Verlangen naar hiërarchie en orde: waarom extreemrechts meer is dan protest
Sociale-dominantieoriëntatie en autoritarisme: verlangen naar hiërarchie en
orde
Niet iedere vorm van onvrede leidt tot steun voor
uitsluiting, harde grenzen, repressie of normatieve homogeniteit. Om die
overgang beter te begrijpen, zijn twee klassieke sociaal-psychologische
variabelen van belang: sociale-dominantieoriëntatie en rechtse autoritarisme.
Sociale-dominantieoriëntatie verwijst naar de mate waarin
mensen hiërarchische verhoudingen tussen groepen wenselijk, natuurlijk of
onvermijdelijk achten. Personen met een hoge sociale-dominantieoriëntatie zijn
sterker geneigd ongelijkheid tussen groepen te rechtvaardigen en
maatschappelijke ordeningen te ondersteunen waarin sommige groepen meer status,
macht of rechten hebben dan andere. Het gaat daarbij niet slechts om
individuele competitiedrang, maar om een fundamentele houding tegenover
groepsverhoudingen: de samenleving wordt gezien als een strijd tussen groepen
waarin dominantie, rangorde en superioriteit legitieme ordeningsprincipes zijn[1].
Rechtse autoritarisme verwijst naar een verwante maar
onderscheiden oriëntatie. Het betreft een combinatie van onderwerping aan als
legitiem ervaren autoriteiten, conformisme ten aanzien van dominante normen en
agressie tegen personen of groepen die als afwijkend, bedreigend of
normondermijnend worden beschouwd. Waar sociale-dominantieoriëntatie vooral
betrekking heeft op hiërarchie tussen groepen, heeft autoritarisme vooral
betrekking op orde, gehoorzaamheid en normhandhaving. Beide variabelen kunnen elkaar
versterken: wie hiërarchie wenselijk vindt, zal eerder steun geven aan
autoriteiten die die hiërarchie beschermen; wie sterk gericht is op orde en
conformiteit, zal sneller groepen afwijzen die als afwijkend of ontregelend
worden voorgesteld[2].
Voor de analyse van extreemrechts stemgedrag zijn deze
begrippen van groot belang. Zij laten zien dat extreemrechtse
aantrekkingskracht niet alleen voortkomt uit protest, onzekerheid of
verlieservaring, maar ook uit een normatieve voorkeur voor duidelijke grenzen,
rangorde en homogeniteit. Extreemrechts populisme biedt kiezers niet
uitsluitend een kanaal om onvrede te uiten, maar ook een politiek project
waarin sociale hiërarchieën worden hersteld of bevestigd. Dat project belooft
niet alleen bescherming tegen vermeende dreiging, maar ook herordening van de
samenleving: wie erbij hoort en wie niet, wie gezag heeft en wie moet
gehoorzamen, welke levensvormen normaal zijn en welke als afwijkend of
gevaarlijk gelden.
Vanuit het relationeel-procesmatige mensbeeld kan dit
worden begrepen als een verstoring van de normatieve balans tussen pluraliteit,
kwetsbaarheid en macht. Mensen leven in een wereld van symbolen, waarden en
verhalen en dit veronderstelt waardigheid en respect voor pluraliteit van
betekenisgeving, zolang die pluraliteit niet omslaat in hiërarchie, uitsluiting
of geweld. Juist daar ligt de normatieve grens: pluraliteit is een
antropologisch gegeven, maar vraagt institutionele en culturele mechanismen die
voorkomen dat verschil wordt omgezet in dominantie of suprematie.
Sociale-dominantieoriëntatie kan worden opgevat als
precies zo’n omzetting van verschil in rangorde. Verschillen tussen groepen in
cultuur, religie, afkomst, gender, seksualiteit of levensstijl, worden dan niet gezien als legitieme variaties
binnen een gedeelde politieke gemeenschap, maar als aanwijzingen voor verschil
in waarde, betrouwbaarheid of aanspraak op bescherming. De eigen groep
verschijnt als natuurlijk leidend, normatief centraal of historisch
rechthebbend; andere groepen verschijnen als gasten, afwijkingen, risico’s of
ondergeschikten. Daarmee wordt pluraliteit niet verwerkt als democratische
conditie, maar hiërarchisch geordend.
Het onderzoek van Van Assche, Dhont en Pettigrew is in
dit verband belangrijk. Zij laten zien dat steun voor extreemrechts in Europa
en de Verenigde Staten samenhangt met autoritarisme,
sociale-dominantieoriëntatie en vooroordelen. Hun analyse nuanceert het beeld
van extreemrechts stemmen als louter proteststem. Far-right support hangt niet
alleen samen met onvrede over beleid of elites, maar ook met diepere
sociaal-psychologische disposities die bepalen hoe mensen omgaan met verschil,
dreiging, ongelijkheid en groepsgrenzen[3].
Deze bevinding versterkt de centrale these van dit artikel: uitsluiting is bij
extreemrechts niet bijkomstig, maar functioneel voor het politieke project.
Het autoritaire element is daarbij even wezenlijk als het
hiërarchische. Radicaal-rechts populisme spreekt vaak in termen van “orde
herstellen”, “grenzen bewaken”, “normaal doen”, “hard optreden”, “gezag
terugbrengen” of “afrekenen met linkse elites”. Zulke taal appelleert aan een
verlangen naar een overzichtelijke sociale orde waarin ambiguïteit, pluraliteit
en conflict worden teruggedrongen. In complexe, diverse en snel veranderende
samenlevingen kan dat verlangen psychologisch begrijpelijk zijn. Mensen zoeken
stabiliteit, veiligheid en voorspelbaarheid. Maar autoritarisme wordt
problematisch wanneer veiligheid wordt vereenzelvigd met conformiteit en
afwijking wordt geconstrueerd als bedreiging.
Macht is geen toevallige bijzaak van samenleven, maar een
structurele dimensie van menselijke relationaliteit. Omdat mensen afhankelijk
zijn van bescherming, erkenning, informatie en middelen, kunnen relationele
afhankelijkheden asymmetrisch worden. Zolang asymmetrieën worden begrensd en
gecorrigeerd, kunnen zij organisatorisch functioneel zijn; wanneer controle
echter structureel wordt geconcentreerd en onvoldoende tegenmacht bestaat, kan
afhankelijkheid omslaan in dominantie. Deze machtsanalyse is direct relevant
voor autoritarisme: waar orde wordt nagestreefd zonder corrigeerbaarheid, kan
bescherming omslaan in onderwerping en gezag in dominantie.
Extreemrechtse politiek exploiteert deze spanning. Zij
presenteert autoritaire maatregelen vaak als noodzakelijke bescherming van
“gewone mensen” tegen chaos, criminaliteit, migratie, islamisering,
woke-ideologie, genderverwarring of eliteverraad. Daardoor wordt
machtsconcentratie gelegitimeerd als herstel van veiligheid. Maar de vraag is
steeds: veiligheid voor wie, tegen wie, en onder welke rechtsstatelijke
begrenzing? Wanneer veiligheid wordt gedefinieerd vanuit de angsten van de
dominante groep, kunnen minderheden zelf tot veiligheidsprobleem worden
gemaakt. De bescherming van de één wordt dan georganiseerd als controle over de
ander.
Hier raakt autoritarisme aan de affectieve infrastructuur
van extreemrechts. Angst, walging, woede en morele paniek worden politiek
geordend rond groepen die als normafwijkend of gevaarlijk worden voorgesteld.
De autoritaire leider verschijnt vervolgens als degene die durft te doen wat
“de slappe elite” nalaat: grenzen sluiten, demonstranten aanpakken, rechters
negeren, media bestrijden, “ideologische” instituties zuiveren of minderheden
disciplineren. Daarmee krijgt autoritarisme een emotionele legitimiteit. Het is
niet alleen een voorkeur voor gezag, maar een verlangen naar iemand die de
gekrenkte orde herstelt.
Sociale-dominantieoriëntatie en autoritarisme versterken
elkaar vooral wanneer minderheden worden voorgesteld als zowel inferieur als
bedreigend. De inferieure ander legitimeert hiërarchie; de bedreigende ander
legitimeert repressie. De migrant wordt dan niet alleen als minder passend
gezien, maar ook als gevaar voor veiligheid of cultuur. De moslim wordt niet
alleen als anders gezien, maar als drager van een onverenigbare beschaving. De
lhbtiq+-persoon wordt niet alleen als afwijkend gezien, maar als bedreiging
voor kinderen, gezin of morele orde. De antiracist wordt niet alleen als
criticus gezien, maar als vijand van de nationale gemeenschap. Deze dubbele
framing maakt uitsluiting politiek bijzonder krachtig.
Vanuit sociaal-psychologisch perspectief is dit geen
toevallig retorisch effect, maar een herkenbare dynamiek. Autoritaire
oriëntaties worden geactiveerd wanneer mensen sociale verandering als
normatieve ontregeling ervaren. Sociale-dominantieoriëntatie wordt geactiveerd
wanneer bestaande groepshiërarchieën als bedreigd worden ervaren.
Radicaal-rechtse politiek verbindt beide: zij vertelt dat de natuurlijke orde
wordt ondermijnd door afwijkende groepen en verraderlijke elites, en dat
herstel slechts mogelijk is via harde grenzen, discipline en herbevestiging van
de dominante groep.
Daarmee kan ook het verband met de eerdere paragrafen
worden verduidelijkt. Relatieve deprivatie levert het gevoel: “wij krijgen te
weinig.” Statusdreiging levert het gevoel: “wij verliezen onze plaats.” Collective
narcissism levert het gevoel: “wij zijn groots, maar worden miskend.”
Sociale-dominantieoriëntatie voegt daaraan toe: “het is legitiem dat wij boven
anderen staan.” Autoritarisme voegt daaraan toe: “orde moet desnoods hard
worden afgedwongen.” Samen vormen deze mechanismen een krachtige psychopolitieke
configuratie waarin uitsluiting niet wordt ervaren als moreel probleem, maar
als herstel van rechtmatige orde.
Macht kan worden gelegitimeerd door ideologische,
religieuze, economische of culturele narratieven die machtsconcentratie als
vanzelfsprekend of noodzakelijk voorstellen. Extreemrechts populisme
functioneert precies op die manier. Het presenteert dominantie niet als
dominantie, maar als gezond verstand; uitsluiting niet als ongelijkheid, maar
als bescherming; autoritaire macht niet als gevaar voor de rechtsstaat, maar
als herstel van democratische wil. Daardoor worden hiërarchie en orde politiek
aantrekkelijk gemaakt voor mensen die pluraliteit ervaren als verlies van
controle.
Dit is ook waarom radicaal-rechts populisme vaak
ambivalent staat tegenover democratie. Formeel beroept het zich op “de stem van
het volk”, maar inhoudelijk wordt het volk versmald tot de eigen, homogene,
moreel zuivere groep. Minderheden, rechters, journalisten, wetenschappers,
maatschappelijke organisaties en internationale mensenrechteninstituties worden
dan weggezet als obstakels voor de volkswil. De democratie wordt gereduceerd
tot meerderheidsmacht, terwijl de rechtsstatelijke voorwaarden van democratische
gelijkwaardigheid zoals pluralisme, minderhedenbescherming, onafhankelijke
rechtspraak, vrije media en grondrechten, worden verdacht gemaakt.
Autoritarisme verschijnt zo niet ondanks democratische taal, maar juist via een
herdefinitie van democratie als onbeperkte macht van het “eigen volk”.
Vanuit het perspectief van de democratische rechtsstaat
is dat fundamenteel problematisch. Democratische orde is niet hetzelfde als
sociale homogeniteit. Rechtsstatelijke stabiliteit berust niet op het
elimineren van verschil, maar op instituties die verschil kunnen dragen zonder
dat conflict omslaat in onderdrukking. Een pluralistische samenleving heeft
grenzen nodig, maar die grenzen moeten gericht zijn op bescherming van gelijke
waardigheid, niet op bevestiging van dominante groepsposities. Het verlangen
naar orde wordt gevaarlijk wanneer orde wordt losgemaakt van rechtvaardigheid
en corrigeerbaarheid.
Daarom moet sociale-dominantieoriëntatie ook
institutioneel worden begrepen. Zij is niet slechts een individuele attitude,
maar kan worden versterkt of verzwakt door onderwijs, media, politieke
retoriek, economische ongelijkheid, segregatie, contact tussen groepen en de
werking van instituties. Samenlevingen die ongelijkheid normaliseren,
competitie tussen groepen aanwakkeren en publieke voorzieningen verdelen via
schaarsteframes, kunnen hiërarchisch denken versterken. Omgekeerd kunnen
instituties die gelijke behandeling, betekenisvol contact, bestaanszekerheid en
democratische participatie bevorderen, de behoefte aan dominantie verminderen. Macht
en asymmetrie verdwijnen niet, maar moeten institutioneel worden begrensd,
gecorrigeerd en reflexief gemaakt.
Extreemrechts trekt niet alleen kiezers aan die boos zijn
op de gevestigde politiek, maar ook mensen die verlangen naar een
maatschappelijke orde waarin grenzen duidelijker, identiteiten homogener en
groepshiërarchieën stabieler zijn. Uitsluiting is in dat verband geen
toevallige ontsporing van retoriek, maar een functioneel onderdeel van het
politieke aanbod. Zij maakt zichtbaar wie erbij hoort, wie ondergeschikt is en
tegen wie de orde moet worden beschermd.
Een democratische respons moet daarom verder gaan dan het
corrigeren van onjuiste feiten of het bestrijden van openlijk racisme. Zij moet
ook het onderliggende verlangen naar hiërarchie en autoritaire zekerheid
adresseren. Dat betekent niet dat democratische politiek geen orde, veiligheid
of grenzen mag bieden. Integendeel: rechtsstatelijke instituties moeten
bescherming en stabiliteit kunnen garanderen. Maar zij moeten dat doen zonder
de gelijkwaardigheid van burgers op te geven. De uitdaging is dus niet orde
tegenover vrijheid te plaatsen, maar een vorm van orde te ontwikkelen die
pluraliteit beschermt in plaats van onderdrukt.
Sociale-dominantieoriëntatie en autoritarisme verklaren
waarom extreemrechts populisme meer is dan protest. Het is een politiek
verlangen naar hiërarchische en normatief homogene ordening, waarin de eigen
groep wordt beschermd, verheven en bevestigd tegenover groepen die als
afwijkend of bedreigend worden geconstrueerd. Daarmee vormt het een directe
uitdaging voor de democratische rechtsstaat, omdat die juist berust op het
beginsel dat menselijke waardigheid, rechten en burgerschap niet afhankelijk
mogen zijn van de plaats die een dominante groep aan anderen toekent.
[1] Jim Sidanius en
Felicia Pratto, Social Dominance: An Intergroup Theory of Social Hierarchy
and Oppression (Cambridge: Cambridge University Press, 1999); Felicia
Pratto, Jim Sidanius, Lisa M. Stallworth en Bertram F. Malle, “Social Dominance
Orientation: A Personality Variable Predicting Social and Political Attitudes,”
Journal of Personality and Social Psychology 67, nr. 4 (1994): 741–763.
[2] Theodor W.
Adorno, Else Frenkel-Brunswik, Daniel J. Levinson en R. Nevitt Sanford, The
Authoritarian Personality (New York: Harper, 1950); Bob Altemeyer, Right-Wing
Authoritarianism (Winnipeg: University of Manitoba Press, 1981); Bob
Altemeyer, The Authoritarian Specter (Cambridge, MA: Harvard University
Press, 1996).
[3] Jasper Van
Assche, Kristof Dhont en Thomas F. Pettigrew, “The Social-Psychological Bases
of Far-Right Support in Europe and the United States,” Journal of Community
& Applied Social Psychology 29, nr. 5 (2019): 385–401.

Reacties
Een reactie posten