Belasten we vermogensgroei wanneer zij ontstaat of pas wanneer zij wordt verzilverd?

 

Belasten wat groeit of wat wordt verzilverd?

Vermogensaanwasbelasting, vermogenswinstbelasting en fiscale rechtvaardigheid vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel

Aanleiding

Naar aanleiding van een bericht op LinkedIn werd mij gevraagd welke belasting vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel het meest wenselijk is: een vermogensaanwasbelasting of een vermogenswinstbelasting. Op het eerste gezicht lijkt het verschil vooral technisch. In beide gevallen wordt beoogd het werkelijke rendement op vermogen te belasten. Het beslissende verschil is het moment waarop waardestijgingen in de heffing worden betrokken. Juist dat moment heeft echter ingrijpende gevolgen voor gelijkheid, liquiditeit, investeringsgedrag, uitvoerbaarheid, rechtszekerheid en de verdeling van maatschappelijke macht.

De vraag kan daarom niet uitsluitend fiscaal-economisch worden beantwoord. Zij vraagt ook om een juridische, sociaalwetenschappelijke, gedragswetenschappelijke en politiek-filosofische analyse. Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel staat bovendien niet alleen de belastingopbrengst centraal. De maatstaf is of het belastingstelsel bijdraagt aan autonomie, gelijkwaardigheid, participatie, bestaanszekerheid, intergenerationele rechtvaardigheid, ecologische duurzaamheid en institutionele corrigeerbaarheid.

De kernconclusie van dit artikel luidt dat geen van beide stelsels in zuivere vorm voor alle vermogensbestanddelen overtuigt. Voor liquide en betrouwbaar waardeerbare bezittingen heeft een vermogensaanwasbelasting de sterkste normatieve papieren. Voor illiquide en moeilijk waardeerbare bezittingen ligt een vermogenswinstbelasting meer voor de hand. Het meest wenselijk is daarom een gedifferentieerd hybride stelsel, ingebed in een bredere fiscale architectuur.

1. Twee belastingen op rendement, niet op het vermogen zelf

Een vermogensaanwasbelasting belast jaarlijks zowel de directe opbrengsten van vermogen, zoals rente, dividend en huur, als de positieve of negatieve waardeverandering van bezittingen. Bij beursgenoteerde aandelen wordt bijvoorbeeld het verschil tussen de marktwaarde aan het begin en aan het einde van het jaar vastgesteld, gecorrigeerd voor aankopen, verkopen en stortingen. Verkoop is niet nodig om belastingheffing te laten ontstaan. Internationaal wordt dit aangeduid als accrual taxation of mark-to-market taxation.

Een vermogenswinstbelasting belast de waardestijging in beginsel pas wanneer deze wordt gerealiseerd, doorgaans door verkoop. De belastbare winst is dan het verschil tussen de verkoopopbrengst en de fiscale verkrijgingsprijs, rekening houdend met relevante kosten. Direct ontvangen rente, dividend of huur kan ondertussen wel jaarlijks worden belast. Internationaal spreekt men van realisation-based capital gains taxation.

Beide stelsels moeten worden onderscheiden van een vermogensbelasting. Een vermogensbelasting belast periodiek de netto waarde van het vermogen zelf, ongeacht het daadwerkelijk behaalde rendement. Iemand met een vermogen van één miljoen euro betaalt dan bijvoorbeeld belasting over dat vermogen, ook als de bezittingen in het betreffende jaar geen inkomsten of waardestijging hebben opgeleverd.

Het verschil kan met een eenvoudig voorbeeld worden verduidelijkt. Iemand koopt voor €100.000 aan aandelen. Aan het einde van het eerste jaar zijn deze €130.000 waard. In het tweede jaar daalt de waarde naar €105.000 en worden de aandelen verkocht.

MomentVermogensaanwasbelastingVermogenswinstbelasting
Jaar 1Belastbare aanwas: €30.000Geen belastbare winst
Jaar 2Verlies: €25.000Belastbare winst bij verkoop: €5.000
Totaal over twee jaarPer saldo €5.000€5.000

Als verliezen volledig en onmiddellijk verrekenbaar zijn en hetzelfde tarief geldt, kan de totale nominale grondslag uiteindelijk gelijk zijn. Economisch en maatschappelijk zijn de stelsels desondanks niet gelijk. Bij vermogensaanwas wordt de belasting eerder betaald, terwijl de belegger nog niet over een verkoopopbrengst beschikt. Bij vermogenswinst blijft de belasting uitgesteld en kan ook het bedrag dat later als belasting moet worden betaald voorlopig rendement opleveren. Het verschil betreft dus niet alleen administratie, maar ook liquiditeit, risico, rente-op-rente en zeggenschap over het heffingsmoment.

2. Het economische perspectief: neutraliteit tegenover liquiditeit

2.1 Het lock-ineffect van een vermogenswinstbelasting

Het klassieke economische bezwaar tegen een vermogenswinstbelasting is het lock-ineffect. Wie een sterk in waarde gestegen belegging verkoopt, activeert de belastingclaim. Het kan daarom fiscaal aantrekkelijk zijn de belegging aan te houden, zelfs als een andere investering productiever, duurzamer of beter gespreid zou zijn. De belasting beïnvloedt zo de keuze om vermogen te verplaatsen.

Daarbij ontstaat een uitstelvoordeel. Wie langdurig niet verkoopt, beschikt feitelijk over renteloos belastinguitstel. Vooral vermogende beleggers kunnen hun consumptie of nieuwe investeringen bovendien financieren door te lenen tegen de waarde van hun bezittingen. Zij kunnen daardoor economische voordelen uit hun vermogensgroei genieten zonder de onderliggende winst fiscaal te realiseren.

Een vermogensaanwasbelasting beperkt deze timingmacht. De belasting hangt niet af van de beslissing om wel of niet te verkopen. Daardoor worden beleggingen minder snel uitsluitend om fiscale redenen vastgehouden. De economische literatuur verbindt dit met de brede Haig-Simons-opvatting van inkomen: inkomen bestaat uit consumptie plus de verandering van het vermogen gedurende een periode.

Dit betekent niet dat vermogensaanwas onder alle omstandigheden economisch superieur is. Arachi en D’Antoni laten zien dat de uiteindelijke efficiëntievergelijking mede afhangt van de gevolgen voor consumptie door de tijd heen en dat geen algemene rangorde mogelijk is. De berekende efficiëntieverschillen kunnen bovendien relatief klein zijn. Het debat moet daarom niet worden gereduceerd tot de stelling dat alleen vermogenswinst gedrag verstoort. Ook een jaarlijkse heffing beïnvloedt sparen, risico en investeringshorizonten. Het onderzoek is gepubliceerd in Fiscal Studies.

2.2 Liquiditeit en gedwongen verkoop

Het belangrijkste praktische bezwaar tegen vermogensaanwas is dat economische waardegroei niet hetzelfde is als beschikbare liquiditeit. Een belegger kan op papier rijker zijn geworden zonder geld te hebben ontvangen. Als de belasting niet uit ander inkomen of liquide vermogen kan worden betaald, kan verkoop noodzakelijk worden.

Bij breed verhandelbare aandelen is dit probleem meestal beheersbaar: een klein deel van de portefeuille kan worden verkocht. De situatie verandert bij een verhuurde woning, familieonderneming, kunstcollectie, landbouwgrond of belang in een start-up. Daar kan een jaarlijkse waardestijging onzeker zijn, terwijl verkoop onmogelijk, ongewenst of economisch schadelijk is.

De term “papieren winst” kan overigens misleidend zijn. Een beursgenoteerd aandeel dat aantoonbaar in waarde is gestegen, vertegenwoordigt een reële economische vermogensverbetering. De winst is alleen nog niet liquide en kan later weer verdwijnen. Het probleem is dus niet dat de waardestijging noodzakelijk fictief is, maar dat waardering, beschikbaarheid van geld en definitieve draagkracht uit elkaar kunnen lopen.

2.3 Waardering en informatie

Vermogensaanwas is relatief eenvoudig wanneer een betrouwbare marktprijs beschikbaar is. Banken en financiële instellingen kunnen begin- en eindwaarden rapporteren. Voor niet-beursgenoteerde aandelen en uniek vastgoed bestaat echter geen voortdurend waarneembare marktprijs. Waardering vereist dan aannames, taxaties en discussie over minderheidskortingen, toekomstige winsten en verkoopbeperkingen.

Een vermogenswinstbelasting verschuift dit probleem gedeeltelijk naar het verkoopmoment, wanneer een marktprijs beschikbaar komt. Zij maakt de administratie echter niet vanzelf eenvoudig. De oorspronkelijke verkrijgingsprijs moet soms tientallen jaren worden bijgehouden. Fusies, splitsingen, herbeleggingen, schenkingen, emigratie, huwelijk, scheiding en overlijden vragen om gedetailleerde regels. Ook moet worden bepaald welke gebeurtenis als realisatie geldt.

2.4 Verliezen en volatiliteit

Een rechtvaardige vermogensaanwasbelasting vereist symmetrische behandeling van winsten en verliezen. Als de overheid onmiddellijk deelt in winsten, maar verliezen alleen beperkt of pas veel later kunnen worden verrekend, ontstaat een asymmetrisch stelsel. Dat is vooral problematisch bij volatiele beleggingen.

Voorwaartse verliesverrekening is niet altijd voldoende. Wie na een uitzonderlijk goed jaar belasting betaalt en vervolgens een groot verlies lijdt, kan zijn eerdere belasting alleen terugkrijgen als achterwaartse verrekening mogelijk is. Zonder teruggaaf draagt de belastingplichtige het neerwaartse risico, terwijl de overheid wel onmiddellijk participeert in de opwaartse beweging.

Ook een vermogenswinstbelasting kent asymmetrie. Belastingplichtigen kunnen winsten uitstellen en verliezen juist snel realiseren. Dat maakt belastingplanning mogelijk en kan de jaarlijkse opbrengst grillig en moeilijk voorspelbaar maken.

2.5 Inflatie

Beide stelsels kunnen nominale in plaats van reële winsten belasten. Wanneer een bezit door inflatie drie procent in waarde stijgt terwijl de koopkracht gelijk blijft, is er economisch geen reële vermogensgroei. Toch kan een belastingclaim ontstaan. Indexering van de verkrijgingsprijs of een vrijstelling voor het normale rendement kan dit verminderen, maar maakt het stelsel ingewikkelder. Een niet-geïndexeerd stelsel treft lang aangehouden bezittingen en periodes van hoge inflatie relatief zwaar.

3. Het juridische perspectief: draagkracht, gelijkheid en rechtszekerheid

Vanuit het draagkrachtbeginsel heeft vermogensaanwas een sterke rechtvaardiging: een objectief toegenomen vermogenspositie vergroot in economische zin de mogelijkheid om bij te dragen. Twee mensen met dezelfde jaarlijkse vermogensgroei worden dan in beginsel gelijk belast, ongeacht of één van hen verkoopt en de ander niet.

Een vermogenswinstbelasting sluit daarentegen beter aan bij liquide draagkracht. Belasting wordt geheven wanneer daadwerkelijk geld of een andere tegenprestatie beschikbaar komt. Dat kan voor burgers begrijpelijker en beter voorspelbaar zijn.

Het gelijkheidsbeginsel werkt dus in twee richtingen. Vermogensaanwas bevordert gelijke behandeling van economisch gelijke rendementen. Vermogenswinst voorkomt dat mensen met dezelfde waardegroei maar sterk verschillende liquiditeitsposities identiek worden behandeld. Werkelijke gelijkwaardigheid kan daarom differentiatie vereisen.

Ook het eigendomsrecht is relevant. Belastingheffing is een legitieme regulering van eigendom, maar zij moet een redelijke verhouding bewaren tussen het algemene belang en de individuele belastingdruk. Een stelsel dat structureel tot verkoop van illiquide bezittingen dwingt, kan juridisch en maatschappelijk kwetsbaar worden. Omgekeerd kan een vermogenswinstbelasting die langdurig of zelfs definitief uitstel mogelijk maakt moeilijk verenigbaar zijn met horizontale gelijkheid en een evenwichtige belastingdruk.

Rechtszekerheid vraagt verder om stabiele waarderingsregels, duidelijke verliesverrekening, voorspelbare tarieven en begrijpelijke realisatiemomenten. Een theoretisch zuiver stelsel kan rechtsstatelijk tekortschieten wanneer burgers hun positie niet kunnen bepalen of de Belastingdienst de regels niet consistent kan uitvoeren.

