Waarom is Nederland relatief gelijk in inkomen, maar zo ongelijk in vermogen?
De gezamenlijke
inzichten van Rawls en Piketty zijn niet slechts van theoretische betekenis.
Zij bieden ook een krachtig analytisch kader voor de beoordeling van het
Nederlandse belastingstelsel. Juist Nederland vormt in dit opzicht een
interessante casus. Enerzijds behoort ons land internationaal tot de landen met
de relatief laagste inkomensongelijkheid na belastingen en sociale zekerheid.
Door een progressieve inkomstenbelasting, een uitgebreid stelsel van sociale
zekerheid en inkomensafhankelijke regelingen worden verschillen in besteedbaar
inkomen aanzienlijk verkleind. Anderzijds kent Nederland een zeer hoge
vermogensongelijkheid. Een relatief klein deel van de huishoudens bezit een
groot deel van het particuliere vermogen, terwijl een aanzienlijk deel van de
bevolking weinig of geen vrij beschikbaar vermogen heeft. Deze combinatie van
relatief gelijke inkomens en sterk ongelijke vermogens maakt duidelijk dat een
analyse van inkomens alleen onvoldoende is om de rechtvaardigheid van het
belastingstelsel te beoordelen.
Daarbij verdient
enige nuance aandacht. Een aanzienlijk deel van het Nederlandse vermogen
bestaat uit pensioenrechten en de overwaarde van de eigen woning. Deze
vermogensbestanddelen zijn voor veel huishoudens niet vrij besteedbaar en
vervullen vooral een functie van bestaanszekerheid op langere termijn.
Pensioenvermogen kan doorgaans pas na pensionering worden benut en de
overwaarde van de eigen woning is veelal pas beschikbaar wanneer de woning
wordt verkocht of via aanvullende financiering wordt verzilverd. Deze
institutionele kenmerken onderscheiden Nederland van landen waar particuliere
vermogens in sterkere mate bestaan uit vrij belegbaar financieel kapitaal.
Tegelijkertijd
verandert deze nuancering weinig aan de kern van de analyse. Ook wanneer
rekening wordt gehouden met pensioenrechten en eigenwoningbezit, blijft de
concentratie van vrij beschikbaar vermogen aanzienlijk. Juist dit liquide en
productief inzetbare vermogen bepaalt in belangrijke mate de mogelijkheden om
te investeren, ondernemingen op te richten, financiële risico's te nemen,
kinderen financieel te ondersteunen of invloed uit te oefenen op
maatschappelijke ontwikkelingen. De verdeling van deze vermogens is aanzienlijk
schever dan de verdeling van inkomens. Daarmee sluit de Nederlandse situatie
nauw aan bij de analyse van Piketty dat niet zozeer het arbeidsinkomen, maar
vooral de verdeling van vermogen bepalend is voor de ontwikkeling van structurele
ongelijkheid.
Vanuit zowel
Rawls als Piketty ontstaat hierdoor een fundamentele spanning binnen het
Nederlandse belastingstelsel. Het huidige fiscale stelsel is historisch in
belangrijke mate opgebouwd rondom de belasting van arbeid. Loonbelasting en
inkomstenbelasting vormen nog altijd een van de belangrijkste bronnen van
overheidsinkomsten. Werkenden financieren daarmee een groot deel van de
collectieve voorzieningen waarop de samenleving is gebaseerd: onderwijs,
gezondheidszorg, infrastructuur, sociale zekerheid, rechtsbescherming en
openbaar bestuur. Juist de factor die de meeste burgers in staat stelt om
maatschappelijk zelfstandig te functioneren, draagt daarmee relatief zwaar bij
aan de financiering van de collectieve sector.
Daartegenover
staat dat verschillende vormen van vermogensgroei historisch gunstiger zijn
behandeld. Dat geldt onder meer voor waardestijgingen van woningen, bepaalde
vermogensrendementen, ondernemingsvermogen en de mogelijkheden om vermogen
fiscaal gunstig over te dragen. Hoewel de fiscale behandeling van vermogen de
afgelopen jaren op onderdelen is aangepast, blijft het verschil tussen de
belastingdruk op arbeid en op verschillende vormen van vermogen aanzienlijk.
Bovendien zijn juist grote vermogens vaak beter in staat gebruik te maken van
fiscale optimalisatie, internationale structuren en schaalvoordelen die voor
huishoudens zonder vermogen nauwelijks bereikbaar zijn.
Deze asymmetrie
heeft belangrijke maatschappelijke gevolgen. Voor huishoudens zonder
noemenswaardig vermogen vormt arbeid vrijwel de enige route naar
bestaanszekerheid, woningbezit en vermogensopbouw. Tegelijkertijd wordt het
opbouwen van vermogen via arbeid steeds moeilijker naarmate woningprijzen
stijgen, financiële activa in waarde toenemen en bestaande vermogens sneller
groeien dan arbeidsinkomens. Hierdoor ontstaat een situatie waarin de
maatschappelijke positie van burgers steeds sterker wordt beïnvloed door de
vraag of zij reeds over vermogen beschikken of toegang hebben tot
familievermogen. Arbeid blijft noodzakelijk om inkomen te verwerven, maar is
steeds minder voldoende om een vergelijkbare vermogenspositie op te bouwen als
huishoudens die reeds over kapitaal beschikken.
Vanuit Rawls
roept deze ontwikkeling vragen op over de eerlijke gelijkheid van kansen.
Wanneer de toegang tot woningbezit, ondernemerschap en financiële zekerheid in
toenemende mate afhankelijk wordt van reeds bestaand vermogen of van
intergenerationele vermogensoverdracht, verliezen burgers met vergelijkbare
talenten en inzet steeds vaker vergelijkbare ontwikkelingsmogelijkheden. De
maatschappelijke uitgangspositie wordt dan minder bepaald door individuele
capaciteiten en meer door de omstandigheden waarin iemand wordt geboren.
Daarmee komt een van de kernvoorwaarden van een rechtvaardige samenleving onder
druk te staan.
Piketty legt het
accent op een ander, maar nauw verwant probleem. Volgens hem leidt een
belastingstelsel waarin vermogensgroei relatief minder wordt belast dan arbeid
ertoe dat de concentratie van economische macht zich geleidelijk blijft
versterken. Vermogen genereert nieuw vermogen, terwijl arbeid vooral inkomen
oplevert. Wanneer deze dynamiek onvoldoende institutioneel wordt gecorrigeerd,
neemt niet alleen de vermogensongelijkheid toe, maar groeit uiteindelijk ook de
maatschappelijke en politieke invloed van degenen die reeds over grote
vermogens beschikken. De spanning betreft daarmee niet uitsluitend de verdeling
van welvaart, maar ook de kwaliteit van de democratische rechtsstaat.
Daarmee wordt
zichtbaar dat het huidige Nederlandse belastingstelsel een fundamentele paradox
kent. Juist de factor die de samenleving wil stimuleren – arbeid,
ondernemerschap en maatschappelijke participatie – draagt relatief zwaar bij
aan de financiering van de collectieve voorzieningen. Tegelijkertijd worden
verschillende vormen van vermogensgroei en passief kapitaal relatief gunstiger
behandeld, terwijl juist daar de grootste concentraties van economische macht
ontstaan. Vanuit zowel Rawls als Piketty is dit moeilijk volledig te
rechtvaardigen. Niet omdat vermogen op zichzelf problematisch zou zijn, maar
omdat de huidige belastingmix onvoldoende onderscheid maakt tussen productieve
economische activiteiten die nieuwe maatschappelijke waarde creëren en vermogensgroei
die grotendeels voortvloeit uit reeds bestaande eigendomsposities, schaarste of
intergenerationele overdracht.
Daarbij komt nog
een tweede spanning die in de klassieke fiscale discussie vaak onderbelicht
blijft. Nederland staat voor omvangrijke maatschappelijke opgaven op het gebied
van vergrijzing, woningbouw, klimaattransitie, digitalisering, defensie en
economische weerbaarheid. De financiering van deze publieke investeringen zal
de komende decennia aanzienlijke middelen vergen. Wanneer de belastingdruk
hoofdzakelijk op arbeid blijft rusten, dreigt de financiering van deze
collectieve opgaven in toenemende mate terecht te komen bij de groep die
voornamelijk afhankelijk is van arbeidsinkomen, terwijl de vermogensgroei die
mede mogelijk wordt gemaakt door stabiele publieke instituties relatief minder
bijdraagt. Vanuit zowel rechtvaardigheids- als efficiëntieoverwegingen ligt het
daarom voor de hand opnieuw na te denken over de verdeling van de fiscale
lasten.
Vanuit het mens-
en samenlevingswordingsmodel krijgt deze analyse nog een bredere betekenis.
Belastingen zijn daarin niet uitsluitend een instrument om overheidsuitgaven te
financieren of economische ongelijkheid te corrigeren. Zij vormen een
essentieel onderdeel van de institutionele voorwaarden waaronder burgers zich
kunnen ontwikkelen. Een belastingstelsel behoort daarom activiteiten te
stimuleren die bijdragen aan menswording – zoals arbeid, ondernemerschap,
innovatie, scholing en maatschappelijke participatie – en tegelijkertijd
mechanismen te begrenzen die leiden tot structurele concentraties van
economische, maatschappelijke en politieke macht. Dat betekent niet dat
vermogen zwaarder moet worden belast omdat het vermogen is, maar dat de
belastingmix beter moet aansluiten bij de maatschappelijke functie van
verschillende inkomens- en vermogensbronnen.
Vanuit zowel
Rawls als Piketty ontstaat daarmee geen pleidooi voor een grotere overheid of
voor volledige economische nivellering. Hun gezamenlijke analyse wijst veeleer
in de richting van een andere fiscale balans: een belastingstelsel waarin
arbeid minder zwaar wordt belast, productief ondernemerschap ruimte houdt om te
investeren en te innoveren, maar waarin grote vermogens, omvangrijke
nalatenschappen, economische renten en andere vormen van passieve
vermogensgroei een evenrediger bijdrage leveren aan de collectieve instituties
waarvan ook zij afhankelijk zijn. Alleen een dergelijke verschuiving kan
voorkomen dat economische ongelijkheid zich geleidelijk vertaalt in ongelijke
kansen, ongelijke invloed en uiteindelijk een minder corrigeerbare democratische
rechtsstaat.
Lees hier het
volledige onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat:

Reacties
Een reactie posten