Belast grote vermogens nu — maar maak niet opnieuw de fouten van box 3
Progressieve
vermogensbelasting
1 Waarom een
vermogensbelasting?
De vraag of een
samenleving een afzonderlijke belasting op vermogen zou moeten kennen, behoort
tot de meest fundamentele vraagstukken van het hedendaagse belastingrecht.
Voorstanders benadrukken dat vermogen een belangrijke bron vormt van
economische macht, maatschappelijke invloed en intergenerationele ongelijkheid.
Tegenstanders wijzen op risico's voor investeringen, ondernemerschap,
kapitaalvlucht en economische groei. Het debat gaat daarmee over veel meer dan
de vraag of vermogenden meer belasting zouden moeten betalen. In essentie
draait het om de rol die vermogen behoort te spelen binnen een democratische
rechtsstaat en om de vraag welke institutionele voorwaarden noodzakelijk zijn
om economische dynamiek, gelijke kansen en democratische legitimiteit duurzaam
met elkaar te verbinden.
Vanuit het
perspectief van het mens- en samenlevingswordingsmodel is vermogen geen doel op
zichzelf, maar een institutionele hulpbron. Vermogen vergroot de
handelingsvrijheid van individuen, maakt investeringen mogelijk, stimuleert
ondernemerschap en biedt financiële zekerheid gedurende verschillende fasen van
het leven. Tegelijkertijd kan een sterke concentratie van vermogen leiden tot
structurele verschillen in maatschappelijke invloed, toegang tot kansen en
politieke macht. Een vermogensbelasting moet daarom niet worden beoordeeld
vanuit een eenvoudige tegenstelling tussen herverdeling en economische
vrijheid, maar vanuit de bredere vraag hoe instituties kunnen bijdragen aan een
evenwicht tussen autonomie, gelijkwaardigheid, economische ontwikkeling en
democratische corrigeerbaarheid.
Economische rente als
zelfstandige belastinggrondslag
Naast regulier
inkomen uit vermogen kent de economie een bijzondere categorie opbrengsten die
in de economische literatuur wordt aangeduid als economische rente. Het gaat
daarbij om inkomsten die niet of slechts gedeeltelijk voortvloeien uit extra
arbeid, ondernemerschap, innovatie of productieve investeringen, maar uit
schaarste, exclusieve rechten, marktmacht of publieke omstandigheden. Juist
omdat deze opbrengsten in belangrijke mate institutioneel of maatschappelijk
worden gecreëerd, vormen zij een zelfstandige grondslag voor belastingheffing.
Voorbeelden hiervan zijn:
|
Vorm |
Omschrijving |
Voorbeelden |
|
Grondrente |
waardestijging door schaarste of
publieke investeringen |
bouwgrond, stationslocaties |
|
Locatierente |
voordeel door vestigingsplaats |
binnenstad Amsterdam |
|
Schaarsterente |
opbrengst door beperkte
beschikbaarheid |
vergunningen, spectrum |
|
Monopolierente |
overwinst door marktmacht |
digitale platforms |
|
Economische
rente uit intellectueel eigendom |
exclusieve patenten of
auteursrechten |
farmacie |
|
Publieke
waardestijging |
waardesprong door overheid |
nieuwe metro, snelweg |
|
Overwinst |
uitzonderlijk rendement boven
normaal marktrendement |
natuurlijke monopolies |
Al deze vormen
van economische rente hebben gemeen dat zij slechts gedeeltelijk het gevolg
zijn van individuele verdiensten. Zij ontstaan mede doordat de samenleving
schaarste creëert, eigendomsrechten beschermt, infrastructuur aanlegt, markten
ordent of concurrentie beperkt. Daardoor vertegenwoordigen zij een andere
categorie economische opbrengsten dan inkomen uit arbeid of normaal
ondernemingsrendement.
Vanuit Rawls
bezien is belastingheffing op economische rente gerechtvaardigd omdat deze
opbrengsten niet uitsluitend voortkomen uit persoonlijke inspanning, maar mede
uit de institutionele inrichting van de samenleving. Piketty laat zien dat
economische rente een steeds groter aandeel vormt van hoge vermogensinkomens.
Niet alleen ondernemerschap, maar ook bestaande vermogens, marktmacht en
schaarste leiden tot structurele vermogensgroei.
Vanuit het mens-
en samenlevingswordingsmodel verdient economische rente bijzondere aandacht
omdat zij niet alleen economische ongelijkheid vergroot, maar ook de
concentratie van maatschappelijke macht kan versterken. Belastingheffing op
economische rente is daarom niet uitsluitend een instrument om inkomsten te
verwerven, maar tevens een institutioneel mechanisme om te voorkomen dat
voordelen die grotendeels maatschappelijk zijn ontstaan zich onbeperkt privaat
accumuleren.
In het
voorgestelde belastingstelsel vormt de belasting op werkelijk kapitaalinkomen
daarom de primaire heffing op reguliere vermogensinkomsten. Voor economische
rente kan daarnaast, afhankelijk van de aard van de opbrengst, een aanvullende
belasting of beperking van bestaande fiscale faciliteiten gerechtvaardigd zijn.
De aanvullende vermogensbelasting vervult vervolgens een andere functie: niet
het belasten van rendement, maar het begrenzen van uitzonderlijke vermogens- en
machtsconcentraties.
Rawls: een brede spreiding van
productief vermogen
Hoewel John
Rawls nergens een uitgewerkt stelsel van vermogensbelasting presenteert, vormt
de spreiding van eigendom een centraal element van zijn theorie van
rechtvaardigheid. In A Theory of Justice (1971) en vooral in Justice
as Fairness: A Restatement (2001) maakt hij duidelijk dat een rechtvaardige
samenleving niet uitsluitend wordt gekenmerkt door inkomensherverdeling
achteraf, maar vooral door een rechtvaardige inrichting van de institutionele
basisstructuur vooraf.
Rawls
onderscheidt daarbij nadrukkelijk de property-owning democracy van de klassieke
verzorgingsstaat. Een verzorgingsstaat corrigeert inkomensverschillen
voornamelijk nadat deze zijn ontstaan, via belastingen, uitkeringen en sociale
voorzieningen. Een property-owning democracy probeert juist te voorkomen dat
economische macht zich duurzaam concentreert. Niet alleen inkomen, maar vooral
productief vermogen dient breed over de bevolking te worden verspreid, zodat
burgers daadwerkelijk als vrije en onafhankelijke deelnemers aan de samenleving
kunnen functioneren.
De normatieve
achtergrond hiervan ligt in Rawls' twee rechtvaardigheidsbeginselen. Het eerste
beginsel beschermt de fundamentele vrijheden van iedere burger. Het tweede
beginsel – bestaande uit eerlijke kansengelijkheid en het verschilbeginsel –
verlangt dat maatschappelijke instituties zodanig zijn ingericht dat
ongelijkheden uitsluitend worden geaccepteerd wanneer zij ook de positie van de
minst bevoordeelden verbeteren.
Vanuit deze
benadering is niet zozeer de omvang van individuele vermogens doorslaggevend,
maar de invloed die vermogensconcentratie heeft op de institutionele
voorwaarden waaronder vrijheid en gelijke kansen kunnen worden gerealiseerd.
Wanneer een klein deel van de bevolking een groot deel van het productieve
vermogen bezit, ontstaan structurele verschillen in economische macht, toegang
tot investeringen, onderwijs, ondernemerschap en politieke invloed. De
maatschappelijke uitgangspositie van burgers wordt dan steeds sterker bepaald
door bezit en afkomst in plaats van door talent, inspanning en ondernemerschap.
Dat staat op gespannen voet met de eis van eerlijke kansengelijkheid.
De
vermogensbelasting geeft institutioneel uitdrukking aan het uitgangspunt dat
duurzame economische macht mede maatschappelijke verantwoordelijkheid met zich
brengt.
Rawls beschouwt
een belasting op grote vermogens daarom niet als een doel op zichzelf, maar als
één van de instrumenten waarmee de brede spreiding van productieve hulpbronnen
kan worden bevorderd. Daarbij gaat het niet om nivellering of het ontmoedigen
van ondernemerschap. Integendeel, Rawls erkent expliciet dat ondernemerschap,
innovatie en investeringen belangrijke maatschappelijke functies vervullen en
dat economische prikkels noodzakelijk zijn voor een dynamische economie. De
normatieve vraag is echter of economische verschillen bijdragen aan een samenleving
waarin iedere burger daadwerkelijk over voldoende materiële onafhankelijkheid
beschikt om zijn fundamentele vrijheden uit te oefenen.
Piketty: vermogen als bron van
cumulatieve macht
Waar Rawls
vertrekt vanuit een normatieve theorie van rechtvaardigheid, baseert Thomas
Piketty zijn analyse op historische en empirische gegevens over de ontwikkeling
van inkomen en vermogen gedurende de afgelopen twee eeuwen. Zijn centrale
conclusie is dat moderne markteconomieën zonder institutionele correctie een
sterke neiging hebben tot vermogensconcentratie. Het inmiddels bekende
mechanisme r > g – het structureel hogere rendement op vermogen dan
de economische groei – vormt daarvan de kern.
Volgens Piketty
onderscheidt vermogen zich fundamenteel van arbeidsinkomen doordat het zichzelf
kan reproduceren. Vermogens genereren rente, dividend, huurinkomsten en
koerswinsten, die opnieuw kunnen worden geïnvesteerd en daardoor nieuw vermogen
voortbrengen. Hierdoor ontstaat een cumulatief proces waarin bestaande
vermogens steeds sneller groeien dan nieuwe vermogens via arbeid kunnen worden
opgebouwd.
Het probleem is
volgens Piketty niet dat individuen rijk worden, maar dat grote vermogens zich
over generaties blijven concentreren en daardoor geleidelijk de economische en
politieke machtsverhoudingen beïnvloeden. Vermogen verschaft immers niet alleen
financiële zekerheid, maar ook toegang tot investeringen, ondernemerschap,
hoogwaardige opleidingen, juridische expertise, media, politieke lobby en
maatschappelijke netwerken. Naarmate deze vermogens zich concentreren, neemt
ook de mogelijkheid toe om economische én politieke besluitvorming te
beïnvloeden.
Vanuit deze
analyse vervult een progressieve vermogensbelasting drie functies. Allereerst
remt zij de voortdurende accumulatie van zeer grote vermogens af. Daarnaast
vergroot zij de transparantie over eigendomsstructuren, doordat omvangrijke
vermogens zichtbaar moeten worden gemaakt. Ten slotte beschermt zij volgens
Piketty de democratie door te voorkomen dat economische macht zich onbeperkt
kan ontwikkelen tot politieke macht.
Opvallend is dat
Piketty niet pleit voor een uniforme belasting op alle vermogens. Zijn aandacht
richt zich vooral op de hoogste vermogenspercentielen, waar de concentratie van
vermogen het sterkst toeneemt. Kleine vermogens die bijdragen aan financiële zekerheid,
pensioenopbouw of beperkte vermogensvorming vormen niet de kern van zijn
analyse. Zijn normatieve zorg betreft juist de omvangrijke vermogens die zich
grotendeels autonoom blijven reproduceren.
De economische literatuur:
tussen efficiëntie en rechtvaardigheid
Ook binnen de
economische wetenschap is de aandacht voor vermogensbelasting de afgelopen
decennia aanzienlijk toegenomen. Waar oudere economische literatuur vaak sterk
de nadruk legde op de verstorende werking van belastingen, is de hedendaagse
literatuur aanzienlijk genuanceerder geworden. Steeds vaker wordt erkend dat de
economische effecten van belastingheffing sterk afhangen van de gekozen
belastinggrondslag, de vormgeving van het stelsel en de aard van het belaste
vermogen.
De OECD wijst er
in verschillende studies op dat belastingen op vermogen economisch minder
verstorend kunnen zijn dan hoge belastingen op arbeid, mits zij zorgvuldig
worden vormgegeven. Vooral belastingen op economisch passief vermogen, op
grondrente, op omvangrijke nalatenschappen en op niet-productieve
vermogenswinsten kunnen volgens de OECD bijdragen aan zowel economische
efficiëntie als een eerlijkere verdeling van kansen. Tegelijkertijd waarschuwt
de organisatie voor slecht ontworpen vermogensbelastingen die leiden tot
dubbele belasting, hoge uitvoeringskosten of kapitaalvlucht. De nadruk ligt
daarom op een brede grondslag, beperkte uitzonderingen, goede internationale
informatie-uitwisseling en een effectieve bestrijding van belastingontwijking.
Ook het
Internationaal Monetair Fonds (IMF) heeft na de financiële crisis steeds
nadrukkelijker gewezen op de maatschappelijke gevolgen van toenemende
vermogensongelijkheid. Volgens het IMF kan een gematigde progressieve belasting
op grote vermogens bijdragen aan een stabielere economische ontwikkeling, juist
doordat extreme vermogensconcentraties worden beperkt. Het Fonds benadrukt
bovendien dat grote ongelijkheid niet alleen sociale gevolgen heeft, maar ook
economische risico's met zich brengt, zoals lagere sociale mobiliteit,
afnemende investeringen in menselijk kapitaal en een grotere kwetsbaarheid voor
financiële instabiliteit. Tegelijkertijd onderstreept het IMF dat
belastingheffing rekening moet houden met internationale concurrentie en
mobiliteit van kapitaal. Internationale samenwerking en transparantie zijn
daarom essentieel om ontwijking en verplaatsing van vermogen te beperken.
Een
vergelijkbare benadering is terug te vinden in de invloedrijke Mirrlees Review,
een omvangrijke evaluatie van het Britse belastingstelsel onder leiding van
Nobelprijswinnaar James Mirrlees. De Review vertrekt vanuit het uitgangspunt
dat belastingheffing zoveel mogelijk neutraal moet zijn en economische
beslissingen niet onnodig mag verstoren. Daarbij wordt echter expliciet erkend
dat verschillende vormen van vermogen ook verschillende economische functies
vervullen. Productieve investeringen die bijdragen aan innovatie en economische
groei verdienen een andere behandeling dan economische renten of
vermogenswinsten die grotendeels voortkomen uit schaarste, monopoliemacht of
waardestijgingen van bestaande activa.
De Mirrlees
Review pleit daarom niet voor een generieke belasting op alle vermogens, maar
voor een belastingstelsel waarin verschillende vormen van kapitaalinkomen op
consistente wijze worden behandeld en waarin economische renten zwaarder kunnen
worden belast dan productieve investeringen. Daarmee sluit de economische
analyse opmerkelijk goed aan bij het onderscheid dat eerder is gemaakt tussen
actief en passief vermogen.
Synthese: een
vermogensbelasting als institutioneel instrument
Wanneer de
inzichten van Rawls, Piketty en de moderne economische literatuur naast elkaar
worden gelegd, ontstaat een opmerkelijke convergentie. Geen van deze
benaderingen pleit voor een vermogensbelasting als doel op zichzelf. Evenmin
wordt gestreefd naar volledige economische gelijkheid of naar een ontmoediging
van ondernemerschap en investeringen. De centrale vraag is telkens hoe
economische instituties kunnen worden ingericht zodat zij zowel economische
dynamiek als maatschappelijke rechtvaardigheid bevorderen.
Daaruit volgt
dat een vermogensbelasting slechts gerechtvaardigd is wanneer zij een duidelijk
institutioneel doel dient. Dat doel bestaat niet uit het bestraffen van
rijkdom, maar uit het voorkomen dat economische macht zich duurzaam
concentreert en daardoor gelijke kansen, democratische gelijkheid en sociale
mobiliteit ondermijnt. Tegelijkertijd mag een vermogensbelasting niet zodanig
worden vormgegeven dat zij productieve investeringen, innovatie en
ondernemerschap onnodig belemmert. Juist daarom is differentiatie tussen
verschillende vormen van vermogen essentieel.
Vanuit het mens-
en samenlevingswordingsmodel kan deze synthese verder worden verdiept. Vermogen
vertegenwoordigt immers verschillende maatschappelijke functies. Actief
ondernemingsvermogen draagt bij aan innovatie, werkgelegenheid en economische
ontwikkeling. Passief vermogen kan daarentegen grotendeels groeien zonder een
vergelijkbare maatschappelijke bijdrage te leveren en kan leiden tot
structurele concentraties van economische en politieke macht. Een rechtvaardige
vermogensbelasting behoort deze verschillen te erkennen. Niet de omvang van het
vermogen is uiteindelijk beslissend, maar de bijdrage die het vermogen levert
aan menselijke ontwikkeling, maatschappelijke waardecreatie en de democratische
kwaliteit van de samenleving. Daarmee wordt een vermogensbelasting niet slechts
een fiscaal instrument, maar een onderdeel van de institutionele architectuur
die de voorwaarden schept voor autonomie, gelijkwaardigheid, ondernemerschap en
corrigeerbaarheid binnen een democratische rechtsstaat.
2 Actief versus passief
vermogen
Een van de
grootste zwaktes van het huidige debat over vermogensbelasting is dat vermogen
vaak wordt behandeld alsof het één homogene categorie vormt. Zowel in het
politieke als in het fiscale debat wordt gesproken over "vermogen"
alsof iedere euro kapitaal dezelfde economische functie, dezelfde
maatschappelijke betekenis en dezelfde rechtvaardiging heeft. Dat uitgangspunt
is echter onjuist. Vermogen kent zeer verschillende verschijningsvormen, die
uiteenlopende bijdragen leveren aan economische ontwikkeling, innovatie,
werkgelegenheid en maatschappelijke welvaart. Een rechtvaardig belastingstelsel
dient deze verschillen expliciet te erkennen.
Vanuit het
perspectief van Rawls, Piketty én het mens- en samenlevingswordingsmodel is
daarom niet zozeer de omvang van het vermogen doorslaggevend, maar de functie
die het vermogen binnen de samenleving vervult. Anders gezegd: niet ieder
vermogen verdient dezelfde fiscale behandeling. Een belastingstelsel dat alle
vermogensbestanddelen op identieke wijze belast, miskent de uiteenlopende
maatschappelijke effecten van verschillende vormen van kapitaal. Omgekeerd
leidt een stelsel met te veel uitzonderingen tot complexiteit,
belastingontwijking en verlies aan legitimiteit. De uitdaging ligt daarom in
het ontwikkelen van een fiscale systematiek die onderscheid maakt tussen
vermogen dat maatschappelijke waarde creëert en vermogen dat voornamelijk
bestaande machtsposities versterkt.
Actief ondernemingsvermogen:
kapitaal dat maatschappelijke waarde creëert
De eerste
categorie betreft het actieve ondernemingsvermogen. Hieronder valt vermogen dat
daadwerkelijk wordt ingezet voor economische productie, innovatie,
ondernemerschap en werkgelegenheid. Het gaat bijvoorbeeld om kapitaal dat wordt
geïnvesteerd in fabrieken, machines, onderzoek en ontwikkeling, digitalisering,
duurzame energie, nieuwe producten of de uitbreiding van ondernemingen.
Dergelijk vermogen is risicodragend. Ondernemers investeren eigen middelen,
lopen aanzienlijke financiële risico's en creëren tegelijkertijd economische
activiteit waarvan ook werknemers, leveranciers, consumenten en de samenleving
als geheel profiteren.
Vanuit
economisch perspectief vormt ondernemingsvermogen een belangrijke motor van
productiviteitsgroei. Innovatie, technologische vooruitgang en economische
ontwikkeling zijn in belangrijke mate afhankelijk van investeringen in
productief kapitaal. Ook Rawls erkent impliciet deze functie. Zijn
verschilbeginsel laat ruimte voor aanzienlijke economische ongelijkheid wanneer
deze uiteindelijk leidt tot hogere werkgelegenheid, grotere welvaart en betere
kansen voor de minst bevoorrechten. Ondernemerschap kan juist een belangrijke
bijdrage leveren aan deze maatschappelijke ontwikkeling.
Piketty
onderschrijft evenmin dat productief ondernemerschap moet worden ontmoedigd.
Zijn kritiek richt zich niet op ondernemers die door innovatie en investeringen
waarde creëren, maar op de structurele accumulatie van vermogen die losraakt
van nieuwe economische prestaties. Vanuit zijn analyse is juist het onderscheid
tussen productief ondernemerschap en passieve vermogensgroei essentieel.
Daaruit volgt
dat actief ondernemingsvermogen fiscaal een andere behandeling kan
rechtvaardigen dan zuiver passief vermogen. Dat betekent niet noodzakelijk een
volledige vrijstelling, maar wel een systeem waarin rekening wordt gehouden met
de economische functie van productieve investeringen, de continuïteit van
ondernemingen en de risico's die ondernemers dragen.
Familiebedrijven: continuïteit
versus vermogensconcentratie
Binnen het
ondernemingsvermogen nemen familiebedrijven een bijzondere positie in.
Familiebedrijven vormen een belangrijk onderdeel van de Nederlandse economie.
Zij kenmerken zich vaak door een lange investeringshorizon, sterke regionale
verankering, relatief stabiele werkgelegenheid en een nauwe betrokkenheid van
de eigenaar bij de onderneming. Juist deze kenmerken kunnen een lichtere
fiscale behandeling van ondernemingsvermogen rechtvaardigen, met name bij
bedrijfsopvolging.
Tegelijkertijd
mag het begrip familiebedrijf geen vrijbrief worden voor onbeperkte
vermogensoverdracht. In de praktijk kunnen ook zeer omvangrijke
ondernemingsvermogens onder het label familiebedrijf vallen, terwijl zij
economisch nauwelijks verschillen van andere grote ondernemingen. Een generieke
vrijstelling voor ondernemingsvermogen kan daardoor leiden tot aanzienlijke
belastingbesparingen die weinig verband houden met de continuïteit van de
onderneming.
Een rechtvaardig
belastingstelsel zou daarom onderscheid moeten maken tussen de economische
functie van de onderneming en de omvang van het onderliggende vermogen.
Faciliteiten voor bedrijfsopvolging zijn vooral gerechtvaardigd wanneer zij
daadwerkelijk bijdragen aan de voortzetting van een levensvatbare onderneming,
het behoud van werkgelegenheid en de continuïteit van economische activiteiten.
Daarentegen is een onbeperkte vrijstelling voor zeer omvangrijke
ondernemingsvermogens moeilijker te rechtvaardigen wanneer zij hoofdzakelijk
leidt tot intergenerationele vermogensconcentratie.
Beleggingsvermogen: de grens
tussen investeren en rentenierschap
Een tweede
categorie betreft het beleggingsvermogen. Hieronder vallen financiële
beleggingen zoals obligaties, aandelenportefeuilles, beleggingsfondsen en
andere financiële activa die primair worden aangehouden om rendement te
behalen. Beleggingsvermogen vervult eveneens een economische functie. Via
financiële markten wordt kapitaal beschikbaar gesteld aan ondernemingen,
overheden en andere instellingen. Goed functionerende kapitaalmarkten zijn
essentieel voor economische groei.
Niet iedere
belegging draagt echter in gelijke mate bij aan nieuwe economische activiteit.
Een belangrijk deel van de handel op secundaire financiële markten betreft de
overdracht van reeds bestaande effecten tussen beleggers. Daarbij wordt geen
nieuw kapitaal aan ondernemingen verstrekt, maar wisselen bestaande
eigendomsrechten van eigenaar. Vanuit maatschappelijk perspectief verschilt
deze activiteit van directe investeringen in nieuwe productieve capaciteit.
Voor de fiscale
beoordeling is daarom van belang in hoeverre het rendement voortvloeit uit
nieuwe economische waardecreatie of voornamelijk uit bestaande
marktontwikkelingen. Naarmate een beleggingsportefeuille omvangrijker wordt en
grotendeels autonoom rendement genereert zonder actieve betrokkenheid bij
ondernemerschap, neemt de rechtvaardiging toe om dergelijke vermogens anders te
behandelen dan risicodragend ondernemingsvermogen.
Vastgoed: productief bezit of
schaarsterente?
De
maatschappelijke beoordeling van vastgoed vraagt eveneens om differentiatie.
Vastgoed vervult onmiskenbaar belangrijke economische en sociale functies.
Woningen voorzien in een fundamentele levensbehoefte. Bedrijfspanden maken
economische activiteit mogelijk en investeringen in vastgoed kunnen bijdragen
aan stedelijke ontwikkeling en verduurzaming.
Tegelijkertijd
kent vastgoed een bijzondere eigenschap. Waardestijgingen ontstaan vaak niet
uitsluitend door investeringen van de eigenaar, maar ook door maatschappelijke
ontwikkelingen zoals bevolkingsgroei, schaarste, infrastructurele
investeringen, bestemmingswijzigingen of economische groei van een regio. Een
aanzienlijk deel van de vermogensgroei in vastgoed kan daardoor worden
beschouwd als economische rente: inkomen dat niet voortvloeit uit nieuwe
productie, maar uit schaarste of collectieve investeringen.
Juist op de
Nederlandse woningmarkt is deze dynamiek duidelijk zichtbaar. De sterke
stijging van woningprijzen gedurende de afgelopen decennia heeft bestaande
woningbezitters aanzienlijke vermogenswinsten opgeleverd, terwijl jonge
generaties steeds moeilijker toegang kregen tot de koopmarkt. Deze
vermogensgroei was slechts ten dele het gevolg van individuele investeringen en
werd in belangrijke mate veroorzaakt door maatschappelijke factoren zoals
ruimtelijke schaarste, lage rente en beperkte woningbouw.
Vanuit zowel
Rawls als Piketty rechtvaardigt dit een onderscheid tussen de gezinswoning als
onderdeel van bestaanszekerheid enerzijds en omvangrijke vastgoedportefeuilles
die hoofdzakelijk rendement genereren uit schaarste anderzijds.
Aandelen: ondernemerschap en
passief aandeelhouderschap
Ook aandelen
vertegenwoordigen uiteenlopende economische functies. De oprichter van een
innovatieve onderneming die een groot aandelenpakket bezit, vervult een andere
maatschappelijke rol dan een institutionele belegger die een gediversifieerde
portefeuille aanhoudt of een vermogende particulier die voornamelijk profiteert
van koerswinsten.
Bij actieve
ondernemers vormen aandelen veelal de beloning voor ondernemingsrisico en
innovatie. Bij passieve beleggers vertegenwoordigen aandelen daarentegen vooral
een financieel beleggingsinstrument. Vanuit het perspectief van een
rechtvaardig belastingstelsel ligt het daarom voor de hand rekening te houden
met de mate waarin aandeelhouderschap samenhangt met daadwerkelijk
ondernemerschap of voornamelijk een vorm van vermogensbeheer vormt.
Private equity: waardecreatie of financiële
optimalisatie?
Een bijzondere
categorie wordt gevormd door private equity. Private-equityfondsen investeren
vaak in ondernemingen met als doel deze efficiënter te maken, te laten groeien
of te herstructureren. Deze activiteiten kunnen aanzienlijke economische waarde
creëren. Professioneel management, betere governance en strategische
investeringen kunnen ondernemingen daadwerkelijk versterken.
Tegelijkertijd
is er in de economische literatuur ook kritiek op bepaalde vormen van private
equity. Sommige fondsen realiseren hun rendement voornamelijk door hoge
schuldfinanciering, agressieve kostenbesparingen, fiscale optimalisatie of het
uitkeren van grote dividenden zonder duurzame waardecreatie. De
maatschappelijke effecten verschillen daarom sterk tussen fondsen en
transacties.
Een rechtvaardig
belastingstelsel zou ook hier niet moeten uitgaan van juridische labels, maar
van de economische werkelijkheid. Private equity die aantoonbaar bijdraagt aan
innovatie, productiviteit en duurzame groei verdient een andere fiscale
beoordeling dan structuren die voornamelijk gericht zijn op financiële
arbitrage of belastingbesparing.
Economische rente: de sterkste
rechtvaardiging voor belastingheffing
De sterkste
rechtvaardiging voor een vermogensbelasting ligt uiteindelijk bij wat economen
economische rente noemen. Economische rente betreft opbrengsten die niet of
nauwelijks voortkomen uit extra productieve inspanningen, maar uit schaarste,
monopolieposities, exclusieve rechten, natuurlijke hulpbronnen,
bestemmingswijzigingen of andere institutionele voordelen.
Klassieke
voorbeelden zijn grondrente, monopoliewinsten, uitzonderlijke waardestijgingen
van schaarse vastgoedlocaties of economische voordelen die voortvloeien uit
wettelijke bescherming van marktmacht. Anders dan winst uit ondernemerschap
ontstaat economische rente grotendeels zonder aanvullende maatschappelijke
waardecreatie.
Juist daarom
bestaat hiervoor binnen de economische wetenschap relatief brede consensus dat
belastingheffing minder verstorend werkt dan belastingen op arbeid of
productieve investeringen. De OECD, de Mirrlees Review en tal van andere
economische studies wijzen erop dat belastingen op economische rente doorgaans
minder negatieve effecten hebben op investeringen en economische groei, omdat
zij opbrengsten belasten die ook zonder de belasting grotendeels zouden zijn
gerealiseerd.
Vanuit Rawls is
economische rente moeilijk te rechtvaardigen wanneer zij leidt tot structurele
verschillen in maatschappelijke kansen zonder dat daar een vergelijkbare
bijdrage aan de samenleving tegenover staat. Vanuit Piketty vormt economische
rente één van de belangrijkste mechanismen waardoor vermogens zich autonoom
blijven concentreren. Het mens- en samenlevingswordingsmodel voegt daaraan toe
dat economische rente de ontwikkeling van autonomie, gelijkwaardigheid en
corrigeerbaarheid kan ondermijnen wanneer zij uitgroeit tot een structurele
bron van maatschappelijke dominantie.
Samenloop van
vermogensbelasting en belasting op werkelijk rendement
Op het eerste
gezicht kan de combinatie van een belasting op werkelijk rendement en een
belasting op zeer grote nettovermogens de indruk wekken dat hetzelfde vermogen
tweemaal wordt belast. Een dergelijke cumulatie zou spanning kunnen opleveren
met het uitgangspunt van evenwichtige belastingheffing en zou de economische
legitimiteit van het voorgestelde stelsel kunnen ondergraven. Daarom is het van
belang beide belastingen vanuit hun onderscheiden institutionele functies te
bezien.
De belasting op
werkelijk rendement vormt binnen het voorgestelde stelsel de primaire heffing
op kapitaalinkomen. Zij sluit aan bij het algemene uitgangspunt dat economische
draagkracht in beginsel wordt belast wanneer deze zich daadwerkelijk
manifesteert in de vorm van inkomen of vermogensgroei. Net zoals loonbelasting
het inkomen uit arbeid belast, belast deze heffing het inkomen uit vermogen.
Vanuit het draagkrachtbeginsel ligt deze belasting daarom voor de hand.
De aanvullende
vermogensbelasting heeft een andere rechtvaardigingsgrond. Zij is niet primair
gericht op het belasten van inkomen, maar op de maatschappelijke gevolgen van
zeer omvangrijke vermogensconcentraties. Naarmate vermogens uitzonderlijk groot
worden, vertegenwoordigen zij niet alleen economische draagkracht, maar ook een
concentratie van economische en politieke macht. Grote vermogens verschaffen
toegang tot investeringsmogelijkheden, invloed op financiële markten, media,
lobbyactiviteiten en andere vormen van maatschappelijke machtsuitoefening. De
vermogensbelasting vervult daarom niet uitsluitend een budgettaire functie,
maar ook een institutionele functie: zij begrenst de structurele accumulatie
van economische macht en draagt bij aan een bredere spreiding van productief
vermogen binnen de samenleving.
Vanuit deze
benadering vervullen beide belastingen dus verschillende functies binnen de
fiscale architectuur. De belasting op werkelijk rendement waarborgt een
evenwichtige belasting van inkomensvorming uit kapitaal, terwijl de
vermogensbelasting een correctiemechanisme vormt voor uitzonderlijke
vermogensconcentraties die de gelijkwaardigheid van burgers en de democratische
rechtsstaat kunnen ondermijnen.
Dat neemt niet
weg dat samenloop zorgvuldig moet worden vormgegeven. Om een onevenredige
cumulatie van belastingdruk te voorkomen verdient het aanbeveling beide
belastingen gedeeltelijk met elkaar te verbinden. Daarbij kan worden gedacht
aan een verrekeningsregeling waarbij betaalde belasting over werkelijk
rendement geheel of gedeeltelijk wordt verrekend met de verschuldigde
vermogensbelasting, of omgekeerd. Een dergelijke regeling voorkomt dat
hetzelfde economische draagkrachtaspect disproportioneel wordt belast, terwijl
de onderscheiden functies van beide belastingen behouden blijven.
Daarnaast
verdient een liquiditeitswaarborg aanbeveling. Vermogens bestaan immers niet
uitsluitend uit liquide financiële activa, maar kunnen ook zijn belegd in
ondernemingen, landbouwgronden, vastgoed of andere moeilijk verhandelbare
bezittingen. Wanneer een belastingplichtige tijdelijk onvoldoende liquide
middelen heeft om de verschuldigde belasting te voldoen, kan onder voorwaarden
uitstel van betaling of gespreide invordering worden verleend. Daarmee wordt
voorkomen dat belastingplichtigen uitsluitend om fiscale redenen productieve
activa moeten verkopen.
Ten slotte ligt
het voor de hand een maximumdrukregeling op te nemen voor uitzonderlijke
situaties waarin de gecombineerde belasting op werkelijk rendement en vermogen,
mede als gevolg van tijdelijke waardedalingen of verliesjaren, tot een
onevenredig zware belastingdruk zou leiden. Een dergelijke regeling sluit aan
bij het draagkrachtbeginsel en versterkt de evenredigheid van het stelsel
zonder afbreuk te doen aan de onderliggende doelstellingen van fiscale
rechtvaardigheid.
De combinatie
van een belasting op werkelijk rendement en een beperkte aanvullende
vermogensbelasting moet daarom niet worden opgevat als een dubbele belasting
van hetzelfde object, maar als een samenhangend institutioneel ontwerp waarin
verschillende belastinggrondslagen ieder een eigen functie vervullen. Juist
deze functionele differentiatie maakt het mogelijk zowel economische
draagkracht als de maatschappelijke gevolgen van extreme vermogensconcentratie
op een evenwichtige wijze in de belastingheffing te betrekken.
Conclusie: belast de functie
van vermogen, niet uitsluitend de omvang
De voorgaande
analyse maakt duidelijk dat een rechtvaardig belastingstelsel niet kan volstaan
met één uniforme belasting op "vermogen". Daarvoor verschillen de
economische functies van ondernemingsvermogen, familiebedrijven, vastgoed,
aandelen, beleggingsvermogen en economische renten te sterk. Evenmin is een
volledig uitzonderingsregime voor ondernemingsvermogen wenselijk, omdat dit
aanzienlijke mogelijkheden biedt voor belastingarbitrage en
vermogensconcentratie.
Vanuit Rawls,
Piketty en de moderne economische literatuur ontstaat daarom een meer
gedifferentieerd uitgangspunt. De fiscale behandeling van vermogen zou in de
eerste plaats moeten aansluiten bij de maatschappelijke functie ervan. Actief
en risicodragend ondernemingsvermogen dat aantoonbaar bijdraagt aan innovatie,
werkgelegenheid en duurzame economische ontwikkeling verdient ruimte om zich te
ontwikkelen. Passief vermogen en economische renten die voornamelijk bestaande
eigendomsposities versterken en bijdragen aan structurele concentratie van
economische macht, kunnen daarentegen een zwaardere fiscale bijdrage
rechtvaardigen.
Vanuit het mens-
en samenlevingswordingsmodel betekent dit dat de belastinggrondslag
uiteindelijk niet uitsluitend wordt bepaald door de omvang van het vermogen,
maar door de bijdrage die het vermogen levert aan menselijke ontwikkeling,
maatschappelijke waardecreatie en een democratisch evenwichtige spreiding van
economische macht. Daarmee verschuift het fiscale debat van de vraag hoeveel
vermogen moet worden belast naar de fundamentelere vraag welke functies van
vermogen een democratische rechtsstaat behoort te stimuleren en welke zij juist
behoort te begrenzen.
3 Internationale
vergelijking
De vraag of
grote vermogens afzonderlijk moeten worden belast, wordt vaak gepresenteerd als
een principiële keuze tussen economische vrijheid en herverdeling. Een
internationale vergelijking laat echter een veel genuanceerder beeld zien.
Vrijwel geen enkel ontwikkeld land kent een volledig uniforme benadering van
vermogensbelasting. Landen verschillen sterk in de wijze waarop zij vermogen
belasten, welke vrijstellingen zij hanteren en welke economische functies zij
fiscaal willen stimuleren. Tegelijkertijd is één ontwikkeling opvallend:
vrijwel alle landen zoeken naar een evenwicht tussen het beschermen van
ondernemerschap en het voorkomen van excessieve vermogensconcentratie.
Deze variatie
biedt waardevolle lessen voor Nederland. Niet zozeer omdat één buitenlands
model eenvoudig kan worden overgenomen, maar omdat de verschillende stelsels
inzicht geven in de juridische, economische en bestuurlijke afwegingen die aan
een rechtvaardige vermogensbelasting ten grondslag liggen. Opvallend is
bovendien dat steeds meer landen onderscheid maken tussen productief
ondernemingsvermogen en passief vermogen, tussen kleine en zeer grote vermogens
en tussen vermogen dat economische waarde creëert en vermogen dat voornamelijk
bestaande machtsposities versterkt.
Noorwegen: een brede
vermogensbelasting met aandacht voor draagkracht
Noorwegen
behoort tot de weinige Europese landen die nog steeds een algemene jaarlijkse
belasting op nettovermogen kennen. Zowel de nationale overheid als gemeenten
heffen belasting over het nettovermogen boven een relatief ruime vrijstelling.
Het stelsel is progressief vormgegeven en richt zich vooral op grotere
vermogens.
Het Noorse model
is gebaseerd op het uitgangspunt dat draagkracht niet uitsluitend wordt bepaald
door inkomen, maar ook door de omvang van het beschikbare vermogen. Wie over
aanzienlijke vermogens beschikt, geniet doorgaans grotere financiële zekerheid
en beschikt over meer economische mogelijkheden dan iemand die uitsluitend van
arbeidsinkomen afhankelijk is.
Tegelijkertijd
staat de Noorse vermogensbelasting regelmatig ter discussie. Critici wijzen op
het risico dat vermogende ondernemers hun woonplaats verplaatsen naar landen
zonder vermogensbelasting of dat ondernemingsvermogen onvoldoende liquide
middelen genereert om de jaarlijkse belasting te voldoen. Voorstanders
benadrukken daarentegen dat Noorwegen ondanks de vermogensbelasting
internationaal concurrerend blijft en tegelijkertijd relatief beperkte
vermogensongelijkheid kent.
Voor Nederland
laat Noorwegen zien dat een jaarlijkse vermogensbelasting uitvoerbaar is, mits
zij gepaard gaat met ruime vrijstellingen, een gematigd tarief en voorzieningen
voor liquiditeitsproblemen bij ondernemingsvermogen.
Zwitserland: decentrale
vermogensbelasting als onderdeel van een breed fiscaal stelsel
Ook Zwitserland
kent een jaarlijkse belasting op nettovermogen. Anders dan in Noorwegen wordt
deze grotendeels door de kantons geheven, waardoor aanzienlijke verschillen
bestaan in tarieven en vrijstellingen. De belasting maakt onderdeel uit van een
bredere fiscale traditie waarin relatief lage inkomstenbelastingen worden
gecombineerd met een belasting op vermogen.
Het Zwitserse
voorbeeld laat zien dat een vermogensbelasting niet noodzakelijk onverenigbaar
is met een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Integendeel, Zwitserland behoort al
decennialang tot de meest concurrerende economieën ter wereld. Dat hangt echter
samen met de totale belastingmix, de relatief lage belastingdruk op
ondernemerschap, de politieke stabiliteit en de hoge kwaliteit van de publieke
instituties.
Voor Nederland
is vooral relevant dat Zwitserland laat zien dat een vermogensbelasting niet
geïsoleerd moet worden beoordeeld. De economische effecten hangen af van de
totale fiscale structuur en niet uitsluitend van één afzonderlijke belasting.
Spanje: herwaardering van de
vermogensbelasting
Spanje kent
eveneens een jaarlijkse vermogensbelasting, hoewel de vormgeving regionaal
verschilt. Sommige autonome regio's hebben de belasting grotendeels
geneutraliseerd, terwijl andere regio's aanzienlijk hogere effectieve tarieven
kennen. Daarnaast is in recente jaren een aanvullende solidariteitsheffing voor
zeer grote vermogens ingevoerd.
Het Spaanse
voorbeeld laat zien dat vermogensbelasting steeds vaker wordt gebruikt als
instrument om zeer grote vermogens sterker bij te laten dragen aan de
financiering van collectieve voorzieningen. Tegelijkertijd illustreert Spanje
ook de risico's van regionale verschillen. Wanneer belastingplichtigen
eenvoudig tussen regio's kunnen verhuizen, ontstaat fiscale concurrentie die de
effectiviteit van de belasting kan verminderen.
Voor Nederland
onderstreept dit het belang van internationale afstemming, al is de interne
mobiliteit tussen Nederlandse provincies vanzelfsprekend veel beperkter dan
tussen autonome Spaanse regio's.
Frankrijk: van algemene
vermogensbelasting naar vastgoedbelasting
Frankrijk kende
jarenlang één van de bekendste algemene vermogensbelastingen van Europa. In
2018 werd deze echter ingrijpend hervormd. De algemene belasting op vermogen
werd vervangen door een belasting die zich voornamelijk richt op onroerend
vermogen.
Deze hervorming
weerspiegelt een bredere economische discussie. Productieve investeringen in
ondernemingen worden in Frankrijk tegenwoordig relatief minder zwaar belast dan
omvangrijke vastgoedvermogens. De gedachte hierachter is dat
ondernemingskapitaal sterker bijdraagt aan economische groei, terwijl
vastgoedwinsten vaker samenhangen met schaarste, locatievoordelen en
waardestijgingen die slechts beperkt voortkomen uit nieuwe economische
productie.
Vanuit het
perspectief van Rawls en Piketty is deze ontwikkeling interessant. Zij sluit
aan bij het onderscheid tussen productief ondernemingsvermogen en passieve
vermogensgroei. Tegelijkertijd bestaat het risico dat financiële vermogens
buiten de belastinggrondslag vallen, waardoor nieuwe vormen van
vermogensconcentratie kunnen ontstaan.
Voor Nederland
leert Frankrijk dat differentiatie naar de economische functie van vermogen
mogelijk is, maar dat een te smalle grondslag ook nieuwe
ontwijkingsmogelijkheden kan creëren.
Duitsland: geen
vermogensbelasting, wel sterke bescherming van ondernemingscontinuïteit
Duitsland kent
momenteel geen algemene vermogensbelasting. De grondwettelijke problemen rond
de waardering van verschillende vermogenscategorieën hebben ertoe geleid dat de
belasting sinds de jaren negentig feitelijk niet meer wordt geheven.
Dat betekent
echter niet dat Duitsland vermogen nauwelijks belast. Integendeel, het land
kent een erfbelasting en schenkbelasting, waarbij voor ondernemingsvermogen
uitgebreide faciliteiten bestaan indien de onderneming gedurende langere tijd
wordt voortgezet en werkgelegenheid behouden blijft.
Deze benadering
illustreert dat Duitsland vooral de continuïteit van ondernemingen wil
beschermen. De fiscale voordelen zijn nadrukkelijk gekoppeld aan
maatschappelijke voorwaarden en niet uitsluitend aan de juridische kwalificatie
als familiebedrijf.
Voor Nederland
is dit onderscheid van groot belang. Ook hier zouden fiscale faciliteiten
primair moeten worden verbonden aan daadwerkelijke economische continuïteit,
investeringen en werkgelegenheid, en niet aan de enkele aanwezigheid van
ondernemingsvermogen.
België: geen algemene
vermogensbelasting, maar andere heffingen op vermogen
België kent
evenmin een algemene belasting op nettovermogen. Wel bestaan verschillende
belastingen op onroerend goed, effectenrekeningen, schenkingen en
nalatenschappen. Daarnaast verschillen de erfbelastingtarieven aanzienlijk
tussen de gewesten.
Het Belgische
systeem laat zien dat ook zonder algemene vermogensbelasting een substantiële
belasting van vermogen mogelijk is. Tegelijkertijd is het stelsel relatief
complex geworden doordat verschillende vermogensbestanddelen elk afzonderlijk
worden belast.
Voor Nederland
vormt België daarmee een voorbeeld van de beperkingen van een gefragmenteerd
systeem. Een samenhangende belastingmix draagt waarschijnlijk meer bij aan
transparantie, eenvoud en rechtsgelijkheid dan een groot aantal afzonderlijke
vermogensheffingen.
Canada: nadruk op
vermogenswinsten
Canada kent geen
algemene jaarlijkse vermogensbelasting. De belastingheffing richt zich vooral
op gerealiseerde vermogenswinsten (capital gains). Daarbij wordt slechts
een gedeelte van de gerealiseerde winst in de inkomstenbelasting betrokken.
Deze benadering
sluit aan bij de gedachte dat belastingheffing vooral plaatsvindt wanneer
daadwerkelijk inkomen wordt gerealiseerd. Tegelijkertijd heeft het systeem als
nadeel dat grote vermogens langdurig onbelast kunnen blijven zolang
vermogenswinsten niet worden gerealiseerd.
Voor Nederland
laat Canada zien dat belastingheffing uitsluitend bij realisatie aanzienlijke
uitstelmogelijkheden creëert en daardoor de cumulatie van grote vermogens
slechts beperkt afremt.
Verenigde Staten: beperkte
vermogensbelasting, sterke nadruk op erfbelasting
Ook de Verenigde
Staten kennen geen algemene federale vermogensbelasting. Wel bestaat een
federale estate tax, die zich uitsluitend richt op zeer omvangrijke
nalatenschappen. Door de hoge vrijstellingen wordt slechts een zeer klein deel
van alle nalatenschappen daadwerkelijk belast.
Daarnaast
bestaan aanzienlijke belastingvoordelen voor vermogensgroei, waaronder de
bekende step-up in basis, waardoor niet-gerealiseerde vermogenswinsten
bij overlijden grotendeels onbelast kunnen blijven. Economen, waaronder
Piketty, wijzen erop dat deze regeling de intergenerationele overdracht van
grote vermogens aanzienlijk vergemakkelijkt.
Tegelijkertijd
kent de Verenigde Staten een uitzonderlijk dynamische ondernemingscultuur. Dat
illustreert dat economische innovatie niet uitsluitend afhankelijk is van lage
belastingen op vermogen, maar ook van factoren als kapitaalmarkten, onderwijs,
ondernemingsklimaat en technologische ontwikkeling.
Vergelijkende analyse
De
internationale vergelijking laat zien dat geen enkel land het perfecte model
heeft gevonden. Wel zijn enkele duidelijke patronen zichtbaar.
In de eerste
plaats blijkt dat steeds minder landen kiezen voor een brede, uniforme
belasting op alle vermogens. Vrijwel overal wordt gezocht naar differentiatie
tussen verschillende typen vermogen en verschillende economische functies.
In de tweede
plaats blijkt dat productief ondernemingsvermogen in veel landen een bijzondere
behandeling krijgt. Niet omdat ondernemers als zodanig zouden moeten worden
bevoordeeld, maar omdat investeringen, innovatie en werkgelegenheid belangrijke
maatschappelijke functies vervullen. Deze faciliteiten zijn echter steeds vaker
gekoppeld aan voorwaarden, zoals voortzetting van de onderneming, behoud van
werkgelegenheid of daadwerkelijke economische activiteit.
In de derde
plaats laten vrijwel alle landen zien dat belastingheffing op vermogen slechts
effectief is wanneer zij onderdeel vormt van een bredere belastingmix. Een
vermogensbelasting kan niet los worden gezien van inkomstenbelasting,
erfbelasting, belasting op kapitaalinkomen, vastgoedheffingen en internationale
samenwerking tegen belastingontwijking.
Ten slotte
blijkt dat internationale coördinatie steeds belangrijker wordt. De toenemende
mobiliteit van kapitaal, internationale ondernemingsstructuren en
grensoverschrijdende vermogens maken duidelijk dat nationale belastingstelsels
steeds meer afhankelijk zijn van internationale informatie-uitwisseling en
samenwerking.
Lessen voor Nederland
Voor Nederland
volgen uit deze internationale vergelijking verschillende belangrijke lessen.
In de eerste
plaats verdient een gedifferentieerde vermogensbelasting de voorkeur boven een
uniforme heffing. Daarbij moet expliciet onderscheid worden gemaakt tussen
actief ondernemingsvermogen, passief beleggingsvermogen, vastgoed, economische
renten en andere vermogenscategorieën.
In de tweede
plaats dienen familiebedrijven en productief ondernemingsvermogen niet
categorisch te worden vrijgesteld, maar kunnen zij onder voorwaarden een
gunstigere behandeling krijgen wanneer daadwerkelijk wordt geïnvesteerd,
werkgelegenheid behouden blijft en de onderneming wordt voortgezet.
In de derde
plaats vraagt een rechtvaardig belastingstelsel om een brede grondslag met
beperkte uitzonderingen. Een smalle belastinggrondslag leidt vrijwel
onvermijdelijk tot ontwijkingsconstructies en verlies aan maatschappelijk
draagvlak.
In de vierde
plaats moet Nederland inzetten op internationale samenwerking, zowel binnen de
Europese Unie als via de OESO, om belastingontwijking, winstverschuiving en
internationale arbitrage te beperken.
Ten slotte
bevestigt de internationale vergelijking de centrale gedachte dat een
vermogensbelasting geen doel op zichzelf is, maar een institutioneel
instrument. Haar legitimiteit wordt niet bepaald door de vraag óf vermogen
wordt belast, maar door de wijze waarop het stelsel erin slaagt economische
dynamiek, ondernemerschap, gelijke kansen en democratische gelijkwaardigheid met
elkaar in evenwicht te brengen. Juist daarin ligt de grootste uitdaging voor
een toekomstbestendig Nederlands belastingstelsel.
4 Juridische toets
De normatieve en
economische argumenten voor een progressieve vermogensbelasting beantwoorden
nog niet de vraag of een dergelijke heffing juridisch houdbaar is. Ook een
belasting die vanuit Rawls, Piketty of de economische literatuur wenselijk
wordt geacht, moet passen binnen de grenzen van het eigendomsrecht, het
gelijkheidsbeginsel, het Unierecht en de eisen van rechtszekerheid en
proportionaliteit. Voor Nederland zijn daarbij vooral artikel 1 van het Eerste
Protocol bij het EVRM, artikel 14 EVRM, artikel 17 en artikel 52 van het
EU-Handvest, het vrije verkeer van kapitaal en de Nederlandse box 3-rechtspraak
relevant.
De juridische
ruimte voor belastingheffing is aanzienlijk. Artikel 1 EP EVRM erkent zelfs
uitdrukkelijk het recht van staten om wetten toe te passen die zij noodzakelijk
achten om de betaling van belastingen en andere heffingen te verzekeren. Die
fiscale bevoegdheid is echter niet onbeperkt. Een vermogensbelasting moet
berusten op een voldoende duidelijke wettelijke grondslag, een legitiem
algemeen belang dienen en een redelijk evenwicht bewaren tussen het
maatschappelijke doel en de bescherming van de individuele belastingplichtige.
Daarnaast mogen vergelijkbare gevallen niet zonder objectieve en redelijke
rechtvaardiging verschillend worden behandeld.
De systematiek
is ook voor fiscale wetgeving bruikbaar. Eerst moet worden vastgesteld welke
vermogensrechten worden geraakt en welke groepen daarvan de gevolgen
ondervinden. Vervolgens moet worden onderzocht of de maatregel voorzienbaar is,
een scherp omschreven algemeen belang dient en op zowel regelingsniveau als
individueel niveau proportioneel is. Daarbij zijn de cumulatie met andere
heffingen, de uitvoerbaarheid, eventuele overgangsregelingen en de mogelijkheid
om uitzonderlijke hardheid te voorkomen van belang.
Artikel 1 EP EVRM:
belastingheffing als inmenging in eigendom
Artikel 1 EP
EVRM beschermt het ongestoorde genot van eigendom. Het eigendomsbegrip is
autonoom en ruim. Het omvat niet alleen fysieke zaken, maar ook aandelen,
vorderingen, bedrijfsvermogen, financiële tegoeden en andere rechten met een
vermogenswaarde. Een jaarlijkse vermogensbelasting grijpt rechtstreeks in op
dit beschermde vermogen, omdat de belastingplichtige een deel van zijn middelen
aan de overheid moet afstaan.
Dat betekent
niet dat iedere vermogensbelasting als ontneming of onteigening moet worden
aangemerkt. Het EHRM behandelt belastingheffing in beginsel binnen de
uitdrukkelijke fiscale regel van de tweede alinea van artikel 1 EP. De staat
mag belastingen heffen, maar moet daarbij de verdragsrechtelijke beginselen van
legaliteit, algemeen belang en proportionaliteit respecteren. Het Hof kent
staten bij de keuze van belastinggrondslagen en tarieven een ruime
beoordelingsvrijheid toe, omdat fiscale politiek complexe economische,
budgettaire en sociale afwegingen vergt. Alleen wanneer de maatregel iedere
redelijke grond ontbeert, willekeurig is of de belastingplichtige een
buitensporige individuele last oplegt, komt een schending in beeld.
De
eigendomsrechtelijke toets bestaat uit drie hoofdelementen.
Voorzien bij wet
Een
vermogensbelasting moet een toegankelijke, voorzienbare en voldoende
nauwkeurige wettelijke grondslag hebben. De wet moet duidelijk maken wie
belastingplichtig is, welke vermogensbestanddelen tot de grondslag behoren, hoe
bezittingen en schulden worden gewaardeerd, welke vrijstellingen gelden en welk
tarief wordt toegepast. Burgers moeten hun gedrag daarop kunnen afstemmen en de
financiële gevolgen met een redelijke mate van zekerheid kunnen voorzien.
Vooral
waarderingsregels zijn bij een vermogensbelasting juridisch gevoelig.
Beursgenoteerde effecten kunnen relatief eenvoudig tegen marktwaarde worden
gewaardeerd, maar bij niet-beursgenoteerde ondernemingen, intellectuele
eigendomsrechten, kunst, grond, vastgoed en private-equitybelangen is de waarde
niet steeds objectief beschikbaar. Een regeling die verschillende
vermogenscategorieën op wezenlijk uiteenlopende of onrealistische wijze
waardeert, kan niet alleen rechtszekerheidsproblemen veroorzaken, maar ook
leiden tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.
Een wettelijke
fictie is niet zonder meer verboden. Het belastingrecht maakt
noodzakelijkerwijs gebruik van forfaits, gemiddelden en vereenvoudigingen. De
box 3-rechtspraak laat echter zien dat de afstand tussen fictie en economische
werkelijkheid niet onbeperkt kan worden. Wanneer een forfaitaire heffing
structureel een rendement belast dat een belastingplichtige niet heeft behaald
en waarbij onvoldoende mogelijkheid tot tegenbewijs bestaat, kan de regeling de
grenzen van artikel 1 EP en artikel 14 EVRM overschrijden.
Algemeen belang
Een progressieve
vermogensbelasting kan verschillende legitieme doelen dienen. Daaronder vallen
het financieren van collectieve voorzieningen, het evenwichtiger verdelen van
fiscale lasten, het verminderen van belastingdruk op arbeid, het voorkomen van
buitensporige vermogensconcentratie, het bevorderen van gelijke kansen en het
beschermen van democratische gelijkwaardigheid. Het EHRM laat nationale staten
veel ruimte om dergelijke sociaal-economische doelstellingen te definiëren.
Die ruime
beoordelingsvrijheid ontslaat de wetgever echter niet van de plicht het doel
concreet te formuleren. Een algemene verwijzing naar “rechtvaardigheid” of
“sterkere schouders” is onvoldoende voor een overtuigend wetgevingsdossier. De
wetgever moet verduidelijken welk probleem wordt aangepakt, waarom juist een
belasting op nettovermogen daarvoor geschikt is en hoe de opbrengsten of
gedragsreacties bijdragen aan het gestelde doel. De onderliggende gegevens over
vermogensverdeling, effectieve belastingdruk, ontwijking en economische
gevolgen moeten controleerbaar zijn.
Ook moet
duidelijk zijn of de belasting primair budgettair, verdelend of
machtsbegrenzend is. Deze doelen kunnen worden gecombineerd, maar leiden niet
noodzakelijk tot dezelfde vormgeving. Een belasting die vooral inkomsten moet
genereren vraagt om een stabiele, brede grondslag. Een belasting die extreme
concentratie wil afremmen kan juist met hoge vrijstellingen en een sterk
progressief tarief worden vormgegeven. Onduidelijkheid over de doelstelling
bemoeilijkt de toets of de maatregel geschikt en proportioneel is.
Fair balance
Het
belangrijkste criterium is of een fair balance bestaat tussen het
algemene belang en de bescherming van de individuele belastingplichtige. Een
vermogensbelasting mag niet leiden tot een individuele en buitensporige last.
Dat betekent niet dat iedere belasting uit het jaarlijkse inkomen of rendement moet
kunnen worden voldaan. Een vermogensbelasting is naar haar aard gericht op de
draagkracht die besloten ligt in het bezit zelf. Toch is de verhouding tussen
belasting, rendement, liquiditeit en omvang van het vermogen juridisch
relevant.
Een tarief kan
problematisch worden wanneer het, in combinatie met andere belastingen,
structureel een aanzienlijk deel van het reële rendement of zelfs van het
vermogen zelf onttrekt, zonder dat daarvoor een toereikende rechtvaardiging of
uitwijkmogelijkheid bestaat. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen
tijdelijk lage rendementen, vrijwillige beleggingskeuzes en structurele
situaties waarin een belastingplichtige de heffing uitsluitend kan voldoen door
productieve of persoonlijk noodzakelijke bezittingen te verkopen.
De toets vindt
zowel op regelingsniveau als individueel niveau plaats. Op regelingsniveau moet
de wetgever de effecten voor onderscheiden groepen onderzoeken. Daarbij horen
onder meer ondernemers met illiquide aandelen, vastgoedbezitters, beleggers,
gepensioneerden, personen met schulden, houders van buitenlandse
vermogensbestanddelen en belastingplichtigen wier vermogen sterk in waarde
fluctueert. Individueel kan een hardheidsvoorziening, betalingsuitstel of een
plafond in verhouding tot inkomen en gerealiseerd rendement nodig zijn om
uitzonderlijke disproportionaliteit te voorkomen. De bijgevoegde notitie
benadrukt bovendien dat niet alleen de nieuwe maatregel, maar de optelsom van
alle op dezelfde persoon drukkende maatregelen in de belangenafweging moet
worden betrokken.
Het EHRM: ruime
beleidsvrijheid, maar geen fiscale willekeur
De rechtspraak
van het EHRM bevestigt dat de verdragsstaten op fiscaal terrein een brede margin
of appreciation hebben. Het Hof erkent dat belastingheffing noodzakelijk is
voor het functioneren van de staat en dat nationale wetgevers beter zijn
geplaatst om economische en sociale prioriteiten af te wegen. De toets is
daarom doorgaans terughoudend.
Die
terughoudendheid kent grenzen. In R.Sz. tegen Hongarije oordeelde het
EHRM over een uitzonderlijk hoge belasting op bepaalde ontslagvergoedingen. Het
probleem was niet alleen de hoogte van het tarief, maar ook de combinatie van
terugwerkende werking, de specifieke groep die werd getroffen en het
ingrijpende karakter van de maatregel. De zaak laat zien dat zelfs binnen de
ruime fiscale beoordelingsmarge een heffing strijdig kan zijn met artikel 1 EP
wanneer zij buitensporig, selectief of onvoldoende voorzienbaar is.
Daaruit volgt
niet dat een hoog marginaal tarief op zeer grote vermogens automatisch
onrechtmatig is. Tariefhoogte kan niet los worden beoordeeld van de grondslag,
vrijstellingen, waarderingsregels, de mogelijkheid van betalingsuitstel en de
totale fiscale last. Een heffing van één procent over een zeer brede grondslag
kan voor een illiquide onderneming ingrijpender zijn dan een hoger tarief op
liquide financiële bezittingen. Het EHRM beoordeelt daarom de feitelijke
gevolgen en niet alleen het nominale percentage.
Voor een
Nederlandse vermogensbelasting is vooral relevant dat de wetgever vooraf de
negatieve gevolgen moet onderzoeken en expliciet moet afwegen. Een politieke
keuze om zeer grote vermogens zwaarder te belasten valt waarschijnlijk binnen
de beoordelingsruimte. Juridisch kwetsbaar wordt zij wanneer de gekozen
grondslag evident onrealistisch is, vergelijkbare vermogens willekeurig anders
worden behandeld, de belasting cumulatief confiscatoir uitpakt of geen
voorziening bestaat voor uitzonderlijke gevallen.
Artikel 14 EVRM: gelijke
behandeling van vermogenscategorieën
Een
eigendomsrechtelijke beoordeling kan niet worden losgemaakt van artikel 14
EVRM. Dit discriminatieverbod heeft geen zelfstandig bestaan, maar is van
toepassing wanneer het verschil in behandeling binnen de werkingssfeer van een
ander verdragsrecht valt, zoals artikel 1 EP. Een belastingregeling die
vermogen verschillend behandelt, moet daarom een objectieve en redelijke
rechtvaardiging hebben.
Differentiatie
tussen actief en passief vermogen is juridisch mogelijk, maar vraagt om een
nauwkeurige onderbouwing. Actief ondernemingsvermogen kan anders worden
behandeld wanneer de wetgever aannemelijk maakt dat continuïteit,
werkgelegenheid, innovatie of liquiditeitsbeperkingen dit rechtvaardigen. Het
enkele juridische label “ondernemingsvermogen” is niet voldoende. Een
vrijstelling die ook omvangrijk beleggingsvermogen binnen een vennootschap
ontziet, terwijl vergelijkbaar privébeleggingsvermogen volledig wordt belast,
loopt het risico arbitrair te worden.
Ook verschillen
tussen eigen woningen, verhuurd vastgoed, beursgenoteerde aandelen,
pensioenvermogen en niet-beursgenoteerde ondernemingen moeten aansluiten bij
hun economische en maatschappelijke kenmerken. Een wetgever mag categoriseren,
maar de categorieën moeten consistent zijn met het doel van de regeling. Hoe
ruimer en meer absoluut uitzonderingen zijn, des te zwaarder wordt de
motiveringsplicht.
Artikel 17 EU-Handvest
Artikel 17,
eerste lid, van het EU-Handvest beschermt het recht om rechtmatig verkregen
goederen te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en deze te vermaken.
Het gebruik van eigendom kan bij wet worden gereguleerd voor zover het algemeen
belang dit vereist. Artikel 52, eerste lid, van het Handvest verlangt dat
iedere beperking bij wet is gesteld, de wezenlijke inhoud van het recht
eerbiedigt en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk is
en daadwerkelijk beantwoordt aan een doel van algemeen belang of aan de
bescherming van rechten van anderen.
De
beschermingsstandaard vertoont grote gelijkenis met artikel 1 EP. Het
EU-Handvest is echter niet op iedere nationale belastingmaatregel van
toepassing. Op grond van artikel 51 van het Handvest bindt het de lidstaten
alleen wanneer zij Unierecht ten uitvoer brengen of binnen de werkingssfeer
ervan handelen. Een zuiver binnenlandse vermogensbelasting zonder
aanknopingspunt met Unierecht wordt daarom in beginsel rechtstreeks aan het
EVRM en het nationale recht getoetst, niet zelfstandig aan het Handvest. Het
Handvest wordt wel relevant wanneer de regeling het vrije verkeer van kapitaal
beperkt, EU-richtlijnen uitvoert of anderszins binnen een door het Unierecht
geregelde situatie valt.
Wanneer artikel
17 van toepassing is, kent ook het HvJ EU geen absoluut eigendomsrecht.
Beperkingen zijn mogelijk wanneer zij een legitiem doel dienen, geschikt en
noodzakelijk zijn en geen onevenredige ingreep vormen waardoor de wezenlijke
inhoud van het recht wordt aangetast. De toets van het Hof is sterk verbonden
met het algemene Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
Het vrije verkeer van kapitaal
Voor een
Nederlandse vermogensbelasting zal het vrije verkeer van kapitaal doorgaans
belangrijker zijn dan artikel 17 van het Handvest op zichzelf. Artikel 63 VWEU
verbiedt beperkingen van kapitaalbewegingen tussen lidstaten en, in beginsel,
ook tussen lidstaten en derde landen. Een nationale belastingregeling kan dit
verkeer beperken wanneer zij buitenlandse bezittingen, niet-ingezetenen of
grensoverschrijdende investeringen nadeliger behandelt dan vergelijkbare
binnenlandse situaties.
Het HvJ EU heeft
in meerdere belastingzaken geoordeeld dat verschillende vrijstellingen,
waarderingsregels of aftrekposten voor ingezetenen en niet-ingezetenen een
beperking van het vrije kapitaalverkeer kunnen vormen. Ook vermogens- en
erfbelastingen vallen binnen deze rechtspraak. Zo heeft het Hof bij nationale
vermogensbelasting onderzocht of niet-ingezetenen ten onrechte werden
uitgesloten van persoonlijke tegemoetkomingen, en in erfbelastingzaken
geoordeeld dat aanzienlijk lagere vrijstellingen voor buitenlandse situaties
het kapitaalverkeer kunnen belemmeren.
Een Nederlandse
vermogensbelasting moet daarom zoveel mogelijk woonplaats- en
nationaliteitsneutraal worden vormgegeven. Buitenlands vastgoed, buitenlandse
aandelen en belangen in buitenlandse ondernemingen mogen niet zonder
overtuigende reden zwaarder worden belast dan vergelijkbare Nederlandse activa.
Evenmin mogen niet-ingezetenen met Nederlands vermogen automatisch nadeliger
worden behandeld wanneer hun situatie objectief vergelijkbaar is.
Verschillen
kunnen soms worden gerechtvaardigd door de samenhang van het belastingstelsel,
de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden, de bestrijding van fraude
of de noodzaak van effectieve fiscale controle. Deze rechtvaardigingsgronden
worden door het HvJ echter strikt getoetst. De maatregel moet geschikt zijn,
mag niet verder gaan dan noodzakelijk en moet rekening houden met mogelijkheden
van gegevensuitwisseling en administratieve samenwerking binnen de EU.
Nederlandse constitutionele
context
Nederland kent
geen algemene constitutionele rechterlijke toetsing van wetten in formele zin
aan de Grondwet. Artikel 120 Grondwet verhindert dat de rechter een formele
belastingwet buiten toepassing laat wegens strijd met bijvoorbeeld artikel 1 of
artikel 14 Grondwet. Op grond van de artikelen 93 en 94 Grondwet kan de rechter
formele wetgeving echter wel toetsen aan rechtstreeks werkende
verdragsbepalingen, waaronder artikel 14 EVRM en artikel 1 EP.
Daarom spelen
het EVRM en het Unierecht in het Nederlandse belastingrecht een bijzondere rol.
Waar de rechter de politieke keuze voor een vermogensbelasting in beginsel
respecteert, kan hij ingrijpen wanneer de gekozen systematiek leidt tot een
verdragsrechtelijk ongerechtvaardigde discriminatie of een disproportionele
eigendomsinmenging.
De box 3-rechtspraak vóór het
Kerstarrest
De Nederlandse
box 3-heffing was oorspronkelijk vormgegeven als een belasting over een
forfaitair rendement op de nettovermogensgrondslag. De Hoge Raad stelde zich
aanvankelijk terughoudend op. Een forfaitaire heffing was op stelselniveau niet
reeds onrechtmatig omdat het werkelijke rendement van individuele
belastingplichtigen lager lag. Wel kon in uitzonderlijke omstandigheden sprake
zijn van een individuele en buitensporige last.
Bij die
individuele toets werden alle relevante omstandigheden betrokken, waaronder het
totale inkomen, het vermogen, de verschuldigde belasting en de vraag of de
belastingplichtige de last kon dragen. Het enkele feit dat de box 3-heffing
hoger was dan het rendement op een specifiek vermogensbestanddeel was doorgaans
onvoldoende. De Hoge Raad respecteerde daarmee de ruime beoordelingsvrijheid
van de fiscale wetgever.
Deze benadering
sloot aan bij de klassieke EVRM-systematiek: eerst werd de regeling als geheel
beoordeeld en vervolgens onderzocht of zij voor de individuele
belastingplichtige buitensporig uitpakte. De kritiek nam echter toe toen de
forfaitaire rendementen steeds verder af kwamen te staan van de zeer lage
spaarrentes en belastingplichtigen feitelijk belasting betaalden over rendement
dat zij niet hadden behaald.
Het Kerstarrest van 24 december
2021
In het
Kerstarrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, maakte de Hoge Raad een
fundamentele omslag. Het sinds 2017 geldende stelsel veronderstelde een
bepaalde verdeling tussen sparen en beleggen op basis van de omvang van het
vermogen, ongeacht de daadwerkelijke keuzes van de belastingplichtige. Daarover
werd vervolgens een forfaitair rendement berekend.
Volgens de Hoge
Raad leidde deze systematiek tot een schending van artikel 14 EVRM in samenhang
met artikel 1 EP. De regeling verbond een relatief zware last aan de keuze om
vermogen niet risicovol te beleggen en behandelde bovendien beleggers met sterk
uiteenlopende werkelijke rendementen alsof zij hetzelfde rendement hadden
behaald. Er bestond geen redelijke verhouding tussen de door de wetgever
nagestreefde doelen — uitvoerbaarheid, voorspelbaarheid en belastingopbrengst —
en de daaruit voortvloeiende ongelijke behandeling. De Hoge Raad bood in de
concrete zaak rechtsherstel door alleen het daadwerkelijk behaalde rendement in
de heffing te betrekken.
Het arrest
betekent niet dat een vermogensbelasting slechts over werkelijk gerealiseerd
rendement mag worden geheven. Box 3 was juridisch vormgegeven als een
inkomstenbelasting over forfaitair rendement, niet als een zuivere jaarlijkse
belasting op de waarde van vermogen. De kern van het oordeel was dat de
wetgever binnen die gekozen systematiek een fictief inkomen belastte dat te ver
afweek van het werkelijke rendement en daarbij ongerechtvaardigde verschillen
creëerde.
Voor een
toekomstige zuivere vermogensbelasting is dit onderscheid essentieel. Wanneer
de wetgever uitdrukkelijk een percentage van het nettovermogen als
draagkrachtgrondslag belast, hoeft hij niet te doen alsof dat bedrag inkomen of
rendement vertegenwoordigt. De rechtvaardiging en proportionaliteit moeten dan
worden beoordeeld vanuit het bezit van vermogen zelf. Een transparante
vermogensbelasting kan juridisch daardoor coherenter zijn dan een
rendementsheffing die feitelijk deels het vermogen belast maar formeel als
inkomstenbelasting wordt gepresenteerd.
De arresten van 6 juni 2024
Na het
Kerstarrest voerde de wetgever de Wet rechtsherstel box 3 en vervolgens de
Overbruggingswet box 3 in. Daarbij werden verschillende forfaitaire rendementen
gebruikt voor spaargeld, overige bezittingen en schulden. Op 6 juni 2024
oordeelde de Hoge Raad dat ook dit stelsel in strijd blijft met artikel 14 EVRM
en artikel 1 EP wanneer het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijk
behaalde rendement.
Volgens de Hoge
Raad bood het onderscheid tussen vermogenscategorieën weliswaar meer
aansluiting bij de werkelijkheid dan het oude stelsel, maar bleef voor overige
bezittingen een forfait gelden dat sterk kon afwijken van het individuele
rendement. In zulke gevallen moet rechtsherstel worden geboden door de heffing
te beperken tot het werkelijke rendement. Daarbij worden zowel directe
inkomsten als positieve en negatieve waardeveranderingen betrokken en geldt
geen heffing over een hoger werkelijk rendement dan het forfait.
In december 2024
verduidelijkte de Hoge Raad dat ook ongerealiseerde positieve en negatieve
waardeveranderingen in beginsel tot het werkelijke rendement behoren. Dit
bevestigt dat het door de rechter gehanteerde rendementsbegrip economisch breed
is en niet beperkt blijft tot rente, dividend en huurinkomsten.
Sinds 2025
bestaat op grond van de Wet tegenbewijsregeling box 3 een wettelijke
mogelijkheid om aan te tonen dat het werkelijke rendement lager was dan het
forfaitaire rendement. Deze wet trad in juli 2025 in werking. Het kabinet heeft
daarnaast een stelsel op basis van werkelijk rendement voorgesteld, maar de
toekomstige inrichting en invoeringsplanning blijven beleidsmatig en
uitvoeringstechnisch in ontwikkeling.
Betekenis van box 3 voor een
echte vermogensbelasting
De box
3-arresten stellen niet vast dat een jaarlijkse belasting op nettovermogen
onverenigbaar is met het EVRM. Zij leggen wel duidelijke eisen bloot.
Ten eerste moet
de wetgever helder zijn over het belastbare object. Een belasting op bezit moet
als zodanig worden ontworpen en gerechtvaardigd. Het is juridisch riskant een
feitelijke vermogensheffing te verpakken als een inkomstenbelasting op fictief
rendement wanneer de fictie structureel niet aansluit bij de werkelijkheid.
Ten tweede
moeten verschillen tussen vermogenscategorieën objectief worden onderbouwd. Een
gunstiger behandeling van actief ondernemingsvermogen kan gerechtvaardigd zijn,
maar alleen wanneer duidelijk is wat “actief” betekent en waarom de
uitzondering bijdraagt aan continuïteit, investeringen of werkgelegenheid.
Passief beleggingsvermogen binnen een vennootschap mag niet uitsluitend door
zijn juridische verpakking aan de heffing ontsnappen.
Ten derde moet
de wet rekening houden met de effectieve last. Een vermogensbelasting hoeft
niet één-op-één aan het werkelijk rendement te worden gekoppeld, maar de
combinatie van tarief, waardering en andere heffingen mag niet structureel
leiden tot een buitensporige aantasting. Een ruime vrijstelling, gematigde
tarieven, betalingsuitstel bij illiquide productieve activa en een individuele
hardheidsregeling versterken de juridische houdbaarheid.
Ten vierde zijn
uitvoerbaarheid en controleerbaarheid niet slechts praktische aspecten.
Onbetrouwbare waarderingen, grote verschillen in naleving en ruime
ontwijkingsmogelijkheden kunnen leiden tot willekeurige uitkomsten en daarmee
tot gelijkheidsproblemen. De wetgever moet daarom vooraf aannemelijk maken dat
vermogensbestanddelen voldoende consistent kunnen worden gewaardeerd en dat de
Belastingdienst over gegevens en capaciteit beschikt om de regeling uit te
voeren.
Toetsing van actief en passief
vermogen
Een
gedifferentieerde vermogensbelasting kan juridisch houdbaar zijn wanneer het
onderscheid tussen actief en passief vermogen nauwkeurig wordt gedefinieerd. De
belangrijkste toets is of de onderscheiden categorieën voldoende verschillen in
het licht van het doel van de regeling.
Actief
ondernemingsvermogen kan bijvoorbeeld bestaan uit vermogensbestanddelen die
rechtstreeks en duurzaam worden gebruikt in een materiële onderneming waarin de
belastingplichtige een reële ondernemersfunctie vervult. Passief vermogen kan
bestaan uit liquide middelen die niet voor bedrijfsdoeleinden nodig zijn,
effectenportefeuilles, verhuurd vastgoed zonder ontwikkelactiviteit en andere
beleggingen die vooral rendement genereren uit bezit.
Een volledige
vrijstelling van actief ondernemingsvermogen is echter niet vanzelfsprekend
proportioneel. Zij kan leiden tot grote verschillen tussen een ondernemer met
honderd miljoen euro ondernemingsvermogen en een werknemer met een veel kleiner
privévermogen. Minder vergaande instrumenten zijn denkbaar, zoals een lagere
waardering, een lager tarief, een betalingsuitstel zolang het vermogen gebonden
blijft aan de onderneming of een plafonnering in verhouding tot de beschikbare
kasstroom.
Vanuit artikel
14 EVRM en het Unierecht verdient een voorwaardelijke faciliteit daarom de
voorkeur boven een categorische uitsluiting. Voorwaarden kunnen zien op
daadwerkelijke bedrijfsuitoefening, een minimumbezitsduur, voortzetting,
beperking van overtollige beleggingsmiddelen en terugname van het voordeel
wanneer activa kort na toepassing worden verkocht of uitgekeerd.
Internationale vermogens en
emigratie
Een progressieve
vermogensbelasting kan leiden tot emigratie of verplaatsing van activa. Een
woonplaatsgebonden heffing is op zichzelf niet in strijd met het Unierecht,
maar fiscale exitmaatregelen kunnen het vrije verkeer beperken. Het HvJ heeft
bij exitheffingen herhaaldelijk verlangd dat belastingplichtigen onder
omstandigheden uitstel van betaling kunnen krijgen, omdat onmiddellijke inning
bij emigratie verder kan gaan dan noodzakelijk is.
Nederland kan
daarom niet zonder meer de volledige toekomstige vermogensbelasting ineens
heffen bij vertrek. Wel kan een conserverende aanslag of andere regeling worden
overwogen voor reeds opgebouwde maar nog niet belaste vermogenswinsten, mits
deze beperkt blijft tot de Nederlandse heffingsclaim, evenredig is en voldoende
betalingsuitstel biedt.
Daarnaast moeten
buitenlandse activa op vergelijkbare wijze worden gewaardeerd als binnenlandse
activa. Administratieve moeilijkheden kunnen aanvullende
informatieverplichtingen rechtvaardigen, maar geen algemene discriminatie. Door
automatische gegevensuitwisseling en Europese administratieve samenwerking is
een beroep op oncontroleerbaarheid bovendien minder snel overtuigend dan in het
verleden.
Rechtsherstel en procedurele
bescherming
De box
3-geschiedenis laat ook zien dat juridische houdbaarheid niet uitsluitend
afhangt van de materiële belastingregels. Effectieve toegang tot bezwaar,
beroep en individueel rechtsherstel is eveneens essentieel. Wanneer een
regeling forfaits of waarderingsmethoden gebruikt, moet de belastingplichtige
een reële mogelijkheid hebben onjuiste gegevens of een onevenredige uitkomst te
bestrijden.
De Hoge Raad
heeft in 2026 bevestigd dat belastingplichtigen wier aanslagen over 2017–2020
al onherroepelijk vaststonden en die niet tijdig bezwaar hadden gemaakt, geen
aanspraak hadden op vermindering op grond van het Kerstarrest. Dat onderstreept
het belang van formele rechtskracht en tijdig procederen, maar laat ook zien
dat hersteloperaties maatschappelijk ingrijpende verschillen kunnen creëren
tussen groepen die materieel aan dezelfde onrechtmatige heffing waren
onderworpen.
Voor een nieuwe
vermogensbelasting verdient het daarom aanbeveling geschillen zo veel mogelijk
aan de voorkant te voorkomen. Heldere beschikkingen over waardering,
laagdrempelige correctiemogelijkheden, een goed werkende bezwaarprocedure en
periodieke evaluatie verkleinen het risico dat structurele fouten pas na jaren
door de hoogste rechter worden gecorrigeerd.
Integrale juridische
beoordeling
Een Nederlandse
progressieve vermogensbelasting is als zodanig verenigbaar met artikel 1 EP
EVRM. Geen van de besproken rechtsbronnen verbiedt een jaarlijkse belasting op
grote nettovermogens. De staat beschikt op fiscaal terrein over een ruime
beoordelingsvrijheid en kan vermogensbezit als zelfstandige uitdrukking van
draagkracht belasten.
De juridische
houdbaarheid hangt echter af van de concrete vormgeving. De sterkste regeling
is een belasting die:
·
in een formele wet een heldere
nettovermogensgrondslag vastlegt;
·
hoge vrijstellingen kent waardoor gewone
spaarbuffers en beperkte vermogensvorming worden ontzien;
·
gematigde en geleidelijk progressieve tarieven
toepast;
·
marktconforme en controleerbare
waarderingsregels bevat;
·
actief ondernemingsvermogen niet volledig
vrijstelt, maar voorwaardelijk en proportioneel faciliteert;
·
passief beleggingsvermogen ongeacht juridische
verpakking zoveel mogelijk gelijk behandelt;
·
woonplaats- en nationaliteitsneutraal is en het
vrije kapitaalverkeer respecteert;
·
rekening houdt met liquiditeitsproblemen via
uitstel van betaling in plaats van brede vrijstellingen;
·
cumulatie met inkomstenbelasting, erfbelasting
en vastgoedheffingen onderzoekt;
·
een individuele veiligheidsvoorziening bevat
voor uitzonderlijke en buitensporige lasten;
·
effectieve rechtsbescherming, tegenbewijs en
periodieke evaluatie waarborgt.
De belangrijkste
les uit box 3 is daarmee niet dat vermogensbelasting juridisch onmogelijk is.
Zij is dat een fiscaal stelsel zijn economische werkelijkheid niet onbeperkt
mag vervangen door ficties die voor grote groepen structureel onjuist
uitpakken. Een expliciete, transparante en zorgvuldig begrensde belasting op
zeer grote nettovermogens kan juridisch zelfs beter verdedigbaar zijn dan een
ingewikkelde rendementsheffing die door forfaits en uitzonderingen uiteindelijk
niet belast wat zij zegt te belasten.
5 Wetgevingsmodel voor
Nederland
De voorgaande
analyse laat zien dat een progressieve belasting op zeer grote vermogens
juridisch mogelijk en normatief verdedigbaar is, maar dat de kwaliteit van de
concrete vormgeving beslissend is. Een vermogensbelasting die op een te lage
drempel begint, uiteenlopende vermogensbestanddelen willekeurig waardeert of
productieve ondernemingen dwingt activa te verkopen, kan economische schade
veroorzaken en juridisch kwetsbaar worden. Een stelsel met ruime en moeilijk
controleerbare uitzonderingen kan daarentegen eenvoudig worden ontweken,
waardoor de belasting vooral drukt op transparante vermogens en haar verdelende
doel voorbijschiet.
Een goed
Nederlands model moet daarom vier eigenschappen combineren. Het moet gericht
zijn op werkelijk grote vermogens, breed genoeg zijn om arbitrage te voorkomen,
gedifferentieerd genoeg om rekening te houden met de functie en liquiditeit van
vermogen en eenvoudig genoeg om uitvoerbaar en controleerbaar te blijven. Dat
betekent dat niet moet worden gekozen voor een volledige vervanging van de
belasting op werkelijk kapitaalinkomen, maar voor een aanvullende
nettovermogensheffing aan de absolute bovenkant van de verdeling.
Het hier
ontwikkelde model is daarmee geen variant van het vroegere box 3-stelsel. Het
belast niet een fictief rendement, maar het bezit van een zeer groot
nettovermogen als zelfstandige uitdrukking van economische draagkracht en
geconcentreerde macht. Het huidige voornemen is dat box 3 vanaf 2028 in
beginsel aansluit bij werkelijk rendement, met voor bepaalde
vermogensbestanddelen mogelijk een vermogenswinstbenadering. Een afzonderlijke
belasting op zeer grote nettovermogens zou naast dat stelsel alleen gerechtvaardigd
zijn wanneer haar doel, grondslag en verhouding tot de belasting op rendement
uitdrukkelijk worden geregeld.
Uitgangspunt: een aanvullende
belasting op zeer grote nettovermogens
Het meest
verdedigbare model is een jaarlijkse belasting die uitsluitend aangrijpt bij
het deel van het nettovermogen boven een hoge heffingsvrije voet. Het gaat dus
niet om een algemene belasting op het spaargeld, de woning of de
pensioenvoorziening van brede middengroepen. De primaire doelgroep bestaat uit
huishoudens met zulke omvangrijke vermogens dat het bezit zelf een zelfstandige
en duurzame bron van economische draagkracht, rendement en maatschappelijke
invloed vormt.
De grondslag
bestaat in beginsel uit de marktwaarde van alle bezittingen verminderd met de
daaraan toerekenbare schulden. Tot de bezittingen behoren financiële tegoeden,
beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen, obligaties, vastgoed,
beleggingsfondsen, private-equitybelangen, intellectuele eigendomsrechten met
een verhandelbare waarde, waardevolle roerende zaken en economisch
vergelijkbare rechten. Schulden zijn slechts aftrekbaar voor zover zij
zakelijk, juridisch afdwingbaar en economisch verbonden zijn met het belastbare
vermogen.
Een brede
grondslag is essentieel. De OECD wijst erop dat nettovermogensbelastingen met
veel vrijstellingen en voorkeursregimes doorgaans leiden tot ontwijking,
vermogensverschuiving, ongelijke effectieve tarieven en relatief lage
opbrengsten. Een hoge drempel en een brede grondslag verdienen daarom de
voorkeur boven lage drempels met een groot aantal uitzonderingen.
Vrijstellingen: bescherming van
normale vermogensvorming
Een progressieve
vermogensbelasting behoort niet reeds aan te grijpen bij vermogen dat vooral
dient als buffer, pensioenvoorziening of basis voor normale financiële
zelfstandigheid. Een hoge heffingsvrije voet is daarom het belangrijkste
instrument om de belasting te richten op werkelijk grote vermogens.
Als denkmodel
kan worden uitgegaan van een algemene vrijstelling van bijvoorbeeld €2 miljoen
per persoon, met een gezamenlijke drempel van €4 miljoen voor fiscale partners.
De exacte hoogte moet uiteindelijk worden vastgesteld op basis van actuele
vermogensdata, opbrengstramingen, gedragseffecten en de samenhang met box 3 en
de erfbelasting. De hier genoemde bedragen zijn dus geen empirisch berekend
optimum, maar illustreren de gewenste ordeningslogica: brede middengroepen en
normale vermogensopbouw blijven buiten de heffing, terwijl de belasting zich
richt op de top van de vermogensverdeling.
Pensioenrechten
binnen collectieve en fiscaal begrensde pensioenregelingen kunnen buiten de
jaarlijkse vermogensgrondslag blijven. Zij zijn niet vrij beschikbaar, worden
bij uitkering belast en dienen primair ter vervanging van arbeidsinkomen op
latere leeftijd. Volledige vrijstelling van onbeperkte particuliere pensioen-
of verzekeringsconstructies ligt echter minder voor de hand. Zonder begrenzing
ontstaat het risico dat vrij beschikbaar vermogen wordt omgezet in fiscaal
afgeschermde producten.
Voor de eigen
woning kan worden gekozen voor een beperkte aanvullende vrijstelling bovenop de
algemene drempel, bijvoorbeeld tot een bepaald bedrag van de netto-overwaarde.
Een volledige, onbeperkte uitzondering zou grote verschillen veroorzaken tussen
vermogen in een kostbare woning en economisch vergelijkbaar financieel
vermogen. Zij zou bovendien vermogensverschuiving naar woningen stimuleren.
Beter is daarom dat de eigen woning in beginsel wordt meegenomen, maar dat een
beperkte beschermingsvrijstelling en ruime mogelijkheden voor uitstel van
betaling gelden wanneer het vermogen grotendeels in de bewoonde woning is
vastgelegd.
Persoonlijke
gebruiksgoederen met een beperkte waarde kunnen om uitvoeringsredenen buiten
beschouwing blijven. Voor kunst, kostbare verzamelingen, sieraden, schepen en
andere waardevolle roerende activa behoort daarentegen een registratiedrempel
te gelden. Anders ontstaat een evidente route om belastbaar financieel vermogen
om te zetten in moeilijk zichtbare bezittingen.
De algemene lijn
is daarmee dat vrijstellingen niet worden gekoppeld aan de juridische
verpakking van het vermogen, maar aan een herkenbare maatschappelijke functie:
bestaanszekerheid, collectief pensioen, bewoning of normale particuliere
vermogensvorming.
Tarieven: gematigd, progressief
en voorspelbaar
De tarieven
moeten voldoende laag zijn om te voorkomen dat de belasting, in combinatie met
de belasting op werkelijk rendement, structureel een onevenredig deel van het
vermogen onttrekt. Tegelijkertijd moet de progressie zichtbaar genoeg zijn om
de sterkere draagkracht en de cumulatieve groei van zeer grote vermogens te
weerspiegelen.
Een mogelijke
tariefstructuur is:
|
Belastbaar
nettovermogen per persoon |
Jaarlijks tarief |
|
tot €2 miljoen |
0% |
|
€2–10 miljoen |
0,25% |
|
€10–50 miljoen |
0,50% |
|
€50–250 miljoen |
0,75% |
|
boven €250 miljoen |
1,00% |
De tarieven
worden uitsluitend toegepast op het deel van het vermogen binnen iedere schijf.
Een belastingplichtige met een vermogen van €12 miljoen betaalt dus niet over
het volledige vermogen 0,50%, maar uitsluitend over het deel boven €10 miljoen
dat hogere tarief.
Deze tarieven
zijn bewust gematigd. Het doel is niet een snelle onttrekking van vermogen,
maar een geleidelijke correctie op de cumulatie van zeer grote vermogens, in
samenhang met een adequate belasting van werkelijk rendement en
nalatenschappen. De economische literatuur maakt duidelijk dat een jaarlijkse
nettovermogensbelasting niet geïsoleerd kan worden beoordeeld. De effectieve
last hangt mede af van de belasting op kapitaalinkomen, vermogenswinsten en
overdrachten. Het IMF geeft daarom in algemene zin de voorkeur aan een goed
functionerende belasting op werkelijke kapitaalopbrengsten en een effectieve
erfbelasting, maar erkent dat verschillende vormen van vermogensheffing elkaar
kunnen aanvullen wanneer bestaande stelsels grote gaten laten.
Een wettelijk
maximum op de gecombineerde jaarlijkse last kan bijdragen aan
proportionaliteit, maar moet zorgvuldig worden ontworpen. Een eenvoudige
begrenzing tot een percentage van het actuele inkomen zou belastingplichtigen
met lage uitgekeerde inkomsten maar enorme, snel groeiende vermogens te sterk
bevoordelen. Beter is een veiligheidsventiel dat rekening houdt met zowel
beschikbaar inkomen als een voortschrijdend gemiddelde van gerealiseerd en
ongerealiseerd rendement, zonder de materiële heffingsclaim definitief prijs te
geven. Het niet direct invorderbare deel kan onder voorwaarden worden
doorgeschoven.
Verhouding tot box 3 en andere
kapitaalbelastingen
Een zelfstandige
vermogensbelasting moet juridisch en systematisch duidelijk worden
onderscheiden van de belasting op rendement. Box 3 belast — volgens de
voorgenomen hervorming — wat met vermogen wordt verdiend. De aanvullende
vermogensbelasting belast de uitzonderlijk grote vermogenspositie zelf. Dat
zijn verschillende grondslagen en verschillende doelen.
Toch moet
cumulatie expliciet worden beoordeeld. Een belastingplichtige kan te maken
krijgen met belasting over rente, dividend, huur en waardestijging,
vennootschapsbelasting binnen ondernemingen, overdrachtsbelasting,
onroerendezaakbelasting, erfbelasting en daarnaast een nettovermogensbelasting.
De wetgever moet daarom vooraf per vermogenscategorie modelleren wat de totale
effectieve belastingdruk wordt onder verschillende rendementsscenario’s.
De box
3-rechtspraak maakt duidelijk dat een belastingstelsel niet onbeperkt kan
abstraheren van de economische werkelijkheid. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat
de forfaitaire heffing in strijd komt met het discriminatieverbod en het
eigendomsrecht wanneer een hoger rendement wordt belast dan werkelijk is
behaald. Een echte nettovermogensbelasting verschilt daarvan, omdat zij niet
pretendeert rendement te belasten. Juist daarom moet in de wet en toelichting
volstrekt helder zijn dat het vermogen zelf de grondslag vormt en waarom dat
bezit zelfstandige draagkracht oplevert.
Waardering: marktwaarde als
hoofdregel
Een
vermogensbelasting kan alleen eerlijk en juridisch houdbaar functioneren
wanneer economisch vergelijkbare bezittingen zo veel mogelijk volgens dezelfde
maatstaf worden gewaardeerd. Marktwaarde op een vaste peildatum vormt daarom de
hoofdregel. De waarde is het bedrag dat bij een zakelijke transactie tussen
onafhankelijke partijen redelijkerwijs zou kunnen worden verkregen.
Voor
beursgenoteerde effecten kan worden aangesloten bij de beurswaarde op de
peildatum, eventueel op basis van een gemiddelde over een korte periode om
toevallige dagfluctuaties te beperken. Banktegoeden en nominale vorderingen
worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, tenzij aannemelijk is dat de
vordering niet volledig inbaar is.
Voor vastgoed
kan in beginsel worden aangesloten bij de WOZ-waarde, mits deze voldoende
actueel en nauwkeurig is. Bij beleggingsvastgoed, bijzondere objecten of
substantiële afwijkingen moet tegenbewijs mogelijk zijn. De WOZ-waarde is
administratief aantrekkelijk, maar mag geen onweerlegbare fictie worden wanneer
zij aantoonbaar sterk afwijkt van de werkelijke marktwaarde.
Niet-beursgenoteerde
aandelen vormen het grootste waarderingsvraagstuk. Jaarlijkse volledige
bedrijfswaarderingen zijn kostbaar en conflictgevoelig. Daarom ligt een
gestandaardiseerde methode voor de hand, gebaseerd op een combinatie van
gecorrigeerde intrinsieke waarde, genormaliseerde winstgevendheid en recente
zakelijke transacties. Voor kleine belangen kan met wettelijke safe-harbours
worden gewerkt. Voor zeer grote ondernemingsbelangen of complexe
concernstructuren kan periodiek — bijvoorbeeld eens per drie jaar — een
gecertificeerde waardering worden verlangd, met jaarlijkse actualisatie op
basis van objectieve gegevens.
Minderheidskortingen,
illiquiditeitskortingen en zeggenschapsopslagen mogen niet automatisch worden
toegepast. Zij moeten economisch aantoonbaar zijn en mogen niet ertoe leiden
dat grote familievermogens kunstmatig worden versnipperd over verschillende rechtspersonen
of familieleden om de belastbare waarde te drukken.
Private-equity-,
hedgefonds- en fondsbelangen worden in beginsel gewaardeerd op de laatste
betrouwbare nettovermogenswaarde, gecorrigeerd voor latere kapitaalstortingen,
uitkeringen en relevante marktontwikkelingen. Carried-interestrechten en
vergelijkbare aanspraken moeten worden belast naar hun economische waarde en
mogen niet uitsluitend wegens hun contractuele vorm buiten de grondslag vallen.
De
waarderingssystematiek moet grotendeels in de formele wet of in een op
duidelijke delegatie berustende algemene maatregel van bestuur worden
vastgelegd. Te veel discretionaire ruimte voor uitvoeringsbeleid tast de
rechtszekerheid en kenbaarheid aan. Een eigendomsbeperkende regeling moet voldoende
duidelijk en voorzienbaar zijn, dat betekent dat de effecten vooraf moeten
worden onderzocht en dat alternatieven en cumulatieve lasten expliciet moeten
worden afgewogen.
Ondernemingsvermogen: geen
volledige vrijstelling
Actief
ondernemingsvermogen verdient een andere behandeling dan passief
beleggingsvermogen, maar een volledige vrijstelling is noch fiscaal
noodzakelijk noch normatief overtuigend. Zij zou zeer grote verschillen creëren
tussen ondernemers en werknemers of beleggers met economisch vergelijkbare
draagkracht. Bovendien kan vermogen eenvoudig in vennootschappen worden
ondergebracht wanneer de juridische vorm bepalend is.
Het
wetgevingsmodel moet daarom uitgaan van volledige opname van
ondernemingsvermogen in de grondslag, gecombineerd met drie gerichte
tegemoetkomingen:
1.
een gematigde waarderingsfaciliteit voor
werkelijk actief ondernemingsvermogen;
2.
ruime mogelijkheden voor uitstel van betaling;
3.
uitsluiting van overtollige en passieve
bezittingen van die faciliteiten.
Als actief
ondernemingsvermogen kwalificeert alleen vermogen dat duurzaam en rechtstreeks
dienstbaar is aan een materiële onderneming. De belastingplichtige of zijn
huishouden moet een reële ondernemersbetrokkenheid hebben, bijvoorbeeld door
leidinggevende werkzaamheden, beslissende zeggenschap of aantoonbaar
risicodragende betrokkenheid. Louter aandelenbezit in een portefeuille vormt
geen actief ondernemingsvermogen.
Een
waarderingsfaciliteit kan bijvoorbeeld bestaan uit een tijdelijke korting van
maximaal 20% op de belastbare waarde, uitsluitend voor de eerste
vermogensschijven waarin het ondernemingsbelang valt. Bij zeer grote belangen
behoort de korting geleidelijk af te bouwen. Het maatschappelijke argument voor
bescherming van liquiditeit en continuïteit geldt immers sterker voor een
middelgroot familiebedrijf dan voor een miljardenbelang in een internationaal
concern.
Passieve
bestanddelen binnen een onderneming worden volledig belast. Daaronder vallen
overtollige liquide middelen, effectenportefeuilles, verhuurd vastgoed dat niet
functioneel verbonden is met de bedrijfsuitoefening, privébezittingen,
groepsleningen zonder zakelijke functie en andere activa die voornamelijk als
belegging worden aangehouden.
De fiscale
faciliteit moet worden teruggenomen wanneer de onderneming binnen een bepaalde
periode wordt verkocht, geliquideerd of grotendeels wordt omgevormd tot een
beleggingsvehikel. Daarmee wordt voorkomen dat ondernemingsstructuren tijdelijk
worden gebruikt om de belasting te verminderen.
Familiebedrijven
Familiebedrijven
verdienen geen afzonderlijke, categorische vrijstelling. Het feit dat een
onderneming binnen een familie wordt gehouden zegt op zichzelf niets over haar
productiviteit, liquiditeit of maatschappelijke betekenis. Sommige
familiebedrijven zijn lokaal verankerde ondernemingen met beperkte liquide
middelen; andere zijn zeer grote concerns met substantiële
beleggingsportefeuilles.
Dezelfde
economische toets moet daarom gelden voor familiebedrijven en
niet-familiebedrijven. Relevante kenmerken zijn daadwerkelijke
bedrijfsuitoefening, werkgelegenheid, investeringen, liquiditeit en
voortzetting. Het juridische of genealogische etiket mag niet beslissend zijn.
Bij opvolging
door de volgende generatie ligt een faciliteit in de erf- en schenkbelasting
meer voor de hand dan een volledige jaarlijkse vrijstelling van het
ondernemingsvermogen. Ook daar moet het voordeel worden gekoppeld aan
daadwerkelijke voortzetting en betaling kunnen worden uitgesteld wanneer
directe afrekening de onderneming in gevaar brengt. De OECD beveelt bij
belastingen op vermogensoverdracht aan kleine verkrijgingen vrij te stellen en
progressie te gebruiken, maar waarschuwt tegelijk dat ruime uitzonderingen voor
ondernemingsvermogen de belastinggrondslag en gelijkheid kunnen ondermijnen.
Liquiditeitsproblemen: uitstel
boven vrijstelling
Het
belangrijkste bezwaar tegen een jaarlijkse vermogensbelasting is dat de heffing
kan drukken op vermogen dat geen liquide kasstroom oplevert. Dat probleem doet
zich voor bij niet-beursgenoteerde ondernemingen, landbouwgrond, vastgoed,
kunst, de eigen woning en andere illiquide bezittingen.
De oplossing
behoort primair te liggen in uitstel van betaling, niet in permanente
vrijstelling. Een vrijstelling laat de economische draagkracht volledig buiten
beschouwing en bevoordeelt illiquide vermogens boven liquide vermogens. Uitstel
erkent daarentegen de belastingclaim, maar voorkomt dat de belastingplichtige
onmiddellijk activa moet verkopen.
Uitstel kan
worden verleend voor zover de verschuldigde vermogensbelasting een wettelijk
percentage van de beschikbare liquide inkomsten en kasmiddelen overschrijdt.
Het uitgestelde bedrag wordt rentedragend doorgeschoven en wordt uiterlijk
ingevorderd bij verkoop, dividenduitkering, overlijden, emigratie of omzetting
van het actief in liquide vermogen.
Voor de eigen
woning kan een vergelijkbare regeling gelden. Ouderen met een waardevolle
woning maar een laag inkomen hoeven dan niet gedwongen te verkopen, terwijl de
heffing bij overdracht of overlijden alsnog kan worden voldaan.
Voor
ondernemingsvermogen kan betaling over bijvoorbeeld vijf tot tien jaar worden
gespreid, afhankelijk van de kasstroom en de solvabiliteit. De faciliteit
eindigt wanneer omvangrijke dividenden worden uitgekeerd, eigen aandelen worden
ingekocht of vermogen aan de onderneming wordt onttrokken. Het zou inconsistent
zijn betalingsuitstel wegens liquiditeitsgebrek te verlenen terwijl
tegelijkertijd middelen aan aandeelhouders worden uitgekeerd.
Een wettelijk
veiligheidsventiel is belangrijk voor de toets aan artikel 1 EP EVRM. De
proportionaliteitsbeoordeling verlangt dat de regeling als geheel een fair
balance bewaart en in individuele gevallen niet leidt tot een buitensporige
last. De bijgevoegde notitie wijst daarbij uitdrukkelijk op het belang van een
hardheidsvoorziening, overgangstermijnen en onderzoek naar de cumulatieve
effecten van verschillende maatregelen.
Anti-misbruik: economische
werkelijkheid boven juridische vorm
Een progressieve
vermogensbelasting creëert sterke prikkels tot herstructurering wanneer de
tarieven en vrijstellingen afhangen van de vorm waarin vermogen wordt
aangehouden. Een geloofwaardig stelsel vereist daarom robuuste
anti-misbruikregels.
Allereerst
moeten bezittingen worden toegerekend aan de uiteindelijk gerechtigde.
Tussenholdingmaatschappijen, trusts, stichtingen, fondsen voor gemene rekening
en buitenlandse rechtsfiguren mogen niet verhinderen dat vermogen bij de
feitelijke economische eigenaar wordt belast. Het begrip uiteindelijk
gerechtigde moet aansluiten bij feitelijke zeggenschap, economisch belang en
beschikkingsmacht.
Ten tweede moet
kunstmatige vermogenssplitsing worden tegengegaan. Overdrachten tussen
partners, minderjarige kinderen, gelieerde vennootschappen of gecontroleerde
stichtingen die hoofdzakelijk plaatsvinden om progressieschijven of
vrijstellingen meervoudig te benutten, moeten kunnen worden samengevoegd.
Ten derde moeten
verbonden schulden kritisch worden beoordeeld. Schulden aan gelieerde personen
of lichamen zijn alleen aftrekbaar wanneer zij economisch reëel, zakelijk
geprijsd en daadwerkelijk gefinancierd zijn. Circulaire financiering,
back-to-backleningen en schuldconstructies zonder reëel debiteurenrisico
behoren buiten aanmerking te blijven.
Ten vierde is
een algemene anti-omzettingsregel nodig. Wanneer passief beleggingsvermogen
kort voor de peildatum wordt ingebracht in een onderneming, stichting of
pensioenproduct zonder wezenlijke economische functiewijziging, behoudt het
voor de vermogensbelasting zijn passieve karakter.
Ten vijfde moet
emigratie worden gereguleerd binnen de grenzen van het Unierecht. Een
emigratieheffing over toekomstige vermogensbelasting is moeilijk te
rechtvaardigen, maar uitstel- en conserveringsregelingen kunnen worden gebruikt
voor reeds opgebouwde belastingclaims, mits zij proportioneel zijn en het vrije
verkeer niet verder beperken dan noodzakelijk.
Anti-misbruikregels
moeten gericht en voorzienbaar zijn. Een al te open norm kan grote
rechtsonzekerheid veroorzaken. Daarom moet de wet voorbeelden, safe-harbours en
duidelijke tegenbewijsregelingen bevatten. Belastingplichtigen moeten kunnen
aantonen dat een structuur overwegend zakelijke of familiale redenen heeft en
geen kunstmatige belastingontwijking vormt.
Internationale
informatie-uitwisseling
Een nationale
vermogensbelasting is alleen uitvoerbaar wanneer Nederland zicht heeft op
buitenlandse banktegoeden, effecten, vastgoed, vennootschappen en juridische
structuren. Automatische gegevensuitwisseling, UBO-registers, landenrapportages
en samenwerking binnen EU- en OESO-verband zijn daarom geen bijkomende
hulpmiddelen, maar randvoorwaarden voor gelijke heffing.
Buitenlandse
bezittingen moeten op dezelfde wijze worden belast als vergelijkbare
Nederlandse bezittingen. Extra bewijsverplichtingen kunnen alleen worden
opgelegd wanneer zij nodig zijn vanwege ontbrekende of minder betrouwbare
gegevens. Een algemene benadeling van buitenlandse investeringen zou kunnen
botsen met het vrije kapitaalverkeer.
De
Belastingdienst moet beschikken over een gespecialiseerde eenheid voor zeer
vermogende personen en complexe vermogensstructuren. De OECD benadrukt dat
toezicht op high-net-worth individuals om specifieke expertise vraagt, omdat
deze groep toegang heeft tot complexe grensoverschrijdende structuren en
geavanceerde fiscale advisering.
Uitvoerbaarheid: eenvoud als
rechtsstatelijke waarde
Uitvoerbaarheid
is niet alleen een praktische randvoorwaarde, maar ook een onderdeel van
rechtvaardigheid en rechtszekerheid. Een theoretisch perfecte belasting die
niet uniform kan worden uitgevoerd, treft vooral belastingplichtigen met
transparante vermogens en bevoordeelt degenen die ingewikkelde structuren
kunnen opzetten.
De invoering
moet daarom worden beperkt tot een relatief kleine populatie met zeer grote
vermogens. Een hoge vrijstelling vermindert niet alleen de maatschappelijke
reikwijdte, maar ook het aantal complexe waarderingen. Dat maakt intensiever
toezicht per belastingplichtige mogelijk.
De aangifte moet
zo veel mogelijk vooraf worden ingevuld met gegevens van banken,
beleggingsinstellingen, notarissen, het Kadaster, verzekeraars en
vennootschappen. Voor niet-beursgenoteerde belangen moet een digitaal
waarderingsdossier worden ontwikkeld waarin de waarderingsmethode, relevante
jaarcijfers en eventuele deskundigenrapporten worden vastgelegd.
Er moet een voor
bezwaar vatbare waarderingsbeschikking kunnen worden afgegeven, bij voorkeur
voor meerdere jaren wanneer zich geen wezenlijke wijzigingen voordoen. Daardoor
wordt voorkomen dat jaarlijks hetzelfde waarderingsgeschil terugkeert.
De wetgever moet
vooraf een uitvoeringstoets, doenvermogentoets, doenlijkheidstoets voor
ondernemingen, privacytoets en handhaafbaarheidstoets laten uitvoeren. De
benodigde ICT en personele capaciteit moeten vóór invoering beschikbaar zijn.
De problemen rond box 3 tonen dat fiscale hervormingen niet verantwoord zijn
wanneer de uitvoering afhankelijk wordt gemaakt van systemen die nog niet
operationeel zijn. De tegenbewijsregeling en de overgang naar werkelijk
rendement leggen volgens de overheid aanzienlijke lasten op aan zowel
belastingplichtigen als de Belastingdienst.
Een invoering
zonder betrouwbare gegevens over niet-beursgenoteerde ondernemingen,
buitenlandse vermogens en schulden zou daarom onverantwoord zijn. De belasting
moet pas ingaan nadat ten minste twee volledige proefjaren met
gegevensaanlevering en waarderingssimulaties zijn doorlopen.
Overgangsrecht:
voorzienbaarheid en geleidelijke invoering
Een nieuwe
jaarlijkse vermogensbelasting verandert de fiscale behandeling van bestaande
vermogensposities. Hoewel belastingplichtigen geen recht hebben op onbeperkte
voortzetting van het bestaande belastingregime, verlangt het rechtszekerheidsbeginsel
dat zij voldoende tijd krijgen om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden.
De wet moet ten
minste twee jaar vóór de eerste heffingsdatum zijn gepubliceerd. In het eerste
jaar kan worden gewerkt met een aangifte- en registratieplicht zonder volledige
heffing. Dit zogenoemde schaduwjaar maakt het mogelijk waarderingsproblemen, gegevenshiaten
en uitvoeringsfouten te identificeren voordat financiële verplichtingen
ontstaan.
De tarieven
kunnen vervolgens in drie stappen worden ingevoerd. Bijvoorbeeld 50% van het
uiteindelijke tarief in het eerste heffingsjaar, 75% in het tweede en 100%
vanaf het derde jaar. Deze gefaseerde invoering beperkt schokeffecten en maakt
evaluatie mogelijk.
Voor reeds
bestaande ondernemingsstructuren moet geen onbeperkt eerbiedigend recht gelden.
Dat zou willekeurige verschillen tussen oud en nieuw vermogen creëren en de
grondslag langdurig uithollen. Wel kunnen belastingplichtigen een redelijke
termijn krijgen om gegevens te verzamelen, waarderingen te laten uitvoeren en
niet-zakelijke vermogensbestanddelen te ontvlechten.
Terugwerkende
kracht moet worden vermeden. Alleen specifieke
anti-aankondigingseffectmaatregelen kunnen vanaf het moment van officiële
bekendmaking van het wetsvoornemen gelden, mits zij nauwkeurig zijn begrensd en
nodig zijn om evidente ontwijking tussen aankondiging en inwerkingtreding te
voorkomen.
Na drie jaar
moet een wettelijke evaluatie plaatsvinden. Daarbij moeten ten minste de
opbrengst, uitvoeringskosten, kapitaal- en migratie-effecten, investeringen,
belastingontwijking, verdelingseffecten en samenloop met box 3 en de
erfbelasting worden onderzocht. De evaluatie moet voorzien in automatische
heroverweging van uitzonderingen en faciliteiten. Tijdelijke faciliteiten
vervallen tenzij hun noodzaak opnieuw overtuigend wordt aangetoond.
Bestemming van de opbrengst
Hoewel
belastingopbrengsten juridisch doorgaans niet geoormerkt hoeven te worden,
versterkt een herkenbare bestemming de normatieve en democratische
legitimiteit. De opbrengst kan worden gebruikt voor een verlaging van de
belasting op lage en middeninkomens uit arbeid, investeringen in onderwijs en
woningbouw en versterking van de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst.
Een directe
koppeling aan lagere lasten op arbeid maakt zichtbaar dat het niet gaat om een
geïsoleerde lastenverzwaring, maar om een verschuiving van de fiscale mix. Wie
via arbeid inkomen verwerft, wordt relatief ontzien; wie beschikt over een
uitzonderlijk groot vermogen, levert een aanvullende bijdrage aan de
instituties die de bescherming en groei van dat vermogen mede mogelijk maken.
Juridische motivering van het
wetsvoorstel
De memorie van
toelichting moet veel verder gaan dan een algemene verwijzing naar draagkracht
of ongelijkheid. Zij moet ten minste bevatten:
·
actuele gegevens over de Nederlandse
vermogensverdeling;
·
de verhouding tussen belasting op arbeid,
kapitaalinkomen, bezit en overdracht;
·
een analyse van alternatieven, waaronder
versterking van box 3, kapitaalwinstbelasting en erfbelasting;
·
een motivering waarom een aanvullende
nettovermogensbelasting noodzakelijk en geschikt is;
·
een onderbouwing van vrijstellingen,
schijfgrenzen en tarieven;
·
een analyse van de behandeling van actief en
passief vermogen;
·
berekeningen van de cumulatieve last bij
verschillende rendementen;
·
een afzonderlijke toets aan artikel 1 EP EVRM,
artikel 14 EVRM, het EU-Handvest en het vrije kapitaalverkeer;
·
een beoordeling van individuele buitensporige
lasten;
·
de uitvoeringstoets en de resultaten van
consultatie met ondernemingen, werknemersorganisaties, belastingadviseurs en
maatschappelijke organisaties.
Breng vooraf in
kaart welke groepen worden geraakt, formuleer het algemeen belang scherp,
onderbouw geschiktheid en proportionaliteit, onderzoek minder belastende
alternatieven en neem waar nodig een veiligheidsventiel en overgangsregeling
op.
Conclusie
Een Nederlandse
progressieve vermogensbelasting kan juridisch, economisch en normatief houdbaar
worden vormgegeven, maar alleen wanneer zij scherp wordt gericht op zeer grote
nettovermogens en onderdeel vormt van een samenhangende belastingmix. De kern behoort
te bestaan uit een hoge heffingsvrije voet, gematigde progressieve tarieven,
een brede grondslag, marktconforme waardering en beperkte uitzonderingen.
Actief
ondernemingsvermogen moet niet volledig worden vrijgesteld. Gerichte
waarderingsfaciliteiten en uitstel van betaling zijn beter verdedigbaar dan
categorische uitzonderingen. Passief vermogen, economische rente en
beleggingsvermogen behoren ongeacht hun juridische verpakking zo veel mogelijk
gelijk te worden behandeld. Liquiditeitsproblemen moeten worden opgelost door
gespreide of uitgestelde invordering, niet door permanente uitsluiting van
grote vermogens uit de grondslag.
De belangrijkste
les van box 3 is dat eenvoud niet mag worden gezocht in ficties die structureel
van de werkelijkheid afwijken. De eenvoud van een nieuwe vermogensbelasting
moet juist voortkomen uit een hoge drempel, een beperkte doelgroep, vooraf
ingevulde gegevens en consistente waarderingsregels. Alleen zo ontstaat een
stelsel dat niet uitsluitend op papier rechtvaardig is, maar ook in de
uitvoering transparant, corrigeerbaar en rechtsstatelijk betrouwbaar blijft.
Lees hier het
volledige onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat:

Reacties
Een reactie posten