Waarom leidt onzekerheid soms tot uitsluiting in plaats van solidariteit?
Economische onzekerheid vormt een belangrijk, maar op zichzelf onvoldoende verklaringskader voor extreemrechts en radicaal-rechts populistisch stemgedrag. In veel analyses wordt de electorale aantrekkingskracht van dergelijke bewegingen verbonden met globalisering, de-industrialisering, flexibilisering van arbeid, regionale achterstelling, woningnood, bestaansonzekerheid en afnemend vertrouwen in publieke instituties. Deze factoren zijn relevant, omdat zij de materiële en sociale context vormen waarin politieke onvrede ontstaat. Toch laat de bestaande literatuur zien dat objectieve armoede of economische achterstand op zichzelf geen sluitende verklaring biedt. Extreemrechts stemgedrag komt niet uitsluitend voor onder de armste groepen, noch leidt economische onzekerheid automatisch tot steun voor nativistische, autoritaire of uitsluitende politiek. De cruciale variabele ligt vaak niet in armoede als zodanig, maar in de wijze waarop mensen hun positie ervaren ten opzichte van anderen.
Daarmee verschuift de analyse van absolute naar relatieve
positie. De kern is niet alleen: “ik heb weinig”, maar: “mensen zoals ik
krijgen minder dan zij”, “wij worden vergeten”, “anderen worden voorgetrokken”
of “onze groep verliest haar plaats”. Deze subjectieve ervaring van
achterstelling wordt in de sociale psychologie en politieke sociologie
aangeduid als relatieve deprivatie. Relatieve deprivatie verwijst naar het
gevoel dat men, individueel of als groep, tekort wordt gedaan in vergelijking
met een relevante referentiegroep. Dat gevoel hoeft niet volledig samen te
vallen met objectieve sociaaleconomische indicatoren. Mensen kunnen zich
relatief achtergesteld voelen terwijl hun materiële positie niet tot de laagste
categorieën behoort; omgekeerd kan objectieve achterstand politiek anders
worden geïnterpreteerd wanneer zij niet wordt verbonden met groepsvergelijking,
verlieservaring of ressentiment.
Voor de analyse van extreemrechts is vooral
groepsgebonden relatieve deprivatie van belang. Onderzoek van Urbanska en
Guimond naar de Franse presidentsverkiezingen laat zien dat het gevoel dat de
eigen groep relatief tekort wordt gedaan een betere voorspeller kan zijn van
stemintentie voor een extreemrechtse kandidaat dan individuele relatieve
deprivatie. Van belang is dat deze samenhang bleef bestaan na controle voor
onder meer sociale-dominantieoriëntatie en vooroordelen. Dat betekent dat
extreemrechts stemgedrag niet uitsluitend kan worden gereduceerd tot
individuele economische frustratie of reeds aanwezige vijandigheid tegenover
minderheden; het gaat ook om de politiek georganiseerde ervaring dat de eigen
groep als collectief status, erkenning of rechtvaardige behandeling verliest[1].
Deze bevinding sluit nauw aan bij het
relationeel-procesmatige uitgangspunt dat economische ervaringen nooit louter
materieel zijn. Economische positie krijgt betekenis binnen sociale
vergelijkingen, culturele narratieven en institutionele verwachtingen. Economie
wordt niet opgevat als een neutraal systeem van productie, ruil en consumptie,
maar als een relationeel systeem waarin bestaanszekerheid, status, erkenning,
vertrouwen en sociale cohesie met elkaar verweven zijn. Economische onzekerheid
heeft volgens die benadering niet alleen gevolgen voor inkomen of
consumptiecapaciteit, maar ook voor emotionele stabiliteit, toekomstoriëntatie
en de manier waarop mensen hun plaats binnen de samenleving begrijpen.
Dit is van belang omdat economische druk vaak
psychologisch en sociaal wordt verwerkt als verlies van controle.
Gedragswetenschappelijk onderzoek laat zien dat schaarste, schulden en
voortdurende onzekerheid de cognitieve bandbreedte kunnen vernauwen en mensen
sterker kunnen richten op onmiddellijke problemen. Maar in politieke zin is
niet alleen die cognitieve belasting relevant. Minstens zo belangrijk is dat
structurele onzekerheid een collectieve sfeer van angst, competitie en
wantrouwen kan produceren. Wanneer mensen ervaren dat instituties hun
bestaanszekerheid niet langer garanderen, ontstaat ruimte voor narratieven die
sociale problemen personaliseren en externaliseren: niet “het systeem faalt”,
maar “zij krijgen wat ons wordt onthouden”.
Precies daar ligt de overgang van economische onzekerheid
naar uitsluitende politiek. De ervaring van achterstelling wordt politiek
krachtig wanneer zij wordt verbonden met herkenbare groepen. Migranten,
vluchtelingen, moslims, lhbtiq+-personen of andere minderheden worden dan niet
primair benaderd als medeburgers binnen dezelfde maatschappelijke orde, maar
als symbolische concurrenten om schaarse middelen, aandacht, erkenning of
culturele ruimte. De sociale werkelijkheid wordt daardoor geïnterpreteerd via een
verdelende en antagonistische logica: wat zij krijgen, verliezen wij; hun
zichtbaarheid betekent onze verdringing; hun bescherming betekent onze
achterstelling. Deze logica is empirisch vaak simplificerend of onjuist, maar
politiek effectief omdat zij complexe structurele oorzaken omzet in moreel
geladen groepsvergelijking.
Onderzoek naar anti-immigratiehoudingen bevestigt dat
relatieve positie op verschillende manieren kan doorwerken. Jetten, Mols en
Postmes laten zien dat zowel relatieve deprivatie als relatieve welvaart
anti-immigratiesentimenten kunnen versterken. Hun zogenoemde
“V-curve”-benadering is belangrijk, omdat zij laat zien dat niet alleen
feitelijke achterstelling, maar ook angst voor toekomstig verlies politieke
defensiviteit kan oproepen. Zelfs groepen die zichzelf relatief goed
gepositioneerd achten, kunnen vijandig reageren wanneer zij vrezen dat hun
positie in de toekomst wordt bedreigd[2].
Dat inzicht voorkomt een te eenvoudige verklaring waarin
extreemrechts stemgedrag wordt toegeschreven aan “de verliezers” van
modernisering. De aantrekkingskracht van radicaal-rechts kan juist ontstaan bij
groepen die niet noodzakelijk onderaan staan, maar die ervaren dat hun
relatieve positie kwetsbaarder wordt. Engler en Weisstanner laten in hun
onderzoek naar inkomensongelijkheid en radicaal-rechtse steun zien dat
groeiende ongelijkheid niet alleen relatieve deprivatie intensiveert, maar ook
een dreiging van sociale daling kan signaleren. Vooral wanneer de afstand
tussen sociale lagen toeneemt, kunnen mensen hoger of midden in de hiërarchie
gaan vrezen dat hun positie minder zeker is dan voorheen. Radicaal-rechtse
politiek kan dan aantrekkelijk worden als verdediging van bestaande sociale
grenzen[3].
Deze statusdimensie is cruciaal. Economische onzekerheid
werkt niet alleen via koopkracht, werkloosheid of inkomensverlies, maar ook via
de aantasting van symbolische positie. Arbeid, inkomen, opleiding, woningbezit
en consumptie functioneren in moderne samenlevingen als markers van sociale
waardigheid. Wanneer mensen het gevoel krijgen dat zij ondanks inspanning niet
vooruitkomen, dat hun kinderen minder kansen krijgen of dat hun
maatschappelijke bijdrage niet wordt erkend, kan economische frustratie omslaan
in statusressentiment. Economische positie, beroep, inkomen en bezit worden vaak
ervaren als indicatoren van sociale status, en dat economische keuzes mede
worden gestuurd door relatieve vergelijking met anderen. Statuscompetitie is
daarmee geen randverschijnsel, maar een constitutieve dimensie van moderne
economische ordening.
De politieke betekenis hiervan is dat materiële
onzekerheid en symbolische erkenning niet scherp van elkaar kunnen worden
gescheiden. Een tekort aan bestaanszekerheid kan leiden tot stress en
wantrouwen, maar een tekort aan erkenning kan die onzekerheid omzetten in
ressentiment. Wie weinig uitzicht ervaart op daadwerkelijke sociale stijging,
kan vatbaar worden voor vormen van symbolische verheffing. Extreemrechts
populisme biedt precies zo’n mogelijkheid: het herstelt niet noodzakelijk de
materiële positie van kiezers, maar biedt hun wel een positie binnen een
moreel-hiërarchisch verhaal. Zij worden aangesproken als “het echte volk”, “de
gewone Nederlander”, “de hardwerkende burger” of “de oorspronkelijke
gemeenschap”. Anderen worden daartegenover geplaatst als indringers,
profiteurs, bedreigers of vertegenwoordigers van moreel verval.
Daarmee wordt relatieve deprivatie verbonden met
uitsluitende identiteit. Het probleem is niet alleen dat mensen zich economisch
benadeeld voelen, maar dat die ervaring wordt vertaald in een verhaal waarin de
waardigheid van de eigen groep afhankelijk wordt van de degradatie van andere
groepen. In plaats van solidariteit tussen groepen die onder dezelfde
structurele onzekerheden lijden, ontstaat horizontale vijandigheid. De druk die
voortkomt uit woningmarktfalen, arbeidsmarktflexibilisering, regionale ongelijkheid
of afbouw van publieke voorzieningen wordt niet primair gericht op instituties,
marktmacht of beleidskeuzes, maar op groepen die zichtbaar, kwetsbaar en
politiek mobiliseerbaar zijn.
Hierin ligt een belangrijk verschil tussen sociale
kritiek en ressentimentpolitiek. Sociale kritiek vraagt naar structuren: wie
bezit macht, wie profiteert van ongelijkheid, welke instituties falen, welke
regels produceren uitsluiting? Ressentimentpolitiek daarentegen personaliseert
structurele problemen en richt frustratie op groepen die als cultureel of
moreel afwijkend worden voorgesteld. Zij vervangt analyse door
vijandbeeldvorming. Juist daarom kan economische onzekerheid in verschillende
politieke richtingen worden gemobiliseerd. Dezelfde bestaansangst kan leiden
tot steun voor herverdeling, vakbondspolitiek, sociale bescherming en publieke
investeringen, maar ook tot steun voor autoritaire grenzen, uitsluiting en
nativistische herordening. De uitkomst hangt af van de narratieven, instituties
en politieke actoren die de ervaring van onzekerheid interpreteren.
Economische instituties functioneren niet alleen via
prijzen, contracten en regels, maar ook via verhalen over rechtvaardigheid,
verdienste, succes, verlies en maatschappelijke bijdrage. Wanneer grote groepen
mensen het gevoel krijgen dat economische systemen hun belangen niet langer
vertegenwoordigen, kan institutionele legitimiteit afnemen. Economische
narratieven vormen dan een brug tussen materiële structuur en politieke
beoordeling: zij bepalen mede of burgers hun situatie begrijpen als persoonlijk
falen, structureel onrecht, nationale vernedering of verdringing door
buitenstaanders.
Deze analyse verklaart ook waarom feitelijke correcties
over migratie, criminaliteit, sociale voorzieningen of arbeidsmarktdeelname
vaak beperkt effect hebben. Wanneer de onderliggende ervaring relatief en
identitair is, wordt politieke overtuiging niet uitsluitend gevormd door feiten
over verdeling, maar door de vraag wat die feiten betekenen voor de positie van
de eigen groep. Als mensen het gevoel hebben dat zij status verliezen, kan
zelfs empirisch bewijs dat migranten niet de oorzaak zijn van woningnood of
werkloosheid onvoldoende overtuigen. Het narratief van achterstelling blijft
werkzaam zolang het een emotionele en identitaire functie vervult: het
verklaart verlies, wijst schuldigen aan en herstelt symbolisch de morele
positie van de eigen groep.
Daarmee vormt economische onzekerheid niet de volledige
oorzaak van extreemrechts stemgedrag, maar wel een belangrijke voedingsbodem.
Zij creëert kwetsbaarheid voor politieke verhalen die relatieve achterstelling
omzetten in vijandschap. De hypothese van dit artikel kan daarom scherper
worden geformuleerd: waar mensen weinig perspectief ervaren op daadwerkelijke
verbetering van hun materiële en sociale positie, kan symbolische
statuscompensatie aantrekkelijk worden. Extreemrechts populisme biedt die compensatie
door de eigen groep te verheffen ten opzichte van groepen die als bedreigend,
minderwaardig of onrechtmatig bevoordeeld worden voorgesteld.
Het analytische belang van relatieve deprivatie ligt dus
in de brugfunctie tussen economie en identiteit. Zij laat zien hoe
sociaaleconomische onzekerheid kan worden omgezet in groepspolitiek; hoe
verlieservaring kan veranderen in morele woede; en hoe een gebrek aan
toekomstperspectief kan worden gecompenseerd door uitsluiting. Niet armoede op
zichzelf verklaart dan de aantrekkingskracht van extreemrechts, maar de
combinatie van ervaren achterstelling, statusangst, institutioneel wantrouwen
en politieke narratieven die mensen leren hun onzekerheid te begrijpen als het
gevolg van de aanwezigheid of bescherming van anderen.
Voor een democratische rechtsstaat heeft dit
verstrekkende implicaties. Het bestrijden van extreemrechts ressentiment vraagt
niet alleen om normatieve begrenzing van racisme, discriminatie en
ontmenselijking, maar ook om herstel van materiële zekerheid, sociale
mobiliteit, publieke voorzieningen en institutioneel vertrouwen. Tegelijk mag
dat herstel nooit worden geformuleerd in termen van exclusieve groepsvoorrang.
Een rechtvaardige samenleving moet gevoelens van verlies serieus nemen zonder
de fictie te bevestigen dat de waardigheid van de één afhankelijk is van de
uitsluiting van de ander. Juist daarin ligt de institutionele uitdaging: reële
bestaansonzekerheid beantwoorden met sociale rechtvaardigheid, niet met
zondebokpolitiek.
[1] Karolina
Urbanska en Serge Guimond, “Swaying to the Extreme: Group Relative Deprivation
Predicts Voting for an Extreme Right Party in the French Presidential
Election,” International Review of Social Psychology 31, nr. 1 (2018):
1–12. Zie ook Jens Rydgren, “The Sociology of the Radical Right,” Annual
Review of Sociology 33 (2007): 241–262.
[2] Jolanda Jetten,
Frank Mols en Tom Postmes, “Relative Deprivation and Relative Wealth Enhances
Anti-Immigrant Sentiments: The V-Curve Re-Examined,” PLOS ONE 10, nr. 10
(2015): e0139156. De auteurs laten zien dat zowel relatieve achterstelling
als relatieve bevoordeling kunnen samenhangen met anti-immigratiesentimenten,
waarbij angst voor toekomstig verlies een belangrijke verklarende rol speelt.
[3] Sarah Engler en
David Weisstanner, “The Threat of Social Decline: Income Inequality and Radical
Right Support,” Journal of European Public Policy 28, nr. 2 (2021):
153–173. Zie in vergelijkbare richting ook Noam Gidron en Peter A. Hall, “The
Politics of Social Status: Economic and Cultural Roots of the Populist Right,” British
Journal of Sociology 68, nr. S1 (2017): S57–S84; en Lucía Cena e.a.,
“Relative Deprivation, National GDP and Right-Wing Populist Voting,” Journal
of Community & Applied Social Psychology 33, nr. 1 (2023): 1–15.

Reacties
Een reactie posten