Belast grote vermogens nu — maar maak niet opnieuw de fouten van box 3

 

Progressieve vermogensbelasting

1 Waarom een vermogensbelasting?

De vraag of een samenleving een afzonderlijke belasting op vermogen zou moeten kennen, behoort tot de meest fundamentele vraagstukken van het hedendaagse belastingrecht. Voorstanders benadrukken dat vermogen een belangrijke bron vormt van economische macht, maatschappelijke invloed en intergenerationele ongelijkheid. Tegenstanders wijzen op risico's voor investeringen, ondernemerschap, kapitaalvlucht en economische groei. Het debat gaat daarmee over veel meer dan de vraag of vermogenden meer belasting zouden moeten betalen. In essentie draait het om de rol die vermogen behoort te spelen binnen een democratische rechtsstaat en om de vraag welke institutionele voorwaarden noodzakelijk zijn om economische dynamiek, gelijke kansen en democratische legitimiteit duurzaam met elkaar te verbinden.

Vanuit het perspectief van het mens- en samenlevingswordingsmodel is vermogen geen doel op zichzelf, maar een institutionele hulpbron. Vermogen vergroot de handelingsvrijheid van individuen, maakt investeringen mogelijk, stimuleert ondernemerschap en biedt financiële zekerheid gedurende verschillende fasen van het leven. Tegelijkertijd kan een sterke concentratie van vermogen leiden tot structurele verschillen in maatschappelijke invloed, toegang tot kansen en politieke macht. Een vermogensbelasting moet daarom niet worden beoordeeld vanuit een eenvoudige tegenstelling tussen herverdeling en economische vrijheid, maar vanuit de bredere vraag hoe instituties kunnen bijdragen aan een evenwicht tussen autonomie, gelijkwaardigheid, economische ontwikkeling en democratische corrigeerbaarheid.

Economische rente als zelfstandige belastinggrondslag

Naast regulier inkomen uit vermogen kent de economie een bijzondere categorie opbrengsten die in de economische literatuur wordt aangeduid als economische rente. Het gaat daarbij om inkomsten die niet of slechts gedeeltelijk voortvloeien uit extra arbeid, ondernemerschap, innovatie of productieve investeringen, maar uit schaarste, exclusieve rechten, marktmacht of publieke omstandigheden. Juist omdat deze opbrengsten in belangrijke mate institutioneel of maatschappelijk worden gecreëerd, vormen zij een zelfstandige grondslag voor belastingheffing. Voorbeelden hiervan zijn:

 

Vorm

Omschrijving

Voorbeelden

Grondrente

waardestijging door schaarste of publieke investeringen

bouwgrond, stationslocaties

Locatierente

voordeel door vestigingsplaats

binnenstad Amsterdam

Schaarsterente

opbrengst door beperkte beschikbaarheid

vergunningen, spectrum

Monopolierente

overwinst door marktmacht

digitale platforms

Economische rente uit intellectueel eigendom

exclusieve patenten of auteursrechten

farmacie

Publieke waardestijging

waardesprong door overheid

nieuwe metro, snelweg

Overwinst

uitzonderlijk rendement boven normaal marktrendement

natuurlijke monopolies

 

Al deze vormen van economische rente hebben gemeen dat zij slechts gedeeltelijk het gevolg zijn van individuele verdiensten. Zij ontstaan mede doordat de samenleving schaarste creëert, eigendomsrechten beschermt, infrastructuur aanlegt, markten ordent of concurrentie beperkt. Daardoor vertegenwoordigen zij een andere categorie economische opbrengsten dan inkomen uit arbeid of normaal ondernemingsrendement.

Vanuit Rawls bezien is belastingheffing op economische rente gerechtvaardigd omdat deze opbrengsten niet uitsluitend voortkomen uit persoonlijke inspanning, maar mede uit de institutionele inrichting van de samenleving. Piketty laat zien dat economische rente een steeds groter aandeel vormt van hoge vermogensinkomens. Niet alleen ondernemerschap, maar ook bestaande vermogens, marktmacht en schaarste leiden tot structurele vermogensgroei.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel verdient economische rente bijzondere aandacht omdat zij niet alleen economische ongelijkheid vergroot, maar ook de concentratie van maatschappelijke macht kan versterken. Belastingheffing op economische rente is daarom niet uitsluitend een instrument om inkomsten te verwerven, maar tevens een institutioneel mechanisme om te voorkomen dat voordelen die grotendeels maatschappelijk zijn ontstaan zich onbeperkt privaat accumuleren.

In het voorgestelde belastingstelsel vormt de belasting op werkelijk kapitaalinkomen daarom de primaire heffing op reguliere vermogensinkomsten. Voor economische rente kan daarnaast, afhankelijk van de aard van de opbrengst, een aanvullende belasting of beperking van bestaande fiscale faciliteiten gerechtvaardigd zijn. De aanvullende vermogensbelasting vervult vervolgens een andere functie: niet het belasten van rendement, maar het begrenzen van uitzonderlijke vermogens- en machtsconcentraties.

Rawls: een brede spreiding van productief vermogen

Hoewel John Rawls nergens een uitgewerkt stelsel van vermogensbelasting presenteert, vormt de spreiding van eigendom een centraal element van zijn theorie van rechtvaardigheid. In A Theory of Justice (1971) en vooral in Justice as Fairness: A Restatement (2001) maakt hij duidelijk dat een rechtvaardige samenleving niet uitsluitend wordt gekenmerkt door inkomensherverdeling achteraf, maar vooral door een rechtvaardige inrichting van de institutionele basisstructuur vooraf.

Rawls onderscheidt daarbij nadrukkelijk de property-owning democracy van de klassieke verzorgingsstaat. Een verzorgingsstaat corrigeert inkomensverschillen voornamelijk nadat deze zijn ontstaan, via belastingen, uitkeringen en sociale voorzieningen. Een property-owning democracy probeert juist te voorkomen dat economische macht zich duurzaam concentreert. Niet alleen inkomen, maar vooral productief vermogen dient breed over de bevolking te worden verspreid, zodat burgers daadwerkelijk als vrije en onafhankelijke deelnemers aan de samenleving kunnen functioneren.

De normatieve achtergrond hiervan ligt in Rawls' twee rechtvaardigheidsbeginselen. Het eerste beginsel beschermt de fundamentele vrijheden van iedere burger. Het tweede beginsel – bestaande uit eerlijke kansengelijkheid en het verschilbeginsel – verlangt dat maatschappelijke instituties zodanig zijn ingericht dat ongelijkheden uitsluitend worden geaccepteerd wanneer zij ook de positie van de minst bevoordeelden verbeteren.

Vanuit deze benadering is niet zozeer de omvang van individuele vermogens doorslaggevend, maar de invloed die vermogensconcentratie heeft op de institutionele voorwaarden waaronder vrijheid en gelijke kansen kunnen worden gerealiseerd. Wanneer een klein deel van de bevolking een groot deel van het productieve vermogen bezit, ontstaan structurele verschillen in economische macht, toegang tot investeringen, onderwijs, ondernemerschap en politieke invloed. De maatschappelijke uitgangspositie van burgers wordt dan steeds sterker bepaald door bezit en afkomst in plaats van door talent, inspanning en ondernemerschap. Dat staat op gespannen voet met de eis van eerlijke kansengelijkheid.

De vermogensbelasting geeft institutioneel uitdrukking aan het uitgangspunt dat duurzame economische macht mede maatschappelijke verantwoordelijkheid met zich brengt.

Rawls beschouwt een belasting op grote vermogens daarom niet als een doel op zichzelf, maar als één van de instrumenten waarmee de brede spreiding van productieve hulpbronnen kan worden bevorderd. Daarbij gaat het niet om nivellering of het ontmoedigen van ondernemerschap. Integendeel, Rawls erkent expliciet dat ondernemerschap, innovatie en investeringen belangrijke maatschappelijke functies vervullen en dat economische prikkels noodzakelijk zijn voor een dynamische economie. De normatieve vraag is echter of economische verschillen bijdragen aan een samenleving waarin iedere burger daadwerkelijk over voldoende materiële onafhankelijkheid beschikt om zijn fundamentele vrijheden uit te oefenen.

Piketty: vermogen als bron van cumulatieve macht

Waar Rawls vertrekt vanuit een normatieve theorie van rechtvaardigheid, baseert Thomas Piketty zijn analyse op historische en empirische gegevens over de ontwikkeling van inkomen en vermogen gedurende de afgelopen twee eeuwen. Zijn centrale conclusie is dat moderne markteconomieën zonder institutionele correctie een sterke neiging hebben tot vermogensconcentratie. Het inmiddels bekende mechanisme r > g – het structureel hogere rendement op vermogen dan de economische groei – vormt daarvan de kern.

Volgens Piketty onderscheidt vermogen zich fundamenteel van arbeidsinkomen doordat het zichzelf kan reproduceren. Vermogens genereren rente, dividend, huurinkomsten en koerswinsten, die opnieuw kunnen worden geïnvesteerd en daardoor nieuw vermogen voortbrengen. Hierdoor ontstaat een cumulatief proces waarin bestaande vermogens steeds sneller groeien dan nieuwe vermogens via arbeid kunnen worden opgebouwd.

Het probleem is volgens Piketty niet dat individuen rijk worden, maar dat grote vermogens zich over generaties blijven concentreren en daardoor geleidelijk de economische en politieke machtsverhoudingen beïnvloeden. Vermogen verschaft immers niet alleen financiële zekerheid, maar ook toegang tot investeringen, ondernemerschap, hoogwaardige opleidingen, juridische expertise, media, politieke lobby en maatschappelijke netwerken. Naarmate deze vermogens zich concentreren, neemt ook de mogelijkheid toe om economische én politieke besluitvorming te beïnvloeden.

Vanuit deze analyse vervult een progressieve vermogensbelasting drie functies. Allereerst remt zij de voortdurende accumulatie van zeer grote vermogens af. Daarnaast vergroot zij de transparantie over eigendomsstructuren, doordat omvangrijke vermogens zichtbaar moeten worden gemaakt. Ten slotte beschermt zij volgens Piketty de democratie door te voorkomen dat economische macht zich onbeperkt kan ontwikkelen tot politieke macht.

Opvallend is dat Piketty niet pleit voor een uniforme belasting op alle vermogens. Zijn aandacht richt zich vooral op de hoogste vermogenspercentielen, waar de concentratie van vermogen het sterkst toeneemt. Kleine vermogens die bijdragen aan financiële zekerheid, pensioenopbouw of beperkte vermogensvorming vormen niet de kern van zijn analyse. Zijn normatieve zorg betreft juist de omvangrijke vermogens die zich grotendeels autonoom blijven reproduceren.

De economische literatuur: tussen efficiëntie en rechtvaardigheid

Ook binnen de economische wetenschap is de aandacht voor vermogensbelasting de afgelopen decennia aanzienlijk toegenomen. Waar oudere economische literatuur vaak sterk de nadruk legde op de verstorende werking van belastingen, is de hedendaagse literatuur aanzienlijk genuanceerder geworden. Steeds vaker wordt erkend dat de economische effecten van belastingheffing sterk afhangen van de gekozen belastinggrondslag, de vormgeving van het stelsel en de aard van het belaste vermogen.

De OECD wijst er in verschillende studies op dat belastingen op vermogen economisch minder verstorend kunnen zijn dan hoge belastingen op arbeid, mits zij zorgvuldig worden vormgegeven. Vooral belastingen op economisch passief vermogen, op grondrente, op omvangrijke nalatenschappen en op niet-productieve vermogenswinsten kunnen volgens de OECD bijdragen aan zowel economische efficiëntie als een eerlijkere verdeling van kansen. Tegelijkertijd waarschuwt de organisatie voor slecht ontworpen vermogensbelastingen die leiden tot dubbele belasting, hoge uitvoeringskosten of kapitaalvlucht. De nadruk ligt daarom op een brede grondslag, beperkte uitzonderingen, goede internationale informatie-uitwisseling en een effectieve bestrijding van belastingontwijking.

Ook het Internationaal Monetair Fonds (IMF) heeft na de financiële crisis steeds nadrukkelijker gewezen op de maatschappelijke gevolgen van toenemende vermogensongelijkheid. Volgens het IMF kan een gematigde progressieve belasting op grote vermogens bijdragen aan een stabielere economische ontwikkeling, juist doordat extreme vermogensconcentraties worden beperkt. Het Fonds benadrukt bovendien dat grote ongelijkheid niet alleen sociale gevolgen heeft, maar ook economische risico's met zich brengt, zoals lagere sociale mobiliteit, afnemende investeringen in menselijk kapitaal en een grotere kwetsbaarheid voor financiële instabiliteit. Tegelijkertijd onderstreept het IMF dat belastingheffing rekening moet houden met internationale concurrentie en mobiliteit van kapitaal. Internationale samenwerking en transparantie zijn daarom essentieel om ontwijking en verplaatsing van vermogen te beperken.

Een vergelijkbare benadering is terug te vinden in de invloedrijke Mirrlees Review, een omvangrijke evaluatie van het Britse belastingstelsel onder leiding van Nobelprijswinnaar James Mirrlees. De Review vertrekt vanuit het uitgangspunt dat belastingheffing zoveel mogelijk neutraal moet zijn en economische beslissingen niet onnodig mag verstoren. Daarbij wordt echter expliciet erkend dat verschillende vormen van vermogen ook verschillende economische functies vervullen. Productieve investeringen die bijdragen aan innovatie en economische groei verdienen een andere behandeling dan economische renten of vermogenswinsten die grotendeels voortkomen uit schaarste, monopoliemacht of waardestijgingen van bestaande activa.

De Mirrlees Review pleit daarom niet voor een generieke belasting op alle vermogens, maar voor een belastingstelsel waarin verschillende vormen van kapitaalinkomen op consistente wijze worden behandeld en waarin economische renten zwaarder kunnen worden belast dan productieve investeringen. Daarmee sluit de economische analyse opmerkelijk goed aan bij het onderscheid dat eerder is gemaakt tussen actief en passief vermogen.

Synthese: een vermogensbelasting als institutioneel instrument

Wanneer de inzichten van Rawls, Piketty en de moderne economische literatuur naast elkaar worden gelegd, ontstaat een opmerkelijke convergentie. Geen van deze benaderingen pleit voor een vermogensbelasting als doel op zichzelf. Evenmin wordt gestreefd naar volledige economische gelijkheid of naar een ontmoediging van ondernemerschap en investeringen. De centrale vraag is telkens hoe economische instituties kunnen worden ingericht zodat zij zowel economische dynamiek als maatschappelijke rechtvaardigheid bevorderen.

Daaruit volgt dat een vermogensbelasting slechts gerechtvaardigd is wanneer zij een duidelijk institutioneel doel dient. Dat doel bestaat niet uit het bestraffen van rijkdom, maar uit het voorkomen dat economische macht zich duurzaam concentreert en daardoor gelijke kansen, democratische gelijkheid en sociale mobiliteit ondermijnt. Tegelijkertijd mag een vermogensbelasting niet zodanig worden vormgegeven dat zij productieve investeringen, innovatie en ondernemerschap onnodig belemmert. Juist daarom is differentiatie tussen verschillende vormen van vermogen essentieel.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel kan deze synthese verder worden verdiept. Vermogen vertegenwoordigt immers verschillende maatschappelijke functies. Actief ondernemingsvermogen draagt bij aan innovatie, werkgelegenheid en economische ontwikkeling. Passief vermogen kan daarentegen grotendeels groeien zonder een vergelijkbare maatschappelijke bijdrage te leveren en kan leiden tot structurele concentraties van economische en politieke macht. Een rechtvaardige vermogensbelasting behoort deze verschillen te erkennen. Niet de omvang van het vermogen is uiteindelijk beslissend, maar de bijdrage die het vermogen levert aan menselijke ontwikkeling, maatschappelijke waardecreatie en de democratische kwaliteit van de samenleving. Daarmee wordt een vermogensbelasting niet slechts een fiscaal instrument, maar een onderdeel van de institutionele architectuur die de voorwaarden schept voor autonomie, gelijkwaardigheid, ondernemerschap en corrigeerbaarheid binnen een democratische rechtsstaat.

2 Actief versus passief vermogen

Een van de grootste zwaktes van het huidige debat over vermogensbelasting is dat vermogen vaak wordt behandeld alsof het één homogene categorie vormt. Zowel in het politieke als in het fiscale debat wordt gesproken over "vermogen" alsof iedere euro kapitaal dezelfde economische functie, dezelfde maatschappelijke betekenis en dezelfde rechtvaardiging heeft. Dat uitgangspunt is echter onjuist. Vermogen kent zeer verschillende verschijningsvormen, die uiteenlopende bijdragen leveren aan economische ontwikkeling, innovatie, werkgelegenheid en maatschappelijke welvaart. Een rechtvaardig belastingstelsel dient deze verschillen expliciet te erkennen.

Vanuit het perspectief van Rawls, Piketty én het mens- en samenlevingswordingsmodel is daarom niet zozeer de omvang van het vermogen doorslaggevend, maar de functie die het vermogen binnen de samenleving vervult. Anders gezegd: niet ieder vermogen verdient dezelfde fiscale behandeling. Een belastingstelsel dat alle vermogensbestanddelen op identieke wijze belast, miskent de uiteenlopende maatschappelijke effecten van verschillende vormen van kapitaal. Omgekeerd leidt een stelsel met te veel uitzonderingen tot complexiteit, belastingontwijking en verlies aan legitimiteit. De uitdaging ligt daarom in het ontwikkelen van een fiscale systematiek die onderscheid maakt tussen vermogen dat maatschappelijke waarde creëert en vermogen dat voornamelijk bestaande machtsposities versterkt.

Actief ondernemingsvermogen: kapitaal dat maatschappelijke waarde creëert

De eerste categorie betreft het actieve ondernemingsvermogen. Hieronder valt vermogen dat daadwerkelijk wordt ingezet voor economische productie, innovatie, ondernemerschap en werkgelegenheid. Het gaat bijvoorbeeld om kapitaal dat wordt geïnvesteerd in fabrieken, machines, onderzoek en ontwikkeling, digitalisering, duurzame energie, nieuwe producten of de uitbreiding van ondernemingen. Dergelijk vermogen is risicodragend. Ondernemers investeren eigen middelen, lopen aanzienlijke financiële risico's en creëren tegelijkertijd economische activiteit waarvan ook werknemers, leveranciers, consumenten en de samenleving als geheel profiteren.

Vanuit economisch perspectief vormt ondernemingsvermogen een belangrijke motor van productiviteitsgroei. Innovatie, technologische vooruitgang en economische ontwikkeling zijn in belangrijke mate afhankelijk van investeringen in productief kapitaal. Ook Rawls erkent impliciet deze functie. Zijn verschilbeginsel laat ruimte voor aanzienlijke economische ongelijkheid wanneer deze uiteindelijk leidt tot hogere werkgelegenheid, grotere welvaart en betere kansen voor de minst bevoorrechten. Ondernemerschap kan juist een belangrijke bijdrage leveren aan deze maatschappelijke ontwikkeling.

Piketty onderschrijft evenmin dat productief ondernemerschap moet worden ontmoedigd. Zijn kritiek richt zich niet op ondernemers die door innovatie en investeringen waarde creëren, maar op de structurele accumulatie van vermogen die losraakt van nieuwe economische prestaties. Vanuit zijn analyse is juist het onderscheid tussen productief ondernemerschap en passieve vermogensgroei essentieel.

Daaruit volgt dat actief ondernemingsvermogen fiscaal een andere behandeling kan rechtvaardigen dan zuiver passief vermogen. Dat betekent niet noodzakelijk een volledige vrijstelling, maar wel een systeem waarin rekening wordt gehouden met de economische functie van productieve investeringen, de continuïteit van ondernemingen en de risico's die ondernemers dragen.

Familiebedrijven: continuïteit versus vermogensconcentratie

Binnen het ondernemingsvermogen nemen familiebedrijven een bijzondere positie in. Familiebedrijven vormen een belangrijk onderdeel van de Nederlandse economie. Zij kenmerken zich vaak door een lange investeringshorizon, sterke regionale verankering, relatief stabiele werkgelegenheid en een nauwe betrokkenheid van de eigenaar bij de onderneming. Juist deze kenmerken kunnen een lichtere fiscale behandeling van ondernemingsvermogen rechtvaardigen, met name bij bedrijfsopvolging.

Tegelijkertijd mag het begrip familiebedrijf geen vrijbrief worden voor onbeperkte vermogensoverdracht. In de praktijk kunnen ook zeer omvangrijke ondernemingsvermogens onder het label familiebedrijf vallen, terwijl zij economisch nauwelijks verschillen van andere grote ondernemingen. Een generieke vrijstelling voor ondernemingsvermogen kan daardoor leiden tot aanzienlijke belastingbesparingen die weinig verband houden met de continuïteit van de onderneming.

Een rechtvaardig belastingstelsel zou daarom onderscheid moeten maken tussen de economische functie van de onderneming en de omvang van het onderliggende vermogen. Faciliteiten voor bedrijfsopvolging zijn vooral gerechtvaardigd wanneer zij daadwerkelijk bijdragen aan de voortzetting van een levensvatbare onderneming, het behoud van werkgelegenheid en de continuïteit van economische activiteiten. Daarentegen is een onbeperkte vrijstelling voor zeer omvangrijke ondernemingsvermogens moeilijker te rechtvaardigen wanneer zij hoofdzakelijk leidt tot intergenerationele vermogensconcentratie.

Beleggingsvermogen: de grens tussen investeren en rentenierschap

Een tweede categorie betreft het beleggingsvermogen. Hieronder vallen financiële beleggingen zoals obligaties, aandelenportefeuilles, beleggingsfondsen en andere financiële activa die primair worden aangehouden om rendement te behalen. Beleggingsvermogen vervult eveneens een economische functie. Via financiële markten wordt kapitaal beschikbaar gesteld aan ondernemingen, overheden en andere instellingen. Goed functionerende kapitaalmarkten zijn essentieel voor economische groei.

Niet iedere belegging draagt echter in gelijke mate bij aan nieuwe economische activiteit. Een belangrijk deel van de handel op secundaire financiële markten betreft de overdracht van reeds bestaande effecten tussen beleggers. Daarbij wordt geen nieuw kapitaal aan ondernemingen verstrekt, maar wisselen bestaande eigendomsrechten van eigenaar. Vanuit maatschappelijk perspectief verschilt deze activiteit van directe investeringen in nieuwe productieve capaciteit.

Voor de fiscale beoordeling is daarom van belang in hoeverre het rendement voortvloeit uit nieuwe economische waardecreatie of voornamelijk uit bestaande marktontwikkelingen. Naarmate een beleggingsportefeuille omvangrijker wordt en grotendeels autonoom rendement genereert zonder actieve betrokkenheid bij ondernemerschap, neemt de rechtvaardiging toe om dergelijke vermogens anders te behandelen dan risicodragend ondernemingsvermogen.

Vastgoed: productief bezit of schaarsterente?

De maatschappelijke beoordeling van vastgoed vraagt eveneens om differentiatie. Vastgoed vervult onmiskenbaar belangrijke economische en sociale functies. Woningen voorzien in een fundamentele levensbehoefte. Bedrijfspanden maken economische activiteit mogelijk en investeringen in vastgoed kunnen bijdragen aan stedelijke ontwikkeling en verduurzaming.

Tegelijkertijd kent vastgoed een bijzondere eigenschap. Waardestijgingen ontstaan vaak niet uitsluitend door investeringen van de eigenaar, maar ook door maatschappelijke ontwikkelingen zoals bevolkingsgroei, schaarste, infrastructurele investeringen, bestemmingswijzigingen of economische groei van een regio. Een aanzienlijk deel van de vermogensgroei in vastgoed kan daardoor worden beschouwd als economische rente: inkomen dat niet voortvloeit uit nieuwe productie, maar uit schaarste of collectieve investeringen.

Juist op de Nederlandse woningmarkt is deze dynamiek duidelijk zichtbaar. De sterke stijging van woningprijzen gedurende de afgelopen decennia heeft bestaande woningbezitters aanzienlijke vermogenswinsten opgeleverd, terwijl jonge generaties steeds moeilijker toegang kregen tot de koopmarkt. Deze vermogensgroei was slechts ten dele het gevolg van individuele investeringen en werd in belangrijke mate veroorzaakt door maatschappelijke factoren zoals ruimtelijke schaarste, lage rente en beperkte woningbouw.

Vanuit zowel Rawls als Piketty rechtvaardigt dit een onderscheid tussen de gezinswoning als onderdeel van bestaanszekerheid enerzijds en omvangrijke vastgoedportefeuilles die hoofdzakelijk rendement genereren uit schaarste anderzijds.

Aandelen: ondernemerschap en passief aandeelhouderschap

Ook aandelen vertegenwoordigen uiteenlopende economische functies. De oprichter van een innovatieve onderneming die een groot aandelenpakket bezit, vervult een andere maatschappelijke rol dan een institutionele belegger die een gediversifieerde portefeuille aanhoudt of een vermogende particulier die voornamelijk profiteert van koerswinsten.

Bij actieve ondernemers vormen aandelen veelal de beloning voor ondernemingsrisico en innovatie. Bij passieve beleggers vertegenwoordigen aandelen daarentegen vooral een financieel beleggingsinstrument. Vanuit het perspectief van een rechtvaardig belastingstelsel ligt het daarom voor de hand rekening te houden met de mate waarin aandeelhouderschap samenhangt met daadwerkelijk ondernemerschap of voornamelijk een vorm van vermogensbeheer vormt.

Private equity: waardecreatie of financiële optimalisatie?

Een bijzondere categorie wordt gevormd door private equity. Private-equityfondsen investeren vaak in ondernemingen met als doel deze efficiënter te maken, te laten groeien of te herstructureren. Deze activiteiten kunnen aanzienlijke economische waarde creëren. Professioneel management, betere governance en strategische investeringen kunnen ondernemingen daadwerkelijk versterken.

Tegelijkertijd is er in de economische literatuur ook kritiek op bepaalde vormen van private equity. Sommige fondsen realiseren hun rendement voornamelijk door hoge schuldfinanciering, agressieve kostenbesparingen, fiscale optimalisatie of het uitkeren van grote dividenden zonder duurzame waardecreatie. De maatschappelijke effecten verschillen daarom sterk tussen fondsen en transacties.

Een rechtvaardig belastingstelsel zou ook hier niet moeten uitgaan van juridische labels, maar van de economische werkelijkheid. Private equity die aantoonbaar bijdraagt aan innovatie, productiviteit en duurzame groei verdient een andere fiscale beoordeling dan structuren die voornamelijk gericht zijn op financiële arbitrage of belastingbesparing.

Economische rente: de sterkste rechtvaardiging voor belastingheffing

De sterkste rechtvaardiging voor een vermogensbelasting ligt uiteindelijk bij wat economen economische rente noemen. Economische rente betreft opbrengsten die niet of nauwelijks voortkomen uit extra productieve inspanningen, maar uit schaarste, monopolieposities, exclusieve rechten, natuurlijke hulpbronnen, bestemmingswijzigingen of andere institutionele voordelen.

Klassieke voorbeelden zijn grondrente, monopoliewinsten, uitzonderlijke waardestijgingen van schaarse vastgoedlocaties of economische voordelen die voortvloeien uit wettelijke bescherming van marktmacht. Anders dan winst uit ondernemerschap ontstaat economische rente grotendeels zonder aanvullende maatschappelijke waardecreatie.

Juist daarom bestaat hiervoor binnen de economische wetenschap relatief brede consensus dat belastingheffing minder verstorend werkt dan belastingen op arbeid of productieve investeringen. De OECD, de Mirrlees Review en tal van andere economische studies wijzen erop dat belastingen op economische rente doorgaans minder negatieve effecten hebben op investeringen en economische groei, omdat zij opbrengsten belasten die ook zonder de belasting grotendeels zouden zijn gerealiseerd.

Vanuit Rawls is economische rente moeilijk te rechtvaardigen wanneer zij leidt tot structurele verschillen in maatschappelijke kansen zonder dat daar een vergelijkbare bijdrage aan de samenleving tegenover staat. Vanuit Piketty vormt economische rente één van de belangrijkste mechanismen waardoor vermogens zich autonoom blijven concentreren. Het mens- en samenlevingswordingsmodel voegt daaraan toe dat economische rente de ontwikkeling van autonomie, gelijkwaardigheid en corrigeerbaarheid kan ondermijnen wanneer zij uitgroeit tot een structurele bron van maatschappelijke dominantie.

Samenloop van vermogensbelasting en belasting op werkelijk rendement

Op het eerste gezicht kan de combinatie van een belasting op werkelijk rendement en een belasting op zeer grote nettovermogens de indruk wekken dat hetzelfde vermogen tweemaal wordt belast. Een dergelijke cumulatie zou spanning kunnen opleveren met het uitgangspunt van evenwichtige belastingheffing en zou de economische legitimiteit van het voorgestelde stelsel kunnen ondergraven. Daarom is het van belang beide belastingen vanuit hun onderscheiden institutionele functies te bezien.

De belasting op werkelijk rendement vormt binnen het voorgestelde stelsel de primaire heffing op kapitaalinkomen. Zij sluit aan bij het algemene uitgangspunt dat economische draagkracht in beginsel wordt belast wanneer deze zich daadwerkelijk manifesteert in de vorm van inkomen of vermogensgroei. Net zoals loonbelasting het inkomen uit arbeid belast, belast deze heffing het inkomen uit vermogen. Vanuit het draagkrachtbeginsel ligt deze belasting daarom voor de hand.

De aanvullende vermogensbelasting heeft een andere rechtvaardigingsgrond. Zij is niet primair gericht op het belasten van inkomen, maar op de maatschappelijke gevolgen van zeer omvangrijke vermogensconcentraties. Naarmate vermogens uitzonderlijk groot worden, vertegenwoordigen zij niet alleen economische draagkracht, maar ook een concentratie van economische en politieke macht. Grote vermogens verschaffen toegang tot investeringsmogelijkheden, invloed op financiële markten, media, lobbyactiviteiten en andere vormen van maatschappelijke machtsuitoefening. De vermogensbelasting vervult daarom niet uitsluitend een budgettaire functie, maar ook een institutionele functie: zij begrenst de structurele accumulatie van economische macht en draagt bij aan een bredere spreiding van productief vermogen binnen de samenleving.

Vanuit deze benadering vervullen beide belastingen dus verschillende functies binnen de fiscale architectuur. De belasting op werkelijk rendement waarborgt een evenwichtige belasting van inkomensvorming uit kapitaal, terwijl de vermogensbelasting een correctiemechanisme vormt voor uitzonderlijke vermogensconcentraties die de gelijkwaardigheid van burgers en de democratische rechtsstaat kunnen ondermijnen.

Dat neemt niet weg dat samenloop zorgvuldig moet worden vormgegeven. Om een onevenredige cumulatie van belastingdruk te voorkomen verdient het aanbeveling beide belastingen gedeeltelijk met elkaar te verbinden. Daarbij kan worden gedacht aan een verrekeningsregeling waarbij betaalde belasting over werkelijk rendement geheel of gedeeltelijk wordt verrekend met de verschuldigde vermogensbelasting, of omgekeerd. Een dergelijke regeling voorkomt dat hetzelfde economische draagkrachtaspect disproportioneel wordt belast, terwijl de onderscheiden functies van beide belastingen behouden blijven.

Daarnaast verdient een liquiditeitswaarborg aanbeveling. Vermogens bestaan immers niet uitsluitend uit liquide financiële activa, maar kunnen ook zijn belegd in ondernemingen, landbouwgronden, vastgoed of andere moeilijk verhandelbare bezittingen. Wanneer een belastingplichtige tijdelijk onvoldoende liquide middelen heeft om de verschuldigde belasting te voldoen, kan onder voorwaarden uitstel van betaling of gespreide invordering worden verleend. Daarmee wordt voorkomen dat belastingplichtigen uitsluitend om fiscale redenen productieve activa moeten verkopen.

Ten slotte ligt het voor de hand een maximumdrukregeling op te nemen voor uitzonderlijke situaties waarin de gecombineerde belasting op werkelijk rendement en vermogen, mede als gevolg van tijdelijke waardedalingen of verliesjaren, tot een onevenredig zware belastingdruk zou leiden. Een dergelijke regeling sluit aan bij het draagkrachtbeginsel en versterkt de evenredigheid van het stelsel zonder afbreuk te doen aan de onderliggende doelstellingen van fiscale rechtvaardigheid.

De combinatie van een belasting op werkelijk rendement en een beperkte aanvullende vermogensbelasting moet daarom niet worden opgevat als een dubbele belasting van hetzelfde object, maar als een samenhangend institutioneel ontwerp waarin verschillende belastinggrondslagen ieder een eigen functie vervullen. Juist deze functionele differentiatie maakt het mogelijk zowel economische draagkracht als de maatschappelijke gevolgen van extreme vermogensconcentratie op een evenwichtige wijze in de belastingheffing te betrekken.

Conclusie: belast de functie van vermogen, niet uitsluitend de omvang

De voorgaande analyse maakt duidelijk dat een rechtvaardig belastingstelsel niet kan volstaan met één uniforme belasting op "vermogen". Daarvoor verschillen de economische functies van ondernemingsvermogen, familiebedrijven, vastgoed, aandelen, beleggingsvermogen en economische renten te sterk. Evenmin is een volledig uitzonderingsregime voor ondernemingsvermogen wenselijk, omdat dit aanzienlijke mogelijkheden biedt voor belastingarbitrage en vermogensconcentratie.

Vanuit Rawls, Piketty en de moderne economische literatuur ontstaat daarom een meer gedifferentieerd uitgangspunt. De fiscale behandeling van vermogen zou in de eerste plaats moeten aansluiten bij de maatschappelijke functie ervan. Actief en risicodragend ondernemingsvermogen dat aantoonbaar bijdraagt aan innovatie, werkgelegenheid en duurzame economische ontwikkeling verdient ruimte om zich te ontwikkelen. Passief vermogen en economische renten die voornamelijk bestaande eigendomsposities versterken en bijdragen aan structurele concentratie van economische macht, kunnen daarentegen een zwaardere fiscale bijdrage rechtvaardigen.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel betekent dit dat de belastinggrondslag uiteindelijk niet uitsluitend wordt bepaald door de omvang van het vermogen, maar door de bijdrage die het vermogen levert aan menselijke ontwikkeling, maatschappelijke waardecreatie en een democratisch evenwichtige spreiding van economische macht. Daarmee verschuift het fiscale debat van de vraag hoeveel vermogen moet worden belast naar de fundamentelere vraag welke functies van vermogen een democratische rechtsstaat behoort te stimuleren en welke zij juist behoort te begrenzen.

3 Internationale vergelijking

De vraag of grote vermogens afzonderlijk moeten worden belast, wordt vaak gepresenteerd als een principiële keuze tussen economische vrijheid en herverdeling. Een internationale vergelijking laat echter een veel genuanceerder beeld zien. Vrijwel geen enkel ontwikkeld land kent een volledig uniforme benadering van vermogensbelasting. Landen verschillen sterk in de wijze waarop zij vermogen belasten, welke vrijstellingen zij hanteren en welke economische functies zij fiscaal willen stimuleren. Tegelijkertijd is één ontwikkeling opvallend: vrijwel alle landen zoeken naar een evenwicht tussen het beschermen van ondernemerschap en het voorkomen van excessieve vermogensconcentratie.

Deze variatie biedt waardevolle lessen voor Nederland. Niet zozeer omdat één buitenlands model eenvoudig kan worden overgenomen, maar omdat de verschillende stelsels inzicht geven in de juridische, economische en bestuurlijke afwegingen die aan een rechtvaardige vermogensbelasting ten grondslag liggen. Opvallend is bovendien dat steeds meer landen onderscheid maken tussen productief ondernemingsvermogen en passief vermogen, tussen kleine en zeer grote vermogens en tussen vermogen dat economische waarde creëert en vermogen dat voornamelijk bestaande machtsposities versterkt.

Noorwegen: een brede vermogensbelasting met aandacht voor draagkracht

Noorwegen behoort tot de weinige Europese landen die nog steeds een algemene jaarlijkse belasting op nettovermogen kennen. Zowel de nationale overheid als gemeenten heffen belasting over het nettovermogen boven een relatief ruime vrijstelling. Het stelsel is progressief vormgegeven en richt zich vooral op grotere vermogens.

Het Noorse model is gebaseerd op het uitgangspunt dat draagkracht niet uitsluitend wordt bepaald door inkomen, maar ook door de omvang van het beschikbare vermogen. Wie over aanzienlijke vermogens beschikt, geniet doorgaans grotere financiële zekerheid en beschikt over meer economische mogelijkheden dan iemand die uitsluitend van arbeidsinkomen afhankelijk is.

Tegelijkertijd staat de Noorse vermogensbelasting regelmatig ter discussie. Critici wijzen op het risico dat vermogende ondernemers hun woonplaats verplaatsen naar landen zonder vermogensbelasting of dat ondernemingsvermogen onvoldoende liquide middelen genereert om de jaarlijkse belasting te voldoen. Voorstanders benadrukken daarentegen dat Noorwegen ondanks de vermogensbelasting internationaal concurrerend blijft en tegelijkertijd relatief beperkte vermogensongelijkheid kent.

Voor Nederland laat Noorwegen zien dat een jaarlijkse vermogensbelasting uitvoerbaar is, mits zij gepaard gaat met ruime vrijstellingen, een gematigd tarief en voorzieningen voor liquiditeitsproblemen bij ondernemingsvermogen.

Zwitserland: decentrale vermogensbelasting als onderdeel van een breed fiscaal stelsel

Ook Zwitserland kent een jaarlijkse belasting op nettovermogen. Anders dan in Noorwegen wordt deze grotendeels door de kantons geheven, waardoor aanzienlijke verschillen bestaan in tarieven en vrijstellingen. De belasting maakt onderdeel uit van een bredere fiscale traditie waarin relatief lage inkomstenbelastingen worden gecombineerd met een belasting op vermogen.

Het Zwitserse voorbeeld laat zien dat een vermogensbelasting niet noodzakelijk onverenigbaar is met een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Integendeel, Zwitserland behoort al decennialang tot de meest concurrerende economieën ter wereld. Dat hangt echter samen met de totale belastingmix, de relatief lage belastingdruk op ondernemerschap, de politieke stabiliteit en de hoge kwaliteit van de publieke instituties.

Voor Nederland is vooral relevant dat Zwitserland laat zien dat een vermogensbelasting niet geïsoleerd moet worden beoordeeld. De economische effecten hangen af van de totale fiscale structuur en niet uitsluitend van één afzonderlijke belasting.

Spanje: herwaardering van de vermogensbelasting

Spanje kent eveneens een jaarlijkse vermogensbelasting, hoewel de vormgeving regionaal verschilt. Sommige autonome regio's hebben de belasting grotendeels geneutraliseerd, terwijl andere regio's aanzienlijk hogere effectieve tarieven kennen. Daarnaast is in recente jaren een aanvullende solidariteitsheffing voor zeer grote vermogens ingevoerd.

Het Spaanse voorbeeld laat zien dat vermogensbelasting steeds vaker wordt gebruikt als instrument om zeer grote vermogens sterker bij te laten dragen aan de financiering van collectieve voorzieningen. Tegelijkertijd illustreert Spanje ook de risico's van regionale verschillen. Wanneer belastingplichtigen eenvoudig tussen regio's kunnen verhuizen, ontstaat fiscale concurrentie die de effectiviteit van de belasting kan verminderen.

Voor Nederland onderstreept dit het belang van internationale afstemming, al is de interne mobiliteit tussen Nederlandse provincies vanzelfsprekend veel beperkter dan tussen autonome Spaanse regio's.

Frankrijk: van algemene vermogensbelasting naar vastgoedbelasting

Frankrijk kende jarenlang één van de bekendste algemene vermogensbelastingen van Europa. In 2018 werd deze echter ingrijpend hervormd. De algemene belasting op vermogen werd vervangen door een belasting die zich voornamelijk richt op onroerend vermogen.

Deze hervorming weerspiegelt een bredere economische discussie. Productieve investeringen in ondernemingen worden in Frankrijk tegenwoordig relatief minder zwaar belast dan omvangrijke vastgoedvermogens. De gedachte hierachter is dat ondernemingskapitaal sterker bijdraagt aan economische groei, terwijl vastgoedwinsten vaker samenhangen met schaarste, locatievoordelen en waardestijgingen die slechts beperkt voortkomen uit nieuwe economische productie.

Vanuit het perspectief van Rawls en Piketty is deze ontwikkeling interessant. Zij sluit aan bij het onderscheid tussen productief ondernemingsvermogen en passieve vermogensgroei. Tegelijkertijd bestaat het risico dat financiële vermogens buiten de belastinggrondslag vallen, waardoor nieuwe vormen van vermogensconcentratie kunnen ontstaan.

Voor Nederland leert Frankrijk dat differentiatie naar de economische functie van vermogen mogelijk is, maar dat een te smalle grondslag ook nieuwe ontwijkingsmogelijkheden kan creëren.

Duitsland: geen vermogensbelasting, wel sterke bescherming van ondernemingscontinuïteit

Duitsland kent momenteel geen algemene vermogensbelasting. De grondwettelijke problemen rond de waardering van verschillende vermogenscategorieën hebben ertoe geleid dat de belasting sinds de jaren negentig feitelijk niet meer wordt geheven.

Dat betekent echter niet dat Duitsland vermogen nauwelijks belast. Integendeel, het land kent een erfbelasting en schenkbelasting, waarbij voor ondernemingsvermogen uitgebreide faciliteiten bestaan indien de onderneming gedurende langere tijd wordt voortgezet en werkgelegenheid behouden blijft.

Deze benadering illustreert dat Duitsland vooral de continuïteit van ondernemingen wil beschermen. De fiscale voordelen zijn nadrukkelijk gekoppeld aan maatschappelijke voorwaarden en niet uitsluitend aan de juridische kwalificatie als familiebedrijf.

Voor Nederland is dit onderscheid van groot belang. Ook hier zouden fiscale faciliteiten primair moeten worden verbonden aan daadwerkelijke economische continuïteit, investeringen en werkgelegenheid, en niet aan de enkele aanwezigheid van ondernemingsvermogen.

België: geen algemene vermogensbelasting, maar andere heffingen op vermogen

België kent evenmin een algemene belasting op nettovermogen. Wel bestaan verschillende belastingen op onroerend goed, effectenrekeningen, schenkingen en nalatenschappen. Daarnaast verschillen de erfbelastingtarieven aanzienlijk tussen de gewesten.

Het Belgische systeem laat zien dat ook zonder algemene vermogensbelasting een substantiële belasting van vermogen mogelijk is. Tegelijkertijd is het stelsel relatief complex geworden doordat verschillende vermogensbestanddelen elk afzonderlijk worden belast.

Voor Nederland vormt België daarmee een voorbeeld van de beperkingen van een gefragmenteerd systeem. Een samenhangende belastingmix draagt waarschijnlijk meer bij aan transparantie, eenvoud en rechtsgelijkheid dan een groot aantal afzonderlijke vermogensheffingen.

Canada: nadruk op vermogenswinsten

Canada kent geen algemene jaarlijkse vermogensbelasting. De belastingheffing richt zich vooral op gerealiseerde vermogenswinsten (capital gains). Daarbij wordt slechts een gedeelte van de gerealiseerde winst in de inkomstenbelasting betrokken.

Deze benadering sluit aan bij de gedachte dat belastingheffing vooral plaatsvindt wanneer daadwerkelijk inkomen wordt gerealiseerd. Tegelijkertijd heeft het systeem als nadeel dat grote vermogens langdurig onbelast kunnen blijven zolang vermogenswinsten niet worden gerealiseerd.

Voor Nederland laat Canada zien dat belastingheffing uitsluitend bij realisatie aanzienlijke uitstelmogelijkheden creëert en daardoor de cumulatie van grote vermogens slechts beperkt afremt.

Verenigde Staten: beperkte vermogensbelasting, sterke nadruk op erfbelasting

Ook de Verenigde Staten kennen geen algemene federale vermogensbelasting. Wel bestaat een federale estate tax, die zich uitsluitend richt op zeer omvangrijke nalatenschappen. Door de hoge vrijstellingen wordt slechts een zeer klein deel van alle nalatenschappen daadwerkelijk belast.

Daarnaast bestaan aanzienlijke belastingvoordelen voor vermogensgroei, waaronder de bekende step-up in basis, waardoor niet-gerealiseerde vermogenswinsten bij overlijden grotendeels onbelast kunnen blijven. Economen, waaronder Piketty, wijzen erop dat deze regeling de intergenerationele overdracht van grote vermogens aanzienlijk vergemakkelijkt.

Tegelijkertijd kent de Verenigde Staten een uitzonderlijk dynamische ondernemingscultuur. Dat illustreert dat economische innovatie niet uitsluitend afhankelijk is van lage belastingen op vermogen, maar ook van factoren als kapitaalmarkten, onderwijs, ondernemingsklimaat en technologische ontwikkeling.

Vergelijkende analyse

De internationale vergelijking laat zien dat geen enkel land het perfecte model heeft gevonden. Wel zijn enkele duidelijke patronen zichtbaar.

In de eerste plaats blijkt dat steeds minder landen kiezen voor een brede, uniforme belasting op alle vermogens. Vrijwel overal wordt gezocht naar differentiatie tussen verschillende typen vermogen en verschillende economische functies.

In de tweede plaats blijkt dat productief ondernemingsvermogen in veel landen een bijzondere behandeling krijgt. Niet omdat ondernemers als zodanig zouden moeten worden bevoordeeld, maar omdat investeringen, innovatie en werkgelegenheid belangrijke maatschappelijke functies vervullen. Deze faciliteiten zijn echter steeds vaker gekoppeld aan voorwaarden, zoals voortzetting van de onderneming, behoud van werkgelegenheid of daadwerkelijke economische activiteit.

In de derde plaats laten vrijwel alle landen zien dat belastingheffing op vermogen slechts effectief is wanneer zij onderdeel vormt van een bredere belastingmix. Een vermogensbelasting kan niet los worden gezien van inkomstenbelasting, erfbelasting, belasting op kapitaalinkomen, vastgoedheffingen en internationale samenwerking tegen belastingontwijking.

Ten slotte blijkt dat internationale coördinatie steeds belangrijker wordt. De toenemende mobiliteit van kapitaal, internationale ondernemingsstructuren en grensoverschrijdende vermogens maken duidelijk dat nationale belastingstelsels steeds meer afhankelijk zijn van internationale informatie-uitwisseling en samenwerking.

Lessen voor Nederland

Voor Nederland volgen uit deze internationale vergelijking verschillende belangrijke lessen.

In de eerste plaats verdient een gedifferentieerde vermogensbelasting de voorkeur boven een uniforme heffing. Daarbij moet expliciet onderscheid worden gemaakt tussen actief ondernemingsvermogen, passief beleggingsvermogen, vastgoed, economische renten en andere vermogenscategorieën.

In de tweede plaats dienen familiebedrijven en productief ondernemingsvermogen niet categorisch te worden vrijgesteld, maar kunnen zij onder voorwaarden een gunstigere behandeling krijgen wanneer daadwerkelijk wordt geïnvesteerd, werkgelegenheid behouden blijft en de onderneming wordt voortgezet.

In de derde plaats vraagt een rechtvaardig belastingstelsel om een brede grondslag met beperkte uitzonderingen. Een smalle belastinggrondslag leidt vrijwel onvermijdelijk tot ontwijkingsconstructies en verlies aan maatschappelijk draagvlak.

In de vierde plaats moet Nederland inzetten op internationale samenwerking, zowel binnen de Europese Unie als via de OESO, om belastingontwijking, winstverschuiving en internationale arbitrage te beperken.

Ten slotte bevestigt de internationale vergelijking de centrale gedachte dat een vermogensbelasting geen doel op zichzelf is, maar een institutioneel instrument. Haar legitimiteit wordt niet bepaald door de vraag óf vermogen wordt belast, maar door de wijze waarop het stelsel erin slaagt economische dynamiek, ondernemerschap, gelijke kansen en democratische gelijkwaardigheid met elkaar in evenwicht te brengen. Juist daarin ligt de grootste uitdaging voor een toekomstbestendig Nederlands belastingstelsel.

4 Juridische toets

De normatieve en economische argumenten voor een progressieve vermogensbelasting beantwoorden nog niet de vraag of een dergelijke heffing juridisch houdbaar is. Ook een belasting die vanuit Rawls, Piketty of de economische literatuur wenselijk wordt geacht, moet passen binnen de grenzen van het eigendomsrecht, het gelijkheidsbeginsel, het Unierecht en de eisen van rechtszekerheid en proportionaliteit. Voor Nederland zijn daarbij vooral artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 14 EVRM, artikel 17 en artikel 52 van het EU-Handvest, het vrije verkeer van kapitaal en de Nederlandse box 3-rechtspraak relevant.

De juridische ruimte voor belastingheffing is aanzienlijk. Artikel 1 EP EVRM erkent zelfs uitdrukkelijk het recht van staten om wetten toe te passen die zij noodzakelijk achten om de betaling van belastingen en andere heffingen te verzekeren. Die fiscale bevoegdheid is echter niet onbeperkt. Een vermogensbelasting moet berusten op een voldoende duidelijke wettelijke grondslag, een legitiem algemeen belang dienen en een redelijk evenwicht bewaren tussen het maatschappelijke doel en de bescherming van de individuele belastingplichtige. Daarnaast mogen vergelijkbare gevallen niet zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging verschillend worden behandeld.

De systematiek is ook voor fiscale wetgeving bruikbaar. Eerst moet worden vastgesteld welke vermogensrechten worden geraakt en welke groepen daarvan de gevolgen ondervinden. Vervolgens moet worden onderzocht of de maatregel voorzienbaar is, een scherp omschreven algemeen belang dient en op zowel regelingsniveau als individueel niveau proportioneel is. Daarbij zijn de cumulatie met andere heffingen, de uitvoerbaarheid, eventuele overgangsregelingen en de mogelijkheid om uitzonderlijke hardheid te voorkomen van belang.

Artikel 1 EP EVRM: belastingheffing als inmenging in eigendom

Artikel 1 EP EVRM beschermt het ongestoorde genot van eigendom. Het eigendomsbegrip is autonoom en ruim. Het omvat niet alleen fysieke zaken, maar ook aandelen, vorderingen, bedrijfsvermogen, financiële tegoeden en andere rechten met een vermogenswaarde. Een jaarlijkse vermogensbelasting grijpt rechtstreeks in op dit beschermde vermogen, omdat de belastingplichtige een deel van zijn middelen aan de overheid moet afstaan.

Dat betekent niet dat iedere vermogensbelasting als ontneming of onteigening moet worden aangemerkt. Het EHRM behandelt belastingheffing in beginsel binnen de uitdrukkelijke fiscale regel van de tweede alinea van artikel 1 EP. De staat mag belastingen heffen, maar moet daarbij de verdragsrechtelijke beginselen van legaliteit, algemeen belang en proportionaliteit respecteren. Het Hof kent staten bij de keuze van belastinggrondslagen en tarieven een ruime beoordelingsvrijheid toe, omdat fiscale politiek complexe economische, budgettaire en sociale afwegingen vergt. Alleen wanneer de maatregel iedere redelijke grond ontbeert, willekeurig is of de belastingplichtige een buitensporige individuele last oplegt, komt een schending in beeld.

De eigendomsrechtelijke toets bestaat uit drie hoofdelementen.

Voorzien bij wet

Een vermogensbelasting moet een toegankelijke, voorzienbare en voldoende nauwkeurige wettelijke grondslag hebben. De wet moet duidelijk maken wie belastingplichtig is, welke vermogensbestanddelen tot de grondslag behoren, hoe bezittingen en schulden worden gewaardeerd, welke vrijstellingen gelden en welk tarief wordt toegepast. Burgers moeten hun gedrag daarop kunnen afstemmen en de financiële gevolgen met een redelijke mate van zekerheid kunnen voorzien.

Vooral waarderingsregels zijn bij een vermogensbelasting juridisch gevoelig. Beursgenoteerde effecten kunnen relatief eenvoudig tegen marktwaarde worden gewaardeerd, maar bij niet-beursgenoteerde ondernemingen, intellectuele eigendomsrechten, kunst, grond, vastgoed en private-equitybelangen is de waarde niet steeds objectief beschikbaar. Een regeling die verschillende vermogenscategorieën op wezenlijk uiteenlopende of onrealistische wijze waardeert, kan niet alleen rechtszekerheidsproblemen veroorzaken, maar ook leiden tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.

Een wettelijke fictie is niet zonder meer verboden. Het belastingrecht maakt noodzakelijkerwijs gebruik van forfaits, gemiddelden en vereenvoudigingen. De box 3-rechtspraak laat echter zien dat de afstand tussen fictie en economische werkelijkheid niet onbeperkt kan worden. Wanneer een forfaitaire heffing structureel een rendement belast dat een belastingplichtige niet heeft behaald en waarbij onvoldoende mogelijkheid tot tegenbewijs bestaat, kan de regeling de grenzen van artikel 1 EP en artikel 14 EVRM overschrijden.

Algemeen belang

Een progressieve vermogensbelasting kan verschillende legitieme doelen dienen. Daaronder vallen het financieren van collectieve voorzieningen, het evenwichtiger verdelen van fiscale lasten, het verminderen van belastingdruk op arbeid, het voorkomen van buitensporige vermogensconcentratie, het bevorderen van gelijke kansen en het beschermen van democratische gelijkwaardigheid. Het EHRM laat nationale staten veel ruimte om dergelijke sociaal-economische doelstellingen te definiëren.

Die ruime beoordelingsvrijheid ontslaat de wetgever echter niet van de plicht het doel concreet te formuleren. Een algemene verwijzing naar “rechtvaardigheid” of “sterkere schouders” is onvoldoende voor een overtuigend wetgevingsdossier. De wetgever moet verduidelijken welk probleem wordt aangepakt, waarom juist een belasting op nettovermogen daarvoor geschikt is en hoe de opbrengsten of gedragsreacties bijdragen aan het gestelde doel. De onderliggende gegevens over vermogensverdeling, effectieve belastingdruk, ontwijking en economische gevolgen moeten controleerbaar zijn.

Ook moet duidelijk zijn of de belasting primair budgettair, verdelend of machtsbegrenzend is. Deze doelen kunnen worden gecombineerd, maar leiden niet noodzakelijk tot dezelfde vormgeving. Een belasting die vooral inkomsten moet genereren vraagt om een stabiele, brede grondslag. Een belasting die extreme concentratie wil afremmen kan juist met hoge vrijstellingen en een sterk progressief tarief worden vormgegeven. Onduidelijkheid over de doelstelling bemoeilijkt de toets of de maatregel geschikt en proportioneel is.

Fair balance

Het belangrijkste criterium is of een fair balance bestaat tussen het algemene belang en de bescherming van de individuele belastingplichtige. Een vermogensbelasting mag niet leiden tot een individuele en buitensporige last. Dat betekent niet dat iedere belasting uit het jaarlijkse inkomen of rendement moet kunnen worden voldaan. Een vermogensbelasting is naar haar aard gericht op de draagkracht die besloten ligt in het bezit zelf. Toch is de verhouding tussen belasting, rendement, liquiditeit en omvang van het vermogen juridisch relevant.

Een tarief kan problematisch worden wanneer het, in combinatie met andere belastingen, structureel een aanzienlijk deel van het reële rendement of zelfs van het vermogen zelf onttrekt, zonder dat daarvoor een toereikende rechtvaardiging of uitwijkmogelijkheid bestaat. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen tijdelijk lage rendementen, vrijwillige beleggingskeuzes en structurele situaties waarin een belastingplichtige de heffing uitsluitend kan voldoen door productieve of persoonlijk noodzakelijke bezittingen te verkopen.

De toets vindt zowel op regelingsniveau als individueel niveau plaats. Op regelingsniveau moet de wetgever de effecten voor onderscheiden groepen onderzoeken. Daarbij horen onder meer ondernemers met illiquide aandelen, vastgoedbezitters, beleggers, gepensioneerden, personen met schulden, houders van buitenlandse vermogensbestanddelen en belastingplichtigen wier vermogen sterk in waarde fluctueert. Individueel kan een hardheidsvoorziening, betalingsuitstel of een plafond in verhouding tot inkomen en gerealiseerd rendement nodig zijn om uitzonderlijke disproportionaliteit te voorkomen. De bijgevoegde notitie benadrukt bovendien dat niet alleen de nieuwe maatregel, maar de optelsom van alle op dezelfde persoon drukkende maatregelen in de belangenafweging moet worden betrokken.

Het EHRM: ruime beleidsvrijheid, maar geen fiscale willekeur

De rechtspraak van het EHRM bevestigt dat de verdragsstaten op fiscaal terrein een brede margin of appreciation hebben. Het Hof erkent dat belastingheffing noodzakelijk is voor het functioneren van de staat en dat nationale wetgevers beter zijn geplaatst om economische en sociale prioriteiten af te wegen. De toets is daarom doorgaans terughoudend.

Die terughoudendheid kent grenzen. In R.Sz. tegen Hongarije oordeelde het EHRM over een uitzonderlijk hoge belasting op bepaalde ontslagvergoedingen. Het probleem was niet alleen de hoogte van het tarief, maar ook de combinatie van terugwerkende werking, de specifieke groep die werd getroffen en het ingrijpende karakter van de maatregel. De zaak laat zien dat zelfs binnen de ruime fiscale beoordelingsmarge een heffing strijdig kan zijn met artikel 1 EP wanneer zij buitensporig, selectief of onvoldoende voorzienbaar is.

Daaruit volgt niet dat een hoog marginaal tarief op zeer grote vermogens automatisch onrechtmatig is. Tariefhoogte kan niet los worden beoordeeld van de grondslag, vrijstellingen, waarderingsregels, de mogelijkheid van betalingsuitstel en de totale fiscale last. Een heffing van één procent over een zeer brede grondslag kan voor een illiquide onderneming ingrijpender zijn dan een hoger tarief op liquide financiële bezittingen. Het EHRM beoordeelt daarom de feitelijke gevolgen en niet alleen het nominale percentage.

Voor een Nederlandse vermogensbelasting is vooral relevant dat de wetgever vooraf de negatieve gevolgen moet onderzoeken en expliciet moet afwegen. Een politieke keuze om zeer grote vermogens zwaarder te belasten valt waarschijnlijk binnen de beoordelingsruimte. Juridisch kwetsbaar wordt zij wanneer de gekozen grondslag evident onrealistisch is, vergelijkbare vermogens willekeurig anders worden behandeld, de belasting cumulatief confiscatoir uitpakt of geen voorziening bestaat voor uitzonderlijke gevallen.

Artikel 14 EVRM: gelijke behandeling van vermogenscategorieën

Een eigendomsrechtelijke beoordeling kan niet worden losgemaakt van artikel 14 EVRM. Dit discriminatieverbod heeft geen zelfstandig bestaan, maar is van toepassing wanneer het verschil in behandeling binnen de werkingssfeer van een ander verdragsrecht valt, zoals artikel 1 EP. Een belastingregeling die vermogen verschillend behandelt, moet daarom een objectieve en redelijke rechtvaardiging hebben.

Differentiatie tussen actief en passief vermogen is juridisch mogelijk, maar vraagt om een nauwkeurige onderbouwing. Actief ondernemingsvermogen kan anders worden behandeld wanneer de wetgever aannemelijk maakt dat continuïteit, werkgelegenheid, innovatie of liquiditeitsbeperkingen dit rechtvaardigen. Het enkele juridische label “ondernemingsvermogen” is niet voldoende. Een vrijstelling die ook omvangrijk beleggingsvermogen binnen een vennootschap ontziet, terwijl vergelijkbaar privébeleggingsvermogen volledig wordt belast, loopt het risico arbitrair te worden.

Ook verschillen tussen eigen woningen, verhuurd vastgoed, beursgenoteerde aandelen, pensioenvermogen en niet-beursgenoteerde ondernemingen moeten aansluiten bij hun economische en maatschappelijke kenmerken. Een wetgever mag categoriseren, maar de categorieën moeten consistent zijn met het doel van de regeling. Hoe ruimer en meer absoluut uitzonderingen zijn, des te zwaarder wordt de motiveringsplicht.

Artikel 17 EU-Handvest

Artikel 17, eerste lid, van het EU-Handvest beschermt het recht om rechtmatig verkregen goederen te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en deze te vermaken. Het gebruik van eigendom kan bij wet worden gereguleerd voor zover het algemeen belang dit vereist. Artikel 52, eerste lid, van het Handvest verlangt dat iedere beperking bij wet is gesteld, de wezenlijke inhoud van het recht eerbiedigt en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan een doel van algemeen belang of aan de bescherming van rechten van anderen.

De beschermingsstandaard vertoont grote gelijkenis met artikel 1 EP. Het EU-Handvest is echter niet op iedere nationale belastingmaatregel van toepassing. Op grond van artikel 51 van het Handvest bindt het de lidstaten alleen wanneer zij Unierecht ten uitvoer brengen of binnen de werkingssfeer ervan handelen. Een zuiver binnenlandse vermogensbelasting zonder aanknopingspunt met Unierecht wordt daarom in beginsel rechtstreeks aan het EVRM en het nationale recht getoetst, niet zelfstandig aan het Handvest. Het Handvest wordt wel relevant wanneer de regeling het vrije verkeer van kapitaal beperkt, EU-richtlijnen uitvoert of anderszins binnen een door het Unierecht geregelde situatie valt.

Wanneer artikel 17 van toepassing is, kent ook het HvJ EU geen absoluut eigendomsrecht. Beperkingen zijn mogelijk wanneer zij een legitiem doel dienen, geschikt en noodzakelijk zijn en geen onevenredige ingreep vormen waardoor de wezenlijke inhoud van het recht wordt aangetast. De toets van het Hof is sterk verbonden met het algemene Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

Het vrije verkeer van kapitaal

Voor een Nederlandse vermogensbelasting zal het vrije verkeer van kapitaal doorgaans belangrijker zijn dan artikel 17 van het Handvest op zichzelf. Artikel 63 VWEU verbiedt beperkingen van kapitaalbewegingen tussen lidstaten en, in beginsel, ook tussen lidstaten en derde landen. Een nationale belastingregeling kan dit verkeer beperken wanneer zij buitenlandse bezittingen, niet-ingezetenen of grensoverschrijdende investeringen nadeliger behandelt dan vergelijkbare binnenlandse situaties.

Het HvJ EU heeft in meerdere belastingzaken geoordeeld dat verschillende vrijstellingen, waarderingsregels of aftrekposten voor ingezetenen en niet-ingezetenen een beperking van het vrije kapitaalverkeer kunnen vormen. Ook vermogens- en erfbelastingen vallen binnen deze rechtspraak. Zo heeft het Hof bij nationale vermogensbelasting onderzocht of niet-ingezetenen ten onrechte werden uitgesloten van persoonlijke tegemoetkomingen, en in erfbelastingzaken geoordeeld dat aanzienlijk lagere vrijstellingen voor buitenlandse situaties het kapitaalverkeer kunnen belemmeren.

Een Nederlandse vermogensbelasting moet daarom zoveel mogelijk woonplaats- en nationaliteitsneutraal worden vormgegeven. Buitenlands vastgoed, buitenlandse aandelen en belangen in buitenlandse ondernemingen mogen niet zonder overtuigende reden zwaarder worden belast dan vergelijkbare Nederlandse activa. Evenmin mogen niet-ingezetenen met Nederlands vermogen automatisch nadeliger worden behandeld wanneer hun situatie objectief vergelijkbaar is.

Verschillen kunnen soms worden gerechtvaardigd door de samenhang van het belastingstelsel, de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden, de bestrijding van fraude of de noodzaak van effectieve fiscale controle. Deze rechtvaardigingsgronden worden door het HvJ echter strikt getoetst. De maatregel moet geschikt zijn, mag niet verder gaan dan noodzakelijk en moet rekening houden met mogelijkheden van gegevensuitwisseling en administratieve samenwerking binnen de EU.

Nederlandse constitutionele context

Nederland kent geen algemene constitutionele rechterlijke toetsing van wetten in formele zin aan de Grondwet. Artikel 120 Grondwet verhindert dat de rechter een formele belastingwet buiten toepassing laat wegens strijd met bijvoorbeeld artikel 1 of artikel 14 Grondwet. Op grond van de artikelen 93 en 94 Grondwet kan de rechter formele wetgeving echter wel toetsen aan rechtstreeks werkende verdragsbepalingen, waaronder artikel 14 EVRM en artikel 1 EP.

Daarom spelen het EVRM en het Unierecht in het Nederlandse belastingrecht een bijzondere rol. Waar de rechter de politieke keuze voor een vermogensbelasting in beginsel respecteert, kan hij ingrijpen wanneer de gekozen systematiek leidt tot een verdragsrechtelijk ongerechtvaardigde discriminatie of een disproportionele eigendomsinmenging.

De box 3-rechtspraak vóór het Kerstarrest

De Nederlandse box 3-heffing was oorspronkelijk vormgegeven als een belasting over een forfaitair rendement op de nettovermogensgrondslag. De Hoge Raad stelde zich aanvankelijk terughoudend op. Een forfaitaire heffing was op stelselniveau niet reeds onrechtmatig omdat het werkelijke rendement van individuele belastingplichtigen lager lag. Wel kon in uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn van een individuele en buitensporige last.

Bij die individuele toets werden alle relevante omstandigheden betrokken, waaronder het totale inkomen, het vermogen, de verschuldigde belasting en de vraag of de belastingplichtige de last kon dragen. Het enkele feit dat de box 3-heffing hoger was dan het rendement op een specifiek vermogensbestanddeel was doorgaans onvoldoende. De Hoge Raad respecteerde daarmee de ruime beoordelingsvrijheid van de fiscale wetgever.

Deze benadering sloot aan bij de klassieke EVRM-systematiek: eerst werd de regeling als geheel beoordeeld en vervolgens onderzocht of zij voor de individuele belastingplichtige buitensporig uitpakte. De kritiek nam echter toe toen de forfaitaire rendementen steeds verder af kwamen te staan van de zeer lage spaarrentes en belastingplichtigen feitelijk belasting betaalden over rendement dat zij niet hadden behaald.

Het Kerstarrest van 24 december 2021

In het Kerstarrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, maakte de Hoge Raad een fundamentele omslag. Het sinds 2017 geldende stelsel veronderstelde een bepaalde verdeling tussen sparen en beleggen op basis van de omvang van het vermogen, ongeacht de daadwerkelijke keuzes van de belastingplichtige. Daarover werd vervolgens een forfaitair rendement berekend.

Volgens de Hoge Raad leidde deze systematiek tot een schending van artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 EP. De regeling verbond een relatief zware last aan de keuze om vermogen niet risicovol te beleggen en behandelde bovendien beleggers met sterk uiteenlopende werkelijke rendementen alsof zij hetzelfde rendement hadden behaald. Er bestond geen redelijke verhouding tussen de door de wetgever nagestreefde doelen — uitvoerbaarheid, voorspelbaarheid en belastingopbrengst — en de daaruit voortvloeiende ongelijke behandeling. De Hoge Raad bood in de concrete zaak rechtsherstel door alleen het daadwerkelijk behaalde rendement in de heffing te betrekken.

Het arrest betekent niet dat een vermogensbelasting slechts over werkelijk gerealiseerd rendement mag worden geheven. Box 3 was juridisch vormgegeven als een inkomstenbelasting over forfaitair rendement, niet als een zuivere jaarlijkse belasting op de waarde van vermogen. De kern van het oordeel was dat de wetgever binnen die gekozen systematiek een fictief inkomen belastte dat te ver afweek van het werkelijke rendement en daarbij ongerechtvaardigde verschillen creëerde.

Voor een toekomstige zuivere vermogensbelasting is dit onderscheid essentieel. Wanneer de wetgever uitdrukkelijk een percentage van het nettovermogen als draagkrachtgrondslag belast, hoeft hij niet te doen alsof dat bedrag inkomen of rendement vertegenwoordigt. De rechtvaardiging en proportionaliteit moeten dan worden beoordeeld vanuit het bezit van vermogen zelf. Een transparante vermogensbelasting kan juridisch daardoor coherenter zijn dan een rendementsheffing die feitelijk deels het vermogen belast maar formeel als inkomstenbelasting wordt gepresenteerd.

De arresten van 6 juni 2024

Na het Kerstarrest voerde de wetgever de Wet rechtsherstel box 3 en vervolgens de Overbruggingswet box 3 in. Daarbij werden verschillende forfaitaire rendementen gebruikt voor spaargeld, overige bezittingen en schulden. Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat ook dit stelsel in strijd blijft met artikel 14 EVRM en artikel 1 EP wanneer het forfaitaire rendement hoger is dan het werkelijk behaalde rendement.

Volgens de Hoge Raad bood het onderscheid tussen vermogenscategorieën weliswaar meer aansluiting bij de werkelijkheid dan het oude stelsel, maar bleef voor overige bezittingen een forfait gelden dat sterk kon afwijken van het individuele rendement. In zulke gevallen moet rechtsherstel worden geboden door de heffing te beperken tot het werkelijke rendement. Daarbij worden zowel directe inkomsten als positieve en negatieve waardeveranderingen betrokken en geldt geen heffing over een hoger werkelijk rendement dan het forfait.

In december 2024 verduidelijkte de Hoge Raad dat ook ongerealiseerde positieve en negatieve waardeveranderingen in beginsel tot het werkelijke rendement behoren. Dit bevestigt dat het door de rechter gehanteerde rendementsbegrip economisch breed is en niet beperkt blijft tot rente, dividend en huurinkomsten.

Sinds 2025 bestaat op grond van de Wet tegenbewijsregeling box 3 een wettelijke mogelijkheid om aan te tonen dat het werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement. Deze wet trad in juli 2025 in werking. Het kabinet heeft daarnaast een stelsel op basis van werkelijk rendement voorgesteld, maar de toekomstige inrichting en invoeringsplanning blijven beleidsmatig en uitvoeringstechnisch in ontwikkeling.

Betekenis van box 3 voor een echte vermogensbelasting

De box 3-arresten stellen niet vast dat een jaarlijkse belasting op nettovermogen onverenigbaar is met het EVRM. Zij leggen wel duidelijke eisen bloot.

Ten eerste moet de wetgever helder zijn over het belastbare object. Een belasting op bezit moet als zodanig worden ontworpen en gerechtvaardigd. Het is juridisch riskant een feitelijke vermogensheffing te verpakken als een inkomstenbelasting op fictief rendement wanneer de fictie structureel niet aansluit bij de werkelijkheid.

Ten tweede moeten verschillen tussen vermogenscategorieën objectief worden onderbouwd. Een gunstiger behandeling van actief ondernemingsvermogen kan gerechtvaardigd zijn, maar alleen wanneer duidelijk is wat “actief” betekent en waarom de uitzondering bijdraagt aan continuïteit, investeringen of werkgelegenheid. Passief beleggingsvermogen binnen een vennootschap mag niet uitsluitend door zijn juridische verpakking aan de heffing ontsnappen.

Ten derde moet de wet rekening houden met de effectieve last. Een vermogensbelasting hoeft niet één-op-één aan het werkelijk rendement te worden gekoppeld, maar de combinatie van tarief, waardering en andere heffingen mag niet structureel leiden tot een buitensporige aantasting. Een ruime vrijstelling, gematigde tarieven, betalingsuitstel bij illiquide productieve activa en een individuele hardheidsregeling versterken de juridische houdbaarheid.

Ten vierde zijn uitvoerbaarheid en controleerbaarheid niet slechts praktische aspecten. Onbetrouwbare waarderingen, grote verschillen in naleving en ruime ontwijkingsmogelijkheden kunnen leiden tot willekeurige uitkomsten en daarmee tot gelijkheidsproblemen. De wetgever moet daarom vooraf aannemelijk maken dat vermogensbestanddelen voldoende consistent kunnen worden gewaardeerd en dat de Belastingdienst over gegevens en capaciteit beschikt om de regeling uit te voeren.

Toetsing van actief en passief vermogen

Een gedifferentieerde vermogensbelasting kan juridisch houdbaar zijn wanneer het onderscheid tussen actief en passief vermogen nauwkeurig wordt gedefinieerd. De belangrijkste toets is of de onderscheiden categorieën voldoende verschillen in het licht van het doel van de regeling.

Actief ondernemingsvermogen kan bijvoorbeeld bestaan uit vermogensbestanddelen die rechtstreeks en duurzaam worden gebruikt in een materiële onderneming waarin de belastingplichtige een reële ondernemersfunctie vervult. Passief vermogen kan bestaan uit liquide middelen die niet voor bedrijfsdoeleinden nodig zijn, effectenportefeuilles, verhuurd vastgoed zonder ontwikkelactiviteit en andere beleggingen die vooral rendement genereren uit bezit.

Een volledige vrijstelling van actief ondernemingsvermogen is echter niet vanzelfsprekend proportioneel. Zij kan leiden tot grote verschillen tussen een ondernemer met honderd miljoen euro ondernemingsvermogen en een werknemer met een veel kleiner privévermogen. Minder vergaande instrumenten zijn denkbaar, zoals een lagere waardering, een lager tarief, een betalingsuitstel zolang het vermogen gebonden blijft aan de onderneming of een plafonnering in verhouding tot de beschikbare kasstroom.

Vanuit artikel 14 EVRM en het Unierecht verdient een voorwaardelijke faciliteit daarom de voorkeur boven een categorische uitsluiting. Voorwaarden kunnen zien op daadwerkelijke bedrijfsuitoefening, een minimumbezitsduur, voortzetting, beperking van overtollige beleggingsmiddelen en terugname van het voordeel wanneer activa kort na toepassing worden verkocht of uitgekeerd.

Internationale vermogens en emigratie

Een progressieve vermogensbelasting kan leiden tot emigratie of verplaatsing van activa. Een woonplaatsgebonden heffing is op zichzelf niet in strijd met het Unierecht, maar fiscale exitmaatregelen kunnen het vrije verkeer beperken. Het HvJ heeft bij exitheffingen herhaaldelijk verlangd dat belastingplichtigen onder omstandigheden uitstel van betaling kunnen krijgen, omdat onmiddellijke inning bij emigratie verder kan gaan dan noodzakelijk is.

Nederland kan daarom niet zonder meer de volledige toekomstige vermogensbelasting ineens heffen bij vertrek. Wel kan een conserverende aanslag of andere regeling worden overwogen voor reeds opgebouwde maar nog niet belaste vermogenswinsten, mits deze beperkt blijft tot de Nederlandse heffingsclaim, evenredig is en voldoende betalingsuitstel biedt.

Daarnaast moeten buitenlandse activa op vergelijkbare wijze worden gewaardeerd als binnenlandse activa. Administratieve moeilijkheden kunnen aanvullende informatieverplichtingen rechtvaardigen, maar geen algemene discriminatie. Door automatische gegevensuitwisseling en Europese administratieve samenwerking is een beroep op oncontroleerbaarheid bovendien minder snel overtuigend dan in het verleden.

Rechtsherstel en procedurele bescherming

De box 3-geschiedenis laat ook zien dat juridische houdbaarheid niet uitsluitend afhangt van de materiële belastingregels. Effectieve toegang tot bezwaar, beroep en individueel rechtsherstel is eveneens essentieel. Wanneer een regeling forfaits of waarderingsmethoden gebruikt, moet de belastingplichtige een reële mogelijkheid hebben onjuiste gegevens of een onevenredige uitkomst te bestrijden.

De Hoge Raad heeft in 2026 bevestigd dat belastingplichtigen wier aanslagen over 2017–2020 al onherroepelijk vaststonden en die niet tijdig bezwaar hadden gemaakt, geen aanspraak hadden op vermindering op grond van het Kerstarrest. Dat onderstreept het belang van formele rechtskracht en tijdig procederen, maar laat ook zien dat hersteloperaties maatschappelijk ingrijpende verschillen kunnen creëren tussen groepen die materieel aan dezelfde onrechtmatige heffing waren onderworpen.

Voor een nieuwe vermogensbelasting verdient het daarom aanbeveling geschillen zo veel mogelijk aan de voorkant te voorkomen. Heldere beschikkingen over waardering, laagdrempelige correctiemogelijkheden, een goed werkende bezwaarprocedure en periodieke evaluatie verkleinen het risico dat structurele fouten pas na jaren door de hoogste rechter worden gecorrigeerd.

Integrale juridische beoordeling

Een Nederlandse progressieve vermogensbelasting is als zodanig verenigbaar met artikel 1 EP EVRM. Geen van de besproken rechtsbronnen verbiedt een jaarlijkse belasting op grote nettovermogens. De staat beschikt op fiscaal terrein over een ruime beoordelingsvrijheid en kan vermogensbezit als zelfstandige uitdrukking van draagkracht belasten.

De juridische houdbaarheid hangt echter af van de concrete vormgeving. De sterkste regeling is een belasting die:

·         in een formele wet een heldere nettovermogensgrondslag vastlegt;

·         hoge vrijstellingen kent waardoor gewone spaarbuffers en beperkte vermogensvorming worden ontzien;

·         gematigde en geleidelijk progressieve tarieven toepast;

·         marktconforme en controleerbare waarderingsregels bevat;

·         actief ondernemingsvermogen niet volledig vrijstelt, maar voorwaardelijk en proportioneel faciliteert;

·         passief beleggingsvermogen ongeacht juridische verpakking zoveel mogelijk gelijk behandelt;

·         woonplaats- en nationaliteitsneutraal is en het vrije kapitaalverkeer respecteert;

·         rekening houdt met liquiditeitsproblemen via uitstel van betaling in plaats van brede vrijstellingen;

·         cumulatie met inkomstenbelasting, erfbelasting en vastgoedheffingen onderzoekt;

·         een individuele veiligheidsvoorziening bevat voor uitzonderlijke en buitensporige lasten;

·         effectieve rechtsbescherming, tegenbewijs en periodieke evaluatie waarborgt.

De belangrijkste les uit box 3 is daarmee niet dat vermogensbelasting juridisch onmogelijk is. Zij is dat een fiscaal stelsel zijn economische werkelijkheid niet onbeperkt mag vervangen door ficties die voor grote groepen structureel onjuist uitpakken. Een expliciete, transparante en zorgvuldig begrensde belasting op zeer grote nettovermogens kan juridisch zelfs beter verdedigbaar zijn dan een ingewikkelde rendementsheffing die door forfaits en uitzonderingen uiteindelijk niet belast wat zij zegt te belasten.

5 Wetgevingsmodel voor Nederland

De voorgaande analyse laat zien dat een progressieve belasting op zeer grote vermogens juridisch mogelijk en normatief verdedigbaar is, maar dat de kwaliteit van de concrete vormgeving beslissend is. Een vermogensbelasting die op een te lage drempel begint, uiteenlopende vermogensbestanddelen willekeurig waardeert of productieve ondernemingen dwingt activa te verkopen, kan economische schade veroorzaken en juridisch kwetsbaar worden. Een stelsel met ruime en moeilijk controleerbare uitzonderingen kan daarentegen eenvoudig worden ontweken, waardoor de belasting vooral drukt op transparante vermogens en haar verdelende doel voorbijschiet.

Een goed Nederlands model moet daarom vier eigenschappen combineren. Het moet gericht zijn op werkelijk grote vermogens, breed genoeg zijn om arbitrage te voorkomen, gedifferentieerd genoeg om rekening te houden met de functie en liquiditeit van vermogen en eenvoudig genoeg om uitvoerbaar en controleerbaar te blijven. Dat betekent dat niet moet worden gekozen voor een volledige vervanging van de belasting op werkelijk kapitaalinkomen, maar voor een aanvullende nettovermogensheffing aan de absolute bovenkant van de verdeling.

Het hier ontwikkelde model is daarmee geen variant van het vroegere box 3-stelsel. Het belast niet een fictief rendement, maar het bezit van een zeer groot nettovermogen als zelfstandige uitdrukking van economische draagkracht en geconcentreerde macht. Het huidige voornemen is dat box 3 vanaf 2028 in beginsel aansluit bij werkelijk rendement, met voor bepaalde vermogensbestanddelen mogelijk een vermogenswinstbenadering. Een afzonderlijke belasting op zeer grote nettovermogens zou naast dat stelsel alleen gerechtvaardigd zijn wanneer haar doel, grondslag en verhouding tot de belasting op rendement uitdrukkelijk worden geregeld.

Uitgangspunt: een aanvullende belasting op zeer grote nettovermogens

Het meest verdedigbare model is een jaarlijkse belasting die uitsluitend aangrijpt bij het deel van het nettovermogen boven een hoge heffingsvrije voet. Het gaat dus niet om een algemene belasting op het spaargeld, de woning of de pensioenvoorziening van brede middengroepen. De primaire doelgroep bestaat uit huishoudens met zulke omvangrijke vermogens dat het bezit zelf een zelfstandige en duurzame bron van economische draagkracht, rendement en maatschappelijke invloed vormt.

De grondslag bestaat in beginsel uit de marktwaarde van alle bezittingen verminderd met de daaraan toerekenbare schulden. Tot de bezittingen behoren financiële tegoeden, beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen, obligaties, vastgoed, beleggingsfondsen, private-equitybelangen, intellectuele eigendomsrechten met een verhandelbare waarde, waardevolle roerende zaken en economisch vergelijkbare rechten. Schulden zijn slechts aftrekbaar voor zover zij zakelijk, juridisch afdwingbaar en economisch verbonden zijn met het belastbare vermogen.

Een brede grondslag is essentieel. De OECD wijst erop dat nettovermogensbelastingen met veel vrijstellingen en voorkeursregimes doorgaans leiden tot ontwijking, vermogensverschuiving, ongelijke effectieve tarieven en relatief lage opbrengsten. Een hoge drempel en een brede grondslag verdienen daarom de voorkeur boven lage drempels met een groot aantal uitzonderingen.

Vrijstellingen: bescherming van normale vermogensvorming

Een progressieve vermogensbelasting behoort niet reeds aan te grijpen bij vermogen dat vooral dient als buffer, pensioenvoorziening of basis voor normale financiële zelfstandigheid. Een hoge heffingsvrije voet is daarom het belangrijkste instrument om de belasting te richten op werkelijk grote vermogens.

Als denkmodel kan worden uitgegaan van een algemene vrijstelling van bijvoorbeeld €2 miljoen per persoon, met een gezamenlijke drempel van €4 miljoen voor fiscale partners. De exacte hoogte moet uiteindelijk worden vastgesteld op basis van actuele vermogensdata, opbrengstramingen, gedragseffecten en de samenhang met box 3 en de erfbelasting. De hier genoemde bedragen zijn dus geen empirisch berekend optimum, maar illustreren de gewenste ordeningslogica: brede middengroepen en normale vermogensopbouw blijven buiten de heffing, terwijl de belasting zich richt op de top van de vermogensverdeling.

Pensioenrechten binnen collectieve en fiscaal begrensde pensioenregelingen kunnen buiten de jaarlijkse vermogensgrondslag blijven. Zij zijn niet vrij beschikbaar, worden bij uitkering belast en dienen primair ter vervanging van arbeidsinkomen op latere leeftijd. Volledige vrijstelling van onbeperkte particuliere pensioen- of verzekeringsconstructies ligt echter minder voor de hand. Zonder begrenzing ontstaat het risico dat vrij beschikbaar vermogen wordt omgezet in fiscaal afgeschermde producten.

Voor de eigen woning kan worden gekozen voor een beperkte aanvullende vrijstelling bovenop de algemene drempel, bijvoorbeeld tot een bepaald bedrag van de netto-overwaarde. Een volledige, onbeperkte uitzondering zou grote verschillen veroorzaken tussen vermogen in een kostbare woning en economisch vergelijkbaar financieel vermogen. Zij zou bovendien vermogensverschuiving naar woningen stimuleren. Beter is daarom dat de eigen woning in beginsel wordt meegenomen, maar dat een beperkte beschermingsvrijstelling en ruime mogelijkheden voor uitstel van betaling gelden wanneer het vermogen grotendeels in de bewoonde woning is vastgelegd.

Persoonlijke gebruiksgoederen met een beperkte waarde kunnen om uitvoeringsredenen buiten beschouwing blijven. Voor kunst, kostbare verzamelingen, sieraden, schepen en andere waardevolle roerende activa behoort daarentegen een registratiedrempel te gelden. Anders ontstaat een evidente route om belastbaar financieel vermogen om te zetten in moeilijk zichtbare bezittingen.

De algemene lijn is daarmee dat vrijstellingen niet worden gekoppeld aan de juridische verpakking van het vermogen, maar aan een herkenbare maatschappelijke functie: bestaanszekerheid, collectief pensioen, bewoning of normale particuliere vermogensvorming.

Tarieven: gematigd, progressief en voorspelbaar

De tarieven moeten voldoende laag zijn om te voorkomen dat de belasting, in combinatie met de belasting op werkelijk rendement, structureel een onevenredig deel van het vermogen onttrekt. Tegelijkertijd moet de progressie zichtbaar genoeg zijn om de sterkere draagkracht en de cumulatieve groei van zeer grote vermogens te weerspiegelen.

Een mogelijke tariefstructuur is:

Belastbaar nettovermogen per persoon

Jaarlijks tarief

tot €2 miljoen

0%

€2–10 miljoen

0,25%

€10–50 miljoen

0,50%

€50–250 miljoen

0,75%

boven €250 miljoen

1,00%

 

De tarieven worden uitsluitend toegepast op het deel van het vermogen binnen iedere schijf. Een belastingplichtige met een vermogen van €12 miljoen betaalt dus niet over het volledige vermogen 0,50%, maar uitsluitend over het deel boven €10 miljoen dat hogere tarief.

Deze tarieven zijn bewust gematigd. Het doel is niet een snelle onttrekking van vermogen, maar een geleidelijke correctie op de cumulatie van zeer grote vermogens, in samenhang met een adequate belasting van werkelijk rendement en nalatenschappen. De economische literatuur maakt duidelijk dat een jaarlijkse nettovermogensbelasting niet geïsoleerd kan worden beoordeeld. De effectieve last hangt mede af van de belasting op kapitaalinkomen, vermogenswinsten en overdrachten. Het IMF geeft daarom in algemene zin de voorkeur aan een goed functionerende belasting op werkelijke kapitaalopbrengsten en een effectieve erfbelasting, maar erkent dat verschillende vormen van vermogensheffing elkaar kunnen aanvullen wanneer bestaande stelsels grote gaten laten.

Een wettelijk maximum op de gecombineerde jaarlijkse last kan bijdragen aan proportionaliteit, maar moet zorgvuldig worden ontworpen. Een eenvoudige begrenzing tot een percentage van het actuele inkomen zou belastingplichtigen met lage uitgekeerde inkomsten maar enorme, snel groeiende vermogens te sterk bevoordelen. Beter is een veiligheidsventiel dat rekening houdt met zowel beschikbaar inkomen als een voortschrijdend gemiddelde van gerealiseerd en ongerealiseerd rendement, zonder de materiële heffingsclaim definitief prijs te geven. Het niet direct invorderbare deel kan onder voorwaarden worden doorgeschoven.

Verhouding tot box 3 en andere kapitaalbelastingen

Een zelfstandige vermogensbelasting moet juridisch en systematisch duidelijk worden onderscheiden van de belasting op rendement. Box 3 belast — volgens de voorgenomen hervorming — wat met vermogen wordt verdiend. De aanvullende vermogensbelasting belast de uitzonderlijk grote vermogenspositie zelf. Dat zijn verschillende grondslagen en verschillende doelen.

Toch moet cumulatie expliciet worden beoordeeld. Een belastingplichtige kan te maken krijgen met belasting over rente, dividend, huur en waardestijging, vennootschapsbelasting binnen ondernemingen, overdrachtsbelasting, onroerendezaakbelasting, erfbelasting en daarnaast een nettovermogensbelasting. De wetgever moet daarom vooraf per vermogenscategorie modelleren wat de totale effectieve belastingdruk wordt onder verschillende rendementsscenario’s.

De box 3-rechtspraak maakt duidelijk dat een belastingstelsel niet onbeperkt kan abstraheren van de economische werkelijkheid. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de forfaitaire heffing in strijd komt met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht wanneer een hoger rendement wordt belast dan werkelijk is behaald. Een echte nettovermogensbelasting verschilt daarvan, omdat zij niet pretendeert rendement te belasten. Juist daarom moet in de wet en toelichting volstrekt helder zijn dat het vermogen zelf de grondslag vormt en waarom dat bezit zelfstandige draagkracht oplevert.

Waardering: marktwaarde als hoofdregel

Een vermogensbelasting kan alleen eerlijk en juridisch houdbaar functioneren wanneer economisch vergelijkbare bezittingen zo veel mogelijk volgens dezelfde maatstaf worden gewaardeerd. Marktwaarde op een vaste peildatum vormt daarom de hoofdregel. De waarde is het bedrag dat bij een zakelijke transactie tussen onafhankelijke partijen redelijkerwijs zou kunnen worden verkregen.

Voor beursgenoteerde effecten kan worden aangesloten bij de beurswaarde op de peildatum, eventueel op basis van een gemiddelde over een korte periode om toevallige dagfluctuaties te beperken. Banktegoeden en nominale vorderingen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, tenzij aannemelijk is dat de vordering niet volledig inbaar is.

Voor vastgoed kan in beginsel worden aangesloten bij de WOZ-waarde, mits deze voldoende actueel en nauwkeurig is. Bij beleggingsvastgoed, bijzondere objecten of substantiële afwijkingen moet tegenbewijs mogelijk zijn. De WOZ-waarde is administratief aantrekkelijk, maar mag geen onweerlegbare fictie worden wanneer zij aantoonbaar sterk afwijkt van de werkelijke marktwaarde.

Niet-beursgenoteerde aandelen vormen het grootste waarderingsvraagstuk. Jaarlijkse volledige bedrijfswaarderingen zijn kostbaar en conflictgevoelig. Daarom ligt een gestandaardiseerde methode voor de hand, gebaseerd op een combinatie van gecorrigeerde intrinsieke waarde, genormaliseerde winstgevendheid en recente zakelijke transacties. Voor kleine belangen kan met wettelijke safe-harbours worden gewerkt. Voor zeer grote ondernemingsbelangen of complexe concernstructuren kan periodiek — bijvoorbeeld eens per drie jaar — een gecertificeerde waardering worden verlangd, met jaarlijkse actualisatie op basis van objectieve gegevens.

Minderheidskortingen, illiquiditeitskortingen en zeggenschapsopslagen mogen niet automatisch worden toegepast. Zij moeten economisch aantoonbaar zijn en mogen niet ertoe leiden dat grote familievermogens kunstmatig worden versnipperd over verschillende rechtspersonen of familieleden om de belastbare waarde te drukken.

Private-equity-, hedgefonds- en fondsbelangen worden in beginsel gewaardeerd op de laatste betrouwbare nettovermogenswaarde, gecorrigeerd voor latere kapitaalstortingen, uitkeringen en relevante marktontwikkelingen. Carried-interestrechten en vergelijkbare aanspraken moeten worden belast naar hun economische waarde en mogen niet uitsluitend wegens hun contractuele vorm buiten de grondslag vallen.

De waarderingssystematiek moet grotendeels in de formele wet of in een op duidelijke delegatie berustende algemene maatregel van bestuur worden vastgelegd. Te veel discretionaire ruimte voor uitvoeringsbeleid tast de rechtszekerheid en kenbaarheid aan. Een eigendomsbeperkende regeling moet voldoende duidelijk en voorzienbaar zijn, dat betekent dat de effecten vooraf moeten worden onderzocht en dat alternatieven en cumulatieve lasten expliciet moeten worden afgewogen.

Ondernemingsvermogen: geen volledige vrijstelling

Actief ondernemingsvermogen verdient een andere behandeling dan passief beleggingsvermogen, maar een volledige vrijstelling is noch fiscaal noodzakelijk noch normatief overtuigend. Zij zou zeer grote verschillen creëren tussen ondernemers en werknemers of beleggers met economisch vergelijkbare draagkracht. Bovendien kan vermogen eenvoudig in vennootschappen worden ondergebracht wanneer de juridische vorm bepalend is.

Het wetgevingsmodel moet daarom uitgaan van volledige opname van ondernemingsvermogen in de grondslag, gecombineerd met drie gerichte tegemoetkomingen:

1.       een gematigde waarderingsfaciliteit voor werkelijk actief ondernemingsvermogen;

2.       ruime mogelijkheden voor uitstel van betaling;

3.       uitsluiting van overtollige en passieve bezittingen van die faciliteiten.

Als actief ondernemingsvermogen kwalificeert alleen vermogen dat duurzaam en rechtstreeks dienstbaar is aan een materiële onderneming. De belastingplichtige of zijn huishouden moet een reële ondernemersbetrokkenheid hebben, bijvoorbeeld door leidinggevende werkzaamheden, beslissende zeggenschap of aantoonbaar risicodragende betrokkenheid. Louter aandelenbezit in een portefeuille vormt geen actief ondernemingsvermogen.

Een waarderingsfaciliteit kan bijvoorbeeld bestaan uit een tijdelijke korting van maximaal 20% op de belastbare waarde, uitsluitend voor de eerste vermogensschijven waarin het ondernemingsbelang valt. Bij zeer grote belangen behoort de korting geleidelijk af te bouwen. Het maatschappelijke argument voor bescherming van liquiditeit en continuïteit geldt immers sterker voor een middelgroot familiebedrijf dan voor een miljardenbelang in een internationaal concern.

Passieve bestanddelen binnen een onderneming worden volledig belast. Daaronder vallen overtollige liquide middelen, effectenportefeuilles, verhuurd vastgoed dat niet functioneel verbonden is met de bedrijfsuitoefening, privébezittingen, groepsleningen zonder zakelijke functie en andere activa die voornamelijk als belegging worden aangehouden.

De fiscale faciliteit moet worden teruggenomen wanneer de onderneming binnen een bepaalde periode wordt verkocht, geliquideerd of grotendeels wordt omgevormd tot een beleggingsvehikel. Daarmee wordt voorkomen dat ondernemingsstructuren tijdelijk worden gebruikt om de belasting te verminderen.

Familiebedrijven

Familiebedrijven verdienen geen afzonderlijke, categorische vrijstelling. Het feit dat een onderneming binnen een familie wordt gehouden zegt op zichzelf niets over haar productiviteit, liquiditeit of maatschappelijke betekenis. Sommige familiebedrijven zijn lokaal verankerde ondernemingen met beperkte liquide middelen; andere zijn zeer grote concerns met substantiële beleggingsportefeuilles.

Dezelfde economische toets moet daarom gelden voor familiebedrijven en niet-familiebedrijven. Relevante kenmerken zijn daadwerkelijke bedrijfsuitoefening, werkgelegenheid, investeringen, liquiditeit en voortzetting. Het juridische of genealogische etiket mag niet beslissend zijn.

Bij opvolging door de volgende generatie ligt een faciliteit in de erf- en schenkbelasting meer voor de hand dan een volledige jaarlijkse vrijstelling van het ondernemingsvermogen. Ook daar moet het voordeel worden gekoppeld aan daadwerkelijke voortzetting en betaling kunnen worden uitgesteld wanneer directe afrekening de onderneming in gevaar brengt. De OECD beveelt bij belastingen op vermogensoverdracht aan kleine verkrijgingen vrij te stellen en progressie te gebruiken, maar waarschuwt tegelijk dat ruime uitzonderingen voor ondernemingsvermogen de belastinggrondslag en gelijkheid kunnen ondermijnen.

Liquiditeitsproblemen: uitstel boven vrijstelling

Het belangrijkste bezwaar tegen een jaarlijkse vermogensbelasting is dat de heffing kan drukken op vermogen dat geen liquide kasstroom oplevert. Dat probleem doet zich voor bij niet-beursgenoteerde ondernemingen, landbouwgrond, vastgoed, kunst, de eigen woning en andere illiquide bezittingen.

De oplossing behoort primair te liggen in uitstel van betaling, niet in permanente vrijstelling. Een vrijstelling laat de economische draagkracht volledig buiten beschouwing en bevoordeelt illiquide vermogens boven liquide vermogens. Uitstel erkent daarentegen de belastingclaim, maar voorkomt dat de belastingplichtige onmiddellijk activa moet verkopen.

Uitstel kan worden verleend voor zover de verschuldigde vermogensbelasting een wettelijk percentage van de beschikbare liquide inkomsten en kasmiddelen overschrijdt. Het uitgestelde bedrag wordt rentedragend doorgeschoven en wordt uiterlijk ingevorderd bij verkoop, dividenduitkering, overlijden, emigratie of omzetting van het actief in liquide vermogen.

Voor de eigen woning kan een vergelijkbare regeling gelden. Ouderen met een waardevolle woning maar een laag inkomen hoeven dan niet gedwongen te verkopen, terwijl de heffing bij overdracht of overlijden alsnog kan worden voldaan.

Voor ondernemingsvermogen kan betaling over bijvoorbeeld vijf tot tien jaar worden gespreid, afhankelijk van de kasstroom en de solvabiliteit. De faciliteit eindigt wanneer omvangrijke dividenden worden uitgekeerd, eigen aandelen worden ingekocht of vermogen aan de onderneming wordt onttrokken. Het zou inconsistent zijn betalingsuitstel wegens liquiditeitsgebrek te verlenen terwijl tegelijkertijd middelen aan aandeelhouders worden uitgekeerd.

Een wettelijk veiligheidsventiel is belangrijk voor de toets aan artikel 1 EP EVRM. De proportionaliteitsbeoordeling verlangt dat de regeling als geheel een fair balance bewaart en in individuele gevallen niet leidt tot een buitensporige last. De bijgevoegde notitie wijst daarbij uitdrukkelijk op het belang van een hardheidsvoorziening, overgangstermijnen en onderzoek naar de cumulatieve effecten van verschillende maatregelen.

Anti-misbruik: economische werkelijkheid boven juridische vorm

Een progressieve vermogensbelasting creëert sterke prikkels tot herstructurering wanneer de tarieven en vrijstellingen afhangen van de vorm waarin vermogen wordt aangehouden. Een geloofwaardig stelsel vereist daarom robuuste anti-misbruikregels.

Allereerst moeten bezittingen worden toegerekend aan de uiteindelijk gerechtigde. Tussenholdingmaatschappijen, trusts, stichtingen, fondsen voor gemene rekening en buitenlandse rechtsfiguren mogen niet verhinderen dat vermogen bij de feitelijke economische eigenaar wordt belast. Het begrip uiteindelijk gerechtigde moet aansluiten bij feitelijke zeggenschap, economisch belang en beschikkingsmacht.

Ten tweede moet kunstmatige vermogenssplitsing worden tegengegaan. Overdrachten tussen partners, minderjarige kinderen, gelieerde vennootschappen of gecontroleerde stichtingen die hoofdzakelijk plaatsvinden om progressieschijven of vrijstellingen meervoudig te benutten, moeten kunnen worden samengevoegd.

Ten derde moeten verbonden schulden kritisch worden beoordeeld. Schulden aan gelieerde personen of lichamen zijn alleen aftrekbaar wanneer zij economisch reëel, zakelijk geprijsd en daadwerkelijk gefinancierd zijn. Circulaire financiering, back-to-backleningen en schuldconstructies zonder reëel debiteurenrisico behoren buiten aanmerking te blijven.

Ten vierde is een algemene anti-omzettingsregel nodig. Wanneer passief beleggingsvermogen kort voor de peildatum wordt ingebracht in een onderneming, stichting of pensioenproduct zonder wezenlijke economische functiewijziging, behoudt het voor de vermogensbelasting zijn passieve karakter.

Ten vijfde moet emigratie worden gereguleerd binnen de grenzen van het Unierecht. Een emigratieheffing over toekomstige vermogensbelasting is moeilijk te rechtvaardigen, maar uitstel- en conserveringsregelingen kunnen worden gebruikt voor reeds opgebouwde belastingclaims, mits zij proportioneel zijn en het vrije verkeer niet verder beperken dan noodzakelijk.

Anti-misbruikregels moeten gericht en voorzienbaar zijn. Een al te open norm kan grote rechtsonzekerheid veroorzaken. Daarom moet de wet voorbeelden, safe-harbours en duidelijke tegenbewijsregelingen bevatten. Belastingplichtigen moeten kunnen aantonen dat een structuur overwegend zakelijke of familiale redenen heeft en geen kunstmatige belastingontwijking vormt.

Internationale informatie-uitwisseling

Een nationale vermogensbelasting is alleen uitvoerbaar wanneer Nederland zicht heeft op buitenlandse banktegoeden, effecten, vastgoed, vennootschappen en juridische structuren. Automatische gegevensuitwisseling, UBO-registers, landenrapportages en samenwerking binnen EU- en OESO-verband zijn daarom geen bijkomende hulpmiddelen, maar randvoorwaarden voor gelijke heffing.

Buitenlandse bezittingen moeten op dezelfde wijze worden belast als vergelijkbare Nederlandse bezittingen. Extra bewijsverplichtingen kunnen alleen worden opgelegd wanneer zij nodig zijn vanwege ontbrekende of minder betrouwbare gegevens. Een algemene benadeling van buitenlandse investeringen zou kunnen botsen met het vrije kapitaalverkeer.

De Belastingdienst moet beschikken over een gespecialiseerde eenheid voor zeer vermogende personen en complexe vermogensstructuren. De OECD benadrukt dat toezicht op high-net-worth individuals om specifieke expertise vraagt, omdat deze groep toegang heeft tot complexe grensoverschrijdende structuren en geavanceerde fiscale advisering.

Uitvoerbaarheid: eenvoud als rechtsstatelijke waarde

Uitvoerbaarheid is niet alleen een praktische randvoorwaarde, maar ook een onderdeel van rechtvaardigheid en rechtszekerheid. Een theoretisch perfecte belasting die niet uniform kan worden uitgevoerd, treft vooral belastingplichtigen met transparante vermogens en bevoordeelt degenen die ingewikkelde structuren kunnen opzetten.

De invoering moet daarom worden beperkt tot een relatief kleine populatie met zeer grote vermogens. Een hoge vrijstelling vermindert niet alleen de maatschappelijke reikwijdte, maar ook het aantal complexe waarderingen. Dat maakt intensiever toezicht per belastingplichtige mogelijk.

De aangifte moet zo veel mogelijk vooraf worden ingevuld met gegevens van banken, beleggingsinstellingen, notarissen, het Kadaster, verzekeraars en vennootschappen. Voor niet-beursgenoteerde belangen moet een digitaal waarderingsdossier worden ontwikkeld waarin de waarderingsmethode, relevante jaarcijfers en eventuele deskundigenrapporten worden vastgelegd.

Er moet een voor bezwaar vatbare waarderingsbeschikking kunnen worden afgegeven, bij voorkeur voor meerdere jaren wanneer zich geen wezenlijke wijzigingen voordoen. Daardoor wordt voorkomen dat jaarlijks hetzelfde waarderingsgeschil terugkeert.

De wetgever moet vooraf een uitvoeringstoets, doenvermogentoets, doenlijkheidstoets voor ondernemingen, privacytoets en handhaafbaarheidstoets laten uitvoeren. De benodigde ICT en personele capaciteit moeten vóór invoering beschikbaar zijn. De problemen rond box 3 tonen dat fiscale hervormingen niet verantwoord zijn wanneer de uitvoering afhankelijk wordt gemaakt van systemen die nog niet operationeel zijn. De tegenbewijsregeling en de overgang naar werkelijk rendement leggen volgens de overheid aanzienlijke lasten op aan zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst.

Een invoering zonder betrouwbare gegevens over niet-beursgenoteerde ondernemingen, buitenlandse vermogens en schulden zou daarom onverantwoord zijn. De belasting moet pas ingaan nadat ten minste twee volledige proefjaren met gegevensaanlevering en waarderingssimulaties zijn doorlopen.

Overgangsrecht: voorzienbaarheid en geleidelijke invoering

Een nieuwe jaarlijkse vermogensbelasting verandert de fiscale behandeling van bestaande vermogensposities. Hoewel belastingplichtigen geen recht hebben op onbeperkte voortzetting van het bestaande belastingregime, verlangt het rechtszekerheidsbeginsel dat zij voldoende tijd krijgen om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden.

De wet moet ten minste twee jaar vóór de eerste heffingsdatum zijn gepubliceerd. In het eerste jaar kan worden gewerkt met een aangifte- en registratieplicht zonder volledige heffing. Dit zogenoemde schaduwjaar maakt het mogelijk waarderingsproblemen, gegevenshiaten en uitvoeringsfouten te identificeren voordat financiële verplichtingen ontstaan.

De tarieven kunnen vervolgens in drie stappen worden ingevoerd. Bijvoorbeeld 50% van het uiteindelijke tarief in het eerste heffingsjaar, 75% in het tweede en 100% vanaf het derde jaar. Deze gefaseerde invoering beperkt schokeffecten en maakt evaluatie mogelijk.

Voor reeds bestaande ondernemingsstructuren moet geen onbeperkt eerbiedigend recht gelden. Dat zou willekeurige verschillen tussen oud en nieuw vermogen creëren en de grondslag langdurig uithollen. Wel kunnen belastingplichtigen een redelijke termijn krijgen om gegevens te verzamelen, waarderingen te laten uitvoeren en niet-zakelijke vermogensbestanddelen te ontvlechten.

Terugwerkende kracht moet worden vermeden. Alleen specifieke anti-aankondigingseffectmaatregelen kunnen vanaf het moment van officiële bekendmaking van het wetsvoornemen gelden, mits zij nauwkeurig zijn begrensd en nodig zijn om evidente ontwijking tussen aankondiging en inwerkingtreding te voorkomen.

Na drie jaar moet een wettelijke evaluatie plaatsvinden. Daarbij moeten ten minste de opbrengst, uitvoeringskosten, kapitaal- en migratie-effecten, investeringen, belastingontwijking, verdelingseffecten en samenloop met box 3 en de erfbelasting worden onderzocht. De evaluatie moet voorzien in automatische heroverweging van uitzonderingen en faciliteiten. Tijdelijke faciliteiten vervallen tenzij hun noodzaak opnieuw overtuigend wordt aangetoond.

Bestemming van de opbrengst

Hoewel belastingopbrengsten juridisch doorgaans niet geoormerkt hoeven te worden, versterkt een herkenbare bestemming de normatieve en democratische legitimiteit. De opbrengst kan worden gebruikt voor een verlaging van de belasting op lage en middeninkomens uit arbeid, investeringen in onderwijs en woningbouw en versterking van de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst.

Een directe koppeling aan lagere lasten op arbeid maakt zichtbaar dat het niet gaat om een geïsoleerde lastenverzwaring, maar om een verschuiving van de fiscale mix. Wie via arbeid inkomen verwerft, wordt relatief ontzien; wie beschikt over een uitzonderlijk groot vermogen, levert een aanvullende bijdrage aan de instituties die de bescherming en groei van dat vermogen mede mogelijk maken.

Juridische motivering van het wetsvoorstel

De memorie van toelichting moet veel verder gaan dan een algemene verwijzing naar draagkracht of ongelijkheid. Zij moet ten minste bevatten:

·         actuele gegevens over de Nederlandse vermogensverdeling;

·         de verhouding tussen belasting op arbeid, kapitaalinkomen, bezit en overdracht;

·         een analyse van alternatieven, waaronder versterking van box 3, kapitaalwinstbelasting en erfbelasting;

·         een motivering waarom een aanvullende nettovermogensbelasting noodzakelijk en geschikt is;

·         een onderbouwing van vrijstellingen, schijfgrenzen en tarieven;

·         een analyse van de behandeling van actief en passief vermogen;

·         berekeningen van de cumulatieve last bij verschillende rendementen;

·         een afzonderlijke toets aan artikel 1 EP EVRM, artikel 14 EVRM, het EU-Handvest en het vrije kapitaalverkeer;

·         een beoordeling van individuele buitensporige lasten;

·         de uitvoeringstoets en de resultaten van consultatie met ondernemingen, werknemersorganisaties, belastingadviseurs en maatschappelijke organisaties.

Breng vooraf in kaart welke groepen worden geraakt, formuleer het algemeen belang scherp, onderbouw geschiktheid en proportionaliteit, onderzoek minder belastende alternatieven en neem waar nodig een veiligheidsventiel en overgangsregeling op.

Conclusie

Een Nederlandse progressieve vermogensbelasting kan juridisch, economisch en normatief houdbaar worden vormgegeven, maar alleen wanneer zij scherp wordt gericht op zeer grote nettovermogens en onderdeel vormt van een samenhangende belastingmix. De kern behoort te bestaan uit een hoge heffingsvrije voet, gematigde progressieve tarieven, een brede grondslag, marktconforme waardering en beperkte uitzonderingen.

Actief ondernemingsvermogen moet niet volledig worden vrijgesteld. Gerichte waarderingsfaciliteiten en uitstel van betaling zijn beter verdedigbaar dan categorische uitzonderingen. Passief vermogen, economische rente en beleggingsvermogen behoren ongeacht hun juridische verpakking zo veel mogelijk gelijk te worden behandeld. Liquiditeitsproblemen moeten worden opgelost door gespreide of uitgestelde invordering, niet door permanente uitsluiting van grote vermogens uit de grondslag.

De belangrijkste les van box 3 is dat eenvoud niet mag worden gezocht in ficties die structureel van de werkelijkheid afwijken. De eenvoud van een nieuwe vermogensbelasting moet juist voortkomen uit een hoge drempel, een beperkte doelgroep, vooraf ingevulde gegevens en consistente waarderingsregels. Alleen zo ontstaat een stelsel dat niet uitsluitend op papier rechtvaardig is, maar ook in de uitvoering transparant, corrigeerbaar en rechtsstatelijk betrouwbaar blijft.

 


Lees hier het volledige onderzoek Fiscale rechtvaardigheid in de democratische rechtsstaat:

https://www.researchgate.net/publication/409445371_Fiscale_rechtvaardigheid_in_de_democratische_rechtsstaat

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is