Waarom stemmen we tegen ons eigen economische belang?
Waarom stemmen we tegen ons eigen economische belang?
Stel u een eenvoudige vraag.
Als negentig procent van de bevolking weinig of geen groot vermogen bezit en slechts een kleine minderheid het grootste deel van het vermogen bezit, waarom stemmen we dan niet massaal voor beleid dat die ongelijkheid verkleint?
Op het eerste gezicht lijkt het antwoord eenvoudig. In een democratie heeft immers iedereen één stem. De meerderheid zou dus moeten bepalen hoe de welvaart wordt verdeeld. Toch zien we in vrijwel alle westerse democratieën het tegenovergestelde gebeuren. Vermogensongelijkheid neemt toe, terwijl de democratische instituties grotendeels intact blijven.
Hoe kan dat?
Misschien omdat we de verkeerde vraag stellen.
We gaan er vaak vanuit dat mensen stemmen vanuit hun portemonnee. Maar verkiezingen gaan zelden alleen over geld. Ze gaan ook over identiteit, migratie, veiligheid, cultuur, klimaat, Europa en vertrouwen. Een kiezer kan economisch voordeel hebben bij een hogere belasting op grote vermogens, maar toch stemmen op een partij vanwege haar standpunt over immigratie of nationale identiteit.
De democratie is geen rekensom waarin inkomens automatisch worden vertaald naar verkiezingsuitslagen.
Daar komt nog iets bij.
Hoewel iedere burger één stem heeft, beschikt niet iedere burger over dezelfde invloed. Grote vermogens kopen geen stemmen, maar zij kopen wel toegang. Zij financieren denktanks, lobbyorganisaties, campagnes, media en juridische procedures. Zij beïnvloeden het publieke debat, de politieke agenda en soms zelfs de grenzen van wat als "realistisch beleid" wordt beschouwd.
Formele politieke gelijkheid betekent dus niet automatisch feitelijke politieke gelijkwaardigheid.
Ook de psychologie speelt een rol.
Veel mensen zien zichzelf niet als onderdeel van een economische klasse, maar als iemand die ooit misschien ondernemer wordt, een huis bezit dat sterk in waarde stijgt of vermogen nalaat aan de volgende generatie. We stemmen niet alleen vanuit onze huidige positie, maar ook vanuit onze verwachtingen, dromen en angsten. Zelfs wanneer die verwachtingen statistisch weinig waarschijnlijk zijn, beïnvloeden zij onze politieke keuzes.
Bovendien onderschatten veel burgers de omvang van de vermogensongelijkheid. De verschillen in inkomen zijn zichtbaar; de verschillen in vermogen veel minder. Wie weet hoeveel vastgoed, aandelen of beleggingsfondsen de rijkste één procent werkelijk bezit? Onzichtbare ongelijkheid roept minder maatschappelijke verontwaardiging op dan zichtbare ongelijkheid.
En dan is er nog een hardnekkig misverstand over democratie zelf.
Democratie is geen machine die automatisch rechtvaardige uitkomsten produceert. Zij is een systeem waarin belangen, ideeën, emoties, instituties en machtsverhoudingen voortdurend met elkaar concurreren. Dat maakt haar waardevol, maar ook kwetsbaar.
Vanuit mijn mens- en samenlevingswordingsmodel ligt daar misschien wel de kern van het probleem. De vraag is niet waarom burgers "tegen hun eigen belang" stemmen. Dat veronderstelt immers dat hun belang uitsluitend economisch is. De werkelijk fundamentele vraag luidt: onder welke institutionele voorwaarden kan een democratie economische machtsconcentraties nog daadwerkelijk corrigeren?
Want zodra economische macht zich vertaalt in politieke invloed, ontstaat een zichzelf versterkende cirkel. Vermogen beïnvloedt beleid. Beleid beïnvloedt de vermogensverdeling. En een grotere vermogensconcentratie vergroot vervolgens opnieuw de politieke invloed.
Dan blijft het verkiezingsproces bestaan, maar neemt het corrigerend vermogen van de democratie geleidelijk af.
Dat is misschien wel de grootste uitdaging van onze tijd.
Niet hoe we meer democratie organiseren, maar hoe we ervoor zorgen dat democratie haar oorspronkelijke belofte kan blijven waarmaken: dat politieke gelijkheid ook daadwerkelijk kan leiden tot een samenleving waarin vrijheid, gelijkwaardigheid en bestaanszekerheid voor iedereen bereikbaar blijven.
Misschien is de toekomst van de democratische rechtsstaat daarom minder afhankelijk van de vraag wie verkiezingen wint, dan van de vraag of onze instituties nog in staat zijn om de concentratie van economische én politieke macht tijdig te corrigeren. Want een democratie die dat vermogen verliest, loopt niet het risico dat zij morgen ophoudt een democratie te zijn. Zij loopt het risico dat zij langzaam haar ziel verliest.
Gelijkwaardigheid als fundament

Reacties
Een reactie posten