Waarom laten we de rekening betalen door wie het leven al het hardst raakt?

 

Besparen op sociale zekerheid is geen neutrale boekhouding

De huidige Nederlandse regeringsplannen raken de sociale zekerheid op meerdere punten. Het gaat onder meer om het verkorten van de maximale WW-duur tot één jaar, strengere toegangseisen voor de WW, een lagere opbouw van WW-rechten, doorwerking naar de loongerelateerde WGA, verlaging van het maximumdagloon, het verdwijnen van de IVA voor nieuwe WIA-aanvragers, verlaging van re-integratiebudgetten en een snellere koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting. Ook in de zorg zijn maatregelen voorzien die kwetsbare groepen kunnen raken, zoals hogere of nieuwe eigen bijdragen en beperkingen in voorzieningen.

Op papier zijn dit begrotingsmaatregelen. Maar maatschappelijk zijn het ingrepen in bestaanszekerheid. Zij raken mensen op momenten waarop hun positie juist kwetsbaar is: bij werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom of zorgafhankelijkheid.

Daarbij moet een belangrijk onderscheid worden gemaakt. De AOW is een algemene volksverzekering. Zij vormt een collectieve basisvoorziening voor ouderdom en wordt niet opgebouwd als individueel tegoed. WW, WIA en WGA hebben een ander karakter. Dat zijn werknemersverzekeringen, verbonden met arbeid, loon en premies. Werkgevers en werknemers hebben gedurende de loopbaan premie betaald om inkomensbescherming te organiseren bij werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Juridisch zijn die premies geen persoonlijke spaarrekening. Maar sociaal en moreel functioneren zij wel als een verzekeringsbelofte. Wie jarenlang heeft gewerkt en premie heeft afgedragen, mag verwachten dat het stelsel bescherming biedt wanneer het risico zich voordoet. Wanneer de overheid tussentijds de voorwaarden versobert om begrotingsruimte te creëren voor andere uitgaven, wordt die vertrouwensrelatie aangetast.

Dat voelt onrechtvaardig omdat de rekening wordt gelegd bij mensen die op dat moment weinig keuzevrijheid hebben. Iemand kiest er niet voor om arbeidsongeschikt te worden. Iemand kiest er vaak niet voor om zijn baan te verliezen. Juist daarom bestaan werknemersverzekeringen: om individuele pech, economische schokken en gezondheidsrisico’s collectief op te vangen.

De kernvraag is dus niet alleen: hoeveel levert een bezuiniging op? De kernvraag is: bij wie wordt die opbrengst gehaald, en wat doet dat met bestaanszekerheid, vertrouwen en menselijke waardigheid?

Nederland kent niet alleen inkomensverschillen, maar vooral grote vermogensverschillen. Dat is belangrijk, omdat vermogen meer is dan geld op een rekening. Vermogen betekent zekerheid, keuzevrijheid, invloed, bescherming tegen tegenslag en de mogelijkheid om kansen door te geven aan volgende generaties.

Volgens het CBS hadden Nederlandse huishoudens begin 2023 samen ruim 2,6 biljoen euro aan vermogen. Daarvan was bijna 1,5 biljoen euro in handen van de rijkste 10 procent huishoudens. Deze groep bezit daarmee 56 procent van al het huishoudvermogen in Nederland. De rijkste 1 procent bezit 23 procent, en de rijkste 0,1 procent bezit ongeveer 10 procent van het totale vermogen. Dat laatste komt neer op ongeveer 260 miljard euro bij circa 8.200 huishoudens.

Dat laat zien hoe scheef vermogen verdeeld is. De inkomensongelijkheid in Nederland is relatief beperkt, maar de vermogensongelijkheid is veel groter. Het CBS noemt voor 2022 een inkomens-Gini van 0,285, terwijl de vermogens-Gini 0,711 bedroeg. Hoe dichter bij 1, hoe ongelijker de verdeling. Vermogen is dus veel sterker geconcentreerd dan inkomen.

Daarom is het redelijk om bij besparingen op sociale zekerheid ook naar grote vermogens te kijken. Stel dat de overheid ongeveer 6,8 miljard euro per jaar wil besparen op sociale zekerheid. Als dat bedrag zou worden opgehaald bij de rijkste 10 procent huishoudens, dan gaat het om een heffing van ongeveer 0,45 procent per jaar op hun gezamenlijke vermogen van bijna 1.500 miljard euro. Dat is minder dan een half procent. In gewone taal: van elke 100.000 euro vermogen bovenin de vermogensverdeling zou dan ongeveer 450 euro per jaar worden gevraagd.

Als de overheid de bijdrage smaller zou richten op de rijkste 1 procent huishoudens, dan verandert de rekensom. Deze groep bezit ongeveer 23 procent van het totale vermogen, dus ongeveer 600 miljard euro. Om 6,8 miljard euro op te halen, zou een jaarlijkse heffing van ongeveer 1,1 procent nodig zijn. Bij 100.000 euro vermogen binnen deze groep gaat het dan om ongeveer 1.100 euro per jaar.

Als de bijdrage alleen zou worden gevraagd van de rijkste 0,1 procent huishoudens, die samen ongeveer 260 miljard euro bezitten, dan zou een heffing van ongeveer 2,6 procent per jaar nodig zijn om 6,8 miljard euro op te halen. Dat is fors, maar het maakt wel zichtbaar hoe groot de vermogens aan de top zijn: zelfs een relatief kleine groep beschikt over genoeg vermogen om een zeer grote bezuiniging op sociale zekerheid in beginsel te vervangen.

Deze rekensommen zijn geen kant-en-klaar belastingvoorstel. Er zijn vragen over uitvoerbaarheid, waardering van ondernemingsvermogen, pensioenvermogen, ontwijking en gedragseffecten. Maar ze laten wel iets belangrijks zien: bezuinigen op WW, WIA, zorg en bestaanszekerheid is geen onvermijdelijkheid. Het is een politieke keuze.

Normatief maakt dat uit. Sociale zekerheid beschermt mensen wanneer zij kwetsbaar worden. Grote vermogens beschermen mensen juist tegen kwetsbaarheid. Wie dan eerst snijdt in bestaanszekerheid, terwijl geconcentreerde rijkdom relatief wordt ontzien, kiest niet neutraal. Dan wordt de zwaarste last gelegd bij mensen die de minste veerkracht hebben om die last te dragen.

Dat zijn geen uitgewerkte wetsvoorstellen. Er zijn uitvoeringsvragen, waarderingsproblemen, ontwijkingsrisico’s en gedragseffecten. Maar de rekensom maakt wel iets zichtbaar: er bestaan alternatieven voor het versoberen van bestaanszekerheid. De keuze om juist sociale zekerheid te raken is dus geen natuurwet. Het is een politieke en morele keuze.

Vanuit een rechtvaardigheidsperspectief is een dergelijke keuze moeilijk te verdedigen wanneer zij vooral terechtkomt bij mensen die toch al kwetsbaar zijn. Ongelijkheid is niet per definitie onrechtvaardig. Verschillen in inkomen of vermogen kunnen maatschappelijk aanvaardbaar zijn wanneer zij bijdragen aan innovatie, economische dynamiek of investeringen die uiteindelijk ook de minst bevoordeelden ten goede komen. Problematisch wordt het wanneer de voordelen van economische groei zich vooral concentreren aan de top, terwijl de lasten van bezuinigingen worden neergelegd bij mensen die afhankelijk zijn van sociale zekerheid, zorg of andere publieke voorzieningen.

Een rechtvaardige samenleving moet daarom niet alleen kijken naar de totale omvang van de welvaart, maar ook naar de vraag hoe die welvaart wordt verdeeld en welke gevolgen beleidskeuzes hebben voor degenen die het kwetsbaarst zijn. Wanneer besparingen op WW, WIA, zorg of andere bestaansvoorzieningen leiden tot meer onzekerheid, slechtere gezondheid, minder participatiemogelijkheden of grotere sociale uitsluiting, dan verslechtert juist de positie van degenen die al het minste hebben om op terug te vallen.

Daarbij gaat het niet alleen om inkomen. Een menswaardig bestaan vereist dat mensen daadwerkelijk in staat zijn hun leven vorm te geven. Dat vraagt toegang tot gezondheid, huisvesting, onderwijs, sociale relaties, maatschappelijke participatie, veiligheid en de mogelijkheid om plannen te maken voor de toekomst. Wie bestaanszekerheid verliest, verliest vaak veel meer dan alleen koopkracht. Onzekerheid werkt door in gezondheid, gezinsleven, sociale contacten, kansen op de arbeidsmarkt en vertrouwen in de samenleving. Een verlaging van een uitkering of een hogere zorgrekening kan daardoor gevolgen hebben die veel verder reiken dan het directe financiële effect.

Daar komt een tweede rechtvaardigheidsargument bij. De maatschappelijke betekenis van geld is niet voor iedereen gelijk. Voor iemand met een laag inkomen kan een paar honderd euro per maand het verschil betekenen tussen een stabiel bestaan en problematische schulden, tussen voldoende verwarming of kou, tussen deelname aan de samenleving of sociale uitsluiting. Voor iemand met een vermogen van enkele miljoenen euro's heeft een vergelijkbaar bedrag nauwelijks invloed op de dagelijkse levenskwaliteit.

Economisch onderzoek laat al decennialang zien dat de bijdrage van extra inkomen of vermogen aan welzijn afneemt naarmate mensen rijker worden. De eerste euro's voorzien in basisbehoeften en vergroten vrijheid en veiligheid enorm. Daarna neemt het extra welzijnseffect steeds verder af. Het verlies van enkele duizenden euro's heeft voor een uitkeringsgerechtigde of chronisch zieke vaak veel grotere gevolgen dan een veelvoud daarvan voor een multimiljonair.

Bovendien vervullen grote vermogens tegenwoordig niet alleen een consumptieve functie. Zij vertegenwoordigen ook economische macht, politieke invloed, toegang tot exclusieve kansen, bescherming tegen risico's en de mogelijkheid om voordelen door te geven aan volgende generaties. Naarmate vermogens groter worden, groeit hun betekenis als bron van maatschappelijke invloed vaak sneller dan hun betekenis voor individueel welzijn.

Daarmee raakt de discussie ook aan een bredere ontwikkeling die in veel westerse landen zichtbaar is. Vermogens groeien vaak sneller dan de economie als geheel en sneller dan de inkomens uit arbeid. Daardoor kan rijkdom zich steeds verder concentreren bij relatief kleine groepen huishoudens. Zonder corrigerende mechanismen ontstaat het risico dat economische kansen, politieke invloed en maatschappelijke positie steeds sterker afhankelijk worden van reeds bestaand vermogen in plaats van eigen inspanningen of talenten.

Juist daarom is het redelijk om van grote vermogens een grotere bijdrage te vragen wanneer collectieve voorzieningen onder druk staan. Niet omdat succes moet worden bestraft of vermogen op zichzelf problematisch zou zijn, maar omdat de maatschappelijke gevolgen van een extra bijdrage aan de top veel kleiner zijn dan de gevolgen van een vergelijkbare bezuiniging voor mensen die afhankelijk zijn van sociale zekerheid, zorg of andere publieke voorzieningen.

Vanuit het perspectief van een rechtvaardige en menselijke samenleving ligt het daarom meer voor de hand om eerst te kijken naar draagkracht waar de gevolgen voor welzijn beperkt zijn, dan naar besparingen die rechtstreeks ingrijpen op bestaanszekerheid, gezondheid en menselijke ontwikkelingsmogelijkheden. De vraag is uiteindelijk niet alleen hoeveel geld de overheid nodig heeft, maar ook welke groepen de gevolgen van politieke keuzes het zwaarst voelen en of die verdeling van lasten moreel verdedigbaar is.

Binnen het mens- en samenlevingswordingsmodel raakt dit aan een fundamenteel uitgangspunt: instituties behoren voorwaarden te scheppen waaronder mensen zich kunnen ontwikkelen, deelnemen en een waardig bestaan kunnen opbouwen. Wanneer financiële keuzes ertoe leiden dat juist de meest kwetsbaren minder zekerheid, minder gezondheid, minder ontwikkelingsruimte en minder toekomstperspectief krijgen, terwijl grote vermogens grotendeels ongemoeid blijven, ontstaat spanning met het ideaal van een samenleving die niet alleen welvarend, maar ook rechtvaardig en menselijk wil zijn.

Diezelfde vraag speelt bij de zorg. Wanneer het eigen risico stijgt of zorgbijdragen toenemen, treft dat vooral mensen die zorg nodig hebben. Gezonde mensen met hoge inkomens kunnen zulke lasten vaak dragen. Mensen met chronische aandoeningen, lage inkomens of onzekere arbeid ervaren dezelfde maatregel als een directe drempel tot zorg. Dan wordt betaalbaarheid geen abstract financieel vraagstuk, maar een grondrechtelijke kwestie. Artikel 20 Grondwet raakt aan bestaanszekerheid en spreiding van welvaart; artikel 22 Grondwet aan de zorg voor volksgezondheid. Sociale grondrechten zijn geen blanco cheque, maar zij drukken wel een duidelijke opdracht uit: organiseer de samenleving zo dat kwetsbaarheid niet wordt afgestraft.

Ook de geplande “vrijheidsbijdrage” roept vragen op. Die moet vanaf 2028 miljarden opleveren voor defensie en veiligheid, onder meer via beperkte indexatie van belastingschijven en heffingskortingen. Analyses wijzen erop dat lage en middeninkomens relatief zwaarder kunnen worden geraakt dan de hoogste inkomens.

Dat is normatief wrang. Veiligheid beschermt iedereen, maar niet iedereen heeft evenveel te verliezen. Wie grote vermogens, vastgoed, bedrijven, financiële belangen of intergenerationeel kapitaal bezit, heeft bij oorlog, instabiliteit of geopolitieke dreiging juist veel materieel belang bij collectieve veiligheid. Dan ligt het niet voor de hand om lage en middeninkomens relatief zwaarder te laten bijdragen dan de meest vermogenden.

Binnen het mens- en samenlevingswordingsmodel is de conclusie helder. Instituties zijn niet neutraal. Zij verdelen niet alleen geld, maar ook levensmogelijkheden. Sociale zekerheid, zorg, huisvesting, arbeid en veiligheid vormen de bodem waarop mensen zich kunnen ontwikkelen. Als die bodem wordt verzwakt, raakt dat niet alleen individuele koopkracht, maar ook vertrouwen, autonomie, gezondheid, participatie en democratische stabiliteit.

Een samenleving die kwetsbaarheid vooral ziet als kostenpost, verliest haar menselijke maat. Een samenleving die vermogen vooral ontziet, terwijl zij bestaanszekerheid versobert, verplaatst risico’s naar degenen die het minst in staat zijn die risico’s te dragen.

De oproep is daarom niet dat de overheid nooit mag bezuinigen. De oproep is wel dat bezuinigingen rechtvaardig, proportioneel en menswaardig moeten zijn. Wie sociale zekerheid wil hervormen, moet beginnen bij de vraag of mensen nog voldoende beschermd blijven wanneer het leven tegenzit. Wie veiligheid wil financieren, moet kijken naar draagkracht. En wie grote vermogens ongemoeid laat, moet eerlijk uitleggen waarom bestaanszekerheid eerder wordt aangesproken dan geconcentreerde rijkdom.

Een rechtvaardige en menselijke samenleving vraagt om meer dan sluitende begrotingen. Zij vraagt om instituties die lasten verdelen naar draagkracht, kwetsbaarheid beschermen en iedereen reële mogelijkheden geven om volwaardig mens te worden.



Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties