Scapegoating en vijandbeeldvorming: waarom de zwakkeren de schuld krijgen
Relatieve deprivatie, statusdreiging, collective narcissism, sociale-dominantieoriëntatie en autoritarisme kunnen bijdragen aan de aantrekkingskracht van extreemrechts populisme. Daarmee is echter nog niet volledig verklaard waarom maatschappelijke onvrede zich zo vaak richt op zichtbare minderheden in plaats van op machtige economische, politieke of institutionele structuren. Juist dat is één van de centrale raadsels van extreemrechtse mobilisatie: waarom worden vluchtelingen, migranten, moslims, lhbtiq+-personen of andere minderheden zo vaak verantwoordelijk gemaakt voor problemen waarvan de oorzaken veel complexer en structureler zijn?
Het antwoord ligt voor een belangrijk deel in het mechanisme van scapegoating, of zondebokvorming28. Scapegoating verwijst naar het proces waarbij collectieve frustratie, onzekerheid of angst wordt afgeleid naar een herkenbare groep die als oorzaak van maatschappelijke problemen wordt voorgesteld. De zondebok hoeft niet werkelijk verantwoordelijk te zijn voor die problemen. Beslissend is dat de groep zichtbaar, politiek kwetsbaar en symbolisch bruikbaar is. Zij krijgt een gezicht, een naam en een plaats in een verhaal waarin diffuse maatschappelijke spanningen begrijpelijk worden gemaakt.
Woningnood, bestaansonzekerheid, verlies van publieke voorzieningen, arbeidsmarktstress, culturele verandering en institutioneel wantrouwen hebben doorgaans meervoudige oorzaken. Zij hangen samen met woningmarktordening, ruimtelijke schaarste, speculatie, bezuinigingen, flexibilisering van arbeid, globalisering, demografische veranderingen, decentralisaties, uitvoeringsproblemen, geopolitieke instabiliteit en ongelijkheid. Zulke oorzaken zijn complex, verspreid en moeilijk in één schuldige samen te vatten. Extreemrechtse retoriek vereenvoudigt die complexiteit tot een overzichtelijk verhaal: “zij nemen onze huizen”, “zij krijgen voorrang”, “zij bedreigen onze cultuur”, “zij passen zich niet aan”, “zij maken onze buurten onveilig”, “zij krijgen alles en wij niets”.
Die vereenvoudiging is niet alleen cognitief, maar ook affectief aantrekkelijk. Zij maakt frustratie begrijpelijk, geeft machteloosheid een richting en herstelt een gevoel van controle. Wie zich geconfronteerd ziet met ondoorzichtige markten, bureaucratische instituties en mondiale processen, krijgt een concreet object waarop woede kan worden gericht. De maatschappelijke werkelijkheid wordt teruggebracht tot een moreel schema van schuld en herstel. De eigen groep is slachtoffer, de elite is verrader, de minderheid is profiteur of bedreiging. Daarmee wordt complexiteit psychologisch hanteerbaar gemaakt, maar tegen de prijs van vervalsing en ontmenselijking.
Vanuit het relationeel-procesmatige mensbeeld kan zondebokvorming worden begrepen als een ontsporing van narratieve betekenisvorming. Narratieven zijn noodzakelijk omdat mensen sociale werkelijkheid niet rechtstreeks en volledig kunnen overzien. Zij ordenen ervaringen, verbinden gebeurtenissen en geven richting aan collectieve emoties. Maar narratieve macht wordt problematisch wanneer zij reflectieve oordeelsvorming vernauwt door selectieve informatie, sterke vereenvoudiging van complexe sociale processen en emotioneel geladen symboliek die nuance en kritiek verdringt. Dit kan gezien worden als manipulatie, emotionele versmalling en epistemische sluiting.
Scapegoating is precies zo’n vorm van emotionele versmalling. Maatschappelijke problemen worden niet geanalyseerd in hun institutionele, economische en historische gelaagdheid, maar toegeschreven aan de aanwezigheid of vermeende privileges van een outgroup. Daarmee worden alternatieve interpretaties gemarginaliseerd. Wie wijst op woningmarktbeleid, kapitaalconcentratie, arbeidsmarktflexibilisering of bestuurlijk falen, kan binnen het zondeboknarratief worden weggezet als naïef, elitair of medeplichtig. Kritische reflectie wordt vervangen door loyaliteit aan een eenvoudig vijandbeeld.
Hierin ligt de kracht van extreemrechtse vijandbeeldvorming. Zij biedt niet alleen een verklaring, maar ook een morele herordening. De eigen groep wordt voorgesteld als hardwerkend, oorspronkelijk en tekortgedaan. De minderheid wordt voorgesteld als ontvangend, indringend of ontregelend. De elite wordt voorgesteld als degene die dit alles mogelijk maakt of zelfs bewust organiseert. Daardoor worden verticale machtsvragen zoals wie bezit economische macht, wie bepaalt beleid, wie profiteert van schaarste, wie controleert instituties, omgebogen naar horizontale conflicten tussen groepen die vaak zelf kwetsbaar zijn.
Deze verschuiving van verticale naar horizontale conflictvorming is cruciaal. Woningnood wordt dan niet primair gezien als gevolg van decennialang beleid, marktwerking, ruimtelijke keuzes, financiële prikkels of tekorten in publieke sturing, maar als strijd tussen “eigen mensen” en nieuwkomers.
Arbeidsmarktonzekerheid wordt niet primair verbonden met flexibilisering, platformisering, machtsasymmetrie tussen werkgever en werknemer of druk op lonen, maar met migranten die banen zouden afpakken. Verlies van publieke voorzieningen wordt niet begrepen als gevolg van politieke keuzes, schaalvergroting, marktlogica of onderinvestering, maar als bewijs dat “anderen” worden voorgetrokken. Zo wordt structurele analyse vervangen door intergroepsvijandigheid.
Narratieven spelen ook een rol spelen in de legitimatie van sociale hiërarchieën. Historisch zijn stereotiepe verhalen over etniciteit, ras, geslacht of cultuur gebruikt om ongelijkheid te rationaliseren en door te laten werken in instituties zoals onderwijs, media en arbeidsmarktselectie. Extreemrechtse zondebokpolitiek staat in die traditie van hiërarchiserende representatie. De ander wordt niet alleen als oorzaak van problemen voorgesteld, maar ook als minder betrouwbaar, minder aangepast, minder productief, minder modern, minder loyaal of minder verenigbaar met “onze” waarden. Daardoor krijgt uitsluiting een schijn van rationaliteit.
Scapegoating werkt bovendien omdat het aansluit bij reeds bestaande sociale classificaties. Minderheden zijn vaak zichtbaarder dan structuren. Een vluchtelingencentrum is concreter dan financiële marktdynamiek. Een hoofddoek is zichtbaarder dan institutionele discriminatie. Een incident met een migrant is mediagenieker dan jarenlange beleidsverwaarlozing. Een Pride-vlag is zichtbaarder dan de trage ontwikkeling van juridische gelijkheid. Zondebokvorming kiest daarom zelden willekeurig haar objecten. Zij richt zich op groepen die al beladen zijn met bestaande stereotypes en waarvan de zichtbaarheid gemakkelijk kan worden omgezet in symbolische dreiging.
Politieke communicatie speelt hierbij een centrale rol. Strategische framing29 en agenda-setting bepalen welke aspecten van de werkelijkheid zichtbaar worden en welke buiten beeld verdwijnen. Wanneer incidenten met minderheden voortdurend worden benadrukt, terwijl structurele oorzaken van sociale problemen onbesproken blijven, ontstaat een scheef interpretatiekader. Politieke communicatie kan publieke interpretatie sterk sturen wanneer bepaalde perspectieven systematisch worden benadrukt en andere worden weggelaten. Emotioneel geladen symboliek en simplificerende narratieven kunnen cognitieve complexiteit reduceren en groepspolarisatie versterken.
Dit verklaart waarom zondebokpolitiek bijzonder effectief is in digitale mediaomgevingen. Sociale platforms belonen verontwaardiging, conflict en herhaalbare frames. Een complexe analyse van woningmarktstructuren verspreidt zich moeilijker dan een boos bericht over “statushouders die huizen krijgen”. Een beschouwing over arbeidsmarktsegmentatie is minder viraal dan een video waarin migranten worden voorgesteld als bedreiging. De aandachtseconomie versterkt dus niet noodzakelijk wat waar of relevant is, maar wat emotioneel activeert. Daardoor kunnen zondeboknarratieven zich sneller verspreiden dan institutionele verklaringen.
De psychologische voordelen van scapegoating zijn daarmee nauw verbonden met haar politieke gevaren. Ten eerste biedt het een verklaring zonder complexiteit. Ten tweede geeft het frustratie een object. Ten derde creëert het groepscohesie: wie dezelfde vijand aanwijst, ervaart verbondenheid met de ingroup. Ten vierde geeft het een gevoel van controle: als “zij” het probleem zijn, dan lijkt de oplossing eenvoudig, grenzen sluiten, rechten beperken, opvang stoppen, zichtbaarheid verminderen, harder optreden. Deze schijnbare eenvoud is aantrekkelijk in tijden van onzekerheid, maar zij ondermijnt het vermogen van een samenleving om haar echte problemen te begrijpen en te corrigeren.
Daarmee raakt zondebokvorming direct aan epistemische stabiliteit. Een democratische samenleving heeft gedeelde mechanismen nodig om problemen waarheidsgetrouw te analyseren, oorzaken te onderscheiden, belangen af te wegen en beleid te corrigeren. Wanneer vijandbeelden de plaats innemen van analyse, verliest de samenleving haar corrigerend vermogen. Narratieven kunnen omslaan in gesloten interpretatieve systemen die hun eigen correctie blokkeren. Alternatieve perspectieven worden dan niet langer behandeld als legitieme bijdragen aan maatschappelijk begrip, maar als bedreiging, misleiding of verraad.
Dat is precies wat in extreemrechtse discoursen vaak gebeurt. Onderzoek, journalistiek, rechtspraak, wetenschap, mensenrechtenorganisaties en maatschappelijke tegenstemmen worden weggezet als onderdeel van dezelfde elite die “het volk” zou verraden. Daarmee wordt niet alleen een minderheid tot vijand gemaakt, maar ook de institutionele infrastructuur die het vijandbeeld zou kunnen corrigeren.
Zondebokpolitiek tast dus twee groepen tegelijk aan: de zichtbare minderheid die tot oorzaak van problemen wordt gemaakt, en de corrigerende instituties die deze simplificatie zouden kunnen weerleggen.
Hier komt de interdisciplinaire betekenis van scapegoating scherp naar voren. Sociale psychologie verklaart waarom mensen onder onzekerheid vatbaar kunnen zijn voor eenvoudige schuldtoewijzing en outgroup-vijandigheid. Politieke economie30 verklaart welke structurele spanningen zoals woningnood, ongelijkheid, flexibilisering, bestaansonzekerheid, de voedingsbodem vormen. Communicatiewetenschap verklaart hoe frames, herhaling, incidentselectie en emotionele symboliek publieke interpretaties sturen. Institutionele theorie verklaart waarom burgers bij falende of ondoorzichtige instituties hun vertrouwen verliezen in complexe verklaringen en ontvankelijk worden voor simplificerende vijandbeelden.
Deze interdisciplinariteit voorkomt twee fouten. De eerste fout is psychologisering: doen alsof zondebokvorming alleen voortkomt uit irrationele haat of individuele vooroordelen. Dat miskent de reële onzekerheden, frustraties en institutionele mislukkingen waarop zondebokpolitiek parasiteert. De tweede fout is verontschuldiging: doen alsof zondebokvorming begrijpelijk en daarom politiek acceptabel is. Dat miskent dat de keuze om frustratie te richten op kwetsbare groepen een morele en politieke keuze is, die actief wordt geproduceerd door partijen, media en bewegingen.
De vraag is dus niet of mensen reden kunnen hebben om boos te zijn. De vraag is hoe die boosheid wordt geïnterpreteerd en gericht. Wordt zij vertaald in structurele kritiek op instituties, marktmacht, beleidsfalen en ongelijkheid? Of wordt zij omgezet in vijandschap tegenover groepen die zelf beperkte macht hebben? Extreemrechtse politiek kiest doorgaans voor het tweede. Zij leidt de blik af van machtsstructuren en richt haar op mensen die zichtbaar, kwetsbaar en mobiliseerbaar zijn. Daardoor blijft de onderliggende ordening vaak intact, terwijl sociale solidariteit verder wordt afgebroken.
Dat verklaart ook waarom zondebokpolitiek functioneel kan zijn voor bestaande machtsverhoudingen. Wanneer mensen elkaar bestrijden langs lijnen van afkomst, religie, seksualiteit of verblijfsstatus, blijven structurele belangenconflicten minder zichtbaar. De huurder richt zich tegen de statushouder in plaats van tegen woningmarktbeleid of speculatie. De werknemer richt zich tegen de arbeidsmigrant in plaats van tegen werkgeversmacht of precarisering. De burger richt zich tegen de vluchteling in plaats van tegen geopolitieke instabiliteit, falende internationale orde of ongelijke verdeling van middelen.
Zondebokpolitiek produceert dus niet alleen vijandbeelden; zij organiseert ook politieke afleiding.
Vanuit het perspectief van menswording is dit bijzonder destructief. Het ondermijnt relationele veiligheid, epistemisch vertrouwen en democratische solidariteit. Minderheden worden niet langer benaderd als mede-mensen in kwetsbare omstandigheden, maar als objecten van verdenking. De meerderheid verliest ondertussen het vermogen om haar eigen problemen adequaat te begrijpen. Beide processen beperken menselijke ontwikkeling: de één door uitsluiting en bedreiging, de ander door gevangenschap in een vernauwd en vijandig wereldbeeld.
De democratische rechtsstaat moet daarom twee taken combineren. Ten eerste moet zij zondebokvorming normatief begrenzen. Racisme, antisemitisme, moslimhaat, lhbtiq+-haat, xenofobie en ontmenselijking zijn geen gewone meningen, maar aantastingen van gelijke waardigheid en burgerschap. Ten tweede moet zij de structurele oorzaken aanpakken die zondebokpolitiek geloofwaardig maken: woningnood, bestaansonzekerheid, regionale achterstelling, falende dienstverlening, ondoorzichtige besluitvorming en verlies van institutioneel vertrouwen. Alleen door beide taken samen te nemen kan worden voorkomen dat terechte onvrede opnieuw wordt gekanaliseerd naar de zwaksten.
Scapegoating stelt extreemrechts populisme in staat om complexe maatschappelijke problemen te vertalen in eenvoudige vijandbeelden. Die vijandbeelden bieden psychologische houvast, politieke mobilisatie en symbolisch herstel van controle, maar onttrekken structurele oorzaken aan het zicht en verschuiven conflict van machtige instituties naar kwetsbare groepen. Juist daarom is zondebokvorming niet slechts retoriek, maar een centraal mechanisme van uitsluitende politiek. Zij verklaart waarom mensen die zelf onzekerheid ervaren, hun woede niet altijd richten op de structuren die onzekerheid produceren, maar op anderen die nog kwetsbaarder zijn.
Lees het gehele onderzoek: “Eigenwaarde door uitsluiting: bedreigde status, groepsnarcisme en extreemrechts stemgedrag” Een sociaal-psychologische en institutionele analyse van ressentiment, identiteit en politieke radicalisering. https://www.academia.edu/166923516/Eigenwaarde_door_uitsluiting_bedreigde_status_groepsnarcisme_en_extreemrechts_stemgedrag
28 Zie klassiek over zondebokmechanismen en projectie van frustratie: John Dollard e.a., Frustration and Aggression (New Haven: Yale University Press, 1939); Gordon W. Allport, The Nature of Prejudice (Reading, MA: Addison-Wesley, 1954); René Girard, Le Bouc émissaire (Paris: Grasset, 1982). Voor hedendaagse politieke toepassingen zie onder meer Ruth Wodak, The Politics of Fear: What Right-Wing Populist Discourses Mean (London: Sage, 2015); Cas Mudde, The Far Right Today (Cambridge: Polity Press, 2019).
29 Over framing, agenda-setting en de politieke constructie van verantwoordelijkheid: Robert M. Entman, “Framing: Toward Clarification of a Fractured Paradigm,” Journal of Communication 43, nr. 4 (1993): 51–58; Shanto Iyengar, Is Anyone Responsible? How Television Frames Political Issues (Chicago: University of Chicago Press, 1991); George Lakoff, Don’t Think of an Elephant! (White River Junction: Chelsea Green, 2004).
30 Over politieke economie, onzekerheid en de verschuiving van structurele conflictanalyse naar cultureel conflict: Dani Rodrik, “Populism and the Economics of Globalization,” Journal of International Business Policy 1 (2018): 12–33; David Autor e.a., “Importing Political Polarization? The Electoral Consequences of Rising Trade Exposure,” American Economic Review 110, nr. 10 (2020): 3139–3183; Noam Gidron en Peter A. Hall, “The Politics of Social Status: Economic and Cultural Roots of the Populist Right,” British Journal of Sociology 68, nr. S1 (2017): S57–S84.

Reacties
Een reactie posten