4. Het gedragswetenschappelijke perspectief: ervaren rechtvaardigheid telt

Mensen ervaren belasting over niet-verkochte waardestijgingen vaak anders dan belasting over ontvangen loon, rente of verkoopwinst. Dit hangt samen met mentale boekhouding: zolang niet is verkocht, wordt een koersstijging psychologisch nog niet als beschikbaar inkomen beschouwd. Verliesaversie versterkt dit effect. Belasting betalen over een stijging die later verdampt, wordt als bijzonder onrechtvaardig ervaren, zelfs wanneer verliesverrekening juridisch mogelijk is.

Die perceptie kan niet eenvoudig als financieel onbegrip terzijde worden geschoven. Een belastingstelsel berust mede op vertrouwen, begrijpelijkheid en vrijwillige naleving. Wanneer burgers structureel niet begrijpen waarom zij belasting verschuldigd zijn, neemt de afstand tussen systeemrationaliteit en leefwereld toe.

Een vermogenswinstbelasting sluit beter aan bij de intuïtie dat pas belasting wordt betaald wanneer iemand daadwerkelijk “winst heeft genomen”. Daar staat tegenover dat het publieke draagvlak eveneens kan worden aangetast wanneer zeer vermogende personen hun belastingheffing jarenlang kunnen uitstellen terwijl hun economische macht zichtbaar groeit.

Rechtvaardigheidsbeleving is daarom geen argument voor één stelsel, maar een ontwerpopgave. Heldere communicatie, vooraf ingevulde gegevens, liquide betalingsmogelijkheden en zichtbaar symmetrische verliesbehandeling zijn wezenlijke onderdelen van legitimiteit.

5. Verdelingseffecten en maatschappelijke macht

Vermogen heeft een positieve maatschappelijke functie. Het kan mensen beschermen tegen tegenslag, zelfstandigheid vergroten, ondernemerschap mogelijk maken en afhankelijkheid van overheid of werkgever verminderen. Een belastingstelsel mag brede vermogensvorming daarom niet ontmoedigen alsof iedere vorm van bezit een maatschappelijk probleem is.

Tegelijkertijd is vermogen meer dan uitgestelde consumptie. Groot vermogen verschaft toegang tot betere huisvesting, onderwijs, juridisch advies, investeringsmogelijkheden, informatie en politieke invloed. Het kan zichzelf versterken en over generaties worden overgedragen. Piketty heeft laten zien hoe structurele verschillen tussen vermogensrendement en economische groei vermogensconcentratie kunnen bevorderen. Vanuit Rawls’ gedachte van eerlijke kansengelijkheid is relevant dat levensmogelijkheden niet in overheersende mate door afkomst en geërfd vermogen worden bepaald.

Een vermogenswinstbelasting kan de concentratie versterken wanneer grote beleggers langdurig kunnen uitstellen. Het uitstelvoordeel groeit met de omvang en duur van het vermogen. Kleine beleggers moeten vaker verkopen voor consumptie, woningverwerving of onverwachte uitgaven en realiseren daardoor eerder hun winst. Zeer vermogenden kunnen bezittingen langer aanhouden en tegen hun portefeuille lenen.

Een vermogensaanwasbelasting verkleint dit verschil in timingmacht, maar kan kleine en middelgrote beleggers relatief zwaar raken als geen ruime vrijstelling of progressiviteit bestaat. Voor iemand die beperkt vermogen opbouwt voor bestaanszekerheid kan jaarlijkse belasting een wezenlijk ander effect hebben dan voor iemand met een zeer grote, gediversifieerde portefeuille.

De relevante tegenstelling is daarom niet eenvoudig die tussen “vermogen” en “geen vermogen”. Er moet worden onderscheiden tussen vermogen als basis voor autonomie en vermogen als bron van zichzelf versterkende en nauwelijks corrigeerbare macht.

6. De actuele Nederlandse context

Nederland staat midden in deze keuze. Het voorstel voor de Wet werkelijk rendement box 3 kiest als hoofdregel voor een vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en aandelen of winstbewijzen in startende ondernemingen geldt een vermogenswinstbelasting. Reguliere inkomsten, zoals rente, dividend en huur, worden in beginsel jaarlijks belast. Daarmee is het wetsvoorstel zelf al een hybride stelsel dat rekening probeert te houden met verschillen in liquiditeit en waardeerbaarheid. De Rijksoverheid licht de opzet hier toe.

De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan. Per 4 september 2026 was de behandeling in de Eerste Kamer nog niet afgerond. Het kabinet beschouwt het voorstel nog steeds als basis voor invoering per 1 januari 2028, maar onderzoekt zowel verbeteringen binnen de vermogensaanwasbelasting als een verdere ontwikkeling naar vermogenswinstbelasting. De Eerste Kamer wacht daarbij op aangekondigde aanpassingen. De actuele parlementaire stand is te volgen in het dossier van de Eerste Kamer.

De Afdeling advisering van de Raad van State waarschuwde dat het voorgestelde stelsel veel complexer wordt, een groot beroep doet op het doenvermogen van burgers en ingrijpende gevolgen heeft voor de uitvoering en het toezicht. Zij miste bovendien een integrale visie op de belasting van vermogen en op de plaats van box 3 binnen de totale belastingmix. Het advies onderstreept dat rechtmatigheid, uitvoerbaarheid, eenvoud en opbrengst gezamenlijk moeten worden gewogen.

Internationaal is belastingheffing bij realisatie veel gebruikelijker dan jaarlijkse belasting van waardestijgingen. De OECD constateerde dat vermogenswinsten vrijwel overal op realisatiebasis worden belast. Dat bewijst niet dat dit stelsel normatief beter is, maar het maakt internationale afstemming, grensoverschrijdende situaties en uitvoeringspraktijk wel relevant. Zie de OECD-studie Taxation of Household Savings.

7. Andere vormen van vermogensbelasting

De keuze tussen vermogensaanwas en vermogenswinst is te beperkt wanneer zij wordt losgemaakt van de gehele fiscale architectuur. Verschillende heffingen hebben verschillende functies.

HeffingsvormGrondslag en functieBelangrijkste risico
NettovermogensbelastingJaarlijkse heffing over bezittingen minus schulden; kan grote concentraties direct begrenzenWaardering, liquiditeit, kapitaalvlucht en belasting bij laag rendement
Erf- en schenkbelastingBelast intergenerationele overdracht; bevordert kansengelijkheid en beperkt dynastieke concentratieOntwijking, uitzonderingen en liquiditeitsproblemen bij ondernemingen
Onroerendezaak- of grondwaardebelastingBelast relatief immobiele grondslag; kan stabiele lokale opbrengsten biedenVerouderde waarderingen en lasten voor huishoudens met weinig inkomen
Belasting op rente, dividend en huurBelast daadwerkelijk ontvangen vermogensinkomenOmvorming van inkomen en ongelijke behandeling tussen vermogensvormen
TransactiebelastingHeffing bij aankoop of verkoop van effecten of vastgoedMinder mobiliteit, lager handelsvolume en beperkte relatie met draagkracht
ExitheffingBorgt belastingclaims bij emigratieComplexiteit, invordering en internationale juridische grenzen
Retrospectieve heffing met renteBelast bij realisatie, maar corrigeert het uitstelvoordeel met een rentecomponentAdministratieve ingewikkeldheid
Belasting op overwinst of economische renteRicht zich op rendement boven een normaal marktrendementAfbakening van het normale rendement
Progressieve consumptiebelastingBelast wat uit inkomen en vermogen wordt geconsumeerd in plaats van wat wordt gespaardBeperkt vermogensmacht en dynastieke concentratie slechts indirect

Het IMF onderscheidt drie hoofdwegen: belasting van vermogensrendement, belasting van de vermogensvoorraad en belasting van overdrachten. Het acht belasting van werkelijk rendement doorgaans minder verstorend en rechtvaardiger dan een algemene vermogensbelasting, maar benadrukt tevens het belang van erfbelasting tegen dynastieke vermogensvorming. Zie How to Tax Wealth.

De OECD concludeert dat een goed ontworpen erfbelasting opbrengsten kan genereren en kansengelijkheid kan versterken tegen relatief beperkte efficiëntie- en uitvoeringskosten, vooral wanneer hoge verkrijgingen progressief worden belast. Zie Inheritance Taxation in OECD Countries.

Een vermogensbelasting kan aanvullend gerechtvaardigd zijn wanneer vermogensbezit zelf maatschappelijke macht verschaft die niet in jaarlijks inkomen zichtbaar wordt. Zij moet dan bij voorkeur gericht zijn op zeer grote nettovermogens, een hoge vrijstelling bevatten en aansluiten op internationale informatie-uitwisseling en effectieve anti-ontwijkingsregels. De OECD benadrukt dat de wenselijkheid sterk afhangt van de bestaande belasting op kapitaalinkomen en erfenissen. Zie The Role and Design of Net Wealth Taxes in the OECD.

8. Beoordeling vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel

Autonomie en bestaanszekerheid

Een belastingstelsel moet ruimte laten voor vermogen dat mensen beschermt tegen afhankelijkheid en tegenslag. Kleine en middelgrote vermogens verdienen daarom een ruime vrijstelling of een heffingsvrij werkelijk rendement. Een algemene jaarlijkse heffing zonder dergelijke bescherming kan brede vermogensvorming en persoonlijke weerbaarheid ondermijnen.

Gelijkwaardigheid

Economisch gelijke rendementen behoren in beginsel gelijk te worden belast. Een zuivere vermogenswinstbelasting schendt dit uitgangspunt wanneer de ene belastingplichtige door verkoop belasting betaalt en de andere door langdurig aanhouden een structureel voordeel geniet. Een vermogensaanwasbelasting scoort op dit punt beter, mits verschillen in liquiditeit serieus worden genomen.

Spreiding van macht

Vanuit het model ligt de normatieve grens waar rijkdom verandert in oncorrigeerbare economische, sociale of politieke macht. Een stelsel dat zeer grote vermogens onbeperkt belastinguitstel biedt, draagt onvoldoende bij aan het begrenzen van die macht. Jaarlijkse belasting van liquide vermogensaanwas kan deze cumulatie beter afremmen.

Participatie en doenvermogen

Burgers moeten regels kunnen begrijpen en naleven. Een stelsel dat miljoenen mensen tot ingewikkelde waarderingen en langdurige administratie verplicht, kan formeel rechtvaardig maar praktisch uitsluitend zijn. Eenvoud en vooraf ingevulde gegevens zijn daarom geen bijkomstige uitvoeringsbelangen, maar voorwaarden voor gelijkwaardige participatie.

Intergenerationele rechtvaardigheid

Geen van beide rendementstelsels volstaat wanneer vermogenswinsten bij overlijden of schenking definitief aan belasting kunnen ontsnappen. Een effectieve erf- en schenkbelasting, gecombineerd met behoud van de fiscale verkrijgingsprijs of een afrekenmoment, is nodig om dynastieke machtsvorming te beperken.

Ecologische duurzaamheid

Een vermogensbelasting is geen vervanging voor belasting op vervuiling, grondstoffengebruik en CO₂-uitstoot. De fiscale mix moet kapitaal niet blind als schadelijk behandelen, maar onderscheid maken tussen productieve, sociale en ecologisch duurzame investeringen enerzijds en economische rente of schadelijke activiteiten anderzijds. Ecologische doelen worden het meest transparant bereikt door milieuschade rechtstreeks te beprijzen.

Corrigeerbaarheid

Het stelsel moet fouten kunnen herstellen. Dat vereist symmetrische verliesverrekening, toegankelijke bezwaarprocedures, betrouwbare gegevens, periodieke evaluatie en de mogelijkheid om waarderingsregels aan te passen. Een belastingstelsel dat uitsluitend op theoretische modellen of budgettaire noodzaak is gebaseerd, zonder institutionele leerlussen, is onvoldoende robuust.

9. Een wenselijke fiscale architectuur

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel ligt de voorkeur bij de volgende combinatie:

  1. Voor beursgenoteerde effecten en andere liquide, objectief waardeerbare bezittingen geldt vermogensaanwas als hoofdregel. Daardoor wordt het uitstelvoordeel beperkt en worden economisch gelijke rendementen gelijker behandeld.

  2. Voor illiquide of moeilijk waardeerbare bezittingen geldt vermogenswinstbelasting. Dat betreft in ieder geval veel vormen van direct vastgoed, familieondernemingen en niet-beursgenoteerde belangen.

  3. Uitstel onder de vermogenswinstbelasting wordt niet onbeperkt gratis verstrekt. Verkoop, schenking, overlijden en emigratie moeten tot afrekening of gecontroleerde doorschuiving leiden. Een rente- of lookbackregeling kan het uitstelvoordeel gedeeltelijk neutraliseren.

  4. Winsten en verliezen worden zoveel mogelijk symmetrisch behandeld. Naast ruime voorwaartse verliesverrekening is ten minste beperkte achterwaartse verrekening nodig.

  5. Kleine en middelgrote vermogens worden beschermd door een betekenisvolle vrijstelling, heffingskorting of heffingsvrij resultaat. Eventuele progressiviteit richt de aanvullende druk vooral op zeer grote rendementen en vermogens.

  6. Nominale schijnwinsten worden beperkt door inflatiecorrectie of een zorgvuldig vormgegeven vrijstelling voor een normaal rendement, voor zover dit uitvoerbaar blijft.

  7. Financiële instellingen leveren gestandaardiseerde gegevens aan, zodat het stelsel voor het merendeel van de burgers vooraf kan worden ingevuld.

  8. Een progressieve erf- en schenkbelasting beperkt grote intergenerationele overdrachten en beschermt tegelijkertijd normale gezinsvermogens en reële ondernemingscontinuïteit.

  9. Een eventuele nettovermogensbelasting fungeert hooguit als gerichte aanvullende heffing of minimumbelasting voor zeer grote vermogens die anders structureel buiten de heffing blijven.

  10. De opbrengst wordt bezien binnen de totale belastingmix. Een hogere en effectievere belasting op grote vermogensrendementen, erfenissen, economische rente en milieuschade kan ruimte bieden om de druk op arbeid te verminderen en te investeren in onderwijs, gezondheid, bestaanszekerheid en publieke infrastructuur.

Conclusie

Wanneer uitsluitend tussen twee uniforme stelsels moet worden gekozen, heeft een goed ontworpen vermogensaanwasbelasting vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel de sterkste normatieve rechtvaardiging. Zij behandelt waardegroei eerder als economisch inkomen, beperkt het uitstelvoordeel en voorkomt dat vooral zeer vermogenden het moment van belastingheffing langdurig kunnen sturen.

Die voorkeur is echter voorwaardelijk. Zonder ruime bescherming van kleine vermogens, volledige verliesverrekening, betrouwbare waardering en voorzieningen voor liquiditeitsproblemen kan vermogensaanwas juist autonomie, bestaanszekerheid en vertrouwen aantasten.

Een zuivere vermogenswinstbelasting sluit beter aan bij liquide draagkracht en is begrijpelijker, maar creëert nieuwe ongelijkheid wanneer verkoop onbeperkt kan worden uitgesteld. Zonder afrekening bij schenking, overlijden of emigratie en zonder correctie voor het rentevoordeel kan zij de groei van grote en dynastieke vermogens versterken.

Het meest wenselijke antwoord is daarom geen dogmatische keuze voor één systeem, maar een institutioneel doordachte combinatie: vermogensaanwas waar waardering en liquiditeit dat toelaten, vermogenswinst waar jaarlijkse belasting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, en aanvullende belastingen waar rendement alleen de maatschappelijke betekenis van vermogen onvoldoende weerspiegelt.

Fiscale rechtvaardigheid ontstaat uiteindelijk niet door één perfecte belasting. Zij ontstaat uit een samenhangende, begrijpelijke en corrigeerbare architectuur waarin arbeid, vermogen, erfenissen, consumptie, economische rente en ecologische schade gezamenlijk worden gewogen. De beslissende vraag is niet alleen hoeveel belasting vermogen kan dragen, maar welke verdeling van vrijheid, risico, kansen en macht het fiscale stelsel mogelijk maakt.

Beknopte literatuur

  • Arachi, G. & D’Antoni, M. (2022), “Taxation of capital gains upon accrual: is it really more efficient than realisation?”, Fiscal Studies, 43(1), 39–61.

  • Auerbach, A.J. (1991), “Retrospective Capital Gains Taxation”, American Economic Review, 81(1), 167–178.

  • IMF (2024), How to Tax Wealth.

  • OECD (2018), Taxation of Household Savings.

  • OECD (2018), The Role and Design of Net Wealth Taxes in the OECD.

  • OECD (2021), Inheritance Taxation in OECD Countries.

  • OECD (2023), The Taxation of Labour vs. Capital Income: A Focus on High Earners.

  • Piketty, T. (2014), Capital in the Twenty-First Century.

  • Rawls, J. (1971), A Theory of Justice.

  • Sen, A. (1999), Development as Freedom.

  • Simons, H.C. (1938), Personal Income Taxation.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties