Wanneer wordt belastingheffing zélf onrechtvaardig?
1
De normatieve grens: wanneer wordt belasting onrechtvaardig?
De analyses van
Rawls en Piketty leiden beide tot de conclusie dat belastingen een onmisbare
institutionele voorwaarde vormen voor een rechtvaardige democratische
samenleving. Zij trekken echter niet de conclusie dat belastingen onbeperkt
kunnen worden verhoogd of dat economische ongelijkheid zoveel mogelijk moet
worden geëlimineerd. Integendeel. Zowel normatief als economisch bestaan
duidelijke grenzen aan de mate waarin de overheid via belastingheffing in
eigendom en marktprocessen kan ingrijpen. Een belastingstelsel dat deze grenzen
overschrijdt, kan uiteindelijk dezelfde waarden ondermijnen die het juist
beoogt te beschermen: vrijheid, welvaart, ondernemerschap en democratische
legitimiteit.
De fundamentele
vraag luidt daarom niet óf belastingen noodzakelijk zijn, maar wanneer
belastingheffing ophoudt een instrument van rechtvaardigheid te zijn en zelf
onrechtvaardig wordt. Het antwoord op die vraag vereist een afweging tussen
verschillende, soms conflicterende waarden: economische dynamiek, individuele
vrijheid, gelijke kansen, solidariteit, rechtszekerheid en democratische
legitimiteit. Juist in deze spanning ontmoeten politieke filosofie, economie en
constitutioneel recht elkaar.
Rawls: rechtvaardigheid
kent institutionele grenzen
Rawls wordt
regelmatig gepresenteerd als een pleitbezorger van vergaande herverdeling, maar
een zorgvuldige lezing van A Theory of Justice laat een veel
genuanceerder beeld zien. Zijn uitgangspunt is niet gelijkheid als zodanig,
maar de inrichting van een rechtvaardige basisstructuur van de
samenleving. Ongelijkheid is volgens Rawls niet alleen toelaatbaar, maar kan
zelfs wenselijk zijn wanneer zij de maatschappelijke welvaart vergroot én
uiteindelijk ook de minst bevoorrechten ten goede komt. Het verschilbeginsel
legitimeert dus juist economische prikkels die leiden tot innovatie,
investeringen, ondernemerschap en hogere productiviteit, mits de vruchten
daarvan niet uitsluitend bij een kleine elite terechtkomen.
Daaruit volgt
dat belastingheffing nooit uitsluitend mag worden beoordeeld op haar
herverdelende effect. Zij moet eveneens rekening houden met de invloed die zij
uitoefent op economische activiteit. Wanneer belastingen zo hoog worden dat zij
ondernemerschap ontmoedigen, investeringen doen afnemen, innovatie remmen of
economische groei structureel beperken, kan uiteindelijk ook de positie van de
minst bevoorrechten verslechteren. Een samenleving beschikt dan immers over
minder middelen om onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid en andere
publieke voorzieningen te financieren.
Rawls zoekt
daarom geen maximale herverdeling, maar een institutioneel optimum waarin
economische dynamiek en sociale rechtvaardigheid elkaar wederzijds versterken.
Belastingen behoren niet de economische motor stil te zetten, maar juist de
voorwaarden te creëren waaronder die motor ten goede komt aan de gehele
samenleving.
Piketty: ook te lage
belastingen kunnen onrechtvaardig zijn
Waar Rawls
vooral de bovengrens van belastingheffing onderzoekt, richt Piketty zich juist
op de ondergrens. Zijn historische analyses laten zien dat een belastingstelsel
dat vermogens vrijwel ongemoeid laat eveneens ernstige maatschappelijke schade
kan veroorzaken. Wanneer rendement op vermogen langdurig hoger ligt dan de
economische groei en de fiscale correctie beperkt blijft, neemt
vermogensconcentratie vrijwel automatisch toe. De markt corrigeert deze
ontwikkeling niet spontaan. Integendeel, zij versterkt haar.
Volgens Piketty
ontstaat hierdoor een andere vorm van onrechtvaardigheid. Niet doordat
belastingen te hoog zijn, maar doordat zij onvoldoende corrigeren. De
economische spelregels bevoordelen dan steeds sterker degenen die reeds over
kapitaal beschikken. Naarmate vermogen zich concentreert, groeien ook de
verschillen in toegang tot onderwijs, huisvesting, ondernemerschap, politieke
invloed en maatschappelijke netwerken. Uiteindelijk verschuift de samenleving
van een economie waarin prestaties centraal staan naar een economie waarin
afkomst steeds belangrijker wordt.
Voor Piketty
ligt de grens van rechtvaardigheid daarom niet uitsluitend bij de bescherming
van individuele eigendom, maar ook bij de bescherming van democratische
gelijkheid. Een belastingstelsel dat extreem grote vermogens vrijwel ongemoeid
laat, tast volgens hem uiteindelijk de democratie zelf aan doordat economische
macht zich geleidelijk vertaalt in politieke macht.
Economische efficiëntie
als normatieve voorwaarde
De spanning
tussen Rawls en Piketty laat zien dat rechtvaardigheid niet los kan worden
gezien van economische efficiëntie. Belastingen dienen niet alleen eerlijk te
zijn, maar ook zodanig te worden vormgegeven dat zij maatschappelijke welvaart
niet onnodig verminderen. In de economische literatuur wordt daarom vaak
gesproken over het streven naar een belastingstelsel dat zo veel mogelijk
publieke doelen realiseert tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.
Belastingen
beïnvloeden immers het gedrag van burgers en ondernemingen. Zij kunnen arbeid
aantrekkelijker of minder aantrekkelijk maken, sparen stimuleren of
ontmoedigen, investeringen bevorderen of afremmen en de keuze tussen consumptie
en kapitaalvorming beïnvloeden. Geen enkele belasting is volledig neutraal. De
kunst van goed belastingbeleid bestaat er daarom uit de onvermijdelijke
economische verstoringen zo beperkt mogelijk te houden, terwijl tegelijkertijd
voldoende middelen worden gegenereerd om publieke voorzieningen te financieren
en excessieve ongelijkheid te corrigeren.
Vanuit dit
perspectief is economische efficiëntie geen alternatief voor rechtvaardigheid,
maar juist een voorwaarde daarvoor. Een belastingstelsel dat de economische
basis van de samenleving ondermijnt, beperkt uiteindelijk ook de mogelijkheden
om sociale rechtvaardigheid duurzaam te realiseren.
De Laffer-curve:
grenzen aan belastingheffing
Een belangrijk
economisch inzicht dat hierbij aandacht verdient is de zogenoemde Laffer-curve.
Arthur Laffer betoogde dat belastingopbrengsten niet onbeperkt toenemen
naarmate belastingtarieven stijgen. Bij zeer lage tarieven genereert de
overheid weinig inkomsten omdat het tarief laag is. Bij zeer hoge tarieven
kunnen belastingopbrengsten eveneens afnemen doordat mensen minder gaan werken,
minder investeren, belasting ontwijken of economische activiteiten verplaatsen
naar andere jurisdicties. Tussen beide uitersten bevindt zich een optimaal
belastingniveau waarbij de belastingopbrengst maximaal is.
Hoewel de
precieze vorm van de Laffer-curve onderwerp van wetenschappelijk debat blijft
en sterk verschilt per belastingsoort, vormt de onderliggende gedachte
inmiddels breed geaccepteerde economische theorie. Belastingen beïnvloeden
gedrag. Dat betekent dat steeds hogere tarieven niet automatisch leiden tot
steeds hogere belastingopbrengsten.
Voor het
normatieve debat is dit inzicht van groot belang. Indien zeer hoge
belastingtarieven uiteindelijk leiden tot lagere economische groei, minder
investeringen en uiteindelijk zelfs lagere belastinginkomsten, kunnen zij ook
vanuit Rawls moeilijk worden gerechtvaardigd. Zij verbeteren de positie van de
minst bevoorrechten dan immers niet langer, maar verslechteren deze juist.
Tegelijkertijd
betekent de Laffer-curve geenszins dat iedere belastingverlaging zichzelf
terugverdient, zoals soms in het politieke debat wordt gesuggereerd. De
empirische literatuur laat zien dat dergelijke effecten slechts onder
specifieke omstandigheden optreden en doorgaans beperkt zijn. De Laffer-curve
vormt daarom geen argument tegen progressieve belastingen als zodanig, maar een
waarschuwing dat ook herverdeling economische grenzen kent.
Ondernemerschap en
investeringsprikkels
Een rechtvaardig
belastingstelsel dient bovendien rekening te houden met de maatschappelijke
betekenis van ondernemerschap. Ondernemers creëren niet alleen inkomen voor
zichzelf, maar ontwikkelen nieuwe producten, investeren in innovatie, creëren
werkgelegenheid en dragen bij aan economische groei. Deze activiteiten brengen
onzekerheid en risico met zich mee. Veel ondernemingen mislukken, terwijl
succesvolle ondernemingen vaak pas na jaren rendement opleveren.
Vanuit zowel
Rawls als Piketty bestaat daarom ruimte om productieve investeringen fiscaal
anders te behandelen dan passieve vermogensgroei. Belastingheffing behoort niet
de bereidheid te ondermijnen om risico's te nemen die maatschappelijke waarde
creëren. Een belastingstelsel dat ondernemerschap structureel ontmoedigt,
beperkt uiteindelijk de economische dynamiek waarop ook publieke voorzieningen
zijn aangewezen.
Dit betekent
echter niet dat ieder beroep op ondernemerschap iedere fiscale gunst
rechtvaardigt. Juist daarom is onderscheid nodig tussen actief productief
kapitaal en passief vermogen. Investeringen die daadwerkelijk bijdragen aan
innovatie, werkgelegenheid en economische ontwikkeling verschillen fundamenteel
van vermogens die grotendeels groeien door waardestijgingen van bestaande
activa, monopolierenten of omvangrijke geërfde vermogens. Een rechtvaardig
belastingstelsel mag deze verschillen weerspiegelen.
De normatieve balans
De analyses van
Rawls, Piketty en de economische theorie leiden uiteindelijk tot een
gemeenschappelijke conclusie. Zowel een te hoge als een te lage belastingdruk
kan onrechtvaardig zijn. Een belastingstelsel dat economische dynamiek
verstikt, tast de materiële basis van vrijheid en solidariteit aan. Een
belastingstelsel dat vermogensconcentratie vrijwel ongemoeid laat, ondermijnt
daarentegen gelijke kansen, sociale mobiliteit en uiteindelijk de democratische
rechtsstaat.
De normatieve
uitdaging bestaat daarom uit het vinden van een dynamisch evenwicht tussen
verschillende maatschappelijke waarden. Dat evenwicht kan niet worden
uitgedrukt in één optimaal belastingtarief of één ideale belastingmix. Het is
afhankelijk van economische omstandigheden, de verdeling van vermogen,
internationale ontwikkelingen en de institutionele context waarin belastingen
functioneren. Wel kunnen enkele algemene uitgangspunten worden geformuleerd.
Een rechtvaardig
belastingstelsel dient economische waardecreatie te stimuleren zonder
structurele machtsconcentratie te faciliteren. Het moet ondernemerschap en
innovatie belonen zonder passieve vermogensgroei onbeperkt te bevoordelen. Het
moet voldoende middelen genereren om publieke voorzieningen en gelijke kansen
te waarborgen, zonder de economische basis waarop deze voorzieningen rusten te
ondermijnen. Bovenal moet het belastingstelsel democratisch gelegitimeerd zijn
en voor burgers begrijpelijk, voorspelbaar en als rechtvaardig worden ervaren.
Mens- en
samenlevingswording als aanvullend normatief criterium
Vanuit het mens-
en samenlevingswordingsmodel kan deze afweging verder worden verdiept.
Belastingen zijn daarin geen doel op zichzelf, maar een institutioneel
instrument om de voorwaarden voor menswording te versterken. Dat betekent dat
belastingheffing steeds moet worden beoordeeld op haar bijdrage aan autonomie,
gelijkwaardigheid en corrigeerbaarheid.
Een
belastingstelsel wordt vanuit dit perspectief onrechtvaardig wanneer het
burgers afhankelijk maakt, ondernemerschap zonder noodzaak belemmert of de
ontwikkeling van talenten beperkt. Evenzeer wordt het onrechtvaardig wanneer
het toestaat dat economische macht zich zodanig concentreert dat gelijke
kansen, democratische invloed en maatschappelijke mobiliteit structureel worden
uitgehold. De normatieve grens ligt daarmee niet bij een vast
belastingpercentage, maar bij het punt waarop het belastingstelsel zijn eigen
institutionele doel voorbijschiet: het scheppen van een samenleving waarin
vrijheid, economische dynamiek en gelijkwaardigheid elkaar duurzaam versterken
in plaats van ondermijnen.
2
Juridische grenzen: eigendomsrecht en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het
EVRM
De normatieve
analyse van Rawls en Piketty maakt duidelijk dat een rechtvaardig
belastingstelsel ruimte biedt voor progressieve belastingheffing op grote
vermogens en nalatenschappen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat dergelijke
belastingen ook juridisch toelaatbaar zijn. In een democratische rechtsstaat
wordt de vrijheid van de wetgever immers begrensd door het constitutionele en
mensenrechtelijke kader. Belastingen zijn niet uitsluitend een instrument van
economisch beleid, maar vormen tevens een inmenging in het eigendomsrecht van
burgers. De vraag is daarom niet alleen of een belasting rechtvaardig is, maar
ook of zij juridisch geoorloofd is.
Binnen Europa
vormt artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens (artikel 1 EP EVRM) hiervoor het belangrijkste
toetsingskader. Daarnaast kent artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten
van de Europese Unie een vrijwel gelijkwaardige bescherming van eigendom. Uit
de toelichting bij het Handvest volgt expliciet dat de inhoud en reikwijdte van
artikel 17 overeenkomen met artikel 1 EP EVRM, zodat dezelfde juridische
maatstaven gelden.
De betekenis
hiervan wordt in het politieke debat regelmatig onderschat. Het eigendomsrecht
beschermt burgers tegen willekeurige of disproportionele inmenging door de
overheid, maar biedt geen absoluut recht op behoud van een bepaald vermogen of
een bepaalde belastingdruk. Integendeel, het EVRM erkent uitdrukkelijk dat
eigendom mag worden gereguleerd wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend
algemeen belang bestaat en de inmenging voldoet aan de eisen van
proportionaliteit. Daarmee sluit het mensenrechtelijke kader opvallend goed aan
bij de normatieve benadering van Rawls en Piketty: ook juridisch draait de
beoordeling uiteindelijk om de vraag of een evenwicht bestaat tussen
individuele eigendomsbescherming en maatschappelijke rechtvaardigheid.
Eigendom is een
fundamenteel recht, maar geen absoluut recht
Artikel 1 EP
EVRM kent iedere natuurlijke en rechtspersoon het recht toe op het ongestoord
genot van zijn eigendom. De bepaling beschermt niet alleen klassieke eigendom
zoals grond of gebouwen, maar strekt zich uit tot een breed scala aan
vermogensrechten, waaronder aandelen, ondernemingsvermogen, financiële activa,
vorderingen en andere vermogensbestanddelen. Ook belastingheffing valt onder de
reikwijdte van artikel 1 EP, omdat belastingen rechtstreeks ingrijpen in het
vermogen van burgers.
Tegelijkertijd
bevat dezelfde bepaling een expliciete erkenning dat staten bevoegd zijn het
gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.
Anders dan sommige nationale grondrechten formuleert artikel 1 EP dus geen
absoluut verbod op inmenging, maar juist een systeem waarin individuele
eigendomsbescherming en maatschappelijke belangen voortdurend tegen elkaar
moeten worden afgewogen.
Deze benadering
sluit aan bij de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens (EHRM). Het Hof heeft herhaaldelijk benadrukt dat het EVRM niet is bedoeld
om een bepaald economisch systeem of een specifieke fiscale ideologie te beschermen.
Staten behouden een ruime vrijheid om hun sociaal-economisch beleid vorm te
geven, waaronder belastingheffing, sociale zekerheid en herverdeling van
welvaart. Het EVRM schrijft geen laag belastingniveau voor, maar verlangt
uitsluitend dat de overheid binnen de grenzen van de rechtsstaat blijft.
De systematiek van
artikel 1 EP EVRM
De rechtspraak
van het EHRM kan worden samengevat in een toetsingskader dat inmiddels ook
breed binnen de rijksoverheid wordt toegepast. Volgens deze systematiek
verloopt de toetsing aan artikel 1 EP in drie opeenvolgende stappen. Eerst
wordt beoordeeld of sprake is van eigendom in de zin van artikel 1 EP.
Vervolgens wordt vastgesteld of sprake is van een inmenging in dat
eigendomsrecht. Indien dat het geval is, moet ten slotte worden onderzocht of
deze inmenging gerechtvaardigd is.
Voor
belastingmaatregelen zullen de eerste twee stappen doorgaans weinig problemen
opleveren. Belastingen raken immers rechtstreeks het vermogen van burgers en
vormen daarmee zonder twijfel een inmenging in het eigendomsrecht. De
juridische discussie concentreert zich daarom vrijwel steeds op de derde vraag:
is de inmenging gerechtvaardigd?
Volgens de vaste
jurisprudentie van het EHRM moet daarvoor aan drie cumulatieve voorwaarden zijn
voldaan:
·
de inmenging moet zijn voorzien bij wet;
·
zij moet een legitiem algemeen belang dienen;
·
en zij moet voldoen aan de eis van
proportionaliteit, hetgeen inhoudt dat een fair balance bestaat tussen het
publieke belang en de bescherming van individuele rechten.
Deze driedelige
toets vormt tegenwoordig het standaardkader voor vrijwel iedere beoordeling van
belastingmaatregelen onder artikel 1 EP.
De legaliteitstoets
De eerste
voorwaarde is dat de belastingheffing "bij wet" moet zijn voorzien.
Deze eis gaat verder dan de enkele aanwezigheid van een formele wettelijke
grondslag. Volgens de rechtspraak van het EHRM moet de regeling voldoende
toegankelijk, voorzienbaar en nauwkeurig zijn, zodat burgers redelijkerwijs
kunnen voorzien welke gevolgen de wet voor hun vermogenspositie heeft.
Voor
belastingwetgeving betekent dit onder meer dat de belastingplicht, de
grondslag, de tarieven, eventuele vrijstellingen en de bevoegdheden van de
Belastingdienst voldoende duidelijk moeten zijn geregeld. Ook terugwerkende
kracht verdient daarbij bijzondere aandacht. Hoewel terugwerkende fiscale
wetgeving niet categorisch verboden is, verlangt het EHRM daarvoor een
bijzondere rechtvaardiging, juist omdat rechtszekerheid een belangrijk
onderdeel vormt van het eigendomsrecht.
Het algemeen belang
De tweede
voorwaarde betreft het bestaan van een legitiem algemeen belang. Juist op dit
punt kent het EHRM de nationale wetgever een zeer ruime beoordelingsvrijheid
toe. Belastingen dienen immers vrijwel altijd publieke doelen zoals de
financiering van collectieve voorzieningen, het bevorderen van sociale
rechtvaardigheid, het beschermen van de woningmarkt, het terugdringen van
milieuschade of het waarborgen van de financiële stabiliteit van de staat.
Het Hof heeft
herhaaldelijk overwogen dat nationale parlementen democratisch beter zijn
toegerust dan internationale rechters om dergelijke sociaal-economische
afwegingen te maken. Daarom beschikt de wetgever op dit terrein over een ruime
margin of appreciation. Slechts wanneer een maatregel evident willekeurig is of
ieder redelijk verband met het nagestreefde doel ontbreekt, zal het EHRM
ingrijpen. Sociaaleconomisch beleid valt in beginsel binnen deze ruime
beoordelingsvrijheid.
Voor een
progressieve vermogens- of erfbelasting betekent dit dat het algemeen belang
doorgaans goed kan worden onderbouwd. Mogelijke doelstellingen zijn onder meer:
·
het bevorderen van gelijke kansen;
·
het voorkomen van excessieve
vermogensconcentratie;
·
het beschermen van democratische gelijkheid;
·
het financieren van publieke voorzieningen;
·
het waarborgen van de houdbaarheid van de
overheidsfinanciën;
·
en het versterken van sociale mobiliteit.
Juist omdat deze
doelstellingen nauw aansluiten bij fundamentele constitutionele waarden, zal
aan deze tweede voorwaarde doorgaans relatief eenvoudig kunnen worden voldaan.
De
proportionaliteitstoets: de fair balance
De kern van de
juridische beoordeling ligt uiteindelijk bij de proportionaliteitstoets.
Volgens vaste rechtspraak van het EHRM moet steeds een fair balance bestaan
tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele
eigendomsrechten anderzijds. Er moet een redelijke verhouding bestaan tussen
het nagestreefde doel en de gekozen middelen.
De
proportionaliteitstoets bestaat uit twee afzonderlijke niveaus bestaat. Eerst
moet worden beoordeeld of de regeling als zodanig een redelijke
belangenafweging bevat. Vervolgens moet worden onderzocht of de regeling in
individuele gevallen leidt tot een individual and excessive burden, een
individuele en buitensporige last.
Dit onderscheid
is van groot belang. Een belastingwet kan op regelingsniveau volledig
gerechtvaardigd zijn en toch in uitzonderlijke individuele gevallen onevenredig
uitpakken. Andersom geldt dat een individuele belastingplichtige niet reeds een
geslaagd beroep op artikel 1 EP kan doen omdat hij minder rendement behaalt of
meer belasting betaalt dan voorheen.
Geen recht op maximaal
rendement
De rechtspraak
van het EHRM maakt duidelijk dat het eigendomsrecht geen garantie biedt op een
bepaald rendement op vermogen. In zaken als Nobel/Nederland, Depalle/Frankrijk
en Frijns/Nederland heeft het Hof geoordeeld dat regulering die leidt
tot lagere opbrengsten of een verminderd rendement niet zonder meer strijdig is
met artikel 1 EP. Zolang de eigenaar zijn eigendom behoudt en deze nog steeds
economisch kan benutten, is doorgaans sprake van regulering en niet van
onteigening.
Voor
belastingheffing heeft dit belangrijke consequenties. Het enkele feit dat een
progressieve vermogensbelasting of erfbelasting het nettovermogen vermindert of
het rendement verlaagt, maakt een dergelijke belasting nog niet onrechtmatig.
Het EVRM beschermt eigendom, maar garandeert geen ongewijzigde vermogensgroei
of een bepaald netto rendement.
De margin of
appreciation
Het EHRM
benadrukt bovendien dat staten op fiscaal terrein beschikken over een
uitzonderlijk ruime margin of appreciation. Belastingen maken immers onderdeel
uit van de kern van democratisch gelegitimeerd sociaal-economisch beleid.
Rechters behoren zich daarom terughoudend op te stellen en slechts in te
grijpen wanneer de wetgever de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid evident
overschrijdt. De maatregel mag niet "manifestly unreasonable" zijn.
Deze
terughoudendheid is goed verklaarbaar. De vaststelling van belastingtarieven,
vrijstellingen en belastinggrondslagen vereist immers politieke keuzes over
solidariteit, economische groei, verdelingsvraagstukken en begrotingsbeleid.
Het EVRM schrijft geen specifieke fiscale ideologie voor. Zowel een relatief
liberale als een relatief sociaal-democratische belastingmix kan daarom binnen
het verdragsrecht passen, mits de fundamentele waarborgen van artikel 1 EP
worden gerespecteerd.
Juridische conclusie
De juridische
analyse leidt tot een belangrijke conclusie. Artikel 1 EP EVRM vormt geen
principieel obstakel voor een progressieve vermogens- of erfbelasting. Het
eigendomsrecht beschermt burgers tegen willekeurige en disproportionele
inmenging, maar sluit herverdelende belastingheffing nadrukkelijk niet uit.
Integendeel, de rechtspraak van het EHRM laat zien dat staten op fiscaal
terrein over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken, mits zij hun keuzes
zorgvuldig motiveren en een evenwichtige belangenafweging maken.
Voor Nederland
betekent dit dat een hervorming van de belasting op grote vermogens en
nalatenschappen juridisch goed verdedigbaar kan zijn, mits de wetgever
expliciet onderbouwt welk algemeen belang wordt nagestreefd, waarom de gekozen
maatregel geschikt en noodzakelijk is, welke alternatieven zijn overwogen en
hoe wordt voorkomen dat individuele belastingplichtigen worden geconfronteerd
met een buitensporige last. Daarmee verschuift de kern van het debat van de
vraag óf een progressieve vermogens- of erfbelasting mogelijk is naar de
vraag hoe deze zodanig kan worden vormgegeven dat zij zowel economisch
doelmatig, normatief rechtvaardig als constitutioneel houdbaar is.
Lees hier het
volledige onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat:

Reacties
Een reactie posten