Het Nederlandse grondwetsdilemma: Waarom de rechter onze Grondwet niet mag toetsen – en waarom dat een probleem is
Het concrete constitutionele probleem is dat de Nederlandse
Grondwet de formele wetgever aan grondrechten bindt, maar de rechter in artikel
120 verbiedt om te beoordelen of een wet in formele zin daarmee verenigbaar is.
Zodra een regeling gezamenlijk door regering en Staten-Generaal tot stand is
gebracht, kan de burger de grondwettigheid daarvan niet rechtstreeks aan de
rechter voorleggen. De bescherming van de Grondwet berust daardoor in
belangrijke mate op constitutionele toetsing tijdens het wetgevingsproces,
terwijl na de inwerkingtreding geen onafhankelijke rechterlijke correctie
mogelijk is.
Aan dit stelsel ligt traditioneel het uitgangspunt ten
grondslag dat de beoordeling van de grondwettigheid van formele wetgeving
primair aan de democratisch gelegitimeerde wetgever toekomt. Regering,
parlement en de Afdeling advisering van de Raad van State moeten vooraf bewaken
dat voorstellen met de Grondwet verenigbaar zijn. Deze preventieve toetsing
blijft van wezenlijk belang, maar biedt geen volledige bescherming. De
maatschappelijke gevolgen van wetgeving zijn vooraf niet altijd te overzien,
constitutionele bezwaren kunnen tijdens de politieke behandeling ondergeschikt
raken aan coalitieafspraken of beleidsmatige urgentie en personen die later
concreet door een regeling worden getroffen, zijn niet noodzakelijk in het
wetgevingsproces vertegenwoordigd.
De groeiende omvang, snelheid en technische complexiteit van
wetgeving vergroten deze kwetsbaarheid. Formele wetten bevatten steeds vaker
gedetailleerde uitvoeringsregels, gegevensverwerkingsbevoegdheden,
geautomatiseerde selectiemechanismen, open delegatiegrondslagen en complexe
samenlopen tussen verschillende regelingen. De constitutionele gevolgen daarvan
worden soms pas zichtbaar bij de toepassing in individuele gevallen. Een
regeling die op abstract niveau neutraal en evenredig lijkt, kan in de praktijk
bepaalde groepen structureel benadelen, toegang tot voorzieningen belemmeren of
onvoldoende ruimte laten voor bijzondere omstandigheden.
Grenzen van politieke zelfcontrole
Parlementaire behandeling garandeert niet dat ieder
constitutioneel probleem volledig wordt onderzocht. Kamerleden beschikken over
beperkte tijd, ondersteuning en toegang tot uitvoeringsinformatie, terwijl
wetgevingsprocessen regelmatig onder politieke en maatschappelijke druk
plaatsvinden. Grondrechtelijke vragen kunnen bovendien worden verweven met
partijpolitieke tegenstellingen. De constitutionele beoordeling wordt dan
onderdeel van het politieke debat, terwijl juist behoefte kan bestaan aan een
onafhankelijke juridische beoordeling van de grenzen waarbinnen dat debat zich
behoort af te spelen.
Daar komt bij dat meerderheidsbesluitvorming niet vanzelf de
belangen van minderheden, niet-georganiseerde groepen of toekomstige generaties
beschermt. Groepen met weinig politieke invloed kunnen onevenredig worden
geraakt door wetgeving zonder dat zij tijdens het wetgevingsproces voldoende
tegenmacht kunnen organiseren. De democratische legitimiteit van een formele
wet is daarom noodzakelijk, maar niet steeds voldoende om haar constitutionele
rechtvaardigheid te verzekeren. De democratische rechtsstaat veronderstelt
zowel meerderheidsbesluitvorming als bindende grenzen ter bescherming van
menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid, vrijheid en toegang tot het recht.
De toeslagenaffaire heeft zichtbaar gemaakt hoe wetgeving,
uitvoering en rechtspraak gezamenlijk kunnen bijdragen aan institutioneel
onrecht. Het toetsingsverbod was daarvan niet de enige of directe oorzaak. Ook
de opstelling van de wetgever, rigide uitvoering, gebrekkige
informatievoorziening en terughoudende rechtsbescherming speelden een rol. De
affaire laat echter wel zien welk risico ontstaat wanneer een formele wet
dwingende en disproportionele gevolgen voorschrijft en de rechter geen ruimte
heeft om die wet aan nationale constitutionele beginselen te toetsen. Wanneer
de wet zelf de bron van het probleem vormt, schieten toetsing van
bestuursbesluiten en grondrechtsconforme interpretatie tekort.
Een asymmetrisch stelsel van rechtsbescherming
Artikel 120 veroorzaakt bovendien een moeilijk te
rechtvaardigen asymmetrie. Lagere regelgeving, bestuurlijke besluiten en
feitelijk overheidshandelen kunnen in beginsel aan de Grondwet en algemene
rechtsbeginselen worden getoetst. Ook kan de rechter op grond van artikel 94
nationale wettelijke voorschriften, met inbegrip van formele wetten, buiten
toepassing laten wanneer zij onverenigbaar zijn met eenieder verbindende
bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Een
wet kan daardoor soms wel aan het EVRM, het IVBPR of toepasselijk Unierecht
worden getoetst, maar niet aan een vergelijkbare of verdergaande bepaling van
de Nederlandse Grondwet.
Dit maakt de bescherming afhankelijk van de vraag of een
bruikbare internationale norm bestaat en rechtstreeks kan worden ingeroepen.
Voor klassieke vrijheidsrechten biedt het EVRM vaak een belangrijk alternatief,
maar dat geldt minder vanzelfsprekend voor sociale, ecologische, digitale en
institutionele grondwetsbepalingen. Ook nationale constitutionele waarden die
niet volledig samenvallen met verdragsrechtelijke normen kunnen door de rechter
niet tegenover de formele wetgever worden gehandhaafd.
Deze asymmetrie verzwakt de zelfstandige normatieve
betekenis van de Grondwet. Burgers en rechters richten zich noodgedwongen
vooral op internationale en Europese normen, terwijl de nationale
grondrechtencatalogus juridisch minder effectief is. Daardoor dreigt de
Grondwet eerder een politiek-symbolisch document te worden dan een rechtstreeks
functionerend juridisch kader voor de begrenzing van overheidsmacht.
Nieuwe grondrechten zonder constitutionele handhaving
Het probleem wordt urgenter wanneer de Grondwet wordt
uitgebreid met algemene grondrechtenbepalingen, menselijke waardigheid,
materiële gelijkwaardigheid, behoorlijk bestuur, bestaanszekerheid, ecologische
rechten en digitale grondrechten. Wanneer de formele wetgever aan deze normen
is gebonden, maar rechterlijke toetsing uitgesloten blijft, ontstaat een
discrepantie tussen constitutionele belofte en juridische afdwingbaarheid.
Een recht op bestaanszekerheid heeft bijvoorbeeld beperkte
werking wanneer een formele wet het beschermingsniveau tot beneden een
constitutioneel minimum kan verlagen zonder dat de rechter kan ingrijpen. Een
digitaal grondrecht biedt onvoldoende bescherming wanneer juist een wet
grootschalige gegevensverwerking of geautomatiseerde risicoselectie
voorschrijft. Ook het voorgestelde non-regressiebeginsel verliest een deel van
zijn betekenis wanneer substantiële achteruitgang in een formele wet
uitsluitend politiek en niet juridisch kan worden beoordeeld.
Hetzelfde geldt voor de algemene proportionaliteitstoets.
Wanneer een bestuursorgaan beleidsruimte heeft, kan de rechter beoordelen of de
toepassing van een wet evenredig is. Wanneer de formele wet echter dwingend
voorschrijft welke gevolgen moeten intreden, bereikt die beoordeling haar
grens. Zonder constitutionele toetsing kan de rechter de disproportionaliteit
constateren, maar de wettelijke oorzaak niet corrigeren.
Verschuiving en concentratie van macht
De maatschappelijke aanleiding ligt tevens in de toenemende
concentratie van publieke en private macht. Wetgeving geeft toegang tot
omvangrijke databestanden, machtigt geautomatiseerde besluitvorming en
reguleert essentiële voorzieningen zoals wonen, inkomen, zorg, energie en
digitale communicatie. De gevolgen van een ongrondwettige wettelijke regeling
kunnen daardoor snel en op grote schaal doorwerken. Juist wanneer generieke
wetgeving door digitale systemen vrijwel automatisch wordt toegepast, neemt de
behoefte toe aan een onafhankelijke toets of de wettelijke grondslag zelf
constitutioneel houdbaar is.
Ook internationalisering en Europeanisering veranderen de
positie van de nationale rechter. Rechters toetsen formele wetgeving reeds aan
rechtstreeks werkend verdragsrecht en Unierecht. Constitutionele toetsing is
daarom geen volledig nieuwe rechterlijke functie, maar een uitbreiding van een
bestaande rechtsstatelijke verantwoordelijkheid. De huidige situatie is
paradoxaal: de nationale rechter mag soms diepgaand toetsen aan internationale
grondrechten, maar niet aan de eigen Grondwet.
Geen onbeperkte overdracht aan de rechter
De tekortkomingen van het huidige stelsel betekenen niet dat
iedere constitutionele of maatschappelijke controverse door de rechter moet
worden beslist. Wetgeving berust vaak op complexe afwegingen tussen
grondrechten, publieke belangen, financiële mogelijkheden en
langetermijndoelstellingen. De democratisch gelegitimeerde wetgever beschikt
daarbij over een eigen beoordelings- en beleidsruimte. Constitutionele toetsing
mag niet veranderen in een algemene beoordeling van de politieke wenselijkheid
van wetgeving.
De maatschappelijke uitdaging bestaat daarom niet
uitsluitend uit het opheffen van artikel 120, maar uit het ontwerpen van een
evenwichtig stelsel. Daarin moet worden bepaald welke rechters mogen toetsen,
welke grondwetsbepalingen voldoende toetsbaar zijn, hoe intensief de
beoordeling plaatsvindt en welke rechtsgevolgen aan een schending worden
verbonden. De rechter moet effectieve bescherming kunnen bieden zonder de
wetgevende functie over te nemen. Tegelijkertijd moet de wetgever niet zelf
definitief kunnen bepalen waar de constitutionele grenzen van zijn eigen
bevoegdheden liggen.
Constitutionele corrigeerbaarheid
Vanuit het model van de polycentrisch corrigeerbare
democratie vormt constitutionele toetsing een aanvullende correctielaag.
Parlementaire controle, advisering door de Raad van State, publieke
deliberatie, ombudsfuncties, toezicht en rechterlijke bescherming hebben ieder
een eigen functie. Geen van deze instituties is afzonderlijk in staat alle
constitutionele risico’s te herkennen en te herstellen. De meerwaarde van
rechterlijke toetsing ligt daarom niet in de vervanging van politieke
constitutionele zorgvuldigheid, maar in het toevoegen van een onafhankelijke
correctiemogelijkheid wanneer preventieve waarborgen tekortschieten.
Het zichtbare constitutionele probleem is uiteindelijk dat
de Grondwet wel grenzen stelt aan de formele wetgever, maar geen volledige
juridische procedure biedt om die grenzen in concrete gevallen te bewaken.
Daardoor kunnen burgers bescherming vinden tegen ongrondwettig bestuur en
ongrondwettige lagere regelgeving, maar niet steeds tegen een ongrondwettige
formele wet. Constitutionele toetsing moet deze leemte opvullen en tegelijk de
democratische legitimiteit, rechtszekerheid en institutionele rolverdeling
respecteren. De vraag is daarom niet slechts of de rechter meer macht moet
krijgen, maar hoe wetgever en rechter gezamenlijk verantwoordelijkheid kunnen
dragen voor een toetsbare, corrigeerbare en grondrechtelijk gebonden
rechtsorde.
Lees het volledige voorstel: (PDF) Een Grondwet die werkelijk beschermt
.jpg)
Reacties
Een reactie posten