Extreemrechts bestrijd je niet alleen met afwijzing, maar ook met betere instituties
Indien extreemrechts populisme mede aantrekkelijk wordt
waar mensen verlies aan erkenning, bestaansonzekerheid, statusangst en gebrek
aan sociaal perspectief ervaren, dan kan een democratische rechtsstaat zich
niet beperken tot morele afwijzing van extreemrechtse uitingen. Zij moet ook
onderzoeken welke sociale en institutionele omstandigheden zulke uitingen
ontvankelijk maken. De centrale vraag wordt dan: wat moeten instituties doen
wanneer ressentiment niet louter een ideologisch verschijnsel is, maar ook een
symptoom van verstoorde bestaanszekerheid, gebrekkige erkenning en afnemend
vertrouwen in corrigerende instituties?
Deze vraag vraagt om een dubbelzinnige, maar
noodzakelijke normatieve positie. Enerzijds moet de democratische rechtsstaat
ondubbelzinnig afstand nemen van racisme, antisemitisme, moslimhaat, xenofobie,
lhbtiq+-haat, complotdenken en de ontmenselijking van minderheden. Zulke vormen
van uitsluiting kunnen niet worden gerelativeerd als “gewone zorgen” of als
legitieme expressies van volkswil. Zij raken aan de kern van de rechtsstaat: de
gelijke waardigheid van personen, de bescherming van minderheden, de openheid
van het publieke domein en de begrenzing van meerderheidsmacht. Anderzijds mag
de democratische rechtsstaat de sociale voedingsbodems van extreemrechts
ressentiment niet negeren. Waar mensen bestaansonzekerheid ervaren, vastlopen
in woningnood, regionale achterstelling ondervinden, hun arbeid niet erkend
zien, institutioneel wantrouwen ontwikkelen of het gevoel hebben dat hun
leefwereld moreel wordt geminacht, ontstaat een vacuüm waarin uitsluitende
politiek aantrekkelijk kan worden.
Juist hier doen zich twee valkuilen voor. De eerste
valkuil is moralisering zonder analyse. Extreemrechtse kiezers worden dan
uitsluitend weggezet als dom, racistisch, achterlijk of moreel inferieur. Een
dergelijke benadering kan op korte termijn begrijpelijk lijken, zeker wanneer
extreemrechtse politiek zich richt tegen kwetsbare groepen. Toch is zij
analytisch ontoereikend en politiek riskant. Zij miskent dat gevoelens van
verlies, onzekerheid en gebrek aan erkenning soms voortkomen uit reële ervaringen:
sociale daling, afbraak van voorzieningen, bureaucratische vernedering,
woningnood, onzekere arbeid, regionaal verval of verlies aan grip op de
toekomst. Wie die ervaringen niet serieus neemt, bevestigt gemakkelijk het
populistische verhaal dat “de elite” gewone mensen niet wil begrijpen.
De tweede valkuil is normalisering. Daarbij wordt
ressentiment niet geanalyseerd, maar politiek gevolgd. Gevoelens van bedreiging
worden dan vertaald in harder migratiebeleid, beperking van grondrechten,
verzwakking van asielbescherming, aantasting van rechterlijke controle,
versmalling van burgerschap of relativering van discriminatie. Deze valkuil is
minstens zo gevaarlijk. Zij erkent weliswaar de emotie achter extreemrechtse
politiek, maar legitimeert de verkeerde conclusie: dat bestaansonzekerheid, statusverlies
of culturele onzekerheid mogen worden beantwoord door anderen rechten,
bescherming of waardigheid te ontzeggen. Daarmee wordt de democratische
rechtsstaat zelf opgenomen in de logica van uitsluiting.
Een democratische rechtsstaat moet beide valkuilen
vermijden. Zij moet reële bestaansonzekerheid, woningnood, regionale
achterstelling, verlies van gemeenschapsgevoel en institutioneel wantrouwen
serieus nemen, maar zonder toe te geven aan ontmenselijking, discriminatie of
uitsluiting. De institutionele opdracht is daarom niet om ressentiment te
volgen, maar om de sociale voorwaarden weg te nemen waardoor ressentiment
aantrekkelijk wordt. Deze formulering is essentieel: democratische politiek
moet de oorzaken van gekrenktheid, onzekerheid en verlies aan perspectief
adresseren, zonder het vijandbeeld te bevestigen waarin extreemrechts deze
ervaringen organiseert.
Vanuit het relationeel-procesmatige mensbeeld betekent
dit dat instituties niet slechts worden beoordeeld op procedurele correctheid
of economische efficiëntie, maar op hun bijdrage aan menswording: de feitelijke
mogelijkheid van mensen om zich in relationele, materiële, culturele en
politieke zin te ontwikkelen. Menselijke ontwikkeling kan niet worden begrepen
vanuit een geïsoleerd individu, maar als een relationeel en historisch proces
binnen sociale, culturele en ecologische contexten. Instituties dragen daarom
niet alleen regels over, maar vormen de voorwaarden waaronder mensen zichzelf
als volwaardige deelnemers aan de samenleving kunnen ervaren.
Daaruit volgt dat bestaanszekerheid geen secundair
sociaal beleidsterrein is, maar een constitutieve voorwaarde voor democratische
gelijkwaardigheid. Wie permanent onzeker is over inkomen, woning, zorg,
schulden of toegang tot publieke voorzieningen, beschikt formeel misschien over
rechten, maar mist vaak de feitelijke ruimte om die rechten uit te oefenen.
Bestaanszekerheid is niet alleen bescherming tegen armoede, maar een materiële
basis voor autonomie, participatie, vertrouwen en erkenning. Bestaanszekerheid
behoort niet afhankelijk te blijven van incidentele beleidskeuzes of tijdelijke
politieke meerderheden, maar vraagt om institutionele verankering, omdat zij
een basisvoorwaarde vormt voor gelijkwaardige deelname, relationele autonomie
en duurzame menselijke ontwikkeling.
Dit inzicht heeft directe betekenis voor de analyse van
extreemrechts. Waar bestaanszekerheid structureel tekortschiet, ontstaat niet
automatisch solidariteit. Tekort kan ook competitie, wantrouwen en
zondebokvorming produceren. Wanneer mensen het gevoel hebben dat woningen,
bestaansmiddelen, erkenning en publieke aandacht schaars zijn, worden zij
ontvankelijker voor verhalen waarin andere groepen als concurrenten worden
voorgesteld. Het antwoord daarop kan niet zijn dat de rechtsstaat zelf groepen
tegen elkaar uitspeelt. Het antwoord moet zijn dat de institutionele basis van
bestaanszekerheid zodanig wordt versterkt dat mensen minder afhankelijk worden
van symbolische statuscompensatie door uitsluiting.
Daarom is de koppeling tussen bestaanszekerheid en macht
van groot belang. Bestaansonzekerheid is niet louter een individueel tekort of
een toevallig marktrisico, maar vaak het resultaat van institutioneel
vormgegeven machtsverhoudingen: tussen huurders en verhuurders, werknemers en
werkgevers, burgers en uitvoeringsinstanties, regio’s en centrale
besluitvorming, platformbedrijven en gebruikers, kapitaalbezitters en mensen
zonder vermogen. Structurele ongelijkheid en machtsconcentratie tasten niet
alleen materiële gelijkheid aan, maar ook de psychologische en relationele
voorwaarden voor participatie, vertrouwen en legitimiteit. Ongelijkheid wordt
daarmee niet slechts een verdelingsvraagstuk, maar een beperking van
ontwikkelingsmogelijkheden en corrigeerbaarheid.
Deze machtsdimensie is cruciaal omdat extreemrechtse
politiek vaak een vals antwoord geeft op echte machtsvragen. Zij richt woede
niet op geconcentreerde economische macht, falend woonbeleid, gebrekkige
publieke dienstverlening, platformmacht of politieke ondoorzichtigheid, maar op
minderheden die zelf weinig structurele macht hebben. Een democratische
institutionele respons moet daarom de verticale analyse herstellen: wie bezit
invloed, wie profiteert van schaarste, wie draagt risico’s, wie heeft toegang tot
correctiemechanismen, wie wordt systematisch niet gehoord? Alleen wanneer die
vragen centraal staan, kan ressentiment worden omgebogen naar democratische
kritiek in plaats van zondebokpolitiek.
Erkenning vormt de tweede institutionele dimensie. Mensen
hebben niet alleen materiële zekerheid nodig, maar ook het gevoel dat hun
bijdrage, leefwereld, waardigheid en stem serieus worden genomen. Axel Honneth
heeft laten zien dat sociale strijd vaak strijd om erkenning is: om respect,
waardering en liefdevolle of solidaire relaties waarin personen zichzelf als
handelingsbekwaam en waardevol kunnen ervaren[1].
Nancy Fraser heeft daar terecht aan toegevoegd dat erkenning niet los kan
worden gezien van herverdeling en representatie[2].^2
Een democratische rechtsstaat moet dus niet kiezen tussen materiële
rechtvaardigheid en culturele erkenning. Juist de combinatie is nodig: zonder
materiële basis wordt erkenning symbolisch; zonder erkenning wordt herverdeling
technocratisch en paternalistisch.
Deze combinatie is ook van belang om extreemrechts
ressentiment niet onbedoeld te versterken. Wanneer instituties groepen
uitsluitend benaderen als probleemgevallen, uitkeringsontvangers,
achterblijvers of risicogroepen, kan dat gevoelens van vernedering versterken.
Wanneer instituties daarentegen alleen abstract spreken over diversiteit,
inclusie of emancipatie zonder bestaansonzekerheid aan te pakken, kan dat bij
sommige burgers het gevoel voeden dat hun eigen problemen onzichtbaar blijven.
Een rechtvaardige institutionele orde moet daarom erkenning meervoudig
organiseren: zij moet minderheden beschermen tegen discriminatie én burgers die
sociale daling, regionale achterstelling of bestaansonzekerheid ervaren serieus
nemen als volwaardige deelnemers aan de democratische gemeenschap.
Dat betekent echter niet dat alle erkenningsclaims
dezelfde normatieve status hebben. Er bestaat een fundamenteel verschil tussen
erkenning die gericht is op gelijkwaardige deelname en erkenning die
afhankelijk is van uitsluiting van anderen. De democratische rechtsstaat moet
de eerste versterken en de tweede begrenzen. Het verlangen om gehoord te worden
is legitiem; het verlangen om anderen lager te plaatsen niet. De behoefte aan
bestaanszekerheid is legitiem; de eis dat vluchtelingen, moslims of lhbtiq+-personen
daarvoor rechten verliezen niet. De ervaring van culturele onzekerheid verdient
gesprek; de ontkenning van pluraliteit niet. Institutioneel ontwerp moet dus
erkennen zonder te capituleren voor hiërarchie.
Hier komt het polycentrisch corrigeerbare democratiemodel
in beeld. Binnen dat model wordt democratische legitimiteit niet gereduceerd
tot periodieke verkiezingen of meerderheidsbesluiten, maar verbonden met
permanente signalering, beoordeling, correctie en verantwoording.
Bestaanszekerheid wordt daarin niet slechts gezien als beleidsdoel, maar als
democratische voorwaarde die juridisch, economisch en institutioneel moet
worden geborgd. Dit is een meerdimensionale institutionele architectuur waarin
normatieve erkenning, materiële verdeling en concrete toegang tot voorzieningen
elkaar wederzijds ondersteunen.
Deze benadering is relevant voor het tegengaan van
extreemrechts omdat zij corrigeerbaarheid centraal stelt. Ressentiment groeit
vaak waar mensen ervaren dat bestaande instituties niet luisteren, niet
herstellen, niet reageren en niet corrigeren. Wanneer klachten over woningnood,
bestaansonzekerheid, discriminatie, bureaucratische vernedering of regionale
achterstelling jarenlang blijven liggen, verliest de democratische rechtsstaat
haar geloofwaardigheid. Mensen zoeken dan alternatieve verhalen die hun ervaring
bevestigen. Een corrigeerbare institutionele orde moet daarom niet alleen
formele bezwaarprocedures bieden, maar daadwerkelijke responsiviteit: signalen
moeten worden opgepakt, fouten hersteld, patronen zichtbaar gemaakt en macht
gecontroleerd.
Extreemrechts ressentiment wordt versterkt wanneer
burgers niet langer vertrouwen hebben in journalistiek, wetenschap,
rechtspraak, statistiek, overheid of onderwijs als gezamenlijke bronnen van
werkelijkheidsoriëntatie. Epistemische fragmentatie maakt het moeilijker om
gedeelde oorzaken van problemen te analyseren. Een democratische rechtsstaat
moet daarom investeren in betrouwbare publieke informatie, onafhankelijke
journalistiek, wetenschappelijke integriteit, transparante algoritmen,
mediawijsheid en institutionele openheid. Zonder gedeelde epistemische
infrastructuur kan geen corrigerende democratie functioneren; dan wordt
politiek gereduceerd tot botsende werkelijkheden en affectieve loyaliteiten.
