Waarom spreekt extreemrechts sommige jonge mannen online aan?

 

Gender, masculiniteit en online radicalisering

Statusdreiging is niet alleen etnisch, nationaal, cultureel of economisch; zij kan ook gendered zijn. Dat betekent dat gevoelens van verlies, vernedering en bedreigde positie mede betrekking kunnen hebben op veranderende verhoudingen tussen mannen en vrouwen, op feministische emancipatie, op lhbtiq+-rechten, op veranderende gezinsvormen en op bredere discussies over seksualiteit, genderidentiteit en macht. Waar nationale statusdreiging draait om verlies van culturele meerderheid, draait masculiniteitsdreiging om verlies van vanzelfsprekende mannelijke normativiteit. Extreemrechts verbindt beide door herstel van orde, gezag, gezin, natie en “normale” genderverhoudingen als één politiek pakket te presenteren. Daarmee wordt niet gesteld dat mannen of jonge mannen als groep vatbaar zijn voor extreemrechts, laat staan dat mannelijkheid op zichzelf problematisch is. Het gaat om specifieke vormen van masculiene statuspolitiek waarin onzekerheid, eenzaamheid, prestatiedruk of verlies aan vanzelfsprekende positie worden vertaald in vijandigheid tegenover vrouwen, feministen, lhbtiq+-personen, migranten of progressieve elites. De analytische vraag is dus niet waarom “mannen” extreemrechts zouden zijn, maar waarom bepaalde digitale en politieke omgevingen sommige mannen erkenning bieden via hiërarchie, dominantie en afgrenzing.

Deze dimensie is van belang omdat radicaal-rechtse en extreemrechtse bewegingen in veel landen relatief veel mannelijke steun aantrekken, vooral onder groepen die gevoelig zijn voor statusverlies, culturele verandering en anti-establishmentpolitiek. Dat betekent niet dat vrouwen geen radicaal-rechtse opvattingen kunnen hebben of dat mannen automatisch ontvankelijk zijn voor extreemrechts. Wel wijst het op een structureel patroon: radicaal-rechtse politiek spreekt vaak een beeld van mannelijkheid aan dat verbonden is met kracht, bescherming, hiërarchie, grensbewaking, gezag en afkeer van vermeende zwakte. De natie wordt voorgesteld als bedreigd lichaam; de leider als beschermer; de man als degene die orde moet herstellen; en feminisme, lhbtiq+-emancipatie of genderpluraliteit als tekenen van culturele ontregeling.

Masculiniteitsdreiging ontstaat wanneer mannen of jongens ervaren dat hun vroegere of veronderstelde vanzelfsprekende positie minder zeker wordt[1]. Dat kan economisch zijn, bijvoorbeeld wanneer traditionele mannelijke beroepen verdwijnen, arbeid flexibeler wordt of het kostwinnersmodel onder druk staat. Maar het kan ook cultureel en symbolisch zijn: de vanzelfsprekendheid van mannelijke autoriteit binnen gezin, werk, politiek, religie of publieke ruimte wordt bevraagd. Feminisme, #MeToo, gendergelijkheid, lhbtiq+-rechten en discussies over toxische masculiniteit worden dan niet gezien als correctie van ongelijkheid, maar als aanval op mannen als groep. Net als bij etnische of nationale statusdreiging wordt gelijkwaardigheid ervaren als verlies van rang.

Vanuit het model van eigenwaarde door uitsluiting is dit belangrijk. Sommige jonge mannen ervaren sociale onzekerheid, seksuele frustratie, economische kwetsbaarheid, eenzaamheid of gebrek aan erkenning. Op zichzelf hoeven die ervaringen niet tot extreemrechts te leiden. Zij kunnen ook worden verwerkt via vriendschap, onderwijs, werk, therapie, sport, sociale bewegingen of democratische participatie. Maar in bepaalde online omgevingen worden zij geïnterpreteerd als bewijs dat mannen worden vernederd, vervangen of onderdrukt door feminisme, migratie, “woke” cultuur, lhbtiq+-emancipatie of een vermeende kosmopolitische elite. Daarmee wordt persoonlijke onzekerheid omgezet in collectieve krenking.

Online radicalisering speelt hierbij een bijzondere rol. Digitale platforms, fora, video-omgevingen, gamingculturen, meme-netwerken en algoritmische aanbevelingssystemen kunnen jonge mannen blootstellen aan steeds radicalere interpretaties van hun frustraties. Wat begint als ironie, provocatie of anti-politiek-correcte humor kan geleidelijk verschuiven naar misogynie, racisme, complotdenken, antisemitisme, anti-lhbtiq+-retoriek en autoritair-nationalistische politiek. Deze verschuiving verloopt vaak niet via formele ideologische scholing, maar via affectieve gewenning: herhaalde spot, vernedering van outgroups, gedeelde memes, vijandbeelden en het gevoel onderdeel te zijn van een gemeenschap die “ziet wat anderen niet durven zeggen”.

De incelachtige en bredere manosphere-culturen vormen hiervan een duidelijke illustratie. Daar wordt persoonlijke frustratie over relaties, seksualiteit of sociale status vaak vertaald in een verhaal waarin vrouwen, feministen, seksueel succesvolle mannen, migranten of liberale elites verantwoordelijk worden gemaakt voor de eigen mislukking. De individuele ervaring van afwijzing wordt collectief gemaakt: “mannen zoals wij” zouden structureel vernederd worden door een samenleving die vrouwen, minderheden en “zwakke” mannen bevoordeelt. Dit mechanisme vertoont sterke parallellen met de bredere radicaal-rechtse logica van ressentiment: persoonlijke pijn wordt omgezet in groepskrenking, groepskrenking in vijandbeeld, en vijandbeeld in verlangen naar herstel van hiërarchie.

Hier sluit masculiniteitsdreiging aan bij sociale-dominantieoriëntatie en autoritarisme. Wie mannelijkheid begrijpt in termen van dominantie, controle en rangorde, kan gendergelijkheid ervaren als verlies van natuurlijke orde. Wie sterk gericht is op autoriteit en conformiteit, kan genderpluraliteit of lhbtiq+-zichtbaarheid interpreteren als normatieve chaos. Extreemrechts biedt dan een aantrekkelijk antwoord: herstel van grenzen, herstel van gezin, herstel van gezag, herstel van traditionele rollen. De belofte is niet alleen politiek, maar ook existentieel: mannen zouden hun plaats, kracht en betekenis terugkrijgen in een samenleving die opnieuw duidelijk onderscheid maakt tussen man en vrouw, eigen en vreemd, normaal en afwijkend, orde en verval. Deze bevindingen moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd. Sociale-dominantieoriëntatie en autoritarisme verklaren niet mechanisch waarom iemand radicaal-rechts stemt. Zij wijzen op disposities die bepaalde politieke boodschappen aantrekkelijker kunnen maken, vooral wanneer die boodschappen groepen tegenover elkaar plaatsen, sociale verandering als bedreiging framen en harde ordehandhaving beloven. De causale richting kan bovendien wederkerig zijn: autoritaire en hiërarchische attitudes kunnen steun voor extreemrechts vergroten, maar langdurige blootstelling aan extreemrechtse communicatie kan zulke attitudes ook versterken. Het gaat daarom niet om een individuele diagnose, maar om een sociaal-psychologisch versterkingsmechanisme.

De verbinding tussen gender en natie is daarbij cruciaal. In radicaal-rechtse retoriek wordt de bescherming van vrouwenrechten soms selectief ingezet tegen migranten of moslims, terwijl feminisme en gendergelijkheid tegelijkertijd worden aangevallen wanneer zij bestaande mannelijke dominantie ter discussie stellen. Dit dubbele patroon laat zien dat het niet altijd om consistente emancipatie gaat, maar om instrumentele genderpolitiek[2]. “Onze vrouwen” moeten worden beschermd tegen “vreemde mannen”, terwijl vrouwen die feministische of lhbtiq+-inclusieve politiek verdedigen als bedreiging van de nationale of morele orde worden geframed. Zo worden gender, seksualiteit, religie en nationaliteit in één uitsluitingslogica samengebracht.

Ook lhbtiq+-personen krijgen daarin een symbolische functie. Zij worden niet alleen gezien als burgers met gelijke rechten, maar als tekenen van vermeende culturele decadentie, morele verwarring of “opgedrongen ideologie”. Vooral trans personen en discussies over genderidentiteit functioneren in hedendaagse radicaal-rechtse communicatie vaak als mobiliserende symbolen. Zij maken het mogelijk om bredere onzekerheden over verandering, opvoeding, onderwijs, wetenschap, taal en autonomie te bundelen in één moreel paniekframe. De vraag is dan niet meer hoe een democratische samenleving zorgvuldig omgaat met diversiteit en rechten, maar hoe “normale mensen” zich kunnen verdedigen tegen een vermeende ideologische aanval.

Daarmee verdiept gender de centrale these van dit artikel. Eigenwaarde door uitsluiting werkt niet alleen via nationale of etnische afbakening, maar ook via genderhiërarchie. Sommige mannen kunnen symbolische status ontlenen aan het behoren tot een vermeend natuurlijke of bedreigde mannelijke orde. Feministen, lhbtiq+-personen, migrantenmannen, “woke elites” of seksueel succesvolle anderen functioneren dan als contrastfiguren waartegen de eigen mannelijkheid kan worden hersteld. De eigen groep wordt opnieuw positief gemaakt door anderen als zwak, decadent, gevaarlijk, onnatuurlijk of vijandig voor te stellen.

Deze dynamiek raakt ook aan klasse en opleiding. Jonge mannen die weinig perspectief ervaren op stabiel werk, huisvesting, relationele zekerheid of sociale erkenning kunnen extra gevoelig zijn voor verhalen die hun frustratie niet verklaren vanuit economische onzekerheid of sociale isolatie, maar vanuit vernedering door feminisme, migratie of progressieve cultuur. Tegelijk mag dit niet worden gereduceerd tot sociaaleconomische achterstand. Ook hoger opgeleide mannen kunnen zich aangesproken voelen door anti-feministische, anti-woke of autoritaire discoursen wanneer zij ervaren dat hun vanzelfsprekende culturele positie wordt bevraagd. Masculiniteitsdreiging is dus niet alleen een klassenfenomeen, maar een relationeel statusfenomeen.

De online dimensie versterkt dit doordat digitale omgevingen alternatieve erkenningsgemeenschappen bieden. Jongeren die offline weinig status ervaren, kunnen online status krijgen door provocerende humor, radicale uitspraken, kennis van memes, deelname aan subculturen of agressieve afbakening tegenover “zwakke” of “woke” buitenstaanders[3]. Die erkenning is laagdrempelig en onmiddellijk. Zij biedt verbondenheid, taal, vijanden en een gevoel van superioriteit. Precies daardoor kan zij aantrekkelijk zijn voor jongeren die zich sociaal onzeker of buitengesloten voelen. Maar zij biedt erkenning in exclusieve vorm: men telt mee doordat men anderen belachelijk maakt, vernedert of ontmenselijkt.

Hierin ligt opnieuw het verschil tussen inclusieve en exclusieve erkenning. Inclusieve erkenning zou jonge mannen serieus nemen in hun onzekerheid, eenzaamheid, prestatiedruk, relationele vragen en toekomstzorgen, zonder hen te bevestigen in vrouwenhaat, racisme of anti-lhbtiq+-vijandigheid. Exclusieve erkenning doet het omgekeerde: zij zegt dat hun pijn wordt veroorzaakt door vrouwen, minderheden, migranten, feministen of progressieve elites. Extreemrechts en verwante online subculturen bieden vaak die tweede vorm. Zij erkennen de frustratie, maar richten haar op groepen die als schuldigen worden aangewezen.

Een democratische reactie moet daarom meer zijn dan morele afwijzing van misogynie of online haat, hoe noodzakelijk die afwijzing ook is. Zij moet ook begrijpen waarom zulke gemeenschappen aantrekkelijk worden. Dat vraagt om onderwijs over gender, relaties, digitale media en democratische omgangsvormen; om mentale ondersteuning en sociale infrastructuur voor jongeren; om publieke verhalen waarin mannelijkheid niet wordt verbonden met dominantie maar met verantwoordelijkheid, zorg, zelfbeheersing, kwetsbaarheid en solidariteit; en om digitale regulering die radicaliserende aanbevelingslogica’s en haatnetwerken beter begrenst. De opgave is niet mannen als groep te problematiseren, maar destructieve vormen van masculiene statuspolitiek te doorbreken.

Dit heeft ook institutionele betekenis. Scholen, sportverenigingen, jongerenwerk, online platforms, gezinnen, media en politieke partijen zijn allemaal plaatsen waar masculiniteit wordt gevormd, bevestigd of gecorrigeerd. Wanneer die instituties tekortschieten, kunnen online subculturen de functie van socialisatie overnemen. Dan ontstaan gemeenschappen waarin erkenning wordt gekoppeld aan vernedering van vrouwen, minderheden of lhbtiq+-personen. Democratische instituties moeten daarom niet alleen informatie corrigeren, maar alternatieve vormen van verbondenheid bieden. Jongeren moeten kunnen ervaren dat zij waardevol zijn zonder dat hun waardigheid afhankelijk wordt van overheersing of uitsluiting.

Statusdreiging is dus ook gender gerelateerd. Waar nationale statusdreiging draait om verlies van culturele meerderheid, draait masculiniteitsdreiging om verlies van vanzelfsprekende mannelijke normativiteit. Extreemrechts verbindt beide door herstel van orde, gezag, gezin, natie en “normale” genderverhoudingen als één politiek pakket te presenteren. Daardoor wordt persoonlijke onzekerheid van sommige mannen opgenomen in een breder autoritair en nativistisch verhaal. Het resultaat is opnieuw eigenwaarde door uitsluiting: mannen krijgen een gevoel van herstel aangeboden door vrouwen, feministen, lhbtiq+-personen, migranten of progressieve elites als oorzaak van hun verlies te construeren.

Voor een democratische rechtsstaat is de uitdaging daarom tweeledig. Zij moet vrouwenhaat, anti-lhbtiq+-retoriek, online intimidatie en radicalisering krachtig begrenzen. Maar zij moet ook een positief alternatief bieden: een samenleving waarin jongens en mannen erkenning, betekenis en toekomstperspectief kunnen vinden zonder terug te vallen op dominantie, vijandbeelden of nostalgie naar hiërarchische genderverhoudingen. Democratische politiek voorbij ressentiment is dus ook genderpolitiek: zij moet mannelijkheid losmaken van overheersing en verbinden met gelijkwaardigheid, verantwoordelijkheid en gedeelde menselijkheid.





[1] Zie over masculiniteit, hegemoniale mannelijkheid en genderorde onder meer R.W. Connell, Masculinities (Cambridge: Polity Press, 1995); R.W. Connell en James W. Messerschmidt, “Hegemonic Masculinity: Rethinking the Concept,” Gender & Society 19, nr. 6 (2005): 829–859; Michael Kimmel, Angry White Men: American Masculinity at the End of an Era (New York: Nation Books, 2013).

[2] Over gender, radicaal-rechts populisme en anti-genderpolitiek: Gabriele Dietze en Julia Roth (red.), Right-Wing Populism and Gender: European Perspectives and Beyond (Bielefeld: transcript Verlag, 2020); Roman Kuhar en David Paternotte (red.), Anti-Gender Campaigns in Europe: Mobilizing against Equality (London/New York: Rowman & Littlefield, 2017); Andrea Pető, “Gender and Illiberalism,” in András Sajó, Renáta Uitz en Stephen Holmes (red.), Routledge Handbook of Illiberalism (London/New York: Routledge, 2021).

[3] Over online radicalisering, manosphere en digitale subculturen: Debbie Ging, “Alphas, Betas, and Incels: Theorizing the Masculinities of the Manosphere,” Men and Masculinities 22, nr. 4 (2019): 638–657; Julia R. DeCook, “Memes and Symbolic Violence: #proudboys and the Use of Memes for Propaganda and the Construction of Collective Identity,” Learning, Media and Technology 43, nr. 4 (2018): 485–504; Cynthia Miller-Idriss, Hate in the Homeland: The New Global Far Right (Princeton: Princeton University Press, 2020).

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties