Waarom blijft radicaal-rechts zo sterk aanwezig in Nederland?

 

Voor Nederland is die toetsing noodzakelijk, omdat radicaal-rechts en extreemrechts populisme niet langer als marginaal verschijnsel kunnen worden beschouwd. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 behaalde de PVV 37 zetels, Forum voor Democratie 3 zetels en JA21 1 zetel. Daarmee kreeg radicaal-rechtse politiek een uitzonderlijk groot parlementair gewicht. [1]. De verkiezingen van 2025 hebben dat beeld niet fundamenteel doorbroken, maar wel genuanceerd. De Kiesraad stelde op 7 november 2025 de officiële uitslag vast van de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025. Daarbij werd D66 met 26 zetels de grootste partij, terwijl ook de PVV 26 zetels behaalde. Forum voor Democratie groeide naar 7 zetels en JA21 naar 9 zetels. Gezamenlijk kwamen PVV, FvD en JA21 daarmee uit op 42 zetels, één zetel meer dan hun gezamenlijke resultaat in 2023[2].

Die ontwikkeling is veelzeggend. Aan de ene kant verloor de PVV aanzienlijk ten opzichte van haar doorbraak in 2023. Aan de andere kant bleef radicaal-rechts als geheel electorale kracht behouden, doordat Forum voor Democratie en JA21 juist groeiden. De verkiezingen van 2025 laten daarom geen eenvoudige terugkeer naar het politieke midden zien, maar eerder een herordening binnen het radicaal-rechtse spectrum. De politieke vraag verschoof niet van radicaal-rechts naar irrelevant, maar van één dominante partij naar een breder rechts-radicaal blok met verschillende accenten: de PVV als nationalistisch-populistische kracht, FvD als radicaler anti-establishment- en cultuurstrijdpartij, en JA21 als meer bestuurlijk ogende rechts-nationalistische variant.

Nederland vormt daarmee een relevante casus voor het model van identiteitsherstel door uitsluiting. De Nederlandse situatie wordt gekenmerkt door een combinatie van structurele onzekerheden: woningnood, bestaansonzekerheid, druk op publieke voorzieningen, zorgen over zorg en onderwijs, regionale ongelijkheid, uitvoeringsfalen en dalend vertrouwen in politieke instituties. Deze onzekerheden zijn niet fictief. Zij vormen de maatschappelijke ondergrond waarop politieke narratieven kunnen aangrijpen. De vraag is daarom niet óf er reële problemen bestaan, maar hoe deze problemen politiek worden geïnterpreteerd en aan welke groepen zij worden toegeschreven.

In de Nederlandse context speelt woningnood een bijzonder centrale rol. Wonen is niet alleen een materieel goed, maar ook een bron van bestaanszekerheid, autonomie, gezinsvorming, sociale stabiliteit en toekomstperspectief. Wanneer grote groepen burgers ervaren dat zij geen betaalbare woning kunnen vinden, dat jongeren niet kunnen uitstromen, dat gescheiden ouders vastlopen, dat starters geen toegang krijgen tot de koopmarkt of dat sociale huurwoningen schaars zijn, ontstaat een sterk gevoel van blokkade. Die blokkade kan worden geïnterpreteerd als gevolg van complexe beleidskeuzes, marktordening, ruimtelijke schaarste, bouwproductie, financiële belangen en institutionele planning. Maar zij kan ook worden versimpeld tot een nulsomverhaal: “zij krijgen huizen, wij niet.”

Precies in die verschuiving wordt het model zichtbaar. Woningnood wordt dan niet primair begrepen als structureel falen van woningmarkt en instituties, maar als bewijs dat “eigen mensen” worden achtergesteld. Statushouders, asielzoekers of migranten worden in dat frame niet gezien als mensen die zelfbescherming en huisvesting nodig hebben, maar als symbolische concurrenten. De woningcrisis wordt zo omgezet in relatieve deprivatie: niet alleen “er zijn te weinig woningen”, maar “mensen zoals wij krijgen minder dan zij.” Daarmee wordt een materieel probleem vertaald in een identitair conflict.

Dat betekent niet dat woningnood op zichzelf radicaal-rechts stemgedrag veroorzaakt. Woningnood kan ook leiden tot steun voor herverdeling, woningbouw, huurregulering, ruimtelijke hervorming of versterking van publieke voorzieningen. Beslissend is de politieke vertaling van schaarste. Wanneer woningnood wordt geïnterpreteerd als gevolg van beleidsfalen, marktordening en ruimtelijke keuzes, opent zij ruimte voor structurele kritiek. Wanneer zij daarentegen wordt geïnterpreteerd als bewijs dat “anderen” worden voorgetrokken, wordt zij onderdeel van uitsluitende identiteitspolitiek. De Nederlandse casus is daarom niet relevant omdat woningnood automatisch tot extreemrechts leidt, maar omdat woningnood door radicaal-rechtse actoren effectief kan worden verbonden met migratie, nationale prioriteit en eliteverraad.

De verkiezingsuitslag van 2025 bevestigt dit spanningsveld. De PVV verloor weliswaar zetels, maar bleef met 26 zetels een van de twee grootste partijen. Tegelijkertijd wonnen FvD en JA21 samen aanzienlijk terrein. Dat wijst erop dat het electoraat dat gevoelig is voor thema’s als nationale prioriteit, migratiekritiek, anti-establishmentretoriek en herstel van controle niet is verdwenen. Het heeft zich slechts anders verdeeld. De electorale doorbraak van 2023 werd dus niet volledig bestendigd in dezelfde partijpolitieke vorm, maar de onderliggende voedingsbodem bleef aanwezig.

Het SCP laat zien dat zulke migratieopvattingen niet losstaan van bredere maatschappijbeelden. In Migratie als spiegel van maatschappijbeelden benadrukt het SCP dat migratie voor veel mensen niet alleen gaat over aantallen of economie, maar ook over vragen wie “wij” als land zijn, hoe samenleven moet worden georganiseerd en hoeveel vertrouwen mensen hebben in overheid en instituties. Het rapport stelt dat veel mensen zich zorgen maken over migratie en dat velen minder migratie en restrictiever beleid wensen, maar ook dat opvattingen over migratie gelaagd zijn. Juist die gelaagdheid is belangrijk: zorgen over migratie zijn niet altijd eenvoudigweg racisme of xenofobie, maar kunnen verweven zijn met zorgen over wonen, zorg, bestaanszekerheid, sociale cohesie en bestuurlijke controle[3].

Tegelijk maakt die gelaagdheid migratie vatbaar voor politieke framing. Wanneer mensen het gevoel hebben dat instituties tekortschieten, kunnen migratie en asiel functioneren als zichtbare symbolen van bredere onmacht. Het SCP wijst erop dat opvattingen over migratie samenhangen met vertrouwen in de overheid en bredere maatschappelijke interpretaties. Daardoor ontstaat ruimte voor frames waarin migratie niet slechts één beleidsdomein is, maar een verklaring voor uiteenlopende problemen: woningnood, druk op voorzieningen, culturele verandering, onveiligheid en verlies van nationale controle.

Deze frames zijn herkenbaar in de Nederlandse politieke taal: “Nederland is vol”, “eigen mensen eerst”, “Nederlanders weer op 1”, “asielzoekers krijgen voorrang”, “de elite luistert niet” en “de gewone Nederlander wordt vergeten”. Zulke formuleringen werken niet alleen beschrijvend, maar ordenend. Zij leggen een verband tussen structurele onzekerheid en groepsvergelijking. Zij construeren een tegenstelling tussen een oorspronkelijke, hardwerkende en miskende nationale groep enerzijds en migranten, vluchtelingen, moslims of kosmopolitische elites anderzijds. Dat de PVV in 2023 deelnam met het programma Nederlanders weer op 1 past precies in deze logica: de titel suggereert herstel van een verloren rangorde, waarin de eigen groep opnieuw primair moet worden geplaatst.

De Nederlandse casus laat daarmee zien hoe relatieve deprivatie en statusdreiging elkaar versterken. De ervaring van schaarste wordt gekoppeld aan de ervaring van verdringing. Niet alleen woningen of publieke voorzieningen lijken schaars, maar ook erkenning, culturele vanzelfsprekendheid en politieke aandacht. Het frame “Nederlanders weer op 1” spreekt deze combinatie direct aan. Het zegt niet alleen dat burgers beter beleid verdienen, maar dat een specifieke groep — “Nederlanders” als vermeend oorspronkelijke nationale gemeenschap — haar voorrang moet terugkrijgen. Daarmee wordt bestaansonzekerheid verbonden met symbolisch herstel.

Politiek wantrouwen vormt hierbij een tweede cruciale Nederlandse factor. Het Nationaal Kiezersonderzoek 2023 presenteerde de verkiezingen van 2023 als een moment waarop al langer aanwezige politieke ontevredenheid zich vertaalde in grote politieke verschuivingen. De verkiezingen van 2025 laten zien dat deze onvrede niet eenvoudig is verdwenen. Wel kreeg zij een andere electorale vorm. D66 werd de grootste partij, mede als tegenreactie op politieke chaos en polarisatie, maar radicaal-rechtse partijen bleven gezamenlijk zeer sterk vertegenwoordigd. Ipsos typeerde D66 na de verkiezingen van 2025 als de “kleinste grootste partij ooit”, met 26 zetels, terwijl ook de PVV 26 zetels behaalde; VVD, GroenLinks-PvdA en CDA volgden daarachter.

Deze dubbele beweging is analytisch belangrijk. De verkiezingen van 2025 kunnen niet simpelweg worden gelezen als bevestiging van een onstuitbare radicaal-rechtse opmars, maar evenmin als een duidelijke normalisering of depolarisering. Zij tonen eerder een gefragmenteerd politiek landschap waarin twee krachten tegelijk zichtbaar zijn: enerzijds een verlangen naar bestuurlijke stabiliteit, matiging en herstel van vertrouwen; anderzijds een blijvende aantrekkingskracht van uitsluitende, nationalistische en anti-establishmentpolitiek.

Deze vertrouwenscrisis heeft een directe relatie met het model van uitsluitende identiteit. Wanneer instituties worden ervaren als traag, ondoorzichtig of onresponsief, wordt het eenvoudiger voor populistische actoren om te stellen dat “de elite” niet luistert. Politiek wantrouwen wordt dan niet alleen kritiek op bestuurlijk functioneren, maar onderdeel van een moreel verhaal: het volk wordt verraden. Dat verhaal krijgt extra kracht wanneer het wordt gekoppeld aan migratie en minderheden. De elite zou niet alleen falen, maar bewust kiezen voor “anderen” boven “ons”. Zo ontstaat de drieledige populistische structuur: het miskende volk, de verraderlijke elite en de bedreigende of bevoordeelde ander.

De Nederlandse context is daarvoor bijzonder gevoelig omdat veel maatschappelijke problemen ruimtelijk en lokaal worden ervaren. Woningnood, opvanglocaties, druk op zorg, schoolcapaciteit, leefbaarheid en veiligheid zijn zichtbaar in buurten en gemeenten. Tegelijk liggen de oorzaken vaak op andere schaalniveaus: nationale wetgeving, Europese regels, mondiale migratiebewegingen, financiële markten, arbeidsmarktstructuren en decennialange beleidskeuzes. Die schaalspanning vergroot de kans op scapegoating. Wat lokaal zichtbaar is — een azc, een statushouder, een nieuwkomer, een islamitische school, een regenboogvlag — wordt gemakkelijker tot oorzaak gemaakt dan abstracte institutionele of economische processen.

Daarmee wordt migratie een “spiegel van maatschappijbeelden” in de letterlijke zin. Wie vooral wantrouwen heeft in overheid en elites, ziet migratie sneller als bewijs van bestuurlijk falen of verraad. Wie vooral bestaansonzekerheid ervaart, ziet migratie sneller als concurrentie om schaarse voorzieningen. Wie vooral culturele statusdreiging ervaart, ziet migratie sneller als aantasting van nationale identiteit. Wie sterker pluralistisch en institutioneel vertrouwen heeft, kan migratie eerder interpreteren als bestuurlijke uitdaging die rechtvaardig, ordelijk en menswaardig moet worden georganiseerd. Migratieopvattingen gaan dus niet alleen over migratie, maar over de wijze waarop burgers de samenleving als geheel begrijpen.

De Nederlandse casus laat ook zien dat radicaal-rechts stemgedrag moet worden geplaatst in een bredere protest- en onvredepolitiek. Naast PVV, FvD en JA21 zijn partijen als BBB en NSC relevant als context van institutionele kritiek, regionale onvrede en verlangen naar bestuurlijke correctie, ook al behoren zij niet zonder meer tot extreemrechts. De uitslag van 2025 maakt dit onderscheid scherper. NSC, dat in 2023 nog 20 zetels behaalde, verdween in 2025 uit de Tweede Kamer. BBB daalde van 7 naar 4 zetels. Tegelijk won CDA sterk en groeide JA21 fors. Dat wijst op een herschikking van protest, bestuurlijke correctiebehoefte en rechts-conservatief verlangen naar orde[4].

Een systematische verwerking van Nederlandse kiezersdata vraagt daarom om onderscheid tussen drie lagen. De eerste laag is electorale verschuiving: de PVV werd in 2023 de grootste partij, verloor in 2025 zetels, maar bleef met 26 zetels zeer groot; FvD en JA21 groeiden juist, waardoor het radicaal-rechtse blok als geheel niet verzwakte. De tweede laag is attitudinaal: wantrouwen, onvrede, migratiezorgen, zorgen over wonen en ervaren maatschappelijke conflicten blijven breed aanwezig. De derde laag is interpretatief: radicaal-rechtse partijen verbinden deze gevoelens aan frames van verdringing, nationale prioriteit en eliteverraad. Pas op het niveau van deze derde laag wordt duidelijk hoe structurele onzekerheid verandert in uitsluitende identiteit.

Deze Nederlandse concretisering maakt ook zichtbaar dat klasse en opleiding niet de enige relevante variabelen zijn. Gender speelt eveneens een rol. Onderzoek naar radicaal-rechts stemgedrag in Europa wijst erop dat mannen vaker op radicaal-rechtse partijen stemmen dan vrouwen, terwijl vrouwen niet noodzakelijk minder affiniteit hoeven te hebben met radicaal-rechtse opvattingen. Een mogelijke verklaring is dat mannen zich minder laten afschrikken door het stigma dat aan radicaal-rechtse partijen kleeft. Deze bevinding opent een aanvullende dimensie: radicaal-rechtse aantrekkingskracht kan niet alleen worden begrepen via klasse, opleiding of etniciteit, maar ook via gender, masculiniteit en sociale normering van politieke expressie.

Die genderdimensie sluit aan bij de bredere statusanalyse. Sommige vormen van radicaal-rechtse mobilisatie spreken niet alleen een bedreigde nationale meerderheid aan, maar ook een bedreigde masculiene positie. Verzet tegen feminisme, gendergelijkheid, lhbtiq+-emancipatie en “woke” cultuur kan worden begrepen als reactie op het verlies van vanzelfsprekende mannelijke normativiteit. In die zin is statusdreiging niet alleen etnisch of nationaal, maar ook gendered. Het frame van herstel — herstel van orde, gezin, natie, gezag en “normaal doen” — verbindt culturele, nationale en genderhiërarchieën tot één politiek verhaal.

De Nederlandse context ondersteunt dus de centrale these van dit artikel, maar vraagt tegelijk om empirische voorzichtigheid. Niet iedere PVV-, FvD- of JA21-kiezer stemt vanuit dezelfde motieven. Niet alle zorgen over migratie, wonen of bestaanszekerheid zijn extreemrechts. Niet alle kritiek op overheid of instituties is antidemocratisch. De verkiezingen van 2025 maken deze voorzichtigheid nog belangrijker. Zij laten zien dat kiezersbewegingen niet één richting op gaan. Er was winst voor D66 en CDA, verlies voor PVV, VVD, BBB en NSC, maar tegelijk groei voor FvD en JA21. Dat duidt op een samenleving waarin bestuurlijke stabiliteit, democratisch herstel, nationale prioriteit en anti-establishmentsentiment naast elkaar concurreren.

De kern blijft echter dat Nederland een duidelijke casus biedt van de overgang van structurele onzekerheid naar uitsluitende identiteit. Woningnood, bestaansonzekerheid en politiek wantrouwen vormen de maatschappelijke ondergrond. Migratieframes geven die onzekerheid een zichtbaar object. Populistische taal van “Nederland vol”, “eigen mensen eerst” en “Nederlanders weer op 1” vertaalt diffuse onvrede in een verhaal van verdringing en nationale prioriteit. Daarmee wordt niet alleen beleid voorgesteld, maar identiteit aangeboden: wie zich vergeten voelt, kan zich opnieuw herkennen als onderdeel van het “echte Nederland” dat zijn plaats moet heroveren.

Juist daarom is de Nederlandse casus analytisch zo belangrijk. Zij laat zien dat extreemrechts populisme niet uitsluitend groeit door feitelijke problemen rond migratie of economie, maar door de politieke vertaling van die problemen in een verhaal van statusverlies, eliteverraad en herstel van de eigen groep. Woningnood wordt dan niet alleen een sociaal probleem, maar een bewijs van verdringing. Migratie wordt niet alleen een bestuurlijke uitdaging, maar een symbool van verlies aan nationale controle. Politiek wantrouwen wordt niet alleen kritiek op instituties, maar een vermoeden van verraad.

De verkiezingen van 2025 versterken deze conclusie. Zij laten zien dat radicaal-rechts niet simpelweg verdwijnt wanneer één partij verliest. Het kan zich verplaatsen, verbreden en institutioneel herschikken. De PVV verloor zetels, maar bleef groot. FvD en JA21 groeiden. Gezamenlijk bleef het radicaal-rechtse blok zeer substantieel aanwezig. Daarmee krijgt het mechanisme van eigenwaarde door uitsluiting een actuele Nederlandse vorm: structurele onzekerheid wordt vertaald in groepsvergelijking, groepsvergelijking in ressentiment, en ressentiment in een politiek verlangen naar herstel van een vermeend verloren nationale rangorde.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Welke patronen keren telkens terug wanneer samenlevingen fundamenteel veranderen?

Waarom wonen in een woonwagen een mensenrechtelijke kwestie is

Menswording als kompas: Een nieuwe manier om te denken over mens, samenleving en instituties