Constitutionele toetsing tussen parlement en rechter: Nederland in rechtsvergelijkend perspectief
Abstract
De vraag wie een wet aan de Grondwet mag
toetsen, kan niet worden beantwoord met een eenvoudige tegenstelling tussen
landen met en zonder constitutioneel hof. Bevoegdheid, toetsingsmoment, toegang
en rechtsgevolg bepalen samen hoe constitutionele controle functioneert. Dit
artikel onderzoekt de Nederlandse uitzonderingspositie via een kwalitatieve,
doelgerichte rechtsvergelijking met Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk,
Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten, Canada, Duitsland, Frankrijk en
Zuid-Afrika. De analyse omvat geldend recht, historische ontwikkeling,
institutionele vormgeving en de beperkingen van beschikbare praktijkgegevens.
Artikel 120 van de Nederlandse Grondwet verbiedt de rechter de grondwettigheid
van wetten in formele zin en verdragen te beoordelen. Onderliggende regelgeving
kan wel aan de Grondwet worden getoetst; rechtstreeks werkende
verdragsbepalingen en toepasselijk Unierecht openen daarnaast andere
rechterlijke routes tegen wetten in formele zin. Het Zwitserse recht laat de
beoordeling van federale wetten juist toe, maar gebiedt in beginsel hun
toepassing, terwijl het Verenigd Koninkrijk voor Westminster en
gedecentraliseerde parlementen uiteenlopende rechtsgevolgen kent. Sterke
toetsing verschijnt zowel binnen gewone rechterlijke stelsels als bij
gespecialiseerde colleges. Op grond van een selectief onderzoek zijn mondiale
aantallen landen niet verantwoord vast te stellen. Voor Nederland liggen de
meest relevante hervormingsvragen bij de reikwijdte van toetsing, de
beperkingsmaatstaf, het rechtsgevolg van een uitspraak en de verhouding tussen
rechter en wetgever. Het in 2026 voor advies voorgelegde voorstel vormt daarbij
een actuele, maar nog niet ingevoerde variant.
Trefwoorden: Constitutionele toetsing;
artikel 120 Grondwet; rechtsvergelijking; constitutioneel hof; grondrechten;
rechterlijke rechtsbescherming.
Inleiding en begrippen
Constitutionele toetsing is het
beoordelen van de verenigbaarheid van een rechtshandeling of rechtsnorm met de Grondwet
en andere constitutionele normen. Een regering kan een wetsontwerp vooraf
beoordelen, een parlement kan de grondwettigheid tijdens de beraadslaging
bespreken en een rechter kan de vraag in een geschil na de inwerkingtreding van
de wet beantwoorden. Die activiteiten zijn verwant, maar de discussie over een
rechterlijk toetsingsverbod betreft een specifiek onderdeel: de bevoegdheid van
een rechter om een wet van de nationale wetgever te beoordelen aan een hoger
constitutioneel voorschrift. Rechterlijke controle van een bestuursbesluit, een
gemeentelijke verordening of een verdragsconforme interpretatie van een wet
moet daarvan worden onderscheiden.
Een constitutioneel hof is een
gespecialiseerd, doorgaans van de gewone rechtspraak onderscheiden orgaan dat
constitutionele geschillen beslecht. De bevoegdheden verschillen aanzienlijk:
een hof kan wetsontwerpen beoordelen, geldende wetten vernietigen, prejudiciële
vragen van gewone rechters beantwoorden, klachten van burgers behandelen of
bevoegdheidsconflicten tussen staatsorganen oplossen. Een constitutionele raad
kan een vergelijkbare rol vervullen zonder als rechter in de traditionele zin
te functioneren. Omgekeerd hebben de Verenigde Staten en Canada rechterlijke
toetsing van wetgeving zonder afzonderlijk constitutioneel hof. Het bestaan van
een gespecialiseerd instituut is daarom geen noodzakelijke en ook geen
voldoende maatstaf voor effectieve rechtsbescherming.
Voor een nauwkeurige vergelijking zijn
vier dimensies nodig. De eerste is het voorwerp: gaat het om wetgeving in
formele zin, lagere regelgeving, individuele overheidsdaden of ontwerpwetten?
De tweede is het tijdstip: toetsing vóór afkondiging, achteraf in een concreet
geschil of achteraf op abstract verzoek. De derde is de toegang: wie mag de
kwestie aanbrengen en moet een gewone rechter die aan een gespecialiseerd
college voorleggen? De vierde is het rechtsgevolg: leidt een geconstateerd
gebrek tot vernietiging met algemene werking, het buiten toepassing laten in
het individuele geval, een uitgestelde ongeldigverklaring of slechts een
verklaring die politieke heroverweging mogelijk maakt? Een rechter kan eveneens
een constitutioneel bezwaar signaleren en toch wettelijk verplicht zijn de
bestreden norm toe te passen.
Dit artikel behandelt achtereenvolgens
de methode en historische herkomst van de Nederlandse regeling, haar huidige
werking, de voornaamste vergelijkingsmodellen, de kloof tussen bevoegdheid en
gebruik en de hervormingsmogelijkheden. Het onderzoekt de plaats van het
Nederlandse verbod in een breder institutioneel spectrum, zonder rechtsordes
met zeer uiteenlopende constitutionele praktijken tot één ja-of-nee-categorie
terug te brengen.
Onderzoeksopzet en afbakening
De methode is kwalitatief en functioneel
rechtsvergelijkend. De Nederlandse Grondwet en de daarop gebaseerde rechtspraak
vormen het uitgangspunt. Vervolgens zijn acht rechtsordes doelgericht
geselecteerd op variatie in institutioneel ontwerp: Zwitserland voor een
toepassingsplicht voor federale wetten, het Verenigd Koninkrijk en
Nieuw-Zeeland voor varianten van parlementaire voorrang, de Verenigde Staten en
Canada voor gespreide toetsing, Duitsland en Frankrijk voor gespecialiseerde
colleges, en Zuid-Afrika voor een stelsel waarin constitutionele suprematie
nadrukkelijk met de democratische omwenteling is verbonden. Voorbeelden uit
andere rechtsordes illustreren uitsluitend de breedte van de wereldwijde
institutionele variatie. De stand van het Nederlandse wetgevingsvoorstel is
gecontroleerd tot en met 20 september 2026.
Dit onderzoek is geen
landeninventarisatie met uniforme gegevensverzameling voor alle staten. Er is
geen steekproef getrokken waarmee de omvang van een wereldwijde populatie kan
worden geschat. De opgenomen landenlijst is illustratief en combineert verschillende
constitutionele functies; zij levert geen aantoonbaar volledig aantal landen
met rechterlijke toetsing of met een afzonderlijk constitutioneel hof op. Ook
lidmaatschap van een internationale vereniging van constitutionele colleges is
niet gelijk aan het aantal landen met sterke toetsing. De juridische
beschrijving steunt vooral op grondwetteksten, wetgeving, rechterlijke
uitspraken en institutionele documentatie. Waar gegevens over aantallen
procedures worden gebruikt, worden hun meeteenheid en beperkingen expliciet
vermeld.
Voor de vergelijking wordt onder sterke
rechterlijke toetsing verstaan dat een rechter een met de Grondwet strijdige
wet geheel of gedeeltelijk ongeldig kan doen worden of in een zaak buiten
toepassing kan laten. Zwakke toetsing ziet op een grondwettelijk oordeel zonder
een dergelijk rechtstreeks gevolg, bijvoorbeeld een niet-bindende signalering
of een verklaring van onverenigbaarheid. Deze termen beschrijven het
beschikbare rechtsgevolg, niet de feitelijke onafhankelijkheid,
toegankelijkheid of intensiteit van de rechtspraak. Constitutionele toetsing
door de wetgever of een politieke raad wordt afzonderlijk vermeld. Een formele
bevoegdheid kan onder politieke druk praktisch weinig betekenen; omgekeerd kan
een rechtsorde zonder rechterlijke vernietigingsbevoegdheid over betekenisvolle
parlementaire en verdragsrechtelijke waarborgen beschikken.
Historische grondslag van het
Nederlandse verbod
Het Nederlandse verbod heeft zijn
oorsprong in de grondwetsherziening van 1848. De toen ingevoerde formulering
verklaarde wetten onschendbaar. De in parlementaire verantwoordelijkheid
verankerde wetgever zou zelf beoordelen of zijn wetten binnen de Grondwet
bleven. Achter die keuze lagen opvattingen over democratische legitimatie, de
taakverdeling tussen wetgever en rechter en de wens te voorkomen dat de rechter
uiteindelijk over politieke wetgevingskeuzes zou beslissen. De eerste
expliciete constitutionele verankering dateert dus niet van 1887. In de
herziening van 1983 kreeg de regel de huidige formulering van artikel 120, die
de rechter uitdrukkelijk verbiedt de grondwettigheid van wetten en verdragen te
beoordelen.
Deze institutionele keuze moet in haar
tijd worden geplaatst. De Amerikaanse hoogste rechter had aan het begin van de
negentiende eeuw al de bevoegdheid aanvaard om wetgeving wegens strijd met de
federale Grondwet niet toe te passen. Het Britse parlementaire stelsel stelde
juist de voorrang van de wetgever centraal. Het gespecialiseerde Europese
constitutionele hof ontstond pas veel later, met Oostenrijk in 1920 als
invloedrijk voorbeeld. Het Nederlandse model was daarom in 1848 niet
eenvoudigweg een achterstand ten opzichte van een toen reeds universele
praktijk. De relatieve uitzonderlijkheid ervan is vooral gegroeid doordat
constitutionele toetsing in de twintigste eeuw in veel rechtsordes is
uitgebouwd, onder meer na autoritaire regimes en bij de vorming van nieuwe
democratieën.
De ratio van het verbod heeft ook een
normatieve keerzijde. Parlementaire democratie kan een belangrijke
grondwettelijke waarborg zijn, maar een meerderheid beslist tevens over de
grenzen van haar eigen bevoegdheid wanneer haar wetten aan rechterlijke constitutionele
controle zijn onttrokken. Een adviserende Raad van State,
grondrechtenbeoordeling in de ministeriële voorbereiding en parlementaire
behandeling bieden dan controle vooraf. Zij herstellen echter niet steeds een
onvoorziene aantasting van rechten die pas bij toepassing van een geldende wet
zichtbaar wordt. Het verschil tussen controle vooraf en rechterlijke correctie
achteraf is voor de beoordeling van de Nederlandse situatie doorslaggevend.
Reikwijdte van artikel 120 en de
overblijvende toetsingsroutes
Artikel 120 van de Grondwet luidt dat de
rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en
verdragen. Bij wetten gaat het om wetten in formele zin: gezamenlijk tot stand
gekomen door regering en Staten-Generaal. Ook wanneer een concrete toepassing
vragen oproept over gelijkheid, vrijheid van meningsuiting of persoonlijke
levenssfeer, kan de rechter een formele wet niet op grond van een oordeel over
strijd met de Grondwet terzijde schuiven. Het verbod ziet eveneens op
constitutionele gebreken in de totstandkoming van dergelijke wetgeving. Voor
verdragen verhindert het de rechter hun grondwettigheid te beoordelen. De
parlementaire goedkeuring van verdragen, met de bijzondere tweederdemeerderheid
van artikel 91, derde lid, bij afwijking van de Grondwet, behoort tot de
constitutionele structuur van voorafgaande controle.
Niet iedere rechtsnorm heeft deze
bescherming. De rechter kan zelfstandige algemene maatregelen van bestuur,
ministeriële regelingen, provinciale en gemeentelijke verordeningen aan de
Grondwet en aan hogere wetgeving toetsen. De precieze ruimte hangt af van de
wettelijke grondslag: wanneer een lagere regeling de formele wet slechts
dwingend uitvoert, kan constitutionele toetsing van de regeling niet langs een
omweg de formele wet zelf haar werking ontnemen. Bestuursbesluiten zijn aan
vergelijkbare hogere normen en aan beginselen van behoorlijk bestuur gebonden.
Ook mag een rechter, binnen de grenzen van verdedigbare wetsuitleg, een
wettelijke bepaling zo interpreteren dat een constitutioneel conflict wordt
vermeden.
De Hoge Raad heeft in het
Harmonisatiewetarrest van 1989 de terughoudendheid uitgebreid tot toetsing van
een wet in formele zin aan ongeschreven fundamentele rechtsbeginselen. Dat
sluit niet uit dat bijzondere, door de wetgever niet verdisconteerde omstandigheden
bij de toepassing een andere benadering vragen; een dergelijke correctie mag
echter niet worden voorgesteld als een algemene bevoegdheid om de
grondwettigheid van wetten alsnog te beoordelen. Hieruit volgt dat de
Nederlandse rechter aanzienlijke interpretatieve ruimte kan hebben, terwijl het
eigenlijke beoordelingsverbod voor formele wetgeving intact blijft.
Internationaal recht doorbreekt dit
beeld op een andere rechtsgrond. Artikel 93 Grondwet regelt onder welke
voorwaarden bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke
organisaties na bekendmaking binnen de Nederlandse rechtsorde verbindende kracht
hebben. Artikel 94 verplicht de rechter wettelijke voorschriften buiten
toepassing te laten wanneer hun toepassing onverenigbaar is met eenieder
verbindende bepalingen van zulke internationale normen. Een beroep op een
rechtstreeks werkend grondrecht uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens kan dus gevolgen hebben voor een formele wet, ook wanneer een
vergelijkbaar beroep op een grondrecht uit de Nederlandse Grondwet door artikel
120 wordt geblokkeerd. Het recht van de Europese Unie kent daarnaast een eigen
voorrangs- en toepassingsregime; dat kan niet volledig tot de artikelen 93 en
94 worden herleid.
Deze gelaagde rechtsbescherming voorkomt
de conclusie dat burgers in Nederland tegenover de wetgever zonder rechterlijke
bescherming staan. Tegelijk maakt zij de effectiviteit van hun beroep
afhankelijk van de materiële dekking en directe toepasselijkheid van
verdragsrechten, of van het toepassingsbereik van het Unierecht.
Grondwettelijke bepalingen die anders geformuleerd zijn dan verdragsnormen,
institutionele bepalingen of rechten die internationaal geen nauw equivalent
kennen, kunnen niet zonder meer via een verdragsrechtelijke omweg worden
afgedwongen. De Grondwet verliest daardoor niet haar waarde als norm voor
politiek en bestuur, maar haar betekenis als zelfstandige rechterlijke
toetssteen voor formele wetgeving blijft beperkt.
Zwitserland en de beoordeling van
federale wetten
De Zwitserse Bondsgrondwet bepaalt in
artikel 190 dat federale wetten en internationaal recht voor het Bundesgericht
en andere rechtstoepassende instanties maatgevend zijn. Het hof duidt deze
bepaling uitdrukkelijk als een toepassingsplicht en niet als een verbod om de
grondwettigheid van een federale wet te onderzoeken. Het kan de strijdigheid
met de Grondwet onderkennen en in de motivering kenbaar maken, onder meer als
signaal aan de federale wetgever. In een geschil mag het een federale wet
wegens die strijdigheid in beginsel evenwel niet buiten toepassing laten.
Kantonnale wetgeving en, binnen de grenzen van delegatie en wet, federale
lagere regelgeving kunnen wel grondwettelijk worden beoordeeld met effectieve
rechtsgevolgen.
Dat onderscheid is scherper dan de vaak
gemaakte gelijkstelling met Nederland. Artikel 120 van de Nederlandse Grondwet
richt zich op de rechterlijke beoordeling zelf; artikel 190 van de Zwitserse
Bondsgrondwet laat die beoordeling toe maar beperkt in het geval van federale
wetten het rechtsgevolg. Het stelsel is bovendien niet een zuiver
onveranderlijke immuniteit voor federale wetgeving. Zwitserland verwerkt
internationaal recht in de nationale rechtsorde en kent in beginsel voorrang
aan rechtstreeks toepasbare internationale normen toe. Bij bewuste afwijking
door de wetgever bestaat de zogenoemde Schubert-uitzondering, terwijl
internationale mensenrechtenverplichtingen volgens de daarop ontwikkelde
uitzondering in beginsel hun voorrang behouden. Daardoor kunnen verdragsrechten
ook daar een conflict met federale wetgeving beslissend maken. De functionele
overeenkomst met de Nederlandse route via internationaal recht is reëel, maar
de leerstukken en rechtsgevolgen zijn verschillend.
Verenigd Koninkrijk en Nieuw-Zeeland
Voor wetten van het parlement te
Westminster geldt in het Verenigd Koninkrijk het uitgangspunt van parlementaire
soevereiniteit. Een rechter kan een duidelijke wet van Westminster niet
vernietigen wegens strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Human Rights Act 1998 verlangt wel zoveel mogelijk verdragsconforme uitleg
en biedt hogere rechters, als dat niet volstaat, de mogelijkheid een verklaring
van onverenigbaarheid uit te spreken. Zo’n verklaring verandert de geldigheid
of toepassing van de betrokken wet niet automatisch, maar zet de politieke
verantwoordelijkheid voor herstel scherper op de agenda. De verhouding met
specifieke voorrangsregels uit andere rechtsgebieden vereist een afzonderlijke
analyse; voor de hier besproken mensenrechtencontrole is juist dit verschil in
rechtsgevolg beslissend.
Het antwoord verandert bij wetgeving van
het Schotse parlement en, overeenkomstig hun eigen bevoegdheidskaders, de
parlementen van Wales en Noord-Ierland. Deze wetgevers kunnen slechts binnen de
hun toegekende bevoegdheden optreden. Strijd met toepasselijke verdragsrechten
kan buiten die bevoegdheid vallen, waardoor een rechter bepalingen van
gedecentraliseerde wetgeving ongeldig kan achten of buiten toepassing kan
laten. In AB v HM Advocate uit 2017 oordeelde het Britse Supreme Court dat een
bepaling van de Sexual Offences (Scotland) Act 2009 in de betrokken toepassing
niet verenigbaar was met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van
de Mens; het liet de beoordeling van de nadere gevolgen van dat oordeel aan de
bevoegde Schotse rechter. Het voorbeeld betreft dus wetgeving van het Schotse
parlement, niet een vernietiging van de Scotland Act 1998 of van een wet van
Westminster. Eén staat kan voor verschillende wetgevers tegelijk zwakke en
sterke rechterlijke controle kennen.
Nieuw-Zeeland kent eveneens een traditie
van parlementaire soevereiniteit. De New Zealand Bill of Rights Act 1990
bevordert rechtenconforme uitleg, maar bepaalt dat een rechter een wetsbepaling
niet uitsluitend wegens onverenigbaarheid met die rechten buiten toepassing mag
laten. Rechterlijke verklaringen van onverenigbaarheid bieden een kanaal voor
politiek vervolg. Net als in het Verenigd Koninkrijk moet het beoordelingsrecht
dus afzonderlijk worden bekeken van de vraag of de rechter de geldende wet vervolgens
opzij kan zetten. De aanwezigheid van rechtenargumenten in de rechtspraak maakt
deze systemen evenmin gelijk aan een stelsel waarin een ongrondwettige wet
automatisch haar rechtskracht verliest.
Verenigde Staten en Canada
In de Verenigde Staten kunnen gewone
federale en deelstatelijke rechters de grondwettigheid van toepasselijke
wetgeving beoordelen. Marbury v Madison uit 1803 wordt gewoonlijk gezien als de
klassieke formulering van de federale rechterlijke bevoegdheid om een met de
Grondwet strijdige wet in het concrete geschil buiten toepassing te laten. Het
Supreme Court is de hoogste uitlegger, maar het initiatief ligt vaak bij gewone
procespartijen in lagere instanties. De werking van een uitspraak reikt door
het gezag van precedent verder dan het individuele geding. Juist daarom gaat
het bij gespreide toetsing niet eenvoudig om een reeks uitsluitend individuele
uitzonderingen: de positie van een hoogste rechter en de bindende werking van
zijn uitspraken bepalen mede de algemene gevolgen.
Canada combineert toetsing door gewone
rechters met een geschreven constitutionele rechtenregeling in het Canadian
Charter of Rights and Freedoms. Rechters kunnen wettelijke voorschriften wegens
strijd met de Grondwet ongeldig verklaren of een passende remedie toekennen.
Een bijzonder mechanisme is de notwithstanding clause van artikel 33, waarmee
een federale of provinciale wetgever voor bepaalde, limitatief aangewezen
Charter-rechten gedurende ten hoogste vijf jaar uitdrukkelijk kan voorzien dat
een wet desondanks geldt; verlenging is mogelijk. De regeling maakt de relatie
tussen rechterlijke controle en parlementaire reactie concreet, zonder dat zij
alle grondrechten opzij kan zetten. Feitelijk gebruik van die bevoegdheid,
politieke verantwoording en rechterlijke interpretatie bepalen hoe sterk de
bescherming uitvalt.
Een gespreid systeem geeft
rechtzoekenden toegang via hun gewone procedure en benut bestaande
rechtscolleges, maar kan op rechtsverschillen tussen lagere rechters en langere
duur tot een richtinggevende hoogste uitspraak stuiten. Het vereist bovendien
heldere regels over procesbelang, toetsingsintensiteit, precedent en de
gevolgen voor eerder genomen beslissingen. Voor Nederland is het
vergelijkingspunt belangrijk: het ontbreken van een afzonderlijk
constitutioneel hof verhindert sterke toetsing geenszins, terwijl een dergelijk
hof op zichzelf evenmin garandeert dat burgers de procedure daadwerkelijk
kunnen bereiken.
Duitsland Frankrijk en Zuid-Afrika
Duitsland concentreert gezaghebbende
constitutionele beslissingen bij het Bundesverfassungsgericht. Gewone rechters
passen het grondwettelijk recht in hun procedures toe, maar leggen de vraag
naar de geldigheid van een formele wet die zij voor ongrondwettig houden langs
de voorgeschreven route aan het constitutionele hof voor. Ook constitutionele
klachten en abstracte toetsing door daartoe bevoegde staatsorganen behoren tot
het stelsel. Het Grundgesetz en de ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog
verklaren het gewicht van grondrechten en constitutionele grenzen voor de
democratische wetgever. Dit model combineert brede constitutionele argumentatie
met een centrale beslissing over de geldigheid van wetgeving. Toegangseisen en
ontvankelijkheidsselectie beperken evenwel hoeveel klachten tot een
inhoudelijke uitspraak leiden.
De Franse Conseil constitutionnel
belichaamde lange tijd vooral een voorafgaande controle van wetgeving.
Organieke wetten moeten vóór afkondiging worden voorgelegd; gewone wetten
kunnen in de grondwettelijk aangewezen gevallen door bevoegde politieke ambtsdragers
of een voldoende aantal parlementsleden worden aangebracht. Sinds de hervorming
van 2008, praktisch werkzaam vanaf 2010, bestaat daarnaast de question
prioritaire de constitutionnalité. In een lopende procedure kan de vraag of een
geldende wettelijke bepaling grondrechten schendt via de hoogste gewone of
administratieve rechter aan de Conseil constitutionnel worden voorgelegd. Een
bepaling die daarbij ongrondwettig wordt verklaard, verliest haar rechtskracht
op de datum van de beslissing of op een later door de Conseil bepaald tijdstip.
Frankrijk illustreert dat preventieve en latere concrete controle in één
gespecialiseerd stelsel kunnen samengaan.
Zuid-Afrika maakte constitutionele
suprematie tot dragend beginsel van de na de apartheid tot stand gekomen
Grondwet van 1996, die in 1997 in werking trad. De Bill of Rights bindt ook de
wetgever. Verschillende rechters kunnen constitutionele vragen behandelen,
terwijl het Constitutional Court een centrale positie inneemt en een
rechterlijke ongeldigverklaring van nationale of provinciale wetgeving moet
bevestigen voordat zij werking krijgt. De Grondwet maakt passende en
rechtvaardige rechtsgevolgen mogelijk, waaronder het tijdelijk opschorten van
een ongeldigverklaring om herstelwetgeving toe te laten. Het hof heeft ook
sociaal-economische rechten behandeld; in de zaak over het programma ter
voorkoming van overdracht van hiv van moeder op kind werd de overheid tot
aanpassing van haar beleid gehouden. Dit voorbeeld laat zien dat
constitutionele toetsing meer omvat dan het schrappen van wetsartikelen: zij
kan eveneens eisen stellen aan een overheidsprogramma en aan de uitvoering van
grondrechten.
Mondiale spreiding en de grenzen van
landenlijsten
Gespecialiseerde constitutionele
colleges komen in veel delen van de wereld voor. Een vergelijkend
institutioneel overzicht noemt meer dan tachtig landen met een constitutioneel
hof in een ruime betekenis die ook tribunalen en raden omvat. De World Conference
on Constitutional Justice vermeldt 125 aangesloten constitutionele hoven, raden
en hooggerechtshoven. Die 125 zijn instellingen van uiteenlopende aard en
vormen geen telling van afzonderlijke staten, laat staan een telling van
rechterlijke uitspraken waarbij wetten zijn vernietigd. Dat onderscheid is
wezenlijk bij elke bewering over de wereldwijde verbreiding van constitutionele
toetsing.
Een illustratieve lijst van landen en
rechtsordes waarin constitutionele toetsing of constitutionele controle in een
formele institutionele vorm voorkomt, luidt: Albanië, Angola, Armenië,
Oostenrijk, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, België, Benin, Bosnië en Herzegovina,
Bulgarije, Myanmar, Tsjaad, Chili, Colombia, de Democratische Republiek Congo,
Kroatië, Tsjechië, de Dominicaanse Republiek, Ecuador, Egypte, Gabon, Georgië,
Duitsland, Guatemala, Hongarije, Indonesië, Iran, Irak, Italië, Jordanië,
Kazachstan, Zuid-Korea, Kosovo, Koeweit, Kirgizië, Letland, Libanon, Litouwen,
Luxemburg, Malta, Moldavië, Mongolië, Montenegro, Niger, Noord-Macedonië,
Pakistan, Palestina, Peru, Polen, Portugal, Roemenië, Rusland, San Marino,
Servië, Singapore, Slowakije, Slovenië, Zuid-Afrika, Spanje, Suriname, Taiwan,
Tadzjikistan, Thailand, Turkije, Oeganda, Oekraïne, Oezbekistan, Zambia en
Zimbabwe.
Deze opsomming is uitdrukkelijk geen
lijst van landen met één identiek gespecialiseerd hof. In Iran verricht de
Guardian Council een grotendeels preventieve, institutioneel anders ingerichte
controle; in Singapore kunnen gewone rechters constitutionele vragen beoordelen
zonder afzonderlijk hof. Sommige genoemde colleges bestaan formeel terwijl hun
feitelijke onafhankelijkheid of effectieve toegang omstreden is, en in enkele
gevallen is de constitutionele praktijk door conflict of uitzonderlijk
staatsbestuur ingrijpend beperkt. Ook de staatsrechtelijke positie en
internationale erkenning van Kosovo, Palestina en Taiwan vereisen een
afzonderlijke omschrijving wanneer een telling van staten wordt beoogd. Deze
heterogeniteit sluit eenvoudige conclusies uit de lengte van de lijst uit.
Aan de illustratie moeten onder meer de
Verenigde Staten, Canada, Australië, India, Japan, Ierland en verscheidene
Noord-Europese rechtsordes worden toegevoegd als voorbeelden waar gewone
hoogste gerechten of andere gewone rechters constitutionele toetsing verrichten
zonder een vergelijkbaar gespecialiseerd hof. Frankrijk is een belangrijk
voorbeeld van een gespecialiseerde constitutionele raad die in sommige beperkte
hoflijsten ontbreekt. Schattingen als 'ongeveer dertig landen zonder
constitutionele toetsing' of 'ruim honderdzestig met toetsing' vereisen
daarentegen een complete, actueel gecodeerde landenstudie met een vaste
definitie van beoordeling, rechtsgevolg en staat. Die studie is hier niet
uitgevoerd; zulke getallen worden daarom niet als onderzoeksuitkomst
gepresenteerd.
De rechtspraktijk en haar meetproblemen
Een grondwettelijke bevoegdheid zegt
weinig over haar gebruik zonder gegevens over procespartijen, procesdrempels,
de frequentie van inhoudelijke toetsing en de naleving van uitspraken. Bij
Duitsland worden jaarlijks grote aantallen constitutionele klachten ingediend,
maar een klacht tegen een individuele rechterlijke beslissing is geen
rechterlijke ongeldigverklaring van een wet. Het jaaroverzicht van het Supreme
Court of Canada vermeldt voor 2025 zesenveertig gewezen uitspraken; dit is het
totaal van uiteenlopende zaken en geen aantal constitutionele vernietigingen.
Het cijfer kan dus niet rechtstreeks naast het aantal Duitse klachten worden
geplaatst of als bewijs voor vaker dan wel minder vaak toetsen in Canada
dienen.
Een verantwoorde praktijkvergelijking
zou voor dezelfde periode en op hetzelfde niveau onder meer moeten vastleggen
hoeveel grondwettelijke bezwaren worden aangevoerd, hoeveel zaken ontvankelijk
zijn, hoeveel tot een inhoudelijk oordeel over wetgeving leiden, welke maatstaf
de rechter toepast en welk rechtsgevolg volgt. Daarnaast zijn de duur van
procedures, proceskosten, beschikbaarheid van rechtsbijstand en de reactie van
regering en parlement relevant. In rechtsordes met gespreide toetsing moeten
uitspraken van lagere rechters en hoogste rechters afzonderlijk worden
gecodeerd; in geconcentreerde stelsels horen verwijzingen door gewone rechters
bij het totaalbeeld. Cijfers over verzoeken, beslissingen en vernietigde
wetsbepalingen mogen niet zonder passende noemer worden vergeleken.
Ook voor Nederland volstaat een
nulwaarde voor uitspraken waarin een formele wet op grond van artikel 120 aan
de Grondwet wordt getoetst niet als maat voor de rechtsbescherming. Rechtszaken
tegen lagere regelgeving, verdragsrechtelijke oordelen over formele wetten,
toetsing aan Unierecht en interpretatie van wetgeving zijn andere categorieën.
Wel ontbreekt de specifieke route waarbij de Nederlandse Grondwet zelf de
beslissende rechterlijke maatstaf tegenover een wet in formele zin vormt. De
rechtsstatelijke betekenis van dat gemis is afhankelijk van de vraag welke
gevallen door andere routes worden opgevangen en welke wegens ontbrekende
dekking of toegang buiten beeld blijven. Zonder systematische dossierstudie
valt het aantal van die laatste gevallen niet betrouwbaar vast te stellen.
Hervorming in Nederland
Voor invoering van rechterlijke toetsing
bestaan uiteenlopende ontwerpen. Een eerste keuze is de toetsingsmaatstaf.
Beperking tot klassieke grondrechten uit hoofdstuk 1 van de Grondwet vermindert
de reikwijdte en sluit aan bij individuele procedures, maar laat vragen over
staatsinrichting, grondwettelijke wetgevingsprocedures en sommige sociale
rechten buiten een nieuwe rechterlijke toetsing. Een ruimere toets kan ook
bevoegdheidsverdelingen en beginselen van democratische besluitvorming
omvatten. Voor beide varianten is nodig dat voldoende duidelijk is wanneer een
beperking van een grondrecht gerechtvaardigd is. Waar grondwetsartikelen vooral
bepalen welk orgaan bevoegd is een recht te beperken, voegt een expliciete
maatstaf van proportionaliteit inhoudelijke toetsing toe en verandert zij de
ruimte die de rechter werkelijk krijgt.
Een tweede keuze is de organisatie.
Gespreide toetsing door alle rechters sluit aan op de bestaande Nederlandse
ervaring met rechtstreeks werkende verdragen en toepasselijk Unierecht. Zij kan
een constitutionele vraag opnemen in een reeds lopende bestuursrechtelijke,
civiele of strafrechtelijke procedure. Een afzonderlijk constitutioneel hof kan
juist eenheid, gespecialiseerde deskundigheid en heldere beslissingen met
algemene werking bevorderen, maar vergt keuzes over benoeming, toegang,
verhouding tot hoogste reguliere rechters en doorlooptijd. Een hybride stelsel
met verwijzingsvragen kan uniformiteit combineren met toegang via gewone
procedures. Het institutionele etiket beslist echter minder dan de precieze
procesregels.
Een derde keuze betreft de remedie. Het
buiten toepassing laten van de wet in een individueel geval kan onmiddellijk
rechtsherstel bieden, maar een vergelijkbaar conflict voor andere burgers laten
voortbestaan. Algemene vernietiging biedt duidelijkheid, maar kan reeds genomen
besluiten en financiële stelsels ontregelen. Een tijdelijke handhaving van
rechtsgevolgen of uitgestelde ongeldigverklaring kan de wetgever tijd voor
herstel geven, mits de positie van de procederende burger en van andere
benadeelden voldoende is geregeld. Ook de vraag of een rechter alleen een
uitzonderlijke toepassing corrigeert of het wetsvoorschrift zelf aantast,
verdient een expliciete wettelijke of grondwettelijke oplossing.
Het Nederlandse politieke debat heeft
beide institutionele richtingen verkend. Een contourennota uit februari 2025
besprak zowel aanpassing van het toetsingsverbod als de oprichting van een
grondwettelijk hof. Het voorstel dat de regering in juni 2026 voor advies aan
de Raad van State van het Koninkrijk voorlegde, kiest voor rechterlijke
toetsing van wetten aan aangewezen klassieke grondrechten en voor een
aanvullende algemene beperkingsmaatstaf. Daarmee wordt beoogd dat
rechtzoekenden een mogelijke strijdigheid aan de rechter kunnen voorleggen, die
de betreffende wet in hun zaak buiten toepassing kan laten; het voorliggende
model voorziet niet in de oprichting van een apart constitutioneel hof. Op 20
september 2026 was het voorstel nog in de adviesfase. Een grondwetswijziging
vereist vervolgens de procedure van artikel 137 Grondwet, met behandeling in
twee lezingen en in de tweede lezing een tweederdemeerderheid in beide Kamers.
Deze beleidsrichting mag daarom niet met het huidige recht worden verward.
De voornaamste potentiële meerwaarde
ligt in zelfstandige grondwettelijke rechtsbescherming, in beter zichtbare
constitutionele motivering bij de wetgever en in de mogelijkheid om bijzonder
Nederlandse grondrechten niet uitsluitend door de bril van het EVRM te
bekijken. Daartegenover staan institutionele keuzes die parlement en rechter
zorgvuldig moeten verdelen: de mate van rechterlijke terughoudendheid bij
complexe maatschappelijke afwegingen, gelijke toegang tot procedures en de
voorspelbaarheid van de rechtsgevolgen. De buitenlandse voorbeelden leveren
voor Nederland geen kant-en-klaar model op. Zij tonen wel dat een precieze
regeling van maatstaf, toegang en remedie zwaarder weegt dan een keuze voor of
tegen het woord 'constitutioneel hof'.
Conclusie
Artikel 120 Grondwet blijft
internationaal vooral opmerkelijk door zijn uitdrukkelijke verbod op de
rechterlijke beoordeling van de grondwettigheid van wetten in formele zin en
verdragen. Het verbod maakt de Nederlandse rechter niet blind voor constitutionele
vragen in het algemeen: lagere regelgeving kan worden getoetst en verdragsrecht
en Unierecht kunnen de toepassing van formele wetgeving begrenzen. Toch blijft
de Grondwet zelf voor die laatste wetgevingscategorie geen gewone zelfstandige
rechterlijke maatstaf. Zwitserland staat een grondwettelijke beoordeling van
federale wetten toe maar schrijft in beginsel toepassing voor; het Verenigd
Koninkrijk differentieert tussen Westminster en gedecentraliseerde parlementen;
andere rechtsordes kennen uiteenlopende vormen van sterke, gespreide of
geconcentreerde toetsing.
De vergelijking berust op een doelgerichte
selectie en rechtvaardigt geen exacte mondiale landentelling of een
ongekwalificeerde uitspraak over de frequentie van rechterlijke ingrepen. Zij
maakt wel zichtbaar welke vragen een Nederlandse hervorming moet beantwoorden:
welke grondwettelijke bepalingen bindend toetsbaar worden, hoe een schending
wordt vastgesteld, voor wie de procedure toegankelijk is en wat een rechterlijk
oordeel doet met de wet en met reeds ontstane rechtsposities. Een toekomstig
stelsel versterkt de rechtsbescherming slechts in de mate waarin deze
onderdelen ook in de rechtspraktijk samenhangend functioneren.
Bibliografie
Bui, Ngoc Son (2025), ‘Mixed Review of
Constitutional Rights in Cuba’, Northwestern Journal of Human Rights 23,
p. 153 e.v. https://scholarlycommons.law.northwestern.edu/njihr/vol23/iss3/1/
Bundesrepublik Deutschland.
Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland, in het bijzonder de bepalingen
over het Bundesverfassungsgericht en rechterlijke verwijzing. https://www.gesetze-im-internet.de/englisch_gg/englisch_gg.html
Conseil constitutionnel en
République française. Constitution du 4 octobre 1958, artikelen 61, 61-1 en
62. https://www.legifrance.gouv.fr/loda/id/JORFTEXT000000571356/
Constitutional Court of South Africa. Minister of
Health v Treatment Action Campaign (No 2) [2002] ZACC 15. https://collections.concourt.org.za/items/c68da9b9-e589-4952-acf4-df7b326fb1ba
Council of Europe, Venice Commission. World
Conference on Constitutional Justice: institutionele beschrijving en
aangesloten colleges. https://www.coe.int/en/web/venice-commission/wccj
Eidgenössisches Departement für auswärtige
Angelegenheiten. Das Verhältnis von
Völkerrecht und Landesrecht, 2026. https://www.eda.admin.ch/de/das-verhaeltnis-von-voelkerrecht-und-landesrecht
Federal Judicial Center, ‘Constitutional Courts’,
Judiciaries Worldwide. https://judiciariesworldwide.fjc.gov/constitutional-courts
Federal Supreme Court of Switzerland. Arrest 6P.62/2007 van 27 oktober 2007, over artikel 190
van de Bondsgrondwet. https://search.bger.ch/ext/eurospider/live/de/php/aza/http/index.php?highlight_docid=aza%3A%2F%2F27-10-2007-6P-62-2007&lang=it&print=yes&type=show_document
Ginsburg, Tom en Mila Versteeg (2014), ‘Why Do
Countries Adopt Constitutional Review?’, The Journal of Law, Economics,
& Organization 30(3), p. 587–622. https://academic.oup.com/jleo/article-abstract/30/3/587/881605
Government of Canada. Constitution Acts 1867 to
1982, Canadian Charter of Rights and Freedoms, in het bijzonder artikel 33. https://laws-lois.justice.gc.ca/eng/const/page-12.html
Government of the United Kingdom. Human Rights
Act 1998. https://www.legislation.gov.uk/ukpga/1998/42/contents
Government of the United Kingdom. Scotland Act
1998. https://www.legislation.gov.uk/ukpga/1998/46/contents
Grondwet voor het Koninkrijk der
Nederlanden, artikelen 91, 93, 94, 120 en 137. https://wetten.overheid.nl/BWBR0001840/2023-02-22
Hoge Raad der Nederlanden.
Harmonisatiewetarrest, 14 april 1989, NJ 1989/469, ECLI:NL:HR:1989:AD5725. https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:1989:AD5725
Koninkrijk der Nederlanden, Grondwet,
in het bijzonder artikelen 93, 94 en 120; officiële Engelse uitgave van de
tekst uit 2018.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Kamerbrief contourennota constitutionele toetsing, 21
februari 2025. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/02/21/kamerbrief-over-contourennota-constitutionele-toetsing
Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties. Kabinet stuurt wetsvoorstel constitutionele toetsing naar
Raad van State, 26 juni 2026. https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2026/06/26/kabinet-stuurt-wetsvoorstel-constitutionele-toetsing-naar-raad-van-state
National Archives (Verenigde Staten).
Marbury v. Madison, 1803: historische en juridische toelichting. https://www.archives.gov/milestone-documents/marbury-v-madison
Nieuw-Zeeland, New Zealand Bill of
Rights Act 1990, in het bijzonder artikelen 4–7. https://www.legislation.govt.nz/act/public/1990/109/en/latest/#DLM224792
Nieuw-Zeelands ministerie van Justitie, ‘The Bill
of Rights Act’. https://www.justice.govt.nz/justice-sector-policy/constitutional-issues-and-human-rights/the-bill-of-rights-act
Raad van State. Zienswijze
constitutionele toetsing van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak,
22 april 2022. https://www.raadvanstate.nl/publicaties/consultaties/constitutionele-toetsing/
Reed, Lord (2026), Mechanisms of
Constitutional Review, uiteenzetting voor het bilaterale overleg met het
Italiaanse Constitutionele Hof, 10 juli 2026. https://supremecourt.uk/uploads/speech_lord_reed_15072026_bf12b86dd4.pdf
Republic of South Africa, Department of Justice
and Constitutional Development. Constitution of the Republic of South Africa,
1996, in het bijzonder hoofdstukken 1, 2 en 8.
https://www.justice.gov.za/legislation/constitution/SAConstitution-web-eng.pdf
Schweizerische
Eidgenossenschaft, Bundesverfassung der Schweizerischen Eidgenossenschaft,
in het bijzonder artikel 190.
Supreme Court of Canada. 2025 Year in Review,
processtatistieken. https://www.scc-csc.ca/about-apropos/work-travail/review-retro/2025/
Supreme Court of the United Kingdom. AB v HM Advocate [2017] UKSC 25.
https://supremecourt.uk/uploads/uksc_2016_0083_judgment_8566eece6b.pdf
UK Parliament, ‘Parliament’s Authority’. https://www.parliament.uk/about/how/role/sovereignty
Van der Schyff, Gerhard (2020), ‘The Prohibition
on Constitutional Review by the Judiciary in the Netherlands in Critical
Perspective: The Case and Roadmap for Reform’, German Law Journal 21(5),
p. 884–903. https://www.cambridge.org/core/journals/german-law-journal/article/prohibition-on-constitutional-review-by-the-judiciary-in-the-netherlands-in-critical-perspective-the-case-and-roadmap-for-reform/170788EBDC4F5BD9B1CC8D19A3E6E6C9
Venetië-Commissie, ‘World Conference on
Constitutional Justice’ https://www.coe.int/en/web/venice-commission/wccj
en ‘Members of the World Conference on Constitutional Justice’. https://www.coe.int/en/web/venice-commission/members1
Wetgevingskalender, dossier
'Constitutionele toetsing', geraadpleegd 20 september 2026. https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK026600

Reacties
Een reactie posten