Hoe voorkomen we dat economische ongelijkheid verandert in politieke ongelijkheid?
John Rawls en
Thomas Piketty worden vaak gepresenteerd als vertegenwoordigers van twee
verschillende intellectuele tradities. Rawls is politiek filosoof en ontwikkelt
een normatieve theorie over rechtvaardigheid; Piketty is econoom en historicus
die op basis van omvangrijke empirische datasets de ontwikkeling van inkomen,
vermogen en ongelijkheid onderzoekt. Hun vertrekpunt verschilt daarmee
wezenlijk. Rawls vraagt welke institutionele ordening vrije en rationele
burgers zouden kiezen wanneer zij niet weten welke plaats zij later in de
samenleving zullen innemen. Piketty onderzoekt juist hoe bestaande instituties
feitelijk functioneren en welke patronen van vermogensvorming en ongelijkheid
daaruit voortkomen.
Ondanks deze
verschillende benaderingen convergeren hun analyses op een opmerkelijk aantal
fundamentele punten. Beide auteurs verwerpen zowel het onbegrensde
marktfundamentalisme als een vergaande nivellering van inkomen en vermogen.
Geen van beiden ziet de vrije markt als een mechanisme dat vanzelf tot een
rechtvaardige samenleving leidt. Evenmin beschouwen zij economische
ongelijkheid als per definitie onrechtvaardig. Hun gezamenlijke uitgangspunt is
juist dat markteconomieën waardevolle instituties zijn, mits zij functioneren
binnen een institutioneel kader dat economische dynamiek verbindt met
democratische rechtvaardigheid.
Zowel Rawls als
Piketty erkennen dat markten een uitzonderlijk vermogen hebben om kennis,
innovatie, ondernemerschap en productiviteit te mobiliseren. Concurrentie
stimuleert ondernemingen om efficiënter te produceren, nieuwe technologieën te
ontwikkelen en beter aan te sluiten bij maatschappelijke behoeften.
Ondernemerschap veronderstelt bovendien bereidheid om risico's te nemen,
kapitaal te investeren en verantwoordelijkheid te dragen voor economische
activiteiten. Het is daarom gerechtvaardigd dat succesvolle ondernemers en
investeerders daar financieel voordeel uit kunnen behalen. In beide theorieën
is economische ongelijkheid dus niet op zichzelf problematisch. Verschillen in
inkomen of vermogen kunnen legitiem zijn wanneer zij voortkomen uit productieve
activiteiten die bijdragen aan de welvaart van de samenleving als geheel.
Daarmee
onderscheiden zowel Rawls als Piketty zich van egalitaire theorieën die iedere
vorm van economische ongelijkheid principieel afwijzen. Zij erkennen dat
economische prikkels noodzakelijk zijn voor innovatie, investeringen en
economische groei. Een samenleving waarin alle inkomens en vermogens volledig
gelijk zouden worden gemaakt, zou volgens geen van beiden voldoende ruimte
bieden voor ondernemerschap, creativiteit en economische ontwikkeling. Eigendom
wordt door beiden beschouwd als een essentieel onderdeel van een vrije
samenleving. Het recht om vermogen op te bouwen, een onderneming te starten, te
investeren en daarvan de vruchten te plukken vormt een belangrijke uitdrukking
van individuele autonomie en economische vrijheid.
Juist daarom is
het des te opvallender dat beide auteurs tegelijkertijd scherpe grenzen stellen
aan de legitimiteit van economische ongelijkheid. Hun centrale bezwaar richt
zich niet tegen rijkdom als zodanig, maar tegen de concentratie van economische
macht. Wanneer vermogen zich gedurende opeenvolgende generaties blijft
opstapelen en steeds sterker wordt geconcentreerd bij een relatief kleine groep
burgers, verandert de aard van de markteconomie fundamenteel. Economische
verschillen blijven dan niet langer beperkt tot verschillen in consumptie of
levensstijl, maar ontwikkelen zich tot structurele verschillen in
maatschappelijke kansen, autonomie en invloed.
Voor Rawls vormt
dit allereerst een probleem van gelijke kansen. Zijn theorie van
rechtvaardigheid gaat ervan uit dat maatschappelijke posities open moeten staan
voor iedereen onder voorwaarden van eerlijke kansengelijkheid. Dat betekent
veel meer dan formele non-discriminatie. Burgers met vergelijkbare talenten en
inzet behoren ook vergelijkbare mogelijkheden te hebben om deze talenten
daadwerkelijk te ontwikkelen. Wanneer grote vermogens over generaties worden
overgedragen, ontstaat echter een samenleving waarin de uitgangspositie van
burgers steeds sterker wordt bepaald door geboorte. Kinderen uit vermogende
gezinnen beschikken over betere opleidingsmogelijkheden, grotere financiële
zekerheid, toegang tot netwerken, ondersteuning bij woningverwerving en
mogelijkheden om ondernemingsrisico's te nemen. De maatschappelijke positie
wordt dan niet langer in overwegende mate bepaald door talent en inspanning,
maar door familievermogen. Vanuit Rawls bezien tast extreme
vermogensongelijkheid daarom de eerlijke kansengelijkheid aan die aan een
rechtvaardige samenleving ten grondslag behoort te liggen.
Piketty gaat in
zijn analyse nog een stap verder. Hij onderschrijft impliciet het belang van
gelijke kansen, maar benadrukt daarnaast dat extreme vermogensconcentratie
uiteindelijk ook de politieke gelijkheid ondermijnt. Naarmate economische macht
zich sterker concentreert, beschikken vermogende individuen en ondernemingen
over steeds meer mogelijkheden om politieke besluitvorming te beïnvloeden. Zij
kunnen media financieren, denktanks oprichten, wetenschappelijk onderzoek
ondersteunen, lobbyorganisaties bekostigen en juridische procedures voeren.
Formeel blijft het democratische uitgangspunt van één persoon, één stem
bestaan, maar de feitelijke mogelijkheden om maatschappelijke agenda's te
bepalen raken steeds ongelijker verdeeld. Economische ongelijkheid vertaalt
zich daarmee geleidelijk in politieke ongelijkheid.
Juist op dit
punt vullen Rawls en Piketty elkaar aan. Rawls verklaart waarom een samenleving
waarin geboorte de maatschappelijke positie bepaalt normatief onrechtvaardig
is. Piketty laat empirisch zien hoe deze ontwikkeling zich daadwerkelijk
voltrekt wanneer institutionele correcties achterwege blijven. Waar Rawls de
morele grenzen van economische ongelijkheid formuleert, beschrijft Piketty de
historische mechanismen waardoor die grenzen in moderne markteconomieën onder
druk komen te staan.
Beide auteurs
delen bovendien de overtuiging dat eigendom geen absoluut recht vormt dat
losstaat van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Eigendom is een
fundamentele vrijheid, maar ontleent zijn legitimiteit aan de institutionele
orde waarbinnen het functioneert. Die orde wordt onderhouden door collectieve
voorzieningen zoals rechtsbescherming, infrastructuur, onderwijs, financiële
stabiliteit, gezondheidszorg en een betrouwbare overheid. Vermogen ontstaat
daarom nooit uitsluitend door individuele inspanning, maar is mede afhankelijk
van de kwaliteit van de instituties waarin economische activiteiten
plaatsvinden. Vanuit beide theorieën volgt daaruit dat de samenleving ook
gerechtigd is voorwaarden te stellen aan de wijze waarop vermogen wordt
opgebouwd, gebruikt en overgedragen.
Deze
gezamenlijke institutionele benadering kan nog vanuit een ander perspectief
worden verdiept. Een belangrijk economisch en filosofisch inzicht is dat de
maatschappelijke betekenis van een extra eenheid inkomen of vermogen afneemt
naarmate iemand reeds over meer middelen beschikt. Een extra duizend euro heeft
voor een huishouden dat moeite heeft om de vaste lasten te betalen een
wezenlijk grotere betekenis dan voor iemand die reeds over een zeer groot
vermogen beschikt. Dit verschijnsel staat bekend als de afnemende marginale
meerwaarde of marginale nutswaarde van inkomen en vermogen en vormt een
belangrijk argument binnen de moderne welvaartseconomie voor progressieve
belastingheffing.
Dit inzicht
sluit nauw aan bij de capability-benadering van Amartya Sen. Volgens Sen is
niet de hoeveelheid inkomen als zodanig bepalend voor maatschappelijke
rechtvaardigheid, maar de reële mogelijkheden waarover mensen beschikken om hun
leven zelfstandig vorm te geven. Inkomen en vermogen zijn geen doelen op
zichzelf, maar middelen die mensen in staat stellen hun capaciteiten te
ontwikkelen, maatschappelijke relaties aan te gaan, politieke invloed uit te
oefenen en een menswaardig bestaan te leiden. Naarmate iemand reeds over
omvangrijke middelen beschikt, draagt een extra vermogens- of inkomensstijging
doorgaans minder bij aan de uitbreiding van deze reële mogelijkheden dan
dezelfde middelen zouden betekenen voor iemand die onvoldoende
bestaanszekerheid of ontwikkelingskansen heeft.
Vanuit dit
perspectief vormt progressieve belastingheffing niet uitsluitend een instrument
om economische ongelijkheid te verminderen, maar ook een manier om
maatschappelijke middelen zodanig te verdelen dat zij de grootste bijdrage
leveren aan menselijke ontplooiing. Het gaat daarbij niet om een principiële
afwijzing van rijkdom of ondernemerschap. Integendeel, verschillen in inkomen
en vermogen kunnen gerechtvaardigd zijn wanneer zij voortkomen uit productieve
activiteiten en bijdragen aan maatschappelijke welvaart. Wel volgt uit de
afnemende marginale meerwaarde dat de maatschappelijke opbrengst van een extra
euro voor zeer vermogende huishoudens doorgaans geringer is dan de
maatschappelijke betekenis van dezelfde euro wanneer deze wordt ingezet voor bestaanszekerheid,
onderwijs, gezondheidszorg of andere voorzieningen die de
ontwikkelingsmogelijkheden van minder draagkrachtigen vergroten.
Hier ontstaat
een belangrijke verbinding tussen Rawls en Piketty. Rawls rechtvaardigt
institutionele herverdeling vanuit het verschilbeginsel en de eis van eerlijke
kansen. Piketty laat empirisch zien dat vermogensconcentratie deze kansen en
uiteindelijk ook de democratische gelijkwaardigheid ondermijnt. De gedachte van
de afnemende marginale meerwaarde biedt hiervoor een aanvullende economische en
morele rechtvaardiging. Zij verklaart waarom een samenleving maatschappelijke
middelen doelmatiger én rechtvaardiger kan inzetten wanneer een groter deel van
de opbrengsten van zeer grote vermogens wordt aangewend voor investeringen die
de mogelijkheden van een veel bredere groep burgers versterken. Daarmee wordt
progressieve belastingheffing niet alleen een instrument van herverdeling, maar
tevens een institutioneel mechanisme om de maatschappelijke opbrengst van
beschikbare middelen te maximaliseren in termen van vrijheid, gelijkwaardigheid
en mens- en samenlevingswording.
Opmerkelijk is
eveneens dat Rawls en Piketty beiden afstand nemen van een zuiver
redistributieve benadering van belastingheffing. Het doel van belastingen is
volgens geen van beiden uitsluitend om achteraf inkomens te herverdelen. Veel
belangrijker is de vraag welke institutionele structuur vooraf wordt gecreëerd.
Rawls spreekt in dat verband over een property-owning democracy, waarin
productief vermogen breed over de bevolking wordt verspreid zodat burgers
zelfstandig kunnen deelnemen aan het economische leven. Daarmee verschuift de
aandacht van louter herverdeling naar institutioneel ontwerp. Piketty pleit
eveneens voor een brede spreiding van vermogen, onder meer via progressieve
belastingen op grote vermogens en nalatenschappen en door investeringen in
onderwijs en publieke voorzieningen. In beide benaderingen verschuift de
aandacht daarmee van louter herverdeling naar het voorkomen van structurele
concentraties van economische macht.
Ook hun
opvatting over economische groei vertoont opmerkelijke overeenkomsten. Geen van
beiden beschouwt groei als een doel op zichzelf. Economische groei is slechts
waardevol voor zover zij bijdraagt aan bredere maatschappelijke ontwikkeling.
Voor Rawls is groei gerechtvaardigd wanneer zij de positie van de minst
bevoordeelden daadwerkelijk verbetert. Voor Piketty is groei alleen duurzaam
wanneer de opbrengsten ervan niet vrijwel uitsluitend terechtkomen bij reeds
bestaande vermogens. In beide gevallen staat niet de omvang van het nationaal
inkomen centraal, maar de institutionele vraag hoe de vruchten van economische
ontwikkeling worden verdeeld en welke gevolgen dat heeft voor vrijheid,
gelijkwaardigheid en democratische legitimiteit.
Tegelijkertijd
blijven belangrijke verschillen bestaan. Rawls concentreert zich vooral op de
normatieve beginselen waaraan een rechtvaardige samenleving behoort te voldoen.
Zijn theorie biedt relatief weinig concrete aanwijzingen voor de precieze
inrichting van belastingstelsels of vermogensbelastingen. Piketty daarentegen
ontwikkelt juist gedetailleerde voorstellen voor progressieve belastingen op
inkomen, vermogen en nalatenschappen, gebaseerd op historische analyses van de
ontwikkeling van ongelijkheid. Waar Rawls de vraag stelt welke instituties
rechtvaardig zijn, onderzoekt Piketty welke instituties in de praktijk
daadwerkelijk leiden tot meer of minder ongelijkheid. Hun benaderingen
verschillen daarmee niet zozeer inhoudelijk, maar vooral methodologisch.
Juist die
complementariteit maakt de combinatie van beide auteurs bijzonder krachtig.
Rawls biedt het normatieve kompas waarmee kan worden beoordeeld welke mate van
ongelijkheid moreel aanvaardbaar is. Piketty levert vervolgens de empirische
analyse die laat zien welke institutionele mechanismen noodzakelijk zijn om
deze normatieve uitgangspunten daadwerkelijk te realiseren. Samen maken zij
duidelijk dat rechtvaardigheid en economische ontwikkeling geen tegengestelde
doelen zijn. Een goed functionerende markteconomie heeft instituties nodig die
economische dynamiek mogelijk maken én tegelijkertijd voorkomen dat economische
macht zich zodanig concentreert dat vrijheid, gelijke kansen en democratische
gelijkwaardigheid worden ondermijnd.
Vanuit het mens-
en samenlevingswordingsmodel kan deze convergentie nog verder worden verdiept.
Zowel Rawls als Piketty vertrekken uiteindelijk vanuit dezelfde fundamentele
institutionele intuïtie: economie staat niet op zichzelf, maar moet dienstbaar
zijn aan de ontwikkeling van mensen en de samenleving. Waar Rawls deze
ontwikkeling vooral benadert vanuit vrijheid, eerlijke kansen en
rechtvaardigheid, en Piketty vanuit de historische dynamiek van vermogen en
macht, komen zij samen in het inzicht dat instituties economische verschillen
slechts kunnen legitimeren zolang zij bijdragen aan menselijke ontplooiing en
niet uitgroeien tot blijvende machtsverschillen. Vanuit het mens- en
samenlevingswordingsmodel betekent dit dat een rechtvaardig belastingstelsel niet
uitsluitend gericht moet zijn op economische efficiëntie of herverdeling, maar
op het waarborgen van de institutionele voorwaarden waaronder autonomie,
gelijkwaardigheid, maatschappelijke participatie en democratische
corrigeerbaarheid voor huidige én toekomstige generaties behouden blijven.
Daarmee worden Rawls en Piketty geen concurrerende theorieën, maar twee
complementaire perspectieven op dezelfde fundamentele vraag: hoe organiseren
wij een economie die niet alleen welvaart creëert, maar ook een vrije,
rechtvaardige en democratisch veerkrachtige samenleving mogelijk maakt?
Lees hier het
volledige onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat:

Reacties
Een reactie posten