Belastingen zijn geen neutrale geldmachine
Van normatieve
beginselen naar institutionele prikkels
De voorgaande
hoofdstukken hebben een normatief kader ontwikkeld voor de beoordeling van
fiscale rechtvaardigheid. Rawls laat zien dat rechtvaardige instituties
fundamentele vrijheden moeten beschermen, eerlijke kansen moeten waarborgen en
economische ongelijkheden slechts mogen toestaan voor zover deze ook de minst
bevoordeelden ten goede komen. Piketty maakt daarentegen zichtbaar dat
markteconomieën zonder institutionele correctie de neiging hebben vermogen en
economische macht steeds verder te concentreren. Het mens- en
samenlevingswordingsperspectief voegt hieraan toe dat instituties uiteindelijk
moeten worden beoordeeld op hun bijdrage aan autonomie, gelijkwaardigheid,
bestaanszekerheid, participatie, ecologische duurzaamheid, intergenerationele
rechtvaardigheid en democratische corrigeerbaarheid.
Daarmee is
echter nog niet beantwoord hoe deze normatieve uitgangspunten daadwerkelijk
richting kunnen geven aan de inrichting van de samenleving. Normatieve
beginselen bezitten op zichzelf geen institutionele werking. Vrijheid,
gelijkwaardigheid, duurzaamheid of bestaanszekerheid worden niet gerealiseerd
doordat zij politiek of juridisch worden beleden, maar doordat zij worden
vertaald in de regels, prikkels en instituties die het handelen van burgers,
ondernemingen en overheden daadwerkelijk structureren. Zonder een dergelijke
institutionele vertaling blijven normatieve idealen afhankelijk van politieke
intenties of morele overtuigingen, terwijl economische processen worden
gestuurd door bestaande prikkelstructuren die vaak andere waarden belonen.
Juist op dit
punt vervult het belastingstelsel een bijzondere functie. Belastingen zijn niet
uitsluitend een instrument om publieke uitgaven te financieren. Zij behoren tot
de belangrijkste institutionele mechanismen waarmee een samenleving haar
economische orde vormgeeft. Via belastingen wordt bepaald welke vormen van
economische activiteit worden gestimuleerd, welke worden afgeremd, welke
maatschappelijke kosten worden geïnternaliseerd en hoe de opbrengsten van
economische ontwikkeling worden verdeeld. Daarmee beïnvloedt fiscaliteit niet
alleen de verdeling van inkomen en vermogen, maar ook investeringsbeslissingen,
ondernemerschap, arbeidsparticipatie, consumptiepatronen, vermogensvorming en
intergenerationele overdracht.
Vanuit
institutioneel perspectief is belastingheffing daarom meer dan een correctie
achteraf op de uitkomsten van de markt. Markten functioneren immers nooit in
een institutioneel vacuüm. Eigendomsrechten, contractsvrijheid,
ondernemingsvormen, aansprakelijkheidsregels, sociale zekerheid,
infrastructuur, onderwijs en monetaire stabiliteit vormen gezamenlijk de
institutionele voorwaarden waaronder economische transacties plaatsvinden. Ook
het belastingstelsel maakt integraal deel uit van deze institutionele ordening.
De wijze waarop arbeid, kapitaal, vermogen, consumptie en milieugebruik worden
belast, bepaalt mede welke economische activiteiten aantrekkelijk zijn en welke
minder rendabel worden. Belastingen corrigeren de markt daarom niet
uitsluitend; zij helpen de markt mede vorm te geven.
Dit betekent dat
fiscale rechtvaardigheid niet uitsluitend betrekking heeft op de hoogte van
belastingtarieven of de verdeling van de belastingdruk. De fundamentele vraag
luidt welke institutionele prikkels een belastingstelsel creëert en in hoeverre
deze bijdragen aan de normatieve doelstellingen van de democratische
rechtsstaat. Een belastingstelsel dat arbeid relatief zwaar belast, vermogen
grotendeels ontziet en milieuschade onvoldoende beprijsd, stimuleert een andere
economische ontwikkeling dan een stelsel waarin productieve arbeid wordt
ontzien, onverdiende vermogensgroei zwaarder wordt belast en negatieve
externaliteiten systematisch worden geïnternaliseerd. Fiscaliteit vormt daarmee
één van de krachtigste institutionele instrumenten waarover een democratische
samenleving beschikt om economische ontwikkeling in overeenstemming te brengen
met haar fundamentele waarden.
Vanuit het mens-
en samenlevingswordingsperspectief verschuift daardoor ook de centrale vraag
van de fiscale rechtswetenschap. Niet langer staat uitsluitend centraal welke
belastinggrondslag de hoogste opbrengst genereert of welke belasting economisch
het meest efficiënt is. De fundamentele vraag luidt welke institutionele
prikkelstructuur het beste bijdraagt aan een samenleving waarin vrijheid,
gelijkwaardigheid, bestaanszekerheid, ecologische duurzaamheid en democratische
legitimiteit elkaar wederzijds versterken.
Lees hier het
volledige onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat:

Reacties
Een reactie posten