Kan een rechtvaardiger belastingstelsel ook economisch én begrotingstechnisch verantwoord zijn?

 

Gestileerd scenario voor een rechtvaardige Nederlandse belastinghervorming

Onderstaand scenario vertaalt de ontwikkelde voorstellen naar een gestileerde, maar begrotingstechnisch realistische belastingmix. Het is nadrukkelijk geen officiële CPB-doorrekening en evenmin een microsimulatie op basis van individuele belastingaangiften. Het is een transparant rekenscenario waarin de maatregelen uit het boek worden gekoppeld aan de actuele Nederlandse begrotingsstructuur en waarin expliciet rekening wordt gehouden met gedragseffecten, grondslagerosie en inverdieneffecten.

De voorstellen uit vier hoofdlijnen: een progressieve belasting op zeer grote nettovermogens, een hervormde progressieve erfbelasting, een zwaardere belasting van negatieve externaliteiten en een verlaging van de belasting op arbeid. Daarbij wordt tevens gepleit voor een meer consistente belasting van werkelijk kapitaalinkomen, economische rente en bestaande fiscale privileges, en voor een eenvoudiger stelsel van bestaanszekerheid.

Als begrotingsbasis wordt gebruik gemaakt van de Voorjaarsnota 2026. Daarin worden voor 2026 €456,4 miljard aan belastingen en sociale premies, €486,1 miljard aan totale netto-uitgaven en een tekort van €30,7 miljard geraamd. Dat tekort bedraagt 2,5% van een bbp van ongeveer €1.232 miljard. De overheidsschuld bedraagt naar verwachting 46,6% van het bbp.

1. Invulling van de maatregelen

1.1 Progressieve belasting op zeer grote nettovermogens

Als uitgangspunt wordt de volgende tariefstructuur gebruikt:

Belastbaar nettovermogen per persoon

Marginaal tarief

Tot €2 miljoen

0%

€2–10 miljoen

0,25%

€10–50 miljoen

0,50%

€50–250 miljoen

0,75%

Boven €250 miljoen

1,00%

 

De belasting wordt alleen geheven over het gedeelte van het vermogen dat binnen een schijf valt. De eerste €2 miljoen blijft dus volledig buiten de heffing. Pensioenaanspraken worden niet belast. Voor de eigen woning en illiquide ondernemingsvermogens geldt geen algemene vrijstelling, maar wel uitstel van betaling waar onmiddellijke afrekening tot liquiditeitsproblemen zou leiden.

Het bruto-opbrengstpotentieel wordt in dit scenario gesteld op €4,5 miljard per jaar. Daarop wordt een gedragscorrectie van 20% toegepast voor waarderingsreacties, fiscale herstructurering, emigratie en gedeeltelijke grondslagerosie. De netto-opbrengst bedraagt daarmee: €3,6 miljard per jaar.

Deze raming is voorzichtig in vergelijking met een louter statische berekening, maar houdt er rekening mee dat fiscale grondslagen reageren op hogere tarieven. Het CPB benadrukt dat ramingen van belastingmaatregelen systematisch rekening moeten houden met dergelijke gedragseffecten.

1.2 Hervorming van de erf- en schenkbelasting

De huidige schenk- en erfbelasting levert in de Rijksbegroting 2026 ongeveer €3,8 miljard op.

In het scenario wordt zij hervormd tot een progressieve verkrijgersbelasting die rekening houdt met de totale schenkingen en erfenissen die iemand gedurende het leven ontvangt. Kleine familiale verkrijgingen worden ruim ontzien; grote verkrijgingen worden zwaarder belast.

Voor de berekening wordt de volgende gestileerde structuur gebruikt:

Cumulatieve levenslange verkrijging

Marginaal tarief

Tot €100.000

0%

€100.000–€500.000

10%

€500.000–€1 miljoen

20%

€1–5 miljoen

30%

Boven €5 miljoen

40%

 

Voor partners blijft een afzonderlijke ruime vrijstelling gelden. Voor actieve familiebedrijven wordt niet gewerkt met een vrijwel volledige vrijstelling, maar met gespreide betaling, een beperkte waarderingsfaciliteit en een daadwerkelijke voortzettingseis.

De hervorming levert statisch €2,0 miljard extra op. Rekening houdend met een gedragseffect van 15% door anticiperende schenkingen, planning en aanpassing van nalatenschappen resteert: €1,7 miljard extra per jaar.

De totale opbrengst van erf- en schenkbelasting stijgt daarmee van ongeveer €3,8 miljard naar circa €5,5 miljard.

1.3 Werkelijk kapitaalinkomen, economische rente en fiscale uitzonderingen

Werkelijke kapitaalinkomen, economische rente en voordelen uit marktmacht dienen consistenter worden belast. In dit scenario wordt dat ingevuld met:

·       een heffing op werkelijk gerealiseerd en aangegroeid rendement;

·       beperking van mogelijkheden om arbeidsinkomen in lager belast kapitaalinkomen om te zetten;

·       beperking van niet-doelmatige aftrekposten en uitzonderingen;

·       zwaardere belasting van monopoliewinsten en economische rente;

·       aanscherping van fiscale behandeling van excessieve aandeelhoudersleningen en opgepotte winsten.

Bruto levert dit pakket €3,0 miljard op. Vanwege uitstel van realisatie, aanpassing van ondernemingsstructuren en lagere belastbare uitkeringen wordt 20% gedragseffect afgetrokken.

Netto-opbrengst: €2,4 miljard per jaar.

1.4 Ecologische belastinghervorming

De bestaande belastingen op milieugrondslag leveren in 2026 ongeveer €6,6 miljard op.

Het scenario breidt deze grondslag uit met:

·       een geleidelijk oplopende CO-bodemprijs;

·       hogere heffingen op fossiel energiegebruik buiten het ETS;

·       afbouw van degressieve tarieven voor grootverbruikers;

·       een progressievere vliegbelasting, inclusief privéjets;

·       een grondstoffen- en primaire-materialenheffing;

·       heffingen op niet-recyclebare plastics en schadelijke emissies;

·       een bredere stikstof- en lozingenheffing;

·       een hogere belasting op luxe-uitstoot.

De bruto additionele opbrengst bedraagt bij invoering €6,0 miljard. Bij milieubelastingen is een dalende grondslag echter juist een beoogd effect: huishoudens en ondernemingen gaan minder fossiele energie en grondstoffen gebruiken. Daarom wordt een structurele gedragscorrectie van 20% toegepast.

Netto-opbrengst: €4,8 miljard per jaar.

Deze opbrengst is dus geen structureel onveranderlijk bedrag. Naarmate de vergroening slaagt, neemt de vervuilende grondslag af. Daarom mag deze opbrengst niet onbeperkt worden gebruikt om permanente uitgaven te financieren. Een deel moet worden gereserveerd voor tijdelijke compensatie, verduurzaming en de transitie naar andere belastinggrondslagen.

1.5 Verlaging van de belasting op arbeid

De kern van het scenario is een gerichte lastenverlichting op arbeid van bruto €10 miljard.

Deze wordt als volgt ingevuld:

·       verhoging van de algemene heffingskorting, vooral aan de onder- en middenkant: €3,0 miljard;

·       verhoging van de arbeidskorting voor lage en middeninkomens: €3,0 miljard;

·       verlaging van het tarief in de eerste belastingschijf: €2,5 miljard;

·       vermindering van de werkgeverslasten voor lage en middenlonen: €1,0 miljard;

·       fiscaal zorgkrediet en betere pensioenbescherming voor langdurige zorgtaken: €0,5 miljard.

De nadruk ligt dus niet op een algemene tariefverlaging die ook zeer hoge inkomens volledig ten goede komt, maar op werkenden met lage en middeninkomens en op de overgang van uitkering naar arbeid.

Een lagere belasting op arbeid vergroot het netto-inkomen, stimuleert het arbeidsaanbod en leidt tot extra consumptie, loonheffing, premies en btw. In dit scenario wordt een inverdieneffect van 15% verondersteld.

De bruto lastenverlichting van €10 miljard kost daardoor structureel niet €10 miljard, maar:

€8,5 miljard per jaar.

Het inverdieneffect bedraagt dus €1,5 miljard.

Dit is geen veronderstelling dat iedere belastingverlaging zichzelf betaalt. De ruime meerderheid blijft een budgettaire last. Het CPB wijst erop dat inverdieneffecten bij belastingverlagingen slechts een deel van de initiële kosten compenseren en sterk afhangen van de vormgeving van de maatregel

1.6 Bestaanszekerheid en toeslagen

Het huidige budget voor zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget bedraagt volgens de eerdere analyse ongeveer €19,4 miljard. Dat bedrag wordt in het scenario niet afgeschaft, maar institutioneel herordend tot één voorspelbaarder inkomensinstrument. De bestaande middelen blijven daarmee in eerste aanleg budgetneutraal beschikbaar.

Daarnaast wordt het budget met 10% verhoogd om de onderkant daadwerkelijk te versterken:

Extra uitgaven: €1,94 miljard per jaar.

De ondersteuning wordt automatisch toegekend en geleidelijk afgebouwd, waardoor abrupte terugvorderingen en marginale-drukpieken afnemen.

1.7 Uitvoering en transitie-investeringen

Voor invoering, gegevensinfrastructuur, vermogensregistratie, automatische toekenning en versterking van de capaciteit van de Belastingdienst wordt structureel €0,4 miljard gereserveerd.

Daarnaast wordt €1,0 miljard per jaar gereserveerd voor:

·       woningisolatie;

·       energiearmoedebestrijding;

·       openbaar vervoer;

·       omscholing;

·       toegang tot kinderopvang en onderwijs;

·       ondersteuning van kleine bedrijven bij verduurzaming.

Deze uitgaven verminderen de regressieve werking van milieubelastingen en vergroten de mogelijkheden van huishoudens om hun gedrag daadwerkelijk aan te passen.

2 Budgettaire doorrekening

De budgettaire doorrekening heeft een indicatief karakter. Zij is niet gebaseerd op een microsimulatiemodel zoals dat door het Centraal Planbureau wordt gebruikt, maar op een gestileerde analyse waarin de voorgestelde belastingmaatregelen worden gekoppeld aan de huidige Nederlandse begrotingsstructuur, beschikbare statistieken van onder meer het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Miljoenennota en de Voorjaarsnota, alsmede bestaande inzichten over gedragseffecten van belastingmaatregelen. De berekeningen dienen daarom niet te worden opgevat als exacte voorspellingen, maar als een transparante illustratie van de orde van grootte van de voorgestelde hervormingen.

Bij iedere belastingmaatregel is onderscheid gemaakt tussen de bruto-opbrengst op basis van de gekozen belastinggrondslag en de netto-opbrengst na correctie voor gedragseffecten. Daarbij is rekening gehouden met aanpassingen van belastingplichtigen, wijzigingen van economische activiteiten, grondslagerosie en andere inverdieneffecten. De gehanteerde percentages zijn bewust voorzichtig gekozen om te voorkomen dat de opbrengsten worden overschat.

Progressieve vermogensbelasting

De budgettaire raming van de progressieve vermogensbelasting is gebaseerd op de omvang en verdeling van de particuliere nettovermogens in Nederland. Als belastinggrondslag geldt uitsluitend het nettovermogen boven een algemene vrijstelling van € 2 miljoen per persoon. Pensioenrechten blijven buiten de grondslag. Schulden worden in mindering gebracht op de waarde van de bezittingen. Voor ondernemingsvermogen en andere illiquide vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van belastingheffing over de economische waarde, waarbij uitstel van betaling mogelijk is wanneer onmiddellijke voldoening tot aantoonbare liquiditeitsproblemen leidt.

De raming is gebaseerd op de actuele vermogensverdeling zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarbij alleen het gedeelte van het vermogen boven de vrijgestelde grens wordt belast. Vervolgens is een gedragscorrectie toegepast voor waarderingsaanpassingen, emigratie, fiscale herstructurering en overige vormen van grondslagerosie.

Hervormde erf- en schenkbelasting

De opbrengstraming van de hervormde erf- en schenkbelasting is gebaseerd op de jaarlijkse omvang van de Nederlandse nalatenschappen en schenkingen. Uitgangspunt vormt een progressieve verkrijgersbelasting waarbij de belasting wordt geheven over de totale verkrijging van de erfgenaam of begiftigde gedurende diens leven. Kleine verkrijgingen blijven vrijgesteld, terwijl grote verkrijgingen progressief worden belast.

Bij de berekening is rekening gehouden met bestaande vrijstellingen voor partners, beperkte vrijstellingen voor kinderen en aangepaste faciliteiten voor ondernemingsvermogen. Vervolgens is een gedragscorrectie toegepast voor anticiperende schenkingen, estate planning en andere vormen van fiscale optimalisatie.

Belasting op werkelijk kapitaalinkomen en economische rente

De raming van de belasting op werkelijk kapitaalinkomen is gebaseerd op de omvang van de jaarlijks gerealiseerde en aangegroeide rendementen op particulier vermogen. Daarnaast wordt rekening gehouden met economische rente die voortvloeit uit monopoliewinsten, schaarstevoordelen, uitzonderlijke locatievoordelen en andere opbrengsten die niet rechtstreeks samenhangen met productieve arbeid of ondernemingsrisico.

De opbrengst omvat tevens de beperking van enkele bestaande fiscale uitzonderingen waardoor arbeid en kapitaal fiscaal gelijkwaardiger worden behandeld. Vervolgens is een gedragscorrectie toegepast voor uitstel van realisatie, wijzigingen in financieringsstructuren, internationale verplaatsing van vermogen en overige aanpassingsreacties.

Milieubelastingen en belastingen op negatieve externaliteiten

De opbrengst van de milieubelastingen is gebaseerd op de huidige omvang van emissies, energiegebruik en grondstoffengebruik in Nederland. De belastinggrondslag bestaat uit de uitstoot van broeikasgassen, het gebruik van fossiele energie, primaire grondstoffen, niet-recyclebare materialen en andere activiteiten waarbij maatschappelijke of ecologische kosten niet volledig in marktprijzen zijn verwerkt.

Bij de raming is expliciet rekening gehouden met het feit dat milieubelastingen gedrag beogen te veranderen. De belastinggrondslag zal daardoor op langere termijn afnemen. De structurele opbrengst is daarom lager geraamd dan de statische opbrengst. Deze afnemende opbrengst wordt beschouwd als een aanwijzing dat de belasting haar sturende functie vervult en niet als een tekortkoming van het stelsel.

Verlaging van de belasting op arbeid

De budgettaire kosten van de lastenverlichting op arbeid zijn gebaseerd op een combinatie van een hogere algemene heffingskorting, een hogere arbeidskorting, een verlaging van het tarief in de eerste belastingschijf en een gerichte verlaging van werkgeverslasten voor lage en middeninkomens.

Bij de netto-budgettaire kosten is rekening gehouden met positieve inverdieneffecten in de vorm van een hogere arbeidsparticipatie, extra arbeidsaanbod, hogere consumptie, aanvullende belasting- en premieopbrengsten en een beperkter beroep op inkomensondersteuning. De gehanteerde inverdieneffecten zijn bewust terughoudend gekozen en gaan uit van een gedeeltelijke, maar geen volledige terugverdiencapaciteit van belastingverlagingen.

Versterking van de bestaanszekerheid

De budgettaire uitgaven voor bestaanszekerheid zijn gebaseerd op een uitbreiding van het bestaande budget voor inkomensondersteuning. Daarbij wordt uitgegaan van een eenvoudiger en meer automatisch werkend stelsel waarin de beschikbare middelen minder via complexe toeslagen en meer via structurele inkomensondersteuning worden verstrekt. De berekening houdt geen rekening met mogelijke besparingen op uitvoeringskosten, schuldhulpverlening, zorguitgaven en maatschappelijke problematiek, zodat de budgettaire lasten eerder voorzichtig dan optimistisch zijn geraamd.

Uitvoering en institutionele transitie

Ten slotte is een afzonderlijke post opgenomen voor de uitvoeringskosten van de hervorming. Deze omvat investeringen in de capaciteit van de Belastingdienst, digitalisering, gegevensuitwisseling, vermogensregistratie, handhaving en de institutionele ondersteuning van de ecologische transitie. Deze middelen zijn noodzakelijk om de voorgestelde hervormingen juridisch houdbaar, uitvoerbaar en maatschappelijk effectief te maken.

 

Maatregel

Belastinggrondslag

Bruto-opbrengst

Gedragseffect

Netto-opbrengst

Vermogensbelasting

Nettovermogen > €2 mln per persoon

€4,5 mld

–20%

€3,6 mld

Erf- en schenkbelasting

Jaarlijkse nalatenschappen en schenkingen

€2,0 mld

–15%

€1,7 mld

Werkelijk kapitaalinkomen en economische rente

Rendementen, economische rente en beperking fiscale uitzonderingen

€3,0 mld

–20%

€2,4 mld

Milieubelastingen

CO, energie, grondstoffen en overige negatieve externaliteiten

€6,0 mld

–20%

€4,8 mld

Verlaging belasting op arbeid

Heffingskortingen, tarieven en werkgeverslasten

–€10,0 mld

+15% inverdieneffect

–€8,5 mld

2.1 Opbrengsten vóór en na gedragseffecten

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de geraamde budgettaire effecten van de voorgestelde belastingmaatregelen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de statische opbrengst, uitgaande van ongewijzigd gedrag van belastingplichtigen, en de netto-opbrengst na correctie voor verwachte gedragseffecten. Tot deze gedragseffecten behoren onder meer wijzigingen in investerings- en spaarbeslissingen, fiscale herstructurering, internationale verplaatsing van kapitaal, veranderingen in consumptie- en productiegedrag en de beoogde afname van belastbare milieuschadelijke activiteiten. Door deze correcties ontstaat een realistischer beeld van de structurele budgettaire effecten van de voorgestelde belastingmix. De gehanteerde aannames zijn bewust terughoudend gekozen en dienen ter illustratie van de orde van grootte van de hervormingen, niet als exacte begrotingsraming.

Maatregel

Statische opbrengst

Gedragseffect

Netto budgettair effect

Progressieve vermogensbelasting

+€4,5 mld

–€0,9 mld

+€3,6 mld

Hervorming erf- en schenkbelasting

+€2,0 mld

–€0,3 mld

+€1,7 mld

Kapitaalinkomen, rente en uitzonderingen

+€3,0 mld

–€0,6 mld

+€2,4 mld

Ecologische belastingen

+€6,0 mld

–€1,2 mld

+€4,8 mld

Totaal nieuwe opbrengsten

+€15,5 mld

–€3,0 mld

+€12,5 mld

 

2.2. Institutionele bestemming van de opbrengsten

Een rechtvaardige belastinghervorming kan niet uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van de wijze waarop belastingopbrengsten worden verworven. Evenzeer van belang is de vraag hoe deze middelen vervolgens worden ingezet. Belastingheffing en publieke besteding vormen immers twee onlosmakelijk verbonden onderdelen van dezelfde fiscale architectuur. De maatschappelijke legitimiteit van hogere belastingen op vermogen, nalatenschappen, economische rente en negatieve externaliteiten wordt mede bepaald door de mate waarin de opbrengsten bijdragen aan de versterking van de institutionele voorwaarden voor mens- en samenlevingswording.

Vanuit het beoordelingskader ligt het daarom voor de hand de opbrengsten niet willekeurig aan de algemene middelen toe te voegen, maar primair te richten op investeringen die de vrijheid, gelijkwaardigheid, bestaanszekerheid en maatschappelijke participatie van burgers duurzaam versterken. De voorgestelde belastingmix is daarmee niet uitsluitend een instrument voor herverdeling, maar tevens een mechanisme om economische middelen om te zetten in publieke investeringen die de kwaliteit van de democratische rechtsstaat vergroten.

De onderstaande tabel geeft een indicatieve invulling van de institutionele bestemming van de belangrijkste belastingopbrengsten.

 

 

Belastingopbrengst

Primaire institutionele investering

Progressieve vermogensbelasting

Brede vermogensvorming, startkapitaal voor jongvolwassenen, ondersteuning van eerste woning, individuele ontwikkelings- en scholingsfondsen

Hervormde erf- en schenkbelasting

Onderwijs, kinderopvang, gelijke kansen, studievoorzieningen en sociale mobiliteit

Belasting op werkelijk kapitaalinkomen en economische rente

Versterking van de democratische rechtsstaat, publieke digitale infrastructuur, onafhankelijke rechtspraak, uitvoeringsorganisaties en publieke kennisinfrastructuur

Milieubelastingen en belastingen op negatieve externaliteiten

Klimaatdividend, woningisolatie, energietransitie, natuurherstel, circulaire economie en duurzaam openbaar vervoer

Bestrijding van fiscale uitzonderingen en belastingontwijking

Versterking van de bestaanszekerheid, vereenvoudiging van inkomensondersteuning en verlaging van de belasting op arbeid

 

Deze bestemming sluit nauw aan bij de normatieve uitgangspunten van het voorgestelde belastingstelsel. De opbrengsten van vermogens- en erfbelastingen worden primair ingezet om de uitgangspositie van burgers te verbeteren en vermogensvorming breder te spreiden. Daarmee wordt niet alleen bestaande ongelijkheid gecorrigeerd, maar worden ook eerlijkere kansen voor toekomstige generaties gecreëerd. De opbrengsten van belastingen op economische rente worden gebruikt om de institutionele kwaliteit van de democratische rechtsstaat te versterken. Een goed functionerende rechtsorde, hoogwaardige publieke dienstverlening en betrouwbare digitale infrastructuur vormen immers essentiële voorwaarden voor economische ontwikkeling én maatschappelijke gelijkwaardigheid.

Voor milieubelastingen geldt een aanvullende rechtvaardiging. Hun legitimiteit berust niet uitsluitend op het beprijzen van negatieve externaliteiten, maar ook op het zichtbaar terugsluizen van een belangrijk deel van de opbrengsten naar de samenleving. Door investeringen in woningisolatie, duurzame energie, openbaar vervoer en een klimaatdividend worden burgers en ondernemingen daadwerkelijk in staat gesteld hun gedrag aan te passen. Daardoor functioneren milieubelastingen niet alleen als financiële prikkel, maar als onderdeel van een bredere institutionele transitie naar een duurzame economie.

Ten slotte draagt de beperking van fiscale uitzonderingen en belastingontwijking ertoe bij dat de belastingdruk op arbeid kan worden verlaagd en de bestaanszekerheid kan worden versterkt zonder dat de houdbaarheid van de overheidsfinanciën onder druk komt te staan. Daarmee ontstaat een samenhangende fiscale architectuur waarin de inkomsten- en uitgavenkant elkaar wederzijds versterken.

De in deze tabel opgenomen bestemming van de opbrengsten heeft een indicatief karakter en vormt geen juridisch afdwingbare begrotingsnorm. Zij laat echter zien dat de rechtvaardiging van belastingheffing niet los kan worden gezien van de maatschappelijke doelen waarvoor de opbrengsten worden ingezet. Een belastingstelsel dat erin slaagt economische draagkracht, vermogensvorming en negatieve externaliteiten op een rechtvaardige wijze te belasten én de opbrengsten vervolgens investeert in gelijke kansen, bestaanszekerheid, rechtsstatelijke kwaliteit, duurzaamheid en brede vermogensvorming, draagt niet alleen bij aan een evenwichtiger inkomensverdeling, maar versterkt tevens de institutionele voorwaarden waaronder mensen en samenlevingen zich duurzaam kunnen ontwikkelen. Daarmee worden belastingheffing en publieke besteding samengebracht in één geïntegreerde fiscale architectuur van de democratische rechtsstaat.

 

2.3 Lastenverlichting en uitgaven

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de budgettaire gevolgen van de voorgestelde lastenverlichting op arbeid en de aanvullende publieke uitgaven die noodzakelijk zijn voor een succesvolle institutionele implementatie van de fiscale hervormingen. Naast de bruto-budgettaire effecten wordt, waar relevant, rekening gehouden met verwachte inverdieneffecten. Deze ontstaan onder meer door een hogere arbeidsparticipatie, extra economische activiteit, hogere belasting- en premieopbrengsten en een beperkter beroep op inkomensondersteuning. Daarnaast zijn de structurele uitgaven opgenomen voor de versterking van de bestaanszekerheid, de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst en investeringen in de ecologische transitie. De tabel laat daarmee zien dat de voorgestelde belastinghervorming niet uitsluitend bestaat uit een verschuiving van belastinggrondslagen, maar tevens uit gerichte investeringen die bijdragen aan de uitvoerbaarheid, maatschappelijke legitimiteit en duurzaamheid van de nieuwe fiscale architectuur.

Maatregel

Bruto effect

Inverdieneffect

Netto budgettair effect

Verlaging belasting op arbeid

–€10,0 mld

+€1,5 mld

–€8,5 mld

Versterking bestaanszekerheid

–€1,94 mld

Uitvoering Belastingdienst

–€0,40 mld

Transitiefonds en verduurzaming

–€1,00 mld

Totaal lasten en uitgaven

–€11,84 mld

 

2.4 Saldo van het pakket

De netto nieuwe opbrengsten bedragen €12,5 miljard. De netto lastenverlichting en extra uitgaven bedragen €11,84 miljard.

Saldoverbetering: €0,66 miljard per jaar.

Het scenario is daarmee vrijwel budgetneutraal, maar levert een kleine verbetering van het begrotingssaldo op.

 

3 Gevolgen voor de Nederlandse begroting

De actuele begrotingsbasis uit de Voorjaarsnota 2026 luidt:

2026

Basispad

Belastingen en premies

€456,4 mld

Totale netto-uitgaven

€486,1 mld

EMU-tekort collectieve sector

€30,7 mld

EMU-tekort als percentage bbp

2,5%

EMU-schuld

€573,4 mld

EMU-schuld als percentage bbp

46,6%

 

Na volledige invoering van het scenario ontstaat het volgende beeld:

2026-prijsniveau

Basispad

Scenario

Belastingen en premies

€456,4 mld

€460,4 mld

Totale netto-uitgaven

€486,1 mld

€489,4 mld

EMU-tekort

€30,7 mld

€30,0 mld

EMU-tekort als percentage bbp

2,5%

circa 2,44%

EMU-schuld na één jaar

€573,4 mld

circa €572,7 mld

EMU-schuld als percentage bbp

46,6%

circa 46,5%

 

De belasting- en premieontvangsten stijgen per saldo met €4 miljard: de hogere opbrengsten uit vermogen, nalatenschappen, kapitaal en milieuschade zijn groter dan de netto lastenverlichting op arbeid. De uitgaven stijgen met ongeveer €3,3 miljard door versterking van bestaanszekerheid, uitvoering en transitie-investeringen.

Het begrotingssaldo verbetert daardoor beperkt. Het pakket is dus primair een lastenverschuiving, niet een algemene lastenverhoging of een bezuinigingsoperatie.

4 Inverdieneffecten

4.1 Arbeid

De belangrijkste positieve terugverdieneffecten ontstaan bij de verlaging van de belasting op arbeid:

·       grotere arbeidsdeelname;

·       meer gewerkte uren;

·       minder beroep op inkomensondersteuning;

·       hogere btw-opbrengsten door consumptie;

·       hogere premie- en loonbelastinggrondslag;

·       minder uitkeringsuitgaven.

In het scenario bedraagt dit effect €1,5 miljard, ofwel 15% van de bruto lastenverlichting.

4.2 Bestaanszekerheid

De extra €1,94 miljard voor bestaanszekerheid wordt niet volledig als begrotingsverlies beschouwd in een brede maatschappelijke kosten-batenanalyse. Hogere en stabielere inkomens kunnen leiden tot:

·       minder schuldenproblematiek;

·       minder zorg- en incassokosten;

·       minder huisuitzettingen;

·       hogere consumptie;

·       hogere btw-opbrengsten;

·       betere arbeidsparticipatie;

·       lagere uitvoerings- en terugvorderingskosten.

Deze mogelijke baten zijn uit voorzichtigheid niet afzonderlijk als opbrengst ingeboekt. Daardoor is de raming aan de conservatieve kant.

4.3 Milieubelastingen

Bij milieubelastingen is een dalende opbrengst geen mislukking, maar een teken dat de prijsprikkel werkt. De correctie van €1,2 miljard weerspiegelt minder energie- en grondstoffengebruik. Daartegenover staan maatschappelijke baten die niet direct in het EMU-saldo verschijnen:

·       minder klimaatschade;

·       minder luchtverontreiniging;

·       lagere gezondheidskosten;

·       minder afhankelijkheid van fossiele energie-import;

·       minder schade aan natuur en biodiversiteit.

Ook deze baten worden niet als begrotingsopbrengst meegeteld.

4.4 Vermogen en erfbelasting

Bij vermogens- en erfbelasting ontstaan negatieve gedragseffecten door fiscale planning en aanpassing van vermogensstructuren. Daar staan positieve langetermijneffecten tegenover:

·       minder fiscale arbitrage tussen arbeid en kapitaal;

·       bredere vermogensspreiding;

·       meer sociale mobiliteit;

·       minder prijsopdrijving op activa;

·       een groter belang van productieve investeringen ten opzichte van passieve vermogensopbouw.

Deze langetermijneffecten zijn eveneens niet als directe inkomsten geraamd.

5. Koopkrachteffecten

Een exacte koopkrachtberekening vereist huishoudgegevens, belastingaangiften, woningkenmerken, energiegebruik, gezinssamenstelling en toeslagrechten. Onderstaand beeld is daarom een gestileerde statische verdelingsanalyse. De percentages geven het effect van het hervormingspakket op het besteedbare inkomen weer wanneer het pakket volledig is ingevoerd.

De CPB-basisraming voor 2026 gaat uit van een mediane koopkrachtstijging van ongeveer 1,4%. Het onderstaande effect komt daar in beginsel bovenop, maar in de praktijk zou het pakket gefaseerd over meerdere jaren worden ingevoerd.

Groep

Indicatieve structurele koopkracht

Lage inkomens met compensatie

+2,5% tot +4,5%

Middeninkomens met arbeidsinkomen

+0,8% tot +2,2%

Hogere inkomens zonder groot vermogen

–0,5% tot +0,5%

Hoge inkomens met groot vermogen

–1% tot –3%

Zeer vermogende huishoudens

sterk afhankelijk van vermogensomvang

 

De mediane huishoudenwinst bedraagt in dit scenario ongeveer: +1,5% structureel.

Voor huishoudens met lage inkomens is de winst groter, vooral door de versterkte bestaanszekerheid, de hogere arbeidskorting en de gerichte terugsluis van milieubelastingen. Voor de hoogste inkomens- en vermogensgroepen is het effect negatief door de vermogensbelasting, de erfbelasting en de zwaardere belasting van kapitaalinkomen.

Effecten per huishoudenstype
Alleenstaande werknemer met laag loon

Een alleenstaande werknemer met een bruto-inkomen van €30.000 profiteert van:

·       hogere arbeidskorting;

·       lagere eerste-schijfbelasting;

·       eenvoudiger inkomensondersteuning;

·       energiecompensatie.

Bij een besteedbaar inkomen van ongeveer €27.000 betekent een koopkrachtstijging van 3,5% à 4% een voordeel van ongeveer: €950 tot €1.100 per jaar.

Modaal huishouden met twee werkenden

Een huishouden met twee inkomens rond modaal krijgt vooral voordeel van de lagere belasting op arbeid. Na hogere milieuheffingen resteert naar schatting: €700 tot €1.100 per jaar.

Uitkeringsgerechtigde of gepensioneerde met laag inkomen

Deze groep profiteert minder van de arbeidskorting, maar wel van de versterkte bestaanszekerheid en de gerichte terugsluis. Het netto-effect bedraagt naar schatting: €600 tot €1.000 per jaar.

Hoog inkomen zonder groot vermogen

Een huishouden met een hoog arbeidsinkomen maar zonder zeer groot vermogen profiteert beperkt van de lastenverlichting en betaalt meer via milieuheffingen. Het effect ligt rond: 0% tot –0,5%.

Huishouden met €5 miljoen nettovermogen

Door de vrijstelling van €2 miljoen en het tarief van 0,25% over de volgende €3 miljoen bedraagt de jaarlijkse vermogensbelasting: €3 miljoen × 0,25% = €7.500 per jaar.

Daartegenover kan een beperkte verlaging van arbeidsbelasting staan.

Huishouden met €20 miljoen nettovermogen

De belasting bedraagt:

·       €8 miljoen in de schijf van 0,25%: €20.000;

·       €10 miljoen in de schijf van 0,50%: €50.000.

Totaal: €70.000 per jaar.

Dat is 0,35% van het totale vermogen.

Huishouden met €300 miljoen nettovermogen

De belasting bedraagt:

·       €8 miljoen × 0,25% = €20.000;

·       €40 miljoen × 0,50% = €200.000;

·       €200 miljoen × 0,75% = €1.500.000;

·       €50 miljoen × 1,00% = €500.000.

Totaal: €2,22 miljoen per jaar, gelijk aan ongeveer 0,74% van het totale vermogen.

De progressie is dus zichtbaar, maar de heffing is niet confiscatoir.

6. Beoordeling van het scenario

Het uitgewerkte hervormingsscenario bereikt vijf doelstellingen tegelijkertijd en laat daarmee zien dat fiscale rechtvaardigheid niet noodzakelijk ten koste hoeft te gaan van begrotingsdiscipline, economische dynamiek of uitvoerbaarheid. De kracht van het scenario ligt juist in de samenhang tussen lastenverschuiving, inkomensondersteuning, ecologische sturing en financiële houdbaarheid.

In de eerste plaats verschuift het scenario ongeveer €12,5 miljard aan netto belastingopbrengsten naar grondslagen die vanuit het perspectief van fiscale rechtvaardigheid sterker belastbaar zijn. Het gaat daarbij om zeer grote vermogens, omvangrijke erfenissen, werkelijk kapitaalinkomen, economische rente en activiteiten die maatschappelijke of ecologische schade veroorzaken. Deze verschuiving sluit aan bij het uitgangspunt dat niet iedere euro vanuit normatief oogpunt dezelfde betekenis heeft. Inkomen uit arbeid en productieve participatie verschilt van inkomen dat voortvloeit uit reeds bestaande vermogensposities, erfelijke overdracht, marktmacht of het afwentelen van externe kosten op anderen en op toekomstige generaties. Door juist deze grondslagen zwaarder te belasten, wordt de fiscale architectuur beter afgestemd op draagkracht, kansengelijkheid, intergenerationele rechtvaardigheid en ecologische duurzaamheid.

In de tweede plaats wordt €10 miljard bruto teruggesluisd via een verlaging van de belasting op arbeid. Deze lastenverlichting is gericht op lage en middeninkomens en wordt vormgegeven via hogere heffingskortingen, een lagere druk in de eerste belastingschijf en een gerichte vermindering van werkgeverslasten voor lagere lonen. Daardoor neemt de netto-opbrengst van werken toe en worden arbeidsparticipatie, economische zelfstandigheid en maatschappelijke deelname versterkt. Rekening houdend met positieve inverdieneffecten, zoals hogere werkgelegenheid, extra consumptie, hogere btw-opbrengsten en lagere uitkeringslasten, kost deze maatregel de schatkist naar verwachting geen €10 miljard, maar circa €8,5 miljard. De lastenverlichting betaalt zichzelf dus slechts gedeeltelijk terug, maar levert wel een aantoonbare economische en sociale opbrengst op.

In de derde plaats wordt de bestaanszekerheid structureel versterkt met bijna €2 miljard per jaar. Deze middelen worden ingezet voor een eenvoudiger en voorspelbaarder stelsel van inkomensondersteuning, waarin abrupte terugvorderingen, armoedevallen en hoge marginale druk zoveel mogelijk worden beperkt. Het doel is niet uitsluitend om huishoudens tijdelijk te compenseren, maar om hun economische handelingsruimte duurzaam te vergroten. Hierdoor kunnen burgers beter voorzien in basisbehoeften, financiële schokken opvangen en deelnemen aan arbeid, onderwijs, zorg en maatschappelijk leven. De versterking van bestaanszekerheid vormt daarmee geen los sociaal beleidsdoel, maar een integraal onderdeel van de fiscale hervorming.

In de vierde plaats wordt €1,4 miljard gereserveerd voor uitvoeringscapaciteit en ecologische transitie. Een deel daarvan is bestemd voor versterking van de Belastingdienst, betere gegevensuitwisseling, vermogensregistratie, digitale infrastructuur en effectieve handhaving. Het overige deel wordt ingezet voor maatregelen die huishoudens en ondernemingen in staat stellen daadwerkelijk te reageren op de nieuwe fiscale prikkels, zoals woningisolatie, verduurzaming, openbaar vervoer, omscholing en ondersteuning van kleine ondernemingen. Deze reservering is essentieel, omdat een rechtvaardige belastinghervorming niet alleen op papier moet kloppen, maar ook uitvoerbaar, handhaafbaar en maatschappelijk aanvaardbaar moet zijn.

In de vijfde plaats verbetert het begrotingssaldo ondanks de lastenverlichting en aanvullende uitgaven nog met ongeveer €0,7 miljard per jaar. Het scenario is daarmee nagenoeg budgetneutraal, maar bevat een kleine veiligheidsmarge. Die marge is van belang omdat opbrengsten uit nieuwe belastinggrondslagen onzeker zijn en gedragseffecten zich in de praktijk sterker of zwakker kunnen voordoen dan vooraf geraamd. Een beperkte verbetering van het begrotingssaldo versterkt daarom de robuustheid van het pakket en voorkomt dat de hervorming afhankelijk wordt van optimistische aannames.

De hervorming verhoogt dus niet primair de totale collectieve last, maar verandert vooral de verdeling ervan. De belasting- en premieontvangsten stijgen in het scenario van ongeveer 37,0% naar circa 37,4% van het bruto binnenlands product. Deze stijging wordt echter grotendeels teruggesluisd via lagere lasten op arbeid, versterking van bestaanszekerheid en investeringen in verduurzaming. Tegelijkertijd daalt het begrotingstekort beperkt van ongeveer 2,5% naar circa 2,44% van het bruto binnenlands product. Het pakket combineert daarmee herverdeling en gedragssturing met begrotingsmatige voorzichtigheid.

De kern van het scenario kan worden samengevat als een verschuiving van belastingdruk: minder belasting op productieve arbeid en maatschappelijke participatie, en meer belasting op uitzonderlijk grote vermogens, onverdiende vermogensoverdracht, economische rente en ecologische schade. Daarmee verandert niet alleen wie belasting betaalt, maar ook welke economische activiteiten institutioneel worden gestimuleerd en welke worden afgeremd.

Voor lage en middeninkomens leidt deze hervorming tot een positieve koopkrachtontwikkeling. Zij profiteren van lagere lasten op arbeid, hogere netto-inkomens en een sterkere inkomensondersteuning. Voor hogere inkomens zonder groot vermogen blijft het effect beperkt. De hoogste inkomens- en vermogensgroepen dragen meer bij, vooral via vermogensbelasting, erfbelasting en een zwaardere heffing op kapitaalinkomen. Die lastenstijging blijft in het scenario gematigd en progressief, maar maakt wel zichtbaar dat grote economische draagkracht ook een grotere maatschappelijke verantwoordelijkheid meebrengt.

Het scenario laat daarmee zien dat een rechtvaardiger belastingstelsel niet noodzakelijk neerkomt op een algemene verhoging van belastingen. Het gaat om een herordening van de fiscale architectuur. Productieve arbeid, zorg, ondernemerschap en participatie worden minder zwaar belast, terwijl vermogensconcentratie, erfelijke privileges, economische rente en milieuschade zwaarder worden aangeslagen. Tegelijkertijd blijft het pakket vrijwel budgetneutraal en verbetert het begrotingssaldo licht. Juist die combinatie van rechtvaardigheid, economische prikkels, koopkrachtverbetering en financiële houdbaarheid maakt het scenario institutioneel geloofwaardig.



 

Lees hier het volledige onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat:

https://www.researchgate.net/publication/409445371_Fiscale_rechtvaardigheid_in_de_democratische_rechtsstaat

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Belast grote vermogens nu — maar maak niet opnieuw de fouten van box 3