Heeft de nationale staat zijn tijd gehad? Of juist een nieuwe rol gekregen?
Herpositionering van het nationale
niveau
De overgang naar een
polycentrisch en functioneel complementair systeem impliceert geen eenvoudige
marginalisering van het nationale niveau, maar een fundamentele
herpositionering ervan. De nationale staat verliest zijn status als exclusief
centrum van politieke legitimiteit en besluitvorming, maar blijft
tegelijkertijd een kritisch knooppunt in de institutionele architectuur van
menswording. Deze dubbele beweging van centering en herwaardering, vereist een
precieze analyse van welke functies het nationale niveau nog vervult, waarom
deze functies niet eenvoudig kunnen worden overgenomen door andere schaallagen,
en onder welke voorwaarden zij normatief verdedigbaar blijven.
Historisch is de centrale
positie van de nationale staat nauw verbonden met de opkomst van
constitutionele democratie, de rechtsstaat en de verzorgingsstaat. In de
negentiende en twintigste eeuw werd het nationale niveau de primaire drager van
rechten, representatie en herverdeling. Het bood een institutioneel kader
waarin politieke gemeenschap, juridische afdwingbaarheid en sociale
solidariteit relatief stabiel met elkaar konden worden verbonden. Deze
historische configuratie heeft geleid tot robuuste instituties zoals
parlementen, rechtbanken, belastingstelsels en publieke diensten, die tot op
heden de kern vormen van veel politieke systemen[1].
Tegelijkertijd heeft de
voorgaande analyse laten zien dat deze nationale ordening niet langer voldoende
is om de schaal en complexiteit van hedendaagse machtsdynamieken te dragen.
Economische globalisering, digitale infrastructuren, ecologische systemen en
geopolitieke verhoudingen doorkruisen nationale grenzen en ondermijnen het idee
dat politieke sturing primair binnen territoriale kaders kan plaatsvinden. De
nationale staat bevindt zich daarmee in een paradoxale positie: zij blijft de
meest ontwikkelde drager van legitimiteit en institutionele capaciteit, maar
verliest haar exclusieve greep op de processen die die legitimiteit materieel
betekenis geven.
Binnen een polycentrisch
kader wordt het nationale niveau daarom het best begrepen als een functioneel
gedifferentieerd knooppunt met drie centrale rollen: (1) juridisch knooppunt,
(2) herverdelingslaag, en (3) democratisch anker.
1 Het nationale niveau als juridisch knooppunt
De eerste kernfunctie van
het nationale niveau ligt in zijn rol als juridisch knooppunt. Nationale
rechtsordes vormen nog steeds de primaire infrastructuur waarin rechten worden
geconcretiseerd, geïnterpreteerd en afgedwongen. Internationale en regionale
normen variërend van mensenrechtenverdragen tot handels- en milieuregulering,
verkrijgen hun feitelijke werking doorgaans pas via nationale implementatie en
rechtspraak. Nationale rechtbanken bieden burgers toegang tot
rechtsbescherming, en nationale wetgeving vertaalt abstracte normen naar
concrete rechten en verplichtingen.
Vanuit het
menswordingsperspectief is deze functie essentieel. Rechten krijgen pas
betekenis wanneer zij afdwingbaar zijn binnen een institutionele context die
toegankelijk, herkenbaar en effectief is. Het nationale niveau biedt hiervoor
een relatief ontwikkelde juridische infrastructuur, inclusief procedurele
waarborgen, rechtsbescherming en institutionele continuïteit. Tegelijkertijd
betekent deze rol dat nationale rechtsordes niet langer als gesloten systemen
kunnen functioneren. Zij moeten openstaan voor externe normatieve kaders en
functioneren als schakels in een breder meerschalig rechtssysteem.
Dit impliceert een
verschuiving van nationale soevereiniteit als exclusieve rechtsbron naar
nationale rechtsordes als interoperabele juridische knooppunten, waarin normen
van verschillende schaalniveaus samenkomen en worden geïntegreerd[2]. De legitimiteit van het nationale recht hangt
daarmee niet alleen af van interne democratische procedures, maar ook van de
wijze waarop het zich verhoudt tot bredere, transnationale normatieve kaders.
2. Het nationale niveau als herverdelingslaag
Een tweede cruciale
functie van het nationale niveau betreft herverdeling en sociale bescherming.
Sociale mensenrechten zoals toegang tot zorg, onderwijs, huisvesting en
bestaanszekerheid, vereisen niet alleen juridische erkenning, maar ook
materiële middelen en institutionele capaciteit. Nationale staten beschikken
historisch over belastingstelsels, sociale zekerheidsmechanismen en publieke
voorzieningen die herverdeling op betekenisvolle schaal mogelijk maken.
Empirisch blijkt dat deze
capaciteit moeilijk te repliceren is op andere niveaus. Regionale en mondiale
systemen kennen wel vormen van financiële overdracht, maar deze zijn doorgaans
beperkter, politiek fragieler en minder institutioneel verankerd. De Europese
Unie biedt bijvoorbeeld wel cohesiefondsen en herverdelingsmechanismen, maar
deze blijven afhankelijk van nationale bijdragen en politieke consensus, en
zijn relatief klein in vergelijking met nationale begrotingen. Mondiale
herverdeling is nog zwakker ontwikkeld en vaak afhankelijk van vrijwillige
bijdragen of ad-hoc mechanismen.
Vanuit het
menswordingsperspectief is dit van groot belang. Bestaanszekerheid vormt een
voorwaarde voor autonomie en participatie. Zonder materiële basis worden
rechten formeel, maar niet substantieel. Het nationale niveau fungeert hier als
een institutioneel dragend vlak waarin solidariteit, hoe contingent ook,
juridisch en financieel kan worden georganiseerd.
Tegelijkertijd staat deze
functie onder druk. Globalisering en kapitaalmobiliteit beperken de fiscale
autonomie van staten; concurrentie tussen staten kan herverdeling ondermijnen;
en grensoverschrijdende problemen vereisen coördinatie die nationale systemen
overstijgt[3]. Dit betekent dat nationale herverdeling niet
langer autonoom kan functioneren, maar moet worden ingebed in bredere
meerschalige structuren die fiscale en sociale coördinatie ondersteunen.
3. Het nationale niveau als democratisch anker
De derde functie van het
nationale niveau ligt in zijn rol als democratisch anker. Nationale
democratieën bieden nog steeds de meest ontwikkelde structuren voor politieke
representatie, publieke deliberatie en verantwoording. Zij beschikken over
institutionele mechanismen zoals verkiezingen, parlementaire controle,
onafhankelijke rechtspraak en vrije media, die burgers in staat stellen invloed
uit te oefenen op politieke besluitvorming.
Vanuit het
menswordingsperspectief is deze functie cruciaal, omdat participatie en
autonomie institutionele verankering vereisen. Democratie is hier niet slechts
een procedure, maar een structuur waarin individuen en groepen zichzelf als
mede-auteurs van de politieke orde kunnen ervaren. Nationale systemen bieden,
ondanks hun tekortkomingen, nog steeds de meest herkenbare en toegankelijke
infrastructuur voor dergelijke betrokkenheid.
Tegelijkertijd is deze
functie niet onproblematisch. Nationale democratieën zijn vaak gebaseerd op
veronderstellingen van een relatief homogene politieke gemeenschap, terwijl
hedendaagse samenlevingen gekenmerkt worden door pluraliteit, meervoudige identiteiten
en transnationale verwevenheid[4]. Bovendien is de reikwijdte van nationale
democratische besluitvorming beperkt door externe machtsstructuren, waardoor
participatie niet altijd samenvalt met effectieve invloed.
Dit betekent dat het
nationale niveau weliswaar een essentieel democratisch anker blijft, maar niet
langer voldoende is als exclusieve drager van legitimiteit. Democratische
processen moeten worden aangevuld en verbonden met participatieve en
deliberatieve mechanismen op andere schaallagen.
4. Kritische herijking: niet voldoende, maar onmisbaar
De herpositionering van
het nationale niveau maakt duidelijk dat het tegelijkertijd onmisbaar en
onvoldoende is. Het is onmisbaar omdat het unieke institutionele capaciteiten
biedt op het gebied van rechtsbescherming, herverdeling en democratische participatie.
Het is onvoldoende omdat deze capaciteiten niet langer samenvallen met de
schaal waarop de belangrijkste machts- en probleemstructuren opereren.
Daarmee wordt ook
zichtbaar dat alternatieven die het nationale niveau willen vervangen door
louter regionale of mondiale structuren tekortschieten. Zulke modellen
onderschatten de institutionele diepte van nationale systemen en de
sociaal-culturele voorwaarden voor democratische legitimiteit en solidariteit.
Tegelijkertijd kan het nationale niveau niet normatief onaangetast blijven. Het
moet worden herijkt als onderdeel van een meerschalig systeem, waarin
bevoegdheden, verantwoordelijkheden en legitimiteit worden gedeeld en
afgestemd.
Dit impliceert een
herinterpretatie van soevereiniteit. Nationale soevereiniteit kan niet langer
worden opgevat als exclusieve en absolute beslissingsmacht binnen territoriale
grenzen, maar moet worden begrepen als gedeelde, relationele en functioneel begrensde
bevoegdheid binnen een netwerk van overlappende instituties[5]. Nationale instituties moeten enerzijds openstaan
voor samenwerking, normharmonisatie en externe correctie, en anderzijds hun
interne legitimiteit, transparantie en corrigeerbaarheid versterken.
Lees het volledige
onderzoek
De architectuur van
menswording
Waarom de toekomst van
vrijheid, democratie en rechtvaardigheid afhangt van de instituties die wij
bouwen
[1] Klassieke analyses
van staatsvorming en bureaucratisering, zoals Max Weber, Wirtschaft und
Gesellschaft (1922), benadrukken de rol van rationeel-legale autoriteit en
administratieve capaciteit in het consolideren van moderne staten. Historische
studies naar staatsopbouw en extractie, zoals Charles Tilly, Coercion,
Capital, and European States (1990), laten zien hoe fiscale en militaire
structuren bijdroegen aan institutionele stabiliteit en centralisatie. Binnen
de politieke theorie wordt deze ontwikkeling verder uitgewerkt in analyses van
burgerschap en sociale rechten, zie T. H. Marshall, Citizenship and Social
Class (1950), waarin civiele, politieke en sociale rechten worden verbonden
aan de natiestaat, en Karl Polanyi, The Great Transformation (1944),
waarin de opkomst van sociale bescherming wordt begrepen als reactie op
marktdynamiek. Recente literatuur bevestigt dat nationale instituties zoals
parlementen, rechtbanken, belastingstelsels en publieke diensten lange tijd de
kern vormden van politieke ordening en legitimiteit, zie Stein Rokkan, State
Formation, Nation-Building, and Mass Politics in Europe (1999 [postuum]) en
Francis Fukuyama, Political Order and Political Decay (2014).
Tegelijkertijd wijzen meer recente analyses op de historisch contingente aard
van deze configuratie en de huidige transformaties ervan onder invloed van
globalisering, regionalisering en schaaloverschrijdende problematiek. Zie onder
meer Saskia Sassen, Territory, Authority, Rights (2006), en Wolfgang
Streeck, Buying Time (2014), waarin wordt betoogd dat de koppeling
tussen nationale democratie, economie en sociale bescherming onder druk staat.
Deze literatuur onderstreept dat de dominante rol van het nationale niveau
historisch succesvol en institutioneel robuust is geweest, maar niet
noodzakelijkerwijs duurzaam of exclusief blijft in hedendaagse, meerschalige
governance-structuren.
[2] In de rechtsfilosofie
en het internationaal recht wordt dit beschreven in termen van constitutioneel
pluralisme en de gelaagde verwevenheid van rechtsordes; zie onder meer Neil
Walker, Intimations of Global Law (2015), en Miguel Poiares Maduro, We
the Court (1998) en latere bijdragen over Europese constitutionele
interactie. Ook Mattias Kumm benadrukt in recente publicaties (o.a. 2021) dat
legitimiteit in een meerschalig juridisch landschap voortkomt uit de onderlinge
afstemming van rechtsordes in plaats van uit één hiërarchisch centrum. Binnen
de Europese context laat Gráinne de Búrca, Reframing European Law
(2015), zien hoe nationale en supranationale normen elkaar wederzijds
beïnvloeden, terwijl Armin von Bogdandy en Ingo Venzke, In Whose Name?
(2014), analyseren hoe internationale en Europese instituties functioneren als
knooppunten van normatieve productie en interpretatie. Recente literatuur over
transnationaal recht en juridische netwerken bevestigt dit beeld, zie
Anne-Marie Slaughter, A New World Order (2004) en latere bijdragen, en
Nico Krisch, Beyond Constitutionalism (2010), waarin rechtsordes worden
begrepen als overlappende en deels concurrerende normatieve systemen zonder
centraal gezag. Meer recent benadrukken studies naar juridische globalisering
en digitale governance dat nationale rechtsordes steeds vaker functioneren als
schakels binnen bredere normatieve netwerken, zie Benedict Kingsbury en Richard
B. Stewart, werk over global administrative law (o.a. 2019), en Julie E. Cohen,
Between Truth and Power (2019), waarin wordt betoogd dat regulering zich
ontwikkelt binnen hybride, meerschalige constellaties van publieke en private
normen. Deze benaderingen convergeren in het inzicht dat nationale rechtsordes
niet verdwijnen, maar transformeren tot knooppunten waarin verschillende
juridische regimes samenkomen en waarin legitimiteit voortkomt uit coördinatie,
wederzijdse erkenning en corrigeerbaarheid tussen niveaus.
[3] Klassieke analyses
zoals Dani Rodrik, The Globalization Paradox (2011), en Thomas Piketty, Capital
et idéologie (2019), laten zien hoe internationale economische integratie
spanning creëert tussen markten, democratie en herverdeling. Empirisch
onderzoek naar belastingconcurrentie, onder meer door Gabriel Zucman, The
Hidden Wealth of Nations (2015), en Thomas Tørsløv et al. (2022), toont aan
dat winstverschuiving en belastingontwijking de capaciteit van staten om te
herverdelen aanzienlijk kunnen beperken. Daarnaast benadrukt literatuur over de
‘race to the bottom’ en fiscale concurrentie dat staten onder druk kunnen komen
te staan om belastingtarieven en regulering te verlagen om investeringen aan te
trekken, zie Geoffrey Garrett (1998) en latere studies. Recente syntheses,
zoals Branko Milanović, Global Inequality (2016), en Quinn Slobodian, Globalists
(2018), onderstrepen dat deze dynamieken bijdragen aan toenemende ongelijkheid
en druk op nationale herverdelingsmechanismen. Tegelijkertijd wijzen studies
naar grensoverschrijdende problematiek erop dat veel hedendaagse uitdagingen —
zoals klimaatverandering, financiële stabiliteit en digitale markten —
nationale beleidskaders overstijgen en coördinatie vereisen op supranationale
of mondiale schaal. Zie onder meer Joseph Stiglitz, Globalization and Its
Discontents Revisited (2017), en Thomas Hale, Catalytic Cooperation
(2018), evenals Frank Biermann, Earth System Governance (2022), waarin
wordt betoogd dat effectieve governance afhankelijk is van gelaagde en
internationale coördinatiemechanismen. Deze literatuur convergeert in het
inzicht dat economische globalisering zowel de beleidsruimte van staten
begrenst als de noodzaak vergroot van institutionele samenwerking voorbij het
nationale niveau.
[4] Klassieke reflecties op nationale identiteit en
politieke gemeenschap zijn te vinden bij Benedict Anderson, Imagined
Communities (1983), waarin naties worden begrepen als sociaal
geconstrueerde en historisch contingente gemeenschappen, en Ernest Gellner, Nations
and Nationalism (1983), die de samenhang tussen moderniteit en nationale
homogenisering analyseert. Tegenover deze homogeniserende tendensen benadrukken
latere theorieën juist de structurele pluraliteit van moderne samenlevingen.
Zie onder meer Charles Taylor, Multiculturalism and the Politics of
Recognition (1992), en Will Kymlicka, Multicultural Citizenship
(1995), waarin wordt betoogd dat democratische legitimiteit rekening moet
houden met culturele en identitaire diversiteit. Recente bijdragen zoals
Amartya Sen, Identity and Violence (2006), en Rogers Brubaker, Grounds
for Difference (2015), onderstrepen dat individuen gelijktijdig meerdere,
contextafhankelijke identiteiten dragen. Daarnaast wijzen globaliserings- en
migratiestudies op de toenemende transnationale verwevenheid van samenlevingen,
zie Saskia Sassen, Territory, Authority, Rights (2006), en Steven
Vertovec, Transnationalism (2009), evenals meer recente syntheses zoals
Achille Mbembe, Critique of Black Reason (2017), en Kwame Anthony
Appiah, The Lies That Bind (2018). Deze literatuur convergeert in het
inzicht dat de veronderstelling van een homogene demos steeds minder houdbaar
is, en dat democratische instituties zich moeten verhouden tot meervoudige,
overlappende en dynamische vormen van politieke gemeenschap.
[5] Klassieke concepties
van soevereiniteit als ondeelbare hoogste macht, zoals bij Jean Bodin, Les
Six Livres de la République (1576), en Thomas Hobbes, Leviathan
(1651), zijn in de moderne context onder druk komen te staan door juridische,
politieke en economische verwevenheid. In reactie hierop ontwikkelen latere
theorieën een meer gelaagd en relationeel begrip van soevereiniteit, zie onder
meer Stephen D. Krasner, Sovereignty: Organized Hypocrisy (1999), en
Neil Walker, Intimations of Global Law (2015), waarin soevereiniteit
wordt begrepen als contextafhankelijk en gedeeld. Binnen de Europese en internationale
rechtsorde wordt dit verder uitgewerkt in concepten van constitutioneel
pluralisme en gedeelde soevereiniteit, zie Miguel Poiares Maduro, We the
Court (1998) en latere bijdragen, Mattias Kumm (o.a. 2021), en Nico Krisch,
Beyond Constitutionalism (2010), waarin rechtsordes worden opgevat als
overlappende en wederzijds beïnvloedende normatieve systemen zonder
hiërarchisch centrum. Ook Anne-Marie Slaughter, A New World Order
(2004), en latere publicaties, benadrukken dat staten functioneren binnen
transnationale netwerken van publieke en private actoren waarin bevoegdheden
worden gedeeld en gecoördineerd.Recente literatuur bevestigt dat deze
verschuiving samenhangt met globalisering, regionale integratie en de opkomst
van gre nsoverschrijdende problemen die nationale besluitvorming overstijgen.
Zie onder meer Saskia Sassen, Territory, Authority, Rights (2006), en
Wolfgang Streeck, Buying Time (2014), evenals Michael Zürn, A Theory
of Global Governance (2018), waarin wordt betoogd dat autoriteit zich
verplaatst naar gelaagde governance-structuren met meerdere
legitimiteitsbronnen. Deze benaderingen convergeren in het inzicht dat
soevereiniteit in de hedendaagse context niet verdwijnt, maar transformeert tot
een gedeelde en relationeel ingebedde bevoegdheid, begrensd door functionele
afhankelijkheden en institutionele interacties tussen niveaus.

Reacties
Een reactie posten