan haar draagkracht. Iemand legt haar uit wat zij nog moet doen en bij welke organisatie zij terechtkan.

De oplossing is niet spectaculair.

Er wordt geen nieuw stelsel gebouwd.

Geen begroting herschreven.

Geen politieke keuze door een rechter vervangen.

Er wordt eenvoudigweg voorkomen dat Eva en haar dochter beneden de grens van een menswaardig bestaan terechtkomen.

Dat is de kern.

Een sociale rechtsstaat hoeft niet te beloven dat niemand ooit struikelt.

Mensen zullen hun baan verliezen.

Relaties kunnen eindigen.

Bedrijven kunnen failliet gaan.

Ziekte, schulden en tegenslag zullen blijven bestaan.

Maar een samenleving kan wel afspreken dat niemand door een opeenstapeling van regels, fouten en omstandigheden zo diep valt dat menselijke waardigheid haar praktische betekenis verliest.

Het recht op bestaanszekerheid is daarom geen recht op een leven zonder risico.

Het is het recht op een bodem.

Op een samenleving die niet pas reageert wanneer iemand volledig is gevallen, maar die institutionele grenzen stelt aan de diepte van de val.

Een samenleving die verantwoordelijkheid vraagt, maar niemand prijsgeeft.

Die solidariteit organiseert zonder mensen afhankelijk en stemloos te maken.

Die de wetgever ruimte laat, maar politieke keuzes begrenst waar het menswaardige minimum wordt bedreigd.

Die de rechter laat beschermen, zonder hem tot bestuurder te maken.

En die niet alleen vraagt of iedere regel afzonderlijk klopt, maar ook of het geheel nog voor mensen werkt.

Misschien is dat uiteindelijk wat artikel 20 zou moeten uitdrukken.

Niet dat de overheid ieder mens voor iedere tegenslag kan behoeden.

Wel dat niemand tussen wetten, loketten en instituties mag verdwijnen.

Niet dat iedereen op dezelfde hoogte moet staan.

Wel dat er een ondergrens bestaat waaronder niemand wordt losgelaten.

Niet het recht om nooit te struikelen.

Maar het recht om niet te vallen zonder dat de samenleving probeert je op te vangen.


Lees hier het volledige voorstel: https://www.academia.edu/176249769/Het_recht_om_niet_te_vallen_Voorstel_tot_wijziging_van_de_Grondwet_ter_erkenning_van_bestaanszekerheid?source=swp_share




Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties