Groei als middel, menswording als doel
1. De
verwisseling van middel en doel
Economische groei heeft in moderne
samenlevingen een bijna vanzelfsprekende status gekregen. Regeringen worden
beoordeeld op de ontwikkeling van het bruto binnenlands product, internationale
instellingen vergelijken landen op basis van groeipercentages en economische
tegenvallers worden dikwijls gelijkgesteld aan maatschappelijke achteruitgang.
Groei beïnvloedt werkgelegenheid, belastingopbrengsten,
investeringsmogelijkheden en het vertrouwen van burgers en ondernemingen. Het
is daarom begrijpelijk dat economische groei een centrale plaats inneemt in het
publieke debat.
Problematisch wordt dit pas wanneer
groei van een belangrijk middel verandert in het overkoepelende doel waaraan
andere maatschappelijke belangen ondergeschikt worden gemaakt. Onderwijs wordt
dan vooral gewaardeerd vanwege zijn bijdrage aan arbeidsproductiviteit,
gezondheidszorg vanwege het beperken van ziekteverzuim, natuur vanwege de
ecosysteemdiensten die zij levert en bestaanszekerheid vanwege het effect op
arbeidsparticipatie en consumptie. Menselijke, sociale, democratische en
ecologische waarden worden zo vertaald in hun economische rendement. Wat niet
of moeilijk in geld kan worden uitgedrukt, dreigt uit beeld te verdwijnen.
Daarmee wordt de verhouding tussen
economie en samenleving omgekeerd. Niet langer wordt gevraagd welke economie
nodig is om een vrije, rechtvaardige en duurzame samenleving mogelijk te maken.
In plaats daarvan moeten mensen, instituties en natuurlijke systemen zich
aanpassen aan wat voor economische expansie noodzakelijk wordt geacht.
Een menswordings-economie keert deze
verhouding om. Zij ontkent het belang van groei, productiviteit,
ondernemerschap en innovatie niet, maar plaatst deze binnen een bredere
normatieve ordening. De centrale vraag luidt niet hoeveel een samenleving
produceert, maar wat zij door middel van productie, arbeid, technologie, handel
en investeringen mogelijk maakt. Economische vooruitgang wordt beoordeeld op
haar bijdrage aan de voorwaarden waaronder mensen zich kunnen ontwikkelen als
vrije, gelijkwaardige, verbonden en verantwoordelijke deelnemers aan de
samenleving.
Groei en productiviteit blijven dus van
betekenis, maar verliezen hun positie als zelfstandige maatstaven van
maatschappelijke vooruitgang. Zij worden middelen waarvan de waarde afhangt van
het doel dat zij dienen, de manier waarop de opbrengsten worden verdeeld en de
maatschappelijke en ecologische kosten waarmee zij gepaard gaan.
2. De
groei-economie als institutionele logica
Met een groei-economie wordt hier niet
iedere economie bedoeld waarin het bruto binnenlands product toeneemt. Ook een
menswordings-economie kan groeien. Het begrip verwijst naar een institutionele
logica waarin een voortdurende uitbreiding van productie, consumptie en
investeringen noodzakelijk wordt geacht voor economische en politieke
stabiliteit.
Binnen deze logica is groei niet slechts
een mogelijke uitkomst van succesvolle economische activiteit, maar een
structurele voorwaarde voor het functioneren van de samenleving.
Werkgelegenheid, pensioenen, overheidsfinanciën, bedrijfswinsten en kredietverlening
worden in toenemende mate afhankelijk van toekomstige expansie. Wanneer groei
vertraagt, neemt de druk toe om consumptie te stimuleren, investeringen te
subsidiëren, arbeidskosten te verlagen of ecologische en sociale normen te
versoepelen. Stilstand wordt dan al snel als achteruitgang ervaren.
Deze afhankelijkheid beïnvloedt ook de
inrichting van instituties. Onderwijs wordt gericht op economische
inzetbaarheid, arbeidsmarktbeleid op maximale participatie, ruimtelijke
ordening op vestigingsklimaat en infrastructuur op economische bereikbaarheid.
Sociale en ecologische correcties worden doorgaans pas toegevoegd nadat de
economische doelstellingen zijn vastgesteld. Eerst wordt bepaald welke groei
wenselijk of noodzakelijk is; vervolgens wordt onderzocht hoe de negatieve
gevolgen daarvan kunnen worden verzacht.
Dat betekent niet dat een groei-economie
noodzakelijkerwijs sociaal onrechtvaardig of ecologisch destructief is.
Economische groei heeft in veel landen bijgedragen aan een hogere
levensverwachting, betere huisvesting, breder onderwijs, sociale zekerheid,
technologische vooruitgang en de vermindering van extreme armoede. Vooral waar
essentiële voorzieningen ontbreken, kan groei rechtstreeks bijdragen aan
menselijke ontwikkeling.
De tekortkoming ligt daarom niet in
groei als zodanig, maar in de voorrang die eraan wordt toegekend. Een aggregaat
als het bruto binnenlands product maakt immers geen onderscheid tussen
activiteiten die menselijke mogelijkheden vergroten en activiteiten die schade
herstellen die eerder door economische processen is veroorzaakt. Uitgaven na
een milieuramp, stijgende zorgkosten door ongezonde leefomstandigheden en
beveiligingskosten als gevolg van maatschappelijke onveiligheid kunnen het
bruto binnenlands product verhogen zonder dat de samenleving er in een
wezenlijke betekenis op vooruitgaat.
Ook maakt economische groei op zichzelf
niet zichtbaar wie van de opbrengsten profiteert, wie de kosten draagt en welke
machtsverhoudingen worden versterkt. Een economie kan groeien terwijl de reële
inkomens van grote groepen stagneren, arbeid onzekerder wordt, vermogensprijzen
sterk stijgen en toegang tot wonen, onderwijs of zorg verslechtert. De omvang
van de economie neemt dan toe, maar de ontwikkelingsruimte van een deel van de
bevolking niet.
De groei-economie verwart daarom
gemakkelijk drie verschillende zaken:
- de omvang van de economische activiteit;
- de verdeling van de opbrengsten en lasten;
- de bijdrage van die activiteit aan maatschappelijke ontwikkeling.
Juist deze drie dimensies moeten van
elkaar worden onderscheiden.
3. Sen: van
middelen naar reële vrijheden
Amartya Sen heeft een fundamentele
bijdrage geleverd aan deze heroriëntatie. In zijn capabilities-benadering staat
niet centraal over hoeveel inkomen, goederen of hulpbronnen mensen beschikken,
maar wat zij daarmee daadwerkelijk kunnen zijn en doen. Het gaat om hun reële
vrijheid om een leven te leiden dat zij met reden waardevol achten.
Inkomen blijft binnen deze benadering
belangrijk. Zonder voldoende materiële middelen zijn veel vormen van vrijheid
onbereikbaar. Maar dezelfde hoeveelheid middelen kan voor verschillende mensen
een geheel andere betekenis hebben. Iemand met een beperking kan meer
ondersteuning nodig hebben om zich zelfstandig te kunnen verplaatsen. Een gezin
in een gebied met hoge woonkosten heeft bij hetzelfde inkomen minder feitelijke
bestedingsruimte. Wie niet over toegang tot onderwijs, zorg of openbaar vervoer
beschikt, kan financiële middelen minder gemakkelijk omzetten in
ontwikkelingsmogelijkheden.
Sen maakt daarmee duidelijk dat
economische middelen en menselijke vrijheid niet samenvallen. Tussen beide
bevinden zich sociale, persoonlijke en institutionele omzettingsfactoren.
Onderwijs, gezondheid, rechtsbescherming, publieke infrastructuur, sociale
normen en machtsverhoudingen bepalen mede of inkomen daadwerkelijk in vrijheid
kan worden omgezet.
Dit inzicht heeft belangrijke gevolgen
voor de beoordeling van economische groei. Een stijging van het gemiddelde
inkomen is niet voldoende om van vooruitgang te spreken. Onderzocht moet worden
of de groei de feitelijke mogelijkheden van mensen vergroot. Kunnen zij
gezonder leven? Hebben zij toegang tot goed onderwijs? Kunnen zij zelfstandig
wonen, zinvol werk verrichten, voor anderen zorgen en deelnemen aan
democratische besluitvorming? Vergroot economische ontwikkeling hun
handelingsvermogen, of maakt zij hen juist afhankelijker van werkgevers,
schuldeisers, platforms of complexe overheidsregelingen?
Sen benadrukt bovendien het belang van
agency: het vermogen van mensen om niet alleen ontvangers van beleid te zijn,
maar zelf handelend op te treden en maatschappelijke doelen mede vorm te geven.
Dat brengt een democratische dimensie in de economische analyse. Welke
capabilities van belang zijn, kan niet uitsluitend door deskundigen,
marktpartijen of overheden worden vastgesteld. Daarover moet publieke
beraadslaging mogelijk zijn.
Juist hier ligt zowel de kracht als de
openheid van Sens benadering. Hij biedt bewust geen definitieve lijst van
capabilities die in iedere samenleving op dezelfde wijze moet worden toegepast.
Daardoor blijft ruimte bestaan voor pluraliteit en democratische afweging.
Tegelijkertijd blijft de vraag bestaan wanneer een samenleving voldoende
mogelijkheden biedt en welke ondergrens zij onder alle omstandigheden behoort
te waarborgen.
4 Nussbaum:
menselijke waardigheid en sociale drempels
Martha Nussbaum geeft de
capabilities-benadering een concretere normatieve uitwerking. Zij verdedigt een
lijst van centrale menselijke mogelijkheden die voor ieder mens tot een bepaald
minimumniveau beschikbaar moeten zijn. Daarbij gaat het onder meer om leven en
gezondheid, lichamelijke integriteit, zintuiglijke en intellectuele
ontwikkeling, emoties, praktische rede, verbondenheid, spel en zeggenschap over
de eigen politieke en materiële omgeving.
Deze benadering is voor een
menswordings-economie van belang omdat zij duidelijk maakt dat vrijheid niet
uitsluitend gradueel kan worden benaderd. Er bestaan drempels waaronder
menselijke waardigheid en maatschappelijke deelname wezenlijk in het gedrang komen.
Wie geen toegang heeft tot noodzakelijke zorg, veilige huisvesting, onderwijs,
voeding of rechtsbescherming beschikt niet simpelweg over iets minder welvaart.
Er ontbreekt dan een fundamentele voorwaarde om als vrije en gelijkwaardige
persoon te kunnen functioneren.
Nussbaum verbindt capabilities daarom
nadrukkelijk met publieke verantwoordelijkheid. De politieke gemeenschap moet
niet alleen formele rechten erkennen, maar ook de materiële en institutionele
voorwaarden organiseren waaronder mensen deze rechten werkelijk kunnen
uitoefenen. Een recht op onderwijs heeft weinig betekenis wanneer onderwijs
feitelijk onbereikbaar is. Politieke vrijheid blijft onvolledig wanneer
bestaansonzekerheid, discriminatie of economische afhankelijkheid
daadwerkelijke participatie verhindert.
Voor het denken over economische groei
betekent dit dat een sociale ondergrens voorrang krijgt boven de maximalisatie
van gemiddelde productie. Groei die niet bijdraagt aan het bereiken of
beschermen van deze capability-drempels kan niet zonder meer als maatschappelijke
vooruitgang worden beschouwd. Omgekeerd kunnen publieke investeringen in zorg,
onderwijs, wonen en bestaanszekerheid zeer waardevol zijn, ook wanneer hun
opbrengsten niet onmiddellijk zichtbaar worden in productiviteits- of
groeicijfers.
Nussbaums benadering kent echter ook een
spanning. Een universele lijst van capabilities biedt houvast en bescherming,
maar kan paternalistisch worden wanneer de concrete invulling daarvan buiten
democratische processen wordt bepaald. Een menswordings-economie kan daarom
niet volstaan met een vooraf vastgelegde lijst van behoeften. Zij moet
universele ondergrenzen verbinden met democratische zeggenschap, culturele
pluraliteit, individuele keuzevrijheid en periodieke herziening.
Het gaat niet om het voorschrijven van
één goed leven, maar om het waarborgen van de voorwaarden waaronder mensen
verschillende opvattingen van een goed leven daadwerkelijk kunnen
verwezenlijken.
5 Daly: de
economie als subsysteem van een eindige aarde
Sen en Nussbaum maken duidelijk dat
economische ontwikkeling moet worden beoordeeld op haar bijdrage aan menselijke
mogelijkheden. Herman Daly voegt daaraan een onvermijdelijke ecologische
dimensie toe. Zijn uitgangspunt is eenvoudig maar verstrekkend: de economie is
geen zelfstandig systeem dat buiten de natuur staat, maar een subsysteem van
een eindige biosfeer.
Economische productie vereist
voortdurend energie, grondstoffen, water, land en ecologische diensten. Zij
brengt daarnaast afval, emissies en verlies aan natuurlijke kwaliteit voort.
Geldstromen kunnen groeien zonder duidelijke fysieke grens, maar de materiële
en energetische doorstroom waarop productie en consumptie berusten, kan dat
niet onbeperkt.
Daly onderscheidt daarom drie vragen die
in de economische ordening niet met elkaar mogen worden verward:
- Wat is een ecologisch houdbare schaal van economische activiteit?
- Hoe worden hulpbronnen, kansen en opbrengsten rechtvaardig verdeeld?
- Hoe kunnen middelen binnen die grenzen efficiënt worden ingezet?
In de conventionele economische
benadering krijgt de derde vraag doorgaans voorrang. Markten worden ingezet om
schaarse middelen efficiënt te alloceren, terwijl ecologische grenzen en
verdeling via aanvullend beleid worden gecorrigeerd. Daly keert deze volgorde
om. Eerst moet worden bepaald welke fysieke schaal ecologisch houdbaar is.
Vervolgens moet de beschikbare ruimte rechtvaardig worden verdeeld. Pas daarna
kan de markt bijdragen aan een efficiënte allocatie.
Daarmee krijgt ook zijn begrip van
‘uneconomic growth’ betekenis. Groei kan een punt bereiken waarop de bijkomende
maatschappelijke en ecologische kosten groter worden dan de bijkomende baten.
Het bruto binnenlands product kan dan nog toenemen, terwijl het
maatschappelijke vermogen afneemt. Meer productie gaat bijvoorbeeld samen met
verlies aan biodiversiteit, verslechtering van gezondheid, uitputting van
grondstoffen of grotere klimaatschade. Groei wordt dan in boekhoudkundige zin
nog als vooruitgang geregistreerd, maar tast de voorwaarden van toekomstige
ontwikkeling aan.
Daly’s analyse biedt een noodzakelijke
correctie op het idee dat technologische vooruitgang iedere ecologische
begrenzing kan oplossen. Innovatie kan het gebruik van energie en grondstoffen
per product verminderen, maar efficiëntiewinst leidt niet automatisch tot een
absolute vermindering van de totale milieudruk. Lagere kosten kunnen ook extra
consumptie uitlokken, waardoor een deel van de besparing verloren gaat.
Bovendien kunnen niet alle ecosysteemfuncties zonder verlies door technologie
of menselijk kapitaal worden vervangen.
Dat betekent niet dat Daly’s
steady-state-benadering zonder verdere uitwerking een compleet economisch model
oplevert. Een ecologisch stabiele economie is niet automatisch sociaal
rechtvaardig, democratisch of innovatief. Ook binnen een stabiele fysieke schaal
kunnen vermogen en macht sterk geconcentreerd raken. Daarnaast blijft de vraag
hoe landen die nog onvoldoende materiële voorzieningen hebben
ontwikkelingsruimte kunnen krijgen. Ecologische begrenzing moet daarom worden
verbonden met verdeling, mondiale rechtvaardigheid en institutionele
corrigeerbaarheid.
6 Raworth:
tussen sociale ondergrens en ecologisch plafond
Kate Raworth brengt de sociale en
ecologische dimensies samen in het beeld van de donut. De binnenste ring
vertegenwoordigt een sociale ondergrens: de voorwaarden waaronder mensen in
waardigheid kunnen leven. De buitenste ring vertegenwoordigt het ecologische
plafond: de grenzen van de natuurlijke systemen waarvan menselijke
samenlevingen afhankelijk zijn. Daartussen bevindt zich de veilige en
rechtvaardige ruimte waarbinnen economieën zich zouden moeten ontwikkelen.
De betekenis van dit model ligt niet
alleen in de combinatie van sociale en ecologische doelen. Het verandert de
richting van economisch denken. De opdracht is niet langer om één variabele –
economische groei – zoveel mogelijk te vergroten en daarna de negatieve
effecten te corrigeren. De opdracht wordt om meerdere sociale doelen te
realiseren zonder meerdere ecologische grenzen te overschrijden.
Raworth pleit daarom voor economieën die
kunnen floreren, ongeacht of het bruto binnenlands product groeit. Dat is iets
anders dan een principiële afwijzing van groei. In sommige landen en sectoren
zal uitbreiding van productie noodzakelijk zijn om armoede te bestrijden,
woningen te bouwen, duurzame infrastructuur aan te leggen en publieke
voorzieningen te versterken. In andere sectoren kan juist krimp nodig zijn,
bijvoorbeeld waar economische activiteit structureel afhankelijk is van
fossiele brandstoffen, vervuiling, verspilling of uitputting.
Een menswordings-economie is in die zin
niet zonder meer groei- of krimpgericht, maar groeionafhankelijk. Zij maakt de
financiering van bestaanszekerheid, publieke voorzieningen en democratische
stabiliteit zo min mogelijk afhankelijk van een voortdurende expansie van
materiaalgebruik en consumptie. Groei kan plaatsvinden, maar de instituties
mogen niet zo worden ingericht dat iedere vertraging onmiddellijk sociale
ontwrichting veroorzaakt.
Het donutmodel laat echter nog niet
vanzelf zien hoe de beschikbare ecologische ruimte tussen landen, sectoren en
bevolkingsgroepen moet worden verdeeld. Evenmin bepaalt het wie de macht heeft
om grenzen vast te stellen, welke belangen daarbij worden meegewogen en hoe
conflicten worden beslecht. De stap van een overtuigend normatief beeld naar
concrete economische instituties vereist daarom aanvullende democratische,
juridische en fiscale uitwerking.
7 De
menswordings-economie als synthese
Sen, Nussbaum, Daly en Raworth belichten
verschillende maar complementaire tekortkomingen van een economie die groei als
hoogste doel behandelt.
Sen laat zien dat middelen moeten worden
onderscheiden van reële vrijheden. Nussbaum maakt duidelijk dat menselijke
waardigheid sociale ondergrenzen vereist. Daly toont dat economische activiteit
binnen een eindige biosfeer plaatsvindt en daarom een ecologisch houdbare
schaal moet respecteren. Raworth verbindt de sociale ondergrens en het
ecologische plafond tot een veilige en rechtvaardige ontwikkelingsruimte.
Een menswordings-economie bouwt op deze
inzichten voort, maar voegt daar een institutionele en democratische dimensie
aan toe. Menselijke ontwikkeling vindt niet alleen plaats dankzij inkomen of
individuele keuzevrijheid. Zij ontstaat binnen relaties, gemeenschappen,
arbeidsorganisaties, publieke voorzieningen, rechtsstatelijke structuren en
natuurlijke systemen. Economische instituties bepalen mede of mensen autonomie
kunnen ontwikkelen, anderen als gelijkwaardig ontmoeten, verantwoordelijkheid
kunnen dragen en gezamenlijk maatschappelijke problemen kunnen oplossen.
Daarom volstaat het niet om achteraf
vast te stellen of economische groei heeft bijgedragen aan gemiddeld welzijn.
De institutionele inrichting van de economie moet vanaf het begin worden
beoordeeld op ten minste vijf samenhangende dimensies:
- de ontwikkeling van menselijke mogelijkheden;
- de verdeling van kansen, lasten en zeggenschap;
- de kwaliteit van arbeid en maatschappelijke relaties;
- de begrenzing en corrigeerbaarheid van economische macht;
- de bescherming van ecologische en intergenerationele voorwaarden.
Het verschil tussen beide economische
logica’s kan als volgt worden samengevat:
|
Groei-economie |
Menswordings-economie |
|
Groei is een dominante maatschappelijke
doelstelling |
Groei is een mogelijk middel voor menselijke
en maatschappelijke ontwikkeling |
|
Het
bruto binnenlands product is de centrale prestatie-indicator |
Een meervoudig dashboard
meet sociale, democratische, economische en ecologische ontwikkeling |
|
Verdeling volgt na productie |
Verdeling van kansen, macht en opbrengsten
maakt deel uit van het economische ontwerp |
|
Sociale
en ecologische schade wordt achteraf gecorrigeerd |
Sociale ondergrenzen en
ecologische plafonds begrenzen de economie vooraf |
|
Productiviteit wordt vooral gemeten als
productie per gewerkt uur |
Productiviteit omvat ook grondstoffen,
energie, gezondheid, tijd, zorg en institutionele kwaliteit |
|
Instituties
ondersteunen concurrentie en groei |
Markten en groei
functioneren binnen democratisch vastgestelde institutionele voorwaarden |
|
Succes wordt hoofdzakelijk op nationaal
niveau gemeten |
Ook grensoverschrijdende effecten en
toekomstige generaties tellen mee |
Deze tegenstelling is geen keuze tussen
dynamiek en stilstand. Een menswordings-economie heeft eveneens behoefte aan
ondernemerschap, investeringen, innovatie en productiviteitsgroei. Het verschil
ligt in de institutionele rangorde: economische dynamiek behoudt haar
legitimiteit zolang zij de bredere voorwaarden van vrijheid, gelijkwaardigheid,
bestaanszekerheid, democratie en ecologische duurzaamheid versterkt.
8 Productiviteit
als maatschappelijke mogelijkheid
Ook productiviteit moet vanuit dit
perspectief opnieuw worden geplaatst. Productiviteitsgroei kan grote
maatschappelijke voordelen opleveren. Wanneer met minder arbeid, energie of
grondstoffen dezelfde hoeveelheid maatschappelijk waardevolle goederen en diensten
kan worden geproduceerd, ontstaat ruimte voor hogere inkomens, kortere
werktijden, betere publieke voorzieningen of lagere milieudruk.
Maar productiviteit is niet hetzelfde
als maatschappelijke waarde. Een onderneming kan haar gemeten
arbeidsproductiviteit verhogen door werknemers intensiever te laten werken,
werkzaamheden uit te besteden, risico’s af te wentelen of dienstverlening te standaardiseren.
De productie per gewerkt uur stijgt dan, terwijl werkdruk, onzekerheid of
kwaliteitsverlies toenemen. Wat vanuit het perspectief van de onderneming
efficiënt lijkt, kan voor werknemers, gebruikers of de samenleving kosten
veroorzaken.
Dit probleem speelt in het bijzonder in
onderwijs, zorg, rechtspraak en andere relationele diensten. Een docent kan
meer leerlingen tegelijk lesgeven en een zorgverlener kan minder tijd per
patiënt besteden, maar het is niet vanzelfsprekend dat daarmee ook de
maatschappelijke productiviteit stijgt. Wanneer de kwaliteit van aandacht,
vertrouwen, preventie of professionele beoordeling afneemt, kan de schijnbare
efficiëntiewinst later juist tot hogere kosten leiden.
Productiviteitswinst moet daarom worden
beoordeeld aan de hand van de vraag wat ermee gebeurt. Wordt zij omgezet in
hogere lonen, kortere werktijden, betere dienstverlening, lagere prijzen of
publieke investeringen? Of concentreert de opbrengst zich bij aandeelhouders en
vermogensbezitters? Vermindert zij het gebruik van energie en grondstoffen in
absolute zin, of leidt de lagere prijs tot extra consumptie? Versterkt
technologie het professionele handelingsvermogen van werknemers, of vergroot
zij controle en afhankelijkheid?
Een menswordings-economie verwerpt
productiviteit dus niet. Zij verbreedt het begrip en democratiseert de
bestemming van de opbrengsten.
9 Welke groei is
maatschappelijk waardevol?
Niet iedere groei heeft dezelfde
betekenis. Minstens vier vormen moeten worden onderscheiden.
Menswordingsbevorderende
groei vergroot rechtstreeks menselijke mogelijkheden.
Daaronder kunnen investeringen vallen in onderwijs, preventieve
gezondheidszorg, betaalbare huisvesting, duurzame mobiliteit, cultuur, digitale
toegankelijkheid en publieke infrastructuur.
Transformatieve groei is
nodig om bestaande systemen te verduurzamen. De aanleg van duurzame
energievoorzieningen, de renovatie van woningen, klimaatadaptatie,
natuurherstel en de ontwikkeling van circulaire productieketens vragen grote
investeringen en kunnen gedurende langere tijd tot economische groei leiden.
Ambivalente groei
levert baten op, maar veroorzaakt tevens aanzienlijke sociale of ecologische
kosten. Hier is institutionele sturing nodig om de verhouding tussen baten en
lasten te verbeteren en afwenteling te voorkomen.
Extractieve of reparatieve
groei vergroot de gemeten economische activiteit zonder het
maatschappelijke vermogen duurzaam te versterken. Zij kan berusten op
economische rente, geplande veroudering, overmatig grondstoffengebruik of het
herstellen van schade die door eerdere productie is veroorzaakt.
Deze indeling voorkomt een vruchteloos
debat tussen voorstanders en tegenstanders van groei in abstracte zin. De
relevante vraag is niet óf groei wenselijk is, maar wat groeit, waarom het
groeit, wie ervan profiteert, welke hulpbronnen daarvoor worden gebruikt en
welke gevolgen naar anderen of de toekomst worden verschoven.
Voor landen waarin grote groepen nog
geen toegang hebben tot essentiële voorzieningen zal materiële groei vaak
noodzakelijk blijven. Rechtvaardigheid vraagt daar om uitbreiding van energie,
voedselzekerheid, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur. In
rijke landen ligt het accent sterker op de kwaliteit en verdeling van
economische activiteit, vermindering van ecologische druk en versterking van
publieke en relationele goederen. Mondiale rechtvaardigheid kan daarom niet
betekenen dat alle landen hetzelfde ontwikkelingspad volgen of over dezelfde
resterende ecologische ruimte beschikken.
10 Een
voorlopige menswordingstoets voor economische groei
Economische groei kan binnen dit model
als maatschappelijk waardevol worden beschouwd wanneer zij overtuigend
bijdraagt aan menselijke en maatschappelijke ontwikkeling. Daarvoor moeten ten
minste de volgende vragen worden beantwoord:
- Wat groeit?
Gaat het om noodzakelijke goederen, publieke voorzieningen, maatschappelijke diensten, duurzame infrastructuur of vooral om extra consumptie en vermogensrendement? - Welke menselijke mogelijkheden worden vergroot?
Draagt de activiteit bij aan gezondheid, kennis, autonomie, bestaanszekerheid, participatie, zorg, verbondenheid of betekenisvol werk? - Wie ontvangt de opbrengsten en wie draagt de lasten?
Worden kansen, inkomens en zeggenschap breder verdeeld, of versterkt de groei bestaande ongelijkheid en afhankelijkheid? - Welke invloed heeft de groei op economische en politieke macht?
Bevordert zij open markten en ondernemerschap, of leidt zij tot monopolievorming, platformafhankelijkheid en vermogensconcentratie? - Wat zijn de ecologische gevolgen in absolute zin?
Dalen uitstoot, materiaalgebruik en natuurschade werkelijk, of alleen per geproduceerde eenheid? - Welke gevolgen worden afgewenteld?
Worden kosten verschoven naar andere landen, kwetsbare groepen of toekomstige generaties? - Is het economische proces corrigeerbaar?
Zijn effecten meetbaar, bestaat democratische zeggenschap en kunnen beleid, bedrijfsmodellen en investeringen tijdig worden aangepast?
Deze toets leidt niet automatisch tot
één score. Sommige ondergrenzen en bovengrenzen kunnen niet worden
gecompenseerd door goede prestaties op andere terreinen. Ernstige uitbuiting
wordt niet aanvaardbaar doordat een onderneming innovatieve producten maakt.
Structurele discriminatie kan niet worden weggestreept tegen economische groei.
Overschrijding van harde ecologische grenzen kan evenmin zonder meer worden
gecompenseerd door hogere inkomens.
11 Conclusie
Het verschil tussen een groei-economie
en een menswordings-economie ligt niet in de eenvoudige keuze tussen groei en
geen groei. Het ligt in de verhouding tussen middel en doel.
Een groei-economie maakt
maatschappelijke stabiliteit en vooruitgang structureel afhankelijk van de
voortdurende expansie van productie en consumptie. Sociale rechtvaardigheid en
ecologische duurzaamheid verschijnen daarbij gemakkelijk als voorwaarden voor
of correcties op economische groei.
Een menswordings-economie begint aan de
andere kant. Zij stelt eerst vast welke sociale, democratische en ecologische
voorwaarden noodzakelijk zijn om mensen en samenlevingen duurzaam tot
ontwikkeling te laten komen. Vervolgens wordt onderzocht welke economische
activiteiten, markten, investeringen en vormen van groei daaraan kunnen
bijdragen.
Sen leert dat inkomen en goederen
slechts betekenis krijgen door de reële vrijheden die zij mogelijk maken.
Nussbaum maakt zichtbaar dat menselijke waardigheid niet zonder sociale
ondergrenzen kan. Daly toont dat iedere economie moet functioneren binnen een
ecologisch houdbare schaal. Raworth verbindt deze inzichten in de veilige en
rechtvaardige ruimte tussen een sociaal fundament en een ecologisch plafond.
De menswordings-economie voegt daaraan
toe dat deze ruimte institutioneel en democratisch moet worden georganiseerd.
Groei en productiviteit blijven belangrijke middelen, maar hun maatschappelijke
legitimiteit is voorwaardelijk. Zij moeten aantoonbaar bijdragen aan menselijke
ontwikkeling, een rechtvaardige verdeling van kansen en macht, democratische
corrigeerbaarheid en het behoud van de natuurlijke voorwaarden waarvan huidige
en toekomstige generaties afhankelijk zijn.
Daarmee ontstaat onmiddellijk de
volgende vraag: wat moet in een plurale democratische samenleving precies als
‘voldoende’ worden beschouwd? Die vraag kan niet uitsluitend door economen,
politici of rechters worden beantwoord. Zij vraagt om een transparant proces
waarin juridische ondergrenzen, wetenschappelijke kennis, democratische
besluitvorming, ervaringskennis en ecologische grenzen met elkaar worden
verbonden. De volgende paragraaf werkt daarom uit hoe ‘voldoende’ democratisch
kan worden bepaald en hoe een dashboard deze norm toetsbaar kan maken zonder
menselijke ontwikkeling tot één getal te reduceren.
Lees het volledige onderzoek:

Reacties
Een reactie posten