Bestaanszekerheid, erkenning en epistemische stabiliteit
moeten daarom samen worden begrepen. Materiële onzekerheid maakt mensen
vatbaarder voor dreigingsverhalen. Gebrek aan erkenning maakt hen vatbaarder
voor ressentiment. Epistemische fragmentatie maakt hen vatbaarder voor
complotdenken en vijandbeelden. Institutioneel wantrouwen maakt hen vatbaarder
voor autoritaire leiders die beloven “de waarheid” namens het volk te
herstellen. Een democratische rechtsstaat die extreemrechts wil weerstaan, moet
dus niet slechts reageren op de uitingen van radicalisering, maar op de
condities waaronder radicalisering plausibel wordt.
Dit vereist ook een andere omgang met discriminatie.
Discriminatie is niet alleen een morele misstap van individuen, maar een
institutionele ondermijning van gelijk burgerschap. Wanneer mensen structureel
worden benadeeld bij huisvesting, arbeid, onderwijs, politiecontacten of
publieke dienstverlening vanwege afkomst, religie, huidskleur, naam,
genderidentiteit of seksuele oriëntatie, wordt de belofte van de rechtsstaat
feitelijk gebroken. Dat heeft dubbele gevolgen. Voor minderheden betekent het
directe aantasting van waardigheid en kansen. Voor de samenleving als geheel
betekent het verlies van legitimiteit: de rechtsstaat die gelijkheid belooft
maar ongelijkheid reproduceert, verliest morele overtuigingskracht. Het actief
bestrijden van discriminatie is daarom geen identitaire bijzaak, maar een
voorwaarde voor democratische stabiliteit.
Tegelijk moet de democratische rechtsstaat voorkomen dat
antidiscriminatiebeleid wordt gepresenteerd als nulsompolitiek. De bescherming
van minderheden moet niet worden geframed als achterstelling van de
meerderheid, maar als versterking van de algemene rechtsstatelijke orde waarvan
iedereen afhankelijk is. Een samenleving waarin moslims veilig zijn, beschermt
ook Joden, christenen, atheïsten en andersdenkenden. Een samenleving waarin
lhbtiq+-personen gelijkwaardig kunnen leven, beschermt ook de vrijheid van
gezinsleven, expressie en persoonlijke ontwikkeling van anderen. Een
samenleving waarin afkomst geen toegang tot werk of woning bepaalt, beschermt
de integriteit van burgerschap als zodanig. Gelijke waardigheid is geen
groepsprivilege, maar de structuurvoorwaarde van een vrije samenleving.
Daarom moet institutioneel ontwerp ook investeren in
sociale mobiliteit en publieke voorzieningen. Wanneer mensen ervaren dat hun
inspanning niet langer leidt tot verbetering, dat hun kinderen minder kansen
hebben, dat publieke diensten verdwijnen en dat wonen onbereikbaar wordt,
ontstaat een voedingsbodem voor politieke wanhoop. Sociale mobiliteit is niet
alleen economisch belangrijk, maar ook psychologisch en democratisch: zij
ondersteunt het geloof dat de samenleving niet gesloten is. Publieke voorzieningen
zijn evenmin slechts diensten; zij zijn ontmoetingsplaatsen,
solidariteitsstructuren en zichtbare bewijzen dat de gemeenschap zorgdraagt
voor haar leden. Waar voorzieningen verdwijnen, verdwijnt vaak ook vertrouwen.
Democratische participatie vormt vervolgens de politieke
dimensie van erkenning. Burgers moeten niet alleen object zijn van beleid, maar
mede drager van besluitvorming. Dat vraagt om meer dan inspraakprocedures
achteraf. Het vraagt om vormen van deliberatie, lokale betrokkenheid,
burgerfora, wijkgerichte besluitvorming, sociale bewegingen, vakbonden,
maatschappelijke organisaties en toegankelijke bezwaar- en
beroepsmogelijkheden. In een polycentrisch corrigeerbare democratische orde
wordt politieke stem niet geconcentreerd in één verkiezingsmoment, maar
verspreid over meerdere instituties, schaalniveaus en correctiekanalen. Dat is
van belang omdat ressentiment vaak groeit waar mensen het gevoel hebben dat zij
geen effectieve stem hebben behalve via destructief protest.
De institutionele respons op extreemrechts moet daarom
zowel sociaal als rechtsstatelijk zijn. Sociaal, omdat zij bestaanszekerheid,
erkenning, mobiliteit en publieke infrastructuur moet versterken.
Rechtsstatelijk, omdat zij grenzen moet stellen aan ontmenselijking,
discriminatie en aantasting van minderhedenrechten. Deze twee dimensies mogen
niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Wie alleen sociale onzekerheid bestrijdt
maar racisme relativeert, verzwakt de rechtsstaat. Wie alleen rechtsstatelijke
grenzen benadrukt maar sociale onzekerheid negeert, laat de voedingsbodem
intact. De democratische opdracht ligt in hun samenhang.
Deze samenhang kan worden geformuleerd als een
institutioneel afwegingskader. Ten eerste moet worden getoetst of
bestaanszekerheid en toegang tot basisvoorzieningen voldoende zijn gewaarborgd.
Ten tweede moet worden onderzocht of groepen daadwerkelijk erkenning,
participatie en bescherming ervaren. Ten derde moet worden beoordeeld of
machtsconcentraties en structurele ongelijkheden corrigeerbaar zijn. Ten vierde
moet worden nagegaan of publieke informatievoorziening en epistemische
instituties voldoende betrouwbaar en toegankelijk zijn. Ten vijfde moet worden
bewaakt dat beleidsreacties op maatschappelijke onvrede niet leiden tot
schending van gelijkwaardigheid, asielrecht, non-discriminatie en
minderhedenbescherming.
Op deze manier wordt duidelijk waarom extreemrechts niet
alleen een electorale uitdaging is, maar een test van institutionele kwaliteit.
Een samenleving waarin grote groepen zich onzeker, onzichtbaar of vernederd
voelen, maar waarin minderheden onvoldoende beschermd worden tegen de woede die
daaruit voortkomt, heeft een dubbel probleem. Zij faalt in sociale
rechtvaardigheid én in rechtsstatelijke bescherming. Een volwassen
democratische rechtsstaat moet beide erkennen. Zij moet burgers die zich
verlaten voelen opnieuw verbinden met instituties, maar zij moet tegelijk
duidelijk maken dat die verbinding nooit mag worden gebouwd op uitsluiting van
anderen.
De institutionele opdracht is niet om ressentiment te
volgen, maar om de sociale voorwaarden weg te nemen waardoor ressentiment
aantrekkelijk wordt. Dat betekent: bestaanszekerheid versterken, sociale
mobiliteit vergroten, publieke voorzieningen herstellen, discriminatie actief
bestrijden, democratische participatie verdiepen en epistemische
infrastructuren beschermen. Extreemrechts populisme biedt eigenwaarde door
uitsluiting; een democratische rechtsstaat moet eigenwaarde mogelijk maken door
gelijkwaardige deelname. Alleen dan kan zij voorkomen dat mensen hun
waardigheid zoeken in de vernedering van anderen.
Lees het gehele onderzoek: “Eigenwaarde door uitsluiting:
bedreigde status, groepsnarcisme en extreemrechts stemgedrag” Een
sociaal-psychologische en institutionele analyse van ressentiment, identiteit
en politieke radicalisering. https://www.academia.edu/166923516/Eigenwaarde_door_uitsluiting_bedreigde_status_groepsnarcisme_en_extreemrechts_stemgedrag
[1] Axel Honneth, Kampf um Anerkennung: Zur moralischen Grammatik sozialer
Konflikte (Frankfurt am Main: Suhrkamp, 1992); Axel Honneth, Das Recht
der Freiheit: Grundriß einer demokratischen Sittlichkeit (Berlin: Suhrkamp,
2011).
[2] Nancy Fraser,
“Social Justice in the Age of Identity Politics: Redistribution, Recognition,
and Participation,” in Nancy Fraser en Axel Honneth, Redistribution or
Recognition? A Political-Philosophical Exchange (London/New York: Verso,
2003), 7–109; Nancy Fraser, Scales of Justice: Reimagining Political Space
in a Globalizing World (Cambridge: Polity, 2008).

Reacties
Een reactie posten