Bedreigt vermogensongelijkheid onze democratie meer dan hoge belastingen? Joseph Stiglitz geeft een verrassend antwoord.

 Joseph E. Stiglitz behoort tot de meest invloedrijke hedendaagse economen op het terrein van economische ongelijkheid, marktfalen en publieke instituties. Als Nobelprijswinnaar economie heeft hij gedurende meerdere decennia een omvangrijk oeuvre opgebouwd waarin hij betoogt dat belastingen niet uitsluitend moeten worden beschouwd als een instrument voor de financiering van overheidsuitgaven, maar als een fundamenteel onderdeel van de institutionele ordening van een democratische samenleving. In zijn visie kunnen belastingen slechts worden beoordeeld in samenhang met de wijze waarop markten functioneren, economische macht wordt verdeeld en publieke instituties de voorwaarden scheppen waaronder burgers hun capaciteiten kunnen ontwikkelen. Fiscale rechtvaardigheid is daarmee geen geïsoleerd vraagstuk van belastingtechniek, maar raakt aan de inrichting van de gehele politieke economie.

Een centraal uitgangspunt in Stiglitz' werk is dat markten niet spontaan leiden tot maatschappelijk rechtvaardige of economisch efficiënte uitkomsten. Anders dan in de klassieke neoklassieke benadering worden markten volgens hem voortdurend gevormd door juridische regels, eigendomsrechten, belastingwetgeving, mededingingsbeleid, financiële regulering en politieke instituties. De verdeling van inkomens en vermogens kan daarom niet worden opgevat als een neutraal resultaat van individuele verdiensten of productiviteit alleen, maar weerspiegelt mede de institutionele keuzes die een samenleving maakt. Ongelijkheid is in deze benadering geen natuurverschijnsel, maar een politiek en institutioneel geproduceerde uitkomst.

Vanuit dit perspectief verwerpt Stiglitz de gedachte dat belastingheffing primair een verstoring vormt van een overigens efficiënt functionerende markt. Integendeel, zonder collectieve voorzieningen, rechtsbescherming, infrastructuur, onderwijs, wetenschap en een goed functionerende overheid zouden markten volgens hem juist niet in staat zijn duurzaam welvaart te creëren. Belastingen vormen daarom de prijs die burgers betalen voor de institutionele voorwaarden waaronder economische activiteit überhaupt mogelijk wordt. Daarmee sluit Stiglitz aan bij een institutionele benadering van de economie waarin publieke investeringen niet als consumptieve uitgaven worden beschouwd, maar als productieve investeringen in menselijk kapitaal, economische groei en maatschappelijke stabiliteit.

Binnen deze institutionele visie neemt het draagkrachtbeginsel een centrale plaats in. Volgens Stiglitz rechtvaardigt de afnemende marginale waarde van inkomen een progressieve belastingheffing. Naarmate inkomens stijgen, neemt de maatschappelijke opoffering die gepaard gaat met belastingbetaling relatief af, terwijl de opbrengsten kunnen worden ingezet voor publieke voorzieningen waarvan de gehele samenleving profiteert. Progressieve belastingheffing vormt daarmee geen straf op economisch succes, maar een correctiemechanisme dat rekening houdt met het feit dat individuele economische prestaties mede afhankelijk zijn van collectieve instituties en maatschappelijke infrastructuren.

Een bijzonder aandachtspunt vormt daarbij de belastingheffing over vermogen. Stiglitz constateert dat in moderne economieën vermogensongelijkheid sneller groeit dan inkomensongelijkheid. Vermogen genereert immers rendement, waardoor reeds bestaande vermogens zich autonoom kunnen uitbreiden zonder dat daar noodzakelijkerwijs nieuwe productieve arbeid tegenover staat. Hierdoor ontstaat een zichzelf versterkend proces van vermogensconcentratie dat niet alleen economische, maar ook politieke gevolgen heeft. Grote vermogens verschaffen immers mogelijkheden tot politieke beïnvloeding, lobbyactiviteiten, marktmacht en institutionele beïnvloeding. Om die reden bepleit Stiglitz een evenwichtiger belasting van kapitaalinkomen, grote vermogens, nalatenschappen en monopoliewinsten. Volgens hem is moeilijk verdedigbaar dat inkomen uit vermogen in veel belastingstelsels gunstiger wordt behandeld dan inkomen uit arbeid, terwijl juist vermogen de belangrijkste bron vormt van structurele economische machtsconcentratie.

In dit verband richt Stiglitz tevens zijn aandacht op internationale belastingontwijking en belastingconcurrentie. De globalisering van kapitaalstromen en de mogelijkheid voor multinationale ondernemingen om winsten naar laagbelastende jurisdicties te verschuiven, ondermijnen volgens hem zowel de financiering van publieke voorzieningen als het vertrouwen in democratische instituties. Wanneer grote ondernemingen en zeer vermogende particulieren zich grotendeels aan belastingheffing kunnen onttrekken, terwijl werknemers en kleinere ondernemingen hun volledige fiscale verplichtingen blijven dragen, ontstaat een fundamentele aantasting van de legitimiteit van het belastingstelsel. Daarom pleit Stiglitz voor intensieve internationale samenwerking, automatische informatie-uitwisseling, grotere fiscale transparantie en mondiale minimumnormen voor de belastingheffing op ondernemingswinsten.

Een belangrijk kenmerk van Stiglitz' benadering is dat hij de klassieke tegenstelling tussen economische efficiëntie en rechtvaardigheid grotendeels verwerpt. Waar traditionele economische theorieën veelal uitgaan van een onvermijdelijke afruil tussen herverdeling en economische groei, betoogt Stiglitz dat buitensporige ongelijkheid juist economische inefficiënties veroorzaakt. Extreme vermogens- en inkomensconcentraties beperken de sociale mobiliteit, verminderen investeringen in onderwijs en menselijk kapitaal, vergroten financiële instabiliteit en verminderen de concurrentie doordat economische macht zich concentreert in monopolistische structuren. Een rechtvaardiger belastingstelsel kan daardoor niet alleen bijdragen aan een eerlijkere verdeling van middelen, maar tevens aan hogere productiviteit, innovatie en duurzame economische groei.

De democratische dimensie van belastingheffing vormt uiteindelijk de kern van Stiglitz' fiscale theorie. Economische ongelijkheid vertaalt zich volgens hem onvermijdelijk in politieke ongelijkheid wanneer grote vermogens disproportionele invloed verkrijgen op wetgeving, verkiezingen, media en beleidsvorming. Een rechtvaardig belastingstelsel draagt daarom niet uitsluitend bij aan herverdeling, maar beschermt tevens de democratische rechtsstaat tegen de concentratie van economische en politieke macht. Belastingen fungeren aldus als institutioneel instrument ter waarborging van politieke gelijkheid, maatschappelijke cohesie en democratische legitimiteit.

Vanuit het mens- en samenlevingswordingsmodel krijgt Stiglitz' analyse een bredere normatieve betekenis. Zijn institutionele benadering bevestigt dat belastingen niet uitsluitend dienen te worden beoordeeld op hun budgettaire opbrengst of economische efficiëntie, maar op de bijdrage die zij leveren aan de voorwaarden waaronder mensen zich kunnen ontwikkelen. Publieke investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, rechtsbescherming, bestaanszekerheid en democratische instituties vergroten niet alleen de economische productiviteit, maar versterken tevens autonomie, participatie, gelijkwaardigheid en maatschappelijke corrigeerbaarheid. Daarmee vormen belastingen een wezenlijk onderdeel van de institutionele architectuur waarbinnen zowel individuele menswording als duurzame samenlevingswording kunnen plaatsvinden.




Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties