Waarom politieke woede vaak meer is dan onvrede
Collective narcissism en ressentiment: de miskende groep als bron
van politieke woede
Waar collective narcissism de structuur van
gekrenkte groepsidentiteit beschrijft, verklaart ressentiment hoe die
gekrenktheid wordt omgezet in morele woede. Het gaat dan niet meer alleen om
onzekerheid of onvrede, maar om de overtuiging dat de eigen groep iets is
aangedaan: zij zou zijn vernederd, verraden, vervangen of beroofd van haar
rechtmatige plaats.[1].
Dit begrip helpt verklaren waarom politieke woede niet
alleen ontstaat uit materiële achterstand of beleidsconflicten, maar ook uit
ervaren krenking. Ressentiment is meer dan ontevredenheid. Het is een moreel
geladen gevoel van gekrenktheid: de overtuiging dat de eigen groep recht heeft
op erkenning, respect of voorrang, maar door anderen wordt vernederd,
vervangen, genegeerd of verraden. In ressentiment wordt verlies niet alleen
ervaren als pech, onzekerheid of complex sociaal proces, maar als onrecht dat door
schuldigen is veroorzaakt. De eigen groep verschijnt als slachtoffer van een
morele orde die tegen haar is gekeerd[2].
Vanuit het relationeel-procesmatige mensbeeld is dat goed
te begrijpen. Mensen vormen hun identiteit niet in afzondering, maar binnen
gedeelde verhalen, erkenningsstructuren en emotionele interpretatiekaders.
Narratieven verbinden individuele ervaringen met bredere collectieve
betekenissen. Zij kunnen gevoelens van angst, vernedering, solidariteit of
verontwaardiging organiseren en omzetten in politieke mobilisatie. Politieke en
sociale narratieven framen gebeurtenissen vaak in termen van bedreiging, vernedering
of historische onrechtvaardigheid, waardoor emoties zoals angst, ressentiment
en morele verontwaardiging kunnen worden gemobiliseerd.
Extreemrechts populisme biedt precies zo’n narratieve
organisatie van ressentiment. Het vertelt mensen niet alleen dat zij problemen
hebben, maar vooral dat hun problemen het gevolg zijn van verraad en
verdringing. De eigen groep wordt voorgesteld als goed, hardwerkend,
oorspronkelijk en moreel gezond. De elite wordt voorgesteld als corrupt,
kosmopolitisch, wereldvreemd of verraderlijk. Minderheden worden voorgesteld
als profiteurs, indringers, bedreigers of morele ontregelaars. Deze drieledige
structuur nammelijk het zuivere volk, de corrupte elite en de bedreigende ander,
maakt ressentiment politiek bruikbaar. Zij geeft frustratie een richting,
krenking een oorzaak en woede een doelwit.
Deze structuur sluit aan bij de kern van populisme, maar
krijgt in radicaal-rechtse vorm een uitgesproken uitsluitende lading. Het
populistische onderscheid tussen volk en elite wordt verbonden met nativisme:
het “volk” is niet zomaar de demos van alle burgers, maar een vermeend
oorspronkelijke, cultureel homogene gemeenschap[3].
Wie daarvan afwijkt, wordt niet alleen politiek andersdenkenden genoemd, maar
fundamenteel verdacht gemaakt. Migranten, moslims, vluchtelingen,
lhbtiq+-personen, kosmopolitische burgers, antiracistische activisten of
academische elites worden in verschillende varianten van dit narratief
opgevoerd als krachten die de natuurlijke orde verstoren. Het resultaat is een
politiek verhaal waarin de eigen groep tegelijk superieur en slachtoffer is.
Juist die combinatie is kenmerkend voor collective
narcissism. De eigen groep wordt verheerlijkt, maar tegelijk voorgesteld
als miskend. Zij is zogenaamd de drager van beschaving, arbeid, traditie,
nuchterheid of nationale identiteit, maar wordt volgens het narratief niet
langer gerespecteerd. Deze dubbele structuur verklaart waarom erkenning voor
minderheden kan worden ervaren als vernedering van de meerderheid. Wanneer
moslims bescherming vragen tegen discriminatie, lhbtiq+-personen gelijke
rechten opeisen, vluchtelingen aanspraak maken op opvang, of etnische
minderheden institutioneel racisme benoemen, wordt dat in een narcistisch
groepsnarratief niet gezien als uitbreiding van gelijkwaardigheid, maar als
bewijs dat de eigen groep wordt verdrongen of moreel beschuldigd.
Daarmee wordt duidelijk waarom collective narcissism
zo nauw verbonden is met statusdreiging. Statusdreiging gaat over het verlies
van vanzelfsprekende dominantie; collective narcissism geeft aan dat
verlies een emotioneel en moreel geladen vorm. De eigen groep voelt zich niet
alleen onzeker, maar gekrenkt. Zij ervaart gelijkwaardige erkenning van anderen
als statusverlies, pluraliteit als miskenning en kritiek als aanval. Politiek
wordt dan niet langer primair een strijd om beleid, maar een strijd om symbolische
reparatie: de vernederde groep moet worden hersteld, de verraderlijke elite
gestraft en de bedreigende minderheid teruggedrongen.
Collectieve emoties kunnen verbondenheid en solidariteit
versterken, maar ook polarisatie en conflict aanjagen. Wanneer gedeelde
emotionele interpretaties worden gekoppeld aan exclusieve groepsidentiteiten,
kan solidariteit binnen de ingroup samengaan met vijanddenken tegenover
outgroups. Populistische en nationalistische mobilisatie maakt vaak gebruik van
collectieve emoties zoals angst, onzekerheid en ressentiment om sociale grenzen
te versterken en politieke tegenstellingen te moraliseren.
Het begrip “affectieve infrastructuur” is daarom
behulpzaam. Extreemrechts populisme functioneert niet alleen als ideologie,
partijprogramma of retorische stijl, maar als infrastructuur voor emoties. Het
biedt vaste kanalen waarlangs frustratie, angst, vernedering en onzekerheid
worden geïnterpreteerd. Economische achterstelling wordt vertaald als verraad
door elites. Culturele verandering wordt vertaald als bedreiging door
minderheden. Verlies van vertrouwen wordt vertaald als bewijs dat “het systeem”
tegen het eigen volk is gekeerd. Individuele gevoelens van machteloosheid
worden opgenomen in een collectief verhaal van morele strijd.
Deze affectieve infrastructuur heeft drie functies. Ten
eerste ordent zij diffuse ervaringen. Mensen die onzekerheid, statusverlies of
vervreemding ervaren, krijgen een verhaal dat hun gevoelens begrijpelijk maakt.
Ten tweede versterkt zij groepsbinding. Wie dezelfde vijanden aanwijst, ervaart
verbondenheid met anderen die hetzelfde ressentiment delen. Ten derde
legitimeert zij uitsluiting. Wanneer de ander niet langer als medeburger, maar
als bedreiging of indringer verschijnt, worden harde maatregelen, uitsluitende
taal en aantasting van rechten gemakkelijker aanvaard.
Daarin ligt de politieke kracht van ressentiment.
Ressentiment is niet slechts een emotie, maar een moreel interpretatiekader.
Het maakt van sociale pijn een beschuldiging. Het zegt: “wij lijden omdat zij
ons iets hebben aangedaan.” Dat maakt het bijzonder mobiliserend. Angst kan
verlammend werken, maar ressentiment activeert. Het zet aan tot herstel,
vergelding of herovering. Radicaal-rechtse politiek gebruikt dit door
voortdurend te spreken in termen van “terugpakken”, “herstellen”, “teruggeven”,
“bevrijden”, “ontmaskeren” of “schoonmaken”. Zulke woorden verwijzen niet
alleen naar beleid, maar naar symbolische zuivering van een gekrenkte orde.
Narratieven verbinden feitelijke gebeurtenissen met
emotionele betekenis en maken het mogelijk dat sociale ervaringen worden
geïnterpreteerd in termen van hoop, angst, solidariteit, trots of
verontwaardiging. In extreemrechtse narratieven worden deze emoties echter
versmald tot een conflictmodel: hoop wordt herstel van nationale zuiverheid,
angst wordt dreiging door de ander, solidariteit wordt loyaliteit aan de
ingroup, trots wordt superioriteit, en verontwaardiging wordt woede tegen
elites en minderheden.
Hieruit volgt ook waarom emotioneel geladen
extreemrechtse narratieven vaak moeilijk te corrigeren zijn met feitelijke
informatie. Wanneer een narratief is verweven met eigenwaarde en
groepsidentiteit, bedreigt correctie niet slechts een mening, maar een
zelfbeeld. Wie het vijandbeeld relativeert, ontneemt de groep een verklaring
voor haar krenking. Wie wijst op de complexiteit van woningnood,
arbeidsmarktproblemen of sociale onzekerheid, kan worden ervaren als iemand die
het “echte probleem” wegpoetst. Wie discriminatie van minderheden benoemt, kan
binnen het narcistische groepsnarratief worden gezien als iemand die de
meerderheid opnieuw beschuldigt en vernedert. Emotioneel geladen
betekenisstructuren kunnen minder gevoelig worden voor empirische correctie en
kritische dialoog, juist omdat zij verweven raken met identiteitsvorming en
existentiële oriëntatie.
De rol van digitale media versterkt dit proces. Sociale
platforms belonen emotionele intensiteit, morele verontwaardiging en
conflictueuze frames. Daardoor krijgen ressentimentnarratieven permanente
voeding. Incidenten worden herhaald en uitvergroot; beelden van migranten,
demonstranten of minderheden worden losgemaakt uit context; algoritmische
zichtbaarheid versterkt wat woede oproept. In zo’n omgeving kan collective
narcissism zich snel stabiliseren: de eigen groep ziet voortdurend bewijs
van haar vernedering, terwijl alternatieve interpretaties worden weggezet als
propaganda van de elite.
Toch is het belangrijk om ressentiment niet uitsluitend
psychologisch te duiden. Ressentiment ontstaat niet in een vacuüm. Het kan
wortelen in echte ervaringen van verlies, regionale achterstelling, sociale
onveiligheid, gebrek aan erkenning of institutioneel falen. Mensen kunnen
terecht ervaren dat zij niet worden gehoord, dat publieke voorzieningen
verdwijnen, dat werk onzeker wordt of dat politieke elites weinig aandacht
hebben voor hun leefwereld. De normatieve fout van extreemrechts ligt niet in
het benoemen van onvrede, maar in de vertaling daarvan naar vijandbeelden. Het
probleem is niet dat mensen erkenning verlangen; het probleem ontstaat wanneer
erkenning afhankelijk wordt gemaakt van het degraderen van anderen.
Daarom moet een democratische analyse twee bewegingen
tegelijk maken. Zij moet de destructieve werking van collective narcissism
en ressentimentpolitiek scherp benoemen, maar ook onderzoeken waarom zulke
politiek aantrekkelijk wordt. Een samenleving die mensen structureel onzeker
maakt, hen weinig toekomstperspectief biedt en hen geen geloofwaardige vormen
van erkenning en participatie verschaft, creëert voedingsbodems voor defensieve
groepsidentificatie. Maar een democratische rechtsstaat mag die gevoelens nooit
beantwoorden door uitsluiting te normaliseren. Zij moet erkenning bieden zonder
hiërarchie, zekerheid zonder zondebok, gemeenschap zonder homogeniteit.
Extreemrechts populisme biedt voor sommige kiezers niet
alleen een politieke voorkeur, maar een affectief-identitaire compensatie. Het
organiseert gevoelens van gekrenktheid rond een verhaal waarin de eigen groep
miskend maar moreel superieur is, verraden door elites en bedreigd door
minderheden. Collective narcissism verklaart waarom kritiek op de eigen
groep als vernedering kan worden ervaren en waarom erkenning voor anderen wordt
geïnterpreteerd als verlies voor de eigen groep. Ressentiment verklaart hoe die
ervaring wordt omgezet in politieke woede. Samen maken zij zichtbaar hoe
eigenwaarde door uitsluiting kan functioneren: de gekrenkte groep herstelt haar
symbolische waardigheid door anderen lager te plaatsen.
De democratische inzet is daarmee duidelijk. Een
rechtvaardige samenleving moet vormen van erkenning, bestaanszekerheid en
participatie ontwikkelen die niet afhankelijk zijn van vijandschap. Zij moet
mensen een plaats geven zonder dat zij anderen hun plaats hoeven te ontzeggen.
Waar extreemrechts ressentiment omzet in uitsluiting, moet democratische
politiek onzekerheid omzetten in solidariteit, verlieservaring in hernieuwde
participatie en gekrenkte identiteit in gedeelde verantwoordelijkheid.
[1] Agnieszka Golec
de Zavala, Aleksandra Cichocka, Roy Eidelson en Nuwan Jayawickreme, “Collective
Narcissism and Its Social Consequences,” Journal of Personality and Social
Psychology 97, nr. 6 (2009): 1074–1096; Agnieszka Golec de Zavala,
“Collective Narcissism and In-Group Satisfaction Are Associated with Different
Emotional Profiles and Psychological Well-Being,” Frontiers in Psychology
10 (2019): 203; Aleksandra Cichocka, “Understanding Defensive and Secure
In-Group Positivity: The Role of Collective Narcissism,” European Review of
Social Psychology 27, nr. 1 (2016): 283–317.
[2] Zie over
ressentiment, statusverlies en politieke mobilisatie onder meer Friedrich
Nietzsche, Zur Genealogie der Moral (Leipzig: C.G. Naumann, 1887); Max
Scheler, Das Ressentiment im Aufbau der Moralen (Leipzig: Der Neue Geist
Verlag, 1912); Arlie Russell Hochschild, Strangers in Their Own Land: Anger
and Mourning on the American Right (New York: The New Press, 2016); Wendy
Brown, In the Ruins of Neoliberalism: The Rise of Antidemocratic Politics in
the West (New York: Columbia University Press, 2019).
[3] Over populisme
als tegenstelling tussen “het zuivere volk” en “de corrupte elite”: Cas Mudde
en Cristóbal Rovira Kaltwasser, Populism: A Very Short Introduction
(Oxford: Oxford University Press, 2017). Over de politics of fear in
radicaal-rechtse discoursen: Ruth Wodak, The Politics of Fear: What
Right-Wing Populist Discourses Mean (London: Sage, 2015).

Reacties
Een reactie posten