Grote vermogens zwaarder belasten? Juridisch kan het — maar niet ondoordacht

 

Een hogere belasting op grote vermogens, omvangrijke nalatenschappen en milieubelastende activiteiten zijn zowel normatief als economisch gerechtvaardigd. Rawls biedt daarvoor het rechtvaardigheidstheoretische kader: fiscale lasten zijn aanvaardbaar wanneer zij deel uitmaken van een institutionele orde die fundamentele vrijheden beschermt, eerlijke kansen bevordert en de positie van de minst bevoordeelden verbetert. Piketty voegt daaraan de empirische waarschuwing toe dat vermogensconcentratie, erfelijke overdracht en het afwentelen van maatschappelijke kosten zich zonder politieke correctie cumulatief kunnen versterken. Daarmee is echter nog niet beslist hoe zulke belastingen concreet moeten worden vormgegeven en waar de juridische grenzen liggen.

Juist bij de toepassing op Nederland moet onderscheid worden gemaakt tussen de politieke wenselijkheid van een belasting en haar juridische houdbaarheid. De wetgever beschikt op fiscaal en sociaaleconomisch terrein over een ruime beoordelingsvrijheid, maar die vrijheid is niet onbeperkt. Belastingmaatregelen grijpen in op bestaande vermogensposities, beïnvloeden investeringsbeslissingen en kunnen voor bepaalde personen of ondernemingen ingrijpende gevolgen hebben. Zij moeten daarom voldoen aan het legaliteitsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de bescherming van eigendom onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Voor zover een maatregel binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt, zijn bovendien artikel 17 en artikel 52 van het EU-Handvest en de Europese verkeersvrijheden relevant.

De juridische beoordeling kan niet worden beperkt tot de abstracte vaststelling dat belastingheffing een algemeen belang dient. De concrete vormgeving is beslissend. De bijgevoegde notitie over maatregelen op de woningmarkt laat zien dat een overtuigende eigendomsrechtelijke toets vraagt om een zorgvuldig opgebouwd wetgevingsdossier: de geraakte groepen en belangen moeten vooraf in kaart worden gebracht, het doel van de maatregel moet scherp en realistisch worden geformuleerd, de geschiktheid en gevolgen moeten worden onderbouwd en op regelingsniveau moet een redelijke verhouding bestaan tussen het algemeen belang en de lasten voor de betrokkenen. Daarnaast mag de toepassing niet leiden tot een individuele en buitensporige last. Ook voorzienbaarheid, overgangsrecht, cumulatie met andere maatregelen, uitvoerbaarheid en de aanwezigheid van een veiligheidsventiel kunnen relevant zijn voor de proportionaliteit.

Deze systematiek is rechtstreeks bruikbaar voor de beoordeling van fiscale hervormingen. Een progressieve vermogensbelasting is juridisch niet alleen afhankelijk van het tarief, maar ook van de gekozen grondslag, de waarderingsregels, de behandeling van schulden, de hoogte van vrijstellingen en de vraag of rekening wordt gehouden met liquiditeit en verliesjaren. Bij ondernemingsvermogen moet bovendien worden onderscheiden tussen vermogen dat daadwerkelijk actief en risicodragend in een onderneming werkzaam is en vermogen dat slechts juridisch in een ondernemingsstructuur is ondergebracht, maar economisch een passief beleggingskarakter heeft. Een te grove vrijstelling voor ondernemingsvermogen kan grote vermogens buiten de heffing plaatsen en daarmee het gelijkheids- en doelmatigheidsbeginsel ondermijnen. Een te rigide heffing kan daarentegen de continuïteit van levensvatbare ondernemingen aantasten of belastingplichtigen dwingen productieve activa te verkopen. Juridische houdbaarheid vereist daarom differentiatie op basis van de economische functie van het vermogen, zonder de regeling zo complex te maken dat zij onuitvoerbaar of gemakkelijk manipuleerbaar wordt.

Een progressieve erfbelasting roept vergelijkbare, maar deels andere vragen op. Het aangrijpingspunt is hier niet het periodiek bezit van vermogen, maar de overgang ervan naar een nieuwe verkrijger. Daardoor kan een erfbelasting relatief sterk worden gerechtvaardigd vanuit draagkracht en eerlijke kansengelijkheid: de verkrijger ontvangt een economisch voordeel zonder dat daar een eigen tegenprestatie tegenover staat. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met de positie van de langstlevende partner, de gezinswoning, illiquide nalatenschappen en reële familieondernemingen. De juridische vraag is niet of de wetgever onderscheid mag maken tussen kleine en zeer grote verkrijgingen, maar of de gekozen grenzen, tarieven en uitzonderingen berusten op objectieve en redelijke criteria en niet verder gaan dan voor het nagestreefde doel nodig is.

Milieubelastingen verschillen opnieuw van beide vermogensheffingen. Hun primaire doel is niet noodzakelijk herverdeling, maar het internaliseren van negatieve externaliteiten en het sturen van gedrag. Zij brengen de maatschappelijke kosten van uitstoot, vervuiling en grondstoffengebruik dichter bij de veroorzaker. Daarmee hebben zij een sterke rechtvaardiging vanuit het algemeen belang, waaronder klimaatbescherming, volksgezondheid, biodiversiteit en intergenerationele rechtvaardigheid. Toch zijn ook hier proportionaliteit en gelijkheid essentieel. Een heffing kan regressief uitpakken wanneer huishoudens met lage inkomens weinig mogelijkheden hebben hun gedrag aan te passen, terwijl hogere inkomens dezelfde lasten gemakkelijk dragen. Een juridisch en maatschappelijk overtuigende milieubelasting vraagt daarom om een samenhangend ontwerp waarin de prijsprikkel wordt gecombineerd met compensatie, investeringsmogelijkheden, toegankelijke alternatieven en een geleidelijke overgang.

Een internationale vergelijking is bij deze beoordeling onmisbaar. Europese landen hanteren uiteenlopende modellen voor vermogensbelasting, erfbelasting en milieufiscaliteit. Sommige staten heffen jaarlijks over nettovermogen, andere richten zich sterker op kapitaalinkomen, vastgoed of vermogensoverdracht. Ook de bescherming van ondernemingsvermogen varieert sterk: van ruime doorschuiffaciliteiten tot strikte voorwaarden rond voortzetting, werkgelegenheid en actieve bedrijfsuitoefening. Op milieugebied bestaan eveneens verschillende combinaties van CO₂-heffingen, energiebelastingen, emissiehandel, terugsluis en gerichte compensatie. Deze variatie laat zien dat het EVRM en het Unierecht geen uniform belastingmodel voorschrijven. Zij laten staten aanzienlijke beleidsruimte, maar maken ook zichtbaar welke ontwerpkeuzes de juridische robuustheid vergroten en welke uitzonderingen juist leiden tot arbitrage, ongelijke behandeling of verlies aan legitimiteit.

Voor Nederland moet de vraag naar juridische houdbaarheid daarom worden geplaatst binnen een bredere fiscale heroriëntatie. Het gaat niet om het afzonderlijk verhogen van één belasting, maar om een samenhangende verschuiving van de lasten op arbeid naar grote vermogens, zeer omvangrijke erfenissen, economische renten en milieubelastende activiteiten. De proportionaliteit van elke maatregel hangt mede af van die samenhang. Een hogere heffing op vermogen kan anders worden beoordeeld wanneer zij aantoonbaar wordt gebruikt om de belasting op arbeid te verlagen, publieke investeringen te financieren of de ecologische transitie sociaal uitvoerbaar te maken. Omgekeerd kan de cumulatie van meerdere heffingen op dezelfde grondslag leiden tot een onevenredige last wanneer de wetgever de gecombineerde effecten niet onderzoekt.

In deze paragraaf wordt daarom per belastingsoort onderzocht welke juridische ruimte Nederland heeft, welke internationale voorbeelden richting kunnen geven en welke ontwerpvoorwaarden nodig zijn om te voldoen aan het eigendomsrecht, het gelijkheidsbeginsel en de eisen van proportionaliteit. Daarbij staan vier vragen centraal. Welk algemeen belang rechtvaardigt de maatregel? Is de gekozen heffingsgrondslag geschikt en voldoende nauwkeurig? Bestaat op regelingsniveau een redelijke verhouding tussen doel en middel? En bevat het stelsel voldoende waarborgen om uitzonderlijke, buitensporige gevolgen in individuele gevallen te voorkomen?

De inzet is niet om iedere fiscale inmenging risicoloos te maken. Dat is onmogelijk. Fiscale hervorming raakt onvermijdelijk bestaande belangen, verwachtingen en vermogensposities. De juridische opdracht is veeleer om die inmenging democratisch te legitimeren, inhoudelijk te onderbouwen en zodanig vorm te geven dat zij niet willekeurig, disproportioneel of onuitvoerbaar wordt. Alleen dan kan een verschuiving naar een rechtvaardiger belastingmix niet alleen economisch en normatief overtuigen, maar ook standhouden binnen de Nederlandse en Europese rechtsorde.



 

Lees hier het volledige onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat:

https://www.researchgate.net/publication/409445371_Fiscale_rechtvaardigheid_in_de_democratische_rechtsstaat

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties