Wie vrijheid wil verdedigen, moet bestaanszekerheid niet afbreken
Wie vrijheid wil verdedigen, moet bestaanszekerheid niet afbreken
Het woord alleen al klinkt sympathiek: vrijheidsbijdrage. Wie kan er nu tegen vrijheid zijn? Maar achter deze zorgvuldig gekozen naam gaat een minder aantrekkelijke werkelijkheid schuil. Als de aangekondigde bijdrage er komt, betalen burgers via hogere belastingen mee aan defensie. Tegelijkertijd wil het kabinet miljarden bezuinigen op de sociale zekerheid, onder meer door de WW te verkorten en de bescherming bij langdurige arbeidsongeschiktheid te versoberen.
Dat wordt gepresenteerd alsof er geen andere mogelijkheid bestaat. Defensie moet worden versterkt, de overheidsfinanciën moeten op orde blijven en dus moet de sociale zekerheid soberder. Maar dat is geen economische natuurwet. Het is een politieke keuze.
Natuurlijk is veiligheid belangrijk. De oorlog in Oekraïne, de dreiging aan de Europese grenzen en de veranderde verhouding met de Verenigde Staten maken investeringen in defensie begrijpelijk en waarschijnlijk noodzakelijk. Maar uit de noodzaak méér aan defensie uit te geven, volgt niet automatisch dat mensen die werkloos, ziek of arbeidsongeschikt worden daarvoor de rekening moeten betalen.
Een samenleving wordt bovendien niet alleen bedreigd door tanks en raketten. Ook armoede, woningnood, slechte gezondheidszorg, kansenongelijkheid en afnemend vertrouwen ondermijnen haar weerbaarheid. Wie de militaire veiligheid versterkt maar tegelijkertijd de sociale zekerheid verzwakt, bouwt een stevigere voordeur terwijl hij de fundering van het huis laat verzakken.
De voorgestelde bezuinigingen zijn ook niet vanzelfsprekend effectief. De gedachte lijkt te zijn dat een kortere of lagere uitkering mensen sneller aan het werk brengt. Voor sommige mensen kan een financiële prikkel effect hebben. Maar veel langdurig werklozen en arbeidsongeschikten lopen niet vast door een gebrek aan motivatie. Zij hebben te maken met ziekte, schulden, mantelzorg, psychische problemen, onvoldoende scholing, discriminatie of werk dat eenvoudigweg niet bij hun mogelijkheden past.
Hun bestaanszekerheid verkleinen neemt die obstakels niet weg. Het voegt er juist één aan toe: stress. En wie voortdurend bezig is met de huur, de boodschappen en de volgende rekening, heeft minder ruimte om zich om te scholen, te herstellen of een passende baan te zoeken. Een uitkering verlagen is eenvoudiger dan mensen daadwerkelijk verder helpen, maar eenvoud is nog geen effectiviteit.
Ook de vrijheidsbijdrage roept vragen op. Wanneer die wordt vormgegeven door belastingschijven onvoldoende te corrigeren voor de inflatie, gaan werkenden geleidelijk meer belasting betalen zonder dat dit zichtbaar wordt als een nieuw tarief. Dat levert geld op, maar het is nauwelijks een transparante bijdrage. Lage en middeninkomens voelen zo’n maatregel bovendien relatief sterk in hun besteedbare inkomen.
Wie werkelijk een bijdrage voor vrijheid wil invoeren, moet haar ook als zodanig behandelen: zichtbaar, tijdelijk en naar draagkracht. Bescherm lage en middeninkomens, laat hoge inkomens en grote vermogens meer bijdragen, leg duidelijk vast waarvoor de opbrengst wordt gebruikt en bouw een einddatum en jaarlijkse verantwoording in. Geen stille belastingverhoging die blijft bestaan lang nadat de politieke aandacht is verdwenen.
Er zijn bovendien andere mogelijkheden om defensie te financieren. Nederland kent voor tientallen miljarden aan belastingregelingen en fiscale voordelen. Niet iedere regeling is zinloos, maar regelingen die aantoonbaar weinig maatschappelijk effect hebben, verdienen eerder heroverweging dan de bescherming van mensen die ziek of werkloos worden. Ook kan de verhouding tussen de belasting op arbeid en de belasting op vermogen eerlijker. En ondernemingen die uitzonderlijk profiteren van hogere defensie-uitgaven of geopolitieke schaarste kunnen via een tijdelijke overwinstheffing een extra bijdrage leveren.
Daarnaast kan Europese samenwerking veel doelmatiger. Gezamenlijke inkoop, standaardisering van materieel en een betere taakverdeling voorkomen dat Europese landen allemaal afzonderlijk dezelfde systemen ontwikkelen en aanschaffen. Veiligheid vraagt dus niet alleen om meer geld, maar ook om verstandiger besteding.
Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel begint beleid niet bij de vraag hoeveel druk mensen nodig hebben, maar bij de vraag wat zij nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen en volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Sociale zekerheid is dan geen kostenpost voor mensen die tekortschieten. Zij is maatschappelijke ontwikkelingsinfrastructuur.
Dat betekent een fatsoenlijk inkomen bij werkloosheid en ziekte, snelle en menselijke beoordelingen, persoonlijke scholingsmogelijkheden, begeleiding van werk naar werk en ondersteuning die aansluit bij wat iemand daadwerkelijk kan. Niet eerst wachten tot iemand uitvalt en vervolgens de uitkering verlagen, maar investeren in preventie, herstel en passend werk.
Het betekent ook dat mensen die de gevolgen van beleid ondervinden, betrokken worden bij het ontwerp ervan. Uitkeringsgerechtigden, werknemers, werkgevers, gemeenten en uitvoeringsorganisaties weten vaak beter dan Haagse rekentabellen waar regels in de praktijk vastlopen. Goed beleid moet daarom niet alleen financieel worden doorgerekend, maar ook worden beoordeeld op menselijke mogelijkheden: kunnen mensen gezond leven, wonen, leren, zorgen, deelnemen en invloed uitoefenen?
De echte keuze is uiteindelijk niet tussen defensie en sociale zekerheid. De keuze is tussen een smal veiligheidsbegrip en een brede visie op een weerbare samenleving.
Een weerbare samenleving beschikt over een sterke krijgsmacht, maar ook over burgers die erop kunnen vertrouwen dat ziekte, werkloosheid of pech hen niet onmiddellijk in bestaansonzekerheid storten. Zij vraagt naar draagkracht, investeert in menselijke ontwikkeling en maakt politieke keuzes zichtbaar en corrigeerbaar.
Vrijheid die wordt betaald met bestaansonzekerheid is geen vrijheid. Het is onzekerheid met een vlag eromheen.

Reacties
Een reactie